EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32021R2139

Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 van de Commissie van 4 juni 2021 tot aanvulling van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad door technische screeningcriteria vast te stellen om de voorwaarden te bepalen waaronder een specifieke economische activiteit kan worden aangemerkt als substantieel bijdragend aan de mitigatie van klimaatverandering of de adaptatie aan klimaatverandering, en om uit te maken of die economische activiteit niet ernstig afbreuk doet aan een van de andere milieudoelstellingen (Voor de EER relevante tekst)

C/2021/2800

OJ L 442, 9.12.2021, p. 1–349 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2021/2139/oj

9.12.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 442/1


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2021/2139 VAN DE COMMISSIE

van 4 juni 2021

tot aanvulling van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad door technische screeningcriteria vast te stellen om de voorwaarden te bepalen waaronder een specifieke economische activiteit kan worden aangemerkt als substantieel bijdragend aan de mitigatie van klimaatverandering of de adaptatie aan klimaatverandering, en om uit te maken of die economische activiteit niet ernstig afbreuk doet aan een van de andere milieudoelstellingen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (1), en met name artikel 10, lid 3, en artikel 11, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EU) 2020/852 wordt het algemene kader vastgesteld om uit te maken of een economische activiteit als ecologisch duurzaam kan worden aangemerkt, teneinde te bepalen in welke mate een belegging ecologisch duurzaam is. Die verordening is van toepassing op maatregelen van de Unie of van de lidstaten waarbij voorschriften worden vastgesteld voor financiëlemarktdeelnemers of uitgevende instellingen met betrekking tot financiële producten of bedrijfsobligaties die als ecologisch duurzaam beschikbaar worden gesteld, op financiëlemarktdeelnemers die financiële producten beschikbaar stellen, en op ondernemingen die onderworpen zijn aan de verplichting tot openbaarmaking van een niet-financiële verklaring overeenkomstig artikel 19 bis van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad (2) of van een geconsolideerde niet-financiële verklaring overeenkomstig artikel 29 bis van die richtlijn. Marktdeelnemers of overheidsinstanties die niet onder Verordening (EU) 2020/852 vallen, kunnen die verordening ook op vrijwillige basis toepassen.

(2)

Overeenkomstig de artikelen 10, lid 3, en 11, lid 3, van Verordening (EU) 2020/852 moet de Commissie gedelegeerde handelingen goedkeuren tot vaststelling van technische screeningcriteria om te bepalen onder welke voorwaarden een specifieke economische activiteit kan worden aangemerkt als substantieel bijdragend aan de mitigatie van klimaatverandering of de adaptatie aan klimaatverandering, en tot vaststelling, voor elke relevante milieudoelstelling als bedoeld in artikel 9 van die verordening, van technische screeningcriteria om te bepalen of die economische activiteit geen ernstige afbreuk doet aan een of meer van die milieudoelstellingen.

(3)

Overeenkomstig artikel 19, lid 1, punt h), van Verordening (EU) 2020/852 moeten de technische screeningcriteria rekening houden met de aard en de schaal van de economische activiteit en sector waarop zij betrekking hebben, en met de vraag of het gaat om een transitieactiviteit als bedoeld in artikel 10, lid 2, van die verordening, of om een faciliterende activiteit als bedoeld in artikel 16 van die verordening. Om op doeltreffende en evenwichtige wijze aan de vereisten van artikel 19 van Verordening (EU) 2020/852 te voldoen, moeten de technische screeningcriteria worden vastgesteld als een kwantitatieve drempel of minimumvereiste, als relatieve verbetering, als een reeks kwalitatieve prestatievereisten, als proces- of praktijkgerelateerde vereisten, of als een nauwkeurige beschrijving van de aard van de economische activiteit zelf wanneer die activiteit gezien haar aard substantieel kan bijdragen aan de mitigatie van klimaatverandering.

(4)

Technische screeningcriteria om te bepalen of een economische activiteit substantieel bijdraagt tot de mitigatie van klimaatverandering of de adaptatie aan klimaatverandering, moeten ervoor zorgen dat de economische activiteit positieve gevolgen heeft voor de klimaatdoelstelling of negatieve gevolgen voor de klimaatdoelstelling vermindert. Deze technische screeningcriteria moeten daarom verwijzen naar drempels of prestatieniveaus die de economische activiteit moet behalen om te kunnen worden aangemerkt als substantieel bijdragend aan een van die klimaatdoelstellingen. Technische screeningcriteria voor “geen ernstige afbreuk doen aan” moeten ervoor zorgen dat de economische activiteit geen significante negatieve milieueffecten heeft. Bijgevolg moet in die technische screeningcriteria worden gespecificeerd aan welke minimumvereisten de economische activiteit moet voldoen om als ecologisch duurzaam te kunnen worden aangemerkt.

(5)

De technische screeningcriteria om te bepalen of een economische activiteit substantieel bijdraagt aan de mitigatie van of de aanpassing aan klimaatverandering en of zij geen ernstige afbreuk doet aan een van de milieudoelstellingen, moeten in voorkomend geval voortbouwen op bestaande wetgeving, beste praktijken, normen en methodologieën van de Unie, en op gevestigde normen, praktijken en methodologieën die door internationaal gerenommeerde publieke entiteiten zijn ontwikkeld. Als er objectief gezien geen haalbare alternatieven zijn voor een bepaald beleidsterrein, kunnen de technische screeningcriteria ook voortbouwen op gevestigde normen die door internationaal gerenommeerde particuliere organisaties zijn ontwikkeld.

(6)

Om een gelijk speelveld te waarborgen moeten voor dezelfde categorieën economische activiteiten dezelfde technische screeningcriteria gelden voor elke klimaatdoelstelling. Bijgevolg moeten de technische screeningcriteria waar mogelijk de classificatie van economische activiteiten volgen van het NACE Rev.-2 classificatiesysteem voor economische activiteiten dat is vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad (3). Om het voor ondernemingen en financiëlemarktdeelnemers gemakkelijker te maken na te gaan voor welke relevante economische activiteiten technische screeningcriteria moeten worden vastgesteld, moet de specifieke beschrijving van een economische activiteit ook de referenties bevatten van de NACE-codes die met die activiteit in verband worden gebracht. Deze referenties moeten als indicatief worden begrepen en mogen niet prevaleren boven de specifieke definitie van de activiteit in de beschrijving ervan.

(7)

Technische screeningcriteria om te bepalen onder welke voorwaarden een economische activiteit kan worden geacht substantieel bij te dragen aan de mitigatie van klimaatverandering, moeten de noodzaak weerspiegelen om de productie van broeikasgassen te voorkomen en de emissie ervan te verminderen of meer broeikasgassen te verwijderen en de langetermijnopslag van koolstof te vergroten. Het is daarom passend eerst te focussen op de economische activiteiten en sectoren die het grootste potentieel hebben om deze doelstellingen te verwezenlijken. Deze economische activiteiten en sectoren moeten worden gekozen op basis van hun aandeel in de totale broeikasgasemissies en hun bewezen potentieel om bij te dragen aan de voorkoming van broeikasgasuitstoot, de vermindering van dergelijke emissies of de verwijdering van broeikasgassen, of aan het faciliteren van de voorkoming, de vermindering, de verwijdering of de langetermijnopslag in andere activiteiten.

(8)

De methode voor de berekening van broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus moet robuust en breed toepasbaar zijn, en zo de vergelijkbaarheid van de berekeningen van broeikasgasemissies binnen en tussen sectoren bevorderen. Daarom is het passend om voor alle activiteiten dezelfde berekeningsmethode te eisen in gevallen waar die berekening vereist is, en tegelijkertijd voldoende flexibiliteit te bieden voor entiteiten die Verordening (EU) 2020/852 toepassen. Aanbeveling 2013/179/EU van de Commissie is dan ook nuttig voor de berekening van broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus met als alternatief de mogelijkheid om ISO-normen 14067 of 14064-1 te gebruiken. Als alternatieve gevestigde instrumenten of normen bijzonder geschikt zijn om nauwkeurige en vergelijkbare informatie over de berekening van broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus voor een specifieke sector te verstrekken, zoals het G-res-instrument voor de waterkrachtsector en de ETSI-norm ES 203 199 voor de informatie- en communicatiesector, is het passend dergelijke instrumenten of normen op te nemen als aanvullende alternatieven voor die sector.

(9)

De methodologie voor de berekening van broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus voor activiteiten in de waterkrachtsector moet de specifieke kenmerken van die sector weerspiegelen, met inbegrip van nieuwe modelleringsmethoden, wetenschappelijke kennis en empirische metingen in reservoirs wereldwijd. Om accurate rapportage over het netto-effect van broeikasgasemissies voor de waterkrachtsector mogelijk te maken, is het daarom passend het gebruik toe te staan van het G-res-instrument, dat gratis openbaar beschikbaar is en door de International Hydropower Association in samenwerking met de UNESCO-leerstoel voor wereldwijde milieuverandering is ontwikkeld.

(10)

De methode voor de berekening van broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus voor activiteiten in de informatie- en communicatiesector moet de specifieke kenmerken van die sector weerspiegelen, met name de gespecialiseerde werkzaamheden en richtsnoeren die zijn verstrekt door het Europees Instituut voor telecommunicatienormen (ETSI) voor de uitvoering van levenscyclusbeoordelingen in de informatie en communicatiesector. Het is dus passend het gebruik van ETSI-norm ES 203 199 toe te staan als methode om de broeikasgasemissies voor die sector accuraat te berekenen.

(11)

De technische screeningcriteria voor bepaalde activiteiten berusten op elementen van aanzienlijke technische complexiteit en het beoordelen of aan deze criteria is voldaan, kan deskundige kennis vereisen, hetgeen mogelijk niet haalbaar is voor investeerders. Om die beoordeling te vergemakkelijken kan de naleving van dergelijke technische screeningcriteria voor dergelijke activiteiten worden gecontroleerd door een onafhankelijke derde partij.

(12)

Activiteiten die economische activiteiten faciliteren als bedoeld in artikel 10, lid 1, punt i), van Verordening (EU) 2020/852, dragen niet met hun eigen prestaties substantieel bij aan de mitigatie van klimaatverandering. Dergelijke activiteiten spelen een cruciale rol bij de decarbonisering van de economie doordat zij het verrichten van andere activiteiten op een laag koolstofniveau rechtstreeks faciliteren. Er moeten dus technische screeningcriteria worden vastgesteld voor economische activiteiten die een essentiële rol spelen om het koolstofarm maken of het terugdringen van broeikasgasemissies voor doelactiviteiten te faciliteren. Deze technische screeningcriteria moeten ervoor zorgen dat een activiteit die daaraan voldoet, ook de garanties van artikel 16 van Verordening (EU) 2020/852 eerbiedigt, met name dat de activiteit niet tot een lock-in van activa leidt en dat zij een aanzienlijk positief milieueffect heeft.

(13)

Economische transitieactiviteiten als bedoeld in artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 kunnen nog niet worden vervangen door technologisch en economisch haalbare koolstofarme alternatieven, maar ondersteunen de transitie naar een klimaatneutrale economie. Deze activiteiten kunnen een cruciale rol spelen bij de mitigatie van klimaatverandering door hun huidige grote koolstofvoetafdruk aanzienlijk te verkleinen, onder meer door de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen geleidelijk mee te helpen afbouwen. Er moeten dus technische screeningcriteria worden vastgesteld voor deze economische activiteiten waarvoor bijna-koolstofvrije oplossingen nog niet levensvatbaar zijn of waarvoor bijna-koolstofvrije activiteiten wel bestaan maar nog niet op grote schaal haalbaar zijn, die het grootste potentieel voor aanzienlijke broeikasgasemissiereducties hebben. Deze technische screeningcriteria moeten ervoor zorgen dat een activiteit die daaraan voldoet, ook de garanties van artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 eerbiedigt, met name dat de activiteit broeikasgasemissies vertoont die overeenstemmen met de beste prestaties in de sector of de industrie, de ontwikkeling en toepassing van koolstofarme alternatieven niet in de weg staat en niet leidt tot een lock-in van koolstofintensieve activa.

(14)

In het licht van de lopende onderhandelingen over het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) en om te komen tot meer samenhang tussen de verschillende instrumenten om de milieu- en klimaatambities van de Green Deal te verwezenlijken, werd besloten het vaststellen van technische screeningcriteria voor de landbouw uit te stellen.

(15)

Bossen staan onder toenemende druk als gevolg van klimaatverandering, die andere belangrijke oorzaken van druk, zoals plagen, ziekten, extreme weersomstandigheden en bosbranden, verergert. Andere vormen van druk vloeien voort uit de plattelandsvlucht, gebrek aan beheer en versnippering als gevolg veranderingen in landgebruik, toenemende beheersintensiteit als gevolg van de grotere vraag naar hout, bosproducten en energie, infrastructuurontwikkeling, urbanisatie en ruimtebeslag. Tegelijkertijd spelen bossen een cruciale rol bij het verwezenlijken van de doelstellingen van de Unie om het verlies aan biodiversiteit om te buigen en de ambitie in verband met mitigatie van en adaptatie aan klimaatverandering te verhogen, het risico op rampen, met name als gevolg van overstromingen, droogtes of bosbranden, te verminderen en te beheersen, en een circulaire bio-economie te bevorderen. Om tot klimaatneutraliteit en een gezond milieu te komen, is verbetering nodig van zowel de kwaliteit als de kwantiteit van bosgebieden, die de grootste koolstofput zijn in de sector landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF). Bosgerelateerde activiteiten kunnen bijdragen aan de mitigatie van klimaatverandering door de nettoverwijdering van kooldioxide te verhogen, koolstofvoorraden in stand te houden en materialen en hernieuwbare energie te leveren; dat levert voordelen op voor zowel de adaptatie aan klimaatverandering, de biodiversiteit, de circulaire economie, het duurzaam gebruik en de bescherming van water en mariene hulpbronnen als de preventie en bestrijding van verontreiniging. Daarom moeten er technische screeningcriteria worden vastgesteld voor activiteiten op het gebied van bebossing, herstel van bossen, bosbeheer en bosinstandhouding. Deze technische screeningcriteria moeten volledig stroken met de doelstellingen van de Unie inzake adaptatie aan klimaatverandering, biodiversiteit en de circulaire economie.

(16)

Om de evolutie van broeikasgasemissiereducties en koolstofvoorraden in bosecosystemen te meten is het passend dat boseigenaren een klimaatbatenanalyse uitvoeren. Om de proportionaliteit te weerspiegelen en de administratieve lasten voor met name kleinschalige boseigenaren te beperken, moeten bosbedrijven van minder dan 13 hectare niet worden verplicht een klimaatbatenanalyse uit te voeren. Om de administratieve kosten nog verder te beperken moeten kleinere boseigenaren de mogelijkheid krijgen om de tien jaar een groepsbeoordeling uit te voeren om hun berekeningen te certificeren. Passende gratis instrumenten, zoals de instrumenten van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO), die gebaseerd zijn op gegevens van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) (4), zijn beschikbaar om de omvang van de kosten te ramen en de kosten en lasten voor kleinschalige bosbouwers tot een minimum te beperken. Het instrument kan met name worden aangepast aan verschillende analyseniveaus, zoals specifieke waarden en gedetailleerde berekeningen voor grote bedrijven, en standaardwaarden en vereenvoudigde berekeningen voor kleinere eigenaren.

(17)

Als vervolg op de mededelingen van de Commissie, “De Europese Green Deal” van 11 december 2019 (5), “EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030” van 20 mei 2020 (6) en “Een ambitieuzere klimaatdoelstelling voor Europa voor 2030: investeren in een klimaatneutrale toekomst voor ons allemaal” van 17 september 2020 (7), en in overeenstemming met de bredere ambities van de Unie inzake biodiversiteit en klimaatneutraliteit, met de mededeling van de Commissie “Een klimaatveerkrachtig Europa tot stand brengen - de nieuwe EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering” van 24 februari 2021 (8) en met de nieuwe bos- en adaptatiestrategieën die in 2021 zijn gepland, moeten de technische screeningcriteria voor bosactiviteiten worden aangevuld, geëvalueerd en waar nodig herzien op het moment dat de in artikel 15, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 bedoelde gedelegeerde handeling wordt vastgesteld. Deze technische screeningcriteria moeten worden herzien om beter rekening te houden met biodiversiteitsvriendelijke praktijken die in ontwikkeling zijn, zoals natuurbosbouw.

(18)

Gezien het belang ervan voor de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en voor de versterking van koolstofputten op land kan het herstel van wetlands substantieel bijdragen aan de mitigatie van klimaatverandering. Het herstel van wetlands kan ook voordelen opleveren voor de adaptatie aan klimaatverandering, onder meer door de gevolgen van klimaatverandering te bufferen, en kan helpen om het verlies aan biodiversiteit om te buigen en waterkwaliteit en -kwantiteit te behouden. Om de samenhang met de Europese Green Deal, de mededeling “Een ambitieuzere klimaatdoelstelling voor Europa voor 2030” en de biodiversiteitsstrategie van de EU voor 2030 te waarborgen, moeten de technische screeningcriteria ook betrekking hebben op het herstel van wetlands.

(19)

De productiesector stoot ongeveer 21 % van de directe broeikasgasemissies in de Unie uit (9). Hij is de op twee na grootste bron van deze broeikasgassen in de Unie en kan dus een sleutelrol spelen bij de mitigatie van klimaatverandering. Tegelijkertijd kan de industrie een belangrijke rol spelen bij het voorkomen en verminderen van broeikasgasemissies in andere sectoren van de economie door producten en technologieën te produceren die die andere sectoren nodig hebben om koolstofarm te worden of te blijven. Technische screeningcriteria voor de productiesector moeten dus worden gespecificeerd voor zowel de productieactiviteiten die verband houden met de hoogste niveaus van broeikasgasemissies als de productie van koolstofarme producten en technologieën.

(20)

Productieactiviteiten waarvoor geen technologisch en economisch haalbare koolstofarme alternatieven bestaan, maar die de transitie naar een klimaatneutrale economie ondersteunen, moeten worden beschouwd als transitieactiviteiten overeenkomstig artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852. Om de vermindering van broeikasgasemissies aan te moedigen moeten de drempelwaarden van de technische screeningcriteria voor deze activiteiten worden vastgesteld op een niveau dat alleen haalbaar is voor de best presterende actoren in iedere sector, in de meeste gevallen op basis van broeikasgasemissies per geproduceerde eenheid.

(21)

Om ervoor te zorgen dat de in artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 bedoelde productieactiviteiten die transitieactiviteiten zijn, een geloofwaardig traject naar decarbonisatie blijven volgen en overeenkomstig artikel 19, lid 5 van die verordening, worden de technische screeningcriteria voor die activiteiten ten minste om de drie jaar herzien. Die herziening moet een analyse omvatten van de vraag of de technische screeningcriteria stoelen op de meest relevante normen en of voldoende rekening wordt gehouden met emissies gedurende de levenscyclus van die activiteiten. De herziening moet ook het potentiële gebruik van afgevangen koolstof beoordelen in het licht van de technologische ontwikkeling. Voor de productie van ijzer en staal moet verder rekening worden gehouden met nieuwe gegevens en praktijken met betrekking tot koolstofarme proefprocessen met gebruik van waterstof en moet verder worden beoordeeld of de EU-regeling voor de handel in emissierechten en andere mogelijke benchmarks in de technische screeningcriteria kunnen worden gebruikt.

(22)

Voor productieactiviteiten die moeten worden beschouwd als de in artikel 10, lid 1, punt i), van Verordening (EU) 2020/852 bedoelde faciliterende activiteiten, moeten de technische screeningcriteria voornamelijk worden gebaseerd op de aard van de vervaardigde producten, waar nodig in combinatie met aanvullende kwantitatieve drempels om ervoor te zorgen dat die producten een substantiële bijdrage kunnen leveren aan het voorkomen of verminderen van broeikasgasemissies in andere sectoren. Om te weerspiegelen dat prioriteit wordt gegeven aan activiteiten met het grootste potentieel om de productie van broeikasgasemissies te voorkomen en de emissie ervan te verminderen of meer broeikasgassen te verwijderen en de langetermijnopslag van koolstof te vergroten, moeten de faciliterende productieactiviteiten toegespitst zijn op de vervaardiging van producten die nodig zijn voor die economische activiteiten.

(23)

De productie van elektrische apparatuur voor stroom speelt een belangrijke rol bij het upgraden en gebruiken van hernieuwbare energiebronnen en het compenseren van schommelingen in de aan de elektriciteitsnetten van de Unie geleverde elektriciteit, bij het herladen van emissievrije voertuigen en bij de invoering van slimme, groene huistoepassingen. Tegelijkertijd kan zij de ontwikkeling van het concept slimme huisvesting mogelijk maken om zo het gebruik van hernieuwbare energiebronnen en het goed beheer van huishoudapparaten verder te bevorderen. Het kan dan ook nodig zijn de technische screeningcriteria in de productiesector aan te vullen en na te gaan in hoeverre de productie van elektrische apparatuur een substantiële bijdrage kan leveren aan de mitigatie van klimaatverandering en de adaptatie aan klimaatverandering.

(24)

Energie-efficiëntiemaatregelen en andere maatregelen ter mitigatie van klimaatverandering, zoals de uitrol van technologieën voor hernieuwbare energie ter plaatse en bestaande geavanceerde technologieën, kunnen leiden tot aanzienlijke broeikasgasemissiereducties in de productiesector. Daarom kunnen deze maatregelen een belangrijke rol spelen om economische activiteiten in de productiesector waarvoor technische screeningcriteria moeten worden opgesteld, te helpen hun respectieve prestatienormen en drempels voor een substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering te halen.

(25)

De energiesector zorgt voor ongeveer 22 % van de directe broeikasgasemissies in de Unie en voor ongeveer 75 % van die emissies wanneer rekening wordt gehouden met het energieverbruik in andere sectoren. De sector speelt dus een sleutelrol bij de mitigatie van klimaatverandering. Deze sector heeft een aanzienlijk potentieel om broeikasgassen terug te dringen, en meerdere activiteiten fungeren als faciliterende activiteiten die de transitie van deze sector naar hernieuwbare of koolstofarme elektriciteit of warmte vergemakkelijken. Het is daarom passend technische screeningcriteria op te stellen voor een breed scala van activiteiten die betrekking hebben op de energietoeleveringsketen, van elektriciteits- of warmteopwekking uit verschillende bronnen, over transmissie- en distributienetwerken tot opslag, warmtepompen en de productie van biogas en biobrandstoffen.

(26)

Technische screeningcriteria om te bepalen of activiteiten voor elektriciteits- of warmteopwekking, met inbegrip van warmtekrachtkoppelingsactiviteiten, substantieel bijdragen aan de mitigatie van klimaatverandering, moeten ervoor zorgen dat broeikasgasemissies worden verminderd of voorkomen. Technische screeningcriteria die gebaseerd zijn op broeikasgasemissies, moeten aangeven volgens welk traject die activiteiten koolstofvrij worden gemaakt. Technische screeningcriteria voor faciliterende activiteiten die het koolstofvrij maken op lange termijn bevorderen, moeten voornamelijk gebaseerd zijn op de aard van de activiteit of op de beste beschikbare technologieën.

(27)

Verordening (EU) 2020/852 erkent het belang van “klimaatneutrale energie” en bepaalt dat de Commissie de potentiële bijdrage en de haalbaarheid van alle relevante bestaande technologieën moet beoordelen. Voor kernenergie is die beoordeling nog aan de gang en zodra het specifieke proces is voltooid, zal de Commissie daarover verslag uitbrengen in het kader van de evaluatie van deze verordening.

