Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52017AE3055

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het rechtskader voor het Europees Solidariteitskorps en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1288/2013, (EU) nr. 1293/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1305/2013, (EU) nr. 1306/2013 en van Besluit nr. 1313/2013/EU (COM(2017) 262 final — 2017/0102(COD))

PB C 81 van 2.3.2018, pp. 160–166 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

2.3.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 81/160


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het rechtskader voor het Europees Solidariteitskorps en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1288/2013, (EU) nr. 1293/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1305/2013, (EU) nr. 1306/2013 en van Besluit nr. 1313/2013/EU

(COM(2017) 262 final — 2017/0102(COD))

(2018/C 081/21)

Rapporteur:

Pavel TRANTINA (CZ/III)

Corapporteur:

Antonello PEZZINI (IT/I)

Raadpleging

Europees Parlement, 20.6.2017

Raad van de Europese Unie, 20.6.2017

Rechtsgrondslag

Artikel 165, lid 4, en artikel 166, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

 

 

Bevoegde afdeling

Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap

Goedkeuring door de afdeling

27.9.2017

Goedkeuring door de voltallige vergadering

19.10.2017

Zitting nr.

529

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

124/0/1

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ingenomen met het voorstel van de Europese Commissie en meent dat het een goed uitgangspunt vormt voor een bredere discussie. Er zijn echter nog heel wat onderdelen die om verduidelijking en verbetering vragen. Wij zijn verheugd dat sommige prioriteiten, die tijdens de verschillende door de Commissie georganiseerde raadplegingen van de belanghebbenden door de organisaties uit het maatschappelijk middenveld werden benadrukt, zijn toegevoegd aan het rechtskader (zoals meer financiering, lokaal vrijwilligerswerk, nadruk op het verbeteren van de toegang voor jongeren uit kansarme milieus of met specifieke behoeften, nadruk op kwaliteitsborging van de plaatsingen, vereenvoudiging van de administratieve procedures).

1.2.

Volgens het EESC ligt de toegevoegde waarde van projecten (die door het Europees Solidariteitskorps worden gefinancierd) in de Europese solidariteitsboodschap ervan. In vergelijking met de vorige initiatieven zijn de projecten bedoeld om de deelnemers en de gastgemeenschappen ten volle bewust te maken van het Europese burgerschap en hun het gevoel te geven dat zij deel uitmaken van de Unie. Het EESC vindt het innoverende aspect van het korps, dat erin bestaat dat het is gegrondvest op waarden die verband houden met de Europese identiteit en dat deze waarden in het projectontwerp worden verweven en worden vertaald in tastbare resultaten, van cruciaal belang. Deze waarden zijn duidelijk vastgelegd in het EU-Verdrag: het zijn de waarden vrede, eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, verdraagzaamheid, non-discriminatie, gelijkheid van vrouwen en mannen, de rechtsstaat en eerbiediging en toepassing van de beginselen van een sociale markteconomie.

1.3.

Het EESC is ingenomen met de aankondiging van deze nieuwe investering in jongeren, maar uit zijn bezorgdheid omdat dit grotendeels is bereikt door de herverdeling van het budget voor Europees Vrijwilligerswerk van het Erasmus+-programma vanaf 2018. Het EESC meent dat investeringen in het budget van het korps niet ten koste mogen gaan van succesvolle programma’s die jongeren reeds waardevolle kansen bieden, met name het toch al ondergefinancierde Erasmus+. Om die reden vragen wij dat er meer „vers geld” in het programma wordt geïnvesteerd.

1.4.

Het EESC uit zijn grote bezorgdheid over het samenvoegen van de doelstellingen van het korps met het werkgelegenheidsbeleid voor jongeren. Het stelt daarom voor om de opname van banen en stageplaatsen in het programma in heroverweging te nemen. Het deel over werkgelegenheid en stages zou moeten worden aangeboden via andere reeds bestaande EU-programma’s voor werkgelegenheid en stages. Het solidariteitsaspect daarvan moet dan worden versterkt. Als het korps zich uitsluitend concentreert op het vrijwilligersaspect, komt er meer duidelijkheid en focus. Hierdoor zal er dan minder verwarring met de andere EU-programma’s voor jongeren ontstaan.

