EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31989L0608

Richtlijn 89/608/EEG van de Raad van 21 november 1989 betreffende wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de Lid-Staten en samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie, met het oog op de juiste toepassing van de veterinaire en zoötechnische wetgeving

OJ L 351, 2.12.1989, p. 34–37 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)
Special edition in Finnish: Chapter 03 Volume 030 P. 216 - 219
Special edition in Swedish: Chapter 03 Volume 030 P. 216 - 219
Special edition in Czech: Chapter 02 Volume 004 P. 135 - 138
Special edition in Estonian: Chapter 02 Volume 004 P. 135 - 138
Special edition in Latvian: Chapter 02 Volume 004 P. 135 - 138
Special edition in Lithuanian: Chapter 02 Volume 004 P. 135 - 138
Special edition in Hungarian Chapter 02 Volume 004 P. 135 - 138
Special edition in Maltese: Chapter 02 Volume 004 P. 135 - 138
Special edition in Polish: Chapter 02 Volume 004 P. 135 - 138
Special edition in Slovak: Chapter 02 Volume 004 P. 135 - 138
Special edition in Slovene: Chapter 02 Volume 004 P. 135 - 138
Special edition in Bulgarian: Chapter 02 Volume 004 P. 174 - 177
Special edition in Romanian: Chapter 02 Volume 004 P. 174 - 177
Special edition in Croatian: Chapter 02 Volume 015 P. 13 - 16

No longer in force, Date of end of validity: 13/12/2019; afgeschaft en vervangen door 32017R0625 . Latest consolidated version: 01/11/2018

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1989/608/oj

31989L0608

Richtlijn 89/608/EEG van de Raad van 21 november 1989 betreffende wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de Lid-Staten en samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie, met het oog op de juiste toepassing van de veterinaire en zoötechnische wetgeving

Publicatieblad Nr. L 351 van 02/12/1989 blz. 0034 - 0037
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 3 Deel 30 blz. 0216
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 3 Deel 30 blz. 0216


*****

RICHTLIJN VAN DE RAAD

van 21 november 1989

betreffende wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de Lid-Staten en samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie, met het oog op de juiste toepassing van de veterinaire en zooetechnische wetgeving

(89/608/EEG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 43,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europese Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

Overwegende dat in de landbouwsector belangrijke voorschriften zijn ingevoerd op veterinair en zooetechnisch gebied;

Overwegende dat het, voor de goede werking van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en van de gemeenschappelijke markt voor landbouwprodukten en gezien de te verwachten afschaffing van de veterinaire controles aan de grens in verband met de totstandbrenging van de interne markt voor de aan die controles onderworpen produkten, noodzakelijk is de samenwerking tussen de autoriteiten die in elke Lid-Staat belast zijn met de toepassing van de veterinaire en zooetechnische wetgeving, te versterken;

Overwegende dat het derhalve dienstig is regels vast te stellen volgens welke de autoriteiten van de Lid-Staten elkaar bijstand dienen te verlenen en met de Commissie dienen samen te werken om de juiste toepassing van de voorschriften te verzekeren, met name door middel van het voorkomen en opsporen van inbreuken op die voorschriften en het opsporen van iedere handelwijze die met deze voorschriften in strijd is of lijkt te zijn;

Overwegende dat het voor de vaststelling van die regels dienstig is zoveel mogelijk uit te gaan van de communautaire bepalingen die zijn vastgesteld bij Verordening (EEG) nr. 1468/81 van de Raad van 19 mei 1981 betreffende wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de Lid-Staten en samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie, met het oog op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften (4), gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 945/87 (5); dat evenwel ook rekening moet worden gehouden met het specifieke karakter van de gezondheidsvoorschriften,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bij deze richtlijn worden de voorwaarden vastgesteld waaronder de administratieve autoriteiten die in de Lid-Staten belast zijn met de controle van de veterinaire en zooetechnische wetgeving, met die van de andere Lid-Staten en met de bevoegde diensten van de Commissie samenwerken om de naleving van deze wetgeving te verzekeren.

