Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52002IE0526

Advies van het Economisch en Sociaal Comité over "Fiscale concurrentie en de impact ervan op het concurrentievermogen van ondernemingen"

PB C 149 van 21.6.2002, pp. 73–78 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

52002IE0526

Advies van het Economisch en Sociaal Comité over "Fiscale concurrentie en de impact ervan op het concurrentievermogen van ondernemingen"

Publicatieblad Nr. C 149 van 21/06/2002 blz. 0073 - 0078


Advies van het Economisch en Sociaal Comité over "Fiscale concurrentie en de impact ervan op het concurrentievermogen van ondernemingen"

(2002/C 149/16)

Het Economisch en Sociaal Comité heeft op 28 februari 2001, overeenkomstig artikel 23, lid 3, van het reglement van orde, besloten een advies op te stellen over "Fiscale concurrentie en de impact ervan op het concurrentievermogen van ondernemingen".

De afdeling "Economische en Monetaire Unie - economische en sociale samenhang", die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 25 februari 2002 met grote meerderheid van stemmen, bij vier onthoudingen, goedgekeurd; rapporteur was de heer Morgan.

Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 390e zitting (vergadering van 25 april 2002) het volgende advies uitgebracht, dat met 90 stemmen vóór, 3 stemmen tegen, bij 2 onthoudingen werd goedgekeurd.

1. Inleiding

1.1. Het Comité heeft besloten, een initiatiefadvies over fiscale concurrentie en concurrentievermogen van ondernemingen op te stellen. Daartoe bestond alle reden, want er was duidelijk sprake van fiscale concurrentievervalsing. Deze wordt momenteel echter op basis van EU- en internationale initiatieven integraal aangepakt. In dit advies worden eerst de problemen in kaart gebracht en wordt vervolgens verslag gedaan van de vooruitgang die met de diverse maatregelen is geboekt.

1.2. Met "concurrentievermogen van ondernemingen" wordt gedoeld op de mate waarin een onderneming in staat is om in een milieu van voortdurend veranderende marktkrachten te overleven en te groeien, en tegelijkertijd haar verplichtingen jegens aandeelhouders, werknemers, klanten en leveranciers na te komen.

1.3. Tot die marktkrachten, die zowel kansen als risico's inhouden, behoren onder meer:

- veranderende consumentenvoorkeuren;

- concurrentievoordelen;

- economische cycli;

- gevolgen van de interne markt; en

- consequenties van mondialisering.

1.4. Verder kan een heel scala aan overheidsmaatregelen het concurrentievermogen raken. Te denken valt daarbij aan sociale en loonnevenkosten, milieuregelingen en -heffingen, consumentenregelgeving, vervoersinfrastructuur, vaardigheden van arbeidskrachten, onderwijs en gezondheid, en het patroon van internationale overeenkomsten. Duidelijk is natuurlijk dat grondslag en tarieven van belastingen op ondernemingen het concurrentievermogen van een onderneming het meest direct raken.

1.5. Het woord "fiscaal" heeft betrekking op de overheidsfinanciën van de lidstaten en derde landen, met andere woorden op de stromen van belastinginkomsten en overheidsuitgaven. "Fiscale concurrentie" kan zich op twee manieren voordoen. In de eerste plaats kan de algemene toestand van de overheidsfinanciën een land aantrekkelijker dan andere landen voor het bedrijfsleven maken. In dit verband zijn grondslag en tarief van de vennootschapsbelasting vaak doorslaggevend. In de tweede plaats kan een land, los van de uitgangspunten van zijn financiële beleid, uitzonderingsregelingen en begunstigingen invoeren die er specifiek op zijn gericht om bedrijven te lokken dan wel te behouden. Dit wordt ruïneuze fiscale concurrentie genoemd. Dergelijke prikkels kunnen ook wel de vorm van staatssteun aannemen.

