EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32019R1111

Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering

ST/8214/2019/INIT

OJ L 178, 2.7.2019, p. 1–115 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force: This act has been changed. Current consolidated version: 02/07/2019

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/1111/oj

2.7.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 178/1


VERORDENING (EU) 2019/1111 VAN DE RAAD

van 25 juni 2019

betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering

(herschikking)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 81, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien de adviezen van het Europees Parlement (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Commissie heeft op 15 april 2014 een verslag goedgekeurd over de toepassing van Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad (3). In dat verslag wordt geconcludeerd dat Verordening (EG) nr. 2201/2003 een goed functionerend instrument is dat de burger grote voordelen oplevert, maar dat de bestaande regels voor verbetering vatbaar zijn. De verordening dient op een aantal punten gewijzigd te worden. De verordening moet ten behoeve van de duidelijkheid worden herschikt.

(2)

Deze verordening stelt uniforme bevoegdheidsregels vast voor scheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van een huwelijk, en voor geschillen over ouderlijke verantwoordelijkheid met een internationaal aspect. De verordening bevat bepalingen over erkenning en afdwingbaarheid in andere lidstaten, waardoor zij het verkeer van beslissingen, alsmede van authentieke akten en bepaalde overeenkomsten binnen de Unie bevordert. Daarnaast zorgt deze verordening voor de verduidelijking van het recht van kinderen om in de gelegenheid gesteld te worden hun standpunt kenbaar te maken in procedures waarbij zij betrokken zijn, en bevat zij ook bepalingen ter aanvulling op het Verdrag van ’s-Gravenhage van 25 oktober 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (hierna "Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980" genoemd) in de betrekkingen tussen de lidstaten. Deze verordening moet derhalve helpen de rechtszekerheid te versterken en de flexibiliteit te vergroten, om te zorgen voor betere toegang tot gerechtelijke procedures en het efficiënter maken van deze procedures.

(3)

De vlotte en correcte werking van een justitiële ruimte op het niveau van de Unie, met respect voor de verschillende rechtsstelsels en -tradities van de lidstaten, is cruciaal voor de Unie. In dat opzicht moet het wederzijds vertrouwen in elkaars justitiële stelsels nog worden versterkt. De Europese Unie heeft zich tot doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht in stand te houden, waarin het vrije verkeer van personen en toegang tot het gerecht gewaarborgd zijn. Met het oog op uitvoering van die doelstelling moeten de rechten van personen, en van kinderen in het bijzonder, in juridische procedures worden versterkt ter vergemakkelijking van de samenwerking tussen justitiële en administratieve autoriteiten en van de tenuitvoerlegging van beslissingen in zaken van familierecht met grensoverschrijdende gevolgen. De wederzijdse erkenning van beslissingen in burgerlijke zaken moet worden vergroot, de toegang tot het gerecht moet worden vereenvoudigd en de uitwisseling van informatie tussen de autoriteiten van de lidstaten moet worden verbeterd.

(4)

Te dien einde moet de Unie onder andere maatregelen op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen aannemen, met name als die nodig zijn voor de goede werking van de interne markt. De term "burgerlijke zaken" dient autonoom te worden geïnterpreteerd, overeenkomstig de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie ("het Hof van Justitie"). De term dient te worden beschouwd als een autonoom begrip dat moet worden uitgelegd aan de hand van, in eerste instantie, de doelstellingen en het systeem van deze verordening en, in tweede instantie, de algemene beginselen die in alle nationale rechtsstelsels tezamen worden gevonden. De term "burgerlijke zaken" moet derhalve aldus worden uitgelegd dat hij ook maatregelen kan omvatten die naar het recht van een lidstaat onder het publiekrecht kunnen vallen. Hij dient meer bepaald van toepassing te zijn op alle verzoeken, maatregelen en beslissingen inzake "ouderlijke verantwoordelijkheid" in de zin van deze verordening, overeenkomstig haar doelstellingen.

(5)

Deze verordening bestrijkt "burgerlijke zaken", hetgeen civiele procedures en de daaruit voortvloeiende beslissingen omvat, alsmede authentieke akten en bepaalde buitengerechtelijke overeenkomsten in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid. Daarnaast dient de term "burgerlijke zaken" van toepassing te zijn op verzoeken, maatregelen en beslissingen alsmede op authentieke akten en bepaalde buitengerechtelijke overeenkomsten betreffende de terugkeer van een kind uit hoofde van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980, die, volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie en overeenkomstig artikel 19 van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980, geen procedures ten gronde inzake ouderlijke verantwoordelijkheid zijn, maar er nauw verband mee houden en worden behandeld in bepaalde bepalingen van deze verordening.

(6)

Met het oog op het faciliteren van het verkeer van beslissingen alsmede van authentieke akten en bepaalde overeenkomsten in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid is het nodig en passend de regels inzake bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in bindende en rechtstreeks toepasselijke regelgeving van de Unie neer te leggen.

(7)

Teneinde de gelijke behandeling van alle kinderen te waarborgen dient deze verordening van toepassing te zijn op alle beslissingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, inclusief maatregelen ter bescherming van het kind, los van ieder verband met een procedure in huwelijkszaken of andere procedures.

(8)

Echter, aangezien de toepassing van de regels betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid vaak in het kader van procedures in huwelijkszaken aan de orde komt, is het nuttig over één enkel rechtsinstrument te beschikken voor zowel echtscheiding als ouderlijke verantwoordelijkheid.

(9)

Wat betreft beslissingen betreffende echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk, mag deze verordening uitsluitend van toepassing zijn op de ontbinding van de huwelijksband. Zij dient geen betrekking te hebben op kwesties zoals de echtscheidingsgronden, de vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk of andere bijkomende maatregelen. Beslissingen tot weigering van de ontbinding van de huwelijksband mogen niet onder de bepalingen inzake erkenning vallen.

(10)

Wat betreft de vermogensbestanddelen van het kind dient deze verordening uitsluitend van toepassing te zijn op de maatregelen ter bescherming van het kind, namelijk op de aanwijzing en de taken van personen of organen belast met het beheer van het vermogen van het kind of die het kind vertegenwoordigen of bijstaan, en op maatregelen betreffende het beheer, de instandhouding van of de beschikking over het vermogen van het kind. In dit verband dient deze verordening bijvoorbeeld van toepassing te zijn in gevallen waarin het geschil betrekking heeft op de aanwijzing van de persoon die of het orgaan dat het vermogen van het kind beheert. Maatregelen inzake het vermogen van het kind die niet de bescherming van het kind betreffen moeten ook in de toekomst vallen onder Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad (4). De bepalingen van deze verordening betreffende de bevoegdheid inzake incidentele vorderingen moeten evenwel kunnen worden toegepast in dergelijke gevallen.

