Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31997L0032

Richtlijn 97/32/EG van de Commissie van 11 juni 1997 houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 77/539/EEG van de Raad inzake achteruitrijlichten van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (Voor de EER relevante tekst)

PB L 171 van 30.6.1997, pp. 63–76 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

Dit document is verschenen in een speciale editie. (CS, ET, LV, LT, HU, MT, PL, SK, SL, BG, RO, HR)

Legal status of the document No longer in force, Date of end of validity: 31/10/2014; stilzwijgende opheffing door 32009R0661

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1997/32/oj

31997L0032

Richtlijn 97/32/EG van de Commissie van 11 juni 1997 houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 77/539/EEG van de Raad inzake achteruitrijlichten van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (Voor de EER relevante tekst)

Publicatieblad Nr. L 171 van 30/06/1997 blz. 0063 - 0076


RICHTLIJN 97/32/EG VAN DE COMMISSIE van 11 juni 1997 houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 77/539/EEG van de Raad inzake achteruitrijlichten van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (1), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 96/79/EG van het Europees Parlement en de Raad (2), inzonderheid op artikel 13, lid 2,

Gelet op Richtlijn 77/539/EEG van de Raad van 28 juni 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende achteruitrijlichten van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (3), laatstelijk gewijzigd bij de Akte van Toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden, inzonderheid op artikel 10,

Overwegende dat Richtlijn 77/539/EEG één van de bijzondere richtlijnen van de bij Richtlijn 70/156/EEG vastgestelde EG-typegoedkeuringsprocedure vormt; dat derhalve de bepalingen van Richtlijn 70/156/EEG vastgestelde EG-typegoedkeuringsprocedure vormt; dat derhalve de bepalingen van Richtlijn 70/156/EEG betreffende voertuigsystemen, onderdelen en technische eenheden op de onderhavige richtlijn van toepassing zijn;

Overwegende dat met name in artikel 3, lid 4, en in artikel 4, lid 3, van Richtlijn 70/156/EEG is bepaald dat aan iedere bijzondere richtlijn een inlichtingenformulier en een op bijlage VI gebaseerd typegoedkeuringsformulier wordt toegevoegd met het oog op de computerisering van de typegoedkeuring; dat het (de) aan Richtlijn 77/539/EEG gehechte typegoedkeuringsformulier(en) dienovereenkomstig dient/dienen te worden gewijzigd;

Overwegende dat de procedures moeten worden vereenvoudigd om de gelijkwaardigheid van bepaalde bijzondere richtlijnen en de overeenkomstige reglementen van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (UN-ECE), als vastgesteld bij artikel 9, lid 2, van Richtlijn 70/156/EEG, te behouden, wanneer voornoemde reglementen worden gewijzigd; dat als eerste stap de technische voorschriften van Richtlijn 77/539/EEG door die van reglement nr. 23 dienen te worden vervangen door daarnaar te verwijzen;

Overwegende dat wordt verwezen naar Richtlijn 76/756/EEG van de Raad (4), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/28/EG van de Commissie (5) en naar Richtlijn 76/761/EEG van de Raad (6), laatstelijk gewijzigd bij de Akte van Toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden;

Overwegende dat de bepalingen van deze richtlijn in overeenstemming zijn met het advies van het bij Richtlijn 70/156/EEG ingestelde Comité voor de aanpassing aan de technische vooruitgang,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 77/359/EEG wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 1, lid 1, komt te luiden:

"1. Iedere lidstaat verleent de EEG-onderdeeltypegoedkeuring voor elk type achteruitrijlicht dat voldoet aan de in de bijlagen opgenomen constructie- en keuringsvoorschriften.".

2. Artikel 2, eerste alinea, komt te luiden:

"De lidstaten kennen de fabrikant een EEG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk toe overeenkomstig de in bijlage I, aanhangsel 3, vastgestelde modellen voor elk type achteruitrijlicht dat door hen krachtens artikel 1 wordt goedgekeurd.".

3. Artikel 4 komt te luiden:

Artikel 4

"De bevoegde instanties van de lidstaten stellen elkaar volgens de in artikel 4, lid 6, van Richtlijn 70/156/EEG aangegeven procedure op de hoogte van elke goedkeuring die zij overeenkomstig de onderhavige richtlijn hebben verleend, geweigerd of ingetrokken.".

4. Artikel 9 komt te luiden:

"Artikel 9

Onder "voertuig" wordt in deze richtlijn verstaan, ieder voor deelneming aan het wegverkeer bestemd motorvoertuig, met of zonder carrosserie, op ten minste vier wielen en met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 25 km per uur, alsmede aanhangwagens daarvan, met uitzondering van voertuigen die zich over rails bewegen, landbouw- en bosbouwtrekkers, alsmede alle mobiele machines.".

