Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32006L0070

Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie van 1 augustus 2006 tot vaststelling van uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de definitie van politiek prominente personen en wat betreft de technische criteria voor vereenvoudigde klantenonderzoeksprocedures en voor vrijstellingen op grond van occasionele of zeer beperkte financiële activiteiten

OJ L 214, 4.8.2006, p. 29–34 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)
OJ L 322M , 2.12.2008, p. 247–252 (MT)
Special edition in Bulgarian: Chapter 09 Volume 002 P. 241 - 246
Special edition in Romanian: Chapter 09 Volume 002 P. 241 - 246
Special edition in Croatian: Chapter 09 Volume 002 P. 140 - 145

No longer in force, Date of end of validity: 25/06/2017; afgeschaft en vervangen door 32015L0849

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2006/70/oj

4.8.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 214/29


RICHTLIJN 2006/70/EG VAN DE COMMISSIE

van 1 augustus 2006

tot vaststelling van uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de definitie van politiek prominente personen en wat betreft de technische criteria voor vereenvoudigde klantenonderzoeksprocedures en voor vrijstellingen op grond van occasionele of zeer beperkte financiële activiteiten

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (1), en met name op artikel 40, lid 1, onder a), b) en d),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van Richtlijn 2005/60/EG moeten de onder die richtlijn vallende instellingen en personen, naar gelang de risicogevoeligheid, verscherpte klantenonderzoeksmaatregelen treffen bij transacties of zakelijke relaties met politiek prominente personen die in een andere lidstaat of in een derde land wonen. In het kader van deze risicoanalyse is het wenselijk, dat de middelen van de desbetreffende instellingen en personen met name worden gericht op producten en transacties die door een hoog witwasrisico worden gekenmerkt. Onder politiek prominente personen worden personen verstaan, die een prominente publieke functie bekleden of hebben bekleed, en de directe familieleden of naaste geassocieerden van deze personen. Met het oog op een consistente toepassing van het begrip politiek prominente personen, is het bij de vaststelling van de daaronder vallende groepen of personen, van wezenlijk belang de maatschappelijke, politieke en economische verschillen tussen de diverse landen in aanmerking te nemen.

(2)

Het is mogelijk, dat de onder Richtlijn 2005/60/EG vallende instellingen en personen er niet in slagen een cliënt die tot een van de categorieën politiek prominente personen behoort, als zodanig te herkennen, ook al hebben zij redelijke en adequate maatregelen terzake genomen. In deze omstandigheden moeten de lidstaten bij de uitoefening van hun bevoegdheden in verband met de toepassing van die richtlijn er voldoende rekening mee houden dat ervoor moet worden gezorgd, dat deze personen niet automatisch voor een dergelijk verzuim verantwoordelijk worden gesteld. Ook moeten de lidstaten de mogelijkheid overwegen, de instellingen en personen de nodige richtsnoeren te geven die de naleving van de genoemde richtlijn vergemakkelijken.

(3)

Publieke functies die op lager dan nationaal niveau worden uitgeoefend, behoeven gewoonlijk niet als prominent te worden aangemerkt. Wanneer de politieke invloed ervan echter vergelijkbaar is met die van soortgelijke posities op nationaal niveau, dienen de onder deze richtlijn vallende instellingen en personen naar gelang de risicogevoeligheid te overwegen, of de personen die deze publieke functies uitoefenen, als politiek prominent moeten worden aangemerkt.

(4)

Wanneer ingevolge Richtlijn 2005/60/EG de onder die richtlijn vallende instellingen en personen de naaste geassocieerden van natuurlijke personen die een prominente politieke functie bekleden, moeten identificeren, geldt dit vereiste voorzover de betrekking tussen de geassocieerde en deze natuurlijke persoon openbaar bekend is of de instelling of persoon redenen hebben om aan te nemen dat een dergelijke betrekking bestaat. Het veronderstelt dus niet een actief onderzoek van de kant van de onder de richtlijn vallende instellingen en personen.

(5)

Politiek prominente personen dienen na hun functie te hebben beëindigd, niet meer als zodanig te worden aangemerkt, met inachtneming van een bepaalde minimumperiode.