(28)

De wettelijke grenzen voor transitieactiviteiten als bepaald in artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 bevatten beperkingen met betrekking tot broeikasgasintensieve activiteiten met een groot emissiereductiepotentieel. Die economische transitieactiviteiten moeten substantieel bijdragen aan de mitigatie van klimaatverandering als er geen technologisch en economisch haalbaar koolstofarm alternatief bestaat, op voorwaarde dat die activiteiten verenigbaar zijn met een traject om de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C boven het pre-industriële niveau, de beste prestaties weerspiegelen, de ontwikkeling en toepassing van koolstofarme alternatieven niet in de weg staan en niet leiden tot een lock-in van koolstofintensieve activa. Voorts schrijft artikel 19 van dezelfde verordening voor dat de technische screeningcriteria gebaseerd moeten zijn op sluitend wetenschappelijk bewijs. Als aardgasactiviteiten aan deze eisen voldoen, zullen zij in een toekomstige gedelegeerde handeling worden opgenomen. Voor deze activiteiten zullen de technische screeningcriteria voor de beoordeling van wat een substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering is en wat het “geen significante afbreuk doen aan” andere milieudoelstellingen inhoudt, in die toekomstige gedelegeerde handeling worden gespecificeerd. Activiteiten die niet aan deze vereisten voldoen, kunnen niet worden erkend op grond van Verordening (EU) 2020/852. Om te erkennen dat aardgas een belangrijke technologie is voor het terugdringen van broeikasgasemissies, zal de Commissie specifieke wetgeving overwegen om ervoor te zorgen dat activiteiten die bijdragen aan de reductie van emissies, geen passende financiering wordt ontzegd.

(29)

Technische screeningcriteria voor activiteiten op het gebied van elektriciteits- of warmteopwekking en van transmissie- en distributienetwerken moeten zorgen voor samenhang met de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2020 over een EU-strategie om methaanemissies terug te dringen (10). Het kan dan ook nodig zijn die technische screeningcriteria te evalueren, aan te vullen en waar nodig te herzien om rekening te houden met toekomstige parameters en vereisten die als follow-up van die strategie worden opgesteld.

(30)

De technische screeningcriteria voor de productie van warmte, koeling en elektriciteit uit bio-energie en de productie van biobrandstoffen en biogassen voor vervoer moeten overeenstemmen met het alomvattende duurzaamheidskader voor die sectoren bedoeld in Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad (11), waarin eisen worden vastgesteld voor duurzame ontginning, een koolstofboekhouding en broeikasgasemissiereductie.

(31)

Als vervolg op de Europese Green Deal, het voorstel voor een Europese klimaatwet (12), de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 en in overeenstemming met de ambities van de Unie inzake biodiversiteit en klimaatneutraliteit moeten de technische screeningcriteria voor bio-energieactiviteiten worden aangevuld, geëvalueerd en waar nodig herzien om rekening te houden met de meest recente empirische onderbouwing en beleidsontwikkelingen op het moment van de vaststelling van de gedelegeerde handeling als bedoeld in artikel 15, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 en rekening houdend met het toepasselijke Unierecht, met inbegrip van Richtlijn (EU) 2018/2001 en de toekomstige herzieningen daarvan.

(32)

Broeikasgasemissies in de Unie te wijten aan de water-, riolerings-, afval- en saneringssector zijn relatief gering. Die sector heeft niettemin een groot potentieel om bij te dragen aan de vermindering van broeikasgasemissies in andere sectoren, met name door de levering van secundaire grondstoffen om nieuwe grondstoffen te vervangen, door de vervanging van fossiele producten, meststoffen en energie, en door het vervoer en de permanente opslag van afgevangen kooldioxide. Verder zijn activiteiten met betrekking tot anaerobe vergisting en compostering van gescheiden ingezameld bioafval, waardoor het storten van bioafval wordt voorkomen, van bijzonder belang voor de vermindering van methaanemissies. Technische screeningcriteria voor afvalactiviteiten moeten dus erkennen dat deze activiteiten substantieel bijdragen aan de mitigatie van klimaatverandering, op voorwaarde dat die activiteiten bepaalde beste praktijken voor die sector toepassen. Deze technische screeningcriteria moeten er ook voor zorgen dat de afvalverwerkingsopties in overeenstemming zijn met de hogere niveaus van de afvalhiërarchie. Zij moeten erkennen dat activiteiten die een uniform vastgesteld minimumaandeel aan gesorteerde, afzonderlijk ingezamelde niet gevaarlijke afvalstoffen tot secundaire grondstoffen verwerken, een substantiële bijdrage leveren aan de mitigatie van klimaatverandering. In deze fase is het echter niet mogelijk om met technische screeningcriteria op basis van een uniform streefdoel voor opwerkingsafval het mitigatiepotentieel van aparte materiaalstromen volledig aan te pakken. Het kan dan ook nodig zijn die technische screeningcriteria verder te beoordelen en te herzien. Het gestelde uniforme streefdoel mag geen afbreuk doen aan de afvalbeheerdoelstellingen die in de Uniewetgeving inzake afvalstoffen tot de lidstaten zijn gericht. Voor activiteiten met betrekking tot het opvangen, behandelen en leveren van water en gecentraliseerde afvalwaterzuiveringssystemen moeten deze technische screeningcriteria rekening houden met de absolute prestaties en relatieve prestatieverbeteringsdoelstellingen met betrekking tot energieverbruik en, waar nodig, alternatieve parameters zoals lekkageniveaus in watervoorzieningssystemen.

(33)

Transportactiviteiten verbruiken een derde van alle energie in de Unie en zorgen voor ongeveer 23 % van de totale directe broeikasgasemissies in de Unie. Het koolstofarm maken van de transportvloot en de vervoersinfrastructuur kan daarom een centrale rol spelen bij de mitigatie van klimaatverandering. Technische screeningcriteria voor de vervoerssector moeten gericht zijn op het verminderen van de belangrijkste emissiebronnen uit die sector, maar ook rekening houden met de noodzaak om het vervoer van personen en goederen te verschuiven naar emissiearme vervoerswijzen en om een infrastructuur tot stand te brengen die schone mobiliteit mogelijk maakt. Technische screeningcriteria voor de vervoerssector moeten daarom gericht zijn op de prestaties binnen één vervoerswijze, maar ook rekening houden met de prestaties van die vervoerswijze in vergelijking met andere vervoerswijzen.

(34)

Gezien hun potentieel om hun broeikasgasemissies te verminderen en zo bij te dragen aan het groener maken van de vervoerssector, zijn de zeevaart en de luchtvaart belangrijke vervoerswijzen voor de overgang naar een koolstofarme economie. Volgens de mededeling van de Commissie van 9 december 2020“Strategie voor duurzame en slimme mobiliteit - Het Europees vervoer op het juiste spoor naar de toekomst” (13) zullen emissievrije vaartuigen naar verwachting tegen 2030 klaar zijn voor de markt. Volgens die strategie zullen grote emissievrije luchtvaartuigen naar verwachting tegen 2035 klaar zijn voor de markt voor korteafstandsvluchten, terwijl de decarbonisering van langere afstanden naar verwachting zal afhangen van hernieuwbare en koolstofarme brandstoffen. Er zijn ook afzonderlijke studies uitgevoerd over duurzame financieringscriteria voor deze sectoren. Bijgevolg moet de zeescheepvaart worden beschouwd als een economische transitieactiviteit als bedoeld in artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852. De scheepvaart is een van de minst koolstofintensieve manieren om goederen te vervoeren. Om de scheepvaart gelijk aan andere vervoerswijzen te behandelen, moeten technische screeningcriteria voor zeevervoer worden vastgesteld die tot eind 2025 van toepassing moeten zijn. Het zal echter noodzakelijk zijn de zeescheepvaart verder te beoordelen en waar nodig technische screeningcriteria op te stellen die vanaf 2026 van toepassing zijn. Het zal ook nodig zijn de luchtvaart verder te beoordelen en, indien nodig, relevante technische screeningcriteria op te stellen. Bovendien moeten technische screeningcriteria worden opgesteld voor koolstofarme vervoersinfrastructuur voor bepaalde vervoerswijzen. In het licht van het potentieel van de vervoersinfrastructuur om bij te dragen aan de modal shift, zal het echter noodzakelijk zijn om relevante technische screeningcriteria te beoordelen en waar nodig vast te stellen voor de algemene infrastructuur die essentieel is voor koolstofarme vervoerswijzen, met name de binnenvaart. Afhankelijk van het resultaat van de technische beoordeling moeten bij de vaststelling van de gedelegeerde handeling als bedoeld in artikel 12, lid 2, artikel 13, lid 2, artikel 14, lid 2, en artikel 15, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 ook relevante technische screeningcriteria voor de in deze overweging bedoelde economische activiteiten worden vastgesteld.

(35)

Om ervoor te zorgen dat de als duurzaam beschouwde vervoersactiviteiten het gebruik van fossiele brandstoffen niet vergemakkelijken, moeten de technische screeningcriteria voor de desbetreffende activiteiten activa, activiteiten en infrastructuur voor het vervoer van fossiele brandstoffen uitsluiten. Bij de toepassing van dit criterium moet rekening worden gehouden met de talrijke vormen van gebruik, de verschillende eigendomsregelingen, gebruikersregelingen en brandstofmengpercentages, in overeenstemming met de relevante bestaande marktpraktijken. Het platform voor duurzame financiering moet de bruikbaarheid van dit criterium beoordelen in het kader van zijn mandaat.

(36)

In de gehele Unie zijn gebouwen verantwoordelijk voor 40 % van het energieverbruik en 36 % van de koolstofemissies. Gebouwen kunnen daarom een belangrijke rol spelen bij de mitigatie van klimaatverandering. Technische screeningcriteria moeten daarom worden vastgesteld voor de bouw van nieuwe gebouwen, de renovatie van gebouwen, de installatie van uiteenlopende energie-efficiëntie-apparatuur, de opwekking ter plaatse van hernieuwbare energie, het verlenen van energiediensten en de verwerving en eigendom van gebouwen. Deze technische screeningcriteria moeten gebaseerd worden op het potentiële effect van die activiteiten, op de energieprestaties van gebouwen en op de daarmee samenhangende broeikasgasemissies en opgeslagen koolstof. Voor nieuwe gebouwen kan het nodig zijn de technische screeningcriteria te herzien om ervoor te zorgen dat die criteria in overeenstemming blijven met de klimaat- en energiedoelstellingen van de Unie.

(37)

Voor de uitvoering van een activiteit kan het een belangrijke voorwaarde zijn activa of faciliteiten te bouwen die integraal deel uitmaken van die activiteit. Daarvoor moeten dan technische screeningcriteria worden opgesteld om te bepalen onder welke voorwaarden die activiteit kwalificeert als substantieel bijdragend aan de mitigatie van klimaatverandering. Het is dan ook passend de bouw van dergelijke activa of faciliteiten rechtstreeks op te nemen als deel van de activiteit waarvoor die bouw relevant is, met name voor activiteiten in de energiesector, de water-, riolerings-, afval- en saneringssector evenals de vervoerssector.

(38)

De informatie- en communicatiesector is een voortdurend groeiende sector met een steeds groter aandeel in de broeikasgasemissies. Tegelijkertijd hebben informatie- en communicatietechnologieën het potentieel om bij te dragen aan de mitigatie van klimaatverandering en om de uitstoot van broeikasgassen in andere sectoren te verminderen, onder meer door oplossingen die kunnen helpen bij de besluitvorming over de vermindering van broeikasgasemissies. Daarom moeten technische screeningcriteria worden vastgesteld voor gegevensverwerkings- en hostingactiviteiten die grote hoeveelheden broeikasgassen uitstoten, en voor gegevensgestuurde oplossingen die een vermindering van de broeikasgasemissies in andere sectoren faciliteren. Technische screeningcriteria voor deze activiteiten moeten gebaseerd zijn op de beste praktijken en normen in die sector. Zij moeten in de toekomst mogelijk worden herzien en bijgewerkt om rekening te houden met het potentieel voor broeikasgasreductie door toegenomen duurzaamheid van hardwareoplossingen voor informatie- en communicatietechnologie (ICT) en met het potentieel van digitale technologieën om in elke sector rechtstreeks te worden ingezet voor het faciliteren van broeikasgasemissiereducties. Bovendien zijn bij de uitrol en de exploitatie van elektronische communicatienetwerken aanzienlijke hoeveelheden energie nodig; de broeikasgasemissies kunnen dus aanzienlijk worden gereduceerd. Het kan dan ook nodig zijn deze activiteiten te beoordelen en waar nodig relevante technische screeningcriteria vast te stellen.

(39)

ICT-oplossingen kunnen voorts een integrerend deel uitmaken van economische activiteiten waarvoor, wat de eigen prestaties van deze activiteiten betreft, technische screeningcriteria moeten worden opgesteld voor de substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering. Deze oplossingen kunnen in dat geval ook van bijzonder belang zijn om die verschillende activiteiten te ondersteunen bij het halen van de normen en drempels die in het kader van die criteria zijn opgesteld.

(40)

Onderzoek, ontwikkeling en innovatie hebben het potentieel om andere sectoren in staat te stellen hun respectieve doelstellingen in verband met de mitigatie van klimaatverandering te halen. Technische screeningcriteria voor onderzoeks-, ontwikkelings- en innovatieactiviteiten moeten dus gericht zijn op het potentieel van oplossingen, processen, technologieën en andere producten om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen. Onderzoek gericht op faciliterende activiteiten als bedoeld in artikel 10, lid 1, punt i), van Verordening (EU) 2020/852 kan ook een belangrijke rol spelen om die economische activiteiten en hun doelactiviteiten in staat te stellen hun broeikasgasemissies substantieel te verminderen of hun technologische en economische haalbaarheid te verbeteren en uiteindelijk de opschaling ervan te faciliteren. Onderzoek kan ook een belangrijke rol spelen bij het verder koolstofvrij maken van transitieactiviteiten als bedoeld in artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852, door de verwezenlijking van die activiteiten mogelijk te maken met aanzienlijk lagere broeikasgasemissies in vergelijking met de drempels die voor deze activiteiten zijn vastgesteld in de technische screeningcriteria voor een substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering.

(41)

Onderzoek, ontwikkeling en innovatie kunnen voorts een integrerend deel uitmaken van economische activiteiten waarvoor technische screeningcriteria voor een substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering moeten worden opgesteld voor hun eigen prestaties. In dat geval kan deze O&O&I ook van bijzonder belang zijn om die verschillende activiteiten te ondersteunen bij het halen van de normen en drempels die in het kader van die criteria zijn opgesteld.

(42)

Technische screeningcriteria om te bepalen onder welke voorwaarden een economische activiteit kan worden aangemerkt als substantieel bijdragend aan de adaptatie aan klimaatverandering, moeten weerspiegelen dat de klimaatverandering waarschijnlijk alle sectoren van de economie zal treffen. Bijgevolg moeten alle sectoren worden aangepast aan de negatieve effecten van het huidige klimaat en het verwachte toekomstige klimaat. Er moet echter ook voor worden gezorgd dat een economische activiteit die substantieel bijdraagt aan de adaptatie aan klimaatverandering, geen ernstige afbreuk doet aan een van de andere milieudoelstellingen van artikel 9 van Verordening (EU) 2020/852. Het is dan ook gepast eerst technische screeningcriteria voor de adaptatie aan klimaatverandering op te stellen voor die sectoren en economische activiteiten die vallen onder de technische screeningcriteria voor mitigatie van klimaatverandering, met inbegrip van de desbetreffende criteria inzake “geen ernstige afbreuk doen aan” met betrekking tot de milieudoelstellingen. De omschrijvingen van de economische activiteiten die geacht worden substantieel bij te dragen tot de adaptatie aan klimaatverandering, moeten overeenstemmen met het toepassingsgebied waarvoor passende criteria inzake “geen ernstige afbreuk doen aan” kunnen worden vastgesteld. Aangezien het noodzakelijk is de algehele klimaatbestendigheid van de economie te vergroten moeten in de toekomst technische screeningcriteria, met inbegrip van criteria voor “geen ernstige afbreuk doen aan”, worden ontwikkeld voor bijkomende economische activiteiten.

(43)

De technische screeningcriteria moeten ervoor zorgen dat een zo breed mogelijk gamma aan kritieke infrastructuren, met inbegrip van met name infrastructuur voor energietransmissie of -opslag of transportinfrastructuur, wordt aangepast aan de negatieve gevolgen van het huidige klimaat en het verwachte toekomstige klimaat, zodat ernstige negatieve gevolgen voor de gezondheid, de beveiliging, de veiligheid of het economisch welzijn van burgers of voor de goede werking van overheden in de lidstaten worden voorkomen. Het kan echter nodig zijn die technische screeningcriteria te herzien om beter rekening te houden met de specifieke kenmerken van infrastructuur voor bescherming tegen overstromingen.

(44)

Daarnaast moeten ook technische screeningcriteria worden vastgesteld voor activiteiten op het gebied van onderwijs, volksgezondheid, maatschappelijk werk, kunst, amusement en recreatie. Deze activiteiten bieden essentiële diensten en oplossingen om de collectieve veerkracht van de hele samenleving te vergroten en kunnen de klimaatgeletterdheid en het klimaatbewustzijn vergroten.

(45)

Technische screeningcriteria om te bepalen of een economische activiteit kan worden aangemerkt als substantieel bijdragend aan de adaptatie aan klimaatverandering door middel van adaptatieoplossingen overeenkomstig artikel 11, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2020/852, moeten erop gericht zijn de economische activiteiten beter bestand te maken tegen vastgestelde klimaatrisico’s die van materieel belang zijn voor die activiteiten. Op basis daarvan moet worden vereist dat de betrokken marktdeelnemers een risicobeoordeling inzake klimaatverandering uitvoeren en adaptatieoplossingen toepassen die de belangrijkste in die beoordeling vastgestelde risico’s verminderen. Ook moet hierbij rekening worden gehouden met de context- en locatiespecifieke aard van de adaptatiebehoeften en -oplossingen. Verder moeten de technische screeningcriteria de integriteit van de milieu- en klimaatdoelstellingen waarborgen en mogen zij niet onevenredig prescriptief zijn over het soort oplossingen dat wordt toegepast. Deze technische screeningcriteria moeten rekening houden met de noodzaak om klimaat- en weergerelateerde rampen te voorkomen en het risico op dergelijke rampen te beheersen, alsmede de veerkracht van kritieke infrastructuur te verzekeren, overeenkomstig het toepasselijke Unierecht inzake de beoordeling van het risico en de beperking van de gevolgen van dergelijke rampen.

(46)

Technische screeningcriteria om te bepalen of een economische activiteit kan worden aangemerkt als substantieel bijdragend aan de adaptatie aan klimaatverandering door middel van adaptatieoplossingen overeenkomstig artikel 11, lid 1, punt b), van Verordening (EU) 2020/852, moeten worden vastgesteld voor engineeringactiviteiten en daarmee verband houdend technisch advies over adaptatie aan klimaatverandering, onderzoek, ontwikkeling en innovatie, schadeverzekeringen bestaande in het verzekeren van klimaatgerelateerde gevaren, en herverzekering. Die activiteiten hebben het potentieel om adaptatieoplossingen te bieden die substantieel bijdragen aan het voorkomen of verminderen van het risico op ongunstige effecten van het huidige klimaat en het verwachte toekomstige klimaat op de mens, de natuur of activa, zonder dat het risico op ongunstige effecten daardoor groter wordt.

(47)

De technische screeningcriteria moeten erkennen dat bepaalde economische activiteiten substantieel kunnen bijdragen tot de adaptatie aan klimaatverandering door middel van adaptatieoplossingen overeenkomstig artikel 11, lid 1, punt b), van Verordening (EU) 2020/852 of aanpassingsoplossingen overeenkomstig artikel 11, lid 1, punt a), van die verordening. De technische screeningcriteria voor bosbouwactiviteiten, herstel van wetlands, programmering en uitzending, en voor onderwijs en creatieve activiteiten, kunst en amusement moeten die mogelijkheid erkennen. Die activiteiten moeten worden aangepast aan de ongunstige effecten van het huidige klimaat en het verwachte toekomstige klimaat, maar hebben ook het potentieel om adaptatieoplossingen te bieden die substantieel bijdragen tot het voorkomen of verminderen van het risico van die ongunstige effecten op de mens, de natuur of activa.

(48)

Technische screeningcriteria om te bepalen of een economische activiteit substantieel bijdraagt aan de adaptatie aan klimaatverandering, moeten ervoor zorgen dat de economische activiteit klimaatbestendig wordt gemaakt of oplossingen biedt waarmee andere activiteiten klimaatbestendig kunnen worden. Als een economische activiteit klimaatbestendig wordt gemaakt, vormt de tenuitvoerlegging van fysieke en niet-fysieke oplossingen met het oog op een aanzienlijke vermindering van de belangrijkste, voor die activiteit van materieel belang zijnde, fysieke klimaatrisico’s de substantiële bijdrage van die activiteit aan de adaptatie aan klimaatverandering. Het is dan ook passend dat alleen de kapitaaluitgaven die worden verricht voor alle noodzakelijke stappen om de activiteit klimaatbestendig te maken, in aanmerking worden genomen als het aandeel van de kapitaal- en operationele uitgaven dat betrekking heeft op activa of processen die verband houden met als ecologisch duurzaam aangemerkte economische activiteiten en dat de omzet uit die klimaatbestendig gemaakte economische activiteit niet wordt meegeteld als afkomstig van producten of diensten die verband houden met als ecologisch duurzaam aangemerkte economische activiteiten. Als de kernactiviteit van adaptatie faciliterende economische activiteiten overeenkomstig artikel 11, lid 1, punt b), van Verordening (EU) 2020/852 er echter in bestaat technologieën, producten, diensten, informatie of praktijken te verstrekken teneinde de weerbaarheid tegen fysieke klimaatrisico’s van andere personen, de natuur, het cultureel erfgoed, activa of andere economische activiteiten te verhogen, wordt, bovenop de kapitaaluitgaven, de omzet uit de producten of diensten in verband met die economische activiteiten in aanmerking genomen als het aandeel van de omzet uit producten of diensten in verband met als ecologisch duurzaam aangemerkte economische activiteiten.

(49)

Technische screeningcriteria om te bepalen of de economische activiteiten die substantieel bijdragen aan de mitigatie van klimaatverandering of de adaptatie aan klimaatverandering, geen ernstige afbreuk doen aan een van de andere milieudoelstellingen, moeten ervoor zorgen dat de bijdrage aan één van de milieudoelstellingen niet ten koste gaat van de andere milieudoelstellingen. Criteria voor “geen ernstige afbreuk doen aan” spelen bijgevolg een essentiële rol bij het waarborgen van de milieu-integriteit van de classificatie van ecologisch duurzame activiteiten. De dusdanige criteria inzake “geen ernstige afbreuk doen aan” voor een bepaalde milieudoelstelling moeten worden gespecificeerd voor die activiteiten die een risico inhouden dat ernstige afbreuk wordt gedaan aan die doelstelling. In deze criteria moet rekening worden gehouden met en worden voortgebouwd op de relevante vereisten van het bestaande Unierecht.

(50)

Technische screeningcriteria om ervoor te zorgen dat activiteiten die substantieel bijdragen tot de adaptatie aan klimaatverandering, geen ernstige afbreuk doen aan de adaptatie aan klimaatverandering, moeten worden vastgesteld voor activiteiten die een risico op aanzienlijke broeikasgasemissies inhouden en toch het potentieel hebben om een aanzienlijke bijdrage te leveren tot de adaptatie aan klimaatverandering.

(51)

Klimaatverandering zal waarschijnlijk gevolgen hebben voor alle sectoren van de economie. De technische screeningcriteria om ervoor te zorgen dat economische activiteiten die substantieel bijdragen aan de mitigatie van klimaatverandering, geen ernstige afbreuk doen aan de adaptatie aan klimaatverandering, moeten bijgevolg van toepassing zijn op al deze economische activiteiten. Deze criteria moeten ervoor zorgen dat bestaande en toekomstige risico’s die van materieel belang zijn voor de activiteit, worden geïdentificeerd en dat adaptatieoplossingen zodanig worden uitgevoerd dat mogelijke verliezen of gevolgen voor de bedrijfscontinuïteit worden beperkt of voorkomen.