1.6. Een onderneming besluit niet noodzakelijkerwijs en zeker niet uitsluitend op grond van fiscale overwegingen om zich op een bepaalde plaats te vestigen ten einde haar concurrentievermogen te optimaliseren. Voor individuele bedrijven in de respectieve sectoren zijn dus verschillende factoren van meer dan wel minder belang.

1.7. In het onderstaande komen de volgende EU- en internationale initiatieven aan de orde:

- fiscale prioriteiten van de EU;

- een studie van de Commissie over vennootschapsbelasting;

- een EU-gedragscode om schadelijke belastingconcurrentie tegen te gaan;

- EU-maatregelen tegen schadelijke staatssteun; en

- maatregelen van de OESO.

2. Overzicht van de activiteiten

2.1. Fiscale prioriteiten van de EU

2.1.1. Op 23 mei 2001 publiceerde de Commissie een mededeling getiteld "Fiscaal beleid in de Europese Unie: prioriteiten voor de komende jaren". Daarover werd advies uitgebracht(1). De mededeling bevat een aantal aanwijzingen voor de stand van zaken op het gebied van fiscale concurrentie. Deze mededeling komt ook aan de orde in paragraaf 4.1.

2.1.1.1. In paragraaf 3.2.1 wordt het volgende over de internationale context opgemerkt: "(...) Het algemene streven van de grote wereldeconomieën, waaronder ook die van de EU-lidstaten, is gericht op een fiscaal klimaat dat vrije, eerlijke concurrentie bevordert en grensoverschrijdende ondernemingsactiviteiten stimuleert, en tegelijkertijd waarborgt dat de nationale belastinggrondslagen niet worden aangetast. Dit streven staat de laatste jaren centraal in de werkzaamheden ter bestrijding van schadelijke belastingconcurrentie in OESO-verband en op EU-niveau in het kader van het belastingpakket."

2.1.1.2. In paragraaf 1 wordt de volgende passage aan schadelijke belastingconcurrentie gewijd: "Dankzij de inspanningen om schadelijke belastingconcurrentie tegen te gaan door middel van de gedragscode voor de belastingheffing op ondernemingen en de voorstellen voor de belasting op inkomsten uit spaargelden, kunnen de lidstaten hun vermogen om belastingopbrengsten te genereren consolideren. Dit maakt het mogelijk de hoge gemiddelde belastingdruk op arbeid te verminderen. Het is daarom van belang dat de Gemeenschap de verschillende onderdelen van het belastingpakket consequent doorvoert."

2.1.1.3. In paragraaf 2.1 worden beleidsopties besproken: "In het kader van de beleidsdialoog in de EU wordt gestreefd naar een geïntegreerde aanpak, met meer aandacht voor beleidsopties en knelpunten voor de belastingheffing. Belastingverlagingen moeten gericht zijn op terreinen waar zij gunstige effecten hebben aan de aanbodzijde, en gepaard gaan met hervorming van de uitkeringsstelsels, zodat groeipotentieel en werkgelegenheid worden versterkt. Nadruk wordt gelegd op de noodzaak de belastingdruk op arbeid en de indirecte arbeidskosten te verlagen, met name voor relatief ongeschoolde en laagbetaalde arbeid."

Voorts merkt de Commissie in paragraaf 2.4 het volgende op: "(...) Het niveau van de overheidsuitgaven is ook een zaak van nationale voorkeur, zolang deze uitgaven door de inkomsten maar zodanig kunnen worden bekostigd dat de begroting in evenwicht blijft of een overschot vertoont. (...)."

2.2. De studie van de Commissie over vennootschapsbelasting

2.2.1. Deze studie werd op 23 oktober 2001 gepubliceerd in de vorm van een mededeling(2) en een werkdocument van de diensten van de Commissie (SEC(2001) 1681). Het Comité zal een apart advies over deze studie uitbrengen. De studie komt verder ook aan de orde in paragraaf 4.2.