(11)

De plaatsing van een kind in pleegzorg, overeenkomstig nationaal recht en procedures bij één of meerdere privépersonen, of in een inrichting, bijvoorbeeld een weeshuis of een kindertehuis, in een andere lidstaat moet binnen het toepassingsgebied van de verordening vallen, tenzij dit uitdrukkelijk wordt uitgesloten, hetgeen bijvoorbeeld het geval is voor plaatsing met het oog op adoptie, plaatsing bij een ouder, of, in voorkomend geval, plaatsing bij een ander naast familielid, zoals meegedeeld door de ontvangende lidstaat. Door een gerecht gelaste of door een bevoegde autoriteit geregelde "plaatsingen om opvoedkundige redenen" met instemming van de ouders of het kind, of op hun verzoek ingevolge afwijkend gedrag van het kind moeten hier ook onder vallen. Alleen een plaatsing, om opvoedkundige reden of als straf, die is gelast of geregeld naar aanleiding van een handeling van een kind die op grond van het nationale strafrecht een strafbare handeling zou kunnen vormen indien begaan door een volwassene, moet, ongeacht of dit in het specifieke geval tot een veroordeling zou kunnen leiden, van het toepassingsgebied worden uitgesloten.

(12)

Deze verordening dient niet van toepassing te zijn op de vaststelling van familierechtelijke betrekkingen, die onderscheiden moet worden van de toekenning van ouderlijke verantwoordelijkheid, noch dient deze van toepassing te zijn op de andere aangelegenheden die verband houden met de staat van personen.

(13)

Onderhoudsverplichtingen zijn van het toepassingsgebied van onderhavige verordening uitgesloten, omdat zij reeds onder Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad (5) vallen. Naast de gerechten voor de plaats waar de verweerder of de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft, dienen de gerechten die uit hoofde van onderhavige verordening bevoegd zijn in huwelijkszaken over het algemeen bevoegd te zijn om een beslissing te nemen over aanvullende onderhoudsverplichtingen tussen echtgenoten of voormalige echtgenoten, krachtens artikel 3, onder c), van die verordening. De gerechten die uit hoofde van onderhavige verordening bevoegd zijn inzake ouderlijke verantwoordelijkheid zijn over het algemeen bevoegd om een beslissing te nemen over aanvullende onderhoudsverplichtingen betreffende het kind, krachtens artikel 3, onder d), van die verordening.

(14)

Volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie moet de term "gerecht" ruim worden uitgelegd, zodat hij tevens administratieve of andere autoriteiten, zoals notarissen, omvat die bevoegdheden uitoefenen in bepaalde huwelijkszaken of zaken inzake ouderlijke verantwoordelijkheid. Iedere overeenkomst die door een gerecht wordt goedgekeurd na een onderzoek ten gronde in overeenstemming met nationaal recht en procedures dient als een "beslissing" te worden erkend en uitgevoerd. Andere overeenkomsten die in de lidstaat van herkomst een bindend rechtsgevolg verkrijgen ten gevolge van een formeel optreden door een overheidsinstantie of een andere autoriteit die met dat doel door een lidstaat ter kennis van de Commissie is gebracht, moeten in andere lidstaten rechtsgevolg verkrijgen overeenkomstig de in deze verordening vervatte specifieke bepalingen inzake authentieke akten en overeenkomsten. Deze verordening mag niet het vrije verkeer van louter onderhandse overeenkomsten mogelijk maken. Overeenkomsten die een beslissing noch een authentieke akte zijn, maar door een daartoe bevoegde overheidsinstantie zijn geregistreerd, moeten echter wel kunnen circuleren. Dergelijke overheidsinstanties kunnen bijvoorbeeld notarissen zijn die overeenkomsten registreren, ook wanneer zij een vrij beroep uitoefenen.

(15)

In samenhang met "authentieke akte" moet de term "bevoegdheid" in deze verordening autonoom worden uitgelegd in overeenstemming met de definitie van "authentieke akte" die horizontaal wordt gehanteerd in andere Unie-instrumenten en in het licht van de doelstellingen van deze verordening.

(16)

Hoewel terugkeerprocedures uit hoofde van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 geen procedures ten gronde inzake ouderlijke verantwoordelijkheid zijn, dienen beslissingen waarmee de terugkeer van een kind naar een andere lidstaat uit hoofde van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 wordt gelast, uit hoofde van hoofdstuk IV van deze verordening te worden erkend en ten uitvoer gelegd indien zij in een andere lidstaat ten uitvoer moeten worden gelegd als gevolg van een verdere ontvoering nadat de terugkeer was gelast. Dit doet geen afbreuk aan de mogelijkheid een nieuwe procedure te beginnen voor de terugkeer van een kind uit hoofde van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 met betrekking tot de verdere ontvoering. Daarnaast moet deze verordening van toepassing blijven op andere aspecten in aangelegenheden van ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van een kind, waaronder de bepalingen betreffende de bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats had, en de erkennings- en tenuitvoerleggingsbepalingen voor eventuele vonnissen van dat gerecht.

(17)

Deze verordening, net als het Verdrag van ’s-Gravenhage van 19 oktober 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen ("het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1996"), moet van toepassing zijn op alle kinderen tot 18 jaar, zelfs in gevallen waarin zij vóór die leeftijd op grond van de wet die hun persoonlijke staat regelt handelingsbekwaamheid hebben verkregen, bijvoorbeeld via handlichting als gevolg van een huwelijk. Zo wordt een overlapping met het toepassingsgebied van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 13 januari 2000 inzake de internationale bescherming van volwassenen, dat van toepassing is voor personen vanaf 18 jaar, voorkomen en worden tegelijk lacunes tussen die beide instrumenten vermeden. Het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 en bijgevolg ook hoofdstuk III van deze verordening, waarbij de toepassing van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 in de betrekkingen tussen de lidstaten wordt aangevuld, moeten van toepassing blijven voor kinderen tot 16 jaar.

(18)

Voor de toepassing van deze verordening moet een persoon worden geacht het "gezagsrecht" te hebben indien ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst krachtens het recht van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, een persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt niet kan beslissen over de verblijfplaats van het kind zonder de instemming van eerstgenoemde persoon, ongeacht de termen die krachtens het nationaal recht worden gebruikt. In bepaalde rechtsstelsels die de termen "gezagsrecht" en "omgangsrecht" behouden, zou de ouder die geen gezagsrecht heeft in feite belangrijke verantwoordelijkheden kunnen dragen voor beslissingen betreffende het kind die verder gaan dan louter het omgangsrecht.

(19)

De bevoegdheidsregels met betrekking tot ouderlijke verantwoordelijkheid zijn zodanig opgezet dat zij in het belang van het kind zijn, en moeten worden toegepast met inachtneming van dat belang. Elke verwijzing naar de belangen van het kind moet worden geïnterpreteerd in de zin van artikel 24 van het Handvest van grondrechten van de Europese Unie ("het Handvest") en van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 20 november 1989 ("VN Verdrag inzake de rechten van het kind"), zoals uitgewerkt in nationaal recht en procedures.

