This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 32006R1997
Council Regulation (EC) No 1997/2006 of 19 December 2006 amending Regulation (EEC) No 2092/91 on organic production of agricultural products and indications referring thereto on agricultural products and foodstuffs (Text with EEA relevance)
Verordening (EG) nr. 1997/2006 van de Raad van 19 december 2006 houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 2092/91 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen (Voor de EER relevante tekst)
Verordening (EG) nr. 1997/2006 van de Raad van 19 december 2006 houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 2092/91 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen (Voor de EER relevante tekst)
PB L 379 van 28.12.2006, pp. 1–4
(ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)
No longer in force, Date of end of validity: 19/12/2006
|
28.12.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 379/1 |
VERORDENING (EG) Nr. 1997/2006 VAN DE RAAD
van 19 december 2006
houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 2092/91 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen
(Voor de EER relevante tekst)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met name op artikel 37,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Europees Parlement (1),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Het Europees actieplan voor biologisch voedsel en biologische landbouw moet verder worden uitgevoerd op basis van concrete maatregelen teneinde te komen tot vereenvoudiging en algehele samenhang. |
|
(2) |
In de Gemeenschap ingevoerde biologische producten moeten in de Gemeenschap in de handel kunnen worden gebracht met een verwijzing naar „biologische landbouw” op het etiket, indien zij zijn geproduceerd volgens productievoorschriften en zijn onderworpen aan inspectieregelingen die in overeenstemming zijn met of gelijkwaardig zijn aan die welke zijn vastgesteld in de communautaire regelgeving. |
|
(3) |
Derde landen waarvan de productienormen en inspectieregelingen gelijkwaardig zijn aan die welke in de Gemeenschap worden toegepast, moeten worden erkend, en moet een lijst van die landen worden bekendgemaakt. De inspectieorganen of -autoriteiten die bevoegd zijn om de controle uit te voeren in landen die niet op de lijst van erkende derde landen staan, moeten ook worden erkend, en ook daarvan moet een lijst worden opgesteld. Marktdeelnemers uit derde landen die direct de communautaire productievoorschriften naleven, moet worden toegestaan dat zij hun activiteiten ter beoordeling voorleggen aan daartoe door de Commissie erkende inspectieorganen of -autoriteiten. |
|
(4) |
In Verordening (EEG) nr. 2092/91 van de Raad van 24 juni 1991 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen (2) is bepaald dat de lidstaten tot 31 december 2006 de mogelijkheid hebben om importeurs onder bepaalde voorwaarden toe te staan individuele producten in de Gemeenschap in de handel te brengen. Die verordening moet derhalve in die zin worden gewijzigd dat de huidige invoerregeling met ingang van die datum door de nieuwe invoerregeling kan worden vervangen. |
|
(5) |
Om verstoring van het internationale handelsverkeer te voorkomen moet de lidstaten de mogelijkheid worden gelaten om aan importeurs per geval vergunningen te blijven afgeven voor het in de handel brengen van producten in de Gemeenschap, totdat de maatregelen die nodig zijn voor de goede werking van de nieuwe invoerregeling zijn getroffen, met name voor wat betreft de erkenning van de inspectieorganen en -autoriteiten die bevoegd worden voor het uitvoeren van inspecties in de landen die niet op de lijst van erkende derde landen voorkomen. |
|
(6) |
Verordening (EEG) nr. 2092/91 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Verordening (EEG) nr. 2092/91 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
in artikel 10, lid 1, wordt punt b) vervangen door:
|
|
2) |
artikel 11 wordt vervangen door: „Artikel 11 1. Een uit een derde land ingevoerd product mag in de Gemeenschap in de handel worden gebracht als een product voorzien van aanduidingen die verwijzen naar de biologische productiemethode mits:
2. De Commissie erkent volgens de procedure van artikel 14, lid 2, de in lid 1, onder b), genoemde inspectieorganen en -autoriteiten, waaronder de in artikel 9 bedoelde inspectieorganen en -autoriteiten, die bevoegd zijn om inspecties te verrichten en de in lid 1, onder c), bedoelde bewijsstukken in derde landen op te stellen, en stelt een lijst van deze inspectieorganen en -autoriteiten op. De inspectieorganen worden geaccrediteerd overeenkomstig de Europese Norm EN 45011 of ISO Guide 65 „Algemene voorschriften voor instanties die productcertificeringssystemen toepassen” in de versie waarvan het meest recent kennis is gegeven door bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie, C-reeks. De inspectieorganen worden op geregelde tijdstippen onderworpen aan evaluatie op het terrein, toezicht en meerjarige herbeoordeling van hun activiteiten door de accrediteringsinstantie. In het kader van de behandeling van een verzoek om erkenning verzoekt de Commissie het inspectieorgaan of de inspectieautoriteit haar alle nodige informatie te verstrekken. De Commissie kan deskundigen machtigen de productievoorschriften en de door het inspectieorgaan of de inspectieautoriteit in kwestie in het derde land verrichte controleactiviteiten ter plaatse te onderzoeken. De erkende inspectieorganen of -autoriteiten zorgen voor de evaluatieverslagen die ter beschikking worden gesteld door de accrediteringsinstantie of, in voorkomend geval, door het orgaan dat bevoegd is voor de regelmatige evaluatie ter plaatse, het toezicht en de meerjarige herbeoordeling van hun activiteiten. Aan de hand van de evaluatieverslagen zorgt de Commissie met de hulp van de lidstaten voor het passend toezicht op de erkende inspectieorganen en -autoriteiten door hun erkenning op geregelde tijdstippen opnieuw te evalueren. De aard van het toezicht wordt bepaald op basis van een beoordeling van het risico dat zich onregelmatigheden voordoen of de bepalingen van deze verordening worden geschonden. 3. Een uit een derde land ingevoerd product mag ook in de Gemeenschap in de handel worden gebracht als een product met aanduidingen die verwijzen naar de biologische productiemethode mits:
4. Volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure kan de Commissie derde landen erkennen waarvan het productiesysteem voldoet aan voorschriften die gelijkwaardig zijn aan die welke in de artikelen 5 en 6 zijn beschreven en waarvoor de inspectieregelingen even efficiënt zijn als de in de artikelen 8 en 9 beschreven regelingen, en kan de Commissie een lijst van deze landen opstellen. Bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid wordt rekening gehouden met de richtsnoeren van de Codex Alimentarius CAC/GL 32. In het kader van de behandeling van een verzoek om erkenning verzoekt de Commissie het derde land alle nodige informatie te verstrekken. De Commissie kan deskundigen machtigen de productievoorschriften en de inspectieregelingen van het betrokken derde land ter plaatse te onderzoeken. De erkende derde landen zenden de Commissie ieder jaar vóór 31 maart een beknopt jaarverslag toe betreffende de uitvoering en de handhaving van hun inspectieregelingen. Op basis van de gegevens in die jaarlijkse evaluatieverslagen zorgt de Commissie met de hulp van de lidstaten voor het passend toezicht op de erkende derde landen door hun erkenning op geregelde tijdstippen opnieuw te evalueren. De aard van het toezicht wordt bepaald op basis van een beoordeling van het risico dat zich onregelmatigheden voordoen of de bepalingen van deze verordening worden geschonden. 5. Voor producten die niet overeenkomstig lid 1 zijn ingevoerd en die niet zijn ingevoerd uit een overeenkomstig lid 4 erkende derde land, kan de Commissie volgens de procedure van artikel 14, lid 2, de inspectieorganen en -autoriteiten, waaronder de in artikel 9 bedoelde inspectieorganen en -autoriteiten, erkennen die bevoegd zijn om inspecties te verrichten en in derde landen certificaten te verstrekken voor de toepassing van lid 3, alsook een lijst van deze inspectieorganen en -autoriteiten opstellen. Bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid wordt rekening gehouden met de richtsnoeren van de Codex Alimentarius CAC/GL 32. De Commissie onderzoekt alle verzoeken om erkenning die door een inspectieorgaan of -autoriteit in een derde land zijn ingediend. In het kader van de behandeling van een verzoek