2.2.2. De Commissie(3) merkt over de resultaten van de kwantitatieve analyse het volgende op: "Er bestaat een grote variatie in de effectieve belastingdruk voor investeerders die ingezetenen zijn van de verschillende EU-lidstaten, evenals in de manier waarop elk land investeringen in of uit andere landen benadert (zie tabellen aan het einde van deze mededeling). Het scala van verschillen in de binnenlandse effectieve tarieven voor de heffing van vennootschapsbelasting ligt rond de 37 percentagepunten wanneer het marginale investering betreft (tussen -4,1 % en 33,2 %) en rond de 30 percentagepunten wanneer het een meer winstgevende investering betreft (tussen 10,5 % en 39,7 %). (...) Over de gehele linie van binnenlandse en grensoverschrijdende indicatoren bestaat er een opmerkelijke consistentie wat betreft de relatieve positie van lidstaten, met name in de bovenste en onderste regionen".

2.2.3. "Deze grote verschillen kunnen van invloed zijn op het internationale concurrentievermogen van EU-bedrijven die in verschillende lidstaten zijn gevestigd en vormen prikkels voor bedrijven voor het kiezen van de ten aanzien van belastingheffing meest voordelige locaties voor hun investeringen, die niet noodzakelijkerwijs de meest efficiënte locaties vormen bij afwezigheid van belastingen. Indien dit het geval is, kunnen verschillen in de effectieve niveaus van de heffing van vennootschapsbelasting een inefficiënte toewijzing van middelen met zich mee brengen en daarom welvaartskosten. Het onderzoek heeft niet gepoogd de omvang van enig efficiëntieverlies of enige welvaartskosten te kwantificeren die kunnen worden geassocieerd met bestaande verschillen in effectieve vennootschapsbelastingtarieven in de Europese Unie. Desalniettemin dient de omvang van belastingverschillen en -verspreiding onder de aandacht te worden gebracht, gezien het feit dat bepaalde externe factoren evenals de verschillende wettelijke doelstellingen van het fiscaal beleid een bepaalde afwijking van de doelstelling ten aanzien van neutraliteit van belastingheffing kunnen rechtvaardigen."

2.2.4. De Commissie(4) overweegt verschillende gerichte oplossingen voor het elimineren van fiscale obstakels in de EU. Echter "Alleen door multinationale ondernemingen een geconsolideerde heffingsgrondslag voor vennootschapsbelasting te bieden voor hun activiteiten in de gehele EU zal het grootste deel van de belastingbelemmeringen voor grensoverschrijdende economische activiteit in de interne markt werkelijk systematisch worden aangepakt, door één gezamenlijk kader voor vennootschapsbelasting. Voor bedrijven met grensoverschrijdende en internationale activiteiten binnen de EU moet het in de toekomst mogelijk zijn het inkomen van de gehele groep te berekenen volgens één regeling, en een geconsolideerde boekhouding voor belastingdoeleinden op te stellen (en zodoende de mogelijke belastingeffecten van uitsluitend internationale transacties binnen de groep uit te sluiten)".

2.2.5. "Het is van belang op te merken dat deze aanpak geen inbreuk maakt op de soevereiniteit van lidstaten om vennootschapsbelastingtarieven vast te stellen."

2.2.6. "De Commissie is derhalve van mening dat het slechts logisch is voor de bestaande grensoverschrijdende belastingbelemmeringen in de interne markt, haar beleid ten aanzien van vennootschapsbelastingheffing in de richting van een alomvattende oplossing te sturen (...). De Commissie is van mening dat het noodzakelijk is bedrijven voor hun activiteiten in de gehele EU een geconsolideerde heffingsgrondslag ten aanzien van de heffing van vennootschapsbelasting te verschaffen; een geschikt toebedelingsmechanisme te ontwikkelen waarmee alle deelnemende partijen het eens kunnen zijn; en het aan de lidstaten over te laten de toepasselijke nationale vennootschapsbelastingtarieven vast te stellen"(5). Daartoe worden in de studie verschillende methoden en technische mogelijkheden behandeld.

2.3. Gedragscode

2.3.1. Op 29 november 1999 werd een verslag over een gedragscode (belastingen op ondernemingen) van de groep-Primarolo gepubliceerd. De Raad nam tijdens zijn vergadering van 28 februari 2000 geen standpunt over de inhoud ervan in.