(20)

Om de belangen van het kind te beschermen moet de bevoegdheid in de eerste plaats worden bepaald op basis van het criterium van de nauwe verbondenheid. Bijgevolg moet de bevoegdheid bij de lidstaat van de gewone verblijfplaats van het kind berusten, behalve in bepaalde gevallen die in deze verordening zijn vastgesteld, bijvoorbeeld wanneer het kind van verblijfplaats is veranderd of er een overeenkomst bestaat tussen de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen.

(21)

Indien er nog geen procedure inzake ouderlijke verantwoordelijkheid aanhangig is en de gewone verblijfplaats van het kind verandert ten gevolge van een rechtmatige verhuizing, moet de bevoegdheid met het kind meereizen zodat de nauwe verbondenheid behouden blijft. Voor reeds aanhangige procedures rechtvaardigen rechtszekerheid en de efficiënte rechtsbedeling het behoud van de bevoegdheid in deze procedures tot zij tot een definitieve beslissing hebben geleid of anderszins zijn beëindigd. Het gerecht waarbij een procedure aanhangig is, dient echter in bepaalde omstandigheden de bevoegdheid te kunnen overdragen aan de lidstaat waar het kind woont ten gevolge van een rechtmatige verhuizing.

(22)

In gevallen van ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van een kind dienen de gerechten van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van het kind, onverminderd een mogelijke forumkeuze uit hoofde van deze verordening, bevoegd te blijven totdat een nieuwe gewone verblijfplaats in een andere lidstaat is vastgesteld en aan specifieke voorwaarden is voldaan. Lidstaten waar de bevoegdheid geconcentreerd is, moeten overwegen het gerecht waar het verzoek tot terugkeer op grond van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 aanhangig is gemaakt, de mogelijkheid te bieden ook de bevoegdheid uit te oefenen die door de partijen in het kader van deze verordening inzake ouderlijke verantwoordelijkheid is overeengekomen of aanvaard voor zover de partijen in de loop van de terugkeerprocedure een overeenkomst hebben bereikt. Die overeenkomsten dienen overeenkomsten betreffende de terugkeer en betreffende de niet-terugkeer van het kind te omvatten. Indien de niet-terugkeer is overeengekomen, dient het kind in de lidstaat van de nieuwe gewone verblijfplaats te blijven, en dient de bevoegdheid voor een eventuele toekomstige gezagsprocedure aldaar te worden bepaald op basis van de nieuwe gewone verblijfplaats van het kind.

(23)

Onder de specifieke voorwaarden die bij de onderhavige verordening zijn vastgesteld, moet het mogelijk zijn dat de rechtsmacht inzake ouderlijke verantwoordelijkheid ook wordt aangenomen in een lidstaat waar procedures voor echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk tussen de ouders aanhangig zijn, of in een andere lidstaat waarmee het kind een nauwe band heeft en waarover de partijen op voorhand, uiterlijk op het moment waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt, overeenstemming hebben bereikt of waarmee zij in de loop van die procedure uitdrukkelijk hebben ingestemd, zelfs als het kind zijn gewone verblijfplaats niet in die lidstaat heeft, op voorwaarde dat de uitoefening van die bevoegdheid in het belang van het kind is. Volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie dient iedere andere persoon dan de ouders, die naar het nationaal recht de hoedanigheid van een partij in de door de ouders ingeleide procedure heeft, voor de toepassing van deze verordening te worden beschouwd als een partij in de procedure en dient derhalve het verzet van die partij tegen de bevoegdheidskeuze van de ouders van het kind in kwestie, na de datum waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt, te beletten dat de aanvaarding van de prorogatie van bevoegdheid door alle partijen op die datum wordt vastgesteld. Alvorens zijn bevoegdheid op basis van een forumkeuzeovereenkomst of -aanvaarding uit te oefenen, dient het gerecht na te gaan of deze overeenkomst of aanvaarding gebaseerd was op een geïnformeerde en vrije keuze van de betrokken partijen en niet het gevolg was van het feit dat één partij heeft geprofiteerd van de moeilijke of zwakke positie van de andere partij. Wanneer de bevoegdheid in de loop van de procedure wordt aanvaard, moet het gerecht daarvan akte nemen in overeenstemming met nationaal recht en procedures.

(24)

Een overeengekomen of aanvaarde bevoegdheid moet, tenzij anders overeengekomen door de partijen, worden beëindigd zodra tegen een beslissing in die procedure inzake ouderlijke verantwoordelijk geen gewoon rechtsmiddel meer kan worden ingesteld of de procedure om een andere reden is beëindigd, zodat bij een eventuele nieuwe procedure het beginsel van nauwe verbondenheid wordt nageleefd.

(25)

Indien de gewone verblijfplaats van een kind niet kan worden vastgesteld en de bevoegdheid niet op grond van een forumkeuzeovereenkomst kan worden bepaald, zijn de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zich bevindt, bevoegd. Deze regel op basis van aanwezigheid dient tevens van toepassing te zijn op vluchtelingenkinderen en kinderen die naar een ander land zijn overgebracht ten gevolge van onlusten in de lidstaat waar zij hun gewone verblijfplaats hadden. In het licht van deze verordening in samenhang met artikel 52, lid 2, van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1996 dient deze bevoegdheidsregel echter uitsluitend van toepassing te zijn op kinderen die vóór de overbrenging hun gewone verblijfplaats in een lidstaat hadden. Indien de gewone verblijfplaats van het kind vóór de overbrenging zich in een derde land bevond, dient de bevoegdheidsregel van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1996 betreffende vluchtelingenkinderen en kinderen die naar een ander land zijn overgebracht, van toepassing te zijn.

(26)

In uitzonderlijke omstandigheden is een gerecht van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft mogelijk niet het meest geschikte gerecht om de zaak te behandelen. In uitzonderlijke gevallen en onder bepaalde voorwaarden, en zonder daartoe verplicht te zijn, moet het bevoegde gerecht zijn bevoegdheid in een specifieke zaak kunnen overdragen aan een gerecht van een andere lidstaat indien dit gerecht beter in staat is om in die specifieke zaak het belang van het kind te beoordelen. Volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie mag de bevoegdheid inzake ouderlijke verantwoordelijkheid door een gerecht van een lidstaat uitsluitend worden overgedragen aan een gerecht van een andere lidstaat waarmee het kind een "bijzondere band" heeft. In deze verordening moet een uitputtende lijst worden voorgesteld van de bepalende elementen van een dergelijke "bijzondere band" Het bevoegde gerecht mag het verzoek aan het gerecht van een andere lidstaat uitsluitend doen indien zijn voorafgaande beslissing om de behandeling van de procedure aan te houden en een verzoek om bevoegdheidsoverdracht te doen definitief is geworden, indien er tegen die beslissing krachtens het nationaal recht een rechtsmiddel kan worden aangewend.