om erkenning verzoekt de Commissie het inspectieorgaan of de inspectieautoriteit haar alle nodige informatie te verstrekken. Het inspectieorgaan of de inspectieautoriteit worden op geregelde tijdstippen onderworpen aan evaluatie op het terrein, toezicht en meerjarige herbeoordeling van hun activiteiten door een accrediteringsinstantie of in voorkomend geval door een bevoegde autoriteit. De Commissie kan deskundigen machtigen de productievoorschriften en de door het inspectieorgaan of de inspectieautoriteit in kwestie in het derde land verrichte inspectieactiviteiten ter plaatse te onderzoeken. De erkende inspectieorganen of -autoriteiten zorgen voor de evaluatieverslagen die ter beschikking worden gesteld door de accrediteringsinstantie of, in voorkomend geval, door het orgaan dat bevoegd is voor de regelmatige evaluatie ter plaatse, het toezicht en de meerjarige herbeoordeling, om de zoveel jaar, van hun activiteiten. Op basis van die evaluatieverslagen zorgt de Commissie met de hulp van de lidstaten voor het passend toezicht op de erkende inspectieorganen en inspectieautoriteiten door hun erkenning op geregelde tijdstippen opnieuw te evalueren. De aard van het toezicht wordt bepaald op basis van een beoordeling van het risico dat zich onregelmatigheden voordoen of de in of uit hoofde van deze verordening vastgestelde bepalingen worden geschonden. 6. Voor een periode die begint op 1 januari 2007 en eindigt twaalf maanden na de bekendmaking van de eerste lijst van de op grond van lid 5 erkende inspectieorganen of inspectieautoriteiten mag de bevoegde instantie van een lidstaat importeurs in die lidstaat waar de invoerder overeenkomstig artikel 8, lid 1, kennis heeft gegeven van zijn activiteit, toestaan dat producten die zijn ingevoerd uit derde landen die niet op de in lid 4 bedoelde lijst staan, in de handel worden gebracht, mits de importeur voldoende bewijs levert waaruit blijkt dat aan de in lid 3, onder a) en b), genoemde voorwaarden is voldaan. Indien niet langer aan die voorwaarden wordt voldaan, wordt de toestemming onmiddellijk ingetrokken. De toestemmingen vervallen uiterlijk 24 maanden na de bekendmaking van de eerste lijst van overeenkomstig lid 5 erkende inspectieorganen en -autoriteiten. Voor het ingevoerde product wordt een inspectiecertificaat afgegeven dat is opgesteld door de autoriteit die of het orgaan dat daartoe is erkend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat die toestemming heeft verleend. Het origineel van het certificaat moet de goederen vergezellen naar het gebouw van de eerste ontvanger; daarna moet de importeur het certificaat voor een periode van ten minste twee jaar ter beschikking houden van het inspectieorgaan c.q. de inspectieautoriteit. Elke lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie in kennis van elke toestemming die op grond van dit lid is verleend, met inbegrip van informatie over de betrokken productienormen en inspectieregelingen. Op verzoek van een lidstaat of op initiatief van de Commissie wordt een overeenkomstig dit lid verleende toestemming door het in artikel 14 bedoelde comité onderzocht. Als uit dit onderzoek blijkt dat niet aan de in lid 3, onder a) en b), van dit artikel bedoelde voorwaarden is voldaan, eist de Commissie van de lidstaat die de toestemming heeft verleend, dat die wordt ingetrokken. Een toestemming voor het op de markt brengen van uit een derde land ingevoerde producten die vóór 31 december 2006 door de bevoegde autoriteit van de respectieve lidstaat uit hoofde van dit lid is verleend, blijft geldig tot uiterlijk 31 december 2007. 7. Volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure stelt de Commissie bepalingen ter uitvoering van dit artikel vast, met name met betrekking tot:
|
|
3) |
de tweede alinea van artikel 16, lid 3, wordt geschrapt; |
|
4) |
punt C van bijlage III wordt als volgt gewijzigd:
|
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2007.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 19 december 2006.
Voor de Raad
De voorzitter
J. KORKEAOJA
(1) Advies uitgebracht op 28 september 2006 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
(2) PB L 198 van 22.7.1991, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 780/2006 van de Commissie (PB L 137 van 25.5.2006, blz. 9).