2.3.2. In paragraaf 3 van dat verslag worden schadelijke maatregelen als volgt gedefinieerd:

"A. Onverminderd de onderscheiden bevoegdheden van de lidstaten en de Gemeenschap, betreft deze gedragscode, die betrekking heeft op belastingregeling voor ondernemingen, maatregelen die de locatie van economische activiteiten in de Gemeenschap in aanzienlijke mate beïnvloeden of kunnen beïnvloeden. Bovenbedoelde economische activiteiten omvatten tevens alle activiteiten die binnen een groep van ondernemingen worden uitgeoefend.

De belastingmaatregelen waarop de code betrekking heeft, omvatten wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en administratieve praktijken.

B. Binnen de in paragraaf A omschreven werkingssfeer worden als potentieel schadelijk en derhalve als onder deze gedragscode vallend beschouwd de belastingmaatregelen die een daadwerkelijk belastingniveau opleveren dat beduidend lager is, inclusief belasting tegen nultarief, dan die welke normaal gesproken in de betrokken lidstaat van toepassing zijn.

Een dergelijk belastingniveau kan het gevolg zijn van het nominale belastingtarief, van de belastinggrondslag of van andere factoren.

Bij de beoordeling van het schadelijke karakter van de maatregelen wordt onder andere rekening gehouden met de volgende criteria:

1. worden de voordelen uitsluitend aan niet-ingezetenen of voor transacties met niet-ingezetenen toegekend?

2. staan de voordelen geheel los van de binnenlandse economie, zodat zij geen gevolgen hebben voor de nationale belastinggrondslag?

3. worden de voordelen ook toegekend als er geen sprake is van enige daadwerkelijke economische activiteit of substantiële economische aanwezigheid in de lidstaat die deze belastingvoordelen biedt?

4. wijken de regels voor het bepalen van de winst uit de binnenlandse activiteiten van een multinationale groep van ondernemingen af van de internationaal aanvaarde beginselen, met name van de in OESO-verband goedgekeurde regels?

5. zijn de belastingmaatregelen onvoldoende doorzichtig, ook wanneer de wettelijke voorschriften op bestuursrechtelijk niveau minder stringent en op ondoorzichtige wijze worden toegepast?"

2.3.3. In paragraaf 4 wordt beschreven hoe schadelijke maatregelen kunnen worden vermeden: "De lidstaten verbinden zich ertoe geen nieuwe belastingmaatregelen in te voeren die schadelijk zijn in de zin van deze gedragscode. De lidstaten nemen derhalve bij het bepalen van hun toekomstige beleid de aan de gedragscode ten grondslag liggende principes in acht."

2.3.4. Paragraaf 5, waarin specifieke kwesties met betrekking tot eilanden en onzelfstandige gebieden worden behandeld:

"Voor zover de belastingmaatregelen worden gebruikt om de economische ontwikkeling van bepaalde gebieden te bevorderen, wordt nagegaan of zij in verhouding staan tot de beoogde doelstelling en of zij doelgericht zijn. In het kader van dit onderzoek wordt vooral aandacht besteed aan de bijzondere kenmerken en eisen van de ultraperifere gebieden en de kleine eilanden, zonder afbreuk te doen aan de integriteit en de samenhang van de communautaire rechtsorde, daaronder begrepen de interne markt en de gemeenschappelijke beleidssectoren.

In het bijzonder verbinden de lidstaten die afhankelijke of geassocieerde gebieden bezitten of die in andere gebieden bijzondere verantwoordelijkheid dragen of fiscale voorrechten genieten, zich er in het kader van hun grondwettelijke voorschriften toe dat de onderhavige beginselen in die gebieden worden toegepast."

2.3.5. In het verslag worden de schadelijke maatregelen in de volgende categorieën onderverdeeld:

a) financiële diensten, groepsfinanciering en groepsinterne royalty-betalingen;

b) verzekering, herverzekering en kapitaalverzekering;

c) intra-groepdiensten;

d) holdings;

e) vrijgestelde en offshore-bedrijven; en

f) diversen.

