EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32014R0139

Verordening (EU) nr. 139/2014 van de Commissie van 12 februari 2014 tot vaststelling van eisen en administratieve procedures met betrekking tot luchtvaartterreinen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad Voor de EER relevante tekst

OJ L 44, 14.2.2014, p. 1–34 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force: This act has been changed. Current consolidated version: 12/03/2023

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/139/oj

14.2.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 44/1


VERORDENING (EU) Nr. 139/2014 VAN DE COMMISSIE

van 12 februari 2014

tot vaststelling van eisen en administratieve procedures met betrekking tot luchtvaartterreinen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG (1), zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1108/2009 van het Europees Parlement en de Raad (2), en met name artikel 8 bis, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De doelstelling van Verordening (EG) nr. 216/2008 is de totstandbrenging en instandhouding van een hoog uniform veiligheidsniveau in de burgerluchtvaart in Europa.

(2)

Om Verordening (EG) nr. 216/2008 ten uitvoer te kunnen leggen, moeten gedetailleerde uitvoeringsbepalingen worden opgesteld, met name met betrekking tot de veiligheidsregels op luchtvaartterreinen, teneinde een hoog uniform veiligheidsniveau in de burgerluchtvaart in de Unie in stand te houden en de veiligheid op luchtvaartterreinen in het algemeen te verbeteren.

(3)

Daartoe dient de Commissie vóór 31 december 2013 de nodige uitvoeringsbepalingen voor het ontwerp en de veilige exploitatie van luchtvaartterreinen vast te stellen, zoals vermeld in artikel 8 bis, lid 5.

(4)

Om een soepele overgang en een hoog niveau van burgerluchtvaartveiligheid in de Unie te waarborgen, dienen de uitvoeringsbepalingen in overeenstemming te zijn met de laatste stand van de techniek en de beste praktijken op het gebied van luchtvaartterreinen, rekening te houden met de toepasselijke normen en aanbevolen praktijen van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (de ICAO), waarbij in het volledige systeem van regels de uitvoeringsbepalingen van de ICAO dienen te worden gevolgd, met de ervaring die overal ter wereld is opgedaan met de exploitatie van luchtvaartterreinen en met de wetenschappelijke en technische vooruitgang op het gebied van luchtvaartterreinen; ze moeten in verhouding staan tot de omvang, de categorie en de complexiteit van het luchtvaartterrein en het verkeer en de aard en het volume van de activiteiten op dat luchtvaartterrein; ze moeten de nodige flexibiliteit bieden voor een individueel aangepaste naleving van de voorschriften; en ze moeten rekening houden met de infrastructuur van het luchtvaartterrein die vóór de inwerkingtreding van deze verordening is ontwikkeld overeenkomstig de uiteenlopende eisen in de nationale wetgevingen van de lidstaten.

(5)

Het is van belang de sector luchtvaartterreinen en de autoriteiten in de lidstaten voldoende tijd te geven om zich aan het nieuwe regelgevingskader aan te passen en na te gaan of certificaten die vóór de inwerkingtreding van deze verordening zijn afgegeven, geldig blijven.

(6)

Om te garanderen dat gemeenschappelijke eisen uniform worden toegepast, is het van essentieel belang dat de bevoegde autoriteiten en, waar van toepassing, het Agentschap gemeenschappelijke normen hanteren om te beoordelen of deze eisen worden nageleefd; het Agentschap dient aanvaardbare wijzen van naleving en richtsnoeren op te stellen om de noodzakelijke uniformiteit van de regelgeving te bevorderen. De gemeenschappelijke eisen dienen ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten op de verschillende deelgebieden van de luchtvaart identieke processen toepassen. Ze mogen echter niet verhinderen dat licht afwijkende processen worden toegepast als en wanneer dit nodig of nuttig is, bijvoorbeeld wanneer het toezicht op luchtvaartterreinen en vluchtuitvoeringen aan verschillende autoriteiten is toevertrouwd. Het doel van deze eisen, namelijk de veiligheid bevorderen, mag niet lijden onder de verschillende wijzen waarop deze eisen technisch worden nageleefd.

(7)

Wat het beheer van obstakels in de omgeving van het luchtvaartterrein en andere activiteiten buiten de grenzen van het luchtvaartterrein betreft, mag elke lidstaat verschillende autoriteiten en of andere entiteiten aanwijzen die bevoegd zijn voor de monitoring, beoordeling en beperking van risico’s. Deze verordening heeft niet tot doel de bestaande taakverdeling in de lidstaten te wijzigen. Elke lidstaat dient echter te zorgen voor een naadloze organisatie van de bevoegdheden voor de beveiliging van de omgeving van luchtvaartterreinen en de monitoring en beperking van risico’s ten gevolge van menselijke activiteiten. Autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het beveiligen van de omgeving van luchtvaartterreinen, dienen dan ook over passende bevoegdheden te beschikken om hun taken uit te voeren.

(8)

De specifieke diensten die vermeld zijn in bijlage IV, subdeel B (Deel ADR.OPS), dienen te worden verleend op een luchtvaartterrein. In sommige gevallen worden deze diensten niet rechtstreeks door de exploitant van het luchtvaartterrein verleend, maar door een andere organisatie of overheidsdienst, of door een combinatie van beide. In dergelijke gevallen dient de exploitant van het luchtvaartterrein, die verantwoordelijk is voor de werking van het luchtvaartterrein, regelingen te treffen en contacten te onderhouden met deze organisaties of entiteiten om te garanderen dat de diensten overeenkomstig de eisen van bijlage IV worden verleend. Als deze regelingen en contacten tot stand zijn gebracht, wordt de exploitant van het luchtvaartterrein geacht zich van zijn verantwoordelijkheid te hebben gekweten en mag hij niet rechtstreeks verantwoordelijk of aansprakelijk worden geacht voor gevallen van niet-naleving door een andere entiteit die bij de regeling is betrokken, voor zover zij alle in deze verordening vastgestelde toepasselijke eisen en verplichtingen is nagekomen die relevant zijn voor haar verantwoordelijkheid uit hoofde van de regeling.

(9)

Verordening (EG) nr. 216/2008 heeft alleen betrekking op certificaten van luchtvaartterreinen die worden afgegeven door bevoegde autoriteiten, voor zover deze betrekking hebben op veiligheidsaspecten. Aspecten van bestaande nationale certificaten van luchtvaartterreinen die geen betrekking hebben op veiligheid vallen buiten het bestek van die verordening.

(10)

De in deze verordening vastgestelde maatregelen zijn gebaseerd op het advies dat het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart heeft opgesteld overeenkomstig artikel 17, lid 2, onder b) en artikel 19, lid 1, van Verordening (EG) nr. 216/2008.

(11)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 65 van Verordening (EG) nr. 216/2008 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Bij deze verordening worden gedetailleerde regels vastgesteld inzake:

a)

de voorwaarden waaronder de certificeringsbasis die van toepassing is op een luchtvaartterrein, zoals uiteengezet in de bijlagen II en III, wordt vastgesteld en aan de aanvrager wordt meegedeeld;

b)

de voorwaarden voor het afgeven, behouden, wijzigen, beperken, opschorten of intrekken van certificaten voor luchtvaartterreinen en certificaten voor organisaties die verantwoordelijk zijn voor de exploitatie van luchtvaartterreinen, inclusief exploitatiebeperkingen die verband houden met het specifieke ontwerp van het luchtvaartterrein, zoals uiteengezet in de bijlagen II en III;

c)

de voorwaarden voor de exploitatie van een luchtvaartterrein overeenkomstig de essentiële eisen die zijn uiteengezet in bijlage Va en, indien van toepassing, bijlage Vb bij Verordening (EG) nr. 216/2008, zoals uiteengezet in bijlage IV;

d)

de verantwoordelijkheden van de houders van certificaten, zoals uiteengezet in bijlage III;

e)

de voorwaarden voor de aanvaarding en omzetting van bestaande certificaten van luchtvaartterreinen die door lidstaten zijn afgegeven;

f)

de voorwaarden voor het besluit geen ontheffingen als bedoeld in artikel 4, lid 3 ter, van Verordening (EG) nr. 216/2008 te verlenen, met inbegrip van criteria voor vrachtluchtvaartterreinen, de kennisgeving van vrijgestelde luchtvaartterreinen en voor de toetsing van verleende ontheffingen;

g)

de voorwaarden waaronder vluchtuitvoeringen mogen worden verboden, beperkt of aan voorwaarden onderworpen, zoals uiteengezet in bijlage III;

h)

bepaalde voorwaarden en procedures voor de in artikel 8 bis, lid 2, onder e), van Verordening (EG) nr. 216/2008 vermelde verklaring van verleners van platformbeheersdiensten en voor het toezicht op deze dienstverleners, zoals uiteengezet in de bijlagen II en III.

2.   De bevoegde autoriteiten die betrokken zijn bij de certificering van en het toezicht op luchtvaartterreinen, exploitanten van luchtvaartterreinen en verleners van platformbeheersdiensten moeten voldoen aan de eisen die zijn vastgesteld in bijlage II.

3.   Exploitanten van luchtvaartterreinen en verleners van platformbeheersdiensten moeten voldoen aan de eisen die zijn vastgesteld in bijlage III.

4.   Exploitanten van luchtvaartterreinen moeten voldoen aan de eisen die zijn vastgesteld in bijlage IV.

Artikel 2

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

1)   „luchtvaartterrein”: een afgebakend gebied (met de zich daarop bevindende gebouwen, installaties en apparatuur) op het land of het water of op een vaste, vaste off-shore of drijvende structuur die geheel of gedeeltelijk bedoeld is voor aankomst, vertrek en grondbewegingen van luchtvaartuigen;

2)   „vliegtuig”: een gemotoriseerd luchtvaartuig dat zwaarder is dan lucht en dat zijn lift voornamelijk ontleent aan aerodynamische reactiekrachten op zijn vleugels onder de gegeven vluchtomstandigheden;

3)   „luchtvaartuig”: een machine die in de atmosfeer kan worden gehouden door andere reacties van de lucht dan die tussen lucht en het aardoppervlak.

4)   „platform”: een afgebakend gebied dat bestemd is om passagiers, post of vracht aan of van boord van luchtvaartuigen te brengen, brandstof te tanken of luchtvaartuigen te parkeren of te onderhouden;

5)   „platformbeheersdienst”: een dienst die wordt verleend om de activiteiten en bewegingen van luchtvaartuigen en voertuigen op een platform te beheren;

6)   „audit”: een systematisch, onafhankelijk en gedocumenteerd proces voor het verkrijgen van gegevens en de objectieve evaluatie ervan om na te gaan in hoeverre aan de eisen is voldaan;

7)   „certificeringsspecificaties”: door het Agentschap vastgestelde technische normen waarin is aangegeven hoe de naleving van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan kan worden aangetoond en die door een organisatie voor certificeringsdoeleinden kunnen worden gebruikt;

8)   „bevoegde autoriteit”: een in elke lidstaat aangewezen autoriteit met de nodige bevoegdheden en verantwoordelijkheden voor certificering van en toezicht op luchtvaartterreinen en de daarbij betrokken personeelsleden en organisaties;

9)   „permanent toezicht”: de taken die op elk ogenblik door de bevoegde autoriteit met het oog op de tenuitvoerlegging van het toezichtsprogramma worden uitgevoerd om na te gaan of de voorwaarden waaronder een certificaat is afgegeven gedurende de volledige geldigheidsperiode van dat certificaat worden nageleefd;

10)   „Deviation Acceptance and Action Document” (DAAD): een door de bevoegde autoriteit opgesteld document waarin de argumenten zijn samengebracht om afwijkingen van de door het Agentschap opgestelde certificeringsspecificaties te rechtvaardigen;

11)   „inspectie”: een onafhankelijke beoordeling aan de hand van observatie en inzicht, indien nodig vergezeld van metingen, tests of vergelijkingen met normen, teneinde na te gaan of de toepasselijke eisen zijn nageleefd;

12)   „beweging”: opstijgen of landen;

13)   „obstakel”: alle vaste (tijdelijk of permanent) en mobiele voorwerpen, of delen daarvan, die:

zich in een gebied bevinden dat bestemd is voor grondbewegingen van het luchtvaartuig, of

uitsteken boven een vastgesteld vlak dat bestemd is om luchtvaartuigen tijdens de vlucht te beschermen, of

buiten deze vastgestelde vlakken staan en als een gevaar voor de luchtvaart zijn beoordeeld;

14)   „hindernisbeperkend vlak”: een vlak dat aangeeft tot waar voorwerpen mogen uitsteken in het luchtruim;

15)   „hindernisbeschermend vlak”: een vlak voor dalingshoeklichten boven hetwelk nieuwe voorwerpen of uitbreidingen van bestaande voorwerpen niet zijn toegestaan, tenzij de bevoegde autoriteit van oordeel is dat het nieuwe voorwerp of de uitbreiding wordt afgeschermd door een reeds aanwezig vast voorwerp.

Artikel 3

Toezicht op luchtvaartterreinen

1.   De lidstaten duiden een of meer entiteiten aan als bevoegde autoriteit(en) in die lidstaat, met de nodige bevoegdheden en verantwoordelijkheden voor certificering van en toezicht op luchtvaartterreinen en de daarbij betrokken personeelsleden en organisaties.

2.   De bevoegde autoriteit is onafhankelijk van de exploitanten van de luchtvaartterreinen en de verleners van platformbeheersdiensten. Deze onafhankelijkheid wordt bereikt door de scheiding, minstens op functioneel niveau, tussen de bevoegde autoriteit en de exploitanten van de luchtvaartterreinen en verleners van platformbeheersdiensten. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de bevoegde autoriteiten hun bevoegdheden onpartijdig en transparant uitoefenen.

3.   Indien een lidstaat meer dan één entiteit als bevoegde autoriteit aanduidt, moeten de volgende voorwaarden zijn vervuld:

a)

elke bevoegde autoriteit is verantwoordelijk voor specifiek omschreven taken en voor een vastomlijnd geografisch gebied, en

b)

er wordt gezorgd voor coördinatie tussen deze autoriteiten om te garanderen dat effectief toezicht wordt gehouden op alle luchtvaartterreinen, exploitanten van luchtvaartterreinen en verleners van platformbeheersdiensten.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteit(en) over alle nodige vaardigheden en middelen beschikt (beschikken) om aan de in deze verordening vastgestelde eisen te voldoen.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat het personeel van de bevoegde autoriteit geen toezichtactiviteiten verricht wanneer er aanwijzingen zijn dat daardoor direct, dan wel indirect een belangenconflict kan ontstaan, met name als er familiale of financiële belangen in het geding zijn.

6.   Personeel dat door de bevoegde autoriteit gemachtigd is om certificerings- en/of toezichtstaken uit te oefenen, moet de bevoegdheid krijgen om minstens de volgende taken uit te voeren:

a)

de archieven, gegevens en procedures onderzoeken, alsmede al het andere materiaal dat relevant is voor de uitvoering van de certificerings- en/of toezichtstaak;

b)

kopieën of uittreksels van dergelijke archieven, gegevens, procedures en ander materiaal meenemen;

c)

een mondelinge toelichting ter plaatse vragen;

d)

zich toegang verschaffen tot luchtvaartterreinen, relevante terreinen en gebouwen, exploitatieterreinen of andere relevante zones en vervoersmiddelen;

e)

audits, onderzoeken, tests, oefeningen, beoordelingen en inspecties uitvoeren;

f)

voor zover nodig handhavingsmaatregelen nemen of op gang brengen.

7.   De in punt 6 vermelde taken worden verricht met inachtneming van de nationale wetgeving van de lidstaten.

Artikel 4

Informatieverstrekking aan het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart

Binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze verordening stellen de lidstaten het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart („het Agentschap”) in kennis van de namen, locaties, ICAO-luchtvaartterreincodes en de namen van de exploitanten van de luchtvaartterreinen, alsmede van het aantal passagiers- en goederenbewegingen op de luchtvaartterreinen waarop de bepalingen van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de onderhavige verordening van toepassing zijn.

