This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52005IP0230
European Parliament resolution on strengthening European competitiveness - the effects of industrial change on policy and the role of SMEs (2004/2154(INI))
Resolutie van het Europees Parlement over de versterking van de Europese concurrentiepositie: gevolgen van de industriële veranderingen voor het beleid voor en de rol van het MKB (2004/2154(INI))
Resolutie van het Europees Parlement over de versterking van de Europese concurrentiepositie: gevolgen van de industriële veranderingen voor het beleid voor en de rol van het MKB (2004/2154(INI))
PB C 124E van 25.5.2006, pp. 510–516
(ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)
Resolutie van het Europees Parlement over de versterking van de Europese concurrentiepositie: gevolgen van de industriële veranderingen voor het beleid voor en de rol van het MKB (2004/2154(INI))
Publicatieblad Nr. 124 E van 15/05/2006 blz. 0510 - 0516
P6_TA(2005)0230 Versterking van de Europese concurrentiepositie Resolutie van het Europees Parlement over de versterking van de Europese concurrentiepositie: gevolgen van de industriële veranderingen voor het beleid voor en de rol van het MKB (2004/2154(INI)) Het Europees Parlement, - gezien de mededeling van de Commissie "De structurele veranderingen begeleiden: een industriebeleid voor het uitgebreide Europa" (COM(2004)0274), - gezien de mededeling van de Commissie "Een pro-actief mededingingsbeleid als hefboom voor Europees concurrentievermogen" (COM(2004)0293), - gezien artikel II-76 (De vrijheid van ondernemerschap) van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, - gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Lissabon van 23 en 24 maart 2000 en zijn resolutie van 15 maart 2000 [1] in het vooruitzicht daarvan, - gezien het rapport Kok over groei en werkgelegenheid dat op 3 november 2004 is uitgebracht aan de Raad en de Commissie, - gezien de mededeling van de Commissie "Samen werken aan werkgelegenheid en groei. Een nieuwe start voor de Lissabon-strategie" (COM(2005)0024), - gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Brussel van 22 en 23 maart 2005, - gezien de mededeling van de Commissie "Bouwen aan onze gemeenschappelijke toekomst. Beleidsuitdagingen en begrotingsmiddelen in de uitgebreide Unie 2007-2013" (COM(2004)0101) en de mededeling van de Commissie "Financiële vooruitzichten 2007-2013" (COM(2004)0487), - gezien het voorstel voor een verordening van de Raad houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds (COM(2004)0492), - gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (COM(2004)0495), - gezien de Beschikking van de Raad van 20 december 2000 betreffende een meerjarenprogramma voor ondernemingen en ondernemerschap, met name voor het midden- en kleinbedrijf (MKB) (2001-2005) [2], - gezien het Europees Handvest voor kleine bedrijven, goedgekeurd op de Europese Raad van Santa Maria da Feira in juni 2000, - gezien het rapport van de Commissie over de uitvoering van het Europees Handvest voor kleine bedrijven (COM(2005)0030), - gezien de mededeling van de Commissie betreffende de tenuitvoerlegging van het actieplan voor risicokapitaal (APRK) (COM(2003)0654), - gezien de mededeling van de Commissie 'Europese governance: Een betere wetgeving' (COM(2002)0275), - gezien de mededeling van de Commissie over effectbeoordeling (COM(2002)0276), - onder verwijzing naar zijn resolutie van 11 juli 1991 over het industriebeleid van de Gemeenschap in een door concurrentie gekenmerkte open context [3], zijn resolutie van 29 juni 1995 over de mededeling van de Commissie over het beleid inzake het concurrentievermogen van de Europese Unie op industriegebied [4], en zijn resolutie van 23 oktober 2003 over het industriebeleid na de uitbreiding [5], - gelet op artikel 45 van zijn Reglement, - gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A6-0148/2005), A. gelet op het belang van de industrie in de EU als bron van