5. De bijlagen worden vervangen door de bijlage van de onderhavige richtlijn.

Artikel 2

1. Met ingang van 1 januari 1998, of, indien de publicatie van de in artikel 3 genoemde teksten tot na 1 juli 1997 wordt uitgesteld, zes maanden na de effectieve datum van publicatie van deze teksten, mogen de lidstaten:

- voor een type motorvoertuig of een hierna genoemd type licht, noch de EG-typegoedkeuring, noch de nationale typegoedkeuring weigeren,

- noch de registratie, de verkoop of het in het verkeer brengen van voertuigen, noch de verkoop of het gebruik van achteruitrijlichten verbieden,

om redenen die met achteruitrijlichten verband houden, indien die lichten aan de bepalingen van Richtlijn 77/539/EEG, zoals gewijzigd bij de onderhavige richtlijn, voldoen en, wat voertuigen betreft, deze lichten overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 76/756/EEG zijn gemonteerd.

2. Met ingang van 1 oktober 1998 mogen de lidstaten:

- niet langer de EG-typegoedkeuring verlenen, en

- de nationale typegoedkeuring weigeren,

voor een type voertuig om redenen die verband houden met achteruitrijlichten en voor een type achteruitrijlicht, indien niet aan de bepalingen van Richtlijn 77/539/EEG, zoals gewijzigd bij de onderhavige richtlijn, is voldaan.

3. Met ingang van 1 oktober 1999 zijn de bepalingen van Richtlijn 77/539/EEG inzake achteruitrijlichten zoals onderdeel, zoals gewijzigd bij de onderhavige richtlijn, van toepassing voor de doeleinden van artikel 7, lid 2, van Richtlijn 70/156/EEG.

4. Onverminderd de leden 2 en 3 blijven de lidstaten de EG-typegoedkeuring verlenen en de verkoop of het gebruik van achteruitrijlichten als reserveonderdeel overeenkomstig de voorgaande versies van Richtlijn 77/539/EEG toestaan, mits dergelijke lichten:

- zijn bestemd om op reeds in gebruik zijnde voertuigen te worden gemonteerd, en

- voldoen aan de bepalingen van die richtlijn die golden toen de voertuigen voor het eerst werden geregistreerd.

Artikel 3

De in punt 2.1 van bijlage II aangegeven bepalingen en bijlagen van het UN-ECE-reglement nr. 23 zullen vóór 1 juli 1997 in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen worden gepubliceerd.

Artikel 4

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 januari 1998 aan deze richtlijn te voldoen; indien de publicatie van de in artikel 3 genoemde teksten echter tot na 1 juli 1997 wordt uitgesteld, voldoen de lidstaten aan deze verplichting zes maanden na de effectieve datum van publicatie van die teksten. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

De lidstaten passen deze bepalingen toe met ingang van 1 januari 1998 of dat geschiedt, indien de publicatie van de in artikel 3 genoemde teksten tot na 1 juli 1997 wordt uitgesteld, zes maanden na de effectieve datum van publicatie van die teksten.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee, die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 5

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 6

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 11 juni 1997.

Voor de Commissie

Martin BANGEMANN

Lid van de Commissie

(1) PB nr. L 42 van 23. 2. 1970, blz. 1.

(2) PB nr. L 18 van 21. 1. 1997, blz. 7.

(3) PB nr. L 220 van 29. 8. 1977, blz. 72.

(4) PB nr. L 262 van 27. 9. 1976, blz. 1.

(5) Zie blz. 1 van dit Publikatieblad.

(66) PB nr. L 262 van 27. 9. 1976, blz. 96.

BIJLAGE

"LIJST VAN BIJLAGEN

BIJLAGE I: Administratieve bepalingen voor de typegoedkeuring

Aanhangsel 1: Inlichtingenformulier

Aanhangsel 2: EG-typegoedkeuringsformulier

Aanhangsel 3: Voorbeelden van het EG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk

BIJLAGE II: Toepassingsgebied en technische voorschriften

BIJLAGE I

ADMINISTRATIEVE BEPALINGEN VOOR DE TYPEGOEDKEURING

1. AANVRAAG VAN EG-ONDERDEELTYPEGOEDKEURING

1.1. De aanvraag van EG-onderdeeltypegoedkeuring overeenkomstig artikel 3, lid 4, van Richtlijn 70/156/EEG voor een type achteruitrijlicht wordt ingediend door de fabrikant.

1.2. Een model van het inlichtingenformulier is in aanhangsel 1 opgenomen.

1.3. Het volgende moet aan de voor de uitvoering van de typegoedkeuringsproeven verantwoordelijke technische dienst worden verstrekt:

1.3.1. twee monsters met de aanbevolen lamp of lampen; indien de inrichtingen niet identiek zijn maar symmetrisch en geschikt zijn om één aan de linker- en één aan de rechterkant van het voertuig te worden gemonteerd, mogen de monsters identiek en geschikt zijn om alleen aan de rechter- of alleen aan de linkerkant van het voertuig te worden gemonteerd.