Artikel 5

Ontheffingen

1.   Binnen één maand nadat de lidstaten het besluit hebben genomen om een ontheffing toe te kennen overeenkomstig artikel 4, lid 3 ter, van Verordening (EG) nr. 216/2008, stellen zij het Agentschap in kennis van dat besluit. Onder meer de volgende informatie wordt aan het Agentschap verstrekt: de lijst van betrokken luchtvaartterreinen, de namen van de exploitanten van de luchtvaartterreinen en het aantal passagiers- en goederenbewegingen op de luchtvaartterreinen in het desbetreffende jaar.

2.   De lidstaat onderzoekt jaarlijks de verkeerscijfers van de luchtvaartterreinen waaraan een ontheffing is toegekend. Als de verkeerscijfers van een dergelijk luchtvaartterrein gedurende de voorbije drie jaar de in artikel 4, lid 3 ter, van Verordening (EG) nr. 216/2008 vermelde cijfers hebben overschreden, stellen zij het Agentschap daarvan in kennis en trekken zij de ontheffing in.

3.   In de volgende gevallen kan de Commissie beslissen een ontheffing niet toe te staan:

a)

de algemene veiligheidsdoelstellingen van Verordening (EG) nr. 216/2008 zijn niet gehaald;

b)

de relevante passagiers- en goederencijfers zijn gedurende de voorbije drie jaar overschreden;

c)

de ontheffing is niet overeenstemming met andere relevante EU-wetgeving.

4.   Als de Commissie beslist dat de ontheffing niet is toegestaan, trekt de desbetreffende lidstaat de ontheffing in.

Artikel 6

Omzetting van certificaten

1.   Certificaten die vóór 31 december 2014 door een bevoegde autoriteit worden afgegeven op basis van nationale wetgeving, blijven geldig tot certificaten overeenkomstig dit artikel worden afgegeven of, indien geen certificaten overeenkomstig dit artikel worden afgegeven, tot 31 december 2017.

2.   Vóór het einde van de in lid 1 vermelde periode geeft de bevoegde autoriteit certificaten af voor de desbetreffende luchtvaartterreinen en exploitanten van luchtvaartterreinen, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de in bijlage II vermelde certificeringsbasis is vastgesteld op basis van de door het Agentschap afgegeven certificeringsspecificaties, inclusief in gevallen waarin een gelijkwaardig veiligheidsniveau is aanvaard en in bijzondere omstandigheden die geïdentificeerd en gedocumenteerd zijn;

b)

de certificaathouder heeft aangetoond te voldoen aan de certificeringsspecificaties die afwijken van de nationale eisen op basis waarvan het bestaande certificaat werd afgegeven;

c)

de certificaathouder heeft aangetoond te voldoen aan de eisen van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan die van toepassing zijn op zijn organisatie en werking en die afwijken van de nationale eisen op basis waarvan het bestaande certificaat werd afgegeven.

3.   Bij wijze van uitzondering op lid 2, onder b), mag de bevoegde autoriteit beslissen dat de certificaathouder niet hoeft aan te tonen dat hij aan de desbetreffende eisen voldoet als zij van oordeel is dat dit buitensporige of onevenredige inspanningen vergt.

4.   De bevoegde autoriteit houdt de gegevens in de documenten die betrekking hebben op de procedure voor de omzetting van certificaten minstens vijf jaar bij.

Artikel 7

Afwijkingen van certificeringsspecificaties

1.   Tot 31 december 2024 mag de bevoegde autoriteit certificaataanvragen aanvaarden, inclusief afwijkingen van de door het Agentschap afgegeven certificeringsspecificaties, voor zover aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de afwijkingen komen niet in aanmerking voor een geval van gelijkwaardig veiligheidsniveau krachtens ADR.AR.C.020, noch voor een geval van bijzondere omstandigheden krachtens ADR.AR.C.025 van bijlage II bij deze verordening;

b)

de afwijkingen bestonden al vóór de inwerkingtreding van deze verordening;

c)

de afwijkingen beantwoorden aan de essentiële eisen van bijlage Va bij Verordening (EG) nr. 216/2008 en zijn aangevuld met risicobeperkende maatregelen en corrigerende acties, voor zover van toepassing;

d)

voor elke afwijking is een ondersteunende veiligheidsbeoordeling uitgevoerd.

2.   De bewijzen van de naleving van de in lid 1 vermelde voorwaarden worden door de bevoegde autoriteit samengebracht in een Deviation Acceptance and Action Document (DAAD). Het DAAD wordt bij het certificaat gevoegd. De bevoegde autoriteit vermeldt de geldigheidstermijn van het DAAD.

3.   De exploitant van het luchtvaartterrein en de bevoegde autoriteit gaan na of de in lid 1 vermelde voorwaarden blijvend worden nageleefd. Als dit niet het geval is, wordt het DAAD gewijzigd, opgeschort of ingetrokken.

Artikel 8

Het vrijhouden van de omgeving van het luchtvaartterrein

1.   De lidstaten zien erop toe dat overleg wordt gepleegd over de veiligheidsgevolgen van geplande constructies binnen het hindernisbeperkend vlak, het hindernisafschermend vlak en andere zones die verband houden met het luchtvaartterrein.

2.   De lidstaten zien erop toe dat overleg wordt gepleegd over de veiligheidsgevolgen van geplande constructies buiten het hindernisbeperkend vlak, het hindernisafschermend vlak en andere zones die verband houden met het luchtvaartterrein, en die de door de lidstaten vastgestelde hoogte overschrijden.

3.   De lidstaten zien erop toe dat overleg wordt gepleegd over de bescherming van luchtvaartterreinen die zich in de nabijheid van grenzen met andere lidstaten bevinden.

Artikel 9

Monitoring van de omgeving van het luchtvaartterrein

De lidstaten zien erop toe dat overleg wordt gepleegd over menselijke activiteiten en landgebruik, zoals:

a)

elke ontwikkeling of verandering in landgebruik in de omgeving van het luchtvaartterrein;

b)

elke ontwikkeling die kan leiden tot door obstakels veroorzaakte turbulentie, hetgeen gevaarlijk kan zijn voor vluchtuitvoeringen;

c)

het gebruik van gevaarlijke, verwarrende en misleidende verlichting;

d)

het gebruik van sterk reflecterende oppervlakken die verblinding kunnen veroorzaken;

e)

de aanleg van zones die wilde dieren kunnen aantrekken die een gevaar kunnen vormen voor vluchtuitvoeringen;

f)

bronnen van onzichtbare straling of de aanwezigheid van beweeglijke of vaste voorwerpen die het functioneren van systemen voor luchtvaartcommunicatie, navigatie en toezicht kunnen verstoren of nadelig kunnen beïnvloeden.

Artikel 10

Beheer van gevaar door wilde dieren

1.   De lidstaten zien erop toe dat het gevaar op botsingen met wilde dieren wordt beoordeeld door:

a)

een nationale procedure vast te stellen voor de registratie en rapportering van botsingen tussen wilde dieren en luchtvaartuigen;

b)

bij exploitanten van luchtvaartuigen, luchtvaartterreinpersoneel en andere bronnen informatie te verzamelen over de aanwezigheid van wilde dieren die een gevaar kunnen vormen voor vluchtuitvoeringen, en

c)

het gevaar door wilde dieren permanent te laten beoordelen door bekwaam personeel.

2.   De lidstaten zien erop toe dat verslagen van botsingen met wilde dieren worden verzameld en doorgestuurd naar de ICAO, die ze opneemt in de IBIS-gegevensbank (ICAO Bird Strike Information System).

Artikel 11

Inwerkingtreding en toepassing

1.   Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   De bevoegde autoriteiten die betrokken zijn bij de certificering van en het toezicht op luchtvaartterreinen, exploitanten van luchtvaartterreinen en verleners van platformbeheersdiensten moeten vóór 31 december 2017 voldoen aan de eisen die zijn vastgesteld in bijlage II bij deze verordening.

3.   Bijlagen III en IV zijn vanaf de datum van afgifte het certificaat van toepassing op luchtvaartterreinen die zijn gecertificeerd overeenkomstig artikel 6.

4.   Luchtvaartterreinen waarvoor de certificeringsprocedure vóór 31 december 2014 is opgestart, maar die op die datum nog geen certificaat hebben gekregen, krijgen alleen een certificaat als ze aan deze verordening voldoen.

5.   Punt ADR.AR.C.050 en punt ADR.OR.B.060 van bijlagen II en III bij deze verordening zijn van toepassing vanaf de datum waarop de uitvoeringsbepalingen inzake het verlenen van platformbeheersdiensten van kracht worden. Punt ADR.AR.A.015 van bijlage II en punt ADR.OR.A.015 van bijlage III zijn van toepassing op verleners van platformbeheersdiensten vanaf de datum waarop de uitvoeringsbepalingen inzake het verlenen van platformbeheersdiensten van kracht worden.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 12 februari 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 79 van 13.3.2008, blz. 1.

(2)  PB L 309 van 24.11.2009, blz. 51.


BIJLAGE I

Definities van termen die voorkomen in de bijlagen II-IV

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)   „aanvaardbare wijzen van naleving (Acceptable means of compliance, AMC)”: door het Agentschap vastgestelde niet-bindende normen waarin is aangegeven met welke middelen Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan kunnen worden nageleefd;

2)   „beschikbare start-stoptlengte (Accelerate-stop distance available, ASDA)”: de lengte van de beschikbare aanloop plus de lengte van de eventuele noodstopbaan;

3)   „plaatselijke luchtverkeersleiding”: een luchtverkeersleidingsdienst (ATC) voor het luchtvaartterreinverkeer;

4)   „luchtvaartterreinapparatuur”: alle apparaten, toestellen, accessoires, softwareprogramma’s of toebehoren die gebruikt worden voor of bestemd zijn om te worden gebruikt voor de exploitatie van luchtvaartuigen op een luchtvaartterrein;

5)   „luchtvaartgegevens”: een voorstelling van luchtvaartfeiten, -concepten of -instructies op een geformaliseerde wijze die geschikt is voor mededeling, interpretatie of verwerking;

6)   „luchtvaartinlichtingendienst”: een binnen het vastgestelde bestreken gebied opgerichte dienst die verantwoordelijk is voor het verstrekken van luchtvaartinformatie en -gegevens die nodig zijn voor de veiligheid, regelmaat en efficiëntie van luchtvaartnavigatie;

7)   „luchtvaartnavigatiediensten”: luchtverkeersleidingsdiensten, communicatie-, navigatie- en surveillancediensten, meteorologische diensten voor luchtvaartnavigatie en luchtvaartinlichtingendiensten;

8)   „luchtverkeersdiensten”: vluchtinlichtingendiensten, alarmeringsdiensten, adviesdiensten voor het luchtverkeer en luchtverkeersleiding (algemene luchtverkeersleiding, naderingsluchtverkeersleiding en plaatselijke luchtverkeersleiding);

9)   „luchtverkeersleidingsdienst”: een dienst die wordt verricht teneinde:

tussen luchtvaartuigen onderling, en

tussen luchtvaartuigen en hindernissen op het manoeuvreerterrein, en

10)   „luchtvaartuigopstelplaats”: een aangewezen zone op een luchtvaartterreinplatform die bestemd is voor het parkeren van een luchtvaartuig;

11)   „taxiweg van een luchtvaartuigopstelplaats”: een deel van een luchtvaartterreinplatform dat als taxibaan is aangeduid en uitsluitend bestemd is om toegang te geven tot luchtvaartuigopstelplaatsen;

12)   „alternatieve wijzen van naleving”: alternatieven voor een bestaande aanvaardbare wijze van naleving of nieuwe methoden om overeenstemming te bereiken met Verordening (EG) nr. 216/2008 en de daarin vervatte uitvoeringsbepalingen waarvoor het Agentschap geen bijbehorende aanvaardbare wijzen van naleving heeft aangenomen;

13)   „waarschuwingsdienst”: een dienst die bij de verantwoordelijke organisaties melding maakt van luchtvaartuigen in nood die bijstand behoeven en dergelijke organisaties op verzoek assisteert;

14)   „taxibaan van een platform”: een deel van een taxibaansysteem dat zich op een platform bevindt en bestemd is om doorgang te verlenen over het platform;

15)   „hindernisvrije verlengstrook”: een vastomlijnde rechthoekige zone op de grond of het water onder controle van de bevoegde entiteit, geselecteerd of gereedgemaakt als geschikte zone waarboven een luchtvaartuig een gedeelte van zijn initiële stijgvlucht tot een bepaalde hoogte mag maken;

16)   „gevaarlijke goederen”: artikelen of stoffen die een gevaar kunnen inhouden voor de gezondheid, de veiligheid, eigendommen of het milieu en die voorkomen op de lijst van gevaarlijke goederen in de Technische Voorschriften, of die overeenkomstig die instructies zijn gerubriceerd;

17)   „gegevenskwaliteit”: de graad of het niveau van vertrouwen in het feit dat de geleverde gegevens voldoen aan de eisen van de gegevensgebruiker wat de nauwkeurigheid, resolutie en integriteit betreft;

18)   „beschikbaarverklaarde afstanden”:

„beschikbare startaanloop (TORA)”,

„beschikbare startafstand (TODA)”,

„beschikbare start-stopafstand (ASDA)”,

„beschikbare landingsbaanlengte (LDA)”;

19)   „vluchtinformatiedienst”: een dienst die adviezen en informatie verstrekt die nuttig zijn voor de veilige en doeltreffende vluchtuitvoering;

20)   „menselijke factoren”: beginselen die van toepassing zijn op luchtvaartkundig ontwerp, luchtvaartkundige certificering, opleiding, activiteiten en luchtvaartkundig onderhoud en waarbij beoogd wordt een veilig grensvlak tussen menselijke en andere systeemonderdelen te creëren middels een juiste beschouwing van menselijke prestaties;

21)   „menselijke prestaties”: menselijke vaardigheden en beperkingen die van invloed zijn op de veiligheid en efficiëntie van vluchtuitvoeringen.