(52)

Technische screeningcriteria voor “geen ernstige afbreuk doen aan” het duurzaam gebruik en de bescherming van water en mariene hulpbronnen moeten worden gespecificeerd voor alle activiteiten die een risico kunnen vormen voor dergelijk duurzaam gebruik en dergelijke bescherming. Deze criteria moeten erop gericht zijn te voorkomen dat activiteiten schadelijk zijn voor de goede toestand of het goede ecologische potentieel van waterlichamen, met inbegrip van oppervlaktewater en grondwater, of de goede milieutoestand van mariene wateren, door te eisen dat risico’s op aantasting van het milieu worden geïdentificeerd en aangepakt overeenkomstig een beheersplan voor watergebruik en -bescherming.

(53)

Technische screeningcriteria voor “geen ernstige afbreuk doen aan” de transitie naar een circulaire economie moeten worden toegesneden op de specifieke sectoren om ervoor te zorgen dat economische activiteiten niet leiden tot ondoelmatigheden in het gebruik van hulpbronnen of tot lineaire productiemodellen met een lock-ineffect, dat afval wordt vermeden of verminderd en, waar het onvermijdelijk is, wordt beheerd in overeenstemming met de afvalhiërarchie. Deze criteria moeten er ook voor zorgen dat economische activiteiten de doelstelling van de transitie naar een circulaire economie niet ondermijnen.

(54)

Technische screeningcriteria voor “geen ernstige afbreuk doen aan” de preventie en bestrijding van verontreiniging moeten de specifieke kenmerken van de sector weerspiegelen om de relevante bronnen en soorten verontreiniging in lucht, water of bodem aan te pakken, waarbij in voorkomend geval wordt verwezen naar de conclusies van de beste beschikbare technieken die zijn vastgesteld op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad (14).

(55)

Criteria voor “geen ernstige afbreuk doen aan” de bescherming en het herstel van biodiversiteit en ecosystemen moeten worden gespecificeerd voor alle activiteiten die een risico kunnen vormen voor de toestand van habitats, soorten of ecosystemen, en moeten vereisen dat waar nodig milieueffectbeoordelingen of passende beoordelingen worden verricht en dat de conclusies van die beoordelingen worden uitgevoerd. Deze criteria moeten ervoor zorgen dat, ook als er geen verplichting bestaat om een milieueffectbeoordeling of andere passende beoordeling uit te voeren, de activiteiten niet leiden tot verstoring, vangst of doden van wettelijk beschermde soorten of tot verslechtering van wettelijk beschermde habitats.

(56)

De technische screeningcriteria gelden onverminderd het vereiste om te voldoen aan voorschriften in verband met milieu, gezondheid, veiligheid en sociale duurzaamheid die zijn vastgelegd in nationaal recht en het Unierecht, en onverminderd de goedkeuring van passende risicobeperkende maatregelen in dat verband.

(57)

De bepalingen van deze verordening houden nauw verband met elkaar, aangezien zij betrekking hebben op criteria om te bepalen of een economische activiteit substantieel bijdraagt aan de mitigatie van klimaatverandering of de adaptatie aan klimaatverandering, en of dergelijke economische activiteit geen ernstige afbreuk doet aan een of meer van de andere milieudoelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 9 van Verordening (EU) 2020/852. Om te zorgen voor samenhang tussen die bepalingen, die tegelijkertijd in werking moeten treden, om een volledig overzicht van het rechtskader voor belanghebbenden mogelijk te maken en om de toepassing van Verordening (EU) 2020/852 te vergemakkelijken, moeten deze bepalingen worden opgenomen in één enkele verordening.

(58)

Om ervoor te zorgen dat de toepassing van Verordening (EU) 2020/852 mee evolueert met technologische, markt- en beleidsontwikkelingen, moet deze verordening regelmatig worden herzien en indien nodig worden gewijzigd wat betreft de activiteiten die geacht worden substantieel bij te dragen aan de mitigatie van klimaatverandering of de adaptatie aan klimaatverandering, en de bijbehorende technische screeningcriteria.

(59)

Om te voldoen aan artikel 10, lid 6, en artikel 11, lid 6, van Verordening (EU) 2020/852, moet deze verordening van toepassing zijn met ingang van 1 januari 2022,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De technische screeningcriteria om te bepalen onder welke voorwaarden een economische activiteit wordt aangemerkt als substantieel bijdragend aan de mitigatie van klimaatverandering en om te bepalen of die economische activiteit geen ernstige afbreuk doet aan een van de andere milieudoelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 9 van Verordening (EU) 2020/852, worden vastgesteld in bijlage I bij deze verordening.

Artikel 2

De technische screeningcriteria om te bepalen onder welke voorwaarden een economische activiteit wordt aangemerkt als substantieel bijdragend aan de adaptatie aan klimaatverandering en om te bepalen of die economische activiteit geen ernstige afbreuk doet aan een van de andere milieudoelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 9 van Verordening (EU) 2020/852, worden vastgesteld in bijlage II bij deze verordening.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2022.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 4 juni 2021.

Voor de Commissie,

Namens de voorzitter,

Mairead McGUINNESS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13.

(2)  Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).

(3)  Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot vaststelling van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3037/90 en enkele EG-verordeningen op specifieke statistische gebieden (PB L 393 van 30.12.2006, blz. 1).

(4)  EX-Ante Carbon-balance Tool (EX-ACT) (versie van 4.6.2021: http://www.fao.org/in-action/epic/ex-act-tool/suite-of-tools/ex-act/en/.

(5)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, De Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, De Europese Green Deal (COM(2019) 640 final).

(6)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, De Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030, De natuur terug in ons leven brengen (COM(2020) 380 final).

(7)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, Een ambitieuzere klimaatdoelstelling voor Europa voor 2030: investeren in een klimaatneutrale toekomst voor ons allemaal (COM(2020) 562 final).

(8)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, Een klimaatveerkrachtig Europa tot stand brengen - de nieuwe EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering (COM(2021) 82 final).

(9)  Aandeel emissies per sector bestaande uit directe emissies, op basis van Eurostat-gegevens van 2018 en 2019 (NACE niveau 2), behalve voor de bouwsector die geen bijbehorende NACE-code heeft en waar de emissies daarom over verschillende sectoren in aanmerking worden genomen (versie van 4.6.2021: https://ec.europa.eu/info/news/new-rules-greener-and-smarter-buildings-will-increase-quality-life-all-europeans-2019-apr-15_en).

(10)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over een EU-strategie om methaanemissies terug te dringen (COM/2020/663 final).

(11)  Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82).

(12)  Gewijzigd voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de totstandbrenging van klimaatneutraliteit en tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1999 (Europese klimaatwet), COM/2020/563 final.

(13)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, Strategie voor duurzame en slimme mobiliteit — Het Europees vervoer op het juiste spoor naar de toekomst (COM/2020/789 final).

(14)  Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17).


BIJLAGE I

Technische screeningcriteria om te bepalen wanneer een economische activiteit kan worden aangemerkt als een activiteit die substantieel bijdraagt aan de mitigatie van klimaatverandering, en of die economische activiteit geen ernstige afbreuk doet aan een van de andere milieudoelstellingen

INHOUDSOPGAVE

1.

Bosbouw 16

1.1.

Bebossing 16

1.2.

Rehabilitatie en herstel van bossen, waaronder herbebossing en natuurlijke regeneratie van bossen na een extreme gebeurtenis 21

1.3.

Bosbeheer 27

1.4.

Instandhoudingsbosbouw 32

2.

Activiteiten op het gebied van milieubescherming en -herstel 37

2.1.

Herstel van watergebieden (wetlands) 37

3.

Fabricage 40

3.1.

Fabricage van technologieën voor hernieuwbare energie 40

3.2.

Fabricage van apparatuur voor de productie en het gebruik van waterstof 41

3.3.

Fabricage van koolstofarme technologieën voor vervoer 42

3.4.

Fabricage van batterijen 45

3.5.

Fabricage van energie-efficiënte apparatuur voor gebouwen 46

3.6.

Fabricage van andere koolstofarme technologieën 48

3.7.

Fabricage van cement 49

3.8.

Fabricage van aluminium 50

3.9.

Fabricage van ijzer en staal 51

3.10.

Productie van waterstof 53

3.11.

Productie van roetzwart 54

3.12.

Productie van soda 55

3.13.

Productie van chloor 56

3.14.

Productie van organische chemische basisproducten 57

3.15.

Productie van watervrij ammoniak 59

3.16.

Productie van salpeterzuur 60

3.17.

Vervaardiging van kunststoffen in primaire vorm 61

4.

Energie 62

4.1.

Elektriciteitsopwekking met behulp van fotovoltaïsche zonne-energietechnologie 62

4.2.

Elektriciteitsopwekking met behulp van geconcentreerde-zonne-energietechnologie (CSP) 63

4.3.

Elektriciteitsopwekking uit windenergie 63

4.4.

Elektriciteitsopwekking met behulp van oceaanenergietechnologieën 64

4.5.

Elektriciteitsopwekking uit waterkracht 65

4.6.

Elektriciteitsopwekking uit geothermische energie 68

4.7.

Elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare niet-fossiele gasvormige en vloeibare brandstoffen 69

4.8.

Elektriciteitsopwekking uit bio-energie 70

4.9.

Transmissie en distributie van elektriciteit 72

4.10.

Opslag van elektriciteit 75

4.11.

Opslag van thermische energie 76

4.12.

Opslag van waterstof 77

4.13.

Productie van biogas en biobrandstoffen voor gebruik in het vervoer en van vloeibare biomassa 77

4.14.

Transmissie- en distributienetwerken voor hernieuwbare en koolstofarme gassen 79

4.15.

Distributie van stadsverwarming en -koeling 79

4.16.

Installatie en exploitatie van elektrische warmtepompen 80

4.17.

Warmte-/koudekrachtkoppeling uit zonne-energie 81

4.18.

Warmte-/koudekrachtkoppeling uit geothermische energie 82

4.19.

Warmte-/koudekrachtkoppeling uit hernieuwbare niet-fossiele gasvormige en vloeibare brandstoffen 83

4.20.

Warmte-/koudekrachtkoppeling uit bio-energie 84

4.21.

Productie van warmte/koude uit thermische zonne-energie 85

4.22.

Productie van warmte/koude uit geothermische energie 86

4.23.

Productie van warmte/koude uit hernieuwbare niet-fossiele gasvormige en vloeibare brandstoffen 87

4.24.

Productie van warmte/koude uit bio-energie 88

4.25.

Productie van warmte/koude met behulp van afvalwarmte 89

5.

Distributie van water, afval- en afvalwaterbeheer en sanering 90

5.1.

Bouw, uitbreiding en exploitatie van systemen voor winning, behandeling en distributie van water 90

5.2.

Vernieuwing van systemen voor winning, behandeling en distributie van water 91

5.3.

Bouw, uitbreiding en exploitatie van systemen voor opvang en behandeling van afvalwater 92

5.4.

Vernieuwing van systemen voor opvang en behandeling van afvalwater 93

5.5.

Inzameling en vervoer van niet-gevaarlijke afvalstoffen in bij de bron gescheiden fracties 95

5.6.

Anaerobe vergisting van zuiveringsslib 95

5.7.

Anaerobe vergisting van bioafval 96

5.8.

Compostering van bioafval 97

5.9.

Materiaalterugwinning uit niet-gevaarlijke afvalstoffen 98

5.10.

Afvang en gebruik van stortplaatsgas 99

5.11.

Vervoer van CO2 100

5.12.

Ondergrondse permanente geologische opslag van CO2 100

6.

Vervoer 101

6.1.

Interstedelijk personenvervoer per spoor 101

6.2.

Goederenvervoer per spoor 102

6.3.

Personenvervoer in steden, voorsteden en over de weg 103

6.4.

Exploitatie van persoonlijke vervoersmiddelen, fietslogistiek 104

6.5.

Vervoer met motorfietsen, personenauto’s en lichte bedrijfsvoertuigen 105

6.6.

Goederenvervoer over de weg 107

6.7.

Personenvervoer via de binnenwateren 108

6.8.

Goederenvervoer via de binnenwateren 109

6.9.

Aanpassing van binnenschepen voor personen- en goederenvervoer 110

6.10.

Goederenvervoer via de zee- en kustvaart, vaartuigen voor havenactiviteiten en ondersteunende activiteiten 111

6.11.

Personenvervoer via de zee- en kustvaart 114

6.12.

Aanpassing van vaartuigen voor personen- en goederenvervoer via de zee- en kustvaart 116

6.13.

Infrastructuur voor persoonlijke mobiliteit, fietslogistiek 117

6.14.

Infrastructuur voor spoorvervoer 119

6.15.

Infrastructuur voor koolstofarm wegvervoer en openbaar vervoer 120

6.16.

Infrastructuur voor koolstofarm vervoer over wateren 121

6.17.

Koolstofarme luchthaveninfrastructuur 123

7.

Bouw- en vastgoedactiviteiten 124

7.1.

Bouw van nieuwe gebouwen 124

7.2.

Renovatie van bestaande gebouwen 126

7.3.

Installatie, onderhoud en reparatie van energie-efficiënte uitrusting 128

7.4.

Installatie, onderhoud en reparatie van oplaadstations voor elektrische voertuigen in gebouwen (en parkeerplaatsen verbonden aan gebouwen) 129

7.5.

Installatie, onderhoud en reparatie van instrumenten en apparaten voor het meten, regelen en controleren van de energieprestaties van gebouwen 130

7.6.

Installatie, onderhoud en reparatie van technologieën op het gebied van hernieuwbare energie 131

7.7.

Verwerving en eigendom van gebouwen 132

8.

Informatie en communicatie 132

8.1.

Gegevensverwerking, hosting en bijbehorende activiteiten 132

8.2.

Gegevensgestuurde oplossingen voor broeikasgasemissiereducties 134

9.

Vrije beroepen, wetenschappelijke en technische activiteiten 135

9.1.

Dicht bij de markt aansluitend(e) onderzoek, ontwikkeling en innovatie 135

9.2.

Onderzoek, ontwikkeling en innovatie voor directe luchtafvang van CO2 137

9.3.

Professionele diensten in verband met de energieprestatie van gebouwen 138

Aanhangsel A:

Generieke criteria voor DNSH aan adaptatie aan klimaatverandering 140

Aanhangsel B:

Generieke criteria voor DNSH aan duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen 142

Aanhangsel C:

Generieke criteria voor DNSH aan preventie en bestrijding van verontreiniging betreffende het gebruik en de aanwezigheid van chemische stoffen 143

Aanhangsel D:

Generieke criteria voor DNSH aan bescherming en herstel van biodiversiteit en ecosystemen 144

Aanhangsel E:

Technische specificaties voor watertoestellen 145

1.   BOSBOUW

1.1.   Bebossing

Beschrijving van de activiteit

De aanleg van bossen door het beplanten van, doelbewust inzaaien of natuurlijke regerenatie op grond die tot dat moment voor een ander doel werd gebruikt of niet werd gebruikt. Bebossing impliceert een transformatie van landgebruik van niet-bos naar bos overeenkomstig de definitie van bebossing van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) van de Verenigde Naties (1), waarbij onder bos wordt verstaan grond die voldoet aan de in het nationale recht opgenomen definitie van bos of, indien die definitie niet beschikbaar is, aan de FAO-definitie van bos (2). Bebossing kan slaan op vroegere bebossing zolang zij plaatsvindt in de periode tussen de aanplant van de bomen en het tijdstip waarop het landgebruik als bos wordt erkend.

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan NACE-code A2 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld. De economische activiteiten in deze categorie zijn beperkt tot NACE II 02.10, d.w.z. bosbouw, 02.20, d.w.z. exploitatie van bossen, 02.30, d.w.z. verzamelen van in het wild groeiende producten met uitzondering van hout, en 02.40, d.w.z. ondersteunende diensten in verband met de bosbouw.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

1.   Bebossingsplan en daaropvolgend bosbeheerplan of daarmee gelijk te stellen instrument

1.1.

Het gebied waarop de activiteit plaatsvindt, valt onder een bebossingsplan met een duur van ten minste vijf jaar, of de minimumduur die in het nationale recht is voorgeschreven, dat vóór aanvang van de activiteit is opgesteld en voortdurend wordt geactualiseerd, totdat dit gebied voldoet aan de in het nationale recht opgenomen definitie van bos of, indien die definitie niet beschikbaar is, aan de FAO-definitie van bos.

Het bebossingsplan bevat alle op grond van het nationale recht vereiste elementen met betrekking tot de milieueffectbeoordeling van de bebossing.

1.2.

Bij voorkeur door middel van het bebossingsplan of, als informatie ontbreekt, door middel van elk ander document wordt nadere informatie verstrekt over de volgende punten:

(a)

de beschrijving van het gebied zoals opgenomen in het kadaster;

(b)

de voorbereiding van het terrein en de effecten ervan op reeds bestaande koolstofvoorraden, met inbegrip van bodems en bovengrondse biomassa, teneinde grond met grote koolstofvoorraden te beschermen (3);

(c)

de beheerdoelstellingen, met inbegrip van de belangrijkste knelpunten;

(d)

de algemene strategieën en activiteiten om de beheerdoelstellingen te bereiken, met inbegrip van de verwachte werkzaamheden in de gehele boscyclus;

(e)

de beschrijving van de context van de boshabitat, met inbegrip van de belangrijkste bestaande en beoogde boomsoorten en de omvang en verspreiding ervan;

(f)

de compartimenten, de wegen, de doorgangsrechten en andere openbare toegang, de fysieke kenmerken, met inbegrip van waterwegen, en de gebieden waarvoor wettelijke en andere beperkingen gelden;

(g)

de maatregelen die worden genomen om de bosecosystemen in goede staat te brengen en te houden;

(h)

maatschappelijke kwesties (waaronder landschapsbehoud, raadpleging van belanghebbenden overeenkomstig de voorwaarden van het nationale recht);

(i)

de beoordeling van de risico’s voor het bos, zoals bosbranden en uitbraken van plagen en ziekten, met als doel de risico’s te voorkomen, te beperken en te beheersen, alsmede de maatregelen ter bescherming tegen en adaptatie aan de resterende risico’s;

(j)

de beoordeling van het effect op voedselzekerheid;

(k)

alle DNSH-criteria die relevant zijn voor bebossing.

1.3.

Wanneer het gebied een bos wordt, wordt het bebossingsplan gevolgd door een bosbeheerplan of daarmee gelijk te stellen instrument, zoals vastgelegd in het nationale recht of, bij ontstentenis van een definitie daarvan in het nationale recht, een bosbeheerplan of daarmee gelijk te stellen instrument zoals bedoeld in de FAO-definitie van bosgebied met een langetermijnbosbeheerplan (forest area with long-term forest management plan) (4). Het bosbeheerplan of daarmee gelijk te stellen instrument bestrijkt een periode van ten minste tien jaar en wordt voortdurend bijgewerkt.

1.4.

Er wordt informatie verstrekt over de volgende punten die nog niet in het bosbeheerplan of daarmee gelijk te stellen instrument zijn gedocumenteerd:

(a)

de beheerdoelstellingen, met inbegrip van de belangrijkste knelpunten (5);

(b)

de algemene strategieën en activiteiten om de beheerdoelstellingen te bereiken, met inbegrip van de verwachte werkzaamheden in de gehele boscyclus;

(c)

de beschrijving van de context van de boshabitat, met inbegrip van de belangrijkste bestaande en beoogde boomsoorten en de omvang en verspreiding ervan;

(d)

de beschrijving van het gebied zoals opgenomen in het kadaster;

(e)

de compartimenten, de wegen, de doorgangsrechten en andere openbare toegang, de fysieke kenmerken, met inbegrip van waterwegen, en de gebieden waarvoor wettelijke en andere beperkingen gelden;

(f)

de maatregelen die worden genomen om de bosecosystemen in goede staat te houden;

(g)

maatschappelijke kwesties (waaronder landschapsbehoud, raadpleging van belanghebbenden overeenkomstig de voorwaarden van het nationale recht);

(h)

de beoordeling van de risico’s voor het bos, zoals bosbranden en uitbraken van plagen en ziekten, met als doel de risico’s te voorkomen, te beperken en te beheersen, alsmede de maatregelen ter bescherming tegen en adaptatie aan de resterende risico’s;

(i)

alle DNSH-criteria die relevant zijn voor bosbeheer.

1.5.

De activiteit volgt de in het nationale recht vastgelegde beste bebossingspraktijken of voldoet, bij ontstentenis daarvan in het nationale recht, aan een van de volgende criteria:

(a)

de activiteit voldoet aan Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 807/2014 van de Commissie (6);

(b)

de activiteit voldoet aan de pan-Europese richtsnoeren voor bebossing en herbebossing, met bijzondere aandacht voor de bepalingen van het UNFCCC (7).

1.6.

De activiteit leidt niet tot de degradatie van grond met een hoge koolstofvoorraad (8).

1.7.

Het beheersysteem in verband met de bestaande activiteit voldoet aan de zorgvuldigheidsverplichting en rechtmatigheidsvereisten van Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad (9).

1.8.

Het bebossingsplan en het daaropvolgende bosbeheerplan of daarmee gelijk te stellen instrument voorzien in monitoring op de juistheid van de in het plan opgenomen informatie, en met name van de gegevens over het betrokken gebied.

2.   Analyse van de klimaatvoordelen

2.1.

Voor gebieden die voldoen aan de vereisten op het niveau van het oorsprongsgebied van het bos om ervoor te zorgen dat de niveaus van de koolstofvoorraden en -putten in het bos voor lange termijn worden gehandhaafd of versterkt overeenkomstig artikel 29, lid 7, punt b), van Richtlijn (EU) 2018/2001, voldoet de activiteit aan de volgende criteria:

(a)

de analyse van de klimaatvoordelen toont aan dat het nettosaldo van emissies en verwijderingen van broeikasgassen die door de activiteit over een periode van dertig jaar vanaf de aanvang van de activiteit worden gegenereerd, lager is dan een uitgangswaarde die overeenstemt met het saldo van emissies en verwijderingen van broeikasgassen over een periode van dertig jaar die start bij de aanvang van de activiteit, in de situatie waarin de bestaande praktijken op het betrokken gebied zouden worden voortgezet en er geen activiteit plaatsvindt;

(b)

langetermijnklimaatvoordelen worden als aangetoond beschouwd als wordt bewezen dat artikel 29, lid 7, punt b), van Richtlijn (EU) 2018/2001 in acht is genomen.

2.2.

Voor gebieden die niet voldoen aan de vereisten op het niveau van het oorsprongsgebied van het bos om ervoor te zorgen dat de niveaus van de koolstofvoorraden en -putten in het bos voor lange termijn worden gehandhaafd of versterkt overeenkomstig artikel 29, lid 7, punt b), van Richtlijn (EU) 2018/2001, voldoet de activiteit aan de volgende criteria:

(a)

de analyse van de klimaatvoordelen toont aan dat het nettosaldo van emissies en verwijderingen van broeikasgassen die door de activiteit over een periode van dertig jaar vanaf de aanvang van de activiteit worden gegenereerd, lager is dan een uitgangswaarde die overeenstemt met het saldo van emissies en verwijderingen van broeikasgassen over een periode van dertig jaar die start bij de aanvang van de activiteit, in de situatie waarin de bestaande praktijken op het betrokken gebied zouden worden voortgezet en er geen activiteit plaatsvindt;

(b)

het geraamde gemiddelde netto-broeikasgassaldo op lange termijn van de activiteit is lager dan het gemiddelde broeikasgassaldo op lange termijn dat voor de in punt 2.2 bedoelde uitgangswaarde is geraamd, waarbij de lange termijn overeenstemt met 100 jaar of de duur van een volledige boscyclus, naargelang welke tijdspanne langer is.

