Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32022R0973

Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/973 van de Commissie van 14 maart 2022 tot aanvulling van Verordening (EU) 2019/1009 van het Europees Parlement en de Raad door criteria inzake agronomische efficiëntie en veiligheid vast te leggen voor het gebruik van bijproducten in EU-bemestingsproducten (Voor de EER relevante tekst)

C/2022/1437

PB L 167 van 24.6.2022, pp. 29–33 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2022/973/oj

24.6.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 167/29


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2022/973 VAN DE COMMISSIE

van 14 maart 2022

tot aanvulling van Verordening (EU) 2019/1009 van het Europees Parlement en de Raad door criteria inzake agronomische efficiëntie en veiligheid vast te leggen voor het gebruik van bijproducten in EU-bemestingsproducten

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2019/1009 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 tot vaststelling van voorschriften inzake het op de markt aanbieden van EU-bemestingsproducten en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1069/2009 en (EG) nr. 1107/2009 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2003/2003 (1), en met name artikel 42, lid 7,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) 2019/1009 bevat voorschriften voor het op de markt aanbieden van EU-bemestingsproducten. EU-bemestingsproducten bevatten bestanddelen van een of meer van de in bijlage II bij die verordening vermelde categorieën. Overeenkomstig bestanddelencategorie (“CMC”) 11 van die bijlage mogen EU-bemestingsproducten bijproducten in de zin van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad (2), met enkele uitzonderingen, bevatten, die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (3) moeten worden geregistreerd.

(2)

Op grond van artikel 42, lid 7, van Verordening (EU) 2019/1009 moet de Commissie punt 3 van CMC 11 in deel II van bijlage II aanvullen door criteria voor agronomische efficiëntie en veiligheid vast te leggen voor het gebruik van bijproducten in de zin van Richtlijn 2008/98/EG in EU-bemestingsproducten. De Commissie heeft in dat verband het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (JRC) opdracht gegeven een wetenschappelijke advies (4) op te stellen.

(3)

Bijproducten in de zin van Richtlijn 2008/98/EG zijn een zeer heterogene categorie stoffen. Deze stoffen zijn zowel fysisch als chemisch verschillend en worden tijdens verschillende productieprocessen verkregen. In deze verordening worden de bijproducten op basis van hun agronomische efficiëntie in twee categorieën onderverdeeld. De eerste categorie omvat bijproducten die planten of paddenstoelen nutriënten verschaffen of hun voedingsefficiëntie verbeteren. De tweede categorie omvat bijproducten die in kleinere concentraties als technische toevoegingsmiddelen worden gebruikt. Hoewel zij niet rechtstreeks verband houden met de nutriënten of de voedingsefficiëntie, verbeteren zij de kwaliteit van het bemestingsproduct of maken zij het veiliger om te hanteren.

(4)

Voor de eerste categorie heeft het JRC bijproducten geïdentificeerd die in uiteenlopende productieprocessen worden verkregen en die ammoniumzouten, sulfaatzouten, fosfaatzouten, elementaire zwavel, calciumcarbonaat en calciumoxide bevatten. Om ervoor te zorgen dat die bijproducten een duidelijke agronomische waarde hebben en geen nadelige gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu creëren, moet een strenge zuiverheidsvereiste worden vastgesteld.

(5)

Voor de tweede categorie stelt het JRC voor om het gebruik van bijproducten als technische toevoegingsmiddelen toe te staan, zoals verhardings-, bind- of vulmiddelen of middelen om verstuiving tegen te gaan en de gezondheid van gebruikers beter te beschermen. Om ervoor te zorgen dat het gebruik van dergelijke bijproducten geen nadelige gevolgen voor de algehele agronomische efficiëntie van het EU-bemestingsproduct of voor de menselijke gezondheid of het milieu heeft, moet een maximumconcentratie in het uiteindelijke EU-bemestingsproduct worden vastgesteld.