22)   „instrumentbaan”: een van de volgende types landingsbanen die bestemd zijn voor vluchtuitvoeringen met instrumentnaderingsprocedures:

1.   „niet-precisienaderingsbaan”: een instrumentbaan met visuele hulpmiddelen en een niet-visueel hulpmiddel dat minstens richtingsgeleiding verstrekt die volstaat voor een rechtstreekse nadering;

2.   „precisienaderingsbaan, categorie I”: een instrumentbaan met niet-visuele en visuele hulpmiddelen, bestemd voor activiteiten met een beslissingshoogte (DH) die niet lager is dan 60 m (200 ft) en ofwel een zicht van niet minder dan 800 m ofwel een zichtbare baanlengte (RVR) van niet minder dan 550 m;

3.   „precisienaderingsbaan, categorie II”: een instrumentbaan met niet-visuele en visuele hulpmiddelen, bestemd voor activiteiten met een beslissingshoogte (DH) die lager is dan 60 m (200 ft) maar niet lager dan 30 m (100 ft) en een zichtbare baanlengte (RVR) van niet minder dan 300 m;

4.   „precisienaderingsbaan, categorie III”: een instrumentnaderingsbaan met niet-visuele en visuele hulpmiddelen op en langs het baanoppervlak en die:

23)   „integriteit”: de graad van zekerheid dat een luchtvaartgegeven en de waarde ervan niet zijn verloren of gewijzigd sinds het ontstaan van het gegeven of de geautoriseerde wijziging ervan;

24)   „beschikbare landingsbaanlengte (landing distance available, LDA)”: de lengte van de baan die beschikbaar en geschikt is verklaard voor de landing en uitloop van een landend vliegtuig;

25)   „slechtzichtprocedures (low visibility procedures, LVP)”: procedures die op een luchtvaartterrein worden toegepast om een veilige vluchtuitvoering te garanderen bij substandaard categorie I-, niet-standaard categorie II-, categorie II- en categorie III-naderingen en tijdens slechtzichtstarten;

26)   „slechtzichtstart (low visibility take-off, LVTO)”: een start met een zichtbare baanlengte (RVR) van minder dan 400 m maar niet minder dan 75 m;

27)   „substandaard categorie I-vluchtuitvoering”: een categorie I-instrumentnadering en -landing met gebruikmaking van de categorie I-beslissingshoogte (DH), met een kortere zichtbare baanlengte (RVR) dan die welke normaal zou worden gecombineerd met de betreffende DH, maar niet minder dan 400 m;

28)   „manoeuvreerterrein”: het deel van een luchtvaartterrein dat wordt gebruikt voor het opstijgen, landen en taxiën van luchtvaartuigen, met uitzondering van platforms;

29)   „meteorologische diensten”: de faciliteiten en diensten die luchtvaartuigen voorzien van weersvoorspellingen, instructies en waarnemingen, alsmede andere door lidstaten aangeleverde meteorologische informatie en gegevens voor gebruik in de luchtvaart;

30)   „merkbaken”: een voorwerp dat boven het grondniveau is aangebracht om een obstakel of een grens aan te geven;

31)   „markering”: een symbool of een groep symbolen die op het oppervlak van het bewegingsgebied zijn aangebracht om luchtvaartinformatie te verstrekken;

32)   „bewegingsgebied”: het deel van een luchtvaartterrein dat wordt gebruikt voor het opstijgen, landen en taxiën van luchtvaartuigen, en dat bestaat uit het manoeuvreerterrein en de platforms;

33)   „navigatiediensten”: de faciliteiten en diensten die luchtvaartuigen voorzien van informatie op het gebied van positionering en timing;

34)   „niet-instrumentbaan”: een baan die bestemd is voor vluchtuitvoeringen met zichtnaderingsprocedures;

35)   „andere dan standaard categorie II-vluchtuitvoering”: een precisie-instrumentnadering en -landing met gebruikmaking van ILS of MLS waarbij sommige of alle onderdelen van het precisienaderingsverlichtingssysteem van categorie II niet beschikbaar zijn, en met:

een beslissingshoogte (DH) die lager is dan 200 ft maar niet lager dan 100 ft, en

een zichtbare baanlengte (RVR) van niet minder dan 350 m;

36)   „toezichtsplanningscyclus”: een tijdsperiode waarin de permanente naleving wordt geverifieerd;

37)   „snelle-uitgangstaxibaan”: een taxibaan die in een scherpe hoek met een landingsbaan is verbonden en zodanig ontworpen is dat landende vliegtuigen met een hogere snelheid kunnen afdraaien dan op andere taxibanen, zodat de bezettingstijden van de start- en landingsbanen tot een minimum worden beperkt;

38)   „baan”: een vastgesteld rechthoekig gedeelte van een luchtvaartterrein op het land, dat ingericht is voor het landen en opstijgen van luchtvaartuigen;

39)   „baantype”: instrumentbaan of niet-instrumentbaan;

40)   „zichtbare baanlengte (RVR)”: de lengte tot waar de baanmarkeringen of lichten van de baanrand of baanhartlijn zichtbaar zijn voor de piloot van een luchtvaartuig dat zich op de baanhartlijn bevindt;

41)   „veiligheidsbeheersysteem”: een systematische benadering van het beheer van de veiligheid, inclusief de nodige organisatorische structuren, aansprakelijkheden, beleidsmaatregelen en procedures;

42)   „noodstopbaan”: een vastgestelde rechthoekige zone op de grond, aan het einde van de beschikbare aanloop, die zodanig is ingericht dat een luchtvaartuig er kan stoppen in geval van een afgebroken start;

43)   „beschikbare startafstand (take-off distance available, TODA)”: de lengte van de beschikbare aanloop plus de lengte van de eventuele noodstopbaan;

44)   „beschikbare startaanloop (take-off run available, TORA)”: de lengte van de baan die beschikbaar en geschikt is verklaard voor de aanloop van een opstijgend vliegtuig;

45)   „taxibaan”: een gedefinieerd pad op een luchtvaartterrein op het land dat bestemd is voor het taxiën van luchtvaartuigen om een deel van het luchtvaartterrein te verbinden met een ander, waaronder:

de taxiweg van een luchtvaartuigopstelplaats,

de taxibaan van een platform,

de snelle-uitgangstaxibaan;

46)   „technische instructies”: de jongste van kracht zijnde editie van de Technical Instructions for the Safe Transport of Dangerous Goods by Air (Doc 9284-AN/905), inclusief het supplement en eventuele addenda, goedgekeurd en gepubliceerd door de International Civil Aviation Organization;

47)   „bepalingen van het certificaat”:

de ICAO-locatie-indicator,

de vluchtuitvoeringsomstandigheden (VFR/IFR, dag/nacht),

baan — beschikbaarverklaarde afstanden,

beschikbare baantype(s) en naderingen,

luchtvaartterreincode,

de reikwijdte van activiteiten van luchtvaartuigen op luchtvaartterreinen met een hogere code,

platformbeheersdiensten (ja/neen),

beschermingsniveau op het gebied van redding en brandbestrijding;

48)   „visuele hulpmiddelen”: indicatoren en signaalinrichtingen, markeringen, lichten, tekens en merkbakens of combinaties daarvan.


BIJLAGE II

Deel Vereisten voor autoriteiten — Luchtvaartterreinen (Deel-ADR.AR)

SUBDEEL A — ALGEMENE VEREISTEN (ADR.AR.A)

ADR.AR.A.001 Toepassingsgebied

In deze bijlage worden de vereisten vastgesteld voor de bevoegde autoriteiten die betrokken zijn bij de certificering van en het toezicht op luchtvaartterreinen, exploitanten van luchtvaartterreinen en verleners van platformbeheersdiensten.

ADR.AR.A.005 Bevoegde autoriteit

De bevoegde autoriteit die is aangewezen door de lidstaat waarin een luchtvaartterrein is gevestigd, is verantwoordelijk voor:

a)

de certificering van en het toezicht op luchtvaartterreinen en exploitanten van luchtvaartterreinen;

b)

het toezicht op verleners van platformbeheersdiensten.

ADR.AR.A.010 Documentatie over het toezicht

a)

De bevoegde autoriteit verstrekt de relevante wetteksten, normen, voorschriften, technische publicaties en daarmee samenhangende documenten aan haar relevante personeelsleden, zodat zij hun taken kunnen uitvoeren en zich van hun verantwoordelijkheden kunnen kwijten.

b)

De bevoegde autoriteit stelt wetteksten, normen, voorschriften, technische publicaties en daarmee samenhangende documenten ter beschikking van exploitanten van luchtvaartterreinen en andere belanghebbende partijen om hen in staat te stellen gemakkelijker de toepasselijke eisen na te leven.

ADR.AR.A.015 Wijzen van naleving

a)

Het Agentschap stelt aanvaardbare wijzen van naleving op die mogen worden gebruikt om overeenstemming te bereiken met Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan. Wanneer er sprake is van overeenstemming met de aanvaardbare wijzen van naleving, wordt ervan uitgegaan dat aan de gerelateerde eisen in de uitvoeringsbepalingen is voldaan.

b)

Er mag gebruik worden gemaakt van alternatieve wijzen van naleving om overeenstemming te bereiken met de uitvoeringsbepalingen.

c)

De bevoegde autoriteit stelt een systeem op om consequent te beoordelen of alle alternatieve wijzen van naleving die worden gebruikt door haarzelf of door exploitanten van luchtvaartterreinen of verleners van platformbeheersdiensten die onder haar toezicht staan, het mogelijk maken overeenstemming te bereiken met Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan.

d)

De bevoegde autoriteit beoordeelt de door exploitanten van luchtvaartterreinen of verleners van platformbeheersdiensten voorgestelde alternatieve wijzen van naleving door, overeenkomstig ADR.OR.A.015, de verstrekte documentatie te analyseren en, indien nodig, een inspectie uit te voeren van de exploitant van een luchtvaartterrein, het luchtvaartterrein of de verleners van platformbeheersdiensten.

Oordeelt de bevoegde autoriteit dat de door exploitanten van luchtvaartterreinen of verleners van platformbeheersdiensten voorgestelde alternatieve wijzen van naleving in overeenstemming zijn met de uitvoeringsbepalingen, dan zal zij onverwijld:

1)

de aanvrager ervan in kennis stellen dat de alternatieve wijzen van naleving mogen worden gebruikt en zal zij, voor zover van toepassing, de erkenning of het certificaat van de aanvrager dienovereenkomstig aanpassen;

2)

het Agentschap in kennis te stellen van de inhoud ervan, met inbegrip van exemplaren van de relevante documenten;

3)

de andere lidstaten in kennis stellen van de aanvaarde alternatieve wijzen van naleving, en

4)

de andere gecertificeerde luchtvaartterreinen in de lidstaat van de bevoegde autoriteit in kennis stellen, voor zover passend.

e)

Gebruikt de bevoegde autoriteit zelf alternatieve wijzen van naleving om overeenstemming te bereiken met Verordening (EG) nr. 216/2008 en de daarin vervatte uitvoeringsbepalingen, dan zal zij:

1)

deze ter beschikking stellen van de exploitanten van luchtvaartterreinen en verleners van platformbeheersdienstendie onder haar toezicht staan, en

2)

het Agentschap zonder nodeloze vertraging in kennis stellen.

De bevoegde autoriteit geeft het Agentschap een volledige beschrijving van de alternatieve wijzen van naleving, inclusief herzieningen van procedures die van belang kunnen zijn, alsook een beoordeling waaruit blijkt dat de uitvoeringsbepalingen zijn nageleefd.

ADR.AR.A.025 Informatieverstrekking aan het Agentschap

a)

De bevoegde autoriteit stelt het Agentschap zonder nodeloze vertraging in kennis van eventuele significante problemen met de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan.

b)

De bevoegde autoriteit verstrekt het Agentschap veiligheidsrelevante informatie die afkomstig is uit de door haar ontvangen meldingen van voorvallen.

ADR.AR.A.030 Onmiddellijke reactie op een veiligheidsprobleem

a)

Onverminderd Richtlijn 2003/42/EG van het Europees Parlement en de Raad (1) past de bevoegde autoriteit een systeem toe om veiligheidsinformatie op passende wijze te verzamelen, te analyseren en te verspreiden.

b)

Het Agentschap past een systeem toe om alle ontvangen relevante veiligheidsinformatie op adequate wijze te analyseren en de lidstaten en de Commissie zonder nodeloze vertraging alle informatie, met inbegrip van aanbevelingen of te nemen corrigerende maatregelen, te verstrekken die zij nodig hebben om tijdig te reageren op een veiligheidsprobleem met luchtvaartterreinen, exploitanten van luchtvaartterreinen en verleners van platformbeheersdiensten die onder Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan vallen.

c)

Bij ontvangst van de onder a) en b) bedoelde informatie neemt de bevoegde autoriteit passende maatregelen om het veiligheidsprobleem op te lossen, met inbegrip van de uitvaardiging van veiligheidsrichtsnoeren overeenkomstig ADR.AR.A.040.

d)

De overeenkomstig het bepaalde onder c) genomen maatregelen worden onmiddellijk ter kennis gebracht van de exploitanten van luchtvaartterreinen of verleners van platformbeheersdiensten die daaraan moeten voldoen krachtens Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan. De bevoegde autoriteit stelt ook het Agentschap in kennis van deze maatregelen, alsmede de andere betrokken lidstaten, in zoverre gecombineerd optreden is vereist.

ADR.AR.A.040 Veiligheidsrichtsnoeren

a)

De bevoegde autoriteit stelt een veiligheidsrichtsnoer op als zij een onveilige situatie heeft vastgesteld die onmiddellijk optreden vereist; dit veiligheidsrichtsnoer kan bijvoorbeeld inhouden dat de naleving moet worden aangetoond van gewijzigde of aanvullende certificeringsspecificaties die door het Agentschap zijn opgesteld, als de bevoegde autoriteit dit nodig acht.

b)

Het veiligheidsrichtsnoer wordt naar de betrokken exploitanten van luchtvaartterreinen of verleners van platformbeheersdiensten gestuurd en bevat minstens de volgende informatie:

1)

de identificatie van de onveilige situatie;

2)

de identificatie van het desbetreffende ontwerp of de desbetreffende apparatuur of vluchtuitvoering;

3)

de vereiste maatregelen en de redenen daarvoor, inclusief de gewijzigde of aanvullende certificeringsspecificaties die moeten worden nageleefd;

4)

de tijdslimiet voor naleving van de vereiste maatregelen, en

5)

de datum van inwerkingtreding van het veiligheidsrichtsnoer.

c)

De bevoegde autoriteit stuurt een kopie van het veiligheidsrichtsnoer naar het Agentschap.

d)

De bevoegde autoriteit gaat na of de exploitanten van luchtvaartterreinen en verleners van platformbeheersdiensten de toepasselijke veiligheidsrichtsnoeren naleven.

SUBDEEL B — BEHEER (ADR.AR.B)

ADR.AR.B.005 Beheersysteem

a)

De bevoegde autoriteit zorgt voor de opstelling en instandhouding van een beheersysteem met ten minste:

1)

gedocumenteerde beleidslijnen en procedures ter beschrijving van haar organisatie, wijzen en methoden om overeenstemming te bereiken met Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan. De procedures moeten worden geactualiseerd en dienen binnen deze bevoegde autoriteit te worden gebruikt als basiswerkdocumenten voor alle daarmee samenhangende taken;

2)

voldoende personeel, waaronder inspecteurs van luchtvaartterreinen, om haar taken uit te voeren en zich van haar verantwoordelijkheden te kwijten. Dit personeel moet over de nodige kwalificaties beschikken om de toegewezen taken te vervullen, de nodige kennis en ervaring hebben en een basisopleiding, praktijkopleiding en regelmatige bijscholing hebben gevolgd om de vaardigheden op peil te houden. Er dient een systeem te worden opgezet om de beschikbaarheid van het personeel te plannen teneinde alle taken naar behoren te volbrengen;

3)

adequate faciliteiten en kantoorruimte om de toegewezen taken uit te voeren;

4)

een formeel proces om te controleren of het beheersysteem voldoet aan de toepasselijke eisen en te beoordelen of de procedures goed functioneren, waaronder de invoering van een intern controleproces en een proces voor het beheer van veiligheidsrisico’s.

b)

De bevoegde autoriteit dient voor elk werkterrein, inclusief het managementsysteem, één of meer personen aan te wijzen die de algehele verantwoordelijkheid dragen voor het beheer van de relevante taak of taken.

c)

De bevoegde autoriteit stelt procedures vast voor deelname aan een wederzijdse uitwisseling van alle nodige informatie en bijstand met andere betrokken bevoegde autoriteiten.

ADR.AR.B.010 Toewijzing van taken aan gekwalificeerde entiteiten

a)

Taken met betrekking tot de eerste certificering of het permanent toezicht op personen of organisaties die onder Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan vallen, worden door de lidstaten uitsluitend toegewezen aan gekwalificeerde entiteiten. Bij het toewijzen van deze taken zorgt de bevoegde autoriteit ervoor toe dat zij:

1)

beschikt over een systeem om in het begin en op permanente basis te beoordelen of de gekwalificeerde entiteit voldoet aan bijlage V bij Verordening (EG) nr. 216/2008.