werkgelegenheid, creatie van welvaart en activiteiten in de dienstensector, B. de benadering van de Commissie onderschrijvend die berust op de noodzaak van concurrentievermogen van de Europese industrie en die gericht is op het bevorderen van de industriële veranderingen, C. overwegende dat de toekomst van de industriële sector nauw verbonden is met de groei in de dienstensector; diensten zorgen voor meer productiviteit bij de productie van goederen en de toename van de industriële productie bevordert de vraag naar diensten, D. verheugd over het opzetten van een nieuwe strategie voor groei en werkgelegenheid voor de EU; eraan herinnerend dat de EU achterop is geraakt op het gebied van industriebeleid en dat er snel en effectief moet worden gehandeld, E. constaterende dat de uitbreiding van de EU haar industriële structuur ingrijpend heeft gewijzigd en dat de internationale concurrentiedruk sterk is toegenomen, F. gelet op de territoriale dimensie van het industriebeleid en de verwoestende impact van het verschijnsel industriële relocalisatie; het belang onderlijnend van de industriële reconversie van regio's die getroffen worden door economische herstructureringen, G. overwegende dat de EU te maken heeft met de gigantische demografische uitdaging van vergrijzing die duidelijk gevolgen zal hebben voor de industriële sector, o.a. een terugval in de arbeidsmarktparticipatie, H. overwegende dat het bereiken van het doel van concurrentievermogen afhankelijk is van de menselijke hulpbronnen; dat een kwantitatieve en kwalitatieve verbetering van de werkgelegenheid ook aan de industrie toekomt, I. overwegende dat de industrie niet homogeen is en dat een sectorgewijze aanpak het mogelijk moet maken de factoren van concurrentievermogen te evalueren; dat er rekening moet worden gehouden met het karakter, de omvang en het soort activiteit van bedrijven, vooral van kleine bedrijven; indachtig het economisch en maatschappelijk belang van kleine bedrijven die in de Unie meer dan 95 % van de ondernemingen uitmaken, en indachtig hun sleutelrol bij het ten uitvoer leggen van de strategie van Lissabon, J. constaterend dat de bescheiden instrumenten waar het industriebeleid momenteel over beschikt, het onmogelijk maken om de industrie te oriënteren op de high tech; dat een massale financiële injectie, zowel van het bedrijfsleven als van de overheid, in onderzoek en ontwikkeling (O&O) dringend nodig is, K. van mening dat het noodzakelijk is om het wetgevend en reglementair kader te verbeteren waarbinnen bedrijven actief zijn, alsook hun toegang tot communautaire programma's, terwijl er voor gezorgd moet worden dat rekening wordt gehouden met de behoeften van ondernemingen, ook van kleine bedrijven, evenals met de verlichting van de wettelijke en administratieve lasten, L. gelet op de noodzaak om de informatie over de positie van de EU-industrie na 2004 bij te werken, Vaststellen van de doelstellingen voor het Europese industriebeleid 1. verheugt zich over het besluit van de Europese Commissie om van het industriebeleid een prioriteit op de Europese agenda te maken; 2. steunt het bevorderen van een proactief industriebeleid ter begeleiding van en om vooruit te lopen op de structurele veranderingen en het ontwikkelen van een solide concurrentiële basis van de Europese industrie; 3. begrijpt het gemaakte onderscheid tussen desindustrialisering en structurele veranderingen en onderschrijft de zienswijze van de Commissie (in COM(2004)0274) dat de Europese industrie een ontwikkeling van structurele veranderingen onder ogen zal moeten zien, die algemeen heilzaam zal blijken en aangemoedigd moet worden; stipt niettemin aan dat de analyse van de veranderingen niet volledig is en dat er geen onweerlegbare gegevens over de bedrijfsdelocalisaties voorhanden zijn; meent dan ook dat de Commissie een groep deskundigen zou moeten vragen om in nauwe samenwerking met het European Monitoring Centre on Change (EMCC) en met ruime gebruikmaking van de kennis