Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62019CN0222

    Zaak C-222/19: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Rejonowy w Opatowie (Polen) op 8 maart 2019 — BW Sp. z o.o. w B./D.R.

    PB C 280 van 19.8.2019, p. 17–17 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

    19.8.2019   

    NL

    Publicatieblad van de Europese Unie

    C 280/17


    Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Rejonowy w Opatowie (Polen) op 8 maart 2019 — BW Sp. z o.o. w B./D.R.

    (Zaak C-222/19)

    (2019/C 280/23)

    Procestaal: Pools

    Verwijzende rechter

    Sąd Rejonowy w Opatowie

    Partijen in het hoofdgeding

    Verzoekende partij: BW Sp. z o.o. w B.

    Verwerende partij: D.R.

    Prejudiciële vraag

    Moeten de bepalingen in richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (1), in het bijzonder artikel 3, lid 1, daarvan, en de Unierechtelijke beginselen van consumentenbescherming en evenwicht tussen contractpartijen aldus worden uitgelegd dat die bepalingen en beginselen in de weg staan aan de invoering in het nationale recht van de rechtsfiguur van de „maximale niet-rentekosten van het krediet” en van de wiskundige formule voor de berekening van die kosten volgens artikel 5, punt 6a, juncto artikel 36a van de ustawa o kredycie konsumenckim (wet op het consumentenkrediet) van 12 mei 2011 (geconsolideerde tekst Dz. U. 2018, volgnr. 993), op grond waarvan de kosten van de economische activiteit van de ondernemer tot de door de consument te dragen kredietkosten (totale kosten van het krediet) mogen worden gerekend?


    (1)  PB 1993, L 95, blz. 29.


    Top