Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32006D0442

2006/442/EG: Besluit nr. 207 van 7 april 2006 betreffende de interpretatie van artikel 76 en artikel 79, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 1408/71, alsmede van artikel 10, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 574/72 inzake de samenloop van gezins- of kinderbijslagen (Voor de EER en voor de overeenkomst EU/Zwitserland relevante tekst)

PB L 175 van 29.6.2006, pp. 83–85 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)
PB L 118M van 8.5.2007, pp. 942–944 (MT)

Legal status of the document In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2006/442/oj

29.6.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 175/83


BESLUIT Nr. 207

van 7 april 2006

betreffende de interpretatie van artikel 76 en artikel 79, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 1408/71, alsmede van artikel 10, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 574/72 inzake de samenloop van gezins- of kinderbijslagen

(Voor de EER en voor de overeenkomst EU/Zwitserland relevante tekst)

(2006/442/EG)

DE ADMINISTRATIEVE COMMISSIE VOOR DE SOCIALE ZEKERHEID VAN MIGRERENDE WERKNEMERS,

Gelet op artikel 81, onder a), van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (1), op grond waarvan de Administratieve Commissie tot taak heeft alle vraagstukken van administratieve aard, voortvloeiende uit Verordening (EEG) nr. 1408/71 en latere verordeningen, te behandelen,

Gelet op artikel 76 en artikel 79, lid 3, van genoemde verordening, en op artikel 10, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Vastgesteld dient te worden welke de strekking is van de uitdrukking gezins- of kinderbijslagen die verschuldigd zijn „wegens het uitoefenen van een beroepsactiviteit” of „op grond van verrichte beroepswerkzaamheden” in artikel 76 en artikel 79, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 1408/71.

(2)

Wanneer gezinsbijslagen verschuldigd zijn aan twee verschillende personen, in de loop van hetzelfde tijdvak en voor hetzelfde gezinslid, op grond van de wetgeving van een bepaalde staat en ook op grond van de wetgeving van de staat op het grondgebied waarvan de gezinsleden wonen, wordt het recht op gezins- of kinderbijslagen op grond van de wetgeving van de eerstgenoemde staat geschorst, ten belope van het bedrag van de gezinsbijslagen waarin de wetgeving van de tweede staat voorziet uit hoofde van artikel 76 van verordening (EEG) nr. 1408/71 indien de gezinsbijslagen verschuldigd zijn „wegens het uitoefenen van een beroepsactiviteit” op grond van de wetgeving van die staat. Artikel 79, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 bevat een soortgelijke bepaling ten aanzien van de bijslagen aan pensioengerechtigden en aan wezen.

(3)

Artikel 76 en artikel 79, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 maken geen onderscheid tussen gezins- of kinderbijslagen verschuldigd uit hoofde van beroepswerkzaamheden die niet in loondienst worden verricht en bijslagen verschuldigd uit hoofde van beroepswerkzaamheden die wel in loondienst worden verricht.

(4)

Voorts bepalen de wetgevingen van sommige Lid-Staten dat de tijdvakken van opschorting of onderbreking van feitelijke beroepswerkzaamheden wegens vakantie, werkloosheid, tijdelijke arbeidsongeschiktheid, staking of uitsluiting ofwel voor het recht op gezins- of kinderbijslagen gelijkgesteld worden met tijdvakken van beroepswerkzaamheden, ofwel beschouwd worden als tijdvakken van niet-uitoefening van beroepswerkzaamheden welke eventueel als zodanig of als uitvloeisel van de vroegere beroepswerkzaamheden aanleiding geven tot betaling van gezins- of kinderbijslagen.

(5)

Om onduidelijkheden of verschillende interpretaties te voorkomen, dient nader bepaald te worden wat precies verstaan moet worden onder „het uitoefenen van een beroepsactiviteit” en „het verrichten van beroepswerkzaamheden”.

(6)

Eveneens dient de betekenis te worden vastgesteld van de uitdrukking „beroepswerkzaamheden” in artikel 10, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 574/72.

(7)

Wanneer gezins- of kinderbijslagen verschuldigd zijn aan twee verschillende personen, in de loop van hetzelfde tijdvak en voor hetzelfde gezinslid, op grond van de wetgeving van een bepaalde staat en ook op grond van de wetgeving van een andere staat, volgens welke de verkrijging van het recht op bijslagen niet afhankelijk is van voorwaarden inzake verzekering of arbeid al dan niet in loondienst, wordt het recht op gezins- of kinderbijslagen onder de wetgeving van de eerstgenoemde staat geschorst uit hoofde van artikel 10, lid 1, onder b) (i), van Verordening (EEG) nr. 574/72 wanneer beroepswerkzaamheden worden verricht in laatstgenoemde lidstaat. Artikel 10, lid 1, onder b) (ii), van Verordening (EEG) nr. 574/72 bevat een soortgelijke bepaling ten aanzien van de bijslagen aan pensioengerechtigden en aan wezen.