(6)

Daarnaast heeft het JRC de meest gebruikte bijproducten volgens de bestaande praktijken beoordeeld. Die bijproducten zijn geselecteerd op basis van hun marktpotentieel, de beschikbare gegevens, hun huidige wettelijke situatie, hun gebruiksgeschiedenis en hun duidelijke agronomische waarde alsook op basis van hoe eenvoudig het was veiligheidscriteria te ontwikkelen gezien de beperkte tijd die voor de beoordeling beschikbaar was. De geïdentificeerde bijproducten zijn moederloog uit de reactie van 5(β-methyl-thioethyl)-hydantoïne met kaliumcarbonaat in het productieproces voor methionine, residuen van de verwerking en zuivering van mineralen en ertsen, post-distillatievloeistof van het Solvay-proces, calciumcarbide van de productie van acetyleen, ijzerhoudende slakken, metaalzouten van de verwerking van ertsconcentraten en de oppervlaktebehandeling van metalen, en humuszuur en fulvozuur van de ontkleuring van drinkwater. Het gebruik van deze bijproducten in EU-bemestingsproducten moet mogelijk zijn zonder naleving van beperkende zuiverheidsniveaus voor de eerste categorie bijproducten, of voor het toegestane doel en in de toegestane maximumconcentratie voor de tweede categorie bijproducten. De reden hiervoor is dat deze bijproducten duidelijk geïdentificeerd zijn, waardoor het JRC hun agronomische waarde en alle mogelijke specifieke risico’s grondig kon analyseren.

(7)

Daarnaast moeten de overeenkomstige aanvullende veiligheidscriteria voor het gebruik van bijproducten worden vastgesteld.

(8)

Sommige van die bijproducten moeten voldoen aan veiligheidscriteria die het gehalte aan contaminanten en andere zorgwekkende stoffen beperken en die worden toegepast naast de criteria die in bijlage I bij Verordening (EU) 2019/1009 voor de overeenkomstige productfunctiecategorie zijn vastgesteld, onverminderd Verordening (EU) 2019/1021 van het Europees Parlement en de Raad (5).

(9)

Voor de contaminanten totaal chroom, thallium en vanadium moeten extra grenswaarden worden vastgesteld. Sommige bijproducten kunnen die contaminanten bevatten als gevolg van de specifieke kenmerken van de productieprocessen waarbij zij worden verkregen. De voor die contaminanten voorgestelde grenswaarden moeten ervoor zorgen dat het gebruik van EU-bemestingsproducten die bijproducten met die contaminanten bevatten, niet tot accumulatie ervan in de bodem leidt. De grenswaarden voor die contaminanten moeten als een gehalte in het eindproduct worden vastgesteld, in overeenstemming met de in bijlage I bij Verordening (EU) 2019/1009 vastgestelde eisen. Dit is gerechtvaardigd aangezien veiligheidscriteria die naar aanleiding van specifieke aangeduide risico’s worden ingevoerd, doorgaans betrekking hebben op het eindproduct en niet op een bestanddeel. Dit maakt de conformiteitsbeoordeling van en het markttoezicht op die producten gemakkelijker, aangezien alleen het eindproduct moet worden getest.

(10)

Residuen van de verwerking of zuivering van sedimentair fosfaaterts bevatten van nature voorkomende radionucliden. Om het veilige gebruik van die bijproducten in EU-bemestingsproducten te waarborgen moeten maximale toegestane niveaus van activiteitsconcentratiewaarden worden vastgesteld voor van nature voorkomende radionucliden van de uranium- en thoriumreeksen in EU-bemestingsproducten die die materialen bevatten.

(11)

Daarnaast moeten aanvullende veiligheidscriteria worden vastgesteld om het gehalte aan 16 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK16(6) en polychloordibenzo-p-dioxinen en polychloordibenzofuranen (PCDD/PCDF) (7) te beperken. Verordening (EU) 2019/1021 bevat beperkingen voor de vrijkoming voor PAK16 en PCDD/PCDF als stoffen die tijdens productieprocessen onbedoeld worden geproduceerd, maar bevat geen grenswaarde voor die gevallen. Gezien het grote risico dat de aanwezigheid van die verontreinigende stoffen in bemestingsproducten vormt, moeten strengere voorschriften worden ingevoerd dan die welke in die verordening zijn vastgesteld. Om de samenhang met Verordening (EU) 2019/1021 te waarborgen, moeten die grenswaarden op het niveau van de bestanddelen worden vastgesteld en niet als concentratie in het eindproduct.