In totaal zijn bijna 300 maatregelen in kaart gebracht en gekwalificeerd als hetzij aanvaardbaar, hetzij schadelijk en onaanvaardbaar. Men was het erover eens dat de 66 schadelijke maatregelen uiterlijk in 2003 moeten worden ingetrokken, en op 4 december jl. is een verslag aan de Raad ECOFIN gepresenteerd. Er konden echter geen duidelijke conclusies worden getrokken en daarom heeft de Raad de werkgroep verzocht, haar werkzaamheden conform het vastgestelde tijdschema voor het belastingpakket voort te zetten.

2.4. EU-maatregelen betreffende staatssteun

2.4.1. De heer Monti, EU-commissaris voor concurrentiezaken, merkte onlangs het volgende op(6): "Er wordt vooruitgang geboekt, maar er is nog manoeuvreerruimte om de steun verder te verminderen. Daarom geeft de Commissie haar volle medewerking aan de lidstaten bij hun streven om het totale steunvolume te verlagen, in de lijn van de conclusies van de Europese raad van Stockholm dit voorjaar. Lidstaten moeten alle mogelijke inspanningen blijven leveren om hun beleid inzake steunuitgaven te herdenken. Iedere verlaging van overheidssteun betekent duidelijk ook een vermindering van de concurrentieverstoring op de interne markt én een vergroting van de voordelen van de Economische en Monetaire Unie. Voor de Commissie blijft het strikte toezicht op overheidssteun een prioriteit".

2.4.2. Is het bedrag van 28 miljard EUR dat voor de (be- en verwerkende) sector werd uitgegeven lager dan de 36 miljard EUR in de periode 1995-1997, toch is de daling nog niet veralgemeend in de EU en is zij nog steeds in hoofdzaak afhankelijk van twee landen - Italië en Duitsland. In beide landen zijn de steunbedragen sterk gedaald. Ook in België, Griekenland, Spanje, Luxemburg, Nederland en het Verenigd Koninkrijk is de steun voor de be- en verwerkende industrie gedaald, maar in de overige lidstaten staat daar een stijging van dit soort steun tegenover.

2.4.3. Er blijven grote verschillen bestaan tussen de afzonderlijke lidstaten. In verhouding tot de toegevoegde waarde zijn de steunvolumes het hoogst in Griekenland en het laagst in het Verenigd Koninkrijk en Portugal. Uit een vergelijking blijkt dat in Griekenland de steun als percentage van de toegevoegde waarde zevenmaal hoger is dan in het Verenigd Koninkrijk. In landen als Zweden, Nederland, het Verenigd Koninkrijk of Portugal bleef het steunvolume laag, terwijl in Italië, Duitsland en Spanje de omvang van de steun snel afneemt.

2.4.4. In juli 2001 kondigde de Commissie de volgende actielijnen aan:

a) meer transparantie met behulp van het steunregister en -scorebord;

b) monitoring van de steuntoezichtregels;

c) versterking van de controle op staatssteun in de kandidaat-lidstaten; en

d) versnelde terugvordering van onrechtmatige steun. De Commissie zal daarbij vooral aandacht besteden aan terugvordering van steun die door haar onverenigbaar met de EG-steunbepalingen is verklaard.

2.4.5. Commissaris Monti heeft op 11 juli 2000 een grootschalig onderzoek opgestart naar fiscale regelingen voor ondernemingen. In acht lidstaten ging het om regelingen in het kader van de vennootschapsbelasting en in vier andere lidstaten om fiscale voordelen die niet langer zijn gewettigd als gevolg van met de interne markt gepaard gaande economische veranderingen (IP/01/982).