2.3.

De berekening van de klimaatvoordelen voldoet aan alle volgende criteria:

(a)

de analyse is in overeenstemming met de herziene versie van 2019 van de IPCC-richtsnoeren van 2006 inzake nationale broeikasgasinventarissen (10). De analyse van de klimaatvoordelen is gebaseerd op transparante, correcte, samenhangende, volledige en vergelijkbare informatie, heeft betrekking op alle koolstofreservoirs die impact van de activiteit ondervinden, waaronder bovengrondse biomassa, ondergrondse biomassa, dood hout, strooisel en humus en bodem, is gebaseerd op de voorzichtigste berekeningsaannamen en houdt op passende wijze rekening met het risico dat de koolstofvastlegging niet-permanent is of weer tenietgaat, met het risico van verzadiging en met het risico van lekkage;

(b)

de bestaande praktijken, met inbegrip van oogstpraktijken, zijn een van de volgende:

i)

de beheerpraktijken zoals vóór aanvang van de activiteit gedocumenteerd in de meest recente versie van het bosbeheerplan of daarmee gelijk te stellen instrument, in voorkomend geval;

ii)

de meest recente bestaande praktijken vóór aanvang van de activiteit;

iii)

de praktijken die horen bij een beheersysteem om de koolstofvoorraden en -putten in het bos langdurig op peil te houden of op lange termijn zelfs te vergroten, als bedoeld in artikel 29, lid 7, punt b), van Richtlijn (EU) 2018/2001;

(c)

de fijnmazigheid van de analyse is evenredig met de omvang van het betrokken gebied en er worden waarden gebruikt die specifiek zijn voor het betrokken gebied;

(d)

emissies en verwijderingen die het gevolg zijn van natuurlijke verstoringen, zoals plagen en ziekten, bosbranden, wind- en stormschade, en die impact op het gebied hebben en tegenvallende resultaten veroorzaken, houden geen niet-naleving van Verordening (EU) 2020/852 in, op voorwaarde dat de analyse van de klimaatvoordelen in overeenstemming is met de herziene versie van 2019 van de IPCC-richtsnoeren van 2006 inzake nationale broeikasgasinventarissen betreffende emissies en verwijderingen die het gevolg zijn van natuurlijke verstoringen.

2.4.

Bosbouwbedrijven van minder dan 13 hectare zijn niet verplicht een analyse van de klimaatvoordelen te verrichten.

3.   Waarborging van het permanente karakter

3.1.

De bosstatus van het gebied waarop de activiteit plaatsvindt, is overeenkomstig het nationale recht gewaarborgd door een van de volgende maatregelen:

(a)

het gebied is ingedeeld als permanent beschermd bos (permanent forest estate) zoals gedefinieerd door de FAO (11);

(b)

het gebied is ingedeeld als een beschermd gebied;

(c)

het gebied valt onder een wettelijke of contractuele waarborg die ervoor zorgt dat het een bos zal blijven.

3.2.

De exploitant van de activiteit legt zich erop vast, overeenkomstig het nationale recht, dat naast de activiteit die wordt gefinancierd, bij toekomstige actualiseringen van het bebossingsplan en het daaropvolgende bosbeheerplan of daarmee gelijk te stellen instrument verder zal worden gestreefd naar klimaatvoordelen conform punt 2. Daarnaast legt de exploitant van de activiteit zich erop vast om alle verminderingen van het in punt 2 bepaalde klimaatvoordeel te compenseren met een gelijkwaardig klimaatvoordeel dat voortvloeit uit het verrichten van een activiteit die overeenstemt met een van de in deze verordening gedefinieerde bosbouwactiviteiten.

4.   Audit

Binnen twee jaar na de aanvang van de activiteit en daarna om de tien jaar wordt de naleving door de activiteit van de criteria voor een substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering en van de DNSH-criteria geverifieerd door:

(a)

hetzij de nationale bevoegde autoriteiten;

(b)

hetzij een onafhankelijke derde certificeringsinstantie, op verzoek van de nationale autoriteiten of de exploitant van de activiteit.

Om de kosten te drukken, mogen audits samen met een boscertificering, een klimaatcertificering of andere audits worden verricht.

Een onafhankelijke derde certificeringsinstantie heeft geen belangenconflicten met de eigenaar of de financier en is niet betrokken bij de ontwikkeling of exploitatie van de activiteit.

5.   Groepsbeoordeling

De naleving van de criteria voor een substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering en de DNSH-criteria kan worden gecontroleerd:

(a)

op het niveau van het oorsprongsgebied (12) van het bos in de zin van artikel 2, punt 30, van Richtlijn (EU) 2018/2001;

(b)

op het niveau van een groep bedrijven die voldoende homogeen is om het risico van de duurzaamheid van de bosbouwactiviteit te evalueren, mits al die bedrijven onderling een duurzame relatie hebben en aan de activiteit deelnemen, en de groep van die bedrijven dezelfde blijft voor alle daaropvolgende audits.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

De in punt 1.2, k), bedoelde nadere informatie omvat regelingen om te voldoen aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

N.v.t.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

Het gebruik van pesticiden wordt teruggedrongen en alternatieve benaderingen of technieken, bijvoorbeeld niet-chemische alternatieven voor pesticiden, krijgen de voorkeur overeenkomstig Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad (13), behalve in gevallen waarin het gebruik van pesticiden nodig is om uitbraken van plagen en ziekten te bestrijden.

De activiteit houdt het gebruik van meststoffen zo beperkt mogelijk en maakt geen gebruik van dierlijke mest. De activiteit voldoet aan Verordening (EU) 2019/1009 van het Europees Parlement en de Raad (14) of de nationale regels inzake meststoffen of bodemverbeteraars voor agrarisch gebruik.

Er worden goed gedocumenteerde en verifieerbare maatregelen genomen ter voorkoming van het gebruik van werkzame bestanddelen die zijn vermeld in bijlage I, deel A, bij Verordening (EU) 2019/1021 (15) van het Europees Parlement en de Raad (16), het Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel (17), het Verdrag van Minamata inzake kwik (18), het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken (19), en van werkzame bestanddelen die in de door de WHO aanbevolen risicoclassificatie van pesticiden (20) onder klasse Ia (“extremely hazardous”) of klasse Ib (“highly hazardous”) vallen. De activiteit voldoet aan het nationale recht inzake werkzame bestanddelen.

Water- en bodemverontreiniging wordt voorkomen en er worden saneringsmaatregelen genomen bij verontreiniging.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

In gebieden die door de voor instandhouding bevoegde nationale autoriteit zijn aangewezen, en in beschermde habitats is de activiteit in overeenstemming met de instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden.

Er vindt geen omzetting plaats van habitats die bijzonder gevoelig zijn voor verlies aan biodiversiteit of die een hoge instandhoudingswaarde hebben, noch van gebieden die overeenkomstig het nationale recht voor het herstel van dergelijke habitats zijn gereserveerd.

De in punt 1.2, k) (Bebossingsplan) en punt 1.4, i) (Bosbeheerplan of daarmee gelijk te stellen instrument) bedoelde nadere informatie omvat regelingen voor de instandhouding en mogelijke verbetering van de biodiversiteit overeenkomstig nationale en lokale bepalingen, waaronder het volgende:

(a)

waarborging van de goede staat van instandhouding van habitats en soorten en de instandhouding van typische habitatsoorten;

(b)

uitsluiting van het gebruik of de introductie van invasieve uitheemse soorten;

(c)

uitsluiting van het gebruik van niet-inheemse soorten, tenzij het volgende kan worden aangetoond:

i)

het gebruik van het bosbouwkundig teeltmateriaal leidt tot gunstige en passende ecosysteemomstandigheden (zoals klimaat, bodemcriteria en vegetatiezone, bosbrandbestendigheid);

ii)

de inheemse soorten die momenteel in het gebied voorkomen, zijn niet meer aangepast aan de verwachte klimatologische, pedologische en hydrologische omstandigheden;

(d)

waarborging van de instandhouding en verbetering van de fysische, chemische en biologische kwaliteit van de bodem;

(e)

bevordering van biodiversiteitsvriendelijke praktijken die natuurlijke processen van bossen verbeteren;

(f)

met uitsluiting van de omzetting van ecosystemen met hoge biodiversiteit in ecosystemen met minder biodiversiteit;

(g)

waarborging van de diversiteit van met het bos verbonden habitats en soorten;

(h)

waarborging van de diversiteit van de structuren van de opstand en de instandhouding of verbetering van volwassen opstanden en dood hout.

1.2.   Rehabilitatie en herstel van bossen, waaronder herbebossing en natuurlijke regeneratie van bossen na een extreme gebeurtenis

Beschrijving van de activiteit

De rehabilitatie en herstel van bossen zoals gedefinieerd in het nationale recht. Bij ontstentenis van een dergelijke definitie in het nationale recht gaat het om rehabilitatie en herstel volgens een definitie waarover in de collegiaal getoetste wetenschappelijke literatuur voor specifieke landen brede consensus bestaat, een definitie in lijn met het FAO-concept van bosherstel (forest restoration) (21) of een definitie in lijn met een van de definities van ecologisch herstel (22) die op bos wordt toegepast, of in de zin van bosregeneratie (23) in het kader van het Verdrag inzake biologische diversiteit (24). De economische activiteiten in deze categorie omvatten ook bosactiviteiten in lijn met de FAO-definitie van herbebossing (reforestation) (25) en natuurlijke regeneratie van bossen (natural forest regeneration) (26) na een extreme gebeurtenis, waarbij extreme gebeurtenis gedefinieerd is in het nationale recht of, bij ontstentenis van een dergelijke definitie in het nationale recht, in lijn is met de IPCC-definitie van extreme weergebeurtenis (extreme weather event) (27); of na een natuurbrand, waarbij natuurbrand gedefinieerd is in het nationale recht of, bij ontstentenis van een dergelijke definitie in het nationale recht, gedefinieerd in het European Glossary for wildfires and forest fires (28).

De economische activiteiten in deze categorie houden geen verandering van landgebruik in en vinden plaats op aangetaste grond die voldoet aan de in het nationale recht opgenomen definitie van bos of, bij ontstentenis daarvan, aan de FAO-definitie van bos (29).

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan NACE-code A2 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld. De economische activiteiten in deze categorie zijn beperkt tot NACE II 02.10, d.w.z. bosbouw, 02.20, d.w.z. exploitatie van bossen, 02.30, d.w.z. verzamelen van in het wild groeiende producten met uitzondering van hout, en 02.40, d.w.z. ondersteunende diensten in verband met de bosbouw.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

1.   Bosbeheerplan of daarmee gelijk te stellen instrument

1.1.

De activiteit vindt plaats in een gebied waarvoor een bosbeheerplan of daarmee gelijk te stellen instrument geldt, zoals vastgelegd in het nationale recht of, bij ontstentenis van een definitie daarvan in het nationale recht, een bosbeheerplan of daarmee gelijk te stellen instrument zoals bedoeld in de FAO-definitie van bosgebied met een langetermijnbosbeheerplan (forest area with long-term forest management plan) (30).

Het bosbeheerplan of daarmee gelijk te stellen instrument bestrijkt een periode van ten minste tien jaar en wordt voortdurend bijgewerkt.

1.2.

Er wordt informatie verstrekt over de volgende punten die nog niet in het bosbeheerplan of daarmee gelijk te stellen instrument zijn gedocumenteerd:

(a)

de beheerdoelstellingen, met inbegrip van de belangrijkste knelpunten (31);

(b)

de algemene strategieën en activiteiten om de beheerdoelstellingen te bereiken, met inbegrip van de verwachte werkzaamheden in de gehele boscyclus;

(c)

de beschrijving van de context van de boshabitat, met inbegrip van de belangrijkste bestaande en beoogde boomsoorten en de omvang en verspreiding ervan;

(d)

de beschrijving van het gebied zoals opgenomen in het kadaster;

(e)

de compartimenten, de wegen, de doorgangsrechten en andere openbare toegang, de fysieke kenmerken, met inbegrip van waterwegen, en de gebieden waarvoor wettelijke en andere beperkingen gelden;

(f)

de maatregelen die worden genomen om de bosecosystemen in goede staat te houden;

(g)

maatschappelijke kwesties (waaronder landschapsbehoud, raadpleging van belanghebbenden overeenkomstig de voorwaarden van het nationale recht);

(h)

de beoordeling van de risico’s voor het bos, zoals bosbranden en uitbraken van plagen en ziekten, met als doel de risico’s te voorkomen, te beperken en te beheersen, alsmede de maatregelen ter bescherming tegen en adaptatie aan de resterende risico’s;

(i)

alle DNSH-criteria die relevant zijn voor bosbeheer.

1.3.

De duurzaamheid van de bosbeheersystemen, zoals gedocumenteerd in het in punt 1.1 bedoelde plan, wordt gewaarborgd door te kiezen voor de meest ambitieuze van de volgende benaderingen:

(a)

het bosbeheer voldoet aan de nationale definitie van duurzaam bosbeheer;

(b)

het bosbeheer voldoet aan de definitie van duurzaam bosbeheer (32) van Forest Europe en voldoet aan de pan-Europese operationele richtsnoeren voor duurzaam bosbeheer (33);

(c)

het beheersysteem voldoet aan de voor bossen geldende duurzaamheidscriteria van artikel 29, lid 6, van Richtlijn (EU) 2018/2001, en wel met ingang van de datum van toepassing ervan ingevolge de uitvoeringshandeling met operationele richtsnoeren voor energie uit bosbiomassa die op grond van artikel 29, lid 8, van die richtlijn is vastgesteld.

1.4.

De activiteit leidt niet tot de degradatie van grond met een hoge koolstofvoorraad (34).

1.5.

Het beheersysteem in verband met de bestaande activiteit voldoet aan de zorgvuldigheidsverplichting en wettigheidsvereisten van Verordening (EU) nr. 995/2010.

1.6.

Het bosbeheerplan of daarmee gelijk te stellen instrument voorziet in monitoring op de juistheid van de in het plan opgenomen informatie, en met name van de gegevens over het betrokken gebied.

2.   Analyse van de klimaatvoordelen

2.1.

Voor gebieden die voldoen aan de vereisten op het niveau van het oorsprongsgebied van het bos om ervoor te zorgen dat de niveaus van de koolstofvoorraden en -putten in het bos voor lange termijn worden gehandhaafd of versterkt overeenkomstig artikel 29, lid 7, punt b), van Richtlijn (EU) 2018/2001, voldoet de activiteit aan de volgende criteria:

(a)

de analyse van de klimaatvoordelen toont aan dat het nettosaldo van emissies en verwijderingen van broeikasgassen die door de activiteit over een periode van dertig jaar vanaf de aanvang van de activiteit worden gegenereerd, lager is dan een uitgangswaarde die overeenstemt met het saldo van emissies en verwijderingen van broeikasgassen over een periode van dertig jaar die start bij de aanvang van de activiteit, in de situatie waarin de bestaande praktijken op het betrokken gebied zouden worden voortgezet en er geen activiteit plaatsvindt;

(b)

langetermijnklimaatvoordelen worden als aangetoond beschouwd als wordt bewezen dat artikel 29, lid 7, punt b), van Richtlijn (EU) 2018/2001 in acht is genomen.

2.2.

Voor gebieden die niet voldoen aan de vereisten op het niveau van het oorsprongsgebied van het bos om ervoor te zorgen dat de niveaus van de koolstofvoorraden en -putten in het bos voor lange termijn worden gehandhaafd of versterkt overeenkomstig artikel 29, lid 7, punt b), van Richtlijn (EU) 2018/2001, voldoet de activiteit aan de volgende criteria:

(a)

de analyse van de klimaatvoordelen toont aan dat het nettosaldo van emissies en verwijderingen van broeikasgassen die door de activiteit over een periode van dertig jaar vanaf de aanvang van de activiteit worden gegenereerd, lager is dan een uitgangswaarde die overeenstemt met het saldo van emissies en verwijderingen van broeikasgassen over een periode van dertig jaar die start bij de aanvang van de activiteit, in de situatie waarin de bestaande praktijken op het betrokken gebied zouden worden voortgezet en er geen activiteit plaatsvindt;

(b)

het geraamde gemiddelde netto-broeikasgassaldo op lange termijn van de activiteit is lager dan het gemiddelde broeikasgassaldo op lange termijn dat voor de in punt 2.2 bedoelde uitgangswaarde is geraamd, waarbij de lange termijn overeenstemt met 100 jaar of de duur van een volledige boscyclus, naargelang welke tijdspanne langer is.

2.3.

De berekening van de klimaatvoordelen voldoet aan alle volgende criteria:

(a)

de analyse is in overeenstemming met de herziene versie van 2019 van de IPCC-richtsnoeren van 2006 inzake nationale broeikasgasinventarissen (35). De analyse van de klimaatvoordelen is gebaseerd op transparante, correcte, samenhangende, volledige en vergelijkbare informatie, heeft betrekking op alle koolstofreservoirs die impact van de activiteit ondervinden, waaronder bovengrondse biomassa, ondergrondse biomassa, dood hout, strooisel en humus en bodem, is gebaseerd op de voorzichtigste berekeningsaannamen en houdt op passende wijze rekening met het risico dat de koolstofvastlegging niet-permanent is of weer tenietgaat, met het risico van verzadiging en met het risico van lekkage;

(b)

de bestaande praktijken, met inbegrip van oogstpraktijken, zijn een van de volgende:

i)

de beheerpraktijken zoals vóór aanvang van de activiteit gedocumenteerd in de meest recente versie van het bosbeheerplan of daarmee gelijk te stellen instrument, in voorkomend geval;

ii)

de meest recente bestaande praktijken vóór aanvang van de activiteit;

iii)

de praktijken die horen bij een beheersysteem om de koolstofvoorraden en -putten in het bos langdurig op peil te houden of op lange termijn zelfs te vergroten, als bedoeld in artikel 29, lid 7, punt b), van Richtlijn (EU) 2018/2001;

(c)

de fijnmazigheid van de analyse is evenredig met de omvang van het betrokken gebied en er worden waarden gebruikt die specifiek zijn voor het betrokken gebied;

(d)

emissies en verwijderingen die het gevolg zijn van natuurlijke verstoringen, zoals plagen en ziekten, bosbranden, wind- en stormschade, en die impact op het gebied hebben en tegenvallende resultaten veroorzaken, houden geen niet-naleving van Verordening (EU) 2020/852 in, op voorwaarde dat de analyse van de klimaatvoordelen in overeenstemming is met de herziene versie van 2019 van de IPCC-richtsnoeren van 2006 inzake nationale broeikasgasinventarissen betreffende emissies en verwijderingen die het gevolg zijn van natuurlijke verstoringen.

2.4.

Bosbouwbedrijven van minder dan 13 hectare zijn niet verplicht een analyse van de klimaatvoordelen te verrichten.

3.   Waarborging van het permanente karakter

3.1.

De bosstatus van het gebied waarop de activiteit plaatsvindt, is overeenkomstig het nationale recht gewaarborgd door een van de volgende maatregelen:

(a)

het gebied is ingedeeld als permanent beschermd bos (permanent forest estate) zoals gedefinieerd door de FAO (36);

(b)

het gebied is ingedeeld als een beschermd gebied;

(c)

het gebied valt onder een wettelijke of contractuele waarborg die ervoor zorgt dat het een bos zal blijven.

3.2.

De exploitant van de activiteit legt zich erop vast, overeenkomstig het nationale recht, dat naast de activiteit die wordt gefinancierd, bij toekomstige actualiseringen van het bosbeheerplan of daarmee gelijk te stellen instrument verder zal worden gestreefd naar klimaatvoordelen conform punt 2. Daarnaast legt de exploitant van de activiteit zich erop vast om alle verminderingen van het in punt 2 bepaalde klimaatvoordeel te compenseren met een gelijkwaardig klimaatvoordeel dat voortvloeit uit het verrichten van een activiteit die overeenstemt met een van de in deze verordening gedefinieerde bosbouwactiviteiten.

4.   Audit

Binnen twee jaar na de aanvang van de activiteit en daarna om de tien jaar wordt de naleving door de activiteit van de criteria voor een substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering en van de DNSH-criteria geverifieerd door:

(a)

hetzij de nationale bevoegde autoriteiten;

(b)

hetzij een onafhankelijke derde certificeringsinstantie, op verzoek van de nationale autoriteiten of de exploitant van de activiteit.

Om de kosten te drukken, mogen audits samen met een boscertificering, een klimaatcertificering of andere audits worden verricht.

Een onafhankelijke derde certificeringsinstantie heeft geen belangenconflicten met de eigenaar of de financier en is niet betrokken bij de ontwikkeling of exploitatie van de activiteit.

5.   Groepsbeoordeling

De naleving van de criteria voor een substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering en de DNSH-criteria kan worden gecontroleerd:

(a)

op het niveau van het oorsprongsgebied (37) van het bos in de zin van artikel 2, punt 30, van Richtlijn (EU) 2018/2001;

(b)

op het niveau van een groep bedrijven die voldoende homogeen is om het risico van de duurzaamheid van de bosbouwactiviteit te evalueren, mits al die bedrijven onderling een duurzame relatie hebben en aan de activiteit deelnemen, en de groep van die bedrijven dezelfde blijft voor alle daaropvolgende audits.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

De in punt 1.2, i), bedoelde nadere informatie omvat regelingen om te voldoen aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

De door de activiteit veroorzaakte verandering op het gebied van bosbouw in het onder de activiteit vallende gebied leidt waarschijnlijk niet tot een aanzienlijke vermindering van de duurzame levering van primaire bosbiomassa die geschikt is voor de vervaardiging van houtproducten met circulariteitspotentieel op lange termijn. De naleving van dit criterium mag worden aangetoond door middel van de in punt 2 bedoelde analyse van de klimaatvoordelen.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

Het gebruik van pesticiden wordt teruggedrongen en alternatieve benaderingen of technieken, bijvoorbeeld niet-chemische alternatieven voor pesticiden, krijgen de voorkeur overeenkomstig Richtlijn 2009/128/EG, behalve in gevallen waarin het gebruik van pesticiden nodig is om uitbraken van plagen en ziekten te bestrijden.

De activiteit houdt het gebruik van meststoffen zo beperkt mogelijk en maakt geen gebruik van dierlijke mest. De activiteit voldoet aan Verordening (EU) 2019/1009 of de nationale regels inzake meststoffen of bodemverbeteraars voor agrarisch gebruik.

Er worden goed gedocumenteerde en verifieerbare maatregelen genomen ter voorkoming van het gebruik van werkzame bestanddelen die zijn vermeld in bijlage I, deel A, bij Verordening (EU) 2019/1021 (38), het Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel, het Verdrag van Minamata inzake kwik, het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken, en van werkzame bestanddelen die in de door de WHO aanbevolen risicoclassificatie van pesticiden onder klasse Ia (“extremely hazardous”) of klasse Ib (“highly hazardous”) vallen. De activiteit voldoet aan het nationale recht inzake werkzame bestanddelen.

Water- en bodemverontreiniging wordt voorkomen en er worden saneringsmaatregelen genomen bij verontreiniging.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

In gebieden die door de voor instandhouding bevoegde nationale autoriteit zijn aangewezen, en in beschermde habitats is de activiteit in overeenstemming met de instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden.

Er vindt geen omzetting plaats van habitats die bijzonder gevoelig zijn voor verlies aan biodiversiteit of die een hoge instandhoudingswaarde hebben, noch van gebieden die overeenkomstig het nationale recht voor het herstel van dergelijke habitats zijn gereserveerd.