1.5.

Na uitgebreid overleg met de belangrijkste belanghebbenden komt het EESC met de volgende suggesties ter verbetering van het voorgestelde rechtskader, die het in hoofdstuk 4 nader toelicht:

de definitie van vrijwilligers- en solidariteitsactiviteiten moet worden gewijzigd;

alleen non-profitorganisaties, stichtingen en sociale ondernemingen zouden plaatsen mogen aanbieden;

het internetportaal voor onlineregistratie moet een werkelijk doeltreffende, interactieve beheertool worden;

jongeren, ook kansarme jongeren, zouden vóór hun plaatsing beter moeten worden ondersteund en voorbereid en jeugdorganisaties zouden bij het uitvoeren van deze voorbereidingswerkzaamheden moeten worden ondersteund;

jeugdorganisaties en sociale partners moeten worden betrokken bij het gezamenlijk beheer van het korps;

in tegenstelling tot de huidige gang van zaken bij Erasmus+ moet de toegankelijkheid worden verbeterd, moeten de administratieve lasten worden beperkt en moet de werkwijze van de nationale agentschappen worden gewijzigd, dit alles met het oog op een betere gebruiksvriendelijkheid.

Hieronder worden de voorstellen van het EESC, samen met andere suggesties, verder uitgewerkt.

2.   Samenvatting van het Commissie-initiatief

2.1.

In september 2016 heeft voorzitter van de Europese Commissie Jean-Claude Juncker de lancering van het initiatief voor het Europees Solidariteitskorps (het korps) aangekondigd in zijn toespraak over de staat van de Unie. Hij stelde dat solidariteit een van de bouwstenen van de Europese Unie vormt en zei dat hij bereid is meer jongeren bij solidariteitsacties en vrijwilligerswerk te betrekken.

2.2.

Het korps ging officieel van start op 7 december 2016 met als doel uiterlijk in 2020 de eerste 100 000 vrijwilligers te verwelkomen. De belangrijkste doelstelling van het Europees Solidariteitskorps is bij te dragen tot meer cohesie en solidariteit in de Europese maatschappij. Dit kan worden bereikt door jongeren toegang te geven tot een brede waaier aan op solidariteit gebaseerde activiteiten, bijvoorbeeld het helpen in crisissituaties zoals de vluchtelingencrisis, maar ook wanneer het nodig is om ad hoc in te grijpen (bijvoorbeeld bij natuurrampen).

2.3.

Als het wordt goedgekeurd, wordt het Europees Solidariteitskorps op 1 januari 2018 (opnieuw) gelanceerd en zal het beschikken over een budget van 341 miljoen EUR, dat over de volgende drie hoofdactiviteiten moet worden verdeeld:

Plaatsen voor solidariteitsactiviteiten, ter ondersteuning van jongeren die gedurende een maximumperiode van twaalf maanden vrijwilligerswerk doen, stageplaatsen gedurende gemiddeld twee tot en met zes maanden en banen gedurende twee tot en met twaalf maanden, conform de relevante nationale wetgeving. Werk in een vrijwilligersteam bestaande uit tien tot en met veertig jonge vrijwilligers uit verschillende landen gedurende twee weken tot twee maanden wordt ook ondersteund.

Solidariteitsprojecten: via deze projecten kunnen kleine groepen van minstens vijf geregistreerde deelnemers twee tot twaalf maanden lang op eigen initiatief solidariteitsprojecten op lokaal niveau opzetten en uitvoeren.

Netwerkactiviteiten: daarmee kunnen goede praktijken worden uitgewisseld onder geregistreerde deelnemers en deelnemende organisaties, kan ondersteuning na plaatsing worden aangeboden en kunnen alumninetwerken worden uitgebouwd.

De plaatsen zijn beschikbaar voor jongeren tussen 18 en 30 jaar. Momenteel is het programma beperkt tot de EU-28.

2.4.