Dit systeem en de beoordelingsresultaten moeten worden gedocumenteerd;

2)

een gedocumenteerde overeenkomst heeft opgesteld met de gekwalificeerde entiteit. Deze overeenkomst moet door beide partijen zijn goedgekeurd op het passende beheersniveau en moet een duidelijke omschrijving bevatten van:

i)

de uit te voeren taken;

ii)

de te verstrekken verklaringen, rapporten en registers;

iii)

de technische voorwaarden waaraan moet worden voldaan bij de uitvoering van deze taken;

iv)

de daarmee samenhangende aansprakelijkheidsdekking, en

v)

de bescherming van informatie die verkregen is bij de uitvoering van deze taken.

b)

De bevoegde autoriteit waarborgt dat alle voor haar rekening verrichte taken inzake certificering of permanent toezicht onder het krachtens ADR.AR.B.005(a)(4) vereiste interne controleproces en risicobeoordelingsproces vallen.

ADR.AR.B.015 Wijzigingen van het beheersysteem

a)

De bevoegde autoriteit beschikt over een systeem dat wijzigingen in kaart brengt die haar vermogen beïnvloeden om haar taken uit te voeren en zich van haar verantwoordelijkheden te kwijten zoals omschreven in Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan. Dit systeem stelt haar in staat waar nodig maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat haar beheersysteem passend en doeltreffend blijft.

b)

De bevoegde autoriteit actualiseert haar beheersysteem om elke wijziging in Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan tijdig weer te geven teneinde een effectieve tenuitvoerlegging te waarborgen.

c)

De bevoegde autoriteit stelt het Agentschap in kennis van wijzigingen die haar vermogen beïnvloeden om haar taken uit te voeren en zich van haar verantwoordelijkheden te kwijten zoals omschreven in Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan.

ADR.AR.B.020 Gegevensbeheer

a)

De bevoegde autoriteit stelt een systeem voor het bijhouden van gegevens op dat voorziet in passende opslag, toegankelijkheid en betrouwbare traceerbaarheid van:

1)

de gedocumenteerde beleidslijnen en procedures van het beheersysteem;

2)

de opleiding, kwalificatie en autorisatie van haar personeel;

3)

de taakverdeling onder gekwalificeerde entiteiten, waaronder de uit hoofde van ADR.AR.B.010 vereiste elementen, alsook de bijzonderheden over de toegewezen taken;

4)

het certificeringsproces en het permanent toezicht op luchtvaartterreinen en exploitanten van luchtvaartterreinen;

5)

de verklaringsprocessen en het permanent toezicht op verleners van platformbeheersdiensten;

6)

de documentatie over gevallen van gelijkwaardig veiligheidsniveau en bijzondere omstandigheden in de certificeringsbasis, en elk Deviation Acceptance and Action Document (DAAD);

7)

de beoordeling en kennisgeving aan het Agentschap van door exploitanten van luchtvaartterreinen en verleners van platformbeheersdiensten voorgestelde alternatieve wijzen van naleving en de beoordeling van door de bevoegde autoriteit zelf gebruikte alternatieve wijzen van naleving;

8)

bevindingen, corrigerende maatregelen en datum van sluiting van de maatregelen, en opmerkingen;

9)

de genomen handhavingsmaatregelen;

10)

de veiligheidsinformatie en follow-upmaatregelen;

11)

het gebruik van de flexibiliteitsregeling overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EG) nr. 216/2008.

b)

De bevoegde autoriteit houdt een lijst bij van alle certificaten die zij heeft afgegeven en alle verklaringen die zij heeft ontvangen.

c)

Gegevens over de certificering van luchtvaartterreinen en exploitanten van luchtvaartterreinen of over de verklaring van een verlener van platformbeheersdiensten worden gedurende de levensduur van het certificaat of de verklaring bijgehouden, voor zover van toepassing.

d)

Gegevens over punten a) 1) tot en met a) 3) en punten a) 7) tot en met a) 11) worden gedurende minstens vijf jaar bijgehouden, met inachtneming van de toepasselijke wet inzake gegevensbescherming.

SUBDEEL C — TOEZICHT, CERTIFICERING EN HANDHAVING (ADR.AR.C)

ADR.AR.C.005 Toezicht

a)

De bevoegde autoriteit controleert het volgende:

1)

de naleving van de certificeringsbasis en alle eisen die van toepassing zijn op luchtvaartterreinen en exploitanten van luchtvaartterreinen alvorens een goedkeuring of certificaat af te geven;

2)

de permanente naleving van de certificeringsbasis en de eisen die van toepassing zijn op luchtvaartterreinen en exploitanten van luchtvaartterreinen of verleners van platformbeheersdiensten waarvoor een verklaringsverplichting geldt, en

3)

de toepassing van passende veiligheidsmaatregelen zoals gedefinieerd in ADR.AR.A.030(c) en (d).

b)

Deze controle:

1)

moet worden onderbouwd met documenten die specifiek tot doel hebben het met het veiligheidstoezicht belaste personeel te begeleiden bij de uitvoering van zijn taken;

2)

moet de resultaten van het veiligheidstoezicht kenbaar maken aan de betrokken exploitanten van luchtvaartterreinen en verleners van platformbeheersdiensten;

3)

moet gebaseerd zijn op controles en inspecties, waaronder onaangekondigde inspecties, voor zover passend, en

4)

moet de bevoegde autoriteit het benodigde bewijs verschaffen om eventuele verdere acties te motiveren, inclusief de maatregelen van ADR.AR.C.055.

c)

Bij het toezicht wordt rekening gehouden met de resultaten van toezichtsactiviteiten uit het verleden en met de vastgestelde veiligheidsprioriteiten.

d)

De bevoegde autoriteit verzamelt en verwerkt alle informatie die zij van nut acht voor het toezicht, met inbegrip van onaangekondigde inspecties, voor zover passend.

e)

De bevoegde autoriteit mag, binnen haar toezichtsbevoegdheden, beslissen om overeenkomstig ADR.OPS.B.075 voorafgaande goedkeuring te eisen voor alle obstakels, ontwikkelingen en andere activiteiten in de gebieden die onder toezicht van de exploitant van het luchtvaartterrein staan, als deze de veiligheid in gevaar brengen en nadelige gevolgen hebben voor de exploitatie van een luchtvaartterrein.

ADR.AR.C.010 Toezichtsprogramma

a)

Voor alle exploitanten van luchtvaartterreinen en verleners van platformbeheersdiensten die verslag over hun activiteit uitbrengen bij de bevoegde autoriteit, zal de bevoegde autoriteit:

1)

een toezichtsprogramma opstellen en bijhouden, waarin alle bij ADR.AR.C.005 vereiste toezichtsactiviteiten aan bod komen;

2)

een passende toezichtsplanningscyclus van hoogstens 48 maanden toepassen.

b)

Elke toezichtsplanningscyclus van het toezichtsprogramma bevat audits en inspecties, inclusief onaangekondigde inspecties, voor zover passend.

c)

Het toezichtsprogramma en de planningscyclus vormen een weergave van de veiligheidsprestaties van de exploitant van het luchtvaartterrein en de risicogevoeligheid van het luchtvaartterrein.

d)

Het toezichtsprogramma bevat gegevens over de datums waarop audits en inspecties moeten plaatsvinden en de datums waarop deze audits en inspecties zijn uitgevoerd.

ADR.AR.C.015 Begin van het certificeringsproces

a)

Bij ontvangst van een aanvraag tot eerste afgifte van een certificaat beoordeelt de bevoegde autoriteit de aanvraag en gaat zij na of ze voldoet aan de toepasselijke eisen.

b)

In het geval van een bestaand luchtvaartterrein bepaalt de bevoegde autoriteit de voorwaarden waaronder de exploitant van het luchtvaartterrein zijn activiteiten tijdens de certificeringsperiode moet uitvoeren, tenzij de bevoegde autoriteit bepaalt dat de exploitatie van het luchtvaartterrein dient te worden opgeschort. De bevoegde autoriteit stelt de exploitant van het luchtvaartterrein in kennis van het verwachte tijdschema voor het certificeringsproces en rondt het certificeringsproces zo snel mogelijk af.

c)

De bevoegde autoriteit stelt de certificeringsbasis vast en stelt de aanvrager daarvan in kennis overeenkomstig ADR.AR.C.020.

ADR.AR.C.020 Certificeringsbasis

De certificeringsbasis wordt door de bevoegde autoriteit vastgesteld en aan de aanvrager meegedeeld en bestaat uit:

a)

de door het Agentschap uitgevaardigde certificeringsspecificaties die de bevoegde autoriteit toepasselijk acht voor het ontwerp en het type exploitatie van het luchtvaartterrein en die van kracht zijn op de datum van toepassing van dat certificaat, tenzij:

1)

de aanvrager verkiest te voldoen aan later van kracht geworden wijzigingen, of

2)

de bevoegde autoriteit vaststelt dat de naleving van dergelijke later van kracht geworden wijzigingen nodig is;

b)

alle voorschriften waarvoor een gelijkwaardig veiligheidsniveau aanvaard is door de bevoegde autoriteit; dit dient te worden aangetoond door de aanvrager, en

c)

alle bijzondere omstandigheden die zijn voorgeschreven overeenkomstig ADR.AR.C.025 en die volgens de bevoegde autoriteit moeten worden opgenomen in de certificeringsbasis.

ADR.AR.C.025 Bijzondere omstandigheden

a)

De bevoegde autoriteit schrijft gedetailleerde bijzondere technische specificaties voor, „bijzondere omstandigheden” genaamd, voor een luchtvaartterrein als de in punt ADR.AR.C.020(a) vermelde door het Agentschap uitgevaardigde certificeringsspecificaties niet volstaan of niet passend zijn om de naleving van de essentiële eisen van bijlage Va bij Verordening (EG) nr. 216/2008 te garanderen omdat:

1)

niet aan de certificeringsspecificaties kan worden voldaan wegens fysieke, topografische of soortgelijke beperkingen die verband houden met de locatie van het luchtvaartterrein;

2)

het ontwerp van het luchtvaartterrein nieuwe of ongebruikelijke kenmerken vertoont, of

3)

uit ervaring met de exploitatie van het desbetreffende luchtvaartterrein of andere luchtvaartterreinen met soortgelijke ontwerpkenmerken is gebleken dat de veiligheid in gevaar kan komen.

b)

De bijzondere omstandigheden omvatten de technische specificaties, inclusief na te leven beperkingen of procedures, die de bevoegde autoriteit nodig acht om te garanderen dat de essentiële eisen van bijlage Va bij Verordening (EG) nr. 216/2008 worden nageleefd.

ADR.AR.C.035 Afgifte van certificaten

a)

De bevoegde autoriteit mag vóór de afgifte van het certificaat een inspectie, test, veiligheidsbeoordeling of oefening vragen als zij dit nodig acht.

b)

De bevoegde autoriteit geeft een van de volgende af:

1)

één certificaat voor het luchtvaartterrein, of

2)

twee afzonderlijke certificaten, een voor het luchtvaartterrein en een voor de exploitant van het luchtvaartterrein.

c)

De bevoegde autoriteit geeft het (de) onder b) vermelde certifica(a)t(en) af als de exploitant van het luchtvaartterrein tot tevredenheid van de bevoegde autoriteit heeft aangetoond aan ADR.OR.B.025 en ADR.OR.E.005 te voldoen.

d)

Het certificaat wordt geacht de certificeringsbasis en het handboek van het luchtvaartterrein te omvatten en, voor zover relevant, alle andere door de bevoegde autoriteit opgelegde exploitatievoorwaarden of -beperkingen en alle Deviation Acceptance and Action Documents (DAAD).

e)

Het certificaat wordt afgegeven voor onbepaalde tijd. De rechten van de activiteiten die de exploitant van het luchtvaartterrein mag uitvoeren, worden vermeld in de bij het certificaat gevoegde voorwaarden.

f)

Wanneer verantwoordelijkheden worden toevertrouwd aan andere relevante organisaties, moeten deze duidelijk worden geïdentificeerd en opgesomd.

g)

Indien andere bevindingen dan die van niveau 1 niet vóór de certificeringsdatum zijn gesloten, worden ze op hun veiligheid beoordeeld en worden eventueel risicobeperkende maatregelen genomen; een corrigerend actieplan voor het sluiten van de bevinding dient te worden goedgekeurd door de bevoegde autoriteit.

h)

Om een exploitant van een luchtvaartterrein in staat te stellen de wijzigingen ten uitvoer te leggen zonder voorafgaande goedkeuring van de bevoegde autoriteit overeenkomstig ADR.OR.B.040(d), keurt de bevoegde autoriteit een procedure goed waarin het toepassingsgebied van de wijzigingen is gedefinieerd en is beschreven hoe deze wijzigingen zullen worden beheerd en aangemeld.

ADR.AR.C.040 Wijzigingen

a)

Bij ontvangst van een aanvraag voor een wijziging overeenkomstig ADR.OR.B.40, waarvoor voorafgaande goedkeuring nodig is, beoordeelt de bevoegde autoriteit de aanvraag en stelt zij, voor zover relevant, de exploitant van het luchtvaartterrein in kennis van:

1)

de door het Agentschap opgestelde toepasselijke certificeringsspecificaties die van toepassing zijn op de voorgestelde wijziging en die van kracht zijn op de datum van de aanvraag, tenzij:

a)

de aanvrager verkiest te voldoen aan later van kracht geworden wijzigingen, of

b)

de bevoegde autoriteit vaststelt dat de naleving van dergelijke later van kracht geworden wijzigingen nodig is;

2)

alle andere door het Agentschap opgestelde certificeringsspecificaties die volgens de bevoegde autoriteit rechtstreeks verband houden met de voorgestelde wijziging;

3)

alle door de bevoegde autoriteit noodzakelijk geachte bijzondere voorwaarden en wijzigingen van bijzondere voorwaarden die de bevoegde autoriteit heeft voorgeschreven overeenkomstig ADR.AR.C.025, en

4)

de gewijzigde certificeringsbasis, voor zover de voorgestelde wijziging daarop betrekking heeft.

b)

De bevoegde autoriteit keurt de wijziging goed als de exploitant van het luchtvaartterrein tot tevredenheid van de bevoegde autoriteit heeft aangetoond dat hij voldoet aan de eisen van ADR.OR.B.040 en, indien van toepassing, ADR.OR.E.005.

c)

Als de goedgekeurde wijziging gevolgen heeft voor de bepalingen van het certificaat, wijzigt de bevoegde autoriteit deze bepalingen.

d)

De bevoegde autoriteit keurt alle voorwaarden goed volgens dewelke de exploitant van het luchtvaartterrein tijdens de wijziging het luchtvaartterrein dient te exploiteren.

e)

Onverminderd aanvullende handhavingsmaatregelen dient de bevoegde autoriteit het organisatiecertificaat na te gaan of het certificaat dient te worden opgeschort, beperkt of ingetrokken wanneer de exploitant van het luchtvaartterrein vooraf goed te keuren wijzigingen toepast zonder dat de bevoegde autoriteit deze heeft goedgekeurd zoals bepaald onder a).

f)

Voor wijzigingen die niet vooraf dienen te worden goedgekeurd, beoordeelt de bevoegde autoriteit de informatie die vermeld is in de door de exploitant van het luchtvaartterrein overeenkomstig ADR.OR.B.040(d) verstuurde kennisgeving om na te gaan of de wijzigingen op passende wijze worden beheerd en of ze voldoen aan de certificeringsbasis en aan andere passende eisen die van toepassing zijn op de wijziging. Als niet aan de eisen is voldaan, dan zal de bevoegde autoriteit:

1)

de exploitant van het luchtvaartterrein in kennis stellen van de niet-naleving en bijkomende wijzigingen vragen, en

2)

in geval van bevindingen van niveau 1 of 2, handelen overeenkomstig ADR.AR.C.055.