(27)

In uitzonderlijke omstandigheden en indien het in dat specifieke geval in het belang van het kind is, moet een gerecht van een lidstaat waarmee het kind overeenkomstig deze verordening een bijzondere band heeft, maar dat overeenkomstig deze verordening geen bevoegdheid heeft, kunnen verzoeken om de overdracht van bevoegdheid van het bevoegde gerecht van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft. In gevallen van ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van een kind mag dat echter niet worden toegestaan. Het specifiek bevoegde gerecht moet overeenkomstig het nationale recht van de aangezochte lidstaat worden bepaald.

(28)

Een bevoegdheidsoverdracht mag enkel gelden voor de specifieke zaak waarvoor om overdracht is verzocht, ongeacht of deze geschiedt op verzoek van een gerecht dat zijn bevoegdheid wil overdragen of op verzoek van een gerecht dat bevoegdheid wil verkrijgen. De overdracht mag geen gevolgen hebben voor toekomstige procedures ná de procedure waarvoor om de bevoegdheidsoverdracht werd verzocht en waarvoor deze werd toegestaan.

(29)

Indien van geen enkele lidstaat een gerecht op grond van deze verordening bevoegd is, dient de bevoegdheid in elke lidstaat te worden bepaald door de wetgeving van die lidstaat. De term "wetgeving van die lidstaat" moet de internationale instrumenten omvatten die in die lidstaat van kracht zijn.

(30)

Deze verordening mag niet beletten dat de gerechten van een lidstaat die geen bevoegdheid ten gronde hebben, in spoedeisende gevallen voorlopige en bewarende maatregelen nemen met betrekking tot de persoon of de vermogensbestanddelen van een kind dat zich in die lidstaat bevindt. Deze maatregelen moeten overeenkomstig deze verordening niet in andere lidstaten worden erkend en ten uitvoer gelegd, met uitzondering van maatregelen die worden genomen om het kind te beschermen tegen een ernstig risico als bedoeld in artikel 13, lid 1, onder b), van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980. Maatregelen die worden genomen om het kind te beschermen tegen een dergelijk risico moeten van kracht blijven tot een gerecht van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, de maatregelen heeft genomen die het passend acht. Als dat nodig is om de belangen van het kind te beschermen, informeert het gerecht, hetzij rechtstreeks, hetzij via de centrale autoriteiten, het gerecht van de lidstaat dat krachtens deze verordening ten gronde bevoegd is over de genomen maatregelen. Indien deze informatie niet is verstrekt, is dat echter geen grond om de maatregel niet te erkennen.

(31)

Een gerecht dat alleen bevoegd is voor voorlopige en bewarende maatregelen, waarbij een verzoek ten gronde aanhangig wordt gemaakt, moet ambtshalve verklaren niet bevoegd te zijn als een gerecht van een andere lidstaat krachtens deze verordening ten gronde bevoegd is.

(32)

Indien de uitkomst van een procedure voor een gerecht van een lidstaat dat krachtens deze verordening niet bevoegd is, afhangt van het beslechten van een incidentele vordering die binnen het toepassingsgebied van deze verordening valt, dan mag de verordening de gerechten van die lidstaat er niet van weerhouden deze vordering te beslechten. Als derhalve het onderwerp van de procedures bijvoorbeeld een geschil over een erfenis is waarbij een kind is betrokken, en een curator ad litem of bijzondere curator moet worden aangesteld om het kind in die procedure te vertegenwoordigen, dan moet de lidstaat die bevoegd is voor het geschil over de erfenis de mogelijkheid hebben deze vertegenwoordiger aan te stellen voor de aanhangige procedures, ongeacht of hij krachtens deze verordening bevoegd is inzake ouderlijke verantwoordelijkheid. De beslechting mag alleen gevolgen hebben voor de procedures waarvoor zij is verricht.

(33)

Indien de geldigheid van een voor rekening van een kind verrichte of te verrichten rechtshandeling in een erfenisprocedure voor een gerecht in een lidstaat de toestemming of goedkeuring van een gerecht vereist, moet een gerecht in die lidstaat kunnen beslissen een dergelijke rechtshandeling al dan niet toe te staan of goed te keuren, ook indien hij krachtens deze verordening niet bevoegd is. Onder de term "rechtshandeling" moet bijvoorbeeld worden verstaan: de aanvaarding of afwijzing van een erfenis, of een overeenkomst tussen de partijen over de verdeling van de nalatenschap.

(34)

De toepassing van deze verordening dient de toepassing van het internationaal publiekrecht inzake diplomatieke immuniteit onverlet te laten. Indien de uit hoofde van deze verordening bestaande bevoegdheid niet kan worden uitgeoefend wegens het bestaan van diplomatieke immuniteit overeenkomstig het internationale recht, dient de bevoegdheid te worden uitgeoefend in de lidstaat waar de betrokkene geen immuniteit geniet, overeenkomstig de wet van deze lidstaat.

(35)

Deze verordening definieert op welk tijdstip een zaak voor de toepassing van deze verordening wordt geacht bij een gerecht aanhangig te zijn gemaakt. In het licht van de twee verschillende systemen die in de lidstaten bestaan, waarbij het stuk waarmee de procedure wordt ingeleid hetzij eerst aan de verweerder wordt betekend of medegedeeld, hetzij eerst bij het gerecht wordt neergelegd, moet het volstaan dat de eerste stap krachtens het nationale recht is ondernomen, op voorwaarde dat de verzoeker vervolgens niet heeft nagelaten de krachtens het nationale recht vereiste stappen te ondernemen opdat de tweede stap zou plaatsvinden. Rekening houdend met het groeiende belang van bemiddeling en andere methoden voor alternatieve geschillenbeslechting, ook tijdens gerechtelijke procedures, moet, in overeenstemming met de jurisprudentie van het Hof van Justitie,een zaak bij het gerecht ook dan aanhangig geacht te zijn gemaakt op het tijdstip waarop het stuk dat het geding inleidt, of een gelijkwaardig stuk, bij het gerecht wordt ingediend in zaken waar de procedure inmiddels op verzoek van de partij die deze heeft ingesteld is geschorst met het oog op het vinden van een minnelijke oplossing, zonder dat het gedinginleidend stuk al aan de verweerder is betekend of medegedeeld en zonder dat de verweerder van de procedure op de hoogte was of er op enige wijze aan heeft deelgenomen, op voorwaarde dat de partij die de procedure heeft ingesteld vervolgens niet heeft nagelaten de vereiste stappen te nemen om het stuk aan de verweerder te doen betekenen of mede te delen. Bij aanhangigheid moet, volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie, de datum waarop een verplichte bemiddelingsprocedure bij een nationale bemiddelingsautoriteit is ingeleid, worden beschouwd als de datum waarop een zaak bij een "gerecht" wordt geacht aanhangig te zijn gemaakt.

(36)

Verordening (EG) nr. 1393/2077 van het Europees Parlement en de Raad (6) dient van toepassing te zijn op de betekening en kennisgeving van stukken in overeenkomstig deze verordening ingestelde procedures.