2.5. OESO

2.5.1. De OESO houdt zich bezig met schadelijke belastingconcurrentie op mondiaal niveau, en heeft daarbij met name een lijst van 35 "tax havens" opgesteld. Tot op heden hebben 28 gebieden hun medewerking toegezegd en zij zullen van de "zwarte" lijst van de OESO worden geschrapt. De VS betwijfelen of het ethisch verantwoord is dat OESO-standpunten aan soevereine staten worden opgedrongen. Sinds de gebeurtenissen van 11 september 2001 is de politieke steun voor bestrijding van fiscale fraude en witwassen toegenomen en worden deze gebieden scherper in de gaten gehouden.

2.5.2. Deze gebieden moeten uiterlijk op 28 februari 2002 hun medewerking aan de OESO hebben toegezegd. Nalatige "havens" zullen waarschijnlijk sancties worden opgelegd.

3. Kenmerken van nationale belastingen

3.1. Nationale belastingen wortelen in keuzes die overheden en burgers op grond van historisch en culturele redenen hebben gemaakt.

3.2. Uit deze keuzes blijkt per land welke rol aan de overheid wordt toebedeeld. Ieder land kiest voor zijn eigen economisch en sociaal stelsel met bijbehorend beleid, wetende dat het beleid onontkoombare gevolgen voor de belastingdruk zal hebben.

3.3. Landen kunnen hun hoge belastingdruk bijvoorbeeld compenseren door infrastructuur van uitstekende kwaliteit of betere opleidingsfaciliteiten aan te bieden. Dergelijke landen en de daar gevestigde bedrijven zijn zich volledig bewust van dit evenwicht tussen hoge belastingopbrengsten en de daaruit gefinancierde forse overheidsuitgaven.

3.4. In de studie wordt geconcludeerd dat de tarieven van de vennootschapsbelasting een aangelegenheid van de lidstaten zijn.

4. Belastingheffing en concurrentievermogen van ondernemingen

4.1. De volgende competitiviteitsfactoren worden behandeld in het ESC-advies over het fiscaal beleid in de EU(7), dat momenteel wordt voorbereid.

4.1.1. In sommige lidstaten zijn lonen en secundaire arbeidskosten dusdanig hoog dat dit wellicht een ontmoedigend effect heeft op buitenlandse investeerders.

4.1.2. Grondstofprijzen kunnen een substantieel deel van de totale kosten vormen en de reële belasting op energie is vaak een belangrijke factor voor energie-intensieve bedrijven.

4.1.3. Weliswaar kent de EU een gemeenschappelijk BTW-stelsel, maar de tarieven variëren binnen een bandbreedte, en ook houden bepaalde lidstaten er vrijstellingen op na. Verder kunnen nationale BTW-regelingen uit vestigingsoogpunt lokkend dan wel afschrikkend werken. Een illustratie daarvan wordt gevormd door de huidige discussie over de BTW-heffing op de webhandel, waarin men zich bezorgd toont dat registratieplichtige bedrijven uit derde landen een lidstaat met een laag BTW-tarief zullen kiezen.

4.1.4. Belastingen en heffingen op arbeid verschillen van lidstaat tot lidstaat, hetgeen wellicht zijn uitwerking niet zal missen op de mogelijkheden van een bedrijf om de nodige arbeidskrachten in dienst te nemen.

4.1.5. Ook de belemmeringen voor pensioenoverdrachten tussen de lidstaten vormen een obstakel voor de arbeidsmobiliteit, in het bijzonder voor managers en vrije-beroepsbeoefenaren.

4.2. In de door de Commissie in oktober 2001 gepresenteerde studie over de belastingen op ondernemingen worden onder meer de volgende onderwerpen behandeld.

4.2.1. Interne verrekening ("transfer pricing") heeft betrekking op de prijzen die onderdelen van één enkele economische entiteit, bijvoorbeeld een multinational, elkaar in rekening brengen bij goederen- en dienstentransacties. De EU kent een arbitrageverdrag voor het oplossen van geschillen in dit verband.