Artikel 2

1. In deze richtlijn wordt verstaan onder:

- »veterinaire wetgeving": alle bepalingen van communautaire aard en alle bepalingen voor de toepassing van de communautaire voorschriften die betrekking hebben op de gezondheid van dieren, de volksgezondheid in relatie tot de veterinaire sector, de

keuring van dieren, vlees en andere produkten van dierlijke oorsprong, en de bescherming van dieren,

- »zooetechnische wetgeving": alle bepalingen van communautaire aard en alle bepalingen voor de toepassing van de communautaire voorschriften op het gebied van de zooetechniek,

- »verzoekende autoriteit": de bevoegde centrale autoriteit van een Lid-Staat die een verzoek om bijstand indient,

- »aangezochte autoriteit": de bevoegde centrale autoriteit van een Lid-Staat waaraan een verzoek om bijstand wordt gericht.

2. Elke Lid-Staat deelt aan de andere Lid-Staten en aan de Commissie de lijst mee van de in artikel 1 bedoelde bevoegde autoriteiten.

Artikel 3

De bij deze richtlijn ingestelde bijstandsplicht laat het verstrekken van gegevens of documenten die de bevoegde autoriteiten als bedoeld in artikel 1 hebben verkregen het kader van de bevoegdheden die zij in opdracht van de rechterlijke autoriteit uitoefenen, onverlet.

In geval van bijstand op verzoek worden deze gegevens of documenten echter, onverminderd artikel 14, verstrekt in alle gevallen waarin de rechterlijke autoriteit, die hiertoe moet worden geraadpleegd, daarmee instemt.

TITEL I

Bijstand op verzoek

Artikel 4

1. Op een met redenen omkleed verzoek van de verzoekende autoriteit:

- verstrekt de aangezochte autoriteit aan eerstgenoemde alle gegevens, verklaringen, documenten of voor eensluidend gewaarmerkte afschriften die haar ter beschikking staan of die zij verkrijgt overeenkomstig lid 2, en die de eerstgenoemde autoriteit nodig heeft om te kunnen verifiëren of de veterinaire of zooetechnische wetgeving wordt nageleefd,

- verricht de aangezochte autoriteit alle nuttige onderzoeken met betrekking tot de waarheidsgetrouwheid van de door de verzoekende autoriteit gesignaleerde feiten en deelt zij haar het resultaat van deze onderzoeken mee, met inbegrip van de informatie die daartoe nodig was.

2. Voor het verkrijgen van de gevraagde gegevens gaat de aangezochte autoriteit of de administratieve autoriteit tot wie laatstgenoemde zich heeft gericht, te werk als handelde zij ten eigen behoeve of op verzoek van een andere autoriteit uit eigen land.

Artikel 5

1. Op verzoek van de verzoekende autoriteit geeft de aangezochte autoriteit haar kennis of doet zij haar, met inachtneming van de regels die van kracht zijn in de Lid-Staat waar zij is gevestigd, kennis van alle besluiten of beslissingen die uitgaan van de bevoegde autoriteiten en betrekking hebben op de toepassing van de veterinaire of zooetechnische wetgeving.

2. Bij de verzoeken om kennisgeving, die het onderwerp moeten vermelden van de stukken of de beslissingen waarvan kennis moet worden gegeven, wordt, op verzoek van de aangezochte autoriteit, een vertaling gevoegd in de officiële taal of een van de officiële talen van de Lid-Staat waar deze autoriteit is gevestigd.

Artikel 6

Op verzoek van de verzoekende autoriteit oefent de aangezochte autoriteit, binnen haar dienstgebied waar verdenking van onregelmatigheden bestaat, toezicht uit, of doet dit uitoefenen dan wel versterken, in het bijzonder op:

a) de inrichtingen,

b) de plaatsen waar goederen worden opgeslagen,

c) de gesignaleerde goederenbewegingen,

d) de vervoermiddelen.

Artikel 7

Op verzoek van de verzoekende autoriteit deelt de aangezochte autoriteit eerstgenoemde, met name door middel van rapporten en andere documenten of van voor eensluidend gewaarmerkte afschriften of uittreksels daarvan, alle passende gegevens mede die haar ter beschikking staan of die zij verkrijgt overeenkomstig artikel 4, lid 2, met betrekking tot daadwerkelijk geconstateerde handelingen die de verzoekende autoriteit in strijd lijken met de veterinaire of zooetechnische wetgeving.