(37)

Het gerecht van een lidstaat waarbij een zaak aanhangig is gemaakt waarvoor het overeenkomstig deze verordening niet ten gronde bevoegd is, maar waarvoor een gerecht van een andere lidstaat overeenkomstig deze verordening ten gronde bevoegd is, moet zich ambtshalve onbevoegd verklaren. Een gerecht van een lidstaat waarmee het kind overeenkomstig deze verordening een bijzondere band heeft moet echter de mogelijkheid, maar niet de verplichting hebben om overeenkomstig deze verordening om een bevoegdheidsoverdracht te verzoeken.

(38)

Met het oog op een harmonische rechtsbedeling moeten parallel lopende procedures zoveel mogelijk worden beperkt en moet worden voorkomen dat in verschillende lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven. Er moet een duidelijk en doeltreffend mechanisme zijn om problemen op het gebied van aanhangigheid en samenhang op te lossen, alsook om problemen te verhelpen die voortvloeien uit de tussen de lidstaten bestaande verschillen ten aanzien van het tijdstip waarop een zaak als aanhangig wordt beschouwd. Voor de toepassing van deze verordening moet dat tijdstip autonoom worden bepaald. Teneinde exclusieve forumkeuzeovereenkomsten doeltreffender te maken, mogen de bepalingen inzake aanhangigheid van deze verordening evenwel geen belemmering vormen wanneer ouders exclusieve bevoegdheid toekennen aan de gerechten van een lidstaat.

(39)

Procedures inzake ouderlijke verantwoordelijkheid krachtens deze verordening en terugkeerprocedures krachtens het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 moeten, als grondbeginsel, het bij deze procedures betrokken kind dat in staat is een eigen mening te vormen, overeenkomstig de jurisprudentie van het Hof van Justitie een reële en effectieve mogelijkheid geven om die mening te uiten, en bij het beoordelen van het belang van het kind moet voldoende rekening worden gehouden met die mening. De mogelijkheid voor kinderen om vrijelijk hun mening te uiten overeenkomstig artikel 24, lid 1, van het Handvest en artikel 12 van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, speelt een belangrijke rol bij de toepassing van deze verordening. De verordening dient het echter aan de lidstaten over te laten in hun nationaal recht en procedures te bepalen door wie en hoe het kind zal worden gehoord. Het dient dan ook niet tot de doelstellingen van deze verordening te behoren om te bepalen of het kind moet worden gehoord door de rechter persoonlijk of door een gespecialiseerde deskundige die nadien verslag uitbrengt aan het gerecht, dan wel of het kind moet worden gehoord in de rechtszaal of ergens anders of via andere middelen. Daarenboven kan het horen van een kind, hoewel het een recht blijft, geen absolute verplichting vormen, maar moet dit worden beoordeeld met inachtneming van het belang van het kind, bijvoorbeeld in zaken waarin er overeenkomsten tussen de partijen bestaan.

Hoewel artikel 24 van het Handvest noch Verordening (EG) nr. 2201/2003 volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie het gerecht van de lidstaat van herkomst verplicht in iedere zaak kennis te nemen van de mening van het kind middels een hoorzitting, en dat gerecht zodoende over een beoordelingsmarge beschikt, bepaalt de jurisprudentie ook dat, indien dat gerecht besluit het kind de mogelijkheid te geven om te worden gehoord, het gerecht alle maatregelen moet nemen die nodig zijn voor het regelen van een dergelijke hoorzitting, gelet op het belang van het kind en de omstandigheden van iedere afzonderlijke zaak, opdat die bepalingen doeltreffend zijn en het kind een reële en effectieve mogelijkheid krijgt om zijn mening te uiten. Het gerecht van de lidstaat van herkomst moet, voor zover mogelijk en steeds met oog voor het belang van het kind, alle middelen aanwenden die het uit hoofde van het nationale recht ter beschikking staan, alsmede de specifieke instrumenten van internationale justitiële samenwerking, waaronder, in voorkomend geval, de instrumenten waarin Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad (7) voorziet.

(40)

In gevallen van ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren van een kind dient de terugkeer van het kind onverwijld te worden verkregen en te dien einde dient het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 van toepassing te blijven, zoals aangevuld door deze verordening, in het bijzonder hoofdstuk III.

(41)

Om de terugkeerprocedures uit hoofde van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 zo snel mogelijk te kunnen voltooien, moeten de lidstaten overwegen om, in overeenstemming met de structuur van hun nationale gerechtelijke apparaat, de bevoegdheid voor deze procedures te concentreren in een zo klein mogelijk aantal gerechten. De bevoegdheid inzake kinderontvoering kan voor een heel land in één enkel gerecht worden geconcentreerd of in een beperkt aantal gerechten; daarbij kan bijvoorbeeld het aantal beroepsgerechten als uitgangspunt worden gebruikt en kan de bevoegdheid inzake internationale kinderontvoeringen worden geconcentreerd bij één gerecht van eerste aanleg in elk district van een beroepsgerecht.

(42)

In terugkeerprocedures uit hoofde van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980, dienen gerechten, van welke aanleg dan ook, binnen zes weken hun beslissing te geven, behalve wanneer uitzonderlijke omstandigheden dit onmogelijk maken. Het gebruik van alternatieve geschillenbeslechting mag niet als een uitzonderlijke omstandigheid gelden waardoor de termijn mag worden overschreden. Tijdens, of als gevolg van, het gebruik van dergelijke middelen kunnen er echter uitzonderlijke omstandigheden optreden. Voor een gerecht van eerste aanleg moet de termijn beginnen op het tijdstip dat de zaak bij dat gerecht aanhangig wordt gemaakt. Voor een hoger gerecht moet de termijn beginnen op het tijdstip waarop alle vereiste procedurele stappen zijn voltooid. Dergelijke stappen kunnen, al naargelang het betrokken rechtsstelsel, onder meer inhouden: de betekening of mededeling van het rechtsmiddel aan de verweerder, hetzij in de lidstaat waar het gerecht is gevestigd, hetzij in een andere lidstaat; de toezending van het dossier en het verzoek tot het rechtsmiddel aan het beroepsgerecht in lidstaten waar het rechtsmiddel moet worden ingesteld bij het gerecht dat de beslissing heeft gegeven die wordt bestreden; of een verzoek door een partij om een hoorzitting wanneer een dergelijk verzoek krachtens het nationale recht vereist is. De lidstaten moeten ook overwegen het aantal keren dat een rechtsmiddel kan worden ingesteld tegen een beslissing tot erkenning of weigering van de terugkeer van een kind krachtens het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 te beperken tot één.