(6)

Daar de algemene klantenonderzoeksprocedures naar gelang de risicogevoeligheid, ingevolge Richtlijn 2005/60/EG gewoonlijk worden aangepast aan situaties met een laag risico, en aangezien vereenvoudigde klantenonderzoeksprocedures moeten worden gecompenseerd met voldoende controles elders in het systeem om witwassen van geld en financiering van terrorisme te voorkomen, dienen vereenvoudigde klantenonderzoeksprocedures slechts in een beperkt aantal gevallen te worden toegestaan. In deze gevallen blijven de onder die richtlijn vallende instellingen en personen aan hun verplichtingen gebonden en wordt van hen onder meer verwacht, dat zij voortdurend toezicht houden op de zakelijke relaties om complexe of ongewoon grote transacties zonder duidelijk economisch of zichtbaar rechtmatig doel, te kunnen opsporen.

(7)

De binnenlandse overheidsinstanties worden binnen hun eigen lidstaat doorgaans als cliënten met een laag risico beschouwd, en mogen overeenkomstig Richtlijn 2005/60/EG aan een vereenvoudigde klantenonderzoeksprocedure worden onderworpen. Geen van de communautaire instellingen, organen, bureaus of agentschappen, waaronder de Europese Centrale Bank (ECB), komen echter rechtstreeks in aanmerking voor een vereenvoudigde klantenonderzoeksprocedure voor de categorie binnenlandse overheidsinstantie of in het geval van de ECB voor de categorie kredietinstelling of financiële instelling. Daar deze entiteiten echter geen groot witwas- of terrorismefinancieringsrisico lijken mee te brengen, dienen zij als cliënten met een laag risico te worden aangemerkt die, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, onder de vereenvoudigde klantenonderzoeksprocedure vallen.

(8)

Voorts moeten vereenvoudigde klantenonderzoeksprocedures mogelijk zijn voor juridische entiteiten die financiele activiteiten uitoefenen en geen financiële instelling zijn als bedoeld in Richtlijn 2005/60/EG, maar wel overeenkomstig die richtlijn onder de nationale wetgeving vallen en aan de eis voldoen dat hun identiteit voldoende doorzichtig is en dat zij aan deugdelijke controlemechanismen, en met name een versterkt toezicht, onderworpen zijn. Dit zou het geval kunnen zijn voor ondernemingen die algemene verzekeringsdiensten aanbieden.

(9)

In beperkte gevallen moeten voor producten en de daarmee samenhangende transacties vereenvoudigde klantenonderzoeksprocedures mogelijk zijn, bijvoorbeeld wanneer de voordelen uit het betrokken financiële product niet ten behoeve van derden en alleen op lange termijn kunnen worden gerealiseerd, zoals bij sommige beleggingsverzekeringen of spaarproducten, of wanneer met het financiële product materiële activa worden gefinancierd in de vorm van een lease-overeenkomst waarbij de juridische en economische eigendom van het onderliggende actief bij de leaseonderneming blijft, of in de vorm van een consumentenkrediet van lage waarde, mits de transacties over een bankrekening worden verricht en onder een passende drempel blijven. Door de overheid gecontroleerde producten die gewoonlijk voor bepaalde soorten cliënten zijn bedoeld, zoals spaarproducten voor kinderen, moeten ook voor vereenvoudigde klantenonderzoeksprocedures in aanmerking komen, ook wanneer niet aan alle criteria wordt voldaan. Door de overheid gecontroleerd moet aldus worden verstaan, dat het toezicht van de overheid verder reikt dan het normale toezicht op financiële markten en moet niet worden uitgelegd als betrekking hebbend op producten die rechtstreeks door de overheid worden uitgegeven, zoals staatsobligaties.

(10)

Voordat zij vereenvoudigde klantenonderzoeksprocedures toestaan, moeten de lidstaten nagaan, of de cliënten of producten en de daarmee samenhangende transacties een laag witwas- of terrorismefinancieringsrisico meebrengen, en daartoe met name speciale aandacht besteden aan activiteiten van deze cliënten of aan soorten producten of transacties ten aanzien waarvan het door hun aard bijzonder waarschijnlijk mag worden geacht, dat zij kunnen worden gebruikt of misbruikt voor het witwassen van geld of de financiering van terrorisme. Met name moeten pogingen van de cliënten om bij producten met een laag risico anoniem te blijven of hun identiteit te verbergen, als een risicofactor en als mogelijk verdacht worden aangemerkt.