Het programma heeft een looptijd van drie jaar, van 2018 tot en met 2020. 80 % van het budget van het Europees Solidariteitskorps zal zijn bestemd voor vrijwilligersplaatsen en 20 % voor banen (i.e. banen en stages). Bijna 58 % (ongeveer 197,7 miljoen EUR) van de 341 miljoen EUR die voor het programma is uitgetrokken, is afkomstig van Erasmus+. Het grootste deel van dat geld zal afkomstig zijn uit het budget voor Europees Vrijwilligerswerk (EVW) (191 miljoen EUR).

2.5.

Geregistreerde deelnemers moeten op het internetportaal een profiel aanmaken waarin ze hun voorkeuren voor het soort werk/plaats aangeven. Ze krijgen plaatsen aangeboden van publieke of private entiteiten of internationale organisaties die het kwaliteitskeurmerk van het korps hebben gekregen. Om dit kwaliteitskeurmerk te ontvangen en toegang te krijgen tot de databank, moet de organisatie een certificeringsproces doorlopen (vergelijkbaar met dat van het EVW), waarbij moet worden aangetoond dat de organisatie voldoet aan de vereisten van het Handvest van het Europees Solidariteitskorps (1) (onder andere het waarborgen van de ontwikkeling van vaardigheden, veilige en menswaardige arbeidsomstandigheden en adequate opleiding).

2.6.

De Europese Commissie en haar Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA) zullen op Europees niveau toezien op de uitvoering van het Europees Solidariteitskorps en de nationale agentschappen van Erasmus+ zullen op nationaal niveau toezicht houden op de uitvoering ervan.

2.7.

Voor vrijwilligersplaatsen krijgen alle deelnemers een vergoeding voor levensonderhoud (eten en huisvesting), reiskosten, verzekering en ongeveer 155 EUR per maand. Voor stages en banen worden de arbeidsovereenkomsten, lonen, stageovereenkomsten en stagevergoedingen vastgesteld overeenkomstig de nationale wetgeving. Voor die plaatsingen wordt voorzien in financiële ondersteuning voor de reiskosten.

2.8.

Een financiële aanvulling voor jongeren uit kansarme milieus wordt eveneens beoogd en bepaalde kosten van gastorganisaties (i.e. administratie, beheer, ondersteuning) kunnen eveneens worden gedekt. Ondersteuning vóór de plaatsing (zoals het leren van een taal) zal vooral online worden geboden. Organisaties mogen deze bijstand echter aanvullen met hun eigen ondersteuningssystemen. Om de deelnemende organisaties te ondersteunen, worden binnen de nationale agentschappen van Erasmus+ kenniscentra voor het Europees Solidariteitskorps opgericht.

3.   Algemene opmerkingen over het Europees Solidariteitskorps

3.1.

Het EESC juicht de oprichting toe van een nieuw programma voor jongeren en in het bijzonder voor vrijwilligerswerk voor jongeren, omdat dat in de huidige EU-structuur nog ontbrak. Het EESC is ook ingenomen met de verscheidenheid aan soorten plaatsingen die het korps te bieden heeft, zoals solidariteitsprojecten op lokaal niveau, waarbij de meest succesvolle elementen van de vroegere jongereninitiatieven zijn overgenomen.

3.2.

Het EESC hoopt dat er aan de hand van dit programma op EU-niveau een ruimere strategie voor vrijwilligerswerk kan worden uitgestippeld, niet alleen voor de 100 000 jongeren die aan het programma deelnemen, maar ook voor de ongeveer 100 miljoen jonge en volwassen EU-burgers die momenteel in heel Europa als vrijwilliger werken. Zoals het EESC al benadrukte in zijn advies over EU-beleid en vrijwilligerswerk (2), moeten de EU-instellingen hun beleid inzake vrijwilligerswerk meer op elkaar afstemmen. Dit zou moeten worden erkend als een overkoepelend beleidsonderdeel en door een speciale eenheid in de Europese Commissie moeten worden gecoördineerd, geschraagd door relevante beleidsstructuren in de andere EU-instellingen. In de Beleidsagenda voor vrijwilligerswerk in Europa (PAVE) is een aantal inspirerende voorstellen opgenomen voor de verdere ontwikkeling van vrijwilligerswerk op Europees en nationaal niveau, alsmede voor de sociale partners en ngo’s. Het korps moet ook de oprichting van nationale structuren voor vrijwilligerswerk versterken en ondersteunen alsook de vele belemmeringen voor grensoverschrijdend vrijwilligerswerk wegnemen.