(43)

In alle gevallen die betrekking hebben op kinderen, en met name in gevallen van internationale kinderontvoering, moeten de gerechten de mogelijkheid overwegen om via bemiddeling en andere geschikte middelen tot een oplossing te komen, waar nodig bijgestaan door de bestaande netwerken en ondersteuningsstructuren voor bemiddeling in grensoverschrijdende geschillen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid. Dergelijke inspanningen mogen echter de terugkeerprocedures krachtens het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 niet nodeloos verlengen. Bovendien is bemiddeling niet altijd geschikt, vooral niet in gevallen van huiselijk geweld. Indien ouders in de loop van terugkeerprocedures uit hoofde van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 tot een overeenkomst komen over de terugkeer of niet-terugkeer van het kind, en tevens over onderwerpen betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid, dient deze verordening hun onder bepaalde omstandigheden de kans te geven overeen te komen dat het aangezochte gerecht krachtens het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 de bevoegdheid moet hebben om bindende rechtsgevolgen toe te kennen aan hun overeenkomst, hetzij door deze overeenkomst in een besluit in te passen, hetzij door deze goed te keuren, hetzij door een ander middel te gebruiken waarin nationaal recht en procedures voorzien. Lidstaten waar de bevoegdheid geconcentreerd is, moeten daarom overwegen het gerecht waar het verzoek tot terugkeer uit hoofde van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 aanhangig is gemaakt, ook de mogelijkheid te geven de bevoegdheid inzake ouderlijke verantwoordelijkheid uit te oefenen die door de partijen in het kader van deze verordening is overeengekomen of aanvaard, indien de partijen in de loop van die terugkeerprocedure tot een overeenkomst zijn gekomen.

(44)

Het gerecht van de lidstaat waarnaar het kind ongeoorloofd is overgebracht of waar het ongeoorloofd wordt vastgehouden, moet in welbepaalde, naar behoren gemotiveerde gevallen de terugkeer van het kind kunnen weigeren, zoals toegestaan krachtens het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980. Voor het de terugkeer van het kind weigert, moet het gerecht oordelen of er passende beschermingsmaatregelen zijn genomen of kunnen worden genomen om het kind te beschermen tegen het ernstige risico dat wordt genoemd in artikel 13, lid 1, onder b), van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980.

(45)

Indien een gerecht overweegt de terugkeer van een kind te weigeren, enkel op basis van artikel 13, lid 1, onder b), van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980, dan dient het de terugkeer van het kind niet te weigeren als de partij die om de terugkeer van het kind verzoekt het gerecht ervan kan overtuigen, of als het gerecht er anderszins van overtuigd is, dat er een adequate regeling is getroffen om de bescherming van het kind na de terugkeer te waarborgen. Dergelijke regelingen zijn bijvoorbeeld een rechterlijke beslissing van de lidstaat waarnaar het kind terugkeert waardoor het de verzoeker verboden is het kind te benaderen, een voorlopige en bewarende maatregel van die lidstaat waarbij het kind bij de ontvoerende ouder die de hoofdverzorger is, mag blijven tot er na de terugkeer in die lidstaat een beslissing ten gronde over het gezagsrecht is genomen, of het aantonen van de beschikbaarheid van medische voorzieningen voor een kind dat behandeling behoeft. Welk soort regeling in dat bepaalde geval adequaat is, moet afhangen van het concrete ernstige risico waaraan het kind bij terugkeer waarschijnlijk zal worden blootgesteld indien niet in dergelijke regelingen is voorzien. Het gerecht dat wil nagaan of er een adequate regeling is getroffen, moet in eerste instantie een beroep doen op de partijen en, waar nodig en gepast, om bijstand verzoeken bij de centrale autoriteit of de netwerkrechters, meer bepaald binnen het Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken, zoals ingesteld bij Besluit 2001/470/EG van de Raad (8), en het Internationale Haagse Netwerk van rechters.

(46)

In voorkomend geval kan het gerecht, wanneer het de terugkeer van het kind gelast, alle nodige voorlopige en bewarende maatregelen uit hoofde van deze verordening gelasten die het nodig acht om het kind te beschermen tegen het ernstige risico op fysieke of psychische schade als gevolg van de terugkeer, dat anders tot weigering van de terugkeer zou leiden. Dergelijke maatregelen en de doorzending daarvan mogen de terugkeerprocedure uit hoofde van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 niet vertragen en mogen evenmin leiden tot het ondermijnen van de bevoegdheidsverdeling tussen het gerecht waarbij de terugkeerprocedure uit hoofde van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 aanhangig is gemaakt, en het gerecht dat krachtens deze verordening ten gronde bevoegd is inzake ouderlijke verantwoordelijkheid. Indien nodig moet het gerecht waar de terugkeerprocedure uit hoofde van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 aanhangig is gemaakt, met de steun van de centrale autoriteiten of de netwerkrechters, meer bepaald binnen het Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken en het Internationale Haagse Netwerk van rechters, overleg plegen met het gerecht of de bevoegde instanties van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft. Deze maatregelen moeten worden erkend door en ten uitvoer gelegd in alle andere lidstaten, met inbegrip van de lidstaten die krachtens deze verordening bevoegd zijn, totdat een gerecht van een dergelijke lidstaat de maatregelen heeft genomen die het nodig acht. Dergelijke voorlopige en bewarende maatregelen kunnen bijvoorbeeld inhouden dat het kind bij de hoofdverzorger blijft wonen of dat wordt geregeld hoe het contact met het kind na de terugkeer moet verlopen totdat het gerecht van de gewone verblijfplaats van het kind de maatregelen heeft genomen die het nodig acht. Dit laat de maatregelen of de beslissingen van het gerecht van de gewone verblijfplaats die zijn genomen na de terugkeer van het kind, onverlet.

(47)

Een beslissing waarmee de terugkeer van het kind wordt gelast, moet uitvoerbaar bij voorraad kunnen worden verklaard, onverminderd enig daartegen gericht rechtsmiddel, indien vóór de beslissing over het rechtsmiddel de terugkeer van het kind is vereist in het belang van het kind zelf. Het nationale recht kan nader bepalen welk gerecht de beslissing uitvoerbaar bij voorraad kan verklaren.

(48)

Als het gerecht van een lidstaat waarnaar het kind ongeoorloofd is overgebracht of waar het ongeoorloofd wordt vastgehouden, beslist de terugkeer van het kind krachtens het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 te weigeren, moet het in zijn beslissing expliciet verwijzen naar de artikelen van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 waarop het zijn weigering heeft gebaseerd. Ongeacht of dergelijke beslissing tot weigering definitief is dan wel of er nog rechtsmiddelen tegen mogelijk zijn, kan zij worden vervangen door een latere beslissing die wordt gegeven tijdens een gezagsprocedure door het gerecht van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats had vóór het ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren. Tijdens deze procedure moeten alle omstandigheden, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, het gedrag van de ouders, grondig worden onderzocht, rekening houdend met de belangen van het kind. Heeft de resulterende beslissing ten gronde over het gezagsrecht de terugkeer van het kind tot gevolg, dan dient de terugkeer plaats te vinden zonder dat enigerlei bijzondere procedure is vereist voor de erkenning en tenuitvoerlegging van die beslissing in een andere lidstaat.