en ervaring die daar voorhanden zijn, voor de Europese Raad een rapport over het onderwerp op te stellen; 4. is van mening dat groei van de kwantiteit en kwaliteit van de werkgelegenheid een van de belangrijkste doelstellingen moet zijn van het industriebeleid; acht het noodzakelijk om de industrie aantrekkelijker te maken voor jongeren; bepleit een informatieslag over beroepen en kennis in de industrie, onderbouwd met een Europees beleid van erkenning van vakbekwaamheden en levenslange permanente educatie; verzoekt de sociale partners bij te dragen aan dit doel en hun deel van de verantwoordelijkheid te nemen voor het bevorderen van gezamenlijke acties; 5. meent dat de sociale dialoog de best presterende en sterkst bedreigde sectoren moet helpen aanwijzen: een Europese conferentie voor industriële ontwikkeling kan de deelnemers aan de sociale dialoog en de onderzoekers samenbrengen, meer in het bijzonder de Stichting van Dublin, die ervaring heeft met sociale dialoog en uitwisseling van de beste werkwijzen en sectoriële studies publiceert, en op gezette tijden in voeling laten treden met de Europese Commissie; 6. constateert dat de werkgelegenheid in de industriële sector de neiging heeft door mannen te worden gedomineerd; zou graag zien dat vrouwen worden gestimuleerd om zich te laten opleiden voor industriële carrières als onderdeel van de toezegging van de Commissie voor levenslange permanente educatie; 7. bepleit een krachtiger streven om menselijke hulpbronnen te ontwikkelen die met hun potentieel voor innovatie zullen bijdragen aan de concurrentiepositie van de industrie op langere termijn; acht het van vitaal belang dat de industrie aantrekkelijker wordt gemaakt voor jongeren; bepleit maatregelen om informatie te verspreiden over industriële vakken in combinatie met een Europees beleid om vakbekwaamheden te erkennen en levenslange permanente educatie; 8. bepleit dat het industriebeleid het mogelijk maakt dat er Europese industriële kampioenen tevoorschijn komen; 9. is van mening dat Europese onderzoeksbeleidinstrumenten zoals technologieplatforms en technologie-initiatieven gebruikt moeten worden om de concurrentiepositie van de industrie te promoten; 10. is van mening dat het Europees industriebeleid de innoverende capaciteiten moet versterken van de industrie, o.a. technische, technologische en marktinnovatie; 11. meent dat de toenemende concurrentie van de opkomende economieën voor de overheid een aansporing moet betekenen om gunstige omstandigheden voor het ontstaan van nieuwe productievormen of -combinaties tot stand te brengen, die toegevoegde waarde genereren en kwaliteitsvolle nieuwe arbeidsplaatsen met zich meebrengen en Europa een comparatief voordeel moeten bieden; 12. is van mening dat een EU-industriebeleid moet leiden tot evenwichtige ontwikkeling door de maatschappelijke cohesie te handhaven; 13. houdt vol dat bij het proces om structurele verandering te bevorderen en erop vooruit te lopen, de economisch en maatschappelijk betrokkenen een rol moeten spelen die hun in staat stelt om overeenkomsten af te sluiten over bevordering van innoverende arbeidspatronen en om werknemers de beschikking te geven over de opleiding die zij nodig hebben om zich te kunnen aanpassen; Rekening houden met de verschillende dimensies van het Europees industriebeleid 14. deelt de sectorale benadering van de Commissie en spreekt de hoop uit dat zij overgaat tot het opstellen van onafhankelijke en objectieve concurrentiebalansen per sector, o.a. hun concurrentiekracht in een globale context; hoopt dat deze sectorale diagnoses rekening houden met werkgelegenheid en de impact van de industrie op de arbeidsmarkt en milieu- en maatschappelijke kwesties zal bestuderen; is van mening dat deze diagnoses moeten helpen om de behoeften van de industrie vast te stellen en hierop te anticiperen; 15. is van mening dat om de evaluatie van het concurrentievermogen per afzonderlijke sector zinvol te maken en rekening te houden