2. MERKTEKENS

2.1. De inrichtingen die voor EG-onderdeeltypegoedkeuring worden aangeboden, moeten voorzien zijn van:

2.1.1. het merk of de handelsnaam van de fabrikant;

2.1.2. indien nodig om te voorkomen dat bij de montage van het achteruitrijlicht op het voertuig fouten worden gemaakt, het woord "TOP", dat zich horizontaal aan de bovenkant van het lichtdoorlatende gedeelte moet bevinden;

2.1.3. in geval van lichten met vervangbare lichtbronnen: het (de) type(n) van de voorgeschreven gloeilampen;

2.1.4. in geval van lichten met niet-vervangbare lichtbronnen: de nominale spanning en het nominaal vermogen.

2.2. Deze merktekens moeten duidelijk leesbaar en onuitwisbaar op het lichtdoorlatende gedeelte of een van de lichdoorlatende gedeelten van de inrichting zijn aangebracht. Zij moeten van buitenaf zichtbaar zijn wanneer de inrichting op het voertuig is gemonteerd.

2.3. Elke inrichting moet voldoende ruimte bieden voor het onderdeeltypegoekeuringsmerk. Deze ruimte moet op de in aanhangsel 1 genoemde tekeningen worden aangegeven.

3. VERLENING VAN EG-ONDERDEELTYPEGOEDKEURING

3.1. Indien aan de terzake dienende voorschriften is voldaan, wordt EG-typegoedkeuring overeenkomstig artikel 4, lid 3, en, in voorkomend geval, artikel 4, lid 4, van Richtlijn 70/156/EEG verleend.

3.2. Een model van het EG-typegoedkeuringsformulier is in aanhangsel 2 opgenomen.

3.3. Er dient een goedkeuringsnummer overeenkomstig bijlage VII van Richtlijn 70/156/EEG aan elk goedgekeurd type achteruitrijlicht te worden toegekend. Dezelfde lidstaat mag datzelfde nummer niet aan een ander type achteruitrijlicht toekennen.

3.4. Wanneer EG-onderdeeltypegoedkeuring wordt aangevraagd voor een type verlichtings- en lichtsignaalinrichting bestaande uit een achteruitrijlicht en andere lichten, mag één EG-onderdeeltypegoedkeuringsnummer worden toegekend, op voorwaarde dat het achteruitrijlicht aan de voorschriften van deze richtlijn voldoet en dat alle andere lichten die deel uitmaken van de verlichtings- en lichtsignaalinrichting waarvoor EG-onderdeeltypegoedkeuring is aangevraagd, voldoen aan de daarop van toepassing zijnde bijzondere richtlijnen.

4. EG-ONDERDEELTYPEGOEDKEURINGSMERK

4.1. Behalve de in punt 2.1 genoemde merktekens moet ieder achteruitrijlicht, dat overeenkomt met een overeenkomstig deze richtlijn goedgekeurd type, van een EG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk zijn voorzien.

4.2. Dit merk bestaat uit:

4.2.1. een rechthoek met daarin de letter "e", gevolgd door het kengetal of de kenletter van de lidstaat die de goedkeuring heeft verleend:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

4.2.2. nabij de rechthoek, het "basisgoedkeuringsnummer", opgenomen in deel 4 van het in bijlage VII van Richtlijn 70/156/EEG bedoelde typegoedkeuringsnummer, voorafgegaan door twee cijfers die het volgnummer vormen, dat is toegekend aan de recentste ingrijpende technische wijziging van Richtlijn 77/539/EEG op de datum waarop de EG-typegoedkeuring is verleend. Het volgnummer van de onderhavige richtlijn is 00;

4.2.3. een aanvullend symbool, bestaande uit een combinatie van de letters "A" en "R", als afgebeeld in figuur 1 van aanhangsel 3;

4.2.4. op lampen waarvan de zichtbaarheidshoeken in horizontale richting asymmetrisch ten opzichte van de referentieas zijn, een pijl die naar de kant wijst, waar tot een hoek van 45° H aan de fotometrische eisen wordt voldaan.

4.3. Het EG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk moet zodanig op de lens of op een van de lenzen van het licht worden aangebracht dat zij onuitwisbaar en goed leesbaar zijn, ook wanneer de lichten op het voertuig zijn gemonteerd.

4.4. Voorbeelden van het EG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk zijn afgebeeld in figuur 1 van aanhangsel 3.

4.5. Wanneer overeenkomstig punt 3.4 één EG-onderdeeltypegoedkeuringsnummer aan een type verlichtings- en lichtsignaalinrichting bestaande uit een achteruitrijlicht en andere lichten is toegekend, mag één EG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk worden aangebracht, bestaande uit:

4.5.1. een rechthoek met daarin de letter "e", gevolgd door het kengetal of de kenletters van de lidstaat die de goedkeuring heeft verleend (zie punt 4.2.1);

4.5.2. het basisgoedkeuringsnummer (zie punt 4.2.2, eerste helft van de zin);

4.5.3. indien nodig, de voorgeschreven pijl, voorzover deze betrekking heeft op de gehele verlichtingseenheid.

