EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32019D0004

Besluit (EU) 2019/322 van de Europese Centrale Bank van 31 januari 2019 inzake de delegatie van de bevoegdheid om besluiten vast te stellen inzake krachtens nationaal recht toegewezen toezichtsbevoegdheden (ECB/2019/4)

PB L 55 van 25.2.2019, p. 7–15 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document In force: This act has been changed. Current consolidated version: 26/09/2021

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2019/322/oj

25.2.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 55/7


BESLUIT (EU) 2019/322 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 31 januari 2019

inzake de delegatie van de bevoegdheid om besluiten vast te stellen inzake krachtens nationaal recht toegewezen toezichtsbevoegdheden (ECB/2019/4)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (1), en met name artikel 4, lid 1, onder d) en e), artikel 4, lid 3 en artikel 9, lid 1,

Gezien Besluit (EU) 2017/933 van de Europese Centrale Bank van 16 november 2016 betreffende een algemeen kader voor de delegatie van besluitvormingsbevoegdheden voor met toezichttaken verband houdende rechtsinstrumenten (ECB/2016/40) (2), en met name artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Binnen het kader van artikel 6 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 heeft de Europese Centrale Bank (ECB) de exclusieve taak toezicht te houden op kredietinstellingen met het oog op een consistente toepassing van de toezichtsnormen, bevordering van de financiële stabiliteit en garantie van gelijke voorwaarden.

(2)

In overeenstemming met artikel 4, lid 3 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 past de ECB alle toepasselijke Uniewetgeving toe, en wanneer dat Unierecht bestaat uit richtlijnen, eveneens de nationale wetgeving waarbij de richtlijnen zijn omgezet.

(3)

Overeenkomstig artikel 9, lid 1, tweede onderalinea van Verordening (EU) nr. 1024/2013 beschikt de ECB met het oog op de uitvoering van de haar toegewezen bevoegdheden over alle bevoegdheden en verplichtingen uiteengezet in Verordening (EU) nr. 1024/2013 en alle bevoegdheden en verplichtingen die bevoegde autoriteiten hebben krachtens het toepasselijke Unierecht. De bevoegdheid van de ECB beslaat de uitoefening krachtens nationaal recht toegewezen toezichtsbevoegdheden die niet expliciet in Unierecht zijn voorzien, zolang deze bevoegdheden vallen binnen de taken van de ECB krachtens artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 en een toezichtfunctie ondersteunen. Als bevoegde autoriteit moet de ECB elk jaar een aanzienlijk aantal besluiten inzake krachtens nationaal recht verleende toezichtsbevoegdheden vaststellen.

(4)

Ter bevordering van het besluitvormingsproces is een delegatiebesluit noodzakelijk met betrekking tot de vaststelling van die besluiten. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bevestigd dat delegatie van autoriteit noodzakelijk is opdat een instelling, die een aanzienlijk aantal besluiten moet vaststellen, haar taken kan vervullen. Evenzo heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie erkend dat het noodzakelijk is de werking van een besluitvormend orgaan te waarborgen, zijnde een beginsel dat inherent is aan alle institutionele stelsels (3).

(5)

Delegatie van besluitvormende bevoegdheden moet beperkt en evenredig zijn en de delegatiereikwijdte moet duidelijk omschreven zijn.

(6)

Besluit (EU) 2017/933 (ECB/2016/40) verduidelijkt de voor de vaststelling van delegatiebesluiten betreffende toezicht te volgen procedure en verduidelijkt tevens aan welke personen besluitvormingsbevoegdheden gedelegeerd mogen worden. Dat besluit doet geen afbreuk aan de vervulling van toezichttaken door de ECB en laat de bevoegdheden van de raad van toezicht onverlet om volledige ontwerpbesluiten aan de Raad van bestuur voor te leggen.

(7)

Indien niet is voldaan aan de in dit besluit vastgelegde criteria voor de vaststelling van een gedelegeerd besluit, moeten besluiten worden vastgesteld overeenkomstig de geen-bezwaarprocedure van artikel 26, lid 8 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 en verder gespecificeerd in artikel 13 octies van Besluit ECB/2004/2 (4). Voorts zou de geen-bezwaarprocedure eveneens moeten worden gevolgd indien de hoofden van arbeidseenheden betwijfelen of is voldaan aan de beoordelingscriteria voor besluiten in het kader van nationale bevoegdheden, gelet op de complexiteit van de beoordeling.