3.3.

Het Europees Solidariteitskorps moet bijdragen aan de Europese sociale waarden. Het EESC uit zijn grote bezorgdheid over het samenvoegen van de doelstellingen van het korps met het werkgelegenheidsbeleid voor jongeren. Met deze aanpak bestaat namelijk het risico dat betaalde arbeid wordt vervangen door onbetaalde arbeid voor Europese jongeren. Om die reden maakt het EESC zich zorgen over het feit dat de definitie van „vrijwilligerswerk”, die is opgenomen in het rechtskader van het Europees Solidariteitskorps (voltijds onbetaald vrijwilligerswerk dat aaneensluitend wordt verricht gedurende vijf dagen per week en zeven uur per dag), erg nauw aansluit bij de beschrijving van een baan. Gewoonlijk is vrijwilligerswerk echter geen voltijdse bezigheid maar wordt het eerder uitgevoerd in de vrije tijd van de vrijwilliger.

3.4.

Het EESC stelt voor om het deel over werkgelegenheid en stages aan te bieden via andere reeds bestaande EU-programma’s voor werkgelegenheid en stages. Het solidariteitsaspect daarvan moet dan worden versterkt. Als het korps zich uitsluitend concentreert op het vrijwilligersaspect, komt er meer duidelijkheid en focus. Hierdoor zal er dan minder verwarring met de andere EU-programma’s voor jongeren ontstaan.

3.5.

Als banen en stages toch een onderdeel blijven vormen van het Europees Solidariteitskorps, pleit het EESC voor kwaliteitsnormen (Europees kwaliteitshandvest voor leerlingplaatsen en stages, het komende actiekader voor leerlingplaatsen, waarover door de Europese sociale partners gezamenlijk overeenstemming is bereikt) die in acht moeten worden genomen en lonen die volledig overeenstemmen met de nationale wetgeving inzake lonen en/of met de toepasselijke collectieve overeenkomsten. Evenzo zouden alleen non-profitorganisaties, stichtingen en sociale ondernemingen plaatsen mogen aanbieden. Verder zouden stagiairs en leerlingen goed moeten worden begeleid en zouden ziektekosten- en sociale verzekeringen en duidelijk gedefinieerde onderwijs- en opleidingsdoelstellingen in de overeenkomsten moeten worden opgenomen.

3.6.

De tenuitvoerlegging van het korps moet worden gemonitord in samenwerking met jongerenorganisaties en sociale partners, die er beide op moeten toezien dat er duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen vrijwilligersactiviteiten en eventuele banen.

3.7.

Het EESC is ervan overtuigd dat het Europees Solidariteitskorps volledig ten uitvoer moet worden gelegd onder Erasmus+ en dat er dus geen volledig nieuw programma in het leven moet worden geroepen dat wordt beheerd door de structuren van Erasmus+. Dit kan eveneens helpen bij het volledig in overeenstemming brengen van de voorwaarden voor het resterende deel van het EVW met het korps. Bovendien zou dit betekenen dat het programma niet het risico loopt na 2020 te worden opgeheven. Maar hoe dan ook zijn extra geld en steun nodig.

3.8.