De in punt 1.2, i), bedoelde nadere informatie voorziet in de instandhouding en mogelijke verbetering van de biodiversiteit overeenkomstig nationale en lokale bepalingen, waaronder:

(a)

waarborging van de goede staat van instandhouding van habitats en soorten en de instandhouding van typische habitatsoorten;

(b)

uitsluiting van het gebruik of de introductie van invasieve uitheemse soorten;

(c)

uitsluiting van het gebruik van niet-inheemse soorten, tenzij het volgende kan worden aangetoond:

i)

het gebruik van het bosbouwkundig teeltmateriaal leidt tot gunstige en passende ecosysteemomstandigheden (zoals klimaat, bodemcriteria en vegetatiezone, bosbrandbestendigheid);

ii)

de inheemse soorten die momenteel in het gebied voorkomen, zijn niet meer aangepast aan de verwachte klimatologische, pedologische en hydrologische omstandigheden;

(d)

waarborging van de instandhouding en verbetering van de fysische, chemische en biologische kwaliteit van de bodem;

(e)

bevordering van biodiversiteitsvriendelijke praktijken die natuurlijke processen van bossen verbeteren;

(f)

met uitsluiting van de omzetting van ecosystemen met hoge biodiversiteit in ecosystemen met minder biodiversiteit;

(g)

waarborging van de diversiteit van met het bos verbonden habitats en soorten;

(h)

waarborging van de diversiteit van de structuren van de opstand en de instandhouding of verbetering van volwassen opstanden en dood hout.

1.3.   Bosbeheer

Beschrijving van de activiteit

Het beheer van bos als gedefinieerd in het nationale recht. Bij ontstentenis van een dergelijke definitie in het nationale recht heeft bosbeheer betrekking op economische activiteiten die voortvloeien uit een op een bos toepasselijk systeem dat de ecologische, economische of sociale functies van het bos beïnvloedt. Bosbeheer houdt geen verandering van landgebruik in en vindt plaats op grond die voldoet aan de definitie van bos in de nationale broeikasgasinventaris of, bij ontstentenis daarvan, aan de FAO-definitie van bos (39).

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan NACE-code A2 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld. De economische activiteiten in deze categorie zijn beperkt tot NACE II 02.10, d.w.z. bosbouw, 02.20, d.w.z. exploitatie van bossen, 02.30, d.w.z. verzamelen van in het wild groeiende producten met uitzondering van hout, en 02.40, d.w.z. ondersteunende diensten in verband met de bosbouw.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

1.   Bosbeheerplan of daarmee gelijk te stellen instrument

1.1.

De activiteit vindt plaats in een gebied waarvoor een bosbeheerplan of daarmee gelijk te stellen instrument geldt, zoals vastgelegd in het nationale recht of, bij ontstentenis van een definitie daarvan in het nationale recht, een bosbeheerplan of daarmee gelijk te stellen instrument zoals bedoeld in de FAO-definitie van bosgebied met een langetermijnbosbeheerplan (forest area with long-term forest management plan) (40).

Het bosbeheerplan of daarmee gelijk te stellen instrument bestrijkt een periode van ten minste tien jaar en wordt voortdurend bijgewerkt.

1.2.

Er wordt informatie verstrekt over de volgende punten die nog niet in het bosbeheerplan of daarmee gelijk te stellen instrument zijn gedocumenteerd:

(a)

de beheerdoelstellingen, met inbegrip van de belangrijkste knelpunten (41);

(b)

de algemene strategieën en activiteiten om de beheerdoelstellingen te bereiken, met inbegrip van de verwachte werkzaamheden in de gehele boscyclus;

(c)

de beschrijving van de context van de boshabitat, met inbegrip van de belangrijkste bestaande en beoogde boomsoorten en de omvang en verspreiding ervan;

(d)

de beschrijving van het gebied zoals opgenomen in het kadaster;

(e)

de compartimenten, de wegen, de doorgangsrechten en andere openbare toegang, de fysieke kenmerken, met inbegrip van waterwegen, en de gebieden waarvoor wettelijke en andere beperkingen gelden;

(f)

de maatregelen die worden genomen om de bosecosystemen in goede staat te houden;

(g)

maatschappelijke kwesties (waaronder landschapsbehoud, raadpleging van belanghebbenden overeenkomstig de voorwaarden van het nationale recht);

(h)

de beoordeling van de risico’s voor het bos, zoals bosbranden en uitbraken van plagen en ziekten, met als doel de risico’s te voorkomen, te beperken en te beheersen, alsmede de maatregelen ter bescherming tegen en adaptatie aan de resterende risico’s;

(i)

alle DNSH-criteria die relevant zijn voor bosbeheer.

1.3.

De duurzaamheid van de bosbeheersystemen, zoals gedocumenteerd in het in punt 1.1 bedoelde plan, wordt gewaarborgd door te kiezen voor de meest ambitieuze van de volgende benaderingen:

(a)

het bosbeheer voldoet aan de nationale definitie van duurzaam bosbeheer;

(b)

het bosbeheer voldoet aan de definitie van duurzaam bosbeheer (42) van Forest Europe en voldoet aan de pan-Europese operationele richtsnoeren voor duurzaam bosbeheer (43);

(c)

het beheersysteem toont aan dat is voldaan aan de voor bossen geldende duurzaamheidscriteria van artikel 29, lid 6, van Richtlijn (EU) 2018/2001, en wel met ingang van de datum van toepassing ervan ingevolge de uitvoeringshandeling met operationele richtsnoeren voor energie uit bosbiomassa die op grond van artikel 29, lid 8, van die richtlijn is vastgesteld.

1.4.

De activiteit leidt niet tot de degradatie van grond met een hoge koolstofvoorraad (44).

1.5.

Het beheersysteem in verband met de bestaande activiteit voldoet aan de zorgvuldigheidsverplichting en wettigheidsvereisten van Verordening (EU) nr. 995/2010.

1.6.

Het bosbeheerplan of daarmee gelijk te stellen instrument voorziet in monitoring op de juistheid van de in het plan opgenomen informatie, en met name van de gegevens over het betrokken gebied.

2.   Analyse van de klimaatvoordelen

2.1.

Voor gebieden die voldoen aan de vereisten op het niveau van het oorsprongsgebied van het bos om ervoor te zorgen dat de niveaus van de koolstofvoorraden en -putten in het bos voor lange termijn worden gehandhaafd of versterkt overeenkomstig artikel 29, lid 7, punt b), van Richtlijn (EU) 2018/2001, voldoet de activiteit aan de volgende criteria:

(a)

de analyse van de klimaatvoordelen toont aan dat het nettosaldo van emissies en verwijderingen van broeikasgassen die door de activiteit over een periode van dertig jaar vanaf de aanvang van de activiteit worden gegenereerd, lager is dan een uitgangswaarde die overeenstemt met het saldo van emissies en verwijderingen van broeikasgassen over een periode van dertig jaar die start bij de aanvang van de activiteit, in de situatie waarin de bestaande praktijken op het betrokken gebied zouden worden voortgezet en er geen activiteit plaatsvindt;

(b)

langetermijnklimaatvoordelen worden als aangetoond beschouwd als wordt bewezen dat artikel 29, lid 7, punt b), van Richtlijn (EU) 2018/2001 in acht is genomen.

2.2.

Voor gebieden die niet voldoen aan de vereisten op het niveau van het oorsprongsgebied van het bos om ervoor te zorgen dat de niveaus van de koolstofvoorraden en -putten in het bos voor lange termijn worden gehandhaafd of versterkt overeenkomstig artikel 29, lid 7, punt b), van Richtlijn (EU) 2018/2001, voldoet de activiteit aan de volgende criteria:

(a)

de analyse van de klimaatvoordelen toont aan dat het nettosaldo van emissies en verwijderingen van broeikasgassen die door de activiteit over een periode van dertig jaar vanaf de aanvang van de activiteit worden gegenereerd, lager is dan een uitgangswaarde die overeenstemt met het saldo van emissies en verwijderingen van broeikasgassen over een periode van dertig jaar die start bij de aanvang van de activiteit, in de situatie waarin de bestaande praktijken op het betrokken gebied zouden worden voortgezet en er geen activiteit plaatsvindt;

(b)

het geraamde gemiddelde netto-broeikasgassaldo op lange termijn van de activiteit is lager dan het gemiddelde broeikasgassaldo op lange termijn dat voor de in punt 2.2 bedoelde uitgangswaarde is geraamd, waarbij de lange termijn overeenstemt met 100 jaar of de duur van een volledige boscyclus, naargelang welke tijdspanne langer is.

2.3.

De berekening van de klimaatvoordelen voldoet aan alle volgende criteria:

(a)

de analyse is in overeenstemming met de herziene versie van 2019 van de IPCC-richtsnoeren van 2006 inzake nationale broeikasgasinventarissen (45). De analyse van de klimaatvoordelen is gebaseerd op transparante, correcte, samenhangende, volledige en vergelijkbare informatie, heeft betrekking op alle koolstofreservoirs die impact van de activiteit ondervinden, waaronder bovengrondse biomassa, ondergrondse biomassa, dood hout, strooisel en humus en bodem, is gebaseerd op de voorzichtigste berekeningsaannamen en houdt op passende wijze rekening met het risico dat de koolstofvastlegging niet-permanent is of weer tenietgaat, met het risico van verzadiging en met het risico van lekkage;

(b)

de bestaande praktijken, met inbegrip van oogstpraktijken, zijn een van de volgende:

i)

de beheerpraktijken zoals vóór aanvang van de activiteit gedocumenteerd in de meest recente versie van het bosbeheerplan of daarmee gelijk te stellen instrument, in voorkomend geval;

ii)

de meest recente bestaande praktijken vóór aanvang van de activiteit;

iii)

de praktijken die horen bij een beheersysteem om de koolstofvoorraden en -putten in het bos langdurig op peil te houden of op lange termijn zelfs te vergroten, als bedoeld in artikel 29, lid 7, punt b), van Richtlijn (EU) 2018/2001;

(c)

de fijnmazigheid van de analyse is evenredig met de omvang van het betrokken gebied en er worden waarden gebruikt die specifiek zijn voor het betrokken gebied;

(d)

emissies en verwijderingen die het gevolg zijn van natuurlijke verstoringen, zoals plagen en ziekten, bosbranden, wind- en stormschade, en die impact op het gebied hebben en tegenvallende resultaten veroorzaken, houden geen niet-naleving van Verordening (EU) 2020/852 in, op voorwaarde dat de analyse van de klimaatvoordelen in overeenstemming is met de herziene versie van 2019 van de IPCC-richtsnoeren van 2006 inzake nationale broeikasgasinventarissen betreffende emissies en verwijderingen die het gevolg zijn van natuurlijke verstoringen.

2.4.

Bosbouwbedrijven van minder dan 13 hectare zijn niet verplicht een analyse van de klimaatvoordelen te verrichten.

3.   Waarborging van het permanente karakter

3.1.

De bosstatus van het gebied waarop de activiteit plaatsvindt, is overeenkomstig het nationale recht gewaarborgd door een van de volgende maatregelen:

(a)

het gebied is ingedeeld als permanent beschermd bos (permanent forest estate) zoals gedefinieerd door de FAO (46);

(b)

het gebied is ingedeeld als een beschermd gebied;

(c)

het gebied valt onder een wettelijke of contractuele waarborg die ervoor zorgt dat het een bos zal blijven.

3.2.

De exploitant van de activiteit legt zich erop vast, overeenkomstig het nationale recht, dat naast de activiteit die wordt gefinancierd, bij toekomstige actualiseringen van het bosbeheerplan of daarmee gelijk te stellen instrument verder zal worden gestreefd naar klimaatvoordelen conform punt 2. Daarnaast legt de exploitant van de activiteit zich erop vast om alle verminderingen van het in punt 2 bepaalde klimaatvoordeel te compenseren met een gelijkwaardig klimaatvoordeel dat voortvloeit uit het verrichten van een activiteit die overeenstemt met een van de in deze verordening gedefinieerde bosbouwactiviteiten.

4.   Audit

Binnen twee jaar na de aanvang van de activiteit en daarna om de tien jaar wordt de naleving door de activiteit van de criteria voor een substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering en van de DNSH-criteria geverifieerd door:

(a)

hetzij de nationale bevoegde autoriteiten;

(b)

hetzij een onafhankelijke derde certificeringsinstantie, op verzoek van de nationale autoriteiten of de exploitant van de activiteit.

Om de kosten te drukken, mogen audits samen met een boscertificering, een klimaatcertificering of andere audits worden verricht.

Een onafhankelijke derde certificeringsinstantie heeft geen belangenconflicten met de eigenaar of de financier en is niet betrokken bij de ontwikkeling of exploitatie van de activiteit.

5.   Groepsbeoordeling

De naleving van de criteria voor een substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering en de DNSH-criteria kan worden gecontroleerd:

(a)

op het niveau van het oorsprongsgebied (47) van het bos in de zin van artikel 2, punt 30, van Richtlijn (EU) 2018/2001;

(b)

op het niveau van een groep bedrijven die voldoende homogeen is om het risico van de duurzaamheid van de bosbouwactiviteit te evalueren, mits al die bedrijven onderling een duurzame relatie hebben en aan de activiteit deelnemen, en de groep van die bedrijven dezelfde blijft voor alle daaropvolgende audits.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

De in punt 1.2, i), bedoelde nadere informatie omvat regelingen om te voldoen aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

De door de activiteit veroorzaakte verandering op het gebied van bosbouw in het onder de activiteit vallende gebied leidt waarschijnlijk niet tot een aanzienlijke vermindering van de duurzame levering van primaire bosbiomassa die geschikt is voor de vervaardiging van houtproducten met circulariteitspotentieel op lange termijn. De naleving van dit criterium mag worden aangetoond door middel van de in punt 2 bedoelde analyse van de klimaatvoordelen.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

Het gebruik van pesticiden wordt teruggedrongen en alternatieve benaderingen of technieken, bijvoorbeeld niet-chemische alternatieven voor pesticiden, krijgen de voorkeur overeenkomstig Richtlijn 2009/128/EG, behalve in gevallen waarin het gebruik van pesticiden nodig is om uitbraken van plagen en ziekten te bestrijden.

De activiteit houdt het gebruik van meststoffen zo beperkt mogelijk en maakt geen gebruik van dierlijke mest. De activiteit voldoet aan Verordening (EU) 2019/1009 of de nationale regels inzake meststoffen of bodemverbeteraars voor agrarisch gebruik.

Er worden goed gedocumenteerde en verifieerbare maatregelen genomen ter voorkoming van het gebruik van werkzame bestanddelen die zijn vermeld in bijlage I, deel A, bij Verordening (EU) 2019/1021 (48), het Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel, het Verdrag van Minamata inzake kwik, het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken, en van werkzame bestanddelen die in de door de WHO aanbevolen risicoclassificatie van pesticiden (49) onder klasse Ia (“extremely hazardous”) of klasse Ib (“highly hazardous”) vallen. De activiteit voldoet aan het nationale recht inzake werkzame bestanddelen.

Water- en bodemverontreiniging wordt voorkomen en er worden saneringsmaatregelen genomen bij verontreiniging.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

In gebieden die door de voor instandhouding bevoegde nationale autoriteit zijn aangewezen, en in beschermde habitats is de activiteit in overeenstemming met de instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden.

Er vindt geen omzetting plaats van habitats die bijzonder gevoelig zijn voor verlies aan biodiversiteit of die een hoge instandhoudingswaarde hebben, noch van gebieden die overeenkomstig het nationale recht voor het herstel van dergelijke habitats zijn gereserveerd.

De in punt 1.2, i), bedoelde nadere informatie voorziet in de instandhouding en mogelijke verbetering van de biodiversiteit overeenkomstig nationale en lokale bepalingen, waaronder:

(a)

waarborging van de goede staat van instandhouding van habitats en soorten en de instandhouding van typische habitatsoorten;

(b)

uitsluiting van het gebruik of de introductie van invasieve uitheemse soorten;

(c)

uitsluiting van het gebruik van niet-inheemse soorten, tenzij het volgende kan worden aangetoond:

i)

het gebruik van het bosbouwkundig teeltmateriaal leidt tot gunstige en passende ecosysteemomstandigheden (zoals klimaat, bodemcriteria en vegetatiezone, bosbrandbestendigheid);

ii)

de inheemse soorten die momenteel in het gebied voorkomen, zijn niet meer aangepast aan de verwachte klimatologische, pedologische en hydrologische omstandigheden;

(d)

waarborging van de instandhouding en verbetering van de fysische, chemische en biologische kwaliteit van de bodem;

(e)

bevordering van biodiversiteitsvriendelijke praktijken die natuurlijke processen van bossen verbeteren;

(f)

met uitsluiting van de omzetting van ecosystemen met hoge biodiversiteit in ecosystemen met minder biodiversiteit;

(g)

waarborging van de diversiteit van met het bos verbonden habitats en soorten;

(h)

waarborging van de diversiteit van de structuren van de opstand en de instandhouding of verbetering van volwassen opstanden en dood hout.

1.4.   Instandhoudingsbosbouw

Beschrijving van de activiteit

Bosbeheeractiviteiten met als doel het behoud van een of meer habitats of soorten. Instandhoudingsbosbouw houdt geen verandering van landcategorie in en vindt plaats op grond die voldoet aan de in het nationale recht opgenomen definitie van bos of, bij ontstentenis daarvan, aan de FAO-definitie van bos (50).

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan NACE-code A2 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld. De economische activiteiten in deze categorie zijn beperkt tot NACE II 02.10, d.w.z. bosbouw, 02.20, d.w.z. exploitatie van bossen, 02.30, d.w.z. verzamelen van in het wild groeiende producten met uitzondering van hout, en 02.40, d.w.z. ondersteunende diensten in verband met de bosbouw.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

1.   Bosbeheerplan of daarmee gelijk te stellen instrument

1.1.

De activiteit vindt plaats in een gebied waarvoor een bosbeheerplan of daarmee gelijk te stellen instrument geldt, zoals vastgelegd in het nationale recht of, bij ontstentenis van een definitie van bosbeheerplan in het nationale recht, een bosbeheerplan als bedoeld in de FAO-definitie van bosgebied met een langetermijnbosbeheerplan (forest area with long-term forest management plan) (51).

Het bosbeheerplan of daarmee gelijk te stellen instrument bestrijkt een periode van ten minste tien jaar en wordt voortdurend bijgewerkt.

1.2.

Er wordt informatie verstrekt over de volgende punten die nog niet in het bosbeheerplan of daarmee gelijk te stellen instrument zijn gedocumenteerd:

(a)

de beheerdoelstellingen, met inbegrip van de belangrijkste knelpunten;

(b)

de algemene strategieën en activiteiten om de beheerdoelstellingen te bereiken, met inbegrip van de verwachte werkzaamheden in de gehele boscyclus;

(c)

de beschrijving van de context van de boshabitat, de belangrijkste bestaande en beoogde boomsoorten en de omvang en verspreiding ervan, overeenkomstig de plaatselijke context van het bosecosysteem;

(d)

de beschrijving van het gebied zoals opgenomen in het kadaster;

(e)

de compartimenten, de wegen, de doorgangsrechten en andere openbare toegang, de fysieke kenmerken, met inbegrip van waterwegen, en de gebieden waarvoor wettelijke en andere beperkingen gelden;

(f)

de maatregelen die worden genomen om de bosecosystemen in goede staat te houden;

(g)

maatschappelijke kwesties (waaronder landschapsbehoud, raadpleging van belanghebbenden overeenkomstig de voorwaarden van het nationale recht);

(h)

de beoordeling van de risico’s voor het bos, zoals bosbranden en uitbraken van plagen en ziekten, met als doel de risico’s te voorkomen, te beperken en te beheersen, alsmede de maatregelen ter bescherming tegen en adaptatie aan de resterende risico’s;

(i)

alle DNSH-criteria die relevant zijn voor bosbeheer.

1.3.

Het bosbeheerplan of daarmee gelijk te stellen instrument:

(a)

geeft aan wat de primaire beheerdoelstelling is (52). Daarbij gaat het om de bescherming van bodem en water (53), om de instandhouding van de biodiversiteit (54) of om sociale diensten (55) op basis van de FAO-definities;

(b)

bevordert biodiversiteitsvriendelijke praktijken die natuurlijke processen van bossen verbeteren;

(c)

bevat een analyse van:

i)

de effecten en druk op de instandhouding van habitats en de diversiteit van verbonden habitats;

ii)

de omstandigheden waarin houtoogst plaatsvindt teneinde de effecten op de bodem tot een minimum te beperken;

iii)

de andere activiteiten die gevolgen hebben voor instandhoudingsdoelstellingen, zoals jacht en visserij, landbouw, beweiding en bosbouw, industriële activiteiten, mijnbouw en commerciële activiteiten.

1.4.

De duurzaamheid van de bosbeheersystemen, zoals gedocumenteerd in het in punt 1.1 bedoelde plan, wordt gewaarborgd door te kiezen voor de meest ambitieuze van de volgende benaderingen:

(a)

het bosbeheer voldoet aan de nationale definitie van duurzaam bosbeheer, als die bestaat;

(b)

het bosbeheer voldoet aan de definitie van duurzaam bosbeheer (56) van Forest Europe en voldoet aan de pan-Europese operationele richtsnoeren voor duurzaam bosbeheer (57);

(c)

het beheersysteem toont aan dat is voldaan aan de voor bossen geldende duurzaamheidscriteria van artikel 29, lid 6, van Richtlijn (EU) 2018/2001, en wel met ingang van de datum van toepassing ervan ingevolge de uitvoeringshandeling met operationele richtsnoeren voor energie uit bosbiomassa die op grond van artikel 29, lid 8, van die richtlijn is vastgesteld.

1.5.

De activiteit leidt niet tot de degradatie van grond met een hoge koolstofvoorraad (58).

1.6.

Het beheersysteem in verband met de bestaande activiteit voldoet aan de zorgvuldigheidsverplichting en wettigheidsvereisten van Verordening (EU) nr. 995/2010.

1.7.

Het bosbeheerplan of daarmee gelijk te stellen instrument voorziet in monitoring op de juistheid van de in het plan opgenomen informatie, en met name van de gegevens over het betrokken gebied.

2.   Analyse van de klimaatvoordelen

2.1.

Voor gebieden die voldoen aan de vereisten op het niveau van het oorsprongsgebied van het bos om ervoor te zorgen dat de niveaus van de koolstofvoorraden en -putten in het bos voor lange termijn worden gehandhaafd of versterkt overeenkomstig artikel 29, lid 7, punt b), van Richtlijn (EU) 2018/2001, voldoet de activiteit aan de volgende criteria:

(a)

de analyse van de klimaatvoordelen toont aan dat het nettosaldo van emissies en verwijderingen van broeikasgassen die door de activiteit over een periode van dertig jaar vanaf de aanvang van de activiteit worden gegenereerd, lager is dan een uitgangswaarde die overeenstemt met het saldo van emissies en verwijderingen van broeikasgassen over een periode van dertig jaar die start bij de aanvang van de activiteit, in de situatie waarin de bestaande praktijken op het betrokken gebied zouden worden voortgezet en er geen activiteit plaatsvindt;

(b)

langetermijnklimaatvoordelen worden als aangetoond beschouwd als wordt bewezen dat artikel 29, lid 7, punt b), van Richtlijn (EU) 2018/2001 in acht is genomen.

2.2.