(8)

ECB-toezichtbesluiten kunnen administratief getoetst worden overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 en zoals nader bepaald in Besluit ECB/2014/16 (5). In geval van een dergelijke administratieve toetsing houdt de raad van toezicht rekening met het advies van de administratieve raad voor toetsing en legt de Raad van bestuur een nieuw ontwerpbesluit voor ter vaststelling uit hoofde van de geen-bezwaarprocedure,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Definities

Binnen het kader van dit besluit zijn de volgende definities van toepassing:

1)   „besluiten in het kader van nationale bevoegdheden”: de door de ECB genomen besluiten in de uitoefening van haar krachtens nationaal recht verleende toezichtsbevoegdheden die niet expliciet in Unierecht zijn voorzien;

2)   „verwerving van een deelneming”: de verwerving van een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming in het kapitaal, dan wel van stemrechten van een andere entiteit, inclusief ten gevolge van de oprichting van een nieuwe entiteit, andere dan de verwerving van een gekwalificeerde deelneming in de zin van artikel 22 van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (6);

3)   „fusie”: a) een verrichting waarbij één of meer vennootschappen, bij ontbinding met of zonder liquidatie, al hun activa en passiva overdragen op een bestaande vennootschap of een nieuwe vennootschap, in ruil voor de uitgifte aan hun aandeelhouders van effecten of aandelen die het kapitaal van de bestaande of de nieuwe vennootschap vertegenwoordigen, of b) een transactie die een fusie uitmaakt krachtens het toepasselijke nationale recht;

4)   „splitsing”: a) een operatie waarbij één of meerdere vennootschappen een deel van hun activa en passiva afsplitsen en een nieuwe vennootschap vormen die deze activa en passiva aanhoudt, of b) een transactie die een splitsing uitmaakt krachtens het toepasselijke nationale recht;

5)   „derde land of gebied”: een land of gebied buiten de Europese Economische Ruimte;

6)   „gelieerde partij”: een natuurlijke persoon die gelieerd is aan een kredietinstelling of een naast familielid van die persoon, of een rechtspersoon die gelieerd is aan een kredietinstelling overeenkomstig het toepasselijke nationale recht;

7)   „SREP-besluit”: een door de ECB op basis van artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 vastgesteld besluit, volgend op de jaarlijkse toetsing en evaluatie door de toezichthouder zoals bedoeld in artikel 97 van Richtlijn 2013/36/EU;

8)   „liquiditeitsdekkingsratio” (LDR): de ratio zoals vastgelegd in artikel 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 van de Commissie (7);

9)   „gelijkwaardige toezichts-en reguleringsnormen”: alle toezichts- en reguleringsvereisten of -regelingen die een derde land of gebied toepast en die erkend zijn door de Europese Commissie als gelijkwaardig aan die welke in de Unie worden toegepast overeenkomstig de artikelen 107, lid 4 en 114, lid 7 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (8). De desbetreffende derde landen en gebieden worden opgesomd in de bijlagen I en IV bij Uitvoeringsbesluit van de Commissie 2014/908/EU (9);

10)   „delegatiebesluit” en „gedelegeerd besluit”: hebben dezelfde betekenis als in artikel 3, onder 2) en 4) van Besluit (EU) 2017/933 (ECB/2016/40);

11)   „hoofden van arbeidseenheden”: hoofden van arbeidseenheden van de ECB aan wie de bevoegdheid werd gedelegeerd om besluiten in het kader van nationale bevoegdheden vast te stellen;

12)   „geen-bezwaarprocedure'”: de in artikel 26, lid 8 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 uiteengezette procedure die nader uiteengezet wordt in artikel 13 octies van Besluit ECB/2004/2;

13)   „negatief besluit”: een besluit dat geen toestemming verleent, of de door de belangrijke onder toezicht staande entiteit verzochte toestemming niet volledig verleent. Een besluit met aanvullende bepalingen zoals voorwaarden of verplichtingen, wordt als een negatief besluit beschouwd, tenzij die aanvullende bepalingen a) verzekeren dat de onder toezicht staande entiteit voldoet aan eisen van relevant nationaal recht en schriftelijk zijn overeengekomen of b) slechts een of meerdere bestaande voorwaarden herhalen waaraan de instelling moet voldoen of informatie vereisen betreffende de naleving van een of meerdere van die vereisten;