4.6. Dit merk mag op een willekeurige plaats op het gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde licht worden aangebracht, mits:

4.6.1. het zichtbaar is na montage van de lichten;

4.6.2. geen lichtuitstralende onderdelen van gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten kunnen worden verwijderd zonder tegelijkertijd het goedkeuringsmerk te verwijderen.

4.7. Het identifcatiesymbool voor elk licht overeenkomstig elke richtlijn krachtens welke de EG-onderdeeltypegoedkeuring werd verleend, tezamen met het volgnummer (zie punt 4.2.2, tweede helft van de zin), in voorkomend geval de letter "D" en de voorgeschreven pijl moeten worden aangebracht:

4.7.1. hetzij op het desbetreffende uitvalsvlak van het licht;

4.7.2. hetzij op zodanige wijze gegroepeerd dat de gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten duidelijk kunnen worden geïdentificeerd.

4.8. De afmetingen van de onderdelen van dit merk mogen niet kleiner zijn dan de minimumafmetingen die zijn aangegeven voor de afzonderlijke merken in de verschillende richtlijnen krachtens welke de EG-onderdeeltypegoedkeuring werd verleend.

4.9. Voorbeelden van het EG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk voor een met andere lichten gegroepeerd, gecombineerd of samengebouwd licht zijn in figuur 2 van aanhangsel 3 afgebeeld.

5. WIJZIGING VAN HET TYPE EN WIJZIGING VAN DE GOEDKEURING

5.1. Bij wijziging van het overeenkomstig deze richtlijn goedgekeurde type zijn de bepalingen van artikel 5 van Richtlijn 70/156/EEG van toepassing.

6. OVEREENSTEMMING VAN DE PRODUCTIE

6.1. Normaal dienen maatregelen te worden genomen overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 70/156/EEG om de overeenstemming van de productie te waarborgen.

6.2. Alle achteruitrijlichten moeten voldoen aan de in de punten 6 en 8 van de in punt 2.1 van bijlage II van deze richtlijn genoemde documenten vastgelegde fotometrische eisen. Bij een willekeurig uit een in serie geproduceerde partij geselecteerd achteruitrijlicht moeten de resultaten ten aanzien van de minimumintensiteit van het uitgestraalde licht (gemeten met een standaardgloeilamp als bedoeld in punt 7 van de in punt 2.1 van bijlage II van deze richtlijn genoemde documenten), in elke richting echter beperkt zijn tot 80 % van de in punt 6 van de in punt 2.1 van bijlage II van deze richtlijn genoemde documenten voorgeschreven minimumwaarde.

Aanhangsel 1

Inlichtingenformulier nr. . . . betreffende de EG-onderdeeltypegoedkeuring van achteruitrijlichten

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

(Richtlijn 77/539/EEG, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn . . ./. . ./EG)

De onderstaande gegevens moeten in voorkomend geval in drievoud worden verstrekt en van een inhoudsopgave vergezeld gaan. Eventuele tekeningen worden op een passende schaal met voldoende details in formaat A4 of tot dat formaat gevouwen verstrekt. Op eventuele foto's zijn voldoende details te zien.

Indien de systemen, onderdelen of afzonderlijke technische eenheden elektronisch gestuurde functies hebben, worden gegevens over de prestaties ervan verstrekt.

0. ALGEMENE GEGEVENS

0.1. Merk (firmanaam): .

0.2. Type en algemene handelsbenaming(en): .

0.5. Naam en adres van de fabrikant: .

0.7. In geval van onderdelen en afzonderlijke technische eenheden, plaats en wijze van aanbrenging van het EG-goedkeuringsmerk: .

0.8. Adres(sen) van de assemblagefabriek(en): .

1. BESCHRIJVING VAN DE INRICHTING

1.1. Type inrichting: .

1.1.1. Functie(s) van de inrichting: .

1.1.2. Categorie of klasse waartoe de inrichting behoort: .

1.1.3. Kleur van het uitgestraalde of gereflecteerde licht: .

1.2. Tekening(en) met voldoende details zodat het type inrichting kan worden geïdentificeerd en waaruit blijkt: .

1.2.1. op welke geometrische plaats de inrichting op het voertuig moet worden gemonteerd (niet van toepassing op de achterkentekenplaatverlichting): .

1.2.2. de waarnemingsas die bij de proeven wordt gekozen als referentieas (horizontale hoek H = 0°, verticale hoek V = 0°) en het punt dat dient als referentiepunt bij voornoemde proeven (niet van toepassing op retroflectoren en de achterkentekenplaatverlichting): .

1.2.3. de voor het EG-typegoedkeuringsmerk voor een onderdeel bestemde ruimte: .

1.2.4. voor de achterkentekenplaatverlichting, de geometrische plaats waar de inrichting wordt gemonteerd ten opzichte van de ruimte die wordt ingenomen door de kentekenplaat, en de omtrek van het oppervlak dat voldoende wordt verlicht: .