TITEL II

Bijstand op eigen initiatief

Artikel 8

1. Onder de voorwaarden vastgesteld in lid 2 verlenen de bevoegde autoriteiten van iedere Lid-Staat op eigen initiatief medewerking aan de autoriteiten van de andere Lid-Staten zonder dat deze laatste hierom vooraf hebben verzocht.

2. Wanneer de bevoegde autoriteiten van iedere Lid-Staat zulks voor de naleving van de veterinaire of zooetechnische wetgeving nuttig achten:

a) oefenen zij zoveel mogelijk het in artikel 6 bedoelde toezicht uit, of doen zij dit uitoefenen;

b) doen zij zo spoedig mogelijk de bevoegde autoriteiten van de andere betrokken Lid-Staten, met name door middel van rapporten en andere documenten of voor eensluidend gewaarmerkte afschriften of uittreksels daarvan, mededeling van alle hun ter beschikking staande gegevens betreffende handelingen die in strijd zijn of hun in strijd lijken te zijn met de veterinaire of zooetechnische wetgeving, met name van de bij deze handelingen gebruikte middelen of methoden.

TITEL III

Slotbepalingen

Artikel 9

1. De bevoegde autoriteiten van iedere Lid-Staat stellen de Commissie, zodra zij daarover beschikken, in kennis van: a) alle door hen dienstig geachte gegevens over:

- goederen waarmee handelingen zijn verricht of vermoedelijk zijn verricht die in strijd zijn met de veterinaire of zooetechnische wetgeving;

- de methoden en praktijken die zijn toegepast of vermoedelijk zijn toegepast om die wetgeving te overtreden;

b) alle gegevens betreffende tekortkomingen of leemten in die wetgeving waarvan het bestaan bij de toepassing daarvan kon worden aangetoond of verondersteld.

2. De Commissie stelt de bevoegde autoriteiten van iedere Lid-Staat, zodra zij daarover beschikt, in kennis van alle gegevens waarmede zij de naleving van de veterinaire of zooetechnische wetgeving kunnen verzekeren.

Artikel 10

1. Wanneer door de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat vastgestelde handelingen die strijdig zijn of lijken te zijn met de veterinaire of zooetechnische voorschriften, op communautair niveau van bijzonder belang zijn, met name:

- wanneer zij in andere Lid-Staten vertakkingen hebben of zouden kunnen hebben, of

- wanneer soortgelijke handelingen volgens die autoriteiten ook in andere Lid-Staten zouden kunnen zijn verricht,

delen deze autoriteiten aan de Commissie zo spoedig mogelijk op eigen initiatief of naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek van de Commissie alle ter zake dienende gegevens mede, in voorkomend geval in de vorm van documenten of van kopieën of uittreksels van documenten die voor de kennis van de feiten noodzakelijk zijn, zulks met het oog op de cooerdinatie door de Commissie van de door de Lid-Staten genomen maatregelen.

De Commissie deelt deze gegevens aan de bevoegde autoriteiten van de overige Lid-Staten mede.

2. Wanneer de in lid 1 bedoelde mededelingen betrekking hebben op gevallen waarin de volksgezondheid in gevaar is, kunnen de betreffende gegevens, indien andere preventieve middelen ontbreken, na contact tussen de partijen en de Commissie, in een passende vorm aan het publiek worden bekendgemaakt.

3. Gegevens over natuurlijke of rechtspersonen worden in de in lid 1 bedoelde mededelingen slechts gegeven voor zover dit strikt noodzakelijk is om te kunnen vaststellen of handelingen strijdig zijn met de veterinaire of zooetechnische wetgeving.

4. Wanneer de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat lid 1 toepassen, kunnen zij de in artikel 8, lid 2, onder b), en in artikel 9 bedoelde mededeling aan de bevoegde autoriteiten van de andere betrokken Lid-Staten achterwege laten.

Artikel 11

De Commissie en de Lid-Staten, in het kader van het Permanent Veterinair Comité of het Permanent Zooetechnisch Comité bijeen:

- bestuderen in het algemeen de werking van de bij deze richtlijn ingevoerde wederzijdse bijstand,

- bespreken de krachtens de artikelen 9 en 10 aan de Commissie meegedeelde relevante inlichtingen en de wijze waarop deze mededelingen zijn gedaan, ten einde er lering uit te trekken.