14)   „belangrijke onder toezicht staande entiteit”: een belangrijke onder toezicht staande entiteit zoals bedoeld in artikel 2, onder 16) van Verordening (EU) nr. 468/2014 (ECB/2014/17) van de Europese Centrale Bank (10);

15)   „bijkantoor”: een bijkantoor als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, onder 17, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

16)   „vertegenwoordigend kantoor”: het kantoor dat de activiteiten van een onder toezicht staande entiteit bevordert of ondersteunt, maar niet de bedrijfsactiviteiten van een kredietinstelling verricht;

17)   „niet essentiële ondersteunende diensten”: administratieve diensten, klantenservice, incasso, e-handtekeningen of andere soortgelijke diensten in verband met de werkzaamheden van een kredietinstelling;

18)   „ECB-gids”: een door de Raad van bestuur op voorstel van de raad van toezicht vastgesteld document dat wordt gepubliceerd op de website van de ECB en dat richtsnoeren geeft inzake de uitlegging door de ECB van de wettelijke vereisten.

Artikel 2

Voorwerp en toepassingsgebied

1.   Dit besluit specificeert de criteria voor de delegatie van besluitvormingsbevoegdheden aan de hoofden van arbeidseenheden van de ECB voor de vaststelling van besluiten in het kader van nationale bevoegdheden.

2.   De delegatie van besluitvormingsbevoegdheden doet geen afbreuk aan de toezichthoudende beoordeling die moet worden uitgevoerd met het oog op het nemen van besluiten in het kader van nationale bevoegdheden.

Artikel 3

Delegatie van besluiten in het kader van nationale bevoegdheden

1.   In overeenstemming met artikel 4 van Besluit (EU) 2017/933 (ECB/2016/40) delegeert de Raad van bestuur bij deze aan de hoofden van arbeidseenheden van de ECB, benoemd door de Directie overeenkomstig artikel 5 van dat besluit, de bevoegdheid om besluiten vast te stellen in het kader van nationale bevoegdheden in verband met wat volgt: a) verwervingen van deelnemingen; b) verwervingen van activa of passiva; c) verkopen van deelnemingen; d) verkopen van activa of passiva; e) fusies; f) splitsingen; g) verrichtingen in derde landen of gebieden; h) outsourcing; i) wijzigingen van de statuten; j) benoemingen van externe accountants; k) krediet aan gelieerde partijen.

2.   De in lid 1 bedoelde besluiten krachtens nationale bevoegdheden worden middels een gedelegeerd besluit vastgesteld indien is voldaan aan de in artikel 4 tot en met 14 bedoelde vaststellingscriteria voor gedelegeerde besluiten.

3.   Besluiten in het kader van nationale bevoegdheden worden niet middels een gedelegeerd besluit vastgesteld, indien het nationale recht de toezichthoudende goedkeuring vereist van strategische maatregelen van kredietinstellingen of indien de complexiteit van de beoordeling vereist dat zij binnen het kader van de geen-bezwaarprocedure worden vastgesteld.

4.   Een delegatie van besluitvormingsbevoegdheden geldt zowel voor de vaststelling van toezichtbesluiten, als voor de goedkeuring van positieve beoordelingen door de ECB wanneer een toezichtbesluit niet vereist is krachtens nationaal recht.

5.   Negatieve besluiten worden niet middels een gedelegeerd besluit vastgesteld.

6.   Wanneer een besluit niet mag worden vastgesteld middels een gedelegeerd besluit, moet het worden vastgesteld in overeenstemming met de geen-bezwaarprocedure.

Artikel 4

Criteria voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten betreffende de verwerving van deelnemingen

1.   Besluiten betreffende de goedkeuring van verwervingen van deelnemingen in kredietinstellingen of niet-kredietinstellingen door een belangrijke onder toezicht staande entiteit worden genomen bij gedelegeerd besluit als is voldaan aan alle van de volgende criteria:

a)

de impact op het eigen vermogen van de verkrijgende belangrijke onder toezicht staande entiteit is beperkt, wat betekent dat:

i)

volgende op de verwerving het eigen vermogen hoger is dan, en dat naar schatting zo blijft, de som van de vereisten van artikel 92, lid 1 van Verordening (EU) nr. 575/2013, het overeenkomstig artikel 16, lid 2, onder a) van Verordening (EU) nr. 1024/2013 verplicht aan te houden eigen vermogen, het in artikel 128, onder 6) van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde gecombineerde buffervereiste en de Pijler 2-kapitaalrichtsnoeren zoals bedoeld in het meest recente SREP-besluit, en

ii)

de impact van de verwerving op de tier 1-kernkapitaalratio, de tier 1-kapitaalratio en de totale kapitaalratio minder dan 100 basispunten bedraagt.