(12)

De grenswaarden voor contaminanten, PAK16 en PCDD/PCDF zijn mogelijk niet in alle gevallen relevant. Fabrikanten moeten derhalve de mogelijkheid hebben om er zonder controle, bijvoorbeeld door middel van tests, van uit te gaan dat het bemestingsproduct aan een bepaalde eis voldoet wanneer de naleving van die eis zeker en onweerlegbaar voortvloeit uit de aard of het productieproces van het tot CMC 11 behorende bijproduct of het EU-bemestingsproduct dat dat bijproduct bevat.

(13)

Sommige bijproducten kunnen seleen bevatten, dat in hoge concentraties giftig kan zijn. Daarnaast kunnen sommige bijproducten ook chloride bevatten, dat tot bezorgdheid over het zoutgehalte in de bodem kan leiden. Wanneer die stoffen aanwezig zijn in concentraties die een bepaalde grenswaarde overschrijden, moet het gehalte van die stoffen op het etiket worden vermeld, zodat de gebruikers van het bemestingsproduct goed worden geïnformeerd.

(14)

Aangezien Verordening (EU) 2019/1009 met ingang van 16 juli 2022 volledig van toepassing zal zijn, moet de toepassing van deze verordening tot dezelfde datum worden uitgesteld,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Bijproducten van de bestanddelencategorie (CMC) 11 zoals bedoeld in deel II van bijlage II bij Verordening (EU) 2019/1009 die planten of paddenstoelen nutriënten verschaffen of hun voedingsefficiëntie verbeteren, voldoen aan de volgende criteria voor agronomische efficiëntie en veiligheid:

a)

de droge stof van de bijproducten bestaat voor ten minste 95 % uit ammoniumzouten, sulfaatzouten, fosfaatzouten, elementaire zwavel, calciumcarbonaat of calciumoxide, of mengsels daarvan;

b)

zij worden geproduceerd als integraal onderdeel van een productieproces waarvoor als uitgangsmateriaal andere stoffen en mengsels worden gebruikt dan dierlijke bijproducten of afgeleide producten die binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad (8) vallen;

c)

zij bevatten een gehalte aan organische koolstof (Corg) van maximaal 0,5 % van de droge stof van het bijproduct;

d)

zij bevatten maximaal 6 mg/kg droge stof polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK16(9);

e)

zij bevatten maximaal 20 ng WHO-toxiciteitsequivalenten (10)/kg droge stof polychloordibenzo-p-dioxinen en polychloordibenzofuranen (PCDD/PCDF) (11).

Een EU-bemestingsproduct dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit bijproducten die planten of paddenstoelen nutriënten verschaffen of hun voedingsefficiëntie verbeteren, bevat maximaal:

a)

400 mg/kg droge stof totaal chroom (Cr);

b)

2 mg/kg droge stof thallium (Tl).

2.   Bijproducten van CMC 11 zoals bedoeld in deel II van bijlage II bij Verordening (EU) 2019/1009 die als technische toevoegingsmiddelen worden gebruikt, voldoen aan de volgende criteria voor agronomische efficiëntie en veiligheid:

a)

zij worden gebruikt om de veiligheid en agronomische efficiëntie van het EU-bemestingsproduct te verbeteren;

b)

hun totale concentratie in het EU-bemestingsproduct bedraagt maximaal 5 massaprocent;

c)

zij bevatten maximaal 6 mg/kg droge stof polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK16);

d)

zij bevatten maximaal 20 ng WHO-toxiciteitsequivalenten (12)/kg droge stof polychloordibenzo-p-dioxinen en polychloordibenzofuranen (PCDD/PCDF).