Tegen de achtergrond van de in het verleden opgedane ervaring is het EESC van mening dat het belangrijk is om:

te garanderen dat alle initiatieven ter ondersteuning van solidariteitsactiviteiten zonder winstoogmerk overeenstemmen met reële, duidelijk geïdentificeerde behoeften in de doelgemeenschap;

overlappingen, administratieve lasten en belemmeringen voor goed werkende systemen zoals het Europees Vrijwilligerswerk (EVW) te vermijden;

de voorkeur te geven aan plaatselijke initiatieven die beantwoorden aan de behoeften van lokale gemeenschappen en niet aan transnationale initiatieven die meer voorbereiding, opleiding en een langere inwerkperiode vergen;

te overwegen voor deze initiatieven en andere activiteiten de minimumdeelnameleeftijd te verlagen naar 16 jaar;

vrijwilligersactiviteiten slechts goed te keuren als zij voldoen aan de kwaliteitscriteria uit de Beleidsagenda voor vrijwilligerswerk in Europa (PAVE) en het Europees Handvest van de rechten en de plichten van vrijwilligers;

aan het einde van de uitgevoerde activiteiten een certificaat uit te reiken, zoals bepaald in de aanbeveling van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren ter verhoging van de inzetbaarheid;

in steunmaatregelen te voorzien voor organisaties en individuen, zodat zij hun capaciteit inzake het organiseren van vrijwilligersactiviteiten kunnen ontwikkelen;

de flexibiliteit van het korps te waarborgen door deeltijdse activiteiten aan te bieden, zodat vrijwilligers met een handicap of met beperkte reismogelijkheden aan lokale projecten kunnen deelnemen;

mogelijke synergieën tussen projecten van het korps en lokale/nationale programma’s in kaart te brengen;

de belangrijkste belanghebbenden te betrekken bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van het programma;

het programma toegankelijker te maken voor gehandicapten en kansarmen (onder wie jongeren uit instellingen voor kinderen, jongeren uit afgelegen gebieden enz.);

er in het bijzonder op te letten dat de veiligheidsnormen worden nageleefd in programma’s waarbij direct met kinderen wordt gewerkt;

het programma grootschalig en doeltreffend te promoten, zodat ook mensen worden bereikt die er anders zelf geen gebruik van zouden hebben gemaakt.

4.   Specifieke opmerkingen over het Europees Solidariteitskorps

4.1.   Definitie van vrijwilligerswerk en solidariteitsacties

De definitie van vrijwilligerswerk in het huidige document is restrictief en weerspiegelt geenszins de diversiteit van het vrijwilligerswerk in Europa. Momenteel wordt vrijwilligerswerk gedefinieerd als „voltijds [i.e. een activiteit die aaneensluitend wordt verricht gedurende vijf dagen per week en zeven uur per dag] onbetaald vrijwilligerswerk voor een periode van maximaal twaalf maanden”. Om dat probleem op te lossen, zou het woord „vrijwilligerswerk” kunnen worden gebruikt om alle acties te beschrijven waarbij jongeren werken als vrijwilligers (bijvoorbeeld vrijwilligersplaatsen, werk in een vrijwilligersteam of vrijwilligersinitiatieven in de vrije tijd).

Ook de definitie van solidariteitsacties is vaag en te breed en werpt vragen op over het soort projecten dat onder het korps zal vallen.

4.2.   Aanbieden van plaatsen

In het huidige voorstel wordt geen formeel onderscheid gemaakt tussen vrijwilligerswerk en banen en stages, zodat onnodige verwarring ontstaat tussen twee verschillende realiteiten, i.e. vrijwilligerswerk en werk. Dezelfde criteria toepassen op alle activiteiten en alle deelnemende organisaties zet ook vraagtekens bij de kwaliteitsborging van de aangeboden plaatsen, aangezien dezelfde criteria zouden worden gebruikt voor de accreditatie van ondernemingen met winstoogmerk, organisaties uit het maatschappelijk middenveld en andere openbare en particuliere organisaties. Het EESC is er daarom van overtuigd dat alleen non-profitorganisaties, stichtingen en sociale ondernemingen plaatsen zouden moeten kunnen aanbieden.