b)

de impact op de liquiditeitsverhoudingen van de verkrijgende belangrijke onder toezicht staande entiteit is beperkt, wat betekent:

i)

de LDR blijft hoger dan 110 % en bedraagt meer dan de liquiditeitsvereisten zoals bedoeld in het meest recente SREP-besluit, indien zij meer bedragen dan de vereiste minimum LDR, en

ii)

op geconsolideerd niveau dat de LDR niet met meer dan 50 % wordt verlaagd;

c)

de doelentiteit is gelegen in een lidstaat van de Unie of van de Europese Economische Ruimte, of in een derde land of gebied met gelijkwaardige toezichthoudende en reguleringsnormen.

2.   De beoordeling van de verwervingen van deelnemingen wordt uitgevoerd in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van nationaal recht, eveneens rekening houdende met toepasselijke ECB-richtsnoeren en/of de standpunten, richtsnoeren of soortgelijke handelingen van nationale bevoegde autoriteiten.

Artikel 5

Criteria voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten betreffende verwervingen van activa of passiva

1.   Besluiten betreffende de goedkeuring van verwervingen van activa of passiva in kredietinstellingen of niet-kredietinstellingen door een belangrijke onder toezicht staande entiteit worden genomen bij gedelegeerd besluit als is voldaan aan alle van de volgende criteria:

a)

de impact op het eigen vermogen van de verkrijgende belangrijke onder toezicht staande entiteit ten gevolge van de verwerving is beperkt, wat betekent dat:

i)

volgende op de verwerving het eigen vermogen hoger is dan, en dat naar schatting zo blijft, de som van de vereisten van artikel 92, lid 1 van Verordening (EU) nr. 575/2013, het overeenkomstig artikel 16, lid 2, onder a) van Verordening (EU) nr. 1024/2013 verplicht aan te houden eigen vermogen, het in artikel 128, onder 6) van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde gecombineerde buffervereiste en de Pijler 2-kapitaalrichtsnoeren zoals bedoeld in het meest recente SREP-besluit, en

ii)

de impact van de verlaging op de tier 1-kernkapitaalratio, de tier 1-kapitaalratio en de totale kapitaalratio minder dan 100 basispunten bedraagt;

b)

de impact op liquiditeitsverhoudingen van de verkrijgende belangrijke onder toezicht staande entiteit ten gevolge van de verwerving beperkt is, wat betekent dat:

i)

de LDR blijft hoger dan 110 % en bedraagt meer dan de liquiditeitsvereisten zoals bedoeld in het meest recente SREP-besluit, indien zij meer bedragen dan de vereiste minimum LDR, en

ii)

op geconsolideerd niveau dat de LDR niet met meer dan 50 % wordt verlaagd;

c)

de waarde van de verworven activa en passiva bedraagt niet meer dan 25 % van de totale activa van de verkrijgende belangrijke onder toezicht staande entiteit op individueel niveau.

2.   De beoordeling van de verwervingen van activa of passiva wordt uitgevoerd in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van nationaal recht, eveneens rekening houdende met toepasselijke ECB-richtsnoeren en/of de standpunten, richtsnoeren of soortgelijke handelingen van nationale bevoegde autoriteiten.