ADR.AR.C.050 Verklaringen van verleners van platformbeheersdiensten

a)

Na ontvangst van een verklaring van een verlener van platformbeheersdiensten die voornemens is dergelijke diensten te verlenen op een luchtvaartterrein, controleert de bevoegde autoriteit of de verklaring alle informatie bevat die op grond van Deel-ADR.OR is vereist en bevestigt zij de ontvangst van de verklaring aan de organisatie.

b)

Indien de verklaring de vereiste informatie niet bevat of informatie bevat waaruit blijkt dat de toepasselijke eisen niet zijn nageleefd, stelt de bevoegde autoriteit de verlener van platformbeheersdiensten en de exploitant van het luchtvaartterrein in kennis van de niet-naleving en vraagt zij nadere informatie. Indien nodig voert de bevoegde autoriteit een inspectie uit van de verlener van platformbeheersdiensten en de exploitant van het luchtvaartterrein. Als de niet-naleving wordt bevestigd, onderneemt de bevoegde autoriteit stappen zoals gedefinieerd in ADR.AR.C.055.

c)

De bevoegde autoriteit houdt een register bij van de verklaringen van de verleners van platformbeheersdiensten waarop zij toezicht houdt.

ADR.AR.C.055 Bevindingen, opmerkingen, corrigerende acties en handhavingsmaatregelen

a)

De overeenkomstig ADR.AR.C.005(a) voor toezicht bevoegde autoriteit dient te beschikken over een systeem om de bevindingen te toetsen op hun belang voor de veiligheid.

b)

De bevoegde autoriteit geeft een niveau 1-bevinding af wanneer een betekenisvolle niet-naleving wordt vastgesteld van de certificeringsbasis van het luchtvaartterrein, de toepasselijke eisen van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan, de procedures en handboeken van de exploitant van het luchtvaartterrein of de verlener van platformbeheersdiensten, de voorwaarden van het certificaat of de inhoud van een verklaring, welke de veiligheid vermindert of ernstig gevaar oplevert voor de veiligheid.

De bevindingen van niveau 1 omvatten het volgende:

1)

ook na twee schriftelijke verzoeken de bevoegde autoriteit tijdens de normale werktijd geen toegang geven tot de faciliteiten van de exploitant van het luchtvaartterrein of de verlener van platformbeheersdiensten, zoals gedefinieerd in ADR.OR.C.015;

2)

de geldigheid van een certificaat verkrijgen of behouden door vervalsing van de ingediende documenten;

3)

bewijzen van wanpraktijken of frauduleus gebruik van een certificaat, en

4)

het ontbreken van een verantwoordelijke beheerder.

c)

De bevoegde autoriteit geeft een niveau 2-bevinding af wanneer een betekenisvolle niet-naleving wordt vastgesteld van de certificeringsbasis van het luchtvaartterrein, de toepasselijke eisen van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan, de procedures en handboeken van de exploitant van het luchtvaartterrein of de verlener van platformbeheersdiensten, de voorwaarden van het certificaat of de inhoud van een verklaring, welke de veiligheid vermindert of mogelijk gevaar oplevert voor de veiligheid.

d)

Wanneer tijdens het toezicht of anderszins een bevinding wordt vastgesteld, deelt de bevoegde autoriteit, onverminderd aanvullende maatregelen die zijn vereist uit hoofde van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan, de bevinding schriftelijk aan de exploitant van het luchtvaartterrein of de verlener van platformbeheersdiensten mee en verzoekt zij corrigerende maatregelen te nemen om de vastgestelde niet-naleving te verhelpen.

1)

In het geval van bevindingen van niveau 1 neemt de bevoegde autoriteit onmiddellijk passende maatregelen om activiteiten te verbieden of te beperken en, indien van toepassing, om het certificaat of de verklaring, al naargelang de ernst van de bevinding, geheel of gedeeltelijk in te trekken, uit het register te schrappen, te beperken of te schorsen tot de exploitant van het luchtvaartterrein of de verlener van platformbeheersdiensten succesvolle corrigerende maatregelen heeft genomen.

2)

In het geval van niveau 2-bevindingen zal de bevoegde autoriteit:

a)

de exploitant van het luchtvaartterrein of de verlener van platformbeheersdiensten een periode toekennen voor de tenuitvoerlegging van de corrigerende maatregelen, welke vermeld is in een actieplan dat is aangepast aan het karakter van de bevinding, en

b)

de corrigerende maatregel en het uitvoeringsplan die door de exploitant van het luchtvaartterrein of de verlener van platformbeheersdiensten worden voorgesteld, beoordelen en — voor zover uit deze beoordeling blijkt dat ze toereikend zijn om de niet-naleving te verhelpen — aanvaarden.

3)

Indien de exploitant van het luchtvaartterrein of de verlener van platformbeheersdiensten geen aanvaardbaar corrigerend actieplan indient of geen corrigerende maatregelen neemt binnen de door de bevoegde autoriteit aanvaarde of verlengde periode, wordt de bevinding verhoogd tot niveau 1 en wordt de onder d) 1) vastgestelde actie ondernomen.

4)

De bevoegde autoriteit zal alle bevindingen die zij heeft vastgesteld en, voor zover van toepassing, de door haar toegepaste handhavingsmaatregelen en alle corrigerende maatregelen registreren, alsook de datum waarop de bevindingen worden gesloten.

e)

Voor gevallen die geen bevinding van niveau 1 of niveau 2 vereisen, kan de bevoegde autoriteit opmerkingen maken.


(1)  PB L 167 van 4.7.2003, blz. 23.


BIJLAGE III

Deel Organisatievereisten — Exploitanten van luchtvaartterreinen (Deel-ADR.OR)

SUBDEEL A — ALGEMENE VEREISTEN (ADR.OR.A)

ADR.OR.A.005 Toepassingsgebied

In deze bijlage worden de vereisten vastgelegd die dienen te worden nageleefd door:

a)

exploitanten van luchtvaartterreinen die onder Verordening (EG) nr. 216/2008 vallen, voor wat de certificering, het beheer, de handboeken en de andere verantwoordelijkheden van die exploitanten betreft, en

b)

verleners van platformbeheersdiensten.

ADR.OR.A.010 Bevoegde autoriteit

Met het oog op de toepassing van dit deel is de bevoegde autoriteit die welke is aangewezen door de lidstaat waar het luchtvaartterrein is gevestigd.

ADR.OR.A.015 Wijzen van naleving

a)

Om overeenstemming te bereiken met Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan mag een exploitant van een luchtvaartterrein of een verlener van platformbeheersdiensten alternatieve wijzen van naleving gebruiken in plaats van de door het Agentschap vastgestelde wijzen van naleving.

b)

Wanneer een exploitant van een luchtvaartterrein of een verlener van platformbeheersdiensten een alternatieve wijze van naleving wenst te gebruiken voor de door het Agentschap vastgestelde aanvaardbare wijze van naleving waarop de naleving van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan kan worden aangetoond, dient de exploitant alvorens de tenuitvoerlegging ervan de bevoegde autoriteit een volledige beschrijving van deze alternatieve wijze van naleving te verstrekken. In de beschrijving worden eventuele relevante herzieningen van handboeken of procedures opgenomen, alsook een beoordeling waaruit blijkt dat aan de uitvoeringsbepalingen is voldaan.

De exploitant van een luchtvaartterrein of een verlener van platformbeheersdiensten mag deze alternatieve wijze van naleving toepassen als de bevoegde autoriteit hiervoor voorafgaande toestemming heeft gegeven en de kennisgeving zoals voorgeschreven in ADR.AR.A.015(d) is ontvangen.

c)

Als platformbeheersdiensten niet door de exploitant van het luchtvaartterrein zelf worden verleend, is voor het gebruik van alternatieve wijzen van naleving door de verleners van die diensten, overeenkomstig het bepaalde onder a) en b), ook voorafgaande toestemming nodig van de exploitant van het luchtvaartterrein waarop die diensten worden verleend.

SUBDEEL B — CERTIFICERING (ADR.OR.B)

ADR.OR.B.005 Certificeringsverplichtingen van luchtvaartterreinen en exploitanten van luchtvaartterreinen

Alvorens van start te gaan met de exploitatie van een luchtvaartterrein of wanneer een uitzondering overeenkomstig artikel 5 is ingetrokken, dient de exploitant van het luchtvaartterrein de toepasselijke certificaten te verkrijgen die door de bevoegde autoriteit worden afgegeven.

ADR.OR.B.015 Certificaataanvraag

a)

Een certificaataanvraag wordt ingediend in de vorm en op de wijze die zijn bepaald door de bevoegde autoriteit.

b)

De aanvrager moet het volgende verstrekken aan de bevoegde autoriteit:

1)

zijn officiële naam en bedrijfsnaam, adres en postadres;

2)

informatie en gegevens over:

i)

de locatie van het luchtvaartterrein;

ii)

het type activiteiten op het luchtvaartterrein, en

iii)

het ontwerp en de faciliteiten van het luchtvaartterrein, overeenkomstig de toepasselijke certificeringsspecificaties die door het Agentschap zijn opgesteld;

3)

alle voorgestelde afwijkingen van de geïdentificeerde toepasselijke certificeringsspecificaties die door het Agentschap zijn opgesteld;

4)

documenten waaruit blijkt hoe de aanvrager zal voldoen aan de toepasselijke eisen van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan. Deze documenten hebben ook betrekking op een procedure die in het handboek van het luchtvaartterrein is opgenomen en waarin wordt beschreven hoe wijzigingen waarvoor geen voorafgaande goedkeuring is vereist, worden beheerd en worden aangemeld bij de bevoegde autoriteit; voor latere wijzigingen van deze procedure is voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit vereist;

5)

bewijzen dat hij over voldoende middelen beschikt om het luchtvaartterrein te exploiteren overeenkomstig de toepasselijke eisen;

6)

gedocumenteerde bewijzen waaruit de relatie tussen de aanvrager en de eigenaar van het luchtvaartterrein en/of de landeigenaar blijkt;

7)

de naam van en relevante informatie over de verantwoordelijke beheerder en de andere krachtens ADR.OR.D.015 aangewezen personen, en

8)

een krachtens ADR.OR.E.005 vereiste kopie van het luchtvaartterreinhandboek.

c)

Voor zover dit aanvaardbaar is voor de bevoegde autoriteit, mag de in de punten 7 en 8 vermelde informatie in een latere, door de bevoegde autoriteit te bepalen fase worden verstrekt, maar in elk geval vóór de afgifte van het certificaat.

ADR.OR.B.025 Bewijs van naleving

a)

De exploitant van het luchtvaartterrein dient:

1)

alle nodige acties, inspecties, tests, veiligheidsbeoordelingen of oefeningen uit te voeren en te documenteren, en aan de bevoegde autoriteit aan te tonen dat:

i)

de aangemelde certificeringsbasis, de certificeringsspecificaties die van toepassing zijn op een wijziging, alle veiligheidsrichtsnoeren, voor zover van toepassing, en de toepasselijke eisen van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan zijn nageleefd;

ii)

het luchtvaartterrein en de zones met beperkingen inzake hindernissen, zones met afgeschermde hindernissen en andere zones die verband houden met het luchtvaartterrein geen kenmerken vertonen waardoor de exploitatie ervan onveilig wordt, en

iii)

de vluchtprocedures van het luchtvaartterrein zijn goedgekeurd.

2)

aan de bevoegde autoriteit de middelen te verstrekken waarmee de naleving is aangetoond, en

3)

aan de bevoegde autoriteit te verklaren dat hij voldoet aan punt a) 1).

b)

De exploitant van het luchtvaartterrein houdt relevante ontwerpinformatie, waaronder tekeningen, inspecties, tests en andere relevante verslagen, ter beschikking van de bevoegde autoriteit, overeenkomstig de bepalingen van ADR.OR.D.035, en verstrekt deze op verzoek aan de bevoegde autoriteit.

ADR.OR.B.030 Bepalingen van het certificaat en rechten van de certificaathouder

Een exploitant van een luchtvaartterrein dient zich te houden aan de reikwijdte en rechten die zijn gedefinieerd in de bepalingen van het certificaat.

ADR.OR.B.035 Blijvende geldigheid van een certificaat

a)

Een certificaat blijft geldig op voorwaarde dat:

1)

de exploitant van het luchtvaartterrein blijft voldoen aan de relevante eisen van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan en het luchtvaartterrein blijft voldoen aan de certificeringsbasis, waarbij rekening wordt gehouden met de bepalingen betreffende de behandeling van bevindingen, zoals gespecificeerd in ADR.OR.C.020;

2)

de bevoegde autoriteit toegang wordt verleend tot de organisatie van de exploitant van het luchtvaartterrein, als bepaald in ADR.OR.C.015, om de blijvende naleving van de toepasselijke eisen van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan vast te stellen, en

3)

het certificaat niet wordt teruggegeven of ingetrokken.

b)

In geval van intrekking of teruggave moet het certificaat onverwijld worden ingeleverd bij de bevoegde autoriteit.

ADR.OR.B.037 Blijvende geldigheid van een verklaring van een verlener van platformbeheersdiensten

Een verklaring die overeenkomstig ADR.OR.B.060 door een verlener van platformbeheersdiensten is gedaan, blijft geldig op voorwaarde dat:

a)

de verlener van platformbeheersdiensten en de bijbehorende faciliteiten blijven voldoen aan de relevante eisen van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan, waarbij rekening wordt gehouden met de bepalingen betreffende de behandeling van bevindingen, zoals gespecificeerd in ADR.OR.C.020;

b)

de bevoegde autoriteit toegang wordt verleend tot de organisatie van de exploitant van platformbeheersdiensten, als bepaald in ADR.OR.C.015, om de blijvende naleving van de toepasselijke eisen van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan vast te stellen, en

c)

de verklaring niet wordt ingetrokken door de verlener van die diensten of uit het register wordt geschrapt door de bevoegde autoriteit.

ADR.OR.B.040 Wijzigingen

a)

Elke wijziging:

1)

die gevolgen heeft voor de bepalingen van het certificaat, de certificeringsbasis en veiligheidsgevoelige apparatuur van het luchtvaartterrein, of

2)

aanzienlijke gevolgen heeft voor elementen van het beheersysteem van de exploitant van het luchtvaartterrein, zoals vereist uit hoofde van ADR.OR.D.005(b),

dient vooraf door de bevoegde autoriteit te worden goedgekeurd.

b)

Voor andere wijzigingen waarvoor voorafgaande goedkeuring is vereist krachtens Verordening EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan, dient de exploitant van het luchtvaartterrein goedkeuring aan te vragen bij en te verkrijgen van de bevoegde autoriteit.

c)

De aanvraag voor een wijziging overeenkomstig punt a) of b) dient te worden ingediend vóór deze wijziging plaatsvindt, teneinde de bevoegde autoriteit de mogelijkheid te bieden om na te gaan of Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan blijvend zijn nageleefd en, zo nodig, het certificaat en de daarbij gevoegde bepalingen te wijzigen.

De wijziging wordt pas uitgevoerd na ontvangst van de formele goedkeuring door de bevoegde autoriteit in overeenstemming met ADR.AR.C.040.

