EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31969R1191

Verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad van 26 juni 1969 betreffende het optreden van de Lid-Staten ten aanzien van met het begrip openbare dienst verbonden verplichtingen op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren

OJ L 156, 28.6.1969, p. 1–7 (DE, FR, IT, NL)
Danish special edition: Series I Volume 1969(I) P. 258 - 263
English special edition: Series I Volume 1969(I) P. 276 - 282
Greek special edition: Chapter 07 Volume 001 P. 100 - 106
Spanish special edition: Chapter 08 Volume 001 P. 131 - 136
Portuguese special edition: Chapter 08 Volume 001 P. 131 - 136
Special edition in Finnish: Chapter 07 Volume 001 P. 64 - 69
Special edition in Swedish: Chapter 07 Volume 001 P. 64 - 69
Special edition in Czech: Chapter 07 Volume 001 P. 19 - 25
Special edition in Estonian: Chapter 07 Volume 001 P. 19 - 25
Special edition in Latvian: Chapter 07 Volume 001 P. 19 - 25
Special edition in Lithuanian: Chapter 07 Volume 001 P. 19 - 25
Special edition in Hungarian Chapter 07 Volume 001 P. 19 - 25
Special edition in Maltese: Chapter 07 Volume 001 P. 19 - 25
Special edition in Polish: Chapter 07 Volume 001 P. 19 - 25
Special edition in Slovak: Chapter 07 Volume 001 P. 19 - 25
Special edition in Slovene: Chapter 07 Volume 001 P. 19 - 25
Special edition in Bulgarian: Chapter 07 Volume 001 P. 25 - 31
Special edition in Romanian: Chapter 07 Volume 001 P. 25 - 31

No longer in force, Date of end of validity: 02/12/2009; opgeheven door 32007R1370 . Latest consolidated version: 03/12/2009

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1969/1191/oj

31969R1191

Verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad van 26 juni 1969 betreffende het optreden van de Lid-Staten ten aanzien van met het begrip openbare dienst verbonden verplichtingen op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren

Publicatieblad Nr. L 156 van 28/06/1969 blz. 0001 - 0007
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 7 Deel 1 blz. 0064
Bijzondere uitgave in het Deens: Serie I Hoofdstuk 1969(I) blz. 0258
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 7 Deel 1 blz. 0064
Bijzondere uitgave in het Engels: Serie I Hoofdstuk 1969(I) blz. 0276
Bijzondere uitgave in het Grieks: Hoofdstuk 07 Deel 1 blz. 0100
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 08 Deel 1 blz. 0131
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 08 Deel 1 blz. 0131


++++

( 1 ) PB nr . 88 van 24 . 5 . 1965 , blz . 1500/65 .

( 2 ) PB nr . C 27 van 28 . 3 . 1968 , blz . 18 .

( 3 ) PB nr . C 49 van 17 . 5 . 1968 , blz . 15 .

VERORDENING ( EEG ) Nr . 1191/69 VAN DE RAAD

van 26 juni 1969

betreffende het optreden van de Lid-Staten ten aanzien van met het begrip openbare dienst verbonden verplichtingen op het gebied van het vervoer per spoor , over de weg en over de binnenwateren

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN ,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap , inzonderheid op de artikelen 75 en 94 ,

Gelet op de beschikking van de Raad van 13 mei 1965 , met betrekking tot de harmonisatie van bepaalde voorschriften die van invloed zijn op de mededinging in het vervoer per spoor , over de weg en over de binnenwateren ( 1 ) ,

Gezien het voorstel van de Commissie ,

Gezien het advies van het Europese Parlement ( 2 ) ,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ( 3 ) ,

Overwegende dat de opheffing van de dispariteiten die erin bestaan dat de Lid-Staten aan de vervoerondernemingen met het begrip openbare dienst verbonden verplichtingen opleggen en die de mededinginsvoorwaarden wezenlijk kunnen vervalsen , een der doeleinden van het gemeenschappelijk vervoerbeleid vormt ;

Overwegende dat de in deze verordening omschreven openbare dienstverplichtingen derhalve moeten worden opgeheven ; dat de handhaving van deze verplichtingen evenwel in bepaalde gevallen noodzakelijk is om een toereikende vervoervoorziening te waarborgen ; dat deze vervoervoorziening wordt beoordeeld op grond van de bestaande situatie inzake vraag en aanbod van vervoer en van de behoeften van de gemeenschap ;