Artikel 6

Criteria voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten betreffende de verkoop van deelnemingen

1.   Besluiten betreffende de goedkeuring van verkopen van deelnemingen door een belangrijke onder toezicht staande entiteit worden genomen bij gedelegeerd besluit als is voldaan aan alle van de volgende criteria:

a)

de impact op het eigen vermogen van de verkopende belangrijke onder toezicht staande entiteit is beperkt, wat betekent dat:

i)

volgende op de verkoop het eigen vermogen hoger is dan, en dat naar schatting zo blijft, de som van de vereisten van artikel 92, lid 1 van Verordening (EU) nr. 575/2013, het overeenkomstig artikel 16, lid 2, onder a) van Verordening (EU) nr. 1024/2013 verplicht aan te houden eigen vermogen, het in artikel 128, onder 6) van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde gecombineerde buffervereiste en de Pijler 2-kapitaalrichtsnoeren zoals bedoeld in het meest recente SREP-besluit, en

ii)

de impact van de verlaging op de tier 1-kernkapitaalratio, de tier 1-kapitaalratio en de totale kapitaalratio minder dan 100 basispunten bedraagt;

b)

de impact op de liquiditeitsverhoudingen van de verkopende belangrijke onder toezicht staande entiteit is beperkt, wat betekent dat:

i)

de LDR blijft hoger dan 110 % en bedraagt meer dan de liquiditeitsvereisten zoals bedoeld in het meest recente SREP-besluit, indien zij meer bedragen dan de vereiste minimum LDR, en

ii)

op geconsolideerd niveau dat de LDR niet met meer dan 50 % wordt verlaagd.

2.   De beoordeling van de verkopen van deelnemingen wordt uitgevoerd in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van nationaal recht, eveneens rekening houdende met toepasselijke ECB-richtsnoeren en/of de standpunten, richtsnoeren of soortgelijke handelingen van nationale bevoegde autoriteiten.

Artikel 7

Criteria voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten betreffende verkopen van activa of passiva

1.   Besluiten betreffende de goedkeuring van verkopen van activa of passiva door een belangrijke onder toezicht staande entiteit worden genomen bij gedelegeerd besluit als is voldaan aan alle van de volgende criteria:

a)

de impact op het eigen vermogen van de verkopende belangrijke onder toezicht staande entiteit ten gevolge van de verkoop van activa of passiva is beperkt, wat betekent dat:

i)

volgende op de verkoop het eigen vermogen hoger is dan, en dat naar schatting zo blijft, de som van de vereisten van artikel 92, lid 1 van Verordening (EU) nr. 575/2013, het overeenkomstig artikel 16, lid 2, onder a) van Verordening (EU) nr. 1024/2013 verplicht aan te houden eigen vermogen, het in artikel 128, onder 6) van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde gecombineerde buffervereiste en de Pijler 2-kapitaalrichtsnoeren zoals bedoeld in het meest recente SREP-besluit, en

ii)

de impact van de verkoop op de tier 1-kernkapitaalratio, de tier 1-kapitaalratio en de totale kapitaalratio minder dan 100 basispunten bedraagt;

b)

de impact op liquiditeitsverhoudingen van de verkopende belangrijke onder toezicht staande entiteit ten gevolge van de verkoop van activa of passiva is beperkt, wat betekent dat:

i)

de LDR blijft hoger dan 110 % en bedraagt meer dan de liquiditeitsvereisten zoals bedoeld in het meest recente SREP-besluit, indien zij meer bedragen dan de vereiste minimum LDR, en

ii)

op geconsolideerd niveau dat de LDR niet met meer dan 50 % wordt verlaagd;

c)

de waarde van de activa en passiva die verkocht worden bedraagt niet meer dan 25 % van de totale activa van de verkopende belangrijke onder toezicht staande entiteit op individueel niveau.

2.   De beoordeling van de verkopen van activa of passiva wordt uitgevoerd in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van nationaal recht, eveneens rekening houdende met toepasselijke ECB-richtsnoeren en/of de standpunten, richtsnoeren of soortgelijke handelingen van nationale bevoegde autoriteiten.

Artikel 8

Criteria voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten betreffende fusies

1.   Besluiten betreffende de goedkeuring van fusies waarbij minstens één belangrijke onder toezicht staande entiteit betrokken is, worden genomen bij gedelegeerd besluit als is voldaan aan alle van de volgende criteria:

a)

de impact op het eigen vermogen van de belangrijke onder toezicht staande entiteit ten gevolge van de fusie is beperkt, wat betekent dat:

i)

volgende op de fusie het eigen vermogen hoger is dan, en dat naar schatting zo blijft, de som van de vereisten van artikel 92, lid 1 van Verordening (EU) nr. 575/2013, het overeenkomstig artikel 16, lid 2, onder a) van Verordening (EU) nr. 1024/2013 verplicht aan te houden eigen vermogen, het in artikel 128, onder 6) van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde gecombineerde buffervereiste en desgevallende de Pijler 2-kapitaalrichtsnoeren zoals bedoeld in het meest recente SREP-besluit, en