4.2.2. Over betaling van rente en royalty's tussen bedrijfsonderdelen is in de lidstaten een bronheffing verschuldigd, hetgeen in dubbele belasting kan resulteren. Is dat het geval, dan krijgt het bedrijf in kwestie te maken met tijdrovende administratieve procedures en tevens kan het, na betaald te hebben, met kosten worden geconfronteerd in verband met restitutie.

4.2.3. Grensoverschrijdende verliescompensatie betekent dat een bedrijf het in land A geleden verlies van de in land B gemaakte winst kan aftrekken. Op de interne markt is dit vooralsnog onmogelijk, hetgeen het bedrijfsleven met hoge kosten opzadelt en ondernemingen kan ontmoedigen om in nieuwe markten te investeren.

4.2.4. Zelfs op de interne markt kan grensoverschrijdend fuseren of overnemen duur zijn waardoor bedrijven geen optimale nieuwe structuren kunnen ontwikkelen. Problemen werden onder meer ondervonden met heffingen op goederentransacties met een dochter, ontzegging van de mogelijkheid in het verleden geleden verliezen binnen een nieuwe structuur fiscaal af te trekken en verplicht gebruik van reserves die tot op dat moment de belastbare winst beperkten. Weliswaar bracht de Fusierichtlijn (1990) enige verbetering, maar de huidige obstakels vormen een concurrentienadeel voor EU-bedrijven ten opzichte van bedrijven uit derde landen die de interne markt voor het eerst betreden.

4.2.5. Ook de belastingen op ondernemingen verschillen zowel qua grondslag als tarieven significant van lidstaat tot lidstaat. De nationale overheden beslissen hoe zij ondernemingen op hun grondgebied belasten en kunnen bijvoorbeeld via belastingverlichting het opstarten van een onderneming stimuleren of buitenlands kapitaal aantrekken. Soms kunnen bedrijven hun investeringen geheel of gedeeltelijk fiscaal aftrekken.

4.2.6. Naast de hierboven beschreven moeilijkheden bij transacties tussen in verschillende landen gevestigde ondernemingen gebeurt het ook vaak dat bedrijven die in andere lidstaten opereren waar zij niet geregistreerd zijn, te maken krijgen met administratieve moeilijkheden als gevolg van fiscale en sociale regelingen waaraan "nationale" bedrijven niet zijn onderworpen. Dergelijke problemen zijn vormen van concurrentievervalsing.

4.3. Binnen de EU moeten bedrijven efficiënt grensoverschrijdend kunnen opereren en dus van de verwezenlijking van de interne markt kunnen profiteren. De belemmeringen voor het concurrentievermogen van een bedrijf dat op de interne markt opereert, worden zichtbaar aan de hand van efficiencyverschillen tussen bedrijven met vestigingen in meerdere lidstaten en bedrijven die slechts in één lidstaat gevestigd zijn.

4.4. Het elimineren van fiscale distorsies tussen lidstaten kan op formele dan wel informele wijze gebeuren. De studie inzake belastingheffing op ondernemingen biedt de mogelijkheid om tot een aanzienlijke formele convergentie van de stelsels voor vennootschapsbelasting te komen. Convergentie van de tarieven daarentegen is alleen mogelijk via informele samenwerking tussen de lidstaten.

5. Conclusies en verdere maatregelen

5.1. De lidstaten houden hun exclusieve bevoegdheid met betrekking tot de tarieven van de vennootschapsbelasting. Bijgevolg zullen de daaruit voortvloeiende systeemverschillen in een verholen concurrentie tussen de lidstaten blijven resulteren. De Commissie constateert daarbij in haar studie dat een groot aantal onvolkomenheden moeten worden geëlimineerd. Verder riep de Europese Raad van Lissabon de lidstaten ertoe op, het concurrentievermogen van hun belastingstelsels te verhogen.