Overwegende dat deze maatregelen tot opheffing van verplichtingen zich niet uitstrekken tot de prijzen en vervoervoorwaarden die aan de ondernemingen op het gebied van het personenvervoer ten behoeve van een of meer bepaalde bevolkingsgroepen worden opgelegd ;

Overwegende dat het voor de toepassing van deze maatregelen noodzakelijk is , de verschillende in deze verordening bedoelde openbare dienstverplichtingen te omschrijven ; dat deze verplichtingen de exploitatieplicht , de vervoerplicht en de tariefplicht , omvatten ;

Overwegende dat aan de Lid-Staten de zorg moet worden overgelaten om op eigen initiatief maatregelen tot opheffing of handhaving van openbare dienstverplichtingen te nemen ; dat de vervoersondernemingen evenwel , aangezien deze verplichtingen voor hen lasten met zich kunnen brengen , aanvragen om opheffing moeten kunnen indienen bij de bevoegde instanties van de Lid-Staten ;

Overwegende dat het wenselijk is te bepalen , dat de vervoersondernemingen slechts aanvragen om opheffing van openbare dienstverplichtingen mogen indienen , indien deze verplichtingen voor hen economische nadelen met zich brengen , welke worden bepaald volgens in deze verordening omschreven gemeenschappelijke methoden ;

Overwegende dat de vervoersondernemingen ter verbetering van de exploitatie in hun aanvraag de toepassing moeten kunnen voorstellen van een andere vervoertechniek die beter is aangepast aan het vervoer ;

Overwegende dat de bevoegde instanties van de Lid-Staten , wanneer zij tot handhaving van openbare dienstverplichtingen besluiten , aan hun besluit voorwaarden moeten kunnen verbinden die het rendement van de betrokken activiteiten kunnen verbeteren ; dat de bevoegde instanties evenwel , wanneer zij tot opheffing van een openbare dienstverplichting besluiten , in de instelling van een vervangende dienst moeten kunnen voorzien ten einde een toereikende vervoervoorziening te waarborgen ;

Overwegende dat , ten einde rekening te houden met de belangen van alle Lid-Staten , een communautaire procedure dient te worden ingesteld voor het geval dat de opheffing van een exploitatieplicht of een vervoerplicht de belangen van een andere Lid-Staten zou raken ;

Overwegende dat voor het bereiken van een doeltreffende organisatie van de behandeling van de door de ondernemingen ingediende aanvragen om opheffing van de openbare dienstverplichtingen , zowel de termijn waarbinnen deze aanvragen moeten worden ingediend , als de termijn voor hun behandeling door de Lid-Staten moet worden vastgesteld ;

Overwegende dat het handhaven van een in deze verordening omschreven openbare dienstverplichting , waartoe door de bevoegde instanties wordt besloten , krachtens artikel 5 van de beschikking van de Raad van 13 mei 1965 , met betrekking tot de harmonisatie van bepaalde voorschriften die van invloed zijn op de mededinging in het vervoer per spoor , over de weg en over de binnenwateren , de verplichting met zich brengt , de lasten welke daaruit voor de vervoersondernemingen voortvloeien te compenseren ;

Overwegende dat het recht op compensatie van de lasten voor de vervoersondernemingen moet ontstaan op het ogenblik waarop het besluit tot handhaving van een openbare dienstverplichting door de Lid-Staten wordt genomen ; dat wegens het jaarlijkse karakter van de begrotingen dit recht tijdens de eerste periode van toepassing van deze vorordening echter niet v}}r 1 januari 1971 kan ontstaan ; dat deze termijn kan worden verlengd in verband met eventuele verlengingen van de termijnen voor de behandeling van de aanvragen der vervoersondernemingen ;

Overwegende dat voorts in artikel 6 van de beschikking van de Raad van 13 mei 1965 , met betrekking tot de harmonisatie van bepaalde voorschriften die van invloed zijn op de mededinging in het vervoer per spoor , over de weg en over de binnenwateren , is bepaald dat de Lid-Staten de lasten moeten compenseren die op het gebied van het personenvervoer voortvloeien uit de toepassing van prijzen en vervoervoorwaarden die ten behoeve van bepaalde bevolkingsgroepen worden opgelegd ; dat deze compensatie met ingang van 1 januari 1971 moet plaatsvinden ; dat deze termijn met één jaar kan worden verlengd aan de hand van een communautaire procedure , ingeval een Lid-Staat bijzondere moeilijkheden ondervindt ;