(8)

Artikel 10, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 574/72 beoogt ter zake van samenloop van gezins- of kinderbijslagen aan de uitoefening van beroepswerkzaamheden in een Lid-Staat waar het recht op gezins- of kinderbijslagen daaruit niet voortvloeit, hetzelfde effect te geven als in Lid-Staten waar dit recht daaruit wel voortvloeit. Artikel 76 en artikel 79, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 en artikel 10, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 574/72 dienen op dezelfde wijze geïnterpreteerd te worden.

(9)

In een zaak waar de actieve status van een werknemer was opgeschort omdat de betrokkene onbetaald verlof had genomen na de geboorte van een kind en met het doel dat kind op te voeden, heeft het Hof van Justitie van de EG verwezen naar artikel 73 van Verordening (EEG) nr. 1408/71, in samenhang met artikel 13, lid 2, onder a), van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (3). Dergelijk onbetaald verlof dient dus ook beschouwd te worden als uitoefening van beroepswerkzaamheden voor de doeleinden van artikel 76 en artikel 79, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 en voor de doeleinden van artikel 10, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 574/72. In deze context herhaalde het Hof dat de bovengenoemde bepalingen alleen van toepassing kunnen zijn zolang de betrokkene de status van werknemer of zelfstandige in de zin van artikel 1, onder a), van Verordening (EEG) nr. 1408/71 heeft, hetgeen betekent dat de betrokkene onder ten minste één tak van sociale zekerheid valt. Personen die met onbetaald verlof zijn en niet langer onder enige socialezekerheidsregeling van de betrokken lidstaat vallen, zijn dus uitgesloten.

(10)

Aangezien de regelingen voor onbepaald verlof in de lidstaten sterk uiteenlopen en de wetgevingen voortdurend aangepast worden, kan alleen een niet-uitputtende lijst worden opgesteld van gevallen waarin personen gedurende een tijdvak van onbetaald verlof geacht worden een beroep uit te oefenen of beroepswerkzaamheden te verrichten. Het is niet zinvol of praktisch mogelijk om enerzijds alle gevallen te omschrijven waarin dergelijk onbetaald verlof gelijkgesteld wordt met een beroep of beroepswerkzaamheden en anderzijds alle gevallen waarin de noodzakelijke nauwe band met betaald werk niet bestaat,

Handelend overeenkomstig artikel 80, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 1408/71,

BESLUIT:

1)

Voor de toepassing van artikel 76 en artikel 79, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 worden gezins- of kinderbijslagen als verschuldigd beschouwd „wegens het uitoefenen van een beroepsactiviteit” of „op grond van verrichte beroepswerkzaamheden”, in het bijzonder:

a)

wegens de feitelijke uitoefening van een beroep of de verrichting van beroepswerkzaamheden, al dan niet in loondienst; alsmede

b)

over alle tijdvakken gedurende welke beroepsactiviteit of beroepswerkzaamheden tijdelijk onderbroken worden

i)

wegens ziekte, moederschap, arbeidsongeval, beroepsziekte of werkloosheid, voorzover voor deze gebeurtenissen loon dan wel verstrekkingen of uitkeringen met uitzondering van pensioenen of renten verschuldigd zijn; dan wel

ii)

tijdens betaald verlof, staking of uitsluiting; dan wel

iii)

gedurende onbetaald verlof voor het opvoeden van kinderen, voor zover dit verlof volgens de relevante wetgeving gelijkgesteld wordt aan beroepsactiviteiten of beroepswerkzaamheden.

2)

Voor de toepassing van artikel 10, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 574/72 worden als het uitoefenen van beroepswerkzaamheden beschouwd:

a)

feitelijk verrichte beroepswerkzaamheden, al dan niet in loondienst; alsmede

b)

de tijdelijke onderbreking van deze beroepswerkzaamheden:

i)

wegens ziekte, moederschap, arbeidsongeval, beroepsziekte of werkloosheid, voorzover voor deze gebeurtenissen loon dan wel verstrekkingen of uitkeringen met uitzondering van pensioenen of renten verschuldigd zijn; dan wel

ii)

wegens betaald verlof, staking of uitsluiting; dan wel

iii)

gedurende onbetaald verlof voor het opvoeden van kinderen, voor zover dit verlof volgens de relevante wetgeving gelijkgesteld wordt met uitoefening van een beroep of beroepswerkzaamheden.

3)

Dit besluit treedt in de plaats van Besluit nr. 119 van 24. februari 1983. Het wordt van kracht op de eerste dag volgende op die van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De voorzitter van de Administratieve Commissie

Bernhard SPIEGEL


(1)   PB L 149 van 5.7.1971, blz. 2. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 629/2006 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 114 van 27.4.2006, blz. 1).

(2)   PB L 74 van 27.3.1972, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 629/2006.

(3)  Arrest van 7 juni 2005 in zaak C-543/03 „ Dodl en Oberhollenzer/Tiroler Gebietskrankenkasse.”.


Top