Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32007R1576

Verordening (EG) nr. 1576/2007 Van de commissie van 21 december 2007 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 92/2005 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad voor wat betreft de methoden voor de verwijdering of het gebruik van dierlijke bijproducten (Voor de EER relevante tekst )

PB L 340 van 22.12.2007, pp. 89–91 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document No longer in force, Date of end of validity: 03/03/2011; stilzwijgende opheffing door 32011R0142

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2007/1576/oj

22.12.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 340/89


VERORDENING (EG) Nr. 1576/2007 VAN DE COMMISSIE

van 21 december 2007

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 92/2005 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad voor wat betreft de methoden voor de verwijdering of het gebruik van dierlijke bijproducten

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (1), en met name op artikel 4, lid 2, onder e), artikel 5, lid 2, onder g), en artikel 6, lid 2, onder i),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 92/2005 van de Commissie van 19 januari 2005 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad voor wat betreft de methoden voor de verwijdering of het gebruik van dierlijke bijproducten en tot wijziging van bijlage VI daarbij voor wat betreft de omzetting in biogas en de verwerking van gesmolten vet (2) stelt uitvoeringsbepalingen vast voor bepaalde alternatieve methoden voor de verwijdering of het gebruik van dierlijke bijproducten („alternatieve methoden”).

(2)

Met name artikel 4 van Verordening (EG) nr. 92/2005 vereist dat bepaalde materialen die het resultaat zijn van het gebruik van alternatieve methoden, worden gemarkeerd en stelt de toegestane gebruiksdoeleinden van deze materialen vast. Verordening (EG) nr. 1774/2002, gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1432/2007 van de Commissie (3), stelt geharmoniseerde voorschriften voor de markering van dierlijke bijproducten vast, die bijdragen aan de correcte identificatie en een betere traceerbaarheid van dierlijke bijproducten. De verwijzing naar bijlage VI van Verordening (EG) nr. 1774/2002 in artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 92/2005 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(3)

Op basis van het op 2 juni 2004 door het wetenschappelijk panel voor biologische gevaren van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid uitgebrachte advies over het „Biodiesel Process as a method for safe disposal of Category 1 animal by-products (ABP)” (4) is het gepast aanvullende gebruiksdoeleinden van materiaal van categorie 1, 2 en 3 toe te staan overeenkomstig de algemene beginselen van Verordening (EG) nr. 1774/2002. De verbranding van overeenkomstig bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 92/2005 geproduceerde biodiesel in stationaire of mobiele motoren moet ook worden toegestaan.

(4)

Met name het storten van materiaal dat afkomstig is van de verwerking van materiaal van categorie 1, op plaatsen waarvoor een vergunning is afgeleverd overeenkomstig Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (5) moet nu worden toegestaan.

(5)

Artikel 5 van Verordening (EG) nr. 92/2005 stelt bijzondere toezichtsmaatregelen vast die tijdens de eerste twee toepassingsjaren van bepaalde alternatieve methoden in een bepaalde lidstaat moeten worden genomen. De aan deze toezichtsmaatregelen verbonden voorwaarden moeten rekening houden met de bij de praktische toepassing van een in een andere lidstaat ontwikkeld procedé opgedane ervaring en worden aangepast aan de doelstelling een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mens en dier te waarborgen. Voor de aanwijzing van en het toezicht op een proefinstallatie voor het eerste gebruik van een alternatieve methode in elke betrokken lidstaat moeten daarom vereenvoudigde voorwaarden gelden.

(6)

De tests die tijdens de beginfase van de toepassing van een alternatieve methode moeten worden uitgevoerd, moeten worden gebaseerd op de tests die de bevoegde wetenschappelijke instantie met het oog op de beoordeling van de betreffende alternatieve methode heeft uitgevoerd.

(7)

De resultaten van het aanvullend toezicht in een bepaalde lidstaat moeten ter beschikking worden gesteld van andere lidstaten met het oog op de evaluatie van nieuwe toepassingen voor het gebruik van een van de betreffende alternatieve methoden op hun respectieve grondgebied. De informatie moet worden verstrekt aan de contactpunten voor alternatieve methoden, die worden vermeld op de elektronisch door de Commissie gepubliceerde lijst.