Overwegende dat de compensatie van de lasten die voor de vervoersondernemingen voortvloeien uit de handhaving van de openbare dienstverplichtingen volgens gemeenschappelijke methoden moet geschieden ; dat er bij het vaststellen van deze compensaties rekening moet worden gehouden met de weerslag die de opheffing van de verplichting op de activiteit van de onderneming zou hebben ;

Overwegende dat het noodzakelijk is de bepalingen van deze verordening toe te passen op elke nièuwe in deze verordening omschreven openbare dienstverplichting welke aan een vervoersonderneming wordt opgelegd ;

Overwegende dat , daar de uit de toepassing van deze verordening voortvloeiende compensaties door de Lid-Staten worden toegekend volgens gemeenschappelijke , in deze verordening vastgelegde methoden , voor deze compensaties vrijstelling dient te worden verleend van de procedure van voorafgaande kennisgeving , bedoeld in artikel 93 , lid 3 , van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap ;

Overwegende dat de Commissie van de Lid-Staten alle dienstige gegevens omtrent de toepassing van deze verordening moet kunnen verkrijgen ;

Overwegende dat de Commissie , ten einde de Raad in staat te stellen de situatie in elke Lid-Staat met betrekking tot de tenuitvoerlegging van deze verordening te bestuderen , hieromtrent v}}r 31 december 1972 aan de Raad verslag dient uit te brengen ;

Overwegende dat dient te worden gewaarborgd , dat de Lid-Staten passende middelen ter beschikking van de vervoersondernemingen stellen , ten einde hen in staat te stellen , hun belangen te doen gelden ten aanzien van de bijzondere besluiten welke door de Lid-Staten ter uitvoering van deze verordening worden genomen ;

Overwegende dat de Raad , aangezien deze verordening vooralsnog van toepassing is op de vervoersactiviteiten per spoor van de zes nationale spoorwegmaatschappijen der Lid-Staten en , wat de ondernemingen in de andere takken van vervoer betreft , op de ondernemingen die niet hoofdzakelijk lokaal of regionaal vervoer verrichten , binnen een termijn van drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening , moet beslissen over de te treffen maatregelen inzake openbare dienstverplichtingen voor de vervoersactiviteiten die niet onder deze verordening vallen ,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD :

AFDELING 1

Algemene bepalingen

Artikel 1

1 . De Lid-Staten heffen de met het begrip openbare dienst verbonden verplichtingen op het gebied van het vervoer per spoor , over de weg en over de binnenwateren , die in deze verordening zijn omschreven , op .

2 . De verplichtingen kunnen evenwel worden gehandhaafd , voor zover dit noodzakelijk is om een toereikende vervoersvoorziening te waarborgen .

3 . Lid 1 is op het gebied van het personenvervoer niet van toepassing op de prizen en vervoervoorwaarden die door een Lid-Staat ten behoeve van een of meer bepaalde bevolkingsgroepen worden opgelegd .

4 . De lasten die voor de vervoersondernemingen voortvloeien uit de handhaving van de in lid 2 bedoelde verplichtingen en uit de toepassing van de in lid 3 bedoelde prijzen en vervoervoorwaarden , worden volgens in deze verordening vastgelegde gemeenschappelijke methoden gecompenseerd .

Artikel 2

1 . Onder openbare dienstverplichtingen moet worden verstaan de verplichtingen die de vervoersonderneming , indien zij haar eigen commercieel belang in aanmerking zou nemen , niet of niet in dezelfde mate , noch onder dezelfde voorwaarden op zich zou nemen .

2 . De openbare dienstverplichtingen in de zin van lid 1 omvatten de exploitatieplicht , de vervoerplicht en de tariefplicht .

3 . Onder de exploitatieplicht in de zin van deze verordening wordt verstaan de verplichting van de vervoersondernemingen om voor de lijnen of installaties waarvan de exploitatie hun bij een concessie of gelijkwaardige machtiging werd toevertrouwd , alle maatregelen te nemen om een vervoerdienst te waarborgen die voldoet aan vastgestelde normen van continuiteit , regelmatigheid en capaciteit . Hieronder valt ook de verplichting om aanvullende diensten te exploiteren , alsmede de verplichting om lijnen , materieel _ voor zover dit ten opzichte van het gehele net overtollig is _ en installaties na de opheffing van de vervoerdiensten in goede staat te houden .