In het licht van die bespreking stelt de Commissie, in voorkomend geval, een wijziging of aanvulling voor van de bestaande communautaire voorschriften.

Artikel 12

Voor de toepassing van deze richtlijn nemen de Lid-Staten alle nodige maatregelen ten einde:

a) intern een goede cooerdinatie te verzekeren tussen de in artikel 1 bedoelde bevoegde autoriteiten;

b) in hun wederzijdse betrekkingen en voor zover nodig te zorgen voor een rechtstreekse samenwerking tussen de autoriteiten die zij hiertoe speciaal machtigen.

Artikel 13

1. Deze richtlijn verplicht de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten er niet toe elkaar bijstand te verlenen ingeval deze bijstand kan leiden tot aantasting van de openbare orde of van andere wezenlijke belangen van de Lid-Staat waar zij gevestigd zijn.

2. Elke weigering van bijstand wordt met redenen omkleed.

Artikel 14

Het verschaffen van documenten waarin bij deze richtlijn wordt voorzien, kan worden vervangen door het verschaffen van inlichtingen die in ongeacht welke vorm voor dezelfde doeleinden via de informatica worden verstrekt.

Artikel 15

1. De krachtens deze richtlijn in welke vorm dan ook verstrekte gegevens zijn vertrouwelijk. Zij vallen onder het beroepsgeheim en genieten de bescherming waarin voor soortgelijke gegevens wordt voorzien door de nationale wet van de ontvangende Lid-Staat en door de overeenkomstige bepalingen die voor communautaire instanties gelden.

De in de eerste alinea bedoelde gegevens mogen met name niet worden doorgegeven aan andere personen dan die welke, in de Lid-Staten of binnen de Instellingen van de Gemeenschap, uit hoofde van hun functie, daarvan kennis dienen te nemen. Zij mogen evenmin worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin deze richtlijn voorziet, behalve met de uitdrukkelijke toestemming van de autoriteit die ze heeft verstrekt en voor zover die bekendmaking of dat gebruik niet in strijd is met bepalingen in de Lid-Staat waar de autoriteit, die ze heeft ontvangen, is gevestigd.

De in deze richtlijn bedoelde gegevens worden slechts aan de verzoekende autoriteit verstrekt voor zover de voorschriften die van kracht zijn in de Lid-Staat waar de aangezochte autoriteit is gevestigd, zich daartegen niet verzetten.

De Lid-Staten zorgen ervoor dat de in het kader van deze richtlijn verkregen gegevens vertrouwelijk worden behandeld, ook nadat een dossier is gesloten.

2. Lid 1 belet niet dat de krachtens deze richtlijn verkregen gegevens worden gebruikt bij gerechtelijke procedures of rechtsvervolgingen die later worden ingesteld wegens niet-naleving van de veterinaire of zooetechnische wetgeving, en bij de preventie en opsporing van onregelmatigheden ten nadele van de communautaire fondsen.

De bevoegde autoriteit van de Lid-Staat die deze gegevens heeft verstrekt, wordt onverwijld in kennis gesteld van een dergelijk gebruik.

Artikel 16

De Lid-Staten stellen de Commissie en de andere Lid-Staten in kennis van de met derde landen gesloten bilaterale overeenkomsten betreffende wederzijdse bijstand tussen veterinaire instanties.

De Commissie stelt harerzijds de Lid-Staten in kennis van soortgelijke overeenkomsten die zij met derde landen heeft gesloten.

Artikel 17

De Lid-Staten zien onderling af van eisen tot terugbetaling van de kosten die uit de toepassing van deze richtlijn voortvloeien, behalve wat de vergoedingen betreft die eventueel aan deskundigen worden uitbetaald.

Artikel 18

Deze richtlijn laat de toepassing in de Lid-Staten van de regels inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken onverlet.

Artikel 19

De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om vóór 1 juli 1991 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Artikel 20

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 21 november 1989.

Voor de Raad

De Voorzitter

H. NALLET

(1) PB nr. C 225 van 31. 8. 1988, blz. 4.

(2) PB nr. C 326 van 19. 12. 1988, blz. 28.

(3) PB nr. C 56 van 6. 3. 1989, blz. 7.

(4) PB nr. L 144 van 2. 6. 1981, blz. 1.

(5) PB nr. L 90 van 2. 4. 1987, blz. 3.

Top