(11)

Onder bepaalde omstandigheden kunnen natuurlijke en rechtspersonen naast niet-financiële activiteiten occasioneel of in zeer beperkte mate financiële activiteiten uitoefenen, zoals hotels waar gasten geld kunnen wisselen. Op grond van Richtlijn 2005/60/EG mogen de lidstaten beslissen, dat dit soort financiële activiteiten niet binnen het toepassingsgebied van de richtlijn valt. Of de activiteiten van occasionele of zeer beperkte aard zijn, moet worden beoordeeld aan de hand van kwantitatieve drempels voor transacties en omzet van de desbetreffende onderneming. Om rekening te houden met de verschillen tussen de diverse landen, moeten deze drempels, afhankelijk van het soort financiële activiteit, op nationaal niveau worden vastgesteld.

(12)

Bovendien dient een persoon die occasioneel of in zeer beperkte mate financiële activiteiten uitoefent, het publiek geen volledig pakket van financiële diensten aan te bieden, maar alleen de diensten die nodig zijn om de hoofdactiviteit beter te kunnen verrichten. Wanneer de hoofdactiviteit van de persoon betrekking heeft op een onder Richtlijn 2005/60/EG vallende activiteit, dient geen vrijstelling te worden verleend in verband met de occasionele of beperkte aard van de financiële activiteiten, behalve ten aanzien van handelaren in goederen.

(13)

Bij sommige financiële activiteiten, zoals geldovermakingen en geldovermakingsdiensten, is de kans groter dat zij worden gebruikt of misbruikt voor het witwassen van geld of voor de financiering van terrorisme. Er moet daarom voor worden gezorgd, dat deze en soortgelijke financiële activiteiten niet van het toepassingsgebied van Richtlijn 2005/60/EG worden uitgezonderd.

(14)

Beslissingen overeenkomstig artikel 2, lid 2, van Richtlijn 2005/60/EG moeten in voorkomend geval zo snel mogelijk kunnen worden ingetrokken.

(15)

De lidstaten moeten ervoor zorgen, dat de vrijstellingsbeslissingen niet worden misbruikt voor het witwassen van geld of voor de financiering van terrorisme. Met name moeten zij ervoor zorgen, dat beslissingen overeenkomstig artikel 2, lid 2, van Richtlijn 2005/60/EG worden getroffen in gevallen waarin de controle of de handhaving door de nationale autoriteiten moeilijkheden opleveren, doordat de bevoegdheden van twee of meer lidstaten elkaar overlappen, zoals bij het verrichten van financiële diensten aan boord van schepen die vervoersdiensten verrichten tussen in verschillende lidstaten gelegen havens.

(16)

De toepassing van deze richtlijn doet geen afbreuk aan de toepassing van Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (2) en van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van 27 mei 2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa'ida-netwerk en de Taliban, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 467/2001 van de Raad tot instelling van een verbod op de uitvoer van bepaalde goederen en diensten naar Afghanistan, tot versterking van het verbod op vluchten en verlenging van de bevriezing van tegoeden en andere financiële middelen ten aanzien van de Taliban van Afghanistan (3).

(17)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de voorkoming van het witwassen van geld en van financiering van terrorisme,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Deze richtlijn bevat uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2005/60/EG die betrekking hebben op het volgende:

1)

de technische aspecten van de definitie van politiek prominente personen in artikel 3, punt 8, van die richtlijn;

2)

de technische criteria ter beoordeling, of bepaalde situaties die een laag witwas- of terrorismefinancieringsrisico meebrengen, als bedoeld in artikel 11, leden 2 en 5, van die richtlijn;

3)

de technische criteria ter beoordeling, of het overeenkomstig artikel 2, lid 2, van Richtlijn 2005/60/EG gerechtvaardigd is, die richtlijn niet toe te passen op bepaalde rechtspersonen of natuurlijke personen die slechts occasioneel of in zeer beperkte mate financiële activiteiten uitoefenen.

Artikel 2

Politiek prominente personen

1.   Voor de toepassing van artikel 3, punt 8, van Richtlijn 2005/60/EG vallen onder natuurlijke personen die een prominente publieke functie bekleden of bekleed hebben:

a)

staatshoofden, regeringsleiders, ministers en staatssecretarissen;

b)

parlementsleden;

c)

leden van hooggerechtshoven, constitutionele hoven en andere hoge rechterlijke instanties die arresten wijzen waartegen doorgaans geen verder beroep mogelijk is, behalve in uitzonderlijke omstandigheden;

d)

leden van rekenkamers of van directies van centrale banken;

e)

ambassadeurs, zaakgelastigden en hoge legerofficieren;

f)

leden van bestuurs-, leidinggevende of toezichthoudende organen van overheidsbedrijven.