Voor gebieden die niet voldoen aan de vereisten op het niveau van het oorsprongsgebied van het bos om ervoor te zorgen dat de niveaus van de koolstofvoorraden en -putten in het bos voor lange termijn worden gehandhaafd of versterkt overeenkomstig artikel 29, lid 7, punt b), van Richtlijn (EU) 2018/2001, voldoet de activiteit aan de volgende criteria:

(a)

de analyse van de klimaatvoordelen toont aan dat het nettosaldo van emissies en verwijderingen van broeikasgassen die door de activiteit over een periode van dertig jaar vanaf de aanvang van de activiteit worden gegenereerd, lager is dan een uitgangswaarde die overeenstemt met het saldo van emissies en verwijderingen van broeikasgassen over een periode van dertig jaar die start bij de aanvang van de activiteit, in de situatie waarin de bestaande praktijken op het betrokken gebied zouden worden voortgezet en er geen activiteit plaatsvindt;

(b)

het geraamde gemiddelde netto-broeikasgassaldo op lange termijn van de activiteit is lager dan het gemiddelde broeikasgassaldo op lange termijn dat voor de in punt 2.2 bedoelde uitgangswaarde is geraamd, waarbij de lange termijn overeenstemt met 100 jaar of de duur van een volledige boscyclus, naargelang welke tijdspanne langer is.

2.3.

De berekening van de klimaatvoordelen voldoet aan alle volgende criteria:

(a)

de analyse is in overeenstemming met de herziene versie van 2019 van de IPCC-richtsnoeren van 2006 inzake nationale broeikasgasinventarissen (59). De analyse van de klimaatvoordelen is gebaseerd op transparante, correcte, samenhangende, volledige en vergelijkbare informatie, heeft betrekking op alle koolstofreservoirs die impact van de activiteit ondervinden, waaronder bovengrondse biomassa, ondergrondse biomassa, dood hout, strooisel en humus en bodem, is gebaseerd op de voorzichtigste berekeningsaannamen en houdt op passende wijze rekening met het risico dat de koolstofvastlegging niet-permanent is of weer tenietgaat, met het risico van verzadiging en met het risico van lekkage;

(b)

de bestaande praktijken, met inbegrip van oogstpraktijken, zijn een van de volgende:

i)

de beheerpraktijken zoals vóór aanvang van de activiteit gedocumenteerd in de meest recente versie van het bosbeheerplan of daarmee gelijk te stellen instrument, in voorkomend geval;

ii)

de meest recente bestaande praktijken vóór aanvang van de activiteit;

iii)

de praktijken die horen bij een beheersysteem om de koolstofvoorraden en -putten in het bos langdurig op peil te houden of op lange termijn zelfs te vergroten, als bedoeld in artikel 29, lid 7, punt b), van Richtlijn (EU) 2018/2001;

(c)

de fijnmazigheid van de analyse is evenredig met de omvang van het betrokken gebied en er worden waarden gebruikt die specifiek zijn voor het betrokken gebied;

(d)

emissies en verwijderingen die het gevolg zijn van natuurlijke verstoringen, zoals plagen en ziekten, bosbranden, wind- en stormschade, en die impact op het gebied hebben en tegenvallende resultaten veroorzaken, houden geen niet-naleving van de criteria van Verordening (EU) 2020/852 in, op voorwaarde dat de analyse van de klimaatvoordelen op het punt van emissies en verwijderingen die het gevolg zijn van natuurlijke verstoringen, in overeenstemming is met de herziene versie van 2019 van de IPCC-richtsnoeren van 2006 inzake nationale broeikasgasinventarissen.

2.4.

Bosbouwbedrijven van minder dan 13 hectare zijn niet verplicht een analyse van de klimaatvoordelen te verrichten.

3.   Waarborging van het permanente karakter

3.1.

De bosstatus van het gebied waarop de activiteit plaatsvindt, is overeenkomstig het nationale recht gewaarborgd door een van de volgende maatregelen:

(a)

het gebied is ingedeeld als permanent beschermd bos (permanent forest estate) zoals gedefinieerd door de FAO (60);

(b)

het gebied is ingedeeld als een beschermd gebied;

(c)

het gebied valt onder een wettelijke of contractuele waarborg die ervoor zorgt dat het een bos zal blijven.

3.2.

De exploitant van de activiteit legt zich erop vast, overeenkomstig het nationale recht, dat naast de activiteit die wordt gefinancierd, bij toekomstige actualiseringen van het bosbeheerplan of daarmee gelijk te stellen instrument verder zal worden gestreefd naar klimaatvoordelen conform punt 2. Daarnaast legt de exploitant van de activiteit zich erop vast om alle verminderingen van het in punt 2 bepaalde klimaatvoordeel te compenseren met een gelijkwaardig klimaatvoordeel dat voortvloeit uit het verrichten van een activiteit die overeenstemt met een van de in deze verordening gedefinieerde bosbouwactiviteiten.

4.   Audit

Binnen twee jaar na de aanvang van de activiteit en daarna om de tien jaar wordt de naleving door de activiteit van de criteria voor een substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering en van de DNSH-criteria geverifieerd door:

(a)

hetzij de nationale bevoegde autoriteiten;

(b)

hetzij een onafhankelijke derde certificeringsinstantie, op verzoek van de nationale autoriteiten of de exploitant van de activiteit.

Om de kosten te drukken, mogen audits samen met een boscertificering, een klimaatcertificering of andere audits worden verricht.

Een onafhankelijke derde certificeringsinstantie heeft geen belangenconflicten met de eigenaar of de financier en is niet betrokken bij de ontwikkeling of exploitatie van de activiteit.

5.   Groepsbeoordeling

De naleving van de criteria voor een substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering en de DNSH-criteria kan worden gecontroleerd:

(a)

op het niveau van het oorsprongsgebied (61) van het bos in de zin van artikel 2, punt 30, van Richtlijn (EU) 2018/2001;

(b)

op het niveau van een groep bosbouwbedrijven die voldoende homogeen is om het risico van de duurzaamheid van de bosbouwactiviteit te evalueren, mits al die bedrijven onderling een duurzame relatie hebben en aan de activiteit deelnemen, en de groep van die bedrijven dezelfde blijft voor alle daaropvolgende audits.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

De in punt 1.2, i), bedoelde nadere informatie omvat regelingen om te voldoen aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

De door de activiteit veroorzaakte verandering op het gebied van bosbouw in het onder de activiteit vallende gebied leidt waarschijnlijk niet tot een aanzienlijke vermindering van de duurzame levering van primaire bosbiomassa die geschikt is voor de vervaardiging van houtproducten met circulariteitspotentieel op lange termijn. De naleving van dit criterium mag worden aangetoond door middel van de in punt 2 bedoelde analyse van de klimaatvoordelen.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

Er wordt geen gebruik gemaakt van pesticiden of meststoffen.

Er worden goed gedocumenteerde en verifieerbare maatregelen genomen ter voorkoming van het gebruik van werkzame bestanddelen die zijn vermeld in bijlage I, deel A, bij Verordening (EU) 2019/1021 (62), het Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel, het Verdrag van Minamata inzake kwik, het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken, en van werkzame bestanddelen die in de door de WHO aanbevolen risicoclassificatie van pesticiden (63) onder klasse Ia (“extremely hazardous”) of klasse Ib (“highly hazardous”) vallen. De activiteit voldoet aan het nationale recht inzake werkzame bestanddelen.

Water- en bodemverontreiniging wordt voorkomen en er worden saneringsmaatregelen genomen bij verontreiniging.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

In gebieden die door de voor instandhouding bevoegde nationale autoriteit zijn aangewezen, en in beschermde habitats is de activiteit in overeenstemming met de instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden.

Er vindt geen omzetting plaats van habitats die bijzonder gevoelig zijn voor verlies aan biodiversiteit of die een hoge instandhoudingswaarde hebben, noch van gebieden die overeenkomstig het nationale recht voor het herstel van dergelijke habitats zijn gereserveerd.

De in punt 1.2, i), bedoelde nadere informatie voorziet in de instandhouding en mogelijke verbetering van de biodiversiteit overeenkomstig nationale en lokale bepalingen, waaronder:

(a)

waarborging van de goede staat van instandhouding van habitats en soorten en de instandhouding van typische habitatsoorten;

(b)

uitsluiting van het gebruik of de introductie van invasieve uitheemse soorten;

(c)

uitsluiting van het gebruik van niet-inheemse soorten, tenzij het volgende kan worden aangetoond:

i)

het gebruik van het bosbouwkundig teeltmateriaal leidt tot gunstige en passende ecosysteemomstandigheden (zoals klimaat, bodemcriteria en vegetatiezone, bosbrandbestendigheid);

ii)

de inheemse soorten die momenteel in het gebied voorkomen, zijn niet meer aangepast aan de verwachte klimatologische, pedologische en hydrologische omstandigheden;

(d)

waarborging van de instandhouding en verbetering van de fysische, chemische en biologische kwaliteit van de bodem;

(e)

bevordering van biodiversiteitsvriendelijke praktijken die natuurlijke processen van bossen verbeteren;

(f)

met uitsluiting van de omzetting van ecosystemen met hoge biodiversiteit in ecosystemen met minder biodiversiteit;

(g)

waarborging van de diversiteit van met het bos verbonden habitats en soorten;

(h)

waarborging van de diversiteit van de structuren van de opstand en de instandhouding of verbetering van volwassen opstanden en dood hout.

2.   ACTIVITEITEN OP HET GEBIED VAN MILIEUBESCHERMING EN -HERSTEL

2.1.   Herstel van watergebieden (wetlands)

Beschrijving van de activiteit

Herstel van watergebieden (wetlands) heeft betrekking op economische activiteiten die een terugkeer naar de oorspronkelijke omstandigheden van wetlands bevorderen, en economische activiteiten die de functies van wetlands verbeteren zonder noodzakelijkerwijs een terugkeer naar de omstandigheden van vóór de verstoring te bevorderen, waarbij wetlands gronden zijn die voldoen aan de internationale definitie van wetland (64) of die van veengebied (65) die zijn opgenomen in de Overeenkomst inzake watergebieden van internationale betekenis, in het bijzonder als verblijfplaats voor watervogels (Conventie van Ramsar) (66). Het betrokken gebied voldoet aan de Uniedefinitie van wetlands in de mededeling van de Commissie over verstandig gebruik en behoud van wetlands (67).

De economische activiteiten in deze categorie hebben geen specifieke NACE-code in de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld, maar hebben betrekking op klasse 6 van de statistische classificatie van milieubeschermingsactiviteiten (CEPA) die bij Verordening (EU) nr. 691/2011 van het Europees Parlement en de Raad (68) is vastgesteld.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

1.   Herstelplan

1.1.

Het gebied valt onder een herstelplan dat in overeenstemming is met de in de Conventie van Ramsar vervatte beginselen en richtsnoeren voor het herstel van waterrijke gebieden (69), totdat het gebied als wetland is aangemerkt en onder een beheerplan voor wetlands valt dat in overeenstemming is met de in de Conventie van Ramsar vervatte richtsnoeren voor de planning van het beheer van Ramsar-gebieden en andere wetlands (70). Voor veengebieden volgt het herstelplan de aanbevelingen in de desbetreffende resoluties van de Conventie van Ramsar, waaronder resolutie XIII/13.

1.2.

Het herstelplan bevat een zorgvuldige afweging van de plaatselijke hydrologische en pedologische omstandigheden, met inbegrip van de dynamiek van de verzadiging van de bodem en de verandering van aerobe en anaerobe omstandigheden.

1.3.

Alle DNSH-criteria die voor het beheer van wetlands relevant zijn, komen in het herstelplan aan bod.

1.4.

Het herstelplan voorziet in monitoring op de juistheid van de in het plan opgenomen informatie, en met name van de gegevens over het betrokken gebied.

2.   Analyse van de klimaatvoordelen

2.1.

De activiteit voldoet aan de onderstaande criteria:

(a)

de analyse van de klimaatvoordelen toont aan dat het nettosaldo van emissies en verwijderingen van broeikasgassen die door de activiteit over een periode van dertig jaar vanaf de aanvang van de activiteit worden gegenereerd, lager is dan een uitgangswaarde die overeenstemt met het saldo van emissies en verwijderingen van broeikasgassen over een periode van dertig jaar die start bij de aanvang van de activiteit, in de situatie waarin de bestaande praktijken op het betrokken gebied zouden worden voortgezet en er geen activiteit plaatsvindt;

(b)

het geraamde gemiddelde netto-broeikasgassaldo op lange termijn van de activiteit is lager dan het gemiddelde broeikasgassaldo op lange termijn dat voor de in punt 2.2 bedoelde uitgangswaarde is geraamd, waarbij de lange termijn overeenstemt met 100 jaar.

2.2.

De berekening van de klimaatvoordelen voldoet aan alle volgende criteria:

(a)

de analyse is in overeenstemming met de herziene versie van 2019 van de IPCC-richtsnoeren van 2006 inzake nationale broeikasgasinventarissen (71). Met name indien de in die analyse gehanteerde definitie van wetlands verschilt van de definitie van wetlands in de nationale broeikasgasinventaris, worden in de analyse ook de verschillende grondcategorieën bepaald die onder het betrokken gebied vallen. De analyse van de klimaatvoordelen is gebaseerd op transparante, correcte, samenhangende, volledige en vergelijkbare informatie, heeft betrekking op alle koolstofreservoirs die impact van de activiteit ondervinden, waaronder bovengrondse biomassa, ondergrondse biomassa, dood hout, strooisel en humus en bodem, is gebaseerd op de voorzichtigste berekeningsaannamen en houdt op passende wijze rekening met het risico dat de koolstofvastlegging niet-permanent is of weer tenietgaat, met het risico van verzadiging en met het risico van lekkage; Bij waterrijke kustgebieden wordt in de analyse van de klimaatvoordelen rekening gehouden met de projecties van de verwachte stijging van de zeespiegel en de mogelijkheid dat de wetlands zullen migreren;

(b)

de bestaande praktijken, met inbegrip van oogstpraktijken, zijn een van de volgende:

i)

de beheerpraktijken zoals vóór aanvang van de activiteit gedocumenteerd, in voorkomend geval;

ii)

de meest recente bestaande praktijken vóór aanvang van de activiteit.

(c)

de fijnmazigheid van de analyse is evenredig met de omvang van het betrokken gebied en er worden waarden gebruikt die specifiek zijn voor het betrokken gebied;

(d)

emissies en verwijderingen die het gevolg zijn van natuurlijke verstoringen, zoals plagen en ziekten, branden, wind- en stormschade, en die impact op het gebied hebben en tegenvallende resultaten veroorzaken, houden geen niet-naleving van de criteria van Verordening (EU) 2020/852 in, op voorwaarde dat de analyse van de klimaatvoordelen op het punt van emissies en verwijderingen die het gevolg zijn van natuurlijke verstoringen, in overeenstemming is met de herziene versie van 2019 van de IPCC-richtsnoeren van 2006 inzake nationale broeikasgasinventarissen.

4.   Waarborging van het permanente karakter

4.1.

De wetlandstatus van het gebied waarop de activiteit plaatsvindt, is overeenkomstig het nationale recht gewaarborgd door een van de volgende maatregelen:

(a)

het gebied is aangewezen om als wetland behouden te blijven en mag niet voor ander landgebruik worden omgezet;

(b)

het gebied is ingedeeld als een beschermd gebied;

(c)

het gebied valt onder een wettelijke of contractuele waarborg die ervoor zorgt dat het een bos zal blijven.

4.2.

De exploitant van de activiteit legt zich erop vast, overeenkomstig het nationale recht, dat naast de activiteit die wordt gefinancierd, bij toekomstige actualiseringen van het herstelplan verder zal worden gestreefd naar klimaatvoordelen conform punt 2. Daarnaast legt de exploitant van de activiteit zich erop vast om alle verminderingen van het in punt 2 bepaalde klimaatvoordeel te compenseren met een gelijkwaardig klimaatvoordeel dat voortvloeit uit het verrichten van een activiteit die overeenstemt met een van de in deze verordening gedefinieerde activiteiten op het gebied van milieubescherming en -herstel.

5.   Audit

Binnen twee jaar na de aanvang van de activiteit en daarna om de tien jaar wordt de naleving door de activiteit van de criteria voor een substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering en van de DNSH-criteria geverifieerd door:

(a)

hetzij de nationale bevoegde autoriteiten;

(b)

hetzij een onafhankelijke derde certificeringsinstantie, op verzoek van de nationale autoriteiten of de exploitant van de activiteit.

Om de kosten te drukken, mogen audits samen met een boscertificering, een klimaatcertificering of andere audits worden verricht.

Een onafhankelijke derde certificeringsinstantie heeft geen belangenconflicten met de eigenaar of de financier en is niet betrokken bij de ontwikkeling of exploitatie van de activiteit.

6.   Groepsbeoordeling

De naleving van de criteria voor een substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering en van de DNSH-criteria kan worden gecontroleerd op het niveau van een groep bedrijven die voldoende homogeen is om het risico van de duurzaamheid van de activiteit op het gebied van milieubescherming en -herstel te evalueren, mits al die bedrijven onderling een duurzame relatie hebben en aan de activiteit deelnemen, en de groep van die bedrijven dezelfde blijft voor alle daaropvolgende audits.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

Turfwinning wordt tot een minimum beperkt.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

Het gebruik van pesticiden wordt tot een minimum beperkt en alternatieve benaderingen of technieken, bijvoorbeeld niet-chemische alternatieven voor pesticiden, krijgen de voorkeur overeenkomstig Richtlijn 2009/128/EG, behalve in gevallen waarin het gebruik van pesticiden nodig is om uitbraken van plagen en ziekten te bestrijden.

De activiteit houdt het gebruik van meststoffen zo beperkt mogelijk en maakt geen gebruik van dierlijke mest. De activiteit voldoet aan Verordening (EU) 2019/1009 of de nationale regels inzake meststoffen of bodemverbeteraars voor agrarisch gebruik.

Er worden goed gedocumenteerde en verifieerbare maatregelen genomen ter voorkoming van het gebruik van werkzame bestanddelen die zijn vermeld bijlage I, deel A, bij Verordening (EU) 2019/1021 (72), het Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel, het Verdrag van Minamata inzake kwik, het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken, en van werkzame bestanddelen die in de door de WHO aanbevolen risicoclassificatie van pesticiden (73) onder klasse Ia (“extremely hazardous”) of klasse Ib (“highly hazardous”) vallen. De activiteit voldoet aan de nationale uitvoeringswetgeving inzake werkzame bestanddelen.

Water- en bodemverontreiniging wordt voorkomen en er worden saneringsmaatregelen genomen bij verontreiniging.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

In gebieden die door de voor instandhouding bevoegde nationale autoriteit zijn aangewezen, en in beschermde habitats is de activiteit in overeenstemming met de instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden.

Er vindt geen omzetting plaats van habitats die bijzonder gevoelig zijn voor verlies aan biodiversiteit of die een hoge instandhoudingswaarde hebben, noch van gebieden die overeenkomstig het nationale recht voor het herstel van dergelijke habitats zijn gereserveerd.

Het in punt 1 van deze afdeling bedoelde plan (herstelplan), voorziet in de instandhouding en mogelijke verbetering van de biodiversiteit overeenkomstig nationale en lokale bepalingen, waaronder:

(a)

waarborging van de goede staat van instandhouding van habitats en soorten en de instandhouding van typische habitatsoorten;

(b)

uitsluiting van het gebruik of de introductie van invasieve soorten.

3.   FABRICAGE

3.1.   Fabricage van technologieën voor hernieuwbare energie

Beschrijving van de activiteit

De fabricage van technologieën voor hernieuwbare energie, waarbij hernieuwbare energie gedefinieerd is in artikel 2, punt 1, van Richtlijn (EU) 2018/2001.

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan verschillende NACE-codes, in het bijzonder C25, C27 en C28, overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

Een activiteit in deze categorie is een faciliterende activiteit overeenkomstig artikel 10, lid 1, punt i), van Verordening (EU) 2020/852 wanneer zij voldoet aan de in deze afdeling vastgestelde technische screeningcriteria.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

De economische activiteit betreft de fabricage van technologieën voor hernieuwbare energie.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

Bij de activiteit wordt gekeken naar de beschikbaarheid en, waar mogelijk, de toepassing van technieken voor:

(a)

het hergebruik en gebruik van secundaire grondstoffen en hergebruikte onderdelen van de vervaardigde producten;

(b)

het ontwerpen van zeer duurzame, recyclebare, eenvoudig te demonteren en aanpasbare producten;

(c)

afvalbeheer waarbij recycling primeert op verwijdering tijdens het productieproces;

(d)

de verstrekking van informatie over en de traceerbaarheid van zorgwekkende stoffen gedurende de volledige levenscyclus van de vervaardigde producten.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

3.2.   Fabricage van apparatuur voor de productie en het gebruik van waterstof

Beschrijving van de activiteit

De fabricage van apparatuur voor de productie en het gebruik van waterstof.

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan verschillende NACE-codes, in het bijzonder C25, C27 en C28, overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

Een economische activiteit in deze categorie is een faciliterende activiteit overeenkomstig artikel 10, lid 1, punt i), van Verordening (EU) 2020/852 wanneer zij voldoet aan de in deze afdeling vastgestelde technische screeningcriteria.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

De economische activiteit betreft de fabricage van apparatuur voor de productie van waterstof die aan de in afdeling 3.10 van deze bijlage vastgestelde technische screeningcriteria voldoet, en van apparatuur voor het gebruik van waterstof.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

Bij de activiteit wordt gekeken naar de beschikbaarheid en, waar mogelijk, de toepassing van technieken voor:

(a)

het hergebruik en gebruik van secundaire grondstoffen en hergebruikte onderdelen van de vervaardigde producten;

(b)

het ontwerpen van zeer duurzame, recyclebare, eenvoudig te demonteren en aanpasbare producten;

(c)

afvalbeheer waarbij recycling primeert op verwijdering tijdens het productieproces;

(d)

de verstrekking van informatie over en de traceerbaarheid van zorgwekkende stoffen gedurende de volledige levenscyclus van de vervaardigde producten.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

3.3.   Fabricage van koolstofarme technologieën voor vervoer

Beschrijving van de activiteit

De fabricage, herstelling, onderhoud, aanpassing, herbestemming en opwaardering van koolstofarme wagens, rollend materieel en vaartuigen voor vervoer.