met werkgelegenheidsvraagstukken, de sociale partners moeten worden geraadpleegd en zo mogelijk worden uitgenodigd deel te nemen aan de voorbereiding van de evaluatie; 16. verzoekt bij deze sectorale benadering rekening te houden met de rol inzake productie en outsourcing van het MKB en van de kleine en middelgrote industrieën door de ontwikkeling van samenwerkingsverbanden; verzoekt tevens dat deze benadering rekening houdt met de micro-bedrijven die meer dan 92 % van de ondernemingen in de EU uitmaken; herhaalt het belang van het Europees Handvest voor kleine bedrijven en dat het moet kunnen beschikken over een juridische waarde; bepleit een besluit hiertoe van de Raad; 17. betreurt dat de Europese Commissie te weinig aandacht heeft geschonken aan de inspanningen die geleverd moeten worden voor de sectoren en gebieden die bijzonder zwaar getroffen worden door de industriële herstructureringen, want het is de plicht van de overheid om de getroffen werknemers, sectoren en gebieden met haar beleid op korte termijn en zeer gericht te hulp te komen; de structuurfondsen, en meer bepaald het Europees Sociaal Fonds, kunnen in die zin geheroriënteerd worden; 18. benadrukt de structurerende dimensie van de industrie voor Europa; verzoekt de Commissie hiermee rekening te houden bij de onderhandelingen over de structuurfondsen en het kaderprogramma; bepleit dat de hieruit volgende middelen worden gereserveerd voor het opzetten en de ontwikkeling van concurrentiepolen en industrieclusters die concurrerend zijn; benadrukt tegelijkertijd dat de kwaliteit van de output even belangrijk is als de hoeveelheid geld die in deze fondsen wordt geïnvesteerd; 19. stelt voor om te kiezen voor specifieke acties in die sectoren die buitengewoon gevoelig zijn voor delocalisaties, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen delocalisaties binnen de EU en die naar buiten de EU en om die sectoren die beschikken over comparatieve voordelen en/of high-tech-sectoren verschillend te behandelen, op basis van een rapport van de Commissie dat o.a. rekening houdt met de maatschappelijke en regionale gevolgen van deze factoren; 20. maakt zich zorgen over het ontbreken van betrouwbare gegevens over de industrie in de nieuwe lidstaten; verzoekt de Commissie om een inventaris te maken van de industrie met een actieplan om te reageren op de risico's die hun industrie en de werkgelegenheid boven het hoofd hangen; verzoekt de Commissie om een specifieke opvolging van het acquis inzake de interne markt in deze landen; onderstreept het ontbreken van kennis over kleine bedrijven, vooral ambachtelijke bedrijven, in de lidstaten, met inbegrip van de oude lidstaten, en verzoekt nogmaals om statistisch en economisch onderzoek naar en analyses van deze bedrijven; 21. legt de nadruk op de voornaamste conclusie van de Commissie, namelijk dat de regelgeving moet worden vereenvoudigd om de nog broze concurrentiepositie van de nieuwe lidstaten op peil te houden en is van mening dat dit pleidooi voor een geringere wetgevingsdruk voor alle lidstaten moet gelden, ter versterking van het algemene concurrentievermogen en verzekering van een reële groei van de werkgelegenheid; 22. vestigt de aandacht op de belangrijke uitdaging waar de Unie voor komt te staan wanneer in de toekomst de werkgevers met pensioen gaan en benadrukt dat het om miljoenen arbeidsplaatsen gaat; verzoekt de Commissie en de Raad om een communautaire strategie vast te stellen in overleg met de werkgeversorganisaties om de eigendomsoverdracht van bestaande levensvatbare bedrijven te stimuleren; Een methode en een regelgevend kader die in dienst staan van onze industriële ambities 23. is van mening dat het industriebeleid onderdeel moet worden van de herziene strategie van Lissabon; wil dat de industriële dimensie wordt betrokken bij de drie pijlers; 24. is voorstander van het voorstel voor een actieprogramma om de Lissabon-doelstellingen tot stand te brengen en dringt erop aan dat dit