1.2.5. voor koplichten en voormistlichten, een vooraanzicht van de lichten met bijzonderheden over eventuele glasribbels en de dwarsdoorsnede:

1.3. Een korte technische beschrijving, met, behalve voor lichten met niet-vervangbare lichtbronnen, in het bijzonder vermelding van de categorie of categorieën waartoe de voorgeschreven gloeilampen (een of meer van de in Richtlijn 76/761/EEG genoemde) behoren (niet van toepassing op retroflectoren): .

1.4. Specifieke gegevens: .

1.4.1. voor de achterkentekenplaatverlichting, een verklaring of de inrichting bestemd is om een lange/brede/lange en brede plaat te verlichten: .

1.4.2. voor koplichten: .

1.4.2.1. gegevens waaruit blijkt of de lichten bestemd zijn om zowel te zorgen voor het gedimd licht als het grootlicht of voor een van deze lichten alleen: .

1.4.2.2. voor het geval het koplicht bestemd is om te zorgen voor het gedimd licht, een indicatie of het licht ontworpen is voor zowel rechts als links verkeer of alleen voor rechts of voor links verkeer: .

.

1.4.2.3. indien het koplicht is uitgerust met een verstelbare reflector, een indicatie van de montagestand(en) van het koplicht ten opzichte van het wegdek en het middenlangsvlak van het voertuig, indien het koplicht uitsluitend bestemd is om in die stand(en) te worden gebruikt: .

1.4.3. voor breedtelichten, achterlichten, stoplichten en richtingaanwijzers: .

1.4.3.1. of de inrichting ook in een samenstel van twee lichten van dezelfde categorie mag worden gebruikt: .

1.4.3.2. in het geval van een inrichting met twee verschillende lichtintensiteitsniveaus (stoplichten en richtingaanwijzers van categorie 2b), een plaatsingsdiagram en vermelding van de eigenschappen van het systeem dat de twee lichtintensiteitsniveaus bewerkstelligt: .

1.4.4. voor retroflectoren, een korte beschrijving met technische gegevens over de materialen van de retroflecterende optische eenheid: .

1.4.5. voor achteruitrijlichten, een verklaring waaruit blijkt of de inrichting is bedoeld om uitsluitend paarsgewijs op een voertuig te worden gemonteerd: .

>EIND VAN DE GRAFIEK>

Aanhangsel 2

MODEL Maximumformaat: A4 (210 × 297 mm) EG-TYPEGOEDKEURINGSFORMULIER

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

Dienststempel

Mededeling betreffende:

- typegoedkeuring (1),

- uitbreiding van de typegoedkeuring (1),

- weigering van de typegoedkeuring (1),

- intrekking van de typegoedkeuring (1),

van een type voertuig/onderdeel/afzonderlijke technische eenheid (1) met betrekking tot Richtlijn . . ./. . ./EEG, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn . . ./. . ./EG.

Typegoedkeuringsnummer: .

Reden voor uitbreiding: .

DEEL I

0.1. Merk (firmanaam): .

0.2. Type en handelsbenaming(en): .

0.3. Middel tot identificatie van het type, indien het op het voertuig/onderdeel/afzonderlijke technische eenheid is aangegeven (1) (2): .

0.3.1. Plaats van het merkteken: .

0.4. Categorie waartoe het voertuig behoort (1) (3): .

0.5. Naam en adres van de fabrikant: .

0.7. In het geval van onderdelen en afzonderlijke technische eenheden, plaats en wijze van aanbrenging van het EG-goedkeuringsmerk: .

0.8. Adres(sen) van de assemblagefabriek(en): .

DEEL II

1. Eventuele aanvullende inlichtingen: zie addendum.

2. Met de keuring belaste technische dienst: .

3. Datum van het keuringsrapport: .

4. Nummer van het keuringsrapport: .

5. Eventuele opmerkingen: zie addendum.

6. Plaats: .

7. Datum: .

8. Handtekening: .

9. Bijgaand is een lijst aangehecht van de documenten waaruit het informatiepakket bestaat dat door de goedkeuringsinstantie wordt bewaard. De documenten zijn op aanvraag verkrijgbaar.

(1) Doorhalen wat niet toepassing is.

(2) Indien de identificatie van het type tekens omvat die niet van belang zijn voor de beschrijving van het type voertuig, onderdeel of technische eenheid waarop dit typegoedkeuringsformulier betrekking heeft, dient dit in de documentatie te worden aangegeven door middel van het symbool "?" (bij voorbeeld: ABC??123???).(3) Als gedefinieerd in bijlage II, deel A, bij Richtlijn 70/156/EEG.Addendum bij EG-onderdeeltypegoedkeuringsformulier nr. . . .

betreffende de typegoedkeuring van een verlichtings- en/of lichtsignaalinrichting met betrekking tot (de) Richtlijn(en) 76/757/EEG, 76/758/EEG, 76/759/EEG, 76/760/EEG, 76/761/EEG, 76/762/EEG, 77/538/EEG, 77/539/EEG en 77/540/EEG (1), laatstelijk gewijzigd bij (de) Richtlijn(en) . . .