Artikel 2

1.   De in artikel 1 vastgestelde criteria zijn niet van toepassing op bijproducten van CMC 11 zoals bedoeld in deel II van bijlage II bij Verordening (EU) 2019/1009 die een van de volgende producten zijn:

a)

moederloog uit de reactie van 5(β-methyl-thioethyl)-hydantoïne met kaliumcarbonaat in het productieproces voor methionine;

b)

residuen van de verwerking en zuivering van mineralen en ertsen, indien zij calciumcarbonaten, magnesiumcarbonaten, calciumsulfaten, magnesiumoxide, fosfaatzouten en/of in water oplosbare zouten van kalium, magnesium of natrium bevatten in een totaalgehalte van meer dan 60 % van de droge stof van de residuen;

c)

post-distillatievloeistof van het Solvay-proces;

d)

calciumcarbide van de productie van acetyleen;

e)

ijzerhoudende slakken;

f)

stoffen verkregen uit de verwerking van ertsconcentraten en de oppervlaktebehandeling van metalen die ten minste 2 massaprocent di- of trivalente overgangsmetaalkationen (zink (Zn), koper (Cu), ijzer (Fe), mangaan (Mn) of kobalt (Co)) bevatten in oplossing;

g)

humuszuur en fulvozuur van de ontkleuring van drinkwater.

2.   De activiteitsconcentratiewaarde van van nature voorkomende radionucliden van de U-238- en Th-232-reeksen in een EU-bemestingsproduct dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit residuen van de verwerking of zuivering van sedimentair fosfaaterts zoals bedoeld in lid 1, punt b), bedraagt maximaal 1 kBq/kg van het product.

3.   Een EU-bemestingsproduct dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit in de punten e) en f) van het eerste lid bedoelde bijproducten, bevat maximaal:

a)

400 mg/kg droge stof totaal chroom (Cr);

b)

2 mg/kg droge stof thallium (Tl);

c)

600 mg/kg droge stof vanadium (V).

Artikel 3

Indien de naleving van een bepaalde eis die in artikel 1, lid 1, eerste alinea, punten d) en e), artikel 1, lid 1, tweede alinea, artikel 1, lid 2, punten c) en d), en artikel 2, leden 2 en 3, is vastgesteld, zeker en onweerlegbaar voortvloeit uit de aard of het productieproces van het bijproduct of het EU-bemestingsproduct dat een bijproduct bevat, naargelang het geval, kan er, op verantwoordelijkheid van de fabrikant, bij de conformiteitsbeoordelingsprocedure zonder controle (bijvoorbeeld door middel van tests) van uit worden gegaan dat die eis inderdaad is nageleefd.

Artikel 4

1.   Wanneer een EU-bemestingsproduct geheel of gedeeltelijk bestaat uit bijproducten zoals bedoeld in artikel 1, lid 1, eerste alinea, en artikel 2, eerste alinea, punten b) tot en met f), en een gehalte aan seleen (Se) van meer dan 10 mg/kg droge stof bevat, wordt het seleengehalte vermeld.

2.   Wanneer een EU-bemestingsproduct geheel of gedeeltelijk bestaat uit bijproducten zoals bedoeld in artikel 1, lid 1, eerste alinea, en artikel 2, eerste alinea, punten b), c) en g), en een gehalte aan chloride (Cl) van meer dan 30 g/kg droge stof bevat, wordt het chloridegehalte vermeld, tenzij het EU-bemestingsproduct is geproduceerd door middel van een productieproces waarbij stoffen of mengsels die chloride bevatten, zijn gebruikt voor de productie of opname van zouten van alkali- en aardalkalimetalen en overeenkomstig bijlage III informatie over deze zouten wordt verstrekt.

3.   Wanneer het gehalte aan seleen of chloride overeenkomstig lid 1 of lid 2 wordt vermeld, wordt het duidelijk gescheiden van de nutriëntendeclaratie en kan het als verschillende waarden worden uitgedrukt.