programma nauwkeurige doelstellingen omvat voor de lidstaten; is evenwel van mening dat de tien geselecteerde thematische prioriteiten niet voldoende in dit stadium rekening houden met de uitdagingen waarvoor de industrie staat; 25. is van mening dat een betere benutting van de synergie tussen de verschillende communautaire beleidsvormen die van invloed zijn op de concurrentiepositie van de industrie, slechts dan mogelijk is wanneer dit doel expliciet wordt geformuleerd in het actieprogramma voor het halen van de Lissabon-doelstellingen; 26. beschouwt de toezegging van de Commissie tot betere wetgeving als een prioriteit; verzoekt het Europees Parlement en de Raad hieraan een bijdrage leveren; verzoekt de Commissie en de lidstaten nauwkeurige doelstellingen te formuleren ter vereenvoudiging en volledige implementatie van het bestaande regelgevende kader, per sector; 27. bepleit dat de systemen ter evaluatie van de impact van nieuwe regelgeving worden verbeterd; betreurt het dat deze procedures beperkt zijn tot de ondernemingen in het algemeen en geen analyse geven van de impact voor kleine en microbedrijven ondanks hun belang; betreurt het tevens dat er te weinig transparantie is bij deze procedures en dat organisaties die bedrijven vertegenwoordigen, niet kunnen reageren op de impactanalyses; verwacht van de Commissie dat zij een duidelijke transparante methode vaststelt voor het voeren van deze procedures, met inbegrip van een efficiënte betrokkenheid van de relevante industriële sector; 28. dringt erop aan dat de Commissie overleg voert met alle sociale partners, met name de vakbonden; 29. benadrukt de noodzaak om de beschikking te hebben over een stabiel macro-economisch kader waarop de bedrijven hun economische projecties kunnen baseren; acht het daarom nuttig om meer gebruik te maken van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid (BEPG) en de Europese richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid (ERWB); Instrumenten die de Europese industrie ondersteunen 30. onderstreept dat veel van de bestaande instrumenten niet eenvoudig genoeg zijn om gebruikt te worden door alle bedrijven; benadrukt het belang van maatregelen die de administratieve lasten voor het MKB verlagen; constateert dat kleine bedrijven nog steeds weinig baat vinden bij de bestaande communautaire programma's omdat deze zo ingewikkeld zijn, omdat er allerlei waarborgen nodig zijn en omwille van administratieve moeilijkheden; verzoekt de Commissie hierin verbetering te brengen en in overleg te gaan met de organisaties die de bedrijven vertegenwoordigen, om de efficiëntie te verbeteren, met name om de mogelijkheden voor overdracht van onderzoeksresultaten naar het MKB te vergroten, en om, met de steun van de lidstaten, gerichte informatiecampagnes op te zetten; 31. bepleit dat het zevende kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling zorgt voor een duidelijke langetermijnstrategie ter versterking van de innovatiecapaciteit van de industrie, met inbegrip van het MKB; steunt de ontwikkeling van langetermijn-industriële technologieprogramma's waar zowel de overheid als het bedrijfsleven bij betrokken worden; 32. bepleit dat technologieplatforms meer worden gestimuleerd omdat zij een essentieel middel zijn voor steun aan innovatie en de Europese industrie; is van mening dat technologieplatforms zo moeten worden ontworpen dat zij de structuur van de Europese industrie die in de eerste plaats en vooral uit het MKB bestaat, mogelijk maken; 33. onderstreept het probleem van het currentievermogenvan de Europese economie dat o.a. komt door het bestaan van een zogenaamde paradox tussen de generatie van wetenschappelijk kennis (die in de EU voldoende aanwezig is) en het toch niet voldoende kunnen omzetten van deze kennis in innovatie en vooral productie; onderstreept dat de deelname van de industrie aan het definiëren van de prioriteiten voor het toekennen van de financiële ondersteuning deze situatie kan verbeteren, en