1. AANVULLENDE GEGEVENS

1.1. In voorkomend geval, voor elk licht het volgende aangeven:

1.1.1. de categorie(ën) waartoe de inrichting(en) behoort (behoren): .

1.1.2. het aantal gloeilampen en de categorie daarvan (niet van toepassing op retroflectoren) (2): .

1.1.3. de kleur van het uitgestraalde of gereflecteerde licht: .

1.1.4. is de goedkeuring uitsluitend verleend voor het gebruik als reserveonderdeel voor reeds in het verkeer gebrachte voertuigen: ja/neen (1)

1.2. Specifieke gegevens voor bepaalde typen verlichtings- of lichtsignaalinrichtingen:

1.2.1. retroflectoren: afzonderlijk/deel van een samenstel van inrichtingen;

1.2.2. achterkentekenplaatverlichting: inrichting bestemd voor de verlichting van een brede/lange plaat (1);

1.2.3. koplichten; indien het koplicht is uitgerust met een verstelbare reflector, de montagestand(en) van het koplicht ten opzichte van het wegdek en het middenlangsvlak van het voertuig, indien het koplicht uitsluitend bestemd is om in die stand(en) te worden gebruikt: .

1.2.4. achteruitrijlichten: deze inrichting is bedoeld om uitsluitend paarsgewijs op een voortuig te worden gemonteerd: ja/neen (1).

5. OPMERKINGEN

5.1. Tekeningen

5.1.1. voor de achterkentekenplaatverlichting: op de aangehechte tekening nr. . . . is de geometrische plaats aangegeven waar de inrichting moet worden gemonteerd ten opzichte van de ruimte voor de achterkentekenplaat, alsmede de omtrek van het voldoende verlichte vlak;

5.1.2. voor retroflectoren: op de aangehechte tekening nr. . . . is de geometrische plaats aangegeven waar de inrichting op het voertuig moet worden gemonteerd;

5.1.3. voor alle andere verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen: op de aangehechte tekening nr. . . . is de geometrische plaats aangegeven waar de inrichting op het voertuig moet worden gemonteerd, alsmede de referentieas en het referentiepunt van de inrichting.

5.2. Voor koplichten: de tijdens de test ingestelde standen (zie punt 5.2.3.9 van bijlage I van Richtlijn 76/761/EEG): .

(1) Doorhalen wat niet van toepassing is.

(2) Bij lichten met niet-vervangbare lichtbronnen, het aantal en het totale vermogen van de lichtbronnen aangeven.

>EIND VAN DE GRAFIEK>

Aanhangsel 3

VOORBEELDEN VAN HET EG-ONDERDEELTYPEGOEDKEURINGSMERK Figuur 1

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

De inrichting met het hierboven afgebeelde EG-typegoedkeuringsmerk voor een onderdeel is een achteruitrijlicht, dat in Duitsland een typegoedkeuring heeft gekregen (e1) overeenkomstig deze richtlijn (00) met als basisgoedkeuringsnummer 1471. De pijl geeft de zijde aan waar tot een hoek van 45° H aan de voorgeschreven fotometrische bepalingen wordt voldaan.

Figuur 2

Vereenvoudigd merk van gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten wanneer twee of meer lichten deel uitmaken van dezelfde eenheid

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

MODEL B

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

MODEL C

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

NB: De drie voorbeelden van de goedkeuringsmerken, de modellen A, B en C, zijn drie mogelijke varianten van de merktekens voor een verlichtings- en lichtsignaalinrichting, waarbij twee of meer lichten deel uitmaken van dezelfde gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde inrichting. Dit merkteken geeft aan dat de inrichting in Duitsland (e1) werd goedgekeurd met als basisgoedkeuringsnummer 1712 en bestaat uit:

een retroflector van klasse IA, goedgekeurd overeenkomstig Richtlijn 76/757/EEG van de Raad (PB nr. L 262 van 27. 9. 1976, blz. 32), volgnummer 02;

een achterrichtingaanwijzer van categorie 2a, goedgekeurd overeenkomstig Richtlijn 76/759/EEG van de Raad (PB nr. L 262 van 27. 9. 1976, blz. 1), volgnummer 01;

een rood achterlicht (R), goedgekeurd overeenkomstig bijlage II van Richtlijn 76/758/EEG van de Raad (PB nr. L 262 van 27. 9. 1976, blz 54), volgnummer 02;

een achtermistlicht (F), goedgekeurd overeenkomstig Richtlijn 77/538/EEG, volgnummer 00;

een achteruitrijlicht (AR), goedgekeurd overeenkomstig Richtlijn 77/539/EEG, volgnummer 00;

een stoplicht met twee intensiteitsniveaus (S2), goedgekeurd overeenkomstig bijlage II van Richtlijn 76/758/EEG, volgnummer 02;

een achterkentekenplaatverlichting (L), goedgekeurd overeenkomstig Richtlijn 76/760/EEG van de Raad (PB nr. L 262 van 27. 9. 1976, blz. 85), volgnummer 00.