4 . Onder vervoerplicht in de zin van deze verordening wordt verstaan de verplichting van de vervoersondernemingen om alle vervoer van personen of goederen aan te nemen en tegen vastgestelde prijzen en vervoervoorwaarden te verrichten .

5 . Onder tariefplicht in de zin van deze verordening wordt verstaan de aan de vervoersondernemingen opgelegde verplichting om door de overheid vastgestelde of goedgekeurde prijzen toe te passen , welke in strijd zijn met het commerciële belang van de onderneming en die voortvloeien uit een verplichting tot toepassing , dan wel een verbod tot wijziging van bijzondere tariefmaatregelen , met name voor bepaalde categorieën reizigers , bepaalde categorieën produkten of voor bepaalde verbindingen .

Het bepaalde in de vorige alinea is niet van toepassing op verplichtingen die voortvloeien uit algemene maatregelen van prijsbeleid die voor het gehele bedrijfsleven gelden of uit maatregelen inzake algemene prijzen en vervoervoorwaarden , welke zijn getroffen met het oog op de ordening van de vervoermarkt of van een gedeelte daarvan .

AFDELING II

Gemeenschappelijke beginselen voor de opheffing of handhaving van de openbare dienstverplichtingen

Artikel 3

1 . Wanneer de bevoegde instanties van de Lid-Staten besluiten een openbare dienstverplichting volledig of gedeeltelijk te handhaven , en er verscheidene oplossingen zijn die onder overeenkomstige voorwaarden een toereikende vervoervoorziening waarborgen , kiezen de bevoegde instanties de oplossing die de laagste kosten voor de gemeenschap meebrengt .

2 . De toereikendheid van de vervoervoorziening wordt beoordeeld op grond van :

a ) het algemeen belang ;

b ) de mogelijkheid om andere vervoertechnieken toe te passen , waarbij tevens moet worden nagegaan of hiermede in de desbetreffende behoeften aan vervoer kan worden voorzien ;

c ) de prijzen en vervoervoorwaarden die aan de gebruikers kunnen worden geboden .

Artikel 4

1 . Indien een openbare dienstverplichting voor een vervoersonderneming economische nadelen medebrengt , dient deze onderneming bij de bevoegde instantie van de Lid-Staten een aanvraag in om volledige of gedeeltelijke opheffing van deze verplichting .

2 . De vervoersondernemingen kunnen in hun aanvragen voorstellen de op dat ogenblik toegepaste vervoertechniek door een andere te vervangen . De ondernemingen berekenen volgens de bepalingen van artikel 5 de besparingen welke hun financieel bedrijfsresultaat ten goede kunnen komen .

Artikel 5

1 . Een exploitatieplicht of een vervoerplicht brengt economische nadelen mede wanneer de vermindering van de lasten die kan worden bereikt door de volledige of gedeeltelijke opheffing van deze plicht voor een daaraan onderworpen activiteit of samenstel van activiteiten , groter is dan de uit deze opheffing voortvloeiende vermindering van de ontvangsten .

De economische nadelen worden bepaald aan de hand van een overzicht van de , zo nodig contant gemaakte , jaarlijkse economische nadelen die gevormd worden door het verschil tussen de vermindering van de jaarlijkse lasten en de vermindering van de jaarlijkse inkomsten als gevolg van het opheffen van deze plicht .

Indien echter de exploitatie - of vervoerplichten betrekking hebben op een of meer categorieën reizigers - of goederenvervoer op een net of op een belangrijk deel van een net , geschiedt de raming van de lasten die bij het opheffen van de plicht kunnen wegvallen aan de hand van een verdeling van de totale door de onderneming uit hoofde van haar vervoersactiviteit gedragen kosten over de verschillende categorieën vervoer .

Het economisch nadeel is dan gelijk aan het verschil tussen de kosten die verband houden met dat deel van de activiteit der onderneming waarop de openbare dienstverplichting betrekking heeft en de overeenkomstige ontvangsten .

Bij het bepalen van de economische nadelen wordt rekening gehouden met de weerslag van de plicht op de totale activiteit van de onderneming .