dat daarom moet gestreefd worden naar de deelname van de industrie aan, en de verbetering van de positie van het MKB in het 7de kaderprogramma; 34. verzoekt de Commissie te bekijken welke mogelijkheden er zijn om via het 7de kaderprogramma voor O&O de bestaande netwerken van bedrijven en het EUREKA-programma waar de bedrijven in ruime mate bij vertegenwoordigd zijn te consolideren; 35. wil dat het meerjarenprogramma concurrentievermogen en innovatie het Europees kleinbedrijf ondersteunt bij hun ontwikkeling en het instrument wordt voor de tenuitvoerlegging van het Europees Handvest voor kleine bedrijven; is van mening dat daardoor deze bedrijven werkelijk aansluiting kunnen vinden bij de industriële strategie van de EU; 36. steunt het doel om het totale volume aan bedrijven terug te draaien, maar herinnert aan het nut van bepaalde hulp om sommige tekortkomingen van de markt te verzachten zoals steun aan O&O of aan opleiding, vooral beroepsopleiding en leerlingwezen, voor adviesdiensten en hulp aan bedrijven voor economische ontwikkeling; is van mening dat het van vitaal belang is om de industrie aantrekkelijker te maken voor jongeren, bijvoorbeeld door steun aan O&O, evenals informatie te geven over industriële beroepen en kennis samen met een Europees beleid voor erkenning van vakbekwaamheden en permanente vorming; maakt zich zorgen over de geplande afschaffing op enkele uitzonderingen na van regionale steun aan grote bedrijven buiten gebieden die nu in aanmerking komen in het kader van artikel 87, lid 3 van het EG-Verdrag; 37. wijst erop dat er bij volledige en doeltreffende internationale concurrentie alsmaar beter geschoolde en concurrentiëlere arbeidskrachten voorhanden moeten zijn; 38. meent dat er om het concurrentievermogen en de werkgelegenheid te verbeteren, voorrang gegeven moet worden aan onderwijs en vorming, met name op het gebied van nieuwe technologieën, en dat de lidstaten daarom moeten overgaan tot een objectieve evaluatie van hun onderwijs- en vormingsstelsels; 39. gestreefd moet worden naar de ondersteuning van een efficiënter onderzoeks- en innovatiebeleid door aandacht te besteden aan flankerend beleid, zoals daar is de voltooiing van de interne markt, het instellen van een goedkoper, meer flexibel octrooibeleid met een betere toegang voor het MKB; 40. constateert het belang van overheidssteun aan het MKB in de lidstaten; verzoekt de Commissie om binnen de structuurfondsen alle instrumenten in stand te houden voor hulp aan economische en sociaal-economische reconversie voor regio's die het slachtoffer zijn van industriële delocalisaties; dringt aan op betere aandacht voor het kleinbedrijf en de micro-bedrijven in deze regio's en meer in het algemeen bij het gehele cohesiebeleid; verzoekt de Commissie en de Raad daarom om de aanbevelingen van het Europees Handvest voor kleine bedrijven te integreren in de prioriteiten van de doelstellingen voor convergentie, concurrentievermogen en samenwerking; 41. vraagt om een duidelijk geformuleerd effectief kader voor intellectuele eigendom en wenst een succesvolle goedkeuring van de richtlijnen over eerbiediging van intellectuele-eigendomsrechten en het gemeenschapsoctrooi; 42. is van mening dat de ontwikkeling van begeleidende maatregelen essentieel is om de industrie te helpen markten buiten de EU te veroveren en daarmee een actief aandeel te verwerven in de groei van de opkomende economieën; 43. verzoekt de Commissie de middelen vast te stellen (b.v. de creatie van risicokapitaalfondsen) om, niet in de laatste plaats op communautair niveau, aan te wenden voor de bevordering van het ontstaan van nieuwe bedrijven, vooral in de nieuwe technologiesector, en om maatregelen te stimuleren die kunnen leiden tot spin-offbedrijven; 44. steunt de aanbevelingen om bedrijven in staat te stellen zich internationaal te ontwikkelen; bepleit dat deze maatregelen ook gelden voor het MKB; verzoekt de Commissie om gebruik te maken van de verdedigingsmechanismen