ii)

de impact van de fusie op de tier 1-kernkapitaalratio, de tier 1-kapitaalratio en de totale kapitaalratio minder dan 100 basispunten bedraagt;

b)

de impact op liquiditeitsverhoudingen van de belangrijke onder toezicht staande entiteit ten gevolge van de fusie is beperkt, wat betekent dat:

i)

de LDR blijft hoger dan 110 % en bedraagt meer dan de liquiditeitsvereisten zoals bedoeld in het meest recente SREP-besluit, indien zij meer bedragen dan de vereiste minimum LDR, en

ii)

op geconsolideerd niveau dat de LDR niet met meer dan 50 % wordt verlaagd;

c)

de governancestructuur van de belangrijke onder toezicht staande entiteit of entiteiten ten gevolge van de fusie doet geen problemen rijzen inzake toezicht.

2.   Besluitvormingsbevoegdheden mogen in geen geval worden gedelegeerd aan de hoofden van de werkeenheden met betrekking tot:

a)

fusies tussen een belangrijke onder toezicht staande entiteit en een andere entiteit die niet tot dezelfde groep van de belangrijke onder toezicht staande entiteit behoort, of

b)

grensoverschrijdende fusies tussen belangrijke onder toezicht staande entiteiten die tot dezelfde groep behoren.

3.   De beoordeling van de fusies wordt uitgevoerd in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van nationaal recht, eveneens rekening houdende met toepasselijke ECB-richtsnoeren en/of de standpunten, richtsnoeren of soortgelijke handelingen van nationale bevoegde autoriteiten.

Artikel 9

Criteria voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten betreffende splitsingen

1.   Besluiten betreffende de goedkeuring van splitsingen waarbij minstens één een belangrijke onder toezicht staande entiteit betrokken is, worden genomen bij gedelegeerd besluit als is voldaan aan alle van de volgende criteria:

a)

de impact op het eigen vermogen van de onder toezicht staande entiteit ten gevolge van de splitsing is beperkt, wat betekent dat:

i)

volgende op de splitsing het eigen vermogen hoger is dan, en dat naar schatting zo blijft, de som van de vereisten van artikel 92, lid 1 van Verordening (EU) nr. 575/2013, het overeenkomstig artikel 16, lid 2, onder a) van Verordening (EU) nr. 1024/2013 verplicht aan te houden eigen vermogen, het in artikel 128, onder 6) van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde gecombineerde buffervereiste en desgevallende de Pijler 2-kapitaalrichtsnoeren zoals bedoeld in het meest recente SREP-besluit, en

ii)

de impact van de verlaging op de tier 1-kernkapitaalratio, de tier 1-kapitaalratio en de totale kapitaalratio minder dan 100 basispunten bedraagt;

b)

de impact op liquiditeitsverhoudingen van de belangrijke onder toezicht staande entiteit ten gevolge van de splitsing is beperkt, wat betekent dat:

i)

de LDR blijft hoger dan 110 % en bedraagt meer dan de liquiditeitsvereisten zoals bedoeld in het meest recente SREP-besluit, indien zij meer bedragen dan de veriste minimum LDR, en

ii)

op geconsolideerd niveau dat de LDR niet met meer dan 50 % wordt verlaagd;

c)

de governancestructuur van de belangrijke onder toezicht staande entiteit of entiteiten ten gevolge van de splitsing doet geen problemen rijzen inzake toezicht.

2.   Besluitvormingsbevoegdheden mogen in geen geval worden gedelegeerd aan de hoofden van de werkeenheden met betrekking tot:

a)

splitsingen die resulteren in de oprichting van een andere entiteit die niet tot dezelfde groep van de belangrijke onder toezicht staande entiteit behoort, of

b)

splitsingen die resulteren in de oprichting van een entiteit in een ander land of gebied dan dat waar de belangrijke onder toezicht staande entiteit gevestigd is.

3.   De beoordeling van de splitsing wordt uitgevoerd in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van nationaal recht, eveneens rekening houdende met toepasselijke ECB-richtsnoeren en/of de standpunten, richtsnoeren of soortgelijke handelingen van nationale bevoegde autoriteiten.