5.2. Ondertussen dient te worden opgetreden tegen maatregelen met schadelijke effecten in verband met bedrijfslocaties. Het Comité doet een beroep op de Raad om zich ertoe te verbinden, het verslag Primarolo een politieke follow-up te geven; de hierin besproken kwesties zijn namelijk van centrale betekenis voor het verschijnsel fiscale concurrentie. Daarbij moet evenwel rekening worden gehouden met het akkoord van Verona (1 december 1997)(8) over het "belastingpakket" en het bijbehorende tijdschema(9) voor de voortzetting van de werkzaamheden met het oog op de verwezenlijking van de belangrijkste onderdelen van het pakket. Worden geen maatregelen genomen, dan wordt in feite een stap terug gezet.

5.3. De recente maatregelen van de Commissie op het gebied van staatssteun stemmen tot tevredenheid. In haar mededeling over de prioriteiten van het fiscale beleid kondigt de Commissie aan dat zij lidstaten die zich niet aan de fiscale voorschriften houden voor het Hof van Justitie zal dagen. Het Comité dringt er bij de Commissie op aan om dit ook wegens onrechtmatige steunverlening te doen.

5.4. Voorts verzoekt het de Commissie er alles aan te doen om te bereiken dat de OESO-studie tijdig (28 februari 2002) het gewenste resultaat oplevert.

5.5. Wat het bedrijfsleven betreft, is het prioritair dat het in de mededeling over het fiscale beleid genoemde programma wordt afgerond. Het gaat daarbij om meer dan BTW, pensioenen en interne verrekening.

5.6. De uitkomst van de studie over de belastingen op ondernemingen (oktober 2001) is uiterst belangrijk voor het concurrentievermogen van binnen de EU opererende ondernemingen, hoewel hierbij moet worden aangetekend dat de tarieven van de vennootschapsbelasting tot de bevoegdheid van de lidstaten zouden blijven behoren. De Commissie stelt zich een tweeledige strategie ten doel die gericht is op onmiddellijke actie ten aanzien van gerichte maatregelen en, tegelijkertijd, de start van een breder debat over algemene, alomvattende maatregelen met het doel een geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting te verschaffen voor bedrijven in de EU voor hun activiteiten in de gehele EU.

5.7. Er valt nog veel te doen, maar voorrang dient te worden verleend aan de fiscale dimensie van het statuut van de Europese Vennootschap (SE). Ondernemingen zullen uitsluitend volledig van de voordelen van een SE kunnen profiteren wanneer oprichting ervan niet met bijkomende fiscale kosten gepaard gaat en de huidige met het opereren in meer dan één lidstaat gepaard gaande belastingproblemen kunnen worden vermeden. Dit staat momenteel nog lang niet vast en dat kan het succes van het SE-project in gevaar brengen. Tegelijkertijd mag het niet zo zijn dat het gebruik van het SE-statuut tot nieuwe fiscale distorsies leidt ten opzichte van in de lidstaten geregistreerde ondernemingen.

5.8. Weliswaar vormen belastingregelingen en fiscale mededinging een belangrijke bijdrage tot het concurrentievermogen, maar andere factoren zijn zeker zo belangrijk, behalve wanneer fiscale regelingen onredelijk en schadelijk blijken te zijn. Fiscale regelingen zijn politiek van aard en weerspiegelen dus een beleidskeuze. Veel marktkrachten die het concurrentievermogen raken, zijn in feite echter niet te controleren. Het bedrijfsleven verwacht van de politiek dat met fiscale regelingen op doordachte en logische wijze wordt omgegaan en dat daarbij stabiliteit voorop staat.

Brussel, 25 april 2002.

De voorzitter

van het Economisch en Sociaal Comité

G. Frerichs

(1) PB C 36 van 6.2.2002.

(2) COM(2001) 582 def.

(3) COM(2001) 582 def., blz. 8.

(4) COM(2001) 582 def., blz 17.

(5) COM(2001) 582 def., blz. 18.

(6) Perscommuniqué van de Commissie "Overheidssteun evolueert in gunstige zin" (IP/01/1033).

(7) COM(2001) 260.

(8) Conclusies van de Raad Ecofin, PB C 2 van 6.1.1998.

(9) Conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Santa Maria de Feira, Perscommuniqué (19/6/2000) nr. 200/1/00.

Top