(49)

Het gerecht dat de terugkeer van het kind weigert enkel en alleen op basis van artikel 13, lid 1, onder b), of van artikel 13, lid 2, van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980, of op basis van beide, moet ambtshalve een certificaat afgeven in de passende vorm zoals bepaald in deze verordening. Dit certificaat strekt ertoe de partijen te informeren over de mogelijkheid om uiterlijk drie maanden na de kennisgeving van de beslissing om de terugkeer van het kind te weigeren, bij een gerecht van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats had onmiddellijk vóór het ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren, een procedure ten gronde betreffende het gezagsrecht aanhangig te maken, of, indien bij dat gerecht al een procedure aanhangig is gemaakt, relevante documenten betreffende de terugkeerprocedures ter kennis van het gerecht te brengen.

(50)

Indien in de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats had onmiddellijk vóór het ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren reeds een procedure ten gronde over het gezagsrecht aanhangig is op het tijdstip dat een gerecht waarbij een verzoek om terugkeer op basis van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 aanhangig is gemaakt de terugkeer van het kind enkel weigert op basis van artikel 13, lid 1, onder b), of van artikel 13, lid 2, of beide, van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980, moet het gerecht dat de terugkeer van het kind geweigerd heeft, indien het weet heeft van die procedure, binnen één maand na de datum van zijn beslissing een kopie van de beslissing, het gepaste certificaat en, indien van toepassing, een afschrift, samenvatting of de notulen van de hoorzitting, evenals alle andere stukken die het relevant acht, doen toekomen aan het gerecht waarbij de zaak ten gronde over het gezagsrecht aanhangig is gemaakt. De term "alle andere stukken die het relevant acht" verwijst naar alle documenten die informatie bevatten die van invloed kan zijn op het resultaat van die procedures inzake het gezagsrecht, voor zover die informatie niet al in de beslissing om de terugkeer te weigeren is vervat.

(51)

Indien in de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats had onmiddellijk vóór het ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren, nog geen procedure ten gronde betreffende het gezagsrecht aanhangig is gemaakt en een partij uiterlijk drie maanden na de kennisgeving van de beslissing om de terugkeer van het kind te weigeren, een zaak bij een gerecht van die lidstaat aanhangig maakt, moet die partij een kopie van de beslissing om het kind niet terug te sturen krachtens het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980, het gepaste certificaat en, indien van toepassing, een afschrift, samenvatting of de notulen van de hoorzitting indienen bij het gerecht waarbij de procedure ten gronde over het gezagsrecht aanhangig is gemaakt. Dit belet niet dat het gerecht waarbij de procedure aanhangig is gemaakt, om alle bijkomende stukken kan verzoeken die het relevant acht en die informatie bevatten die van invloed kan zijn op het resultaat van de procedure ten gronde over het gezagsrecht, voor zover dergelijke informatie niet al in de beslissing om de terugkeer te weigeren is vervat.

(52)

Indien uiterlijk drie maanden na de kennisgeving van de beslissing om de terugkeer van het kind te weigeren op grond van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980, bij het gerecht dat ten gronde bevoegd is voor het gezagsrecht, door een partij een procedure aanhangig wordt gemaakt, dan wel bij dat gerecht reeds een gezagsprocedure aanhangig is op het ogenblik waarop het die beslissing van het gerecht dat de terugkeer van het kind heeft geweigerd ontvangt, moet iedere beslissing die het resultaat is van dergelijke procedures ten gronde over het gezagsrecht en die de terugkeer van het kind naar die lidstaat met zich meebrengt, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling 2, van deze verordening uitvoerbaar zijn in alle andere lidstaten, zonder dat daar enige speciale procedure voor nodig is en zonder dat verzet tegen de erkenning ervan mogelijk is. Dit moet gelden tenzij en voor zover die onverenigbaarheid met een latere beslissing inzake ouderlijke verantwoordelijkheid met betrekking tot hetzelfde kind wordt vastgesteld, op voorwaarde dat er voor de beslissing ten gronde betreffende het gezagsrecht die de terugkeer van het kind met zich meebrengt een certificaat voor "geprivilegieerde beslissingen" is afgegeven. Indien de zaak bij het gerecht dat ten gronde bevoegd is voor het gezagsrecht, aanhangig wordt gemaakt na het verstrijken van de drie maanden, of indien de voorwaarden voor de afgifte van een certificaat voor dergelijke geprivilegieerde beslissingen niet zijn vervuld, moet de daaruit voortvloeiende beslissing ten gronde betreffende het gezagsrecht worden erkend en ten uitvoer gelegd in andere lidstaten overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling 1, van deze verordening.

(53)

Onverminderd andere Unie-instrumenten kan het gerecht, indien een partij of een kind niet persoonlijk kan worden gehoord en de technische middelen beschikbaar zijn, een hoorzitting per videoconferentie of met behulp van ongeacht welke andere communicatietechnologie overwegen, tenzij het gebruik van een dergelijke technologie in het licht van de bijzondere omstandigheden van de zaak niet passend zou zijn voor het eerlijke verloop van de procedure.

(54)

Wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling in de Unie rechtvaardigt het beginsel dat beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid die in een lidstaat zijn gegeven, in alle lidstaten moeten worden erkend, zonder dat daarvoor een erkenningsprocedure nodig is. Met name wanneer de autoriteiten van de aangezochte lidstaat een in een andere lidstaat gegeven beslissing krijgen voorgelegd waarbij een echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van een huwelijk wordt uitgesproken die niet meer kan worden betwist in de lidstaat van herkomst, moeten zij deze beslissing van rechtswege erkennen zonder dat daartoe enigerlei bijzondere procedure vereist is en moeten zij hun akten van de burgerlijke stand dienovereenkomstig aanpassen. Het komt toe aan het nationale recht om te bepalen of de gronden voor weigering kunnen worden aangevoerd door een partij of ambtshalve overeenkomstig het nationale recht. Dit belet eventuele belanghebbenden niet om overeenkomstig deze verordening te verzoeken om een beslissing dat er geen gronden voor weigering van de erkenning als bedoeld in deze verordening zijn. Het moet toekomen aan het nationale recht van de lidstaat waar dat verzoek wordt ingediend om te bepalen wie kan worden beschouwd als een belanghebbende die het recht heeft dat verzoek in te dienen.

(55)

De erkenning en de tenuitvoerlegging van in een lidstaat gegeven beslissingen, authentieke akten en overeenkomsten dienen gebaseerd te zijn op het beginsel wederzijds vertrouwen. Derhalve dienen de gronden tot weigering van de erkenning, in het licht van de onderliggende doelstelling van deze verordening, namelijk bevordering van erkenning en tenuitvoerlegging, en doeltreffende bescherming van de belangen van het kind, tot het noodzakelijke minimum beperkt te blijven.

(56)

De erkenning van een beslissing kan slechts worden geweigerd als een of meer van de in deze verordening bepaalde gronden voor weigering van de erkenning aanwezig zijn. De lijst van in deze verordening genoemde gronden voor weigering van de erkenning is exhaustief. Gronden die niet in deze verordening worden vermeld, zoals bijvoorbeeld een schending van de bepaling over aanhangigheid, zouden niet als weigeringsgronden moeten kunnen worden ingeroepen. In aangelegenheden in verband met ouderlijke verantwoordelijkheid, komt een latere beslissing altijd in de plaats van een eerdere beslissing met gevolgen voor de toekomst, voor zover deze onverenigbaar zijn.