Tijdens de wijzigingen exploiteert de exploitant het luchtvaartterrein onder de door de bevoegde autoriteit goedgekeurde voorwaarden.

d)

Wijzigingen waarvoor geen voorafgaande goedkeuring is vereist, worden beheerd en aangemeld bij de bevoegde autoriteit zoals gedefinieerd in de door de bevoegde autoriteit overeenkomstig ADR.AR.C.035(h) goedgekeurde procedure.

e)

De exploitant van het luchtvaartterrein verstrekt de bevoegde autoriteit de relevante documenten overeenkomstig punt f) en ADR.OR.E.005.

f)

Als onderdeel van zijn beheersysteem, zoals gedefinieerd in ADR.OR.D.005, dient de exploitant van een luchtvaartterrein die een wijziging voorstelt van het luchtvaartterrein of de exploitatie, de organisatie en beheersysteem ervan:

1)

de banden met alle betrokken partijen vast te stellen en een veiligheidsbeoordeling te plannen en uit te voeren in overleg met deze organisaties;

2)

de veronderstellingen en risicobeperkende maatregelen op systematische wijze op één lijn te brengen met alle betrokken partijen;

3)

te zorgen voor een uitgebreide beoordeling van de wijziging, inclusief alle nodige interacties, en

4)

ervoor te zorgen dat volledige en geldige argumenten, bewijzen en veiligheidscriteria worden opgesteld en gedocumenteerd om de veiligheidsbeoordeling te ondersteunen, en dat de wijziging de verbetering van de veiligheid ondersteunt, voor zover redelijkerwijs mogelijk is.

ADR.OR.B.050 Blijvende naleving van de certificeringsspecificaties van het Agentschap

Na een wijziging van de door het Agentschap opgestelde certificeringsspecificaties zal de exploitant van het luchtvaartterrein:

a)

een toetsing uitvoeren om na te gaan welke certificeringsspecificaties van toepassing zijn op het luchtvaartterrein, en

b)

voor zover relevant, een wijzigingsproces op gang brengen overeenkomstig ADR.OR.B.040 en de nodige wijzigingen ten uitvoer leggen op het luchtvaartterrein.

ADR.OR.B.060 Verklaringen van verleners van luchtvaartterreinplatformbeheerdiensten

a)

Verleners van platformbeheersdiensten die toestemming hebben gekregen om zelf een verklaring in te dienen van hun capaciteiten en middelen om zich te kwijten van de verantwoordelijkheden die gepaard gaan met het verlenen van dergelijke diensten zullen, na met een exploitant van een luchtvaartterrein een overeenkomst te hebben gesloten voor het verlenen van dergelijke diensten op een luchtvaartterrein:

1)

de bevoegde autoriteit alle relevante informatie verstrekken en verklaren te voldoen aan alle toepasselijke eisen van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan, aan de hand van een door de bevoegde autoriteit opgesteld formulier;

2)

de bevoegde autoriteit een lijst van de gebruikte alternatieve wijzen van naleving verstrekken, overeenkomstig ADR.OR.A.015(b);

3)

de toepasselijke eisen en de in de verklaring verstrekte informatie blijven naleven;

4)

de bevoegde autoriteit in kennis stellen van alle wijzigingen van hun verklaring of van de gebruikte wijze van naleving door een gewijzigde verklaring in te dienen, en

5)

hun diensten verlenen overeenkomstig het handboek van het luchtvaartterrein en voldoen aan alle daarin vermelde relevante bepalingen.

b)

Alvorens de verlening van platformbeheersdiensten stop te zetten, stelt de verlener van dergelijke diensten de bevoegde autoriteit en de exploitant van het luchtvaartterrein daarvan in kennis.

ADR.OR.B.065 Stopzetting van de exploitatie

Een exploitant die voornemens is de exploitatie van een luchtvaartterrein stop te zetten:

a)

stelt de bevoegde autoriteit daar zo snel mogelijk van in kennis;

b)

verstrekt deze informatie aan de passende verlener van luchtvaartinlichtingendiensten;

c)

geeft het certificaat op de datum van stopzetting van de exploitatie terug aan de bevoegde autoriteit, en

d)

zorgt ervoor dat passende maatregelen zijn genomen om onbedoeld gebruik van het luchtvaartterrein door luchtvaartuigen te vermijden, tenzij de bevoegde autoriteit het gebruik van het luchtvaartterrein voor andere doeleinden heeft goedgekeurd.

SUBDEEL C — AANVULLENDE VERANTWOORDELIJKHEDEN VAN EXPLOITANTEN VAN LUCHTVAARTTERREINEN (ADR.OR.C)

ADR.OR.C.005 Verantwoordelijkheden van exploitanten van luchtvaartterreinen

a)

De exploitant van het luchtvaartterrein is verantwoordelijk voor de veilige exploitatie en het veilige onderhoud van het luchtvaartterrein overeenkomstig:

1)

Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan;

2)

de bepalingen van het certificaat van het luchtvaartterrein;

3)

de inhoud van het handboek van het luchtvaartterrein, en

4)

alle andere handboeken van apparatuur die op het luchtvaartterrein beschikbaar is, voor zover van toepassing.

b)

De exploitant van het luchtvaartterrein verleent rechtstreeks de volgende diensten of coördineert de verlening van deze diensten via regelingen met de verantwoordelijke entiteiten:

1)

de verlening van luchtvaartnavigatiediensten die zijn aangepast aan het verkeersniveau en de exploitatieomstandigheden op het luchtvaartterrein, en

2)

het ontwerp en de actualisering van de vluchtprocedures, overeenkomstig de toepasselijke eisen.

c)

De exploitant van het luchtvaartterrein pleegt overleg met de bevoegde autoriteit om te garanderen dat relevante informatie voor de veiligheid van luchtvaartuigen is opgenomen in het handboek van het luchtvaartterrein en wordt bekendgemaakt, voor zover passend. Dit heeft ook betrekking op:

1)

toegestane vrijstellingen of afwijkingen van de toepasselijke eisen;

2)

voorschriften waarvoor een gelijkwaardig veiligheidsniveau is aanvaard door de bevoegde autoriteit, als onderdeel van de certificeringsbasis, en

3)

bijzondere voorwaarden en beperkingen met betrekking tot het gebruik van het luchtvaartterrein.

d)

Als zich een onveilige situatie voordoet op het luchtvaartterrein, neemt de exploitant van het luchtvaartterrein onverwijld alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de delen van het luchtvaartterrein die de veiligheid in gevaar brengen, niet worden gebruikt door luchtvaartuigen.

ADR.OR.C.015 Toegang

Om te kunnen vaststellen of de relevante vereisten van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan worden nageleefd, verleent een exploitant van een luchtvaartterrein of een verlener van platformbeheersdiensten aan alle door de bevoegde autoriteit gemachtigde personen toestemming om:

a)

zich toegang te verschaffen tot alle faciliteiten, documenten, archieven, gegevens, procedures of alle ander materiaal dat relevant is voor zijn certificerings- of verklaringsplichtige activiteiten, al dan niet uitbesteed, en

b)

alle door de bevoegde autoriteit nodig geachte acties, inspecties, tests, beoordelingen of oefeningen uit te voeren of bij te wonen.

ADR.OR.C.020 Bevindingen en corrigerende maatregelen

Na ontvangst van de melding van bevindingen zal de exploitant van het luchtvaartterrein of de verlener van platformbeheersdiensten:

a)

de oorzaken van de niet-naleving vaststellen;

b)

een corrigerend actieplan opstellen, en

c)

aantonen dat het corrigerend actieplan tot tevredenheid van de bevoegde autoriteit ten uitvoer is gelegd binnen de met die autoriteit afgesproken termijn zoals gedefinieerd in ADR.AR.C.055(d).

ADR.OR.C.025 Onmiddellijke reactie op een veiligheidsprobleem — naleving van veiligheidsrichtsnoeren

De exploitant van het luchtvaartterrein of de verlener van platformbeheersdiensten voert alle veiligheidsmaatregelen uit, inclusief veiligheidsrichtsnoeren, die overeenkomstig ADR.AR.A.030(c) en ADR.AR.A.040 door de bevoegde autoriteit zijn opgelegd.

ADR.OR.C.030 Melding van voorvallen

a)

De exploitant van het luchtvaartterrein en de verlener van platformbeheersdiensten melden alle ongevallen, ernstige incidenten en voorvallen zoals gedefinieerd in Verordening (EU) nr. 996/2010 van het Europees Parlement en de Raad (1) en Richtlijn 2003/42/EG aan de bevoegde autoriteit en alle andere organisaties die hiervan in kennis moeten worden gesteld volgens het land waar het luchtvaartterrein is gevestigd.

b)

Onverminderd het bepaalde onder a) meldt de exploitant alle storingen, technische defecten, overschrijdingen van de technische toleranties, voorvallen of andere onregelmatige omstandigheden die de veiligheid in gevaar hebben gebracht of hadden kunnen brengen en die niet hebben geleid tot een ongeval of ernstig incident, aan de bevoegde autoriteit en de organisatie die verantwoordelijk is voor het ontwerp van het luchtvaartterrein.

c)

Onverminderd Verordening (EU) nr. 996/2010, Richtlijn 2003/42/EG, Verordening (EG) nr. 1321/2007 (2) van de Commissie en Verordening (EG) nr. 1330/2007 (3) van de Commissie, dienen de onder a) en b) bedoelde meldingen te geschieden in een vorm en op een wijze die door de bevoegde autoriteit zijn vastgesteld en moeten zij alle relevante informatie bevatten over de toestand die de exploitant van het luchtvaartterrein of de verlener van plaftformbeheerdiensten bekend is.

d)

Meldingen dienen zo spoedig mogelijk te worden gedaan, maar in ieder geval binnen 72 uur nadat de exploitant van het luchtvaartterrein of de verlener van platformbeheersdiensten de omstandigheid waarop de melding betrekking heeft, heeft vastgesteld, tenzij dit door uitzonderlijke omstandigheden niet mogelijk is.

e)

Voor zover relevant dient de exploitant van het luchtvaartterrein of de verlener van platformbeheersdiensten een follow-uprapport op te stellen waarin nadere informatie wordt verstrekt over de maatregelen die hij voornemens is te treffen om soortgelijke voorvallen in de toekomst te voorkomen, en wel zodra deze maatregelen zijn vastgesteld. Dit verslag moet worden opgesteld in een vorm en op een wijze die door de bevoegde autoriteit zijn vastgesteld.

ADR.OR.C.040 Brandpreventie

De exploitant van het luchtvaartterrein stelt procedures vast om:

a)

roken te verbieden in het bewegingsgebied, andere operationele zones van een luchtvaartterrein of zones van het luchtvaartterrein waar brandstof of ander ontvlambaar materiaal is opgeslagen;

b)

open vuren of activiteiten die brandgevaar kunnen veroorzaken te verbieden in:

1)

zones van het luchtvaartterrein waar brandstof of ander ontvlambaar materiaal is opgeslagen;

2)

het bewegingsgebied of andere operationele zones van het luchtvaartterrein, tenzij de exploitant van het luchtvaartterrein hiervoor toestemming heeft gegeven.

ADR.OR.C.045 Gebruik van alcohol, psychoactieve stoffen en geneesmiddelen

a)

De exploitant van het luchtvaartterrein stelt procedures vast betreffende het niveau van gebruik van alcohol, psychoactieve stoffen en geneesmiddelen door:

1)

het personeel dat betrokken is bij de exploitatie en het onderhoud van het luchtvaartterrein en redding en brandbestrijding op het luchtvaartterrein;

2)

niet-begeleide personen die actief zijn op het bewegingsgebied van het luchtvaartterrein of in andere operationele zones van het luchtvaartterrein.

b)

Deze procedures omvatten de eisen dat dergelijke personen:

1)

geen alcohol mogen gebruiken tijdens hun diensttijd;

2)

geen andere taken mogen uitvoeren als zij onder invloed verkeren van:

i)

alcohol of psychoactieve stoffen, of

ii)

geneesmiddelen die een effect op hun vaardigheden kunnen hebben dat nadelig is voor de veiligheid.

SUBDEEL D — BEHEER (ADR.OR.D)

ADR.OR.D.005 Beheersysteem

a)

De exploitant van het luchtvaartterrein past een beheersysteem toe, waarin een veiligheidsbeheersysteem is geïntegreerd, en onderhoudt dit.

b)

Het beheersysteem omvat:

1)

duidelijk omschreven verantwoordelijkheden en aansprakelijkheden doorheen de volledige exploitant van het luchtvaartterrein, inclusief een rechtstreekse aansprakelijkheid voor veiligheid van het senior management;

2)

een beschrijving van de algemene veiligheidsfilosofie en -beginselen van de exploitant van het luchtvaartterrein, zoals vermeld in het veiligheidsbeleid, ondertekend door de verantwoordelijke manager;

3)

een formeel proces dat garandeert dat de gevaren van activiteiten worden geïdentificeerd;

4)

een formeel proces voor de analyse, beoordeling en beperking van de veiligheidsrisico’s bij activiteiten op het luchtvaartterrein;

5)

de middelen om de veiligheidsprestaties van de organisatie van de exploitant van het luchtvaartterrein te toetsen aan de veiligheidsprestatie-indicatoren en veiligheidsprestatiedoelstellingen van het veiligheidsbeheersysteem, en om te garanderen dat de controles van de veiligheidsrisico’s effectief zijn;

6)

een formeel proces om:

i)

wijzigingen te identificeren in de organisatie of het beheersysteem van de exploitant van het luchtvaartterrein of in het luchtvaartterrein of de exploitatie ervan die gevolgen kunnen hebben voor gevestigde processen, procedures en diensten;

ii)

de regelingen te beschrijven om de veiligheidsprestaties te garanderen vóór wijzigingen ten uitvoer worden gelegd, en

iii)

controles van veiligheidsrisico’s die niet meer nodig zijn of niet meer effectief zijn wegens wijzigingen in de exploitatieomgeving, te schrappen of te wijzigen;

7)

een formeel proces om het onder a) vermelde beheersysteem opnieuw te bekijken, de oorzaken van ondermaatse prestaties van het veiligheidsbeheersysteem te identificeren, de gevolgen van dergelijke ondermaatse prestaties voor de exploitatie vast te stellen en die oorzaken weg te nemen of te beperken;

8)

een veiligheidsopleidingsprogramma dat garandeert dat personeel dat betrokken is bij de exploitatie, het onderhoud en het beheer van het luchtvaartterrein en de redding en brandbestrijding op het luchtvaartterrein, zijn opgeleid en bevoegd zijn om hun taken binnen het veiligheidsbeheersysteem uit te voeren;

9)

een formeel middel voor veiligheidscommunicatie dat garandeert dat het personeel volledig op de hoogte is van het veiligheidsbeheersysteem, dat zorgt voor de verspreiding van veiligheidskritieke informatie en dat uitlegt waarom bepaalde veiilgheidsacties worden genomen en waarom veiligheidsprocedures worden ingevoerd of gewijzigd;

10)

de coördinatie van het veiligheidsbeheersysteem met het noodplan van het luchtvaartterrein; de coördinatie van het noodplan van het luchtvaartterrein met de noodplannen van de organisaties waarmee moet worden samengewerkt bij het verlenen van diensten op het luchtvaartterein, en

11)

een formeel proces om na te gaan of de organisatie beantwoordt aan de relevante eisen.

c)

De exploitant van het luchtvaartterrein documenteert alle belangrijke processen van het beheersysteem.

d)

Het beheersysteem staat in verhouding tot de omvang van de organisatie en haar activiteiten, rekening houdende met de gevaren en bijbehorende risico’s die inherent zijn aan die activiteiten.

e)

Als de exploitant van het luchtvaartterrein ook houder is van een certificaat om luchtvaartnavigatiediensten te verstrekken, ziet hij erop toe dat het beheersysteem betrekking heeft op alle activiteiten binnen het toepassingsgebied van zijn certificaten.

ADR.OR.D.007 Beheer van luchtvaartgegevens en luchtvaartinlichtingen

a)

Als onderdeel van zijn beheersysteem, zorgt de exploitant van het luchtvaartterrein voor de toepassing en actualisering van een kwaliteitsbeheersysteem dat betrekking heeft op:

1)

zijn activiteiten met betrekking tot luchtvaartgegevens, en

2)

zijn activiteiten met betrekking tot het verstrekken van luchtvaartinlichtingen.

b)

De exploitant van het luchtvaartterrein definieert procedures om tegemoet te komen aan de veiligheids- en beveiligingsbeheerdoelstellingen met betrekking tot:

1)

activiteiten met betrekking tot luchtvaartgegevens, en

2)

activiteiten met betrekking tot het verstrekken van luchtvaartinlichtingen.