2 . Een tariefplicht brengt economische nadelen mede , wanneer het verschil tussen de ontvangsten en de lasten van het onder de plicht vallende vervoer kleiner is dan het verschil tussen de ontvangsten en de lasten van het vervoer dat voortvloeit uit een commerciële bedrijfsvoering , met inachtneming van de kosten van de aan deze plicht onderworpen activiteiten en van de marktsituatie .

Artikel 6

1 . Binnen een jaar na de inwerkingtreding van deze verordening , dienen de vervoersondernemingen de in artikel 4 bedoelde aanvragen in bij de bevoegde instanties van de Lid-Staten .

De vervoersondernemingen kunnen aanvragen indienen na het verstrijken van de hierboven gestelde termijn , indien zij constateren dat aan de in artikel 4 , lid 1 , bedoelde voorwaarden is voldaan .

2 . De besluiten om een openbare dienstverplichting geheel of gedeeltelijk te handhaven of na verloop van tijd op te heffen , voorzien in het toekennen van een compensatie voor de eruit voortvloeiende lasten ; deze compensatie wordt bepaald overeenkomstig de in de artikelen 10 tot en met 13 voorgeschreven gemeenschappelijke methoden .

3 . De bevoegde instanties van de Lid-Staten beslissen binnen een termijn van een jaar na de indiening van de aanvraag voor wat betreft de exploitatie - en vervoerplichten en binnen een termijn van zes maanden voor wat betreft de tariefplichten .

Het recht op compensatie ontstaat met ingang van de dag waarop de bevoegde instanties een besluit nemen , maar op zijn vroegst met ingang van 1 januari 1971 .

4 . Indien de bevoegde instanties van de Lid-Staten het evenwel , gezien het aantal en het belang van de door elke onderneming ingediende aanvragen , noodzakelijk achten , kunnen zij de in de eerste alinea van lid 3 bedoelde termijn verlengen tot uiterlijk 1 januari 1972 . In dat geval ontstaat het recht op compensatie op deze datum .

Indien de bevoegde instanties van de Lid-Staten van deze bevoegdheid gebruik wensen te maken , stellen zij de betrokken ondernemingen hiervan in kennis binnen een termijn van zes maanden na indiening van de aanvragen .

Op verzoek van een Lid-Staat die bijzondere moeilijkheden ondervindt , kan de Raad , op voorstel van de Commissie , deze Lid-Staat machtigen om de in de eerste alinea genoemde termijn te verlengen tot 1 januari 1973 .

5 . Indien de bevoegde instanties binnen de gestelde termijnen geen besluit hebben genomen , vervalt de verplichting waarvoor ingevolge artikel 4 , lid 1 , een aanvraag om opheffing werd ingediend .

6 . De Raad zal op basis van een v}}r 31 december 1972 door de Commissie in te dienen verslag de stand van zaken in iedere Lid-Staat met betrekking tot de tenuitvoerlegging van deze verordening onderzoeken .

Artikel 7

1 . Aan het besluit tot handhaving kunnen voorwaarden worden verbonden om het rendement van de aan de betrokken verplichting onderworpen activiteiten te verbeteren .

2 . Het besluit tot opheffing kan voorzien in de instelling van een vervangende dienst . In dit geval gaat de opheffing op zijn vroegst in op het ogenblik waarop de vervangende dienst in bedrijf wordt gesteld .

Artikel 8

1 . Een Lid-Staat die voornemens is ten aanzien van lijnen of diensten maatregelen tot opheffing van de exploitatieplicht of de vervoerplicht te nemen , die de handel of het verkeer tussen Lid-Staten ongunstig kunnen beinvloeden , deelt deze maatregelen aan de Commissie mede voordat zij ten uitvoer worden gelegd . Hij stelt de andere Lid-Staten hiervan in kennis .

2 . Indien de Commissie het dienstig acht of indien een andere Lid-Staat daarom verzoekt , pleegt de Commissie met de Lid-Staten overleg over de beoogde maatregelen .

3 . Binnen twee maanden na ontvangst van de in lid 1 bedoelde mededeling richt de Commissie een advies of een aanbeveling aan elke betrokken Lid-Staat .

AFDELING III

Toepassing op het personenvervoer van prijzen en vervoervoorwaarden die ten behoeve van een of meer bevolkingsgroepen worden opgelegd

Artikel 9

1 . Het bedrag van de compensatie voor de lasten die voor de ondernemingen voortvloeien uit de toepassing op het personenvervoer van prijzen en vervoervoorwaarden die ten behoeve van een of meer bepaalde bevolkingsgroepen worden opgelegd , wordt bepaald overeenkomstig de gemeenschapplijke methoden , vervat in de artikelen 11 tot en met 13 .