Middelbare of lagere ambtenaren vallen niet onder de in de eerste alinea, onder a) tot en met f), genoemde categorieën.

Onder de in de eerste alinea, onder a) tot en met e), genoemde categorieën vallen, waar toepasselijk, ook posten op Gemeenschapsniveau of internationaal niveau.

2.   Voor de toepassing van artikel 3, punt 8, van Richtlijn 2005/60/EG behoren tot de directe familieleden:

a)

de echtgenoot of echtgenote;

b)

een partner die naar nationaal recht als gelijkwaardig met een echtgenoot of echtgenote wordt aangemerkt;

c)

de kinderen en hun echtgenoten of partners;

d)

de ouders.

3.   Voor de toepassing van artikel 3, punt 8, van Richtlijn 2005/60/EG vallen onder de naaste geassocieerden:

a)

een natuurlijke persoon van wie bekend is, dat deze met een in lid 1 genoemde persoon de gezamenlijke uiteindelijke begunstigde is van juridische entiteiten of juridische constructies of met genoemde persoon andere nauwe zakelijke relaties heeft;

b)

een natuurlijke persoon die alleen de juridische begunstigde is van een juridische entiteit of juridische constructie waarvan bekend is, dat deze is opgezet ten behoeve van de feitelijke begunstiging van de in lid 1 genoemde persoon.

4.   Onverminderd de toepassing van verscherpte klantenonderzoeksprocedures naar gelang de risicogevoeligheid, zijn de in artikel 2, lid 1, van Richtlijn 2005/60/EG genoemde instellingen en personen niet verplicht degenen die tenminste een jaar de uitoefening van de in lid 1 genoemde prominente publieke functie hebben beëindigd, als politiek prominent aan te merken.

Artikel 3

Vereenvoudigd klantenonderzoek

1.   Voor de toepassing van artikel 11, lid 2, van Richtlijn 2005/60/EG en onverminderd lid 4 van het onderhavige artikel, mogen de lidstaten een overheidsinstantie of overheidsorgaan als een cliënt met een laag witwas- of terrorismefinancieringsrisico aanmerken, indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de cliënt is belast met openbare functies uit hoofde van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen of de afgeleide communautaire wetgeving;

b)

de identiteit van de cliënt is openbaar toegankelijk, doorzichtig en ondubbelzinnig;

c)

de activiteiten van de cliënt en diens boekhoudkundige praktijken zijn doorzichtig;

d)

de cliënt is verantwoording schuldig aan een Gemeenschapsinstelling dan wel aan de autoriteiten van een lidstaat of er bestaan gepaste procedures om de activiteiten van de cliënt te controleren.

2.   Voor de toepassing van artikel 11, lid 2, van Richtlijn 2005/60/EG en onverminderd lid 4 van het onderhavige artikel, mogen de lidstaten een juridische entiteit die geen overheidsinstantie of overheidsorgaan is, toch als een cliënt met een laag witwas- of terrorismefinancieringsrisico aanmerken, indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de cliënt is een entiteit die financiële activiteiten verricht, die buiten het toepassingsgebied van artikel 2 van Richtlijn 2005/60/EG vallen, maar waarop de nationale wetgeving, overeenkomstig artikel 4 van die richtlijn, de bepalingen van die richtlijn van toepassing heeft verklaard;

b)

de identiteit van de cliënt is openbaar toegankelijk, doorzichtig en ondubbelzinnig;

c)

de cliënt is krachtens de nationale wetgeving onderworpen aan een vergunningsplicht voor de uitoefening van financiële activiteiten en de vergunning kan worden geweigerd indien de bevoegde autoriteiten niet ervan overtuigd zijn, dat de personen die het bedrijf van deze entiteit feitelijk leiden of zullen leiden, dan wel de uiteindelijke begunstigden van deze entiteit, betrouwbare en deskundige personen zijn;

d)

de cliënt is onderworpen aan toezicht in de zin van artikel 37, lid 3, van Richtlijn 2005/60/EG door bevoegde autoriteiten ten aanzien van de naleving van de nationale wetgeving ter uitvoering van die richtlijn en, indien toepasselijk, van bijkomende verplichtingen uit hoofde van de nationale wetgeving;

e)

de niet-naleving door de cliënt van de onder a) bedoelde verplichtingen is onderworpen aan doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties, waaronder begrepen de mogelijkheid tot gepaste maatregelen of sancties van administratieve aard.