Artikel 10

Criteria voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten betreffende verrichtingen in derde landen of gebieden

1.   Besluiten betreffende de goedkeuring van de vestiging van een bijkantoor door een belangrijke onder toezicht staande entiteit in een derde land of gebied worden genomen bij gedelegeerd besluit als is voldaan aan alle van de volgende criteria:

a)

het bijkantoor is gevestigd in een derde land of gebied met gelijkwaardige toezichts-en reguleringsnormen;

b)

de totale activa van het bijkantoor zoals geschat in het programma van werkzaamheden bedraagt niet meer dan 10 % van de totale activa van de belangrijke onder toezicht staande entiteit, en

c)

het bijkantoor verricht transacties die primair uitgevoerd worden in het derde land of gebied waar het bijkantoor gevestigd is.

2.   Besluiten betreffende de volgende verrichtingen door een belangrijke onder toezicht staande entiteit kunnen worden genomen bij gedelegeerd besluit:

a)

de sluiting van een bijkantoor;

b)

veranderingen in de structuur van het bijkantoor;

c)

de oprichting of de sluiting van een vertegenwoordigend kantoor, en

d)

het verstrekken van bancaire diensten in een derde land of gebied zonder de vestiging van een fysieke aanwezigheid ter plaatse in de vorm van een bijkantoor of dochteronderneming,

tenzij de desbetreffende verrichtingen plaatsvinden in een land dat is opgenomen in de lijst in de Bijlage bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1675 van de Commissie (11).

3.   De beoordeling van de verrichtingen in derde landen of gebieden wordt uitgevoerd in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van nationaal recht, eveneens rekening houdende met toepasselijke ECB-richtsnoeren en/of de standpunten, richtsnoeren of soortgelijke handelingen van nationale bevoegde autoriteiten.

Artikel 11

Criteria voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten betreffende outsourcing

1.   Besluiten betreffende de goedkeuring van outsourcing van activiteiten door een belangrijke onder toezicht staande entiteit worden genomen bij gedelegeerd besluit als is voldaan aan één of meer van de volgende criteria:

a)

de dienstverlener maakt deel uit van dezelfde groep als de belangrijke onder toezicht staande entiteit (intragroep outsourcing) en is gevestigd in de Unie, of

b)

de dienstverlener is een onder toezicht staande entiteit die gevestigd is in de Unie en gemachtigd is om de uitbestede diensten te verrichten, of

c)

de uitbesteding betreft niet-essentiële ondersteunende diensten en de dienstverlener is gevestigd binnen de Unie of de Europese Economische Ruimte.

2.   De beoordeling van de outsourcingprojecten wordt uitgevoerd in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van nationaal recht, eveneens rekening houdende met toepasselijke ECB-richtsnoeren en/of de standpunten, richtsnoeren of soortgelijke handelingen van nationale bevoegde autoriteiten.

Artikel 12

Criteria voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten betreffende wijzigingen van statuten

1.   Besluiten betreffende de goedkeuring van wijzigingen van statuten van een belangrijke onder toezicht staande entiteit worden genomen bij gedelegeerd besluit in de volgende gevallen:

a)

Wijzigingen die puur formeel zijn, inclusief wijzigingen van naam en adres;

b)

wijzigingen die uitsluitend statutaire vereisten van een wettelijke of regelgevende aard omzetten;

c)

wijzigingen die een gerechtelijke of administratieve beslissing uitvoeren of die worden aangebracht op verzoek van de ECB;

d)

wijzigingen betreffende het aandelenkapitaal van de belangrijke onder toezicht staande entiteit als het verband houdende besluit inzake eigen middelen (bijv. inzake de classificatie van kapitaalinstrumenten als kernvermogen tier 1-instrumenten of de verlaging van eigen middelen) eveneens gedelegeerd is;

e)

wijzigingen aan de statuten van een dochteronderneming om ze af te stemmen op de statuten van de moedermaatschappij als de wijzigingen aan laatstgenoemde reeds door de ECB werden goedgekeurd.

2.   De beoordeling van de wijzigingen van statuten wordt uitgevoerd in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van nationaal recht, eveneens rekening houdende met toepasselijke ECB-richtsnoeren en/of de standpunten, richtsnoeren of soortgelijke handelingen van nationale bevoegde autoriteiten.