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan verschillende NACE-codes, in het bijzonder C29.1, C30.1, C30.2, C30.9, C33.15 en C33.17, overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

Een economische activiteit in deze categorie is een faciliterende activiteit overeenkomstig artikel 10, lid 1, punt i), van Verordening (EU) 2020/852 wanneer zij voldoet aan de in deze afdeling vastgestelde technische screeningcriteria.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

De economische activiteit betreft de fabricage, de herstelling, het onderhoud, de aanpassing (74), de herbestemming of de opwaardering van:

(a)

treinen, passagiersrijtuigen en wagons waarvan de directe CO2-(uitlaat)emissies gelijk zijn aan nul;

(b)

treinen, passagiersrijtuigen en wagons waarvan de directe CO2-uitlaatemissies gelijk zijn aan nul wanneer deze worden ingezet op een spoorlijn die over de nodige infrastructuur beschikt en gebruikmaken van een conventionele motor waar die infrastructuur ontbreekt (hybride);

(c)

toestellen voor personenvervoer in steden, voorsteden en over de weg, indien de directe CO2-(uitlaat)emissies van de voertuigen gelijk zijn aan nul;

(d)

tot en met 31 december 2025, voertuigen van de categorieën M2 en M3  (75) met carrosserietype “CA” (enkeldeksvoertuig), “CB” (dubbeldeksvoertuig), “CC” (geleed enkeldeksvoertuig) of “CD” (geleed dubbeldeksvoertuig) (76), die voldoen aan de recentste Euro VI-norm, d.w.z. zowel aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad (77) en, vanaf de datum van inwerkingtreding van de wijzigingen van die verordening, van die wijzigingshandelingen, zelfs voordat ze van toepassing worden, als aan de recentste fase van de Euro VI-norm die is opgenomen in tabel 1 van aanhangsel 9 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 582/2011 van de Commissie (78) wanneer de bepalingen betreffende die fase in werking zijn getreden maar nog niet van toepassing zijn geworden voor dat type voertuig (79). Wanneer geen dergelijke norm beschikbaar is, zijn de directe CO2-emissies van de voertuig nul;

(e)

persoonlijke vervoersmiddelen die worden aangedreven door de fysieke activiteit van de gebruiker, een emissievrije motor of een combinatie van een emissievrije motor en fysieke activiteit;

(f)

voertuigen van de categorieën M1 en N1 ingedeeld als lichte bedrijfsvoertuigen (80) met:

i)

tot en met 31 december 2025: specifieke CO2-emissies, als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt h), van Verordening (EU) 2019/631 van het Europees Parlement en de Raad (81), die lager liggen dan 50 g CO2/km (emissievrije of emissiearme lichte bedrijfsvoertuigen);

ii)

vanaf 1 januari 2026: specifieke CO2-emissies, als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt h), van Verordening (EU) 2019/631, die gelijk zijn aan nul;

(g)

voertuigen van categorie L (82) met CO2-uitlaatemissies die gelijk zijn aan 0 g CO2e/km, hetgeen wordt berekend in overeenstemming met de in Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad (83) vastgelegde emissietest;

(h)

voertuigen van de categorieën N2 en N3, en N1 ingedeeld als zware bedrijfsvoertuigen, met een technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van ten hoogste 7,5 ton, die niet voor het vervoer van fossiele brandstoffen bestemd zijn en “emissievrije zware bedrijfsvoertuigen” zijn, als gedefinieerd in artikel 3, punt 11, van Verordening (EU) 2019/1242 van het Europees Parlement en de Raad (84);

(i)

voertuigen van de categorieën N2 en N3 met een technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van meer dan 7,5 ton, die niet voor het vervoer van fossiele brandstoffen bestemd zijn en “emissievrije zware bedrijfsvoertuigen” zijn, als gedefinieerd in artikel 3, punt 11, van Verordening (EU) 2019/1242, of “emissiearme zware bedrijfsvoertuigen”, als gedefinieerd in artikel 3, punt 12, van die verordening;

(j)

vaartuigen voor personenvervoer via de binnenwateren die:

i)

directe CO2-(uitlaat)emissies hebben die gelijk zijn aan nul;

ii)

tot en met 31 december 2025, hybride en dualfuelvaartuigen zijn die voor hun normale werking ten minste 50 % van hun energie halen uit brandstoffen zonder directe CO2-(uitlaat)emissies of uit plug-invermogen;

(k)

vaartuigen voor goederenvervoer via de binnenwateren, die niet voor het vervoer van fossiele brandstoffen bestemd zijn, waarvan:

i)

de directe CO2-(uitlaat)emissies gelijk zijn aan nul;

ii)

de directe CO2-(uitlaat)emissies per tonkilometer (g CO2/tkm), berekend (of, in het geval van nieuwe vaartuigen, geraamd) met de Energy Efficiency Operational Indicator (85), tot en met 31 december 2025 50 % lager liggen dan de gemiddelde referentiewaarde voor CO2-emissies zoals vastgelegd voor zware bedrijfsvoertuigen (subgroep voertuigen 5-LH) overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EU) 2019/1242;

(l)

vaartuigen voor goederenvervoer via de zee- en kustvaart en vaartuigen voor havenactiviteiten en ondersteunende activiteiten, die niet voor het vervoer van fossiele brandstoffen bestemd zijn, en:

i)

directe CO2-(uitlaat)emissies hebben die gelijk zijn aan nul;

ii)

die tot en met 31 december 2025 hybride en dualfuelvaartuigen zijn die voor hun normale werking op zee en in havens ten minste 25 % van hun energie halen uit brandstoffen zonder directe CO2-(uitlaat)emissies of uit plug-invermogen;

iii)

waarvan de directe CO2-(uitlaat)emissies, berekend met de Energy Efficiency Design Index (EEDI) van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) (86), tot en met 31 december 2025 50 % lager liggen dan de gemiddelde referentiewaarde voor CO2-emissies zoals vastgelegd voor zware bedrijfsvoertuigen (subgroep voertuigen 5-LH) overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EU) 2019/1242, maar alleen als kan worden bewezen dat de vaartuigen uitsluitend worden gebruikt om kust- en kortevaartdiensten te verrichten die bedoeld zijn om de modal shift van momenteel over land naar zee vervoerde goederen mogelijk te maken;

iv)

die tot en met 31 december 2025 een bereikte Energy Efficiency Design Index (EEDI)-waarde hebben die 10 % onder de op 1 april 2022 toepasselijke EEDI-vereisten (87) ligt als de vaartuigen kunnen varen op brandstoffen zonder directe CO2-(uitlaat)emissies of op brandstoffen uit hernieuwbare bronnen (88);

(m)

vaartuigen voor personenvervoer via de zee- en kustvaart, die niet voor het vervoer van fossiele brandstoffen bestemd zijn, die:

i)

directe CO2-(uitlaat)emissies hebben die gelijk zijn aan nul;

ii)

tot en met 31 december 2025 hybride en dualfuelvaartuigen zijn die voor hun normale werking op zee en in havens ten minste 25 % van hun energie halen uit brandstoffen zonder directe CO2-(uitlaat)emissies of uit plug-invermogen;

iii)

tot en met 31 december 2025 een bereikte Energy Efficiency Design Index (EEDI)-waarde hebben die 10 % onder de op 1 april 2022 toepasselijke EEDI-vereisten ligt als de vaartuigen kunnen varen op brandstoffen zonder directe CO2-(uitlaat)emissies of op brandstoffen uit hernieuwbare bronnen (89).

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

Bij de activiteit wordt gekeken naar de beschikbaarheid en, waar mogelijk, de toepassing van technieken voor:

(a)

het hergebruik en gebruik van secundaire grondstoffen en hergebruikte onderdelen van de vervaardigde producten;

(b)

het ontwerpen van zeer duurzame, recyclebare, eenvoudig te demonteren en aanpasbare producten;

(c)

afvalbeheer waarbij recycling primeert op verwijdering tijdens het productieproces;

(d)

de verstrekking van informatie over en de traceerbaarheid van zorgwekkende stoffen gedurende de volledige levenscyclus van de vervaardigde producten.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

Indien van toepassing, bevatten de voertuigen geen lood, kwik, zeswaardig chromium of cadmium, overeenkomstig Richtlijn 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad (90).

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

3.4.   Fabricage van batterijen

Beschrijving van de activiteit

De fabricage van oplaadbare batterijen, batterijpakken en accu's voor vervoer, stationaire en niet aan het net gekoppelde energieopslag en andere industriële toepassingen. De fabricage van de respectieve componenten (actieve materialen voor batterijen, batterijcellen, behuizingen en elektronische onderdelen).

De recycling van afgedankte batterijen.

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan de NACE-codes C27.2 en E38.32 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

Een economische activiteit in deze categorie is een faciliterende activiteit overeenkomstig artikel 10, lid 1, punt i), van Verordening (EU) 2020/852 wanneer zij voldoet aan de in deze afdeling vastgestelde technische screeningcriteria.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

De economische activiteit betreft de fabricage van oplaadbare batterijen, batterijpakken en accu's (en hun respectieve onderdelen), onder meer uit secundaire grondstoffen, die leidt tot substantiële broeikasgasemissiereducties in vervoer, stationaire en niet aan het net gekoppelde energieopslag en andere industriële toepassingen.

De economische activiteit betreft de recycling van afgedankte batterijen.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

Voor de fabricage van nieuwe batterijen, onderdelen en materialen wordt bij de activiteit gekeken naar de beschikbaarheid en, waar mogelijk, de toepassing van technieken voor:

(a)

het hergebruik en gebruik van secundaire grondstoffen en hergebruikte onderdelen van de vervaardigde producten;

(b)

het ontwerpen van zeer duurzame, recyclebare, eenvoudig te demonteren en aanpasbare producten;

(c)

de verstrekking van informatie over en de traceerbaarheid van zorgwekkende stoffen gedurende de volledige levenscyclus van de vervaardigde producten.

De recyclingprocessen voldoen aan de voorwaarden van artikel 12 van Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad (91) en van bijlage III, deel B, bij die richtlijn, waaronder het gebruik van de recentste beste beschikbare technieken ter zake en het bereiken van de voor lood-zuurbatterijen, nikkel-cadmiumbatterijen en andere chemische stoffen vastgelegde rendementen. Deze processen waarborgen zo groot mogelijke recycling van het metaalgehalte als technisch haalbaar met vermijding van buitensporige kosten.

Indien van toepassing, voldoen de faciliteiten die de recyclingprocessen uitvoeren, aan de vereisten van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad (92).

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

De batterijen voldoen aan de toepasselijke duurzaamheidsregels voor het in de handel brengen van batterijen in de Unie, waaronder de beperkingen op het gebruik van gevaarlijke stoffen in batterijen, onder meer uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (93) en Richtlijn 2006/66/EG.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

3.5.   Fabricage van energie-efficiënte apparatuur voor gebouwen

Beschrijving van de activiteit

De fabricage van energie-efficiënte apparatuur voor gebouwen.

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan verschillende NACE-codes, in het bijzonder C16.23, C23.11, C23.20, C23.31, C23.32, C23.43, C23.61, C25.11, C25.12, C25.21, C25.29, C25.93, C27.31, C27.32, C27.33, C27.40, C27.51, C28.11, C28.12, C28.13 en C28.14, overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

Een economische activiteit in deze categorie is een faciliterende activiteit overeenkomstig artikel 10, lid 1, punt i), van Verordening (EU) 2020/852 wanneer zij voldoet aan de in deze afdeling vastgestelde technische screeningcriteria.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

De economische activiteit betreft de fabricage van een of meer van de volgende producten en de belangrijkste onderdelen ervan (94):

(a)

ramen met een U-waarde lager dan of gelijk aan 1,0 W/m2K;

(b)

deuren met een U-waarde lager dan of gelijk aan 1,2 W/m2K;

(c)

gevelbekleding met een U-waarde lager dan of gelijk aan 0,5 W/m2K;

(d)

dakbedekkingssystemen met een U-waarde lager dan of gelijk aan 0,3 W/m2K;

(e)

isolatieproducten met een lambda-waarde lager dan of gelijk aan 0,06 W/mK;

(f)

huishoudelijke apparaten die overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad (95) en de op grond van die verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen in de hoogste twee meest bevolkte energie-efficiëntieklassen vallen;

(g)

lichtbronnen die overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1369 en de op grond van die verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen in de hoogste twee meest bevolkte energie-efficiëntieklassen vallen;

(h)

ruimteverwarming en warmwatersystemen voor huishoudelijk gebruik die overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1369 en de op grond van die verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen in de hoogste twee meest bevolkte energie-efficiëntieklassen vallen;

(i)

koel- en ventilatiesystemen die overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1369 en de op grond van die verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen in de hoogste twee meest bevolkte energie-efficiëntieklassen vallen;

(j)

aanwezigheids- en daglichtsensoren voor verlichtingssystemen;

(k)

warmtepompen die voldoen aan de in afdeling 4.16 van deze bijlage vastgestelde technische screeningcriteria;

(l)

gevel- en dakbedekkingselementen met een zonwerende functie, ook indien deze geschikt zijn voor vegetatie;

(m)

energie-efficiënte gebouwautomatiserings- en -beheersystemen voor al dan niet voor bewoning bestemde gebouwen;

(n)

thermostaten met zoneregeling, apparaten voor de slimme monitoring van het piekverbruik van elektriciteit en verwarming van gebouwen, en detectieapparatuur;

(o)

producten voor warmtemeting en thermostatische regelaars voor afzonderlijke woningen die op warmtetransportnetten zijn aangesloten, voor afzonderlijke flats die op centraleverwarmingssystemen van een heel gebouw zijn aangesloten, en voor centraleverwarmingssystemen;

(p)

stadswarmtewisselaars en -onderstations die voldoen aan de in afdeling 4.15 van deze bijlage bedoelde activiteit inzake distributie van stadsverwarming en -koeling;

(q)

producten voor de slimme monitoring en regeling van verwarmingssystemen, en detectieapparatuur.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

Bij de activiteit wordt gekeken naar de beschikbaarheid en, waar mogelijk, de toepassing van technieken voor:

(a)

het hergebruik en gebruik van secundaire grondstoffen en hergebruikte onderdelen van de vervaardigde producten;

(b)

het ontwerpen van zeer duurzame, recyclebare, eenvoudig te demonteren en aanpasbare producten;

(c)

afvalbeheer waarbij recycling primeert op verwijdering tijdens het productieproces;

(d)

de verstrekking van informatie over en de traceerbaarheid van zorgwekkende stoffen gedurende de volledige levenscyclus van de vervaardigde producten.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

3.6.   Fabricage van andere koolstofarme technologieën

Beschrijving van de activiteit

De fabricage van technologieën die gericht zijn op substantiële broeikasgasemissiereducties in andere sectoren van de economie, voor zover die technologieën niet onder de afdelingen 3.1 tot en met 3.5 van deze bijlage vallen.

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan verschillende NACE-codes, in het bijzonder C22, C25, C26, C27 en C28, overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

Een economische activiteit in deze categorie is een faciliterende activiteit overeenkomstig artikel 10, lid 1, punt i), van Verordening (EU) 2020/852 wanneer zij voldoet aan de in deze afdeling vastgestelde technische screeningcriteria.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

De economische activiteit betreft de fabricage van technologieën die, in vergelijking met de best presterende alternatieve technologieën/producten/oplossingen op de markt, de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus aantoonbaar substantieel verminderen.

De broeikasgasemissiereducties gedurende de levenscyclus worden berekend volgens Aanbeveling 2013/179/EU van de Commissie (96) dan wel volgens ISO 14067:2018 (97) of ISO 14064-1:2018 (98).

De gekwantificeerde broeikasgasemissiereducties gedurende de levenscyclus worden gecontroleerd door een onafhankelijke derde.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

Bij de activiteit wordt gekeken naar de beschikbaarheid en, waar mogelijk, de toepassing van technieken voor:

(a)

het hergebruik en gebruik van secundaire grondstoffen en hergebruikte onderdelen van de vervaardigde producten;

(b)

het ontwerpen van zeer duurzame, recyclebare, eenvoudig te demonteren en aanpasbare producten;

(c)

afvalbeheer waarbij recycling primeert op verwijdering tijdens het productieproces;

(d)

de verstrekking van informatie over en de traceerbaarheid van zorgwekkende stoffen gedurende de volledige levenscyclus van de vervaardigde producten.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

3.7.   Fabricage van cement

Beschrijving van de activiteit

De fabricage van cementklinker, cement of andere bindmiddelen.

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan NACE-code C23.51 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

De economische activiteit in deze categorie is een transitieactiviteit als bedoeld in artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 wanneer zij voldoet aan de in deze afdeling vastgestelde technische screeningcriteria.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

De activiteit betreft de fabricage van een van de volgende producten:

(a)

grijze cementklinker, waarbij de specifieke broeikasgasemissies (99) lager liggen dan 0,722 (100) t CO2e per ton grijze cementklinker;

(b)

cement op basis van grijze klinker of andere hydraulische bindmiddelen, waarbij de specifieke broeikasgasemissies (101) afkomstig van de productie van klinker en cement of andere bindmiddelen lager liggen dan 0,469 (102) t CO2e per ton vervaardigd cement of ander bindmiddel.

Indien de CO2 die anders tijdens het productieproces zou worden uitgestoten, met het oog op ondergrondse opslag wordt afgevangen, wordt de CO2 vervoerd en ondergronds opgeslagen in overeenstemming met de in de afdelingen 5.11 en 5.12 van deze bijlage vastgestelde technische screeningcriteria.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

N.v.t.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

De emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) die in de recentste BBT-conclusies ter zake zijn vastgesteld, waaronder de BBT-conclusies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide (103).

Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor (104).

Als het cement wordt vervaardigd door middel van gevaarlijke afvalstoffen zoals alternatieve brandstoffen, zijn er maatregelen genomen om op een veilige manier met het afval om te gaan.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

3.8.   Fabricage van aluminium

Beschrijving van de activiteit

De fabricage van aluminium door winning uit primair aluminiumoxide (bauxiet) of recycling van secundair aluminium.

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan de NACE-codes C24.42 en C24.53 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

De economische activiteit in deze categorie is een transitieactiviteit als bedoeld in artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 wanneer zij voldoet aan de in deze afdeling vastgestelde technische screeningcriteria.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

De activiteit betreft de fabricage van een van de volgende producten:

(a)

primair aluminium wanneer de economische activiteit voldoet aan twee van de volgende criteria tot 2025 en aan alle volgende criteria (105) na 2025:

i)

de broeikasgasemissies (106) bedragen niet meer dan 1,484 (107) t CO2e per ton vervaardigd aluminium (108);

ii)

de gemiddelde koolstofintensiteit voor de indirecte broeikasgasemissies (109) bedraagt niet meer dan 100 g CO2e/kWh;

iii)

het elektriciteitsverbruik voor het productieproces bedraagt niet meer dan 15,5 MWh/t Al;

(b)

secundair aluminium.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

N.v.t.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

De emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) die in de recentste BBT-conclusies ter zake zijn vastgesteld, waaronder de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie (110). Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

3.9.   Fabricage van ijzer en staal

Beschrijving van de activiteit

De fabricage van ijzer en staal.

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan verschillende NACE-codes, in het bijzonder C24.10, C24.20, C24.31, C24.32, C24.33, C24.34, C24.51 en C24.52, overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

De economische activiteit in deze categorie is een transitieactiviteit als bedoeld in artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 wanneer zij voldoet aan de in deze afdeling vastgestelde technische screeningcriteria.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

De activiteit betreft de fabricage van een van de volgende producten:

(a)

ijzer en staal, waarbij de broeikasgasemissies (111), verminderd met de hoeveelheid emissies die is toegewezen aan de productie van afgassen overeenkomstig punt 10.1.5, onder a), van bijlage VII bij Verordening (EU) 2019/331, niet meer bedragen dan de volgende waarden toegepast op de verschillende stappen van het productieproces:

i)

vloeibaar ruwijzer = 1,331 (112) t CO2e/t product;

ii)

gesinterd erts = 0,163 (113) t CO2e/t product;

iii)

cokes (exclusief bruinkoolcokes) = 0,144 (114) t CO2e/t product;

iv)

gietijzer = 0,299 (115) t CO2e/t product;

v)

hooggelegeerd staal uit vlamboogovens = 0,266 (116) t CO2e/t product;

vi)

koolstofstaal uit vlamboogovens= 0,209 (117) t CO2e/t product;

(b)

staal in vlamboogovens die koolstofstaal uit vlamboogovens of hooggelegeerd staal uit vlamboogovens produceren, als gedefinieerd in Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331 van de Commissie, en waarbij de input van staalschroot in verhouding tot de productoutput niet lager is dan:

i)

70 % voor de productie van hooggelegeerd staal;

ii)

90 % voor de productie van koolstofstaal.

Indien de CO2 die anders tijdens het productieproces zou worden uitgestoten, met het oog op ondergrondse opslag wordt afgevangen, wordt de CO2 vervoerd en ondergronds opgeslagen in overeenstemming met de in de afdelingen 5.11 en 5.12 van deze bijlage vastgestelde technische screeningcriteria.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

N.v.t.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

De emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) die in de recentste BBT-conclusies ter zake zijn vastgesteld, waaronder de BBT-conclusies voor de ijzer- en staalproductie (118).

Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

3.10.   Productie van waterstof

Beschrijving van de activiteit

De productie van waterstof en op waterstof gebaseerde synthetische brandstoffen.

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan NACE-code C20.11 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

De activiteit voldoet aan het vereiste dat de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus met 73,4 % worden verminderd voor waterstof [wat broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van minder dan 3 t CO2e/tH2 als resultaat oplevert] en 70 % voor op waterstof gebaseerde synthetische brandstoffen ten opzichte van een fossiele referentiebrandstof van 94 g CO2e/MJ naar analogie van de benadering van artikel 25, lid 2, van en bijlage V bij Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad.

De broeikasgasemissiereducties gedurende de levenscyclus worden berekend volgens de methode bedoeld in artikel 28, lid 5, van Richtlijn (EU) 2018/2001 of, als alternatief, volgens ISO 14067:2018 (119) of ISO 14064-1:2018 (120).

De gekwantificeerde broeikasgasemissiereducties gedurende de levenscyclus worden, indien van toepassing, gecontroleerd in overeenstemming met artikel 30 van Richtlijn (EU) 2018/2001, of door een onafhankelijke derde.

Indien de CO2 die anders tijdens het productieproces zou worden uitgestoten, met het oog op ondergrondse opslag wordt afgevangen, wordt de CO2 vervoerd en ondergronds opgeslagen in overeenstemming met de in de afdelingen 5.11 en 5.12 van deze bijlage vastgestelde technische screeningcriteria.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

N.v.t.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

De emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) die zijn vastgesteld in de BBT-conclusies ter zake, waaronder:

(a)

de BBT-conclusies voor de productie van chlooralkali (121) en de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afvalwater en afvalgas in de chemiesector (122);

(b)

de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas (123);

Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

3.11.   Productie van roetzwart

Beschrijving van de activiteit

De productie van roetzwart.

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan NACE-code C20.13 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

De economische activiteit in deze categorie is een transitieactiviteit als bedoeld in artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 wanneer zij voldoet aan de in deze afdeling vastgestelde technische screeningcriteria.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

De broeikasgasemissies (124) afkomstig van de roetzwartproductieprocessen liggen lager dan 1,141 (125) t CO2e per ton van het product.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

N.v.t.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

De emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) die in de recentste BBT-conclusies ter zake zijn vastgesteld, waaronder:

(a)

het BBT-referentiedocument (BREF) voor de productie van anorganische bulkchemicaliën – vast en overig (126);

(b)

de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afvalwater en afvalgas in de chemiesector (127);

Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

3.12.   Productie van soda

Beschrijving van de activiteit

De productie van dinatriumcarbonaat (soda, natriumcarbonaat, koolzuurdinatriumzout).

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan NACE-code C20.13 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

De economische activiteit in deze categorie is een transitieactiviteit als bedoeld in artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 wanneer zij voldoet aan de in deze afdeling vastgestelde technische screeningcriteria.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

De broeikasgasemissies (128) afkomstig van de sodaproductieprocessen liggen lager dan 0,789 (129) t CO2e per ton van het product.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

N.v.t.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

De emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) die in de recentste BBT-conclusies ter zake zijn vastgesteld, waaronder:

(a)

het BBT-referentiedocument (BREF) voor de productie van anorganische bulkchemicaliën – vast en overig (130);

(b)

de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afvalwater en afvalgas in de chemiesector (131);

Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

3.13.   Productie van chloor

Beschrijving van de activiteit

De productie van chloor.

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan NACE-code C20.13 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

De economische activiteit in deze categorie is een transitieactiviteit als bedoeld in artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 wanneer zij voldoet aan de in deze afdeling vastgestelde technische screeningcriteria.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

Het elektriciteitsverbruik voor de elektrolyse en behandeling van chloor is gelijk aan of lager dan 2,45 MWh per ton chloor.

De gemiddelde broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus afkomstig van voor de chloorproductie gebruikte elektriciteit zijn gelijk aan of lager dan 100 g CO2e/kWh.

De broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus worden berekend volgens Aanbeveling 2013/179/EU dan wel volgens ISO 14067:2018 (132) of ISO 14064-1:2018 (133).