4.3.   Gevolgen van het korps voor Erasmus+

Het EESC is ingenomen met de aankondiging van deze nieuwe investering in jongeren, maar uit zijn bezorgdheid omdat dit grotendeels is bereikt door de herverdeling van het EVW-budget van het Erasmus+-programma vanaf 2018. Dat leidt ons tot de vraag waar de prioriteiten van de Commissie liggen nu het slagingspercentage van gebruikers van andere onderdelen van het huidige hoofdstuk „Jeugd” van Erasmus+ snel afneemt en veel kwaliteitsprojecten geen financiering krijgen (zoals ook aan het licht is gekomen in het informatief rapport van het EESC over Erasmus+ (3)). Het EESC meent dat investeringen in het budget van het korps niet ten koste mogen gaan van de programma’s die jongeren reeds waardevolle kansen bieden, met name het reeds ondergefinancierde Erasmus+. Bovendien kan de toekomst op het spel staan van het Erasmus+-programma met zijn brede dimensie levenslang leren, die formeel en niet-formeel leren bij elkaar brengt.

4.4.   Het internetportaal voor onlineregistratie als een werkelijk doeltreffende, interactieve beheertool

Het EESC meent dat het internetportaal voor onlineregistratie de procedures kan vereenvoudigen en het korps makkelijker toegankelijk kan maken voor meer jongeren. Toch waarborgt blind vertrouwen in het portaal voor de registratie, de selectie van kandidaten en de ondersteuning vóór de plaatsing de kwaliteit en eerlijkheid van de selectie- en follow-upprocedures niet in voldoende mate. De passieve aard van het selectieproces (deelnemers moeten wachten tot geaccrediteerde organisaties contact met hen opnemen) werkt ondermijnend en zorgt voor een onevenwichtige relatie tussen de deelnemers en de gastorganisaties, wat kan leiden tot frustratie over het programma van het korps.

Daarom stelt het EESC voor het portaal dringend aan te passen, het interactiever te maken voor beide partijen en het mogelijk te maken er administratieve vereenvoudigingen mee door te voeren tijdens de hele looptijd van een project — van de eerste registratie van belangstelling tot een actieve zoektocht naar gastorganisaties, aanvraag, selectie, voorbereiding, prestaties en evaluatie en zelfs netwerkmogelijkheden voor alumni. Gegevens zouden slechts eenmaal moeten worden ingevoerd.

Er zou voor moeten worden gezorgd dat iedereen gelijke kansen krijgt, ook degenen die niet gemakkelijk toegang tot internet hebben. Voor die groep moet er offlineondersteuning bestaan.

4.5.   Voorbereiding vóór de plaatsing, met inbegrip van steun voor kansarme jongeren

Het simpelweg geven van onlineopleiding vóór een plaatsing is onvoldoende om succesvolle ervaring te garanderen. Het EESC meent dat met name kansarme jongeren vóór hun plaatsing beter moeten worden ondersteund en voorbereid en dat jeugdorganisaties met hun ervaring die ondersteuning tijdens alle fasen van het programma kunnen bieden en in voldoende mate worden aangemoedigd om dit daadwerkelijk te doen.

4.6.   Jeugdorganisaties en sociale partners bij het gezamenlijk beheer van het korps betrekken

Om ervoor te zorgen dat het programma een succes wordt, moeten de belangrijkste belanghebbenden vanaf het begin bij het ontwerp ervan worden betrokken. In het huidige voorstel worden jeugdorganisaties, andere vrijwilligersorganisaties en sociale partners niet betrokken bij de uitvoering, het gezamenlijk beheer en de monitoring van het korps. In het voorstel wordt voorrang gegeven aan de nationale agentschappen van Erasmus+ die het programma beheren met een structuur die vergelijkbaar is met die van het EVW-programma. In de jaarlijkse werkprogramma’s van de Commissie zal ook volgens de eigen criteria worden besloten over de toewijzing van het budget overeenkomstig de belangrijkste activiteiten. Het EESC blijft van mening dat jeugdorganisaties en andere organisaties uit het maatschappelijk middenveld, waaronder de sociale partners, regelmatig moeten worden geraadpleegd tijdens de programmering, uitvoering en monitoring van het initiatief. Dit kan worden gedaan via adviesgroepen en andere formele en informele kanalen. Ook jongeren moeten op alle niveaus (Europees, nationaal en lokaal) worden betrokken bij het monitoring- en evaluatieproces, bijvoorbeeld via een instrument voor het beoordelen van hun ervaring.