De in de eerste alinea, onder a), bedoelde entiteit omvat de dochterondernemingen, doch slechts voorzover de verplichtingen van Richtlijn 2005/60/EG op deze zelf van toepassing zijn verklaard.

Voor de toepassing van de eerste alinea, onder c), staan de activiteiten van de cliënt onder toezicht van de bevoegde autoriteiten. Onder toezicht moet in dit verband worden verstaan, maximale controlebevoegdheden met onder meer de mogelijkheid tot het verrichten van inspecties ter plaatse. Deze inspecties omvatten de controle van gedragslijnen, procedures, boeken en bestanden alsmede de controle door het nemen van steekproeven.

3.   Voor de toepassing van artikel 11, lid 5, van Richtlijn 2005/60/EG en onverminderd lid 4 van het onderhavige artikel, mogen de lidstaten de onder die richtlijn vallende instellingen en personen toestaan, producten of de daarmee samenhangende transacties, aan te merken als producten of transacties met een laag witwas- of terrorismefinancieringsrisico indien deze aan alle volgende voorwaarden voldoen:

a)

aan het product ligt een schriftelijk contract ten grondslag;

b)

de samenhangende transacties worden verricht over een rekening van de cliënt bij een onder Richtlijn 2005/60/EG vallende kredietinstelling, of bij een kredietinstelling in een derde land dat eisen stelt die gelijkwaardig zijn aan die van genoemde richtlijn;

c)

het product of de samenhangende transactie is niet anoniem en is van dien aard dat artikel 7, onder c), van Richtlijn 2005/60/EG tijdig kan worden toegepast;

d)

voor het product geldt een vooraf bepaald maximumbedrag;

e)

de voordelen uit het product of de samenhangende transactie kunnen niet worden gerealiseerd ten behoeve van derden, behoudens bij overlijden, invaliditeit, het bereiken van een vooraf bepaalde hoge leeftijd, of in soortgelijke gevallen;

f)

in het geval van producten of samenhangende transacties waarbij geld wordt belegd in financiële activa of vorderingen, waaronder verzekeringen of andere soorten voorwaardelijke vorderingen:

i)

kunnen de voordelen uit het product of de transactie alleen op lange termijn worden gerealiseerd;

ii)

kan het product of de transactie niet als zekerheid worden gebruikt;

iii)

worden tijdens de contractuele relatie geen versnelde betalingen gedaan, wordt geen gebruik gemaakt van afkoopbedingen en vindt geen voortijdige beëindiging plaats.

Voor de toepassing van de eerste alinea, onder d), gelden de drempels van artikel 11, lid 5, onder a), van Richtlijn 2005/60/EG voor verzekeringsovereenkomsten en soortgelijke spaarproducten. Onverminderd de derde alinea, geldt voor elk ander geval een maximumbedrag van 15 000 EUR. De lidstaten mogen van deze drempel afwijken in het geval van producten die verband houden met de financiering van materiële activa en waarbij voor het einde van de contractuele relatie de juridische en economische eigendom van de activa niet aan de klant overgaat, mits de drempel die de lidstaat voor de met dit soort producten samenhangende transacties heeft vastgesteld, niet hoger ligt dan 15 000 EUR per jaar, ongeacht of de transactie in één verrichting geschiedt of in meer verrichtingen waartussen een verband lijkt te bestaan.

De lidstaten mogen van de in de eerste alinea, onder e) en f), gestelde criteria afwijken voor producten, waarvan de kenmerken door hun binnenlandse overheidsinstanties in het algemeen belang worden vastgesteld, die specifieke voordelen van de staat genieten in de vorm van bepaalde rechtstreekse overheidssubsidies of belastingvoordelen en waarvan het gebruik door die instanties wordt gecontroleerd, mits de voordelen uit het product slechts op lange termijn kunnen worden gerealiseerd en de voor de toepassing van de eerste alinea, onder d), vastgestelde drempel voldoende laag is. In voorkomend geval mag deze drempel worden vastgesteld als een jaarlijks maximumbedrag.

4.   Wanneer de lidstaten beoordelen, of de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde cliënten of producten en transacties een laag witwas- of terrorismefinancieringsrisico meebrengen, besteden zij speciale aandacht aan elke activiteit van deze cliënten of aan elk soort product of elke transactie ten aanzien waarvan het door hun aard bijzonder waarschijnlijk mag worden geacht dat zij kunnen worden gebruikt of misbruikt voor het witwassen van geld of voor de financiering van terrorisme.