De gekwantificeerde broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus worden gecontroleerd door een onafhankelijke derde.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

N.v.t.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

De emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) die in de recentste BBT-conclusies ter zake zijn vastgesteld, waaronder:

(a)

de BBT-conclusies voor de productie van alkalichloride (134);

(b)

de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afvalwater en afvalgas in de chemiesector (135);

Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

3.14.   Productie van organische chemische basisproducten

Beschrijving van de activiteit

De productie van:

a)

hoogwaardige chemicaliën (HVC’s):

i)

acetyleen;

ii)

etheen;

iii)

propeen;

iv)

butadieen.

b)

aromaten:

i)

alkylbenzenen en alkylnaftalenen, van gemengde samenstelling (exclusief die bedoeld bij GS-post 2707 of 2902);

ii)

cyclohexaan;

iii)

benzeen;

iv)

tolueen;

v)

o-xyleen;

vi)

p-xyleen;

vii)

m-xyleen en mengsels van xyleenisomeren;

viii)

ethylbenzeen;

ix)

cumeen;

x)

bifenyl, terfenylen, vinyltoluenen, andere cyclische koolwaterstoffen exclusief cycloalkanen, cycloalkenen, cycloterpenen, benzeen, tolueen, xylenen, styreen, ethylbenzeen, cumeen, naftaleen, antraceen;

xi)

benzol (benzeen), toluol (tolueen) en xylol (xylenen);

xii)

naftaleen en andere mengsels van aromatische koolwaterstoffen (excl. benzol, toluol en xylol);

c)

vinylchloride;

d)

styreen;

e)

ethyleenoxide;

f)

mono-ethyleenglycol;

g)

adipinezuur.

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan NACE-code C20.14 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

De economische activiteit in deze categorie is een transitieactiviteit als bedoeld in artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 wanneer zij voldoet aan de in deze afdeling vastgestelde technische screeningcriteria.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

De broeikasgasemissies (136) afkomstig van de productieprocessen van organische chemische basisproducten liggen lager dan:

(a)

voor HVC’s: 0,693 (137) t CO2e/t HVC’s;

(b)

voor aromaten: 0,0072 (138) t CO2e/t complex gewogen verwerkt product (complex weighted throughput);

(c)

voor vinylchloride: 0,171 (139) t CO2e/t vinylchloride;

(d)

voor styreen: 0,419 (140) t CO2e/t styreen;

(e)

voor ethyleenoxide/ethyleenglycolen: 0,314 (141) t CO2e/t ethyleenoxide/-glycol;

(f)

voor adipinezuur: 0,32 (142) t CO2e/t adipinezuur.

Wanneer de organische chemische producten in de lijst geheel of gedeeltelijk uit hernieuwbare grondstoffen worden geproduceerd, liggen de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van het geheel of gedeeltelijk uit hernieuwbare grondstoffen vervaardigde chemische product lager dan die van een gelijkwaardig uit fossiele brandstoffen vervaardigd chemisch product.

De broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus worden berekend volgens Aanbeveling 2013/179/EU dan wel volgens ISO 14067:2018 (143) of ISO 14064-1:2018 (144).

De gekwantificeerde broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus worden gecontroleerd door een onafhankelijke derde.

Agrarische biomassa die bij de productie van organische chemische basisproducten wordt gebruikt, voldoet aan de criteria van artikel 29, leden 2 tot en met 5, van Richtlijn (EU) 2018/2001. Bosbiomassa die bij de productie van organische chemische basisproducten wordt gebruikt, voldoet aan de criteria van artikel 29, leden 6 tot en met 7, van die richtlijn.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

N.v.t.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

De emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) die zijn vastgesteld in de BBT-conclusies ter zake, waaronder:

(a)

de BBT-conclusies voor de productie van grote hoeveelheden organisch-chemische producten (145);

(b)

de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afvalwater en afvalgas in de chemiesector (146);

Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

3.15.   Productie van watervrij ammoniak

Beschrijving van de activiteit

De productie van watervrij ammoniak.

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan NACE-code C20.15 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

De activiteit voldoet aan een van de volgende criteria:

(a)

de ammoniak is geproduceerd uit waterstof die voldoet aan de technische screeningcriteria van afdeling 3.10 van deze bijlage (productie van waterstof);

(b)

de ammoniak is teruggewonnen uit afvalwater.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

N.v.t.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

De emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) die in de recentste BBT-conclusies ter zake zijn vastgesteld, waaronder:

(a)

het BBT-referentiedocument (BREF) voor de productie van anorganische bulkchemicaliën – ammoniak, zuren en kunstmest (147);

(b)

de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afvalwater en afvalgas in de chemiesector (148);

Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

3.16.   Productie van salpeterzuur

Beschrijving van de activiteit

De productie van salpeterzuur.

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan NACE-code C20.15 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

De economische activiteit in deze categorie is een transitieactiviteit als bedoeld in artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 wanneer zij voldoet aan de in deze afdeling vastgestelde technische screeningcriteria.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

De broeikasgasemissies (149) afkomstig van de salpeterzuurproductie liggen lager dan 0,038 (150) t CO2e per ton salpeterzuur.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

N.v.t.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

De emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) die in de recentste BBT-conclusies ter zake zijn vastgesteld, waaronder:

(a)

het BBT-referentiedocument (BREF) voor de productie van anorganische bulkchemicaliën – ammoniak, zuren en kunstmest (151);

(b)

de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afvalwater en afvalgas in de chemiesector (152);

Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

3.17.   Vervaardiging van kunststoffen in primaire vorm

Beschrijving van de activiteit

De vervaardiging van harsen, materialen van kunststof, niet-vulkaniseerbare thermoplastische elastomeren, de vermenging van harsen op maat en de productie van standaard kunstharsen.

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan NACE-code C20.16 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

De economische activiteit in deze categorie is een transitieactiviteit als bedoeld in artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 wanneer zij voldoet aan de in deze afdeling vastgestelde technische screeningcriteria.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

De activiteit voldoet aan een van de volgende criteria:

(a)

de kunststof in primaire vorm is volledig vervaardigd door mechanische recycling van kunststofafval;

(b)

indien mechanische recycling niet technisch haalbaar of economisch levensvatbaar is, wordt de kunststof in primaire vorm volledig vervaardigd door chemische recycling van kunststofafval, waarbij de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van de vervaardigde kunststof, met uitzondering van de berekende kredieten van de productie van brandstoffen, lager liggen dan de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van gelijkwaardige uit fossiele brandstoffen vervaardigde primaire kunststoffen. De broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus worden berekend volgens Aanbeveling 2013/179/EU dan wel volgens ISO 14067:2018 (153) of ISO 14064-1:2018 (154). De gekwantificeerde broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus worden gecontroleerd door een onafhankelijke derde.

(c)

geheel of gedeeltelijk afkomstig van hernieuwbare grondstoffen (155), waarbij de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus lager liggen dan die van gelijkwaardige uit fossiele brandstoffen vervaardigde kunststoffen in primaire vorm. De broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus worden berekend volgens Aanbeveling 2013/179/EU dan wel volgens ISO 14067:2018 of ISO 14064-1:2018. De gekwantificeerde broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus worden gecontroleerd door een onafhankelijke derde.

Agrarische biomassa die bij de vervaardiging van kunststoffen in primaire vorm wordt gebruikt, voldoet aan de criteria van artikel 29, leden 2 tot en met 5, van Richtlijn (EU) 2018/2001. Bosbiomassa die bij de vervaardiging van kunststoffen in primaire vorm wordt gebruikt, voldoet aan de criteria van artikel 29, leden 6 tot en met 7, van die richtlijn.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

N.v.t.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

De emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) die zijn vastgesteld in de BBT-conclusies ter zake, waaronder:

(a)

het BBT-referentiedocument (BREF) voor de productie van polymeren (156);

(b)

de BBT-conclusies voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afvalwater en afvalgas in de chemiesector (157);

Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

4.   ENERGIE

4.1.   Elektriciteitsopwekking met behulp van fotovoltaïsche zonne-energietechnologie

Beschrijving van de activiteit

De bouw of exploitatie van installaties voor elektriciteitsopwekking die elektriciteit produceren met behulp van fotovoltaïsche zonne-energietechnologie (PV).

Wanneer de economische activiteit integraal deel uitmaakt van “Installatie, onderhoud en reparatie van hernieuwbare-energietechnologieën” als bedoeld in afdeling 7.6 van deze bijlage, zijn de in afdeling 7.6 genoemde technische screeningcriteria van toepassing.

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan verschillende NACE-codes, in het bijzonder D35.11 en F42.22, overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

De activiteit bestaat in de opwekking van elektriciteit met behulp van fotovoltaïsche zonne-energietechnologie (PV).

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

N.v.t.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

Bij deze activiteit wordt beoordeeld of er apparatuur en onderdelen met hoge duurzaamheid en recyclebaarheid, die gemakkelijk kunnen worden gedemonteerd en gerenoveerd, beschikbaar zijn en wordt van die apparatuur en onderdelen gebruik gemaakt waar dat mogelijk is.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

N.v.t.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

4.2.   Elektriciteitsopwekking met behulp van geconcentreerde-zonne-energietechnologie (CSP)

Beschrijving van de activiteit

De bouw of exploitatie van installaties voor elektriciteitsopwekking die elektriciteit produceren met behulp van geconcentreerde-zonne-energietechnologie (CSP).

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan verschillende NACE-codes, in het bijzonder D35.11 en F42.22, overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

De activiteit bestaat in de opwekking van elektriciteit met behulp van CSP-technologie.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

Bij deze activiteit wordt beoordeeld of er apparatuur en onderdelen met hoge duurzaamheid en recyclebaarheid, die gemakkelijk kunnen worden gedemonteerd en gerenoveerd, beschikbaar zijn en wordt van die apparatuur en onderdelen gebruik gemaakt waar dat mogelijk is.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

N.v.t.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

4.3.   Elektriciteitsopwekking uit windenergie

Beschrijving van de activiteit

De bouw of exploitatie van installaties voor elektriciteitsopwekking die elektriciteit produceren uit windenergie.

Wanneer de economische activiteit integraal deel uitmaakt van “Installatie, onderhoud en reparatie van hernieuwbare-energietechnologieën” als bedoeld in afdeling 7.6 van deze bijlage, zijn de in afdeling 7.6 genoemde technische screeningcriteria van toepassing.

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan verschillende NACE-codes, in het bijzonder D35.11 en F42.22, overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

De activiteit bestaat in de opwekking van elektriciteit uit windenergie.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

In geval van de bouw van offshorewindinstallaties vormt de activiteit geen belemmering voor het bereiken van een goede milieutoestand als omschreven in Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad (158), wat vereist dat passende maatregelen worden genomen om gevolgen met betrekking tot beschrijvend element 11 (geluid/energie) in bijlage I bij die richtlijn te voorkomen of te verlichten, en als opgenomen in Besluit (EU) 2017/848 van de Commissie (159) met betrekking tot de criteria en methodologische standaarden voor dat beschrijvende element.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

Bij deze activiteit wordt beoordeeld of er apparatuur en onderdelen met hoge duurzaamheid en recyclebaarheid, die gemakkelijk kunnen worden gedemonteerd en gerenoveerd, beschikbaar zijn en wordt van die apparatuur en onderdelen gebruik gemaakt waar dat mogelijk is.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

N.v.t.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage (160).

In geval van offshorewind vormt de activiteit geen belemmering voor het bereiken van een goede milieutoestand als omschreven in Richtlijn 2008/56/EG, wat vereist dat passende maatregelen worden genomen om gevolgen met betrekking tot beschrijvend element 1 (biologische diversiteit) en beschrijvend element 6 (integriteit van de zeebodem) in bijlage I bij die richtlijn te voorkomen of te verlichten, en als opgenomen in Besluit (EU) 2017/848 met betrekking tot de criteria en methodologische standaarden voor die beschrijvende elementen.

4.4.   Elektriciteitsopwekking met behulp van oceaanenergietechnologieën

Beschrijving van de activiteit

De bouw of exploitatie van installaties voor elektriciteitsopwekking die elektriciteit produceren uit oceaanenergie.

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan verschillende NACE-codes, in het bijzonder D35.11 en F42.22, overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

De activiteit bestaat in de opwekking van elektriciteit uit oceaanenergie.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit vormt geen belemmering voor het bereiken van een goede milieutoestand als omschreven in Richtlijn 2008/56/EG, wat vereist dat passende maatregelen worden genomen om gevolgen met betrekking tot beschrijvend element 1 (geluid/energie) in bijlage I bij die richtlijn te voorkomen of te verlichten, en als opgenomen in Besluit (EU) 2017/848 met betrekking tot de criteria en methodologische standaarden voor dat beschrijvend element.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

Bij deze activiteit wordt beoordeeld of er apparatuur en onderdelen met hoge duurzaamheid en recyclebaarheid, die gemakkelijk kunnen worden gedemonteerd en gerenoveerd, beschikbaar zijn en wordt van die apparatuur en onderdelen gebruik gemaakt waar dat mogelijk is.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

Er zijn maatregelen genomen om de toxiciteit van aangroeiwerende verf en biociden tot een minimum te beperken overeenkomstig Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad (161), waarmee het Internationaal Verdrag van 5 oktober 2001 inzake de beperking van schadelijke aangroeiwerende verfsystemen op schepen in de Uniewetgeving ten uitvoer is gelegd.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

De activiteit vormt geen belemmering voor het bereiken van een goede milieutoestand als omschreven in Richtlijn 2008/56/EG, wat vereist dat passende maatregelen worden genomen om gevolgen met betrekking tot beschrijvend element 1 (biologische diversiteit) in bijlage I bij die richtlijn te voorkomen of te verlichten, en als opgenomen in Besluit (EU) 2017/848 met betrekking tot de criteria en methodologische standaarden voor dat beschrijvend element.

4.5.   Elektriciteitsopwekking uit waterkracht

Beschrijving van de activiteit

De bouw of exploitatie van installaties voor elektriciteitsopwekking die elektriciteit produceren uit waterkracht.

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan verschillende NACE-codes, in het bijzonder D35.11 en F42.22, overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

De activiteit voldoet aan een van de volgende criteria:

(a)

de installatie voor elektriciteitsopwekking is een riviercentrale en heeft geen kunstmatig reservoir;

(b)

de vermogensdichtheid van de installatie voor elektriciteitsopwekking is hoger dan 5 W/m2;

(c)

de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van de elektriciteitsopwekking uit waterkracht zijn lager dan 100 g CO2e/kWh. De broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus worden berekend volgens Aanbeveling 2013/179/EU dan wel volgens ISO 14067:2018 (162), ISO 14064-1:2018 (163) of het zogenaamde “G-res”-instrument (164). De gekwantificeerde broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus worden gecontroleerd door een onafhankelijke derde.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

1.

De activiteit voldoet aan de eisen van Richtlijn 2000/60/EG, met name alle eisen van artikel 4 van die richtlijn.

2.

Voor de exploitatie van bestaande waterkrachtcentrales, daaronder begrepen renovatiewerkzaamheden om de mogelijkheden van hernieuwbare energie of energieopslag beter te benutten, voldoet de activiteit aan de volgende criteria:

2.1.

Overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG en met name de artikelen 4 en 11 van die richtlijn zijn alle technisch haalbare en ecologisch relevante mitigerende maatregelen ten uitvoer gelegd om de negatieve effecten op water en op beschermde habitats en soorten die rechtstreeks afhankelijk zijn van water, te beperken.

2.2.

Indien van toepassing en afhankelijk van de ecosystemen die van nature in de betrokken waterlichamen aanwezig zijn, gaat het onder meer de volgende maatregelen:

(a)

maatregelen om de stroomafwaartse en stroomopwaartse vistrek te waarborgen (zoals visvriendelijke turbines, visgeleidende structuren, geavanceerde en volledige functionele vispassages, maatregelen om de werking en lozingen stop te zetten of tot een minimum te beperken tijdens de trek of het paaien);

(b)

maatregelen om een minimale ecologische stroming en sedimentstroom te waarborgen (waaronder mitigatie van snelle debietschommelingen van korte duur of waterpieken);

(c)

maatregelen om habitats te beschermen of verbeteren.

2.3.

Er wordt toegezien op de doeltreffendheid van die maatregelen in het kader van de vergunning of toestemming waarin de voorwaarden zijn vastgesteld om tot een goede toestand of een goed potentieel van het betrokken waterlichaam te komen.

3.

Voor de bouw van nieuwe waterkrachtcentrales voldoet de activiteit aan de volgende criteria:

3.1.

Overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2000/60/EG en met name lid 7 van dat artikel wordt voorafgaand aan de bouw een effectbeoordeling van het project verricht om al zijn potentiële effecten op de toestand van waterlichamen binnen hetzelfde stroomgebied en op beschermde habitats en soorten die rechtstreeks afhankelijk zijn van water, te beoordelen, waarbij met name migratiecorridors, vrijstromende rivieren of ecosystemen in nagenoeg onverstoorde staat in aanmerking worden genomen.

De beoordeling is gebaseerd op recente, volledige en nauwkeurige gegevens, inclusief monitoringgegevens over biologische kwaliteitselementen die met name gevoelig zijn voor hydromorfologische wijzigingen, en over de verwachte toestand van het waterlichaam als gevolg van de nieuwe activiteiten, vergeleken met de huidige toestand.

Ook de gecumuleerde effecten van dit nieuwe project met andere bestaande of geplande infrastructuur in het stroomgebied worden beoordeeld.

3.2.

Op basis van die effectbeoordeling is aangetoond dat de centrale, zowel wat ontwerp en locatie als wat mitigerende maatregelen betreft, zo ontworpen is dat zij aan een van de volgende voorwaarden voldoet:

(a)

de centrale leidt niet tot een verslechtering van een goede toestand of een goed potentieel van het specifieke waterlichaam waarop zij betrekking heeft, of vormt geen belemmering voor het bereiken van die toestand of dat potentieel;

(b)

wanneer het risico bestaat dat de centrale leidt tot een verslechtering van een goede toestand of een goed potentieel van het specifieke waterlichaam waarop zij betrekking heeft, of een belemmering vormt voor het bereiken van die toestand of dat potentieel, gaat het om een niet-significante verslechtering, die wordt gerechtvaardigd door een diepgaande kosten-batenanalyse waaruit blijkt dat aan beide onderstaande criteria is voldaan:

i)

de redenen van hoger openbaar belang of de verwachte voordelen van de geplande waterkrachtcentrale wegen op tegen de kosten van een verslechtering van de watertoestand voor het milieu en de samenleving;

ii)

de redenen van hoger openbaar belang of de verwachte voordelen van de centrale kunnen vanwege technische haalbaarheid of onevenredig hoge kosten niet worden bereikt met andere, voor het milieu gunstigere middelen (zoals renovatie van bestaande waterkrachtcentrales of gebruik van technologieën die de riviercontinuïteit niet verstoren).

3.3.

Alle technisch haalbare en ecologisch relevante mitigerende maatregelen worden ten uitvoer gelegd om de negatieve effecten op water en op beschermde habitats en soorten die rechtstreeks afhankelijk zijn van water, te beperken.

Indien van toepassing en afhankelijk van de ecosystemen die van nature in de betrokken waterlichamen aanwezig zijn, gaat het onder meer de volgende mitigerende maatregelen:

(a)

maatregelen om de stroomafwaartse en stroomopwaartse vistrek te waarborgen (zoals visvriendelijke turbines, visgeleidende structuren, geavanceerde en volledige functionele vispassages, maatregelen om de werking en lozingen stop te zetten of tot een minimum te beperken tijdens de trek of het paaien);

(b)

maatregelen om een minimale ecologische stroming en sedimentstroom te waarborgen (waaronder mitigatie van snelle debietschommelingen van korte duur of waterpieken);

(c)

maatregelen om habitats te beschermen of verbeteren.

Er wordt toegezien op de doeltreffendheid van die maatregelen in het kader van de vergunning of toestemming waarin de voorwaarden zijn vastgesteld om tot een goede toestand of een goed potentieel van het betrokken waterlichaam te komen.

3.4.

De centrale vormt geen voortdurende belemmering voor het bereiken van een goede toestand/een goed potentieel in de waterlichamen in hetzelfde stroomgebiedsdistrict.

3.5.

In aanvulling op de hierboven bedoelde mitigerende maatregelen en waar nodig worden compenserende maatregelen genomen om te voorkomen dat het project tot een grotere fragmentatie van waterlichamen in hetzelfde stroomgebiedsdistrict leidt. Dit wordt bereikt door de continuïteit binnen hetzelfde stroomgebiedsdistrict in dezelfde mate te herstellen als waarin die door de geplande waterkrachtcentrale mogelijkerwijs wordt verstoord. Deze compensatie begint vóór de uitvoering van het project.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

N.v.t.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

N.v.t.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage (165).

4.6.   Elektriciteitsopwekking uit geothermische energie

Beschrijving van de activiteit

De bouw of exploitatie van installaties voor elektriciteitsopwekking die elektriciteit produceren uit geothermische energie.

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan verschillende NACE-codes, in het bijzonder D35.11 en F42.22, overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

De broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van de elektriciteitsopwekking uit geothermische energie zijn lager dan 100 g CO2e/kWh. De broeikasgasemissiereducties gedurende de levenscyclus worden berekend volgens Aanbeveling 2013/179/EU van de Commissie dan wel volgens ISO 14067:2018 of ISO 14064-1:2018. De gekwantificeerde broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus worden gecontroleerd door een onafhankelijke derde.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

N.v.t.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

Voor de exploitatie van geothermische energiesystemen met hoge enthalpie zijn adequate reductiesystemen opgezet om de emissieniveaus terug te dringen, zodat de naleving van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit van Richtlijn 2004/107/EG (166) van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2008/50/EG (167) van het Europees Parlement niet in het gedrang komt.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

4.7.   Elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare niet-fossiele gasvormige en vloeibare brandstoffen

Beschrijving van de activiteit

De bouw of exploitatie van installaties voor elektriciteitsopwekking die elektriciteit produceren met behulp van gasvormige en vloeibare brandstoffen van hernieuwbare oorsprong. Deze activiteit omvat niet de opwekking van elektriciteit uitsluitend met behulp van biogas en vloeibare biomassa (zie afdeling 4.8 van deze bijlage).

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan verschillende NACE-codes, in het bijzonder D35.11 en F42.22, overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

1.

De broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van de elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare gasvormige en vloeibare brandstoffen zijn lager dan 100 g CO2e/kWh.

De broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus worden berekend op basis van projectspecifieke gegevens, voor zover deze beschikbaar zijn, volgens Aanbeveling 2013/179/EU dan wel volgens ISO 14067:2018 (168) of ISO 14064-1:2018 (169).

De gekwantificeerde broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus worden gecontroleerd door een onafhankelijke derde.

2.

Wanneer de installaties enige vorm van reductie (met inbegrip van koolstofafvang of gebruik van koolstofvrije brandstoffen) omvatten, voldoet die reductieactiviteit aan de criteria die zijn vastgesteld in de desbetreffende afdeling van deze bijlage, indien van toepassing.

Indien de CO2 die anders tijdens het elektriciteitsopwekkingsproces zou worden uitgestoten, met het oog op ondergrondse opslag wordt afgevangen, wordt de CO2 vervoerd en ondergronds opgeslagen in overeenstemming met de in de afdelingen 5.11 en 5.12 van deze bijlage vastgestelde technische screeningcriteria.

3.

De activiteit voldoet aan een van de volgende criteria:

(a)

bij de bouw wordt meetapparatuur voor de monitoring van de fysieke emissies, zoals methaanlekkage, geïnstalleerd of wordt een programma inzake lekdetectie- en reparatie opgezet;

(b)

bij de exploitatie wordt verslag uitgebracht van de fysieke metingen van methaanemissies en wordt eventuele lekkage geëlimineerd.

4.

Indien bij de activiteit een mengeling van hernieuwbare gasvormige of vloeibare brandstoffen en biogas of vloeibare biomassa wordt gebruikt, voldoet de agrarische biomassa die voor de productie van het biogas of de vloeibare biomassa wordt gebruikt, aan de criteria van artikel 29, leden 2 tot en met 5, van Richtlijn (EU) 2018/2001, en de bosbiomassa aan de criteria van artikel 29, leden 6 en 7, van die richtlijn.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

N.v.t.