die de WTO biedt wanneer een Europese industriële sector slachtoffer wordt van onrechtmatige handelspraktijken; 45. onderstreept dat het gefragmenteerde karakter van de Europese financiële markten een rem zet op een goed functioneren van de markten voor risicokapitaal en acht het van prioritair belang hier iets aan te doen opdat ondernemingen makkelijker toegang krijgen tot financieringsbronnen; vestigt de aandacht op de noodzaak om de toegang van bedrijven tot financiële instrumenten te stimuleren en om financieringsmogelijkheden te creëren middels onderlinge waarborgsystemen; bepleit het ontwikkelen van innovatieve financieringsregelingen om in te kunnen spelen op de nieuwe materiële en immateriële investeringsbehoeften van bedrijven, o.a. het MKB en microbedrijven, vooral op het gebied van normen, technologie, milieu en benutting van markten; bepleit maatregelen om het verband te bevorderen tussen aandelenkapitaal en fondsen en om te werken aan het leggen van verbindingen tussen financiering, bedrijven, industrie en universiteiten; bepleit in dit verband speciale aandacht voor instrumenten die speciaal gericht zijn op het MKB; 46. meent dat de overheid in geval van onvolledige benutting van de markt de ontwikkeling van activiteiten die naar het oordeel van het bedrijfsleven te sterk risicodragend zijn, moet aanmoedigen; het is daarom ook dringend geboden om de sectoren met hoge toegevoegde waarde aan te wijzen, met name op het gebied van nieuwe technologieën, die de overheid kan ondersteunen om voor kwaliteitsvolle arbeidsplaatsen te zorgen; acht het ook de plicht van de overheid om onderzoeks- en innovatieactiviteiten te ontwikkelen als bron van positieve externe effecten; 47. houdt vol dat het voor een effectief industriebeleid nodig is dat er een globale dimensie wordt gecreëerd en hoopt dat de nieuwe generatie van externe hulpprogramma's van de Unie over de periode 2007-2013 zal worden gebruikt op een strategisch geschikte wijze om de internationalisering van de Europese industrie te bevorderen en te ondersteunen, vooral het MKB, op de markten van derde landen; 48. verwacht dat rekening wordt gehouden met het belang en de behoeften van de Europese industrie, vooral het MKB, bij het opstellen van de nieuwe financiële vooruitzichten voor de periode 2007-2013; 49. is van mening dat de communicatie-infrastructuur en de logistiek een essentiële rol vervullen bij het bevorderen van de industriële ontwikkeling en economische integratie in de uitgebreide Unie; is van mening dat het trans-Europese vervoersnetwerk, vooral de grensoverschrijdende gedeelten, snel moet worden voltooid en hoopt dat de noodzakelijke steun kan worden gevonden op de communautaire begroting in de periode 2007-2013; 50. stelt voor als onderdeel van het plan om overheidssteunregels te hervormen dat er een vastomlijnde benadering komt met het oog op bevordering van innovatie, die alle sectoren omvat, onder het motto van de doelstellingen van Lissabon; is van mening dat innovatie (op te vatten in bredere zin en niet slechts beperkt tot de technologische aspecten) een fundamentele doelstelling moet zijn van de beleidsstrategie van de Gemeenschap voor industrieel beleid; 51. vestigt de nadruk op de noodzaak alle initiatieven te stimuleren die beogen bedrijven in staat te stellen om te groeien op de schaal die voor hen nodig is om beter te kunnen concurreren op de globale markt; 52. vraagt de Commissie om de resultaten van het stimuleringsbeleid voor onderzoek en ontwikkeling regelmatig te evalueren, vooral in termen van arbeidsplaatsen die het oplevert, want de omvang van de financiële middelen is niet het enige criterium voor analyse; * * * 53. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten. [1] PB C 377 van 29.12.2000, blz. 164. [2] PB L 333 van 29.12.2000, blz. 84. [3] PB C 240 van 16.9.1991, blz. 213. [4] PB C 183 van 17.7.1995, blz. 26. [5] PB C 82 E van 1.4.2004, blz. 627. --------------------------------------------------