De lidstaten beschouwen de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde cliënten of producten en transacties niet als cliënten, producten of transacties met een laag witwas- of terrorismefinancieringsrisico, indien gegevens beschikbaar zijn die erop wijzen dat het risico mogelijk niet laag is.

Artikel 4

Occasionele of zeer beperkte financiële activiteiten

1.   Voor de toepassing van artikel 2, lid 2, van Richtlijn 2005/60/EG mogen de lidstaten onverminderd lid 2 van dit artikel, natuurlijke en rechtspersonen die financiële activiteiten verrichten, aanmerken als personen die niet binnen het toepassingsgebied van artikel 3, leden 1 of 2, van die richtlijn vallen, indien zij aan alle volgende voorwaarden voldoen:

a)

de financiële activiteit is in absolute zin beperkt van omvang;

b)

de financiële activiteit is op transactiebasis beperkt;

c)

de financiële activiteit vormt niet de hoofdactiviteit;

d)

de financiële activiteit heeft een bijkomstig karakter en houdt rechtstreeks verband met de hoofdactiviteit;

e)

met uitzondering van de in artikel 2, lid 1, punt 3, onder e), van Richtlijn 2005/60/EG genoemde activiteit, is de hoofdactiviteit niet een in artikel 2, lid 1, van die richtlijn genoemde activivteit;

f)

de financiële activiteit wordt enkel verricht voor cliënten voor wie de hoofdactiviteit bedoeld is, en wordt in het algemeen niet aangeboden aan het publiek.

Voor de toepassing van de eerste alinea, onder a), mag de totale omzet van de financiële activiteit niet een drempel overschrijden die voldoende laag moet zijn. Deze drempel wordt, afhankelijk van het soort financiële activiteit, op nationaal niveau vastgesteld.

Voor de toepassing van de eerste alinea, onder b), hanteren de lidstaten per cliënt en enkelvoudige transactie een bovengrens, ongeacht of de transactie plaatsvindt in één verrichting of in meer verrichtingen waartussen een verband lijkt te bestaan. Deze bovengrens wordt, afhankelijk van het soort financiële activiteit, op nationaal niveau vastgesteld. Zij ligt voldoende laag om ervoor te zorgen, dat dit soort transacties zeker geen geschikte of doelmatige methode vormen om geld wit te wassen of terrorisme te financieren, en bedraagt niet meer dan 1 000 EUR.

Voor de toepassing van de eerste alinea, onder c), schrijven de lidstaten voor, dat de omzet uit de financiële activiteit niet meer dan 5 % van de totale omzet van de betrokken natuurlijke of rechtspersoon bedraagt.

2.   Wanneer de lidstaten voor de toepassing van artikel 2, lid 2, van Richtlijn 2005/60/EG het witwas- of terrorismefinancieringsrisico beoordelen, besteden zij speciale aandacht aan elke financiële activiteit, ten aanzien waarvan het door haar aard bijzonder waarschijnlijk mag worden geacht, dat zij kan worden gebruikt of misbruikt voor het witwassen van geld of voor de financiering van terrorisme.

De lidstaten beschouwen de in lid 1 bedoelde financiële activiteiten niet als activiteiten met een laag witwas- of terrorismefinancieringsrisico, indien er gegevens beschikbaar zijn die erop wijzen dat het risico mogelijk niet laag is.

3.   Elke beslissing op grond van artikel 2, lid 2, van Richtlijn 2005/60/EG wordt met redenen omkleed. De lidstaten voorzien in de mogelijkheid deze beslissing in te trekken mocht er zich een verandering in de omstandigheden voordoen.

4.   De lidstaten zetten risicogeoriënteerde controleactiviteiten op, of nemen andere maatregelen om ervoor te zorgen, dat de afwijkingsbeslissing op grond van artikel 2, lid 2, van Richtlijn 2005/60/EG niet wordt misbruikt voor het witwassen van geld of voor de financiering van terrorisme.

Artikel 5

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 15 december 2007 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 6

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 7

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 1 augustus 2006.

Voor de Commissie

Charlie McCREEVY

Lid van de Commissie


(1)  PB L 309 van 25.11.2005, blz. 15.

(2)  PB L 344 van 28.12.2001, blz. 70. Verordening laatstelijk gewijzigd bij bij Besluit 2006/379/EG (PB L 144 van 31.5.2006, blz. 21).

(3)  PB L 139 van 29.5.2002, blz. 9. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 674/2006 van de Commissie (PB L 116 van 29.4.2006, blz. 58).


Top