4.   Wanneer uit de aard of het productieproces van het bijproduct of het EU-bemestingsproduct dat een bijproduct bevat, naargelang het geval, zeker en onweerlegbaar voortvloeit dat een EU-bemestingsproduct minder seleen of chloride bevat dan de in de leden 1 en 2 vastgestelde grenswaarden, hoeft het etiket geen informatie over deze parameters te bevatten, en dit zonder controle (bijvoorbeeld door middel van tests) en op verantwoordelijkheid van de fabrikant.

Artikel 5

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is van toepassing met ingang van 16 juli 2022.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 maart 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 170 van 25.6.2019, blz. 1.

(2)  Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).

(3)  Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).

(4)  Huygens, D., Saveyn, H.G.M., Technical proposals for by-products and high purity materials as component materials for EU Fertilising Products, JRC128459, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg, 2022.

(5)  Verordening (EU) 2019/1021 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen (PB L 169 van 25.6.2019, blz. 45).

(6)  De som van naftaleen, acenaftyleen, acenafteen, fluoreen, fenantreen, antraceen, fluorantheen, pyreen, benzo[a]antraceen, chryseen, benzo[b]fluorantheen, benzo[k]fluorantheen, benzo[a]pyreen, indeno[1,2,3-cd]pyreen, dibenzo[a,h]antraceen en benzo[ghi]peryleen.

(7)  De som van 2,3,7,8-TCDD; 1,2,3,7,8-PeCDD; 1,2,3,4,7,8-HxCDD; 1,2,3,6,7,8-HxCDD; 1,2,3,7,8,9-HxCDD; 1,2,3,4,6,7,8-HpCDD; OCDD; 2,3,7,8-TCDF; 1,2,3,7,8-PeCDF; 2,3,4,7,8-PeCDF; 1,2,3,4,7,8-HxCDF; 1,2,3,6,7,8-HxCDF; 1,2,3,7,8,9-HxCDF; 2,3,4,6,7,8-HxCDF; 1,2,3,4,6,7,8-HpCDF; 1,2,3,4,7,8,9-HpCDF; en OCDF.

(8)  Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1).

(9)  De som van naftaleen, acenaftyleen, acenafteen, fluoreen, fenantreen, antraceen, fluorantheen, pyreen, benzo[a]antraceen, chryseen, benzo[b]fluorantheen, benzo[k]fluorantheen, benzo[a]pyreen, indeno[1,2,3-cd]pyreen, dibenzo[a,h]antraceen en benzo[ghi]peryleen.

(10)  Van den Berg, M., L.S. Birnbaum, M. Denison, M. De Vito, W. Farland, et al. (2006), The 2005 World Health Organization Re-evaluation of Human and Mammalian Toxic Equivalency Factors for Dioxins and Dioxin-like Compounds, Toxicological sciences: an official journal of the Society of Toxicology 93:223-241, doi:10.1093/toxsci/kfl055

(11)  De som van 2,3,7,8-TCDD; 1,2,3,7,8-PeCDD; 1,2,3,4,7,8-HxCDD; 1,2,3,6,7,8-HxCDD; 1,2,3,7,8,9-HxCDD; 1,2,3,4,6,7,8-HpCDD; OCDD; 2,3,7,8-TCDF; 1,2,3,7,8-PeCDF; 2,3,4,7,8-PeCDF; 1,2,3,4,7,8-HxCDF; 1,2,3,6,7,8-HxCDF; 1,2,3,7,8,9-HxCDF; 2,3,4,6,7,8-HxCDF; 1,2,3,4,6,7,8-HpCDF; 1,2,3,4,7,8,9-HpCDF; en OCDF.

(12)  Van den Berg, M., L.S. Birnbaum, M. Denison, M. De Vito, W. Farland, et al. (2006), The 2005 World Health Organization Re-evaluation of Human and Mammalian Toxic Equivalency Factors for Dioxins and Dioxin-like Compounds, Toxicological sciences: an official journal of the Society of Toxicology 93:223-241, doi:10.1093/toxsci/kfl055.


Top