2 . De compensatie is verschuldigd met ingang van 1 januari 1971 .

Op verzoek van een Lid-Staat die bijzondere moeilijkheden ondervindt , kan de Raad , op voorstel van de Commissie , deze Lid-Staat machtigen om deze aanvangsdatum naar 1 januari 1972 te verschuiven .

3 . Aanvragen om compensatie worden bij de bevoegde instanties der Lid-Staten ingediend .

AFDELING IV

Gemeenschappelijke compensatiemethoden

Artikel 10

1 . Het bedrag van de in artikel 6 bedoelde compensatie is , wanneer het een exploitatieplicht of een vervoerplicht betreft , gelijk aan het verschil tussen de vermindering van de lasten en de vermindering van de ontvangsten der onderneming , welke tijdens de in aanmerking genomen periode uit de volledige of gedeeltelijke opheffing van de betrokken verplichting kunnen voortvloeien .

Indien de berekening van de economische nadelen evenwel is geschied door de totale door de onderneming uit hoofde van haar vervoersactiviteit gedragen kosten te verdelen over de verschillende onderdelen van deze vervoersactiviteit , is het bedrag van de compensatie gelijk aan het verschil tussen de kosten die verband houden met dat deel van de activiteit der onderneming , waarop de openbare dierstverplichting betrekking heeft , en de overeenkomstige ontvangsten .

2 . Voor het bepalen van de in lid 1 bedoelde lasten en ontvangsten wordt rekening gehouden met de weerslag die de opheffing van de betrokken verplichting op de totale activiteit van de onderneming zou hebben .

Artikel 11

1 . Het bedrag van de in artikel 6 en in artikel 9 , lid 1 , bedoelde compensatie is , wanneer het een tariefplicht betreft , gelijk aan het verschil tussen twee termen :

a ) De eerste term is gelijk aan het verschil tussen , enerzijds , het produkt van het aantal verwachte vervoereenheden , en

_ hetzij het gunstigste tarief waarop de gebruikers aanspraak zouden kunnen maken indien de betrokken plicht niet bestond ,

_ hetzij , bij gebreke van een dergelijk tarief , de prijs die de onderneming zou hebben toegepast in het kader van een commerciële bedrijfsvoering waarbij rekening wordt gehouden met de kosten van de betrokken activiteit en met de marktpositie

en , anderzijds , het produkt van het aantal werkelijke vervoereenheden en het opgelegde tarief tijdens de betrokken periode .

b ) De tweede term is gelijk aan het verschil tussen de kosten die zouden voortvloeien uit de toepassing , hetzij van het gunstigste tarief , hetzij van de prijs die de onderneming zou hebben toegepast in het kader van een commerciële bedrijfsvoering , en de kosten die voortvloeien uit de toepassing van het opgelegde tarief .

2 . Wanneer de overeenkomstig lid 1 berekende compensatie wegens de toestand op de markt het niet mogelijk maakt de totale kosten van het aan de betrokken tariefplicht onderworpen vervoer te dekken , is het bedrag van de in artikel 9 , lid 1 , bedoelde compensatie gelijk aan het verschil tussen deze kosten en de ontvangsten uit dit vervoer . Bij deze berekening wordt rekening gehouden met de eventueel reeds op grond van artikel 10 gegeven compensaties .

3 . Bij het bepalen van de in lid 1 bedoelde lasten en ontvangsten wordt rekening gehouden met de gevolgen van het opheffen der betrokken verplichting voor de gehele activiteit van de onderneming .

Artikel 12

Bij het bepalen van de kosten die voortvloeien uit de handhaving van de verplichtingen , wordt uitgegaan van een doelmatig beheer van de onderneming en het leveren van vervoerdiensten van passende kwaliteit .

Van de calculatorische rente kan de rente over het eigen kapitaal worden afgetrokken .

Artikel 13

1 . In de op grond van de artikelen 6 en 9 genomen besluiten wordt het bedrag van de compensatie voor een periode van ten minste één jaar vooraf vastgesteld . Tegelijkertijd worden in de besluiten de factoren vastgesteld die aanleiding kunnen geven tot een correctie van de bedragen .