BIJLAGE II

TOEPASSINGSGEBIED EN TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN

1. TOEPASSINGSGEBIED

Deze richtlijn is van toepassing op achteruitrijlichten voor motorvoertuigen en voor de aanhangwagens daarvan.

2. TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN

2.1. De technische voorschriften zijn die welke zijn opgenomen in de punten 1, 5 t/m 8 en de bijlagen 3 en 4 van UN-ECE-reglement nr. 23, dat uit de volgende geconsolideerde documenten bestaat:

- het reglement in zijn oorspronkelijke vorm (00), met inbegrip van de supplementen 1 t/m 4 op reglement nr. 23 en een correctie (1),

- supplement 5 op reglement nr. 23 (2),

met dien verstande dat:

2.1.1. wanneer naar "reglement nr. 48" wordt verwezen, dit dient te worden gelezen als "Richtlijn 76/756/EEG";

2.1.2. wanneer naar "reglement nr. 37" wordt verwezen, dit dient te worden gelezen als "bijlage VII van Richtlijn 76/761/EEG";

2.1.3. in het voorlaatste gedeelte van punt 6.4 de zinsnede "(zie punt 2 van dit reglement)" dient te worden gelezen als "(zie aanhangsel 1 van bijlage I van deze richtlijn)";

2.1.4. in het laatste gedeelte van punt 6.4 de zinsnede "een verklaring in punt 11, "Opmerkingen", van het mededelingenformulier (zie bijlage I van dit reglement)" dient te worden gelezen als "een verklaring in het addendum bij het typegoedkeuringsformulier (zie aanhangsel 2 van bijlage I van deze richtlijn)".

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Technische voorschriften van Reglement nr. 23 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties als bedoeld in artikel 3 en in bijlage II, punt 2.1, van Richtlijn 97/32/EG van de Commissie (1) houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 77/539/EEG van de Raad betreffende achteruitrijlichten van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan

1. DEFINITIES

In dit reglement

1.1 Verstaat men onder "achteruitrijlicht" het licht van het voertuig bestemd tot verlichting van de weg achter het voertuig en om de overige weggebruikers te waarschuwen dat het voertuig achteruitrijdt, of achteruit gaat rijden.

1.2 In dit reglement gelden de definities van Reglement nr. 48 en van alle wijzigingen daarvan die ten tijde van het verzoek om typegoedkeuring van kracht zijn.

1.3 Onder "achteruitrijlichten van verschillende types" verstaat men achteruitrijlichten die wezenlijk verschillen ten aanzien van:

1.3.1 het fabrieks- of handelsmerk,

1.3.2 de kenmerken van het optische systeem,

1.3.3 aanvullende onderdelen waardoor de optische resultaten door weerkaatsing, breking of absorptie kunnen worden gewijzigd; en

1.3.4 het type gloeilamp.

5. ALGEMENE BEPALINGEN

5.1 Elk monster moet voldoen aan de in de volgende punten vermelde bepalingen.

5.2 Achteruitrijlichten moeten zodanig zijn ontworpen en geconstrueerd dat zij onder normale gebruiksomstandigheden en ondanks de trillingen waaraan zij in dat geval blootgesteld kunnen zijn, de in dit reglement voorgeschreven kenmerken behouden en goed blijven functioneren.

6. STERKTE VAN HET UITGESTRAALDE LICHT

6.1 De sterkte van het licht dat wordt uitgestraald door elk van de twee monsters, moet ten minste gelijk zijn aan de minima en mag ten hoogste gelijk zijn aan de maxima zoals hierna vastgesteld. Deze sterkte moet worden gemeten ten opzichte van de referentieas in de hierna aangegeven richtingen (uitgedrukt in graden ten opzichte van de referentieas).

6.2 De lichtsterkte langs de referentieas moet ten minste 80 candela bedragen.

6.3 De sterkte van het licht dat wordt uitgestraald mag in geen van de richtingen waarin het kan worden waargenomen, meer bedragen dan:

300 candela in richtingen in of boven het horizontale vlak

of

600 candela in richtingen beneden het horizontale vlak.

6.4 In elke andere in bijlage 3 bij dit reglement vermelde meetrichting mag de lichtsterkte niet minder zijn dan de in die bijlage aangegeven minima.

Wanneer het achteruitrijlicht echter bestemd is om uitsluitend in paren op een voertuig te worden gemonteerd mag de verificatie van de fotometrische lichtsterkte beperkt blijven tot een hoek van 30° naar binnen waar de fotometrische waarde ten minste 25 cd moet bedragen.

Deze voorwaarde moet duidelijk worden toegelicht in het verzoek om typegoedkeuring en in de desbetreffende documenten (zie punt 2 van dit reglement).

Wanneer de typegoedkeuring wordt verleend onder toepassing van de hiervoor genoemde voorwaarde moet met een vermelding in punt 11 "Opmerkingen" van het inlichtingenblad (zie bijlage 1 bij dit reglement) duidelijk worden gemaakt dat de inrichting uitsluitend in paren mag worden gemonteerd.

