This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62021CA0571
Case C-571/21, RWE Power: Judgment of the Court (Fifth Chamber) of 9 March 2023 (request for a preliminary ruling from the Finanzgericht Düsseldorf — Germany) — RWE Power Aktiengesellschaft v Hauptzollamt Duisburg (Reference for a preliminary ruling — Taxation of energy products and electricity — Directive 2003/96/EC — Article 14(1)(a) — Second and third sentences of Article 21(3) — Electricity used to produce electricity and to maintain the ability to produce electricity — Exemption — Scope — Opencast mining operations — Electricity used in order to operate fuel bunkers and means of transport)
Zaak C-571/21, RWE Power: Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 9 maart 2023 (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Finanzgericht Düsseldorf — Duitsland) — RWE Power Aktiengesellschaft / Hauptzollamt Duisburg [Prejudiciële verwijzing – Heffing van belasting over energieproducten en elektriciteit – Richtlijn 2003/96/EG – Artikel 14, lid 1, onder a) – Artikel 21, lid 3, tweede en derde volzin – Elektriciteit die wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit en voor de instandhouding van het vermogen om elektriciteit te produceren – Vrijstelling – Omvang – Exploitatie van dagbouwmijnen – Elektriciteit die wordt gebruikt voor de exploitatie van brandstofbunkers en vervoermiddelen]
Zaak C-571/21, RWE Power: Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 9 maart 2023 (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Finanzgericht Düsseldorf — Duitsland) — RWE Power Aktiengesellschaft / Hauptzollamt Duisburg [Prejudiciële verwijzing – Heffing van belasting over energieproducten en elektriciteit – Richtlijn 2003/96/EG – Artikel 14, lid 1, onder a) – Artikel 21, lid 3, tweede en derde volzin – Elektriciteit die wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit en voor de instandhouding van het vermogen om elektriciteit te produceren – Vrijstelling – Omvang – Exploitatie van dagbouwmijnen – Elektriciteit die wordt gebruikt voor de exploitatie van brandstofbunkers en vervoermiddelen]
PB C 155 van 2.5.2023, p. 16–16
(BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/16 |
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 9 maart 2023 (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Finanzgericht Düsseldorf — Duitsland) — RWE Power Aktiengesellschaft / Hauptzollamt Duisburg
(Zaak C-571/21 (1), RWE Power)
(Prejudiciële verwijzing - Heffing van belasting over energieproducten en elektriciteit - Richtlijn 2003/96/EG - Artikel 14, lid 1, onder a) - Artikel 21, lid 3, tweede en derde volzin - Elektriciteit die wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit en voor de instandhouding van het vermogen om elektriciteit te produceren - Vrijstelling - Omvang - Exploitatie van dagbouwmijnen - Elektriciteit die wordt gebruikt voor de exploitatie van brandstofbunkers en vervoermiddelen)
(2023/C 155/18)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Finanzgericht Düsseldorf
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: RWE Power Aktiengesellschaft
Verwerende partij: Hauptzollamt Duisburg
Dictum
|
1) |
Artikel 14, lid 1, onder a), eerste volzin, van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit, gelezen in samenhang met artikel 21, lid 3, tweede volzin, van deze richtlijn, moet aldus worden uitgelegd dat de in die bepaling bedoelde belastingvrijstelling voor “elektriciteit die wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit” niet geldt voor elektriciteit die wordt gebruikt voor de winning van een energieproduct als bruinkool in een dagbouwmijn, wanneer deze elektriciteit niet wordt gebruikt in het kader van een technologisch proces van elektriciteitsproductie, maar voor de vervaardiging van een energieproduct. Deze vrijstelling kan daarentegen wel gelden voor de daaropvolgende omzetting en verwerking van dat energieproduct in elektriciteitscentrales met het oog op de productie van elektriciteit, voor zover deze handelingen onontbeerlijk zijn voor en rechtstreeks bijdragen aan het technologische proces van die productie. |
|
2) |
Artikel 14, lid 1, onder a), eerste volzin, van richtlijn 2003/96 moet aldus worden uitgelegd dat de in die bepaling bedoelde belastingvrijstelling voor “elektriciteit die wordt gebruikt tot instandhouding van het vermogen elektriciteit te produceren” ook kan gelden voor elektriciteit die wordt gebruikt voor de werking van installaties voor de opslag van een energieproduct als bruinkool en voor de werking van vervoermiddelen waarmee dit product kan worden getransporteerd, wanneer deze handelingen plaatsvinden in elektriciteitscentrales en voor zover zij onontbeerlijk zijn voor en rechtstreeks bijdragen aan de instandhouding van het vermogen van het technologische proces van elektriciteitsproductie, omdat die handelingen nodig zijn voor de instandhouding van het vermogen om ononderbroken elektriciteit te produceren. |