ADR.OR.D.010 Uitbestede activiteiten

a)

Uitbestede activiteiten omvatten alle activiteiten binnen de reikwijdte van de erkenning van de exploitant van het luchtvaartterrein die worden uitgevoerd door een andere organisatie die ofwel zelf gecertificeerd is voor het uitvoeren van dergelijke activiteiten, ofwel als contractant onder de erkenning van de exploitant werkt, zonder zelf te zijn gecertificeerd. Als de exploitant van het luchtvaartterrein een deel zijn activiteiten uitbesteedt of inkoopt, dient hij ervoor te zorgen dat alle uitbestede of ingekochte diensten, uitrustingsstukken of producten aan de toepasselijke eisen voldoen.

b)

Als een exploitant van het luchtvaartterrein een deel van zijn activiteiten uitbesteedt aan een organisatie die zelf niet krachtens dit deel is gecertificeerd voor het uitvoeren van dergelijke activiteiten, werkt de organisatie waaraan de activiteiten worden uitbesteed onder de erkenning en het toezicht van de exploitant van het luchtvaartterrein. De exploitant van het luchtvaartterrein zorgt ervoor dat de bevoegde autoriteit toegang krijgt tot de organisatie waaraan de activiteiten worden uitbesteed, zodat kan worden vastgesteld of de toepasselijke eisen blijvend worden nageleefd.

ADR.OR.D.015 Eisen met betrekking tot personeel

a)

De exploitant van het luchtvaartterrein dient een verantwoordelijke beheerder aan te stellen die de bevoegdheid heeft te waarborgen dat alle activiteiten overeenkomstig de toepasselijke eisen kunnen worden gefinancierd en uitgevoerd. Deze beheerder draagt de verantwoordelijkheid voor het vaststellen en onderhouden van een effectief beheersysteem.

b)

De exploitant van het luchtvaartterrein benoemt personen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van en het toezicht op de volgende gebieden:

1)

operationele diensten van het luchtvaartterrein, en

2)

onderhoud van het luchtvaartterrein.

c)

De exploitant van het luchtvaartterrein benoemt een persoon of een groep personen die verantwoordelijk is (zijn) voor de ontwikkeling, het onderhoud en het dagelijkse beheer van het veiligheidsbeheersysteem.

Deze personen handelen onafhankelijk van andere beheerders in de organisatie, hebben rechtstreekse toegang tot de verantwoordelijke beheerder en tot het passende beheer voor veiligheidskwesties, en moeten verantwoordelijkheid afleggen aan de verantwoordelijke beheerder.

d)

De exploitant van het luchtvaartterrein dient over voldoende en gekwalificeerd personeel te beschikken voor de geplande taken en activiteiten die moeten worden verricht in overeenstemming met de toepasselijke eisen.

e)

De exploitant van het luchtvaartterrein dient voldoende personeelsupervisors aan te stellen om welbepaalde taken uit te voeren en verantwoordelijkheden op te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met de organisatiestructuur van de exploitant en het aantal in dienst zijnde personeelsleden.

f)

De exploitant van het luchtvaartterrein zorgt ervoor dat het personeel dat betrokken is bij de exploitatie, het onderhoud en het beheer van het luchtvaartterrein voldoende is opgeleid overeenkomstig het opleidingsprogramma.

ADR.OR.D.017 Opleidingsprogramma’s en programma’s voor het testen van vaardigheden

a)

De exploitant van het luchtvaartterrein zorgt voor de opstelling en uitvoering van een opleidingsprogramma voor het personeel dat betrokken is bij de exploitatie, het onderhoud en het beheer van het luchtvaartterrein.

b)

De exploitant van het luchtvaartterrein ziet erop toe dat niet-begeleide personen die actief zijn op het bewegingsgebied van het luchtvaartterrein of in andere operationele zones van het luchtvaartterrein op passende wijze zijn opgeleid.

c)

De exploitant van het luchtvaartterrein ziet erop toe dat de onder a) en b) vermelde personen hebben aangetoond bekwaam te zijn om de hen toegewezen taken uit te voeren; om te garanderen dat deze personen over de nodige vaardigheden blijven beschikken, wordt de test op regelmatige basis uitgevoerd.

d)

De exploitant van het luchtvaartterrein zorgt ervoor dat:

1)

gebruik wordt gemaakt van op passende wijze gekwalificeerde en ervaren instructeurs en beoordelaars voor de tenuitvoerlegging van het opleidingsprogramma, en

2)

gebruik wordt gemaakt van geschikte faciliteiten en middelen voor het verstrekken van de opleiding.

e)

De exploitant van het luchtvaartterrein dient:

1)

passende gegevens bij te houden over de kwalificaties, opleiding en vaardigheidstests, teneinde de naleving van deze eis aan te tonen;

2)

deze gegevens op verzoek ter beschikking te stellen van het betrokken personeel, en

3)

als een persoon in dienst treedt bij een andere werkgever, de gegevens van die persoon op verzoek ter beschikking te stellen van die nieuwe werkgever.

ADR.OR.D.020 Eisen inzake faciliteiten

a)

De exploitant van het luchtvaartterrein zorgt ervoor dat passende en geschikte faciliteiten beschikbaar zijn voor zijn personeel of voor het personeel dat in dienst is bij partijen waaraan hij de verlening van operationele luchtvaartterreindiensten en onderhoudsdiensten heeft uitbesteed.

b)

De exploitant van het luchtvaartterrein wijst zones op het luchtvaartterrein aan die geschikt zijn voor de opslag van gevaarlijke goederen die via het luchtvaartterrein worden vervoerd, overeenkomstig de technische instructies.

ADR.OR.D.025 Coördinatie met andere organisaties

De exploitant van het luchtvaartterrein dient ervoor te zorgen:

a)

dat in het beheersysteem van het luchtvaartterrein aandacht wordt besteed aan de coördinatie en interface met de veiligheidsprocedures van andere organisaties die diensten verlenen of exploiteren op het luchtvaartterrein, en

b)

dat dergelijke organisaties over veiligheidsprocedures beschikken, teneinde te voldoen aan de toepasselijke eisen van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan en aan de eisen die zijn vastgesteld in het luchtvaartterreinhandboek.

ADR.OR.D.027 Veiligheidsprogramma’s

De exploitant van het luchtvaartterrein dient:

a)

programma’s ter bevordering van de veiligheid en de uitwisseling van veiligheidsrelevante informatie op te stellen, te leiden en uit te voeren, en

b)

organisaties die diensten op het luchtvaartterrein exploiteren of verlenen, aan te moedigen om deel te nemen aan dergelijke programma’s.

ADR.OR.D.030 Veiligheidsrapporteringssysteem

a)

De exploitant van het luchtvaartterrein zorgt voor de opstelling en toepassing van een veiligheidsrapporteringssysteem voor alle personeelsleden en organisaties die diensten exploiteren of verlenen op het luchtvaartterrein, teneinde de veiligheid op en het veilige gebruik van het luchtvaartterrein te bevorderen.

b)

Overeenkomstig ADR.OR.D.005(b)(3) dient de exploitant van het luchtvaartterrein:

1)

te eisen dat de onder a) vermelde personeelsleden en organisaties gebruikmaken van het veiligheidsrapporteringssysteem voor de verplichte melding van alle ongevallen, ernstige incidenten en voorvallen, en

2)

erop toe te zien dat het veiligheidsrapporteringssysteem kan worden gebruikt voor de vrijwillige rapportering van defecten, fouten en veiligheidsrisico’s die gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid.

c)

Het veiligheidsrapporteringssysteem beschermt de identiteit van de melder, moedigt vrijwillige melding aan en biedt de mogelijkheid om anoniem meldingen te doen.

d)

De exploitant van het luchtvaartterrein dient:

1)

alle meldingen te registreren;

2)

de meldingen te analyseren en te beoordelen, voor zover van toepassing, teneinde veiligheidstekortkomingen op te sporen en tendensen vast te stellen;

3)

ervoor te zorgen dat alle organisaties die op het luchtvaartterrein diensten exploiteren of verlenen welke relevant zijn voor het veiligheidsrisico, deelnemen aan de analyse van deze meldingen, en dat corrigerende en/of preventieve maatregelen worden vastgesteld en toegepast;

4)

de meldingen te onderzoeken, voor zover van toepassing, en

5)

zich te onthouden van de toewijzing van schuld, overeenkomstig het beginsel van een „cultuur van billijkheid”.

ADR.OR.D.035 Het bijhouden van gegevens

a)

De exploitant van het luchtvaartterrein stelt een passend systeem op voor het bijhouden van gegevens, dat betrekking heeft op alle activiteiten die hij onderneemt uit hoofde van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan.

b)

Het formaat van de gegevens wordt gespecificeerd in het luchtvaartterreinhandboek.

c)

De gegevens worden opgeslagen op een manier die bescherming tegen beschadiging, wijziging en diefstal waarborgt.

d)

De gegevens worden minstens vijf jaar bijgehouden, met uitzondering van:

1)

de certificeringsbasis van het luchtvaartterrein, de gebruikte alternatieve wijzen van naleving en de geldende certificaten van het luchtvaartterrein of de exploitant van het luchtvaartterrein, die gedurende de volledige geldigheidstermijn van de certificaten worden bijgehouden;

2)

de regelingen met andere organisaties, die worden bijgehouden zolang zij van kracht zijn;

3)

de handboeken van de apparatuur of systemen die op het luchtvaartterrein worden gebruikt, die worden bijgehouden zolang deze apparatuur of systemen in gebruik zijn op het luchtvaartterrein;

4)

de veiligheidsbeoordelingsverslagen, die worden bijgehouden gedurende de volledige levensduur van het systeem/de procedure/de activiteit;

5)

gegevens over de opleiding en kwalificaties van het personeel, medische dossiers en vaardigheidstests, voor zover van toepassing, die worden bijgehouden tot minstens vier jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst of tot de bevoegde autoriteit een audit heeft uitgevoerd van het domein waarop het personeel werkzaam was, en

6)

de actuele versie van het gevarenregister.

e)

De wetgeving inzake gegevensbescherming is van toepassing op al deze gegevens.

SUBDEEL E — HANDBOEK EN DOCUMENTATIE VAN HET LUCHTVAARTTERREIN (ADR.OR.E)

ADR.OR.E.005 Luchtvaartterreinhandboek

a)

De exploitant van het luchtvaartterrein stelt een luchtvaartterreinhandboek op en houdt dit bij.

b)

De inhoud van het luchtvaartterreinhandboek vormt een weergave van de certificeringsbasis en de eisen die zijn uiteengezet in dit deel en Deel-ADR.OPS, voor zover van toepassing, en mag niet in strijd zijn met de bepalingen van het certificaat. Het luchtvaartterreinhandboek bevat of verwijst naar alle nodige informatie voor het veilige gebruik, de exploitatie en het onderhoud van het luchtvaartterrein, de het luchtvaartterreinapparatuur en het hindernisbeperkend vlak, het hindernisbeschermend vlak en andere zones die verband houden met het luchtvaartterrein.

c)

Het luchtvaartterreinhandboek mag in afzonderlijke delen worden uitgegeven.

d)

De exploitant van het luchtvaartterrein zorgt ervoor dat al het personeel van het luchtvaartterrein en van andere relevante organisaties gemakkelijk toegang krijgt tot de delen van het luchtvaartterreinhandboek die relevant zijn voor hun taken en verantwoordelijkheden.

e)

De exploitant van het luchtvaartterrein dient:

1)

de bevoegde autoriteit de geplande wijzigingen en herzieningen van het luchtvaartterreinhandboek te verstrekken vóór de datum waarop deze effectief worden, voor wat betreft punten waarvoor voorafgaande goedkeuring vereist is overeenkomstig ADR.OR.B.040, en ervoor te zorgen dat deze wijzigingen en herzieningen niet effectief worden vóór de goedkeuring van de bevoegde autoriteit is verkregen, of

2)

de bevoegde autoriteit de geplande wijzigingen en herzieningen van het luchtvaartterreinhandboek te verstrekken vóór de datum waarop deze effectief worden, als voor de voorgestelde wijziging of herziening van het luchtvaartterreinhandboek alleen een kennisgeving aan de bevoegde autoriteit vereist is overeenkomstig ADR.OR.B.040(d) en ADR.OR.B.015(b).

f)

Onverminderd het bepaalde onder e) mogen wijzigingen of herzieningen die uit veiligheidsoverwegingen noodzakelijk zijn, worden gepubliceerd en toegepast mits de eventueel benodigde goedkeuring is aangevraagd.

g)

De exploitant van het luchtvaartterrein dient:

1)

de inhoud van het luchtvaartterreinhandboek te controleren, te actualiseren en waar nodig te wijzigen;

2)

alle door de bevoegde autoriteit vereiste wijzigingen en herzieningen op te nemen, en

3)

al het personeel van het luchtvaartterrein en alle andere relevante organisaties bewust te maken van de wijzigingen die relevant zijn voor hun taken en verantwoordelijkheden.

h)

De exploitant van het luchtvaartterrein dient te waarborgen dat alle informatie uit andere goedgekeurde documenten en wijzigingen daarvan juist wordt weergegeven in het luchtvaartterreinhandboek. De exploitant mag evenwel conservatievere gegevens en procedures publiceren in het luchtvaartterreinhandboek.

i)

De exploitant van het luchtvaartterrein zorgt ervoor dat:

1)

het luchtvaartterreinhandboek geschreven is in een taal die aanvaardbaar is voor de bevoegde autoriteit, en

2)

alle personeelsleden de taal waarin de delen van het luchtvaartterreinhandboek en andere operationele documenten die betrekking hebben op hun taken en verantwoordelijkheden is geschreven, kunnen lezen en begrijpen.

j)

De exploitant van het luchtvaartterrein zorgt ervoor dat het luchtvaartterreinhandboek:

1)

is ondertekend door de verantwoordelijke beheerder van het luchtvaartterrein;

2)

gedrukt is of in elektronisch formaat beschikbaar is en gemakkelijk kan worden herzien;

3)

beschikt over een systeem voor het beheer van de versies, dat wordt toegepast en zichtbaar gemaakt in het luchtvaartterreinhandboek, en

4)

rekening houdt met beginselen die betrekking hebben op menselijke factoren en is georganiseerd op een manier die de opstelling, het gebruik en de toetsing ervan vergemakkelijkt.

k)

De exploitant van het luchtvaartterrein houdt minstens een volledig en actueel exemplaar van het luchtvaartterreinhandboek bij op het luchtvaartterrein en stelt het ter beschikking van de bevoegde autoriteit voor inspectie.

l)

De inhoud van het luchtvaartterreinhandboek dient er als volgt uit te zien:

1)

Algemeen;

2)

Het beheersysteem van het luchtvaartterrein, eisen inzake kwalificaties en opleiding;

3)

Bijzondere kenmerken van het luchtvaartterrein;

4)

Bijzondere kenmerken van het luchtvaartterrein die aan de luchtvaartinlichtingendienst moeten worden meegedeeld, en

5)

Bijzondere kenmerken van de exploitatieprocedures van het luchtvaartterrein, de luchtvaartterreinapparatuur en de veiligheidsmaatregelen.

ADR.OR.E.010 Eisen inzake documentatie

a)

De exploitant van het luchtvaartterrein zorgt ervoor dat alle andere vereiste documentatie en bijbehorende wijzigingen beschikbaar zijn.

b)

De exploitant van het luchtvaartterrein dient in staat te zijn om instructies betreffende de vluchtuitvoering en andere informatie onverwijld te verspreiden.


(1)  PB L 295 van 12.11.2010, blz. 35.

(2)  PB L 294 van 13.11.2007, blz. 3.