6.5 Indien één enkel licht meer dan één lichtbron bevat dient het licht, wanneer één van de lichtbronnen uitvalt, te voldoen aan de vereiste minimum-lichtsterkte en mogen alle lichtbronnen samen de toegestane maximum-lichtsterkte niet overschrijden

7. UITVOERING VAN DE PROEF

7.1 Alle metingen worden uitgevoerd met kleurloze standaard gloeilampen van de voor de inrichting voorgeschreven typen, die zodanig zijn ingesteld dat zij de normale lichtstroom uitstralen die voor deze types gloeilampen is voorgeschreven.

7.1.1 Alle metingen van lichten met niet-vervangbare lichtbronnen (gloeidraadlampen en andere) worden uitgevoerd bij respectievelijk 6,75 V, 13,5 V of 28,0 V

Voor lichtbronnen met een speciale voeding gelden de genoemde beproevingsspanningen voor de ingangsklemmen van die voeding. Het beproevingslaboratorium kan verlangen dat de fabrikant de speciale voeding voor de lichtbronnen ter beschikking stelt.

8. KLEUR VAN HET UITGESTRAALDE LICHT

De kleur van het uitgestraalde licht moet wit zijn. Bij twijfel kan de kleur worden getoetst aan de definitie van wit licht in bijlage 4 bij dit reglement.

(1) PB nr. L 171 van 30. 6. 1997, blz. 63.

BIJLAGE 3

FOTOMETRISCHE METINGEN

1. MEETMETHODEN

1.1 Bij de fotometrische metingen moeten storende weerkaatsingen worden vermeden door een passende afscherming;

1.2 In geval van twijfel over de resultaten van de metingen, moeten deze als volgt worden uitgevoerd;

1.2.1 de meetafstand moet zodanig zijn dat de wet van het omgekeerde van het kwadraat van de afstand van toepassing is;

1.2.2 de meetapparatuur moet zodanig zijn dat de openingshoek van de lichtgevoelige apparatuur, gezien vanuit het referentiepunt van het licht, tussen 10' en 1° ligt;

1.2.3 aan de eis betreffende de lichtsterkte voor een bepaalde waarnemingsrichting wordt voldaan wanneer de vereiste lichtsterkte wordt bereikt in een richting die niet meer dan een kwartgraad van de waarnemingsrichting afwijkt.

2. MEETPUNTEN UITGEDRUKT IN HOEKGRADEN TEN OPZICHTE VAN DE REFERENTIEAS EN WAARDEN VAN DE MINIMUMSTERKTE VAN HET UITGESTRAALDE LICHT

BOVENKANT

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

2.1 De richting H = 0° en V = 0° komt overeen met de referentieas (op het voertuig loopt deze horizontaal, evenwijdig met het middenlangsvlak van het voertuig, in de richting van het voorgeschreven zicht). Zij loopt door het referentiepunt. De in de tabel aangegeven waarden geven voor de verschillende meetrichtingen de minimum-lichtsterkte in cd.

2.2 Wanneer een licht bij visueel onderzoek plaatselijk aanzienlijke variaties in lichtsterkte blijkt te vertonen, wordt nagegaan of geen enkele tussen twee van genoemde meetrichtingen gemeten lichtsterkte minder bedraagt dan 50 % van de geringste minimum-lichtsterkte van de voor deze meetrichtingen voorgeschreven twee lichtsterkten.

3. FOTOMETRISCHE METING VAN LICHTEN MET VERSCHILLENDE LICHTBRONNEN

De fotometrische prestaties worden gecontroleerd:

3.1 Voor niet-vervangbare lichtbronnen (gloeilampen en andere):

met de lichtbron in de lamp overeenkomstig punt 7.1.1 van dit reglement.

3.2 Voor vervangbare gloeilampen:

die zijn uitgerust met seriematig vervaardigde gloeilampen van 6,75 V, 13,5 V of 28,0 V, dient de waarde van de voortgebrachte lichtsterkte te liggen tussen de maximum- en de minimumgrens van dit reglement, vermeerderd met de toegestane afwijking van de lichtstroom voor het gekozen type gloeilamp als bedoeld in Reglement nr. 37 betreffende seriematig vervaardigde gloeilampen; anderzijds mag ook beurtelings in iedere fitting een seriematig vervaardigde gloeilamp worden gebruikt die met de referentielichtstroom brandt waarna de afzonderlijke metingen voor iedere fitting worden samengeteld.

BIJLAGE 4

Kleur van het wit licht (Trichromatische coördinaten)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Voor de verificatie van deze colorimetrische eigenschappen, wordt gebruikgemaakt van een lichtbron met een kleurtemperatuur van 2 854 K overeenkomende met lichtbron A van de Internationale Commissie voor Verlichtingskunde (CIE).

Voor lichten met niet-vervangbare lichtbronnen (gloeilampen en andere) moeten de colorimetrische eigenschappen echter worden geverifiëerd met de lichtbron in het licht overeenkomstig punt 7.1.1 van dit reglement.

Top