Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62018CA0168

Zaak C-168/18: Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 19 december 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesarbeitsgericht - Duitsland) – Pensions-Sicherungs-Verein VVaG/Günther Bauer (Prejudiciële verwijzing – Sociale politiek – Bescherming van werknemers bij insolventie van de werkgever – Richtlijn 2008/94/EG – Artikel 8 – Aanvullende stelsels van sociale voorzieningen – Bescherming van de rechten op ouderdomsuitkeringen – Gewaarborgd minimumbeschermingsniveau – Verplichting van de vroegere werkgever om een verlaging van het bedrijfspensioen te compenseren – Externe pensioeninstelling – Rechtstreekse werking)

PB C 61 van 24.2.2020, p. 3–3 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

24.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 61/3


Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 19 december 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesarbeitsgericht - Duitsland) – Pensions-Sicherungs-Verein VVaG/Günther Bauer

(Zaak C-168/18) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Sociale politiek - Bescherming van werknemers bij insolventie van de werkgever - Richtlijn 2008/94/EG - Artikel 8 - Aanvullende stelsels van sociale voorzieningen - Bescherming van de rechten op ouderdomsuitkeringen - Gewaarborgd minimumbeschermingsniveau - Verplichting van de vroegere werkgever om een verlaging van het bedrijfspensioen te compenseren - Externe pensioeninstelling - Rechtstreekse werking)

(2020/C 61/03)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesarbeitsgericht

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Pensions-Sicherungs-Verein VVaG

Verwerende partij: Günther Bauer

Dictum

1)

Artikel 8 van richtlijn 2008/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever moet aldus worden uitgelegd dat het van toepassing is op een situatie waarin een werkgever die via een voor meerdere bedrijfstakken optredende instelling bedrijfspensioenuitkeringen verstrekt, wegens zijn insolventie niet kan instaan voor de vergoeding van verliezen ten gevolge van de verlaging van de door deze instelling betaalde uitkeringen, welke verlaging was toegestaan door de autoriteit voor toezicht op financiële dienstverlening, die prudentieel toezicht op die instelling uitoefent.

2)

Artikel 8 van richtlijn 2008/94 moet aldus worden uitgelegd dat een verlaging van de aan een gewezen werknemer betaalde bedrijfspensioenuitkeringen wegens de insolventie van zijn vroegere werkgever kennelijk onevenredig is, ofschoon de betrokkene minstens de helft van het bedrag van de uit zijn verworven rechten voortvloeiende uitkeringen ontvangt, wanneer deze gewezen werknemer reeds onder de door Eurostat voor de betrokken lidstaat vastgestelde armoederisicodrempel leeft of door deze verlaging onder die drempel zou komen te leven.

3)

Artikel 8 van richtlijn 2008/94, dat in een verplichte minimumbescherming voorziet, kan rechtstreekse werking hebben, zodat het kan worden ingeroepen jegens een privaatrechtelijk orgaan dat door de staat is aangewezen als het waarborgorgaan voor bedrijfspensioenen bij insolventie van de werkgever, wanneer dit orgaan vanwege zijn taak en de omstandigheden waarin het die taak uitvoert kan worden gelijkgesteld met de staat, voor zover de waarborgopdracht die het dient te vervullen zich daadwerkelijk uitstrekt tot de soorten ouderdomsuitkeringen waarvoor om de in artikel 8 bedoelde minimumbescherming wordt verzocht.


(1)  PB C 231 van 2.7.2018.


Top