2 . De correctie van de in lid 1 bedoelde bedragen geschiedt jaarlijks na afsluiting van de rekeningen van het boekjaar der onderneming .

3 . De betaling van de vooraf vastgestelde compensaties geschiedt in termijnen . De betaling van de bedragen , verschuldigd ingevolge een in lid 2 bedoelde correctie , geschiedt onmiddellijk na het vaststellen van de correcties .

AFDELING V

Het opleggen van nieuwe openbare dienstverplichtingen

Artikel 14

1 . Na de inwerkingtreding van deze verordening kunnen de Lid-Staten slechts openbare dienstverplichtingen opleggen aan een vervoersonderneming indien deze verplichtingen noodzakelijk zijn om een toereikende vervoervoorziening te waarborgen , voor zover het niet gaat om de in artikel 1 , lid 3 , bedoelde gevallen .

2 . Wanneer de aldus opgelegde verplichtingen voor de vervoersondernemingen economische nadelen in de zin van artikel 5 , leden 1 en 2 , of lasten in de zin van artikel 9 meebrengen , bepalen de bevoegde instanties van de Lid-Staten in hun besluiten waarbij deze verplichtingen worden opgelegd , dat de daaruit voortvloeiende lasten worden gecompenseerd . De artikelen 10 tot en met 13 zijn van toepassing .

AFDELING VI

Slotbepalingen

Artikel 15

De besluiten van de bevoegde instanties der Lid-Staten , welke overeenkomstig de bepalingen van deze verordening worden genomen , worden met redenen omkleed en op passende wijze bekendgemaakt .

Artikel 16

De Lid-Staten dragen er zorg voor , dat de vervoersondernemingen als zodanig met passende middelen hun belangen kunnen verdedigen tegen de ter uitvoering van deze verordening genomen besluiten .

Artikel 17

1 . De Commissie kan de Lid-Staten om alle dienstige inlichtingen betreffende de toepassing van deze verordening verzoeken . Wanneer de Commissie dit nodig acht , pleegt zij overleg met de betrokken Lid-Staten .

2 . De compensaties die voortvloeien uit de toepassing van deze verordening , zijn niet onderworpen aan de procedure van voorafgaande kennisgeving , bedoeld in artikel 93 , lid 3 , van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap .

De Lid-Staten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de compensaties , per categorie van verplichtingen , van de lasten die voor de vervoersondernemingen voortvloeien uit de handhaving van de in artikel 2 bedoelde openbare dienstverplichtingen en uit de toepassing op het personenvervoer van prijzen en vervoervoorwaarden die in het belang van een of meer bepaalde bevolkingsgroepen zijn opgelegd .

Artikel 18

1 . De Lid-Staten stellen tijdig , na overleg met de Commissie , de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast , die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze verordening , met name van artikel 4 .

2 . Wanneer een Lid-Staat erom verzoekt of wanneer de Commissie het zelf dienstig acht , pleegt zij met de betrokken Lid-Staten overleg over de ontwerpen van de in lid 1 bedoelde bepalingen .

Artikel 19

1 . Wat hun vervoersactiviteiten per spoor betreft , is deze verordening van toepassing op de volgende spoorwegondernemingen :

_ Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen ( N.M.B.S . ) / Société Nationale des Chemins de fer belges ( S.N.C.B . )

_ Deutsche Bundesbahn ( D.B . )

_ Société Nationale des Chemins de fer francais ( S.N.C.F . )

_ Azienda autonoma delle Ferrovie dello Stato ( F.S . )

_ Société Nationale des Chemins de fer luxembourgeois ( C.F.L . )

_ Naamloze Vennootschap Nederlandse Spoorwegen ( N.S . )

2 . Wat de ondernemingen in de overige takken van vervoer betreft , is deze verordening niet van toepassing op ondernemingen die voornamelijk lokaal of regionaal vervoer verrichten .

3 . Binnen een termijn van drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening beslist de Raad aan de hand van de beginselen en doelstellingen , vermeld in Titel II van zijn beschikking van 13 mei 1965 , over de te nemen maatregelen ten aanzien van met het begrip openbare dienst verbonden verplichtingen voor vervoersactiviteiten die niet onder deze verordening vallen .

Artikel 20

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 1969 .

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat .

Gedaan te Luxemburg , 26 juni 1969 .

Voor de Raad

De Voorzitter

G . THORN

Top