(8)

Verordening (EG) nr. 92/2005 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 92/2005 wordt als volgt gewijzigd:

1.

In artikel 4 worden de leden 1, 2 en 3 vervangen door:

„1.   Materiaal dat afkomstig is van de verwerking van materiaal van categorie 1 en 2 — met uitzondering van overeenkomstig bijlage IV geproduceerde biodiesel —, wordt permanent gemerkt overeenkomstig de punten 10 tot en met 13 van hoofdstuk I van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1774/2002.

2.   Materiaal dat afkomstig is van de behandeling van materiaal van categorie 1, wordt verwijderd op minstens een van de volgende wijzen:

a)

verbranding of meeverbranding overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2000/76/EG;

b)

begraving op een stortplaats waarvoor een vergunning is afgeleverd overeenkomstig Richtlijn 1999/31/EG van de Raad;

c)

verdere verwerking in een biogasinstallatie en verwijdering van de gistingsresiduen zoals bepaald onder a) of b); of

d)

in geval van overeenkomstig bijlage IV geproduceerde biodiesel, verbranding als brandstof.

3.   Materiaal dat afkomstig is van de behandeling van materiaal van categorie 2 of 3, wordt:

a)

verwijderd overeenkomstig lid 2, onder a) of b);

b)

verder verwerkt tot vetderivaten voor gebruik als vermeld in artikel 5, lid 2, onder b), ii), van Verordening (EG) nr. 1774/2002, zonder voorafgaande gebruikmaking van de verwerkingsmethoden 1 tot en met 5;

c)

gebruikt, verwerkt of rechtstreeks verwijderd zoals bepaald in artikel 5, lid 2, onder c), i), ii) en iii), van Verordening (EG) nr. 1774/2002, zonder voorafgaande gebruikmaking van verwerkingsmethode 1;

d)

in geval van ander materiaal dan biodiesel die afkomstig is van het biodieselproductieprocedé als omschreven in bijlage IV, gebruikt voor de productie van technische producten; of

e)

in geval van overeenkomstig bijlage IV geproduceerde biodiesel, gebruikt overeenkomstig lid 2, onder d).”.

2.

Artikel 5 wordt vervangen door:

„Artikel 5

Aanvullend toezicht op de initiële toepassing

1.   De volgende bepalingen zijn van toepassing gedurende de eerste twee toepassingsjaren van de volgende procedés voor de behandeling van materiaal van categorie 1:

a)

alkalische hydrolyse zoals omschreven in bijlage I;

b)

biogasproductie door middel van hydrolyse bij verhoogde druk zoals omschreven in bijlage III;

c)

biodieselproductieprocedé als omschreven in bijlage IV.

2.   De exploitant of leverancier van het procedé wijst in ten minste één lidstaat een installatie aan waar ten minste een keer per jaar tests worden uitgevoerd om de efficiëntie van het procedé uit diergezondheids- en volksgezondheidsoogpunt opnieuw te bevestigen.

3.   De bevoegde autoriteit van de in lid 2 vermelde lidstaat zorgt ervoor dat:

a)

in de installatie geschikte tests worden uitgevoerd op het materiaal afkomstig van de diverse behandelingsfasen, zoals de vloeibare en vaste residuen, en de tijdens het proces vrijkomende gassen;

b)

de officiële controle van de installatie een maandelijkse inspectie van de installatie en een controle van de toegepaste verwerkingsparameters en -voorwaarden omvat; en

c)

de resultaten van de uitgevoerde officiële controles ter beschikking worden gesteld van andere lidstaten.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 december 2007.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)   PB L 273 van 10.10.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 829/2007 van de Commissie (PB L 191 van 21.7.2007, blz. 1).

(2)   PB L 19 van 21.1.2005, blz. 27. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1678/2006 (PB L 314 van 15.11.2006, blz. 4).

(3)   PB L 320 van 6.12.2007, blz. 13.

(4)  Vraag nr. EFSA-Q-2004-028.

(5)   PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).


Top