Artikel 13

Criteria voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten betreffende benoemingen of wijzigingen van externe accountants

1.   Besluiten betreffende de benoeming van of wijzigingen aan de externe accountants van een belangrijke onder toezicht staande entiteit worden per gedelegeerd besluit genomen als deze besluiten volgens de toepasselijke nationale wetgeving de uitoefening van prudentieel toezicht krachtens artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 uitmaken.

2.   Besluitvormende bevoegdheden worden in geen geval gedelegeerd aan de hoofden van werkeenheden in verband met a) besluiten betreffende de vervanging van een externe accountant door een andere, aangewezen door de bevoegde of toezichthoudende autoriteit, of b) besluiten betreffende de aanwijzing van een externe accountant op bevel van de bevoegde toezichthoudende instantie.

3.   De beoordeling van de geschiktheid van de externe accountants wordt uitgevoerd in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van nationaal recht, eveneens rekening houdende met toepasselijke ECB-richtsnoeren en/of de standpunten, richtsnoeren of soortgelijke handelingen van nationale bevoegde autoriteiten.

Artikel 14

Criteria voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten betreffende krediet aan gelieerde partijen

1.   Besluiten betreffende de goedkeuring van kredietverlening door een belangrijke onder toezicht staande entiteit kunnen aan een gelieerde partij worden genomen bij gedelegeerd besluit als is voldaan aan alle van de volgende criteria:

a)

de totale blootstelling van de belangrijke onder toezicht staande entiteit tegenover de gelieerde partij bedraagt niet meer dan 5 miljoen EUR, en

b)

de op kredietverlening toepasselijke algemene voorwaarden zijn niet gunstiger dan deze op basis waarvan het krediet wordt verleend aan klanten die geen gelieerde partijen zijn, of zij zijn minstens gelijkend op deze die gelden voor hetzelfde soort verrichtingen die worden afgesloten met werknemers die geen gelieerde partijen van de belangrijke onder toezicht staande entiteit zijn.

2.   De beoordeling van de kredietverlening aan een gelieerde partij wordt uitgevoerd in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van nationaal recht, eveneens rekening houdende met toepasselijke ECB-richtsnoeren en/of de standpunten, richtsnoeren of soortgelijke handelingen van nationale bevoegde autoriteiten.

Artikel 15

Overgangsbepaling

Dit besluit is niet van toepassing wanneer de aanvraag om goedkeuring voor een van de in artikel 3, lid 1, genoemde operaties bij de ECB werd ingediend voor de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 16

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt op de twintigste dag volgende op de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie in werking.

Gedaan te Frankfurt am Main, 31 januari 2019.

De president van de ECB

Mario DRAGHI


(1)  PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63.

(2)  PB L 141 van 1.6.2017, blz. 14.

(3)  Zie bijvoorbeeld het arrest van het Hof van Justitie van 23 september 1986, AKZO Chemie tegen Commissie, 5/85, ECLI:EU:C:1986:328, punt 37; en arrest van het Hof van Justitie van 26 mei 2005, Carmine Salvatore Tralli tegen ECB, C-301/02 P, ECLI:EU:C:2005:306, punt 59.

(4)  Besluit ECB/2004/2 van 19 februari 2004 houdende goedkeuring van het reglement van orde van de Europese Centrale Bank (PB L 80 van 18.3.2004, blz. 33).

(5)  Besluit ECB/2014/16 van 14 april 2014 betreffende de oprichting van een administratieve raad voor toetsing en zijn werkwijze (PB L 175 van 14.6.2014, blz. 47).

(6)  Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338 ).

(7)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 van de Commissie van 10 oktober 2014 ter aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het liquiditeitsdekkingsvereiste voor kredietinstellingen (PB L 11 van 17.1.2015, blz. 1).

(8)  Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).

(9)  Uitvoeringsbesluit van de Commissie 2014/908/EU van 12 december 2014 betreffende de gelijkwaardigheid van de toezicht- en reguleringsvereisten van bepaalde derde landen en grondgebieden ten behoeve van de behandeling van blootstellingen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 359 van 16.12.2014, blz. 155).

(10)  Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (GTM-kaderverordening) (ECB/2014/17) (PB L 141 van 14.5.2014, blz. 1).

(11)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1675 van de Commissie van 14 juli 2016 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad door de identificatie van derde landen met een hoog risico die strategische tekortkomingen vertonen (PB L 254 van 20.9.2016, blz. 1).


Top