(3)  PB L 295 van 14.11.2007, blz. 7.


BIJLAGE IV

Deel Exploitatievereisten — Luchtvaartterreinen (Deel-ADR.OPS)

SUBDEEL A — ALGEMENE VEREISTEN (ADR.OPS.A)

ADR.OPS.A.005 Gegevens over het luchtvaartterrein

De exploitant van het luchtvaartterrein dient, voor zover van toepassing:

a)

gegevens die relevant zijn voor het luchtvaartterrein en de beschikbare diensten vast te stellen, te documenteren en bij te houden;

b)

gegevens die relevant zijn voor het luchtvaartterrein en de beschikbare diensten te verstrekken aan de gebruikers en de relevante verleners van luchtverkeersdiensten en luchtvaartinlichtingendiensten.

ADR.OPS.A.010 Eisen inzake gegevenskwaliteit

De exploitant van het luchtvaartterrein treft formele regelingen met organisaties waarmee hij luchtvaartgegevens en/of luchtvaartinlichtingen uitwisselt.

a)

Alle gegevens die relevant zijn voor het luchtvaartterrein en de beschikbare diensten worden door de exploitant van het luchtvaartterrein verstrekt met inachtneming van de vereiste kwaliteit en integriteit.

b)

Als gegevens die relevant zijn voor het luchtvaartterrein en de beschikbare diensten worden gepubliceerd, dient de exploitant van het luchtvaartterrein:

1)

toezicht te houden op gegevens die relevant zijn voor het luchtvaartterrein en de beschikbare diensten en die afkomstig zijn van de exploitant van het luchtvaartterrein en worden verspreid door de relevante verleners van luchtverkeersdiensten en luchtvaartinlichtingendiensten;

2)

de relevante verleners van luchtvaartinlichtingendiensten in kennis te stellen van alle wijzigingen die nodig zijn om te garanderen dat de gegevens die relevant zijn voor het luchtvaartterrein en de beschikbare diensten en die afkomstig zijn van de exploitant van het luchtvaartterrein correct en volledig zijn;

3)

de relevante verleners van luchtverkeersdiensten en luchtvaartinlichtingendiensten in kennis te stellen als de van de exploitant van het luchtvaartterrein afkomstige gepubliceerde gegevens incorrect of niet toepasselijk zijn.

ADR.OPS.A.015 Coördinatie tussen exploitanten van luchtvaartterreinen en verleners van luchtvaartinlichtingendiensten

a)

Om te garanderen dat verleners van luchtvaartinlichtingendiensten informatie krijgen die hen in staat stelt actuele aan de vlucht voorafgaande informatie te verstrekken en tegemoet te komen aan de behoefte aan informatie die nodig is tijdens de vlucht, treft de exploitant van het luchtvaartterrein regelingen om, met zo weinig mogelijk vertraging, het volgende aan de verleners van luchtvaartinlichtingendiensten mee te delen:

1)

informatie over de omstandigheden op het luchtvaartterrein, het weghalen van gestrande luchtvaartuigen, reddings- en brandbestrijdingsactiviteiten en dalingshoeklichten;

2)

de operationele status van bijbehorende faciliteiten, diensten en navigatiehulpmiddelen op het luchtvaartterrein;

3)

alle andere informatie die geacht wordt van operationele betekenis te zijn.

b)

Alvorens wijzigingen aan te brengen aan het luchtvaartnavigatiesysteem houdt de exploitant van het luchtvaartterrein rekening met de tijd die de relevante luchtvaartinlichtingendiensten nodig hebben om het relevante materiaal voor te bereiden, te produceren en te verspreiden.

SUBDEEL B — OPERATIONELE DIENSTEN, APPARATUUR EN INSTALLATIES OP HET LUCHTVAARTTERREIN (ADR.OPS.B)

ADR.OPS.B.001 Dienstverlening

De diensten onder subdeel B van deze bijlage worden rechtstreeks of onrechtstreeks door de exploitant van het luchtvaartterrein op het luchtvaartterrein verleend.

ADR.OPS.B.005 Noodplanning van het luchtvaartterrein

De exploitant van het luchtvaartterrein moet beschikken over een noodplan voor het luchtvaartterrein en zorgen voor de toepassing ervan. Dit plan:

a)

is aangepast aan de vluchtuitvoeringen en andere activiteiten op het luchtvaartterrein;

b)

zorgt voor coördinatie tussen de passende organisaties bij een noodgeval op het luchtvaartterrein of in de omgeving van het luchtvaartterrein, en

c)

bevat procedures voor periodieke controles van de geschiktheid van het plan en voor de herziening van de resultaten, teneinde de effectiviteit ervan te vergroten.

ADR.OPS.B.010 Reddings- en brandbestrijdingsdiensten

a)

De exploitant van het luchtvaartterrein zorgt ervoor dat:

1)

faciliteiten, apparatuur en diensten voor redding en brandbestrijding beschikbaar zijn op het luchtvaartterrein;

2)

tijdig passende apparatuur, brandblusmiddelen en voldoende personeel beschikbaar zijn;

3)

het reddings- en brandbestrijdingspersoneel voldoende zijn opgeleid, uitgerust en gekwalificeerd om op het luchtvaartterrein te functioneren, en

4)

het reddings- en brandbestrijdingspersoneel dat in actie moet komen in noodsituaties moet aantonen dat het medisch geschikt is om zijn taken uit te voeren, rekening houdend met het type activiteit.

b)

De exploitant van het luchtvaartterrein zorgt voor de opstelling en uitvoering van een opleidingsprogramma voor het personeel dat betrokken is bij reddings- en brandbestrijdingsdiensten op het luchtvaartterrein;

c)

De exploitant van het luchtvaartterrein neemt met een passende frequentie vaardigheidstests af om te garanderen dat de vaardigheden behouden blijven;

d)

De exploitant van het luchtvaartterrein zorgt ervoor dat:

1)

gebruik wordt gemaakt van op passende wijze gekwalificeerde en ervaren instructeurs en beoordelaars voor de tenuitvoerlegging van het opleidingsprogramma, en

2)

gebruik wordt gemaakt van geschikte faciliteiten en middelen voor het verstrekken van de opleiding.

e)

De exploitant van het luchtvaartterrein dient:

1)

passende gegevens bij te houden over de kwalificaties, opleiding en vaardigheidstests, teneinde de naleving van deze eis aan te tonen;

2)

deze gegevens op verzoek ter beschikking te stellen van het betrokken personeel, en

3)

als een persoon in dienst treedt bij een andere werkgever, de gegevens van die persoon op verzoek ter beschikking te stellen van die nieuwe werkgever.

f)

Voor een tijdelijke beperking van het niveau van bescherming dat wordt geboden door de reddings- en brandbestrijdingsdiensten op het luchtvaartterrein, ten gevolge van onvoorziene omstandigheden, is geen voorafgaande goedkeuring van de bevoegde autoriteit nodig.

ADR.OPS.B.015 Monitoring en inspectie van het bewegingsgebied en de bijbehorende faciliteiten

a)

De exploitant van het luchtvaartterrein houdt toezicht op de staat van het bewegingsgebied en de operationele status van de bijbehorende faciliteiten, en brengt verslag uit over operationeel significante kwesties, ongeacht of deze tijdelijk of permanent zijn, aan de relevante verleners van luchtverkeersdiensten en luchtvaartinlichtingendiensten.

b)

De exploitant van het luchtvaartterrein voert regelmatig inspecties uit van het bewegingsgebied en de bijbehorende faciliteiten.

ADR.OPS.B.020 Beperking van het risico op botsingen met wilde dieren

De exploitant van het luchtvaartterrein dient:

a)

het risico op botsingen met wilde dieren op en in de omgeving van het luchtvaartterrein te beoordelen;

b)

te voorzien in middelen en procedures om het risico op botsingen tussen wilde dieren en luchtvaartuigen op het luchtvaartterrein tot een minimum te beperken, en

c)

de bevoegde autoriteit op de hoogte te brengen als uit een beoordeling van het risico op botsingen met wilde dieren blijkt dat omstandigheden in de omgeving van het luchtvaartterrein dit risico doen toenemen.

ADR.OPS.B.025 Het gebruik van voertuigen

De exploitant van het luchtvaartterrein zorgt voor de opstelling en toepassing van procedures voor de opleiding, beoordeling en vergunning van alle bestuurders die actief zijn in het bewegingsgebied.

ADR.OPS.B.030 Begeleidings- en controlesysteem voor verplaatsingen over land

De exploitant van het luchtvaartterrein ziet erop toe dat het luchtvaartterrein beschikt over een begeleidings- en controlesysteem voor verplaatsingen over land.

ADR.OPS.B.035 Activiteiten in winterse omstandigheden

De exploitant van het luchtvaartterrein ziet erop toe dat er middelen en procedures voorhanden zijn en worden toegepast om ervoor te zorgen dat de activiteiten op het luchtvaartterrein veilig kunnen plaatsvinden in winterse omstandigheden.

ADR.OPS.B.040 Activiteiten bij nacht

De exploitant van het luchtvaartterrein ziet erop toe dat er middelen en procedures voorhanden zijn en worden toegepast om ervoor te zorgen dat de activiteiten op het luchtvaartterrein veilig kunnen plaatsvinden in winterse omstandigheden.

ADR.OPS.B.045 Activiteiten bij slecht zicht

a)

De exploitant van het luchtvaartterrein ziet erop toe dat er middelen en procedures voorhanden zijn en worden toegepast om ervoor te zorgen dat de activiteiten op het luchtvaartterrein veilig kunnen plaatsvinden bij slecht zicht.

b)

Slechtzichtprocedures dienen vooraf door de bevoegde autoriteit te worden goedgekeurd.

ADR.OPS.B.050 Activiteiten bij ongunstige weersomstandigheden

De exploitant van het luchtvaartterrein ziet erop toe dat er middelen en procedures voorhanden zijn en worden toegepast om ervoor te zorgen dat de activiteiten op het luchtvaartterrein veilig kunnen plaatsvinden bij ongunstige weersomstandigheden.

ADR.OPS.B.055 Brandstofkwaliteit

De exploitant van het luchtvaartterrein gaat na of organisaties die betrokken zijn bij de opslag en verdeling van brandstof aan luchtvaartuigen over procedures beschikken om te garanderen dat niet-vervuilde brandstof van de juiste specificatie aan luchtvaartuigen wordt geleverd.

ADR.OPS.B.065 Visuele hulpmiddelen en elektrische systemen op het luchtvaartterrein

De exploitant van het luchtvaartterrein beschikt over procedures om te garanderen dat de visuele hulpmiddelen en elektrische systemen op het luchtvaartterrein functioneren zoals gepland.

ADR.OPS.B.070 De veiligheid van werkzaamheden op het luchtvaartterrein

a)

De exploitant van het luchtvaartterrein zorgt voor de vaststelling en toepassing van procedures om te garanderen dat:

1)

de veiligheid van luchtvaartuigen niet in het gedrang komt door werkzaamheden op het luchtvaartterrein, en

2)

de veiligheid van de werkzaamheden op het luchtvaartterrein niet in het gedrang komt door de operationele activiteiten op het luchtvaartterrein.

ADR.OPS.B.075 Het vrijhouden van luchtvaartterreinen en hun omgeving

a)

De exploitant van het luchtvaartterrein houdt op het luchtvaartterrein en in de omgeving van het luchtvaartterrein toezicht op:

3)

hinderisbeperkende vlakken en hindernisbeschermende vlakken, zoals vastgesteld overeenkomstig de certificeringsbasis, en andere vlakken en zones die verband houden met het luchtvaartterrein, teneinde binnen zijn bevoegdheid passende maatregelen te kunnen nemen om de risico’s die verbonden zijn met het doorboren van deze vlakken of het binnendringen van deze zones te beperken;

4)

de markering en verlichting van obstakels, teneinde binnen zijn bevoegdheid maatregelen te kunnen nemen, voor zover van toepassing, en

5)

gevaren die verband houden met menselijke activiteiten en landgebruik, teneinde binnen zijn bevoegdheid maatregelen te kunnen nemen, voor zover van toepassing.

b)

De exploitant van het luchtvaartterrein beschikt over procedures ter beperking van de risico’s die verband houden met obstakels, ontwikkelingen en andere activiteiten in de bewaakte gebieden die gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid van de activiteiten van luchtvaartuigen op, van of naar het luchtvaartterrein.

ADR.OPS.B.080 Markering en verlichting van voertuigen en andere mobiele voorwerpen

De exploitant van het luchtvaartterrein ziet erop toe dat voertuigen en andere mobiele voorwerpen, met uitzondering van luchtvaartuigen, op het bewegingsgebied van het luchtvaartterrein worden gemarkeerd en, indien de voertuigen „s nachts of bij slecht zicht worden gebruikt, verlicht. Vrijstelling kan worden verleend voor apparatuur en voertuigen voor het onderhoud van luchtvaartuigen, welke enkel op het luchtvaartterrein worden gebruikt.

ADR.OPS.B.090 Het gebruik van het luchtvaartterrein door luchtvaartuigen met een hogere codeletter

a)

Behalve in geval van noodsituaties mag een exploitant van het luchtvaartterrein, mits hij voorafgaande goedkeuring van de bevoegde autoriteit heeft gekregen, toestaan dat het luchtvaartterrein of delen ervan worden gebruikt door luchtvaartuigen met een hogere codeletter dan die welke vermeld is in de in het certificaat opgenomen ontwerpkenmerken van het luchtvaartterrein.

b)

Voor het aantonen van de naleving van punt a) zijn de bepalingen van ADR.OR.B.040 van toepassing.

SUBDEEL C — ONDERHOUD VAN HET LUCHTVAARTTERREIN (ADR.OPS.C)

ADR.OPS.C.005 Algemeen

De exploitant van het luchtvaartterrein zorgt voor de vaststelling en uitvoering van een onderhoudsprogramma, inclusief preventief onderhoud, voor zover van toepassing, teneinde ervoor te zorgen dat de faciliteiten van het luchtvaartterrein blijven voldoen aan de essentiële eisen van bijlage Va bij Verordening (EG) nr. 216/2008.

ADR.OPS.C.010 Verharde oppervlakken, andere grondoppervlakken en drainage

a)

De exploitant van het luchtvaartterrein inspecteert de oppervlakken van alle bewegingsgebieden, inclusief de verharde oppervlakken (startbanen, taxibanen en het luchtvaartterreinen), de aangrenzende zones en de drainage teneinde regelmatig te kunnen beoordelen in welke staat zij zich bevinden, als onderdeel van een preventief en correctief onderhoudsprogramma van het luchtvaartterrein.

b)

De exploitant van het luchtvaartterrein dient:

1)

alle oppervlakken van het bewegingsgebied te onderhouden teneinde alle losse voorwerpen/puin die schade kunnen veroorzaken aan luchtvaartuigen of de activiteiten van luchtvaartuigsystemen kunnen hinderen, te voorkomen of te verwijderen;

2)

het oppervlak van startbanen, taxibanen en luchtvaartterreinen te onderhouden teneinde te voorkomen dat schadelijke onregelmatigheden ontstaan;

3)

corrigerend onderhoud te verrichten wanneer de rolweerstand van de volledige startbaan of een deel ervan, in onvervuilde staat, onder een bepaald rolweerstandsniveau blijft. De frequentie van deze maatregelen moet volstaan om de tendens van de rolweerstand van de startbaan vast te stellen.

ADR.OPS.C.015 Visuele hulpmiddelen en elektrische systemen

De exploitant van het luchtvaartterrein dient een systeem vast te stellen en toe te passen voor corrigerend en preventief onderhoud van visuele hulpmiddelen en elektrische systemen teneinde te garanderen dat het verlichtings- en markeringssysteem beschikbaar en betrouwbaar is en aan de voorschriften beantwoordt.


Top