4.7.   Toegankelijkheid, administratieve lasten en nationale agentschappen

In de tussentijdse evaluatie van Erasmus+ (4) wees het EESC er al op dat het indienen van een aanvraag voor en het deelnemen aan Erasmus+ nog steeds een uitdaging vormt voor vrijwilligersorganisaties die niet volledig geprofessionaliseerd zijn. De absolute hoeveelheid werk die hierbij om de hoek komt kijken is misschien niet altijd te veel, maar door de beperkte personele en financiële middelen wagen deze organisaties die stap niet of gaan ze op zoek naar alternatieve mogelijkheden die minder belastend zijn. Het is daarom van het allergrootste belang dat de nationale agentschappen hun werkwijze veranderen en zo gebruiksvriendelijk mogelijk maken, zodat ze potentiële kandidaten voor het korps kunnen aantrekken en deze kandidaten alsook hun mogelijke gastorganisaties bij hun inspanningen kunnen ondersteunen. Minder formele controles en meer informele begeleiding verhogen de slagingskans van het programma. De nationale agentschappen zouden daarbij adequaat moeten worden ondersteund en extra financiële middelen moeten krijgen om gebruikers persoonlijk te kunnen helpen.

4.8.   Andere kwesties waarover moet worden nagedacht:

a)

Hoe kunnen we waarborgen dat informatie over het initiatief alle jongeren, regio’s en organisaties voor nieuwkomers, vooral die in kwetsbaardere situaties, bereikt? Of wordt dit een soort van closed shop voor de uitverkorenen?

b)

Hoe kunnen we garanderen dat kansarme jongeren daadwerkelijk toegang krijgen tot het programma? Het is uiterst belangrijk geld uit te trekken voor stimuleringsactiviteiten voor organisaties die bij het programma betrokken zijn. De rol van ondersteunende organisaties is essentieel om stimuleringsactiviteiten te behouden en om vervolgens betrokkenheid te ondersteunen. Via het programma moet worden gezorgd voor meer maatschappelijke betrokkenheid van jongeren, ook na afloop van het rechtskader voor het korps.

c)

De kwaliteit van het programma voor de deelnemers moet worden verzekerd, maar hoe evalueren we de kwaliteit van solidariteit (resultaten van elk project)?

d)

Moeten we het korps mainstreamen in andere Europese programma’s? In de Erasmus+-programma’s voor studentenmobiliteit kan ook een dimensie lokaal vrijwilligerswerk worden opgenomen en aan het korps worden gekoppeld.

e)

Welke objectieve criteria zal de Commissie gebruiken om het beschikbare budget voor elke specifieke actie jaarlijks aan te passen? Aanpassingen op basis van de vraag naar elke activiteit kunnen enerzijds de druk op sommige activiteiten verlichten en anderzijds helpen te voorkomen dat jongeren en deelnemende organisaties zich terugtrekken.

f)

Hoe kunnen we garanderen dat de aanvraag van financiering flexibel genoeg is voor vrijwilligersorganisaties en jeugdgroepen? Een vereenvoudigd proces zou ervoor kunnen zorgen dat microsubsidies (minder dan 5 000 EUR) op elk moment kunnen worden aangevraagd, zonder vaste deadlines en via een eenvoudig aanvraagformulier.

Brussel, 19 oktober 2017

Voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Georges DASSIS


(1)  https://europa.eu/youth/solidarity/charter_nl

(2)  Advies van het EESC — Mededeling over EU-beleid en vrijwilligerswerk: erkenning en bevordering van grensoverschrijdend vrijwilligerswerk in de EU, PB C 181 van 21.6.2012, blz. 150.

(3)  SOC/552: Tussentijdse evaluatie van Erasmus+, goedgekeurd op 31 mei 2017.

(4)  SOC/552: Tussentijdse evaluatie van Erasmus+: de laatste alinea van het hoofdstuk over de vraag of de administratieve lasten voor het beheer van de Erasmus+-projecten op bepaalde werkgebieden zijn verminderd (technische bijlage).


Top