(57)

Wat betreft de mogelijkheid die het kind wordt geboden om zijn mening te uiten moet het gerecht dat de beslissing heeft gegeven de vrijheid hebben om te beslissen wat de geschikte methode is om het kind te horen. De weigering van erkenning van een beslissing mag niet uitsluitend worden gebaseerd op het enkele feit dat het gerecht dat de beslissing heeft gegeven, een andere methode heeft gebruikt dan die welke een gerecht in de lidstaat van erkenning zou gebruiken. De lidstaat waar de erkenning wordt ingeroepen, mag de erkenning niet weigeren indien een van de bij deze verordening toegestane uitzonderingen met betrekking tot deze specifieke weigeringsgrond van toepassing is. Het effect van die uitzonderingen is dat een gerecht in de lidstaat van tenuitvoerlegging niet de mogelijkheid mag hebben om te weigeren een beslissing ten uitvoer te leggen op de enkele grond dat het kind niet de mogelijkheid heeft gekregen om zijn mening te uiten, waarbij rekening wordt gehouden met zijn belangen, indien de procedure uitsluitend het vermogen van het kind betrof en op voorwaarde dat het bieden van die mogelijkheid in het licht van het onderwerp van de procedure niet noodzakelijk was, dan wel in geval van ernstige gronden, waarbij met name rekening wordt gehouden met de urgentie van de zaak. Die ernstige gronden kunnen bijvoorbeeld bestaan wanneer er een dreigend gevaar is voor de fysieke en psychische integriteit of het leven van het kind en verder uitstel het risico inhoudt dat dit gevaar werkelijkheid wordt.

(58)

Daarnaast verantwoordt het streven naar een snellere en goedkopere behandeling van grensoverschrijdende geschillen waarbij kinderen betrokken zijn, de afschaffing van de verklaring van uitvoerbaarheid of, naargelang het geval, de registratie voor tenuitvoerlegging, voorafgaand aan de tenuitvoerlegging in de lidstaat van tenuitvoerlegging voor alle beslissingen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid. Terwijl Verordening (EG) nr. 2201/2003 deze verplichting slechts afschafte voor bepaalde beslissingen waarbij omgangsrecht wordt verleend en bepaalde beslissingen die de terugkeer van het kind met zich meebrengen, moet deze verordening de verplichting afschaffen voor de grensoverschrijdende tenuitvoerlegging van alle beslissingen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid; wel moet deze verordening een nog gunstiger behandeling van bepaalde beslissingen handhaven waarbij omgangsrecht wordt verleend en bepaalde beslissingen die de terugkeer van het kind met zich meebrengen. Bijgevolg moet, onder voorbehoud van deze verordening, een door het gerecht van een andere lidstaat gegeven beslissing worden behandeld alsof zij is gegeven in de lidstaat van tenuitvoerlegging.

(59)

Wanneer voorlopige en bewarende maatregelen zijn gelast door een gerecht dat ten gronde bevoegd is, moet het verkeer van die maatregelen worden gewaarborgd krachtens deze verordening. Voorlopige en bewarende maatregelen die door een dergelijk gerecht zijn gelast zonder dat verweerder is gedaagd te verschijnen, mogen krachtens deze verordening evenwel niet worden erkend en ten uitvoer gelegd, tenzij de beslissing waarin de maatregel is vervat vóór de tenuitvoerlegging aan de verweerder is betekend of medegedeeld. Dit laat de erkenning en tenuitvoerlegging van dergelijke maatregelen krachtens nationaal recht onverlet. Wanneer er voorlopige en bewarende maatregelen zijn gelast door een gerecht van een lidstaat dat niet ten gronde bevoegd is, moet het verkeer ervan krachtens deze verordening worden beperkt tot maatregelen die zijn genomen in internationale zaken betreffende de ontvoering van kinderen en bedoeld zijn om het kind te beschermen tegen het in artikel 13, lid 1, onder b), van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 genoemde ernstige risico. Deze maatregelen dienen van toepassing te zijn totdat een gerecht van een lidstaat dat krachtens deze verordening ten gronde bevoegd is, de maatregelen heeft genomen die het nodig acht.

(60)

Aangezien tenuitvoerleggingsprocedures gerechtelijk of buitengerechtelijk kunnen zijn, afhankelijk van het nationale recht, kunnen "voor de tenuitvoerlegging bevoegde autoriteiten" gerechten, deurwaarders en alle andere bij nationaal recht vastgestelde autoriteiten zijn. Indien in deze verordening naast voor de tenuitvoerlegging bevoegde autoriteiten ook gerechten worden vermeld, dient dit gevallen te behelzen waarin de voor tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit krachtens het nationaal recht een andere instantie is dan een gerecht, maar bepaalde beslissingen voorbehouden zijn aan gerechten, hetzij van begin af aan, hetzij omdat zij de handelingen van de voor tenuitvoerlegging bevoegde autoriteiten kunnen toetsen. Het dient aan de voor tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit of het gerecht van de lidstaat van tenuitvoerlegging toe te komen om over te gaan tot het gelasten of nemen van of het voorzien in specifieke maatregelen die moeten worden getroffen in de tenuitvoerleggingsfase, waaronder alle niet-dwangmaatregelen en alle dwangmaatregelen die mogelijk beschikbaar zijn in het nationaal recht van die lidstaat, met inbegrip van boetes vrijheidsbeneming of wegneming van het kind door een deurwaarder.

(61)

Om de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake de uitoefening van omgangsrecht van een andere lidstaat te bevorderen, dienen de voor tenuitvoerlegging bevoegde autoriteiten of de gerechten in de lidstaat van tenuitvoerlegging, gerechtigd te zijn om bepaalde details in verband met praktische omstandigheden of met wettelijke vereisten waaraan krachtens het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging moet worden voldaan, te specificeren. De regelingen waarin deze verordening voorziet moeten het gemakkelijker maken om een beslissing van de lidstaat van tenuitvoerlegging ten uitvoer te leggen die anders, vanwege de vaagheid ervan, niet ten uitvoer zou kunnen worden gelegd, opdat de voor de tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit of het gerecht van tenuitvoerlegging de beslissing concreter en preciezer kan maken. Dit dient tevens te gelden voor alle andere regelingen waarmee beoogd wordt te voldoen aan de wettelijke vereisten van het nationaal tenuitvoerleggingsrecht van de lidstaat van tenuitvoerlegging, zoals de betrokkenheid van een autoriteit voor kinderbescherming of een psycholoog in de tenuitvoerleggingsfase. Deze regelingen mogen evenwel niet ingaan tegen of verder gaan dan de essentie van de beslissing inzake het omgangsrecht. Voorts mag de bevoegdheid uit hoofde van deze verordening om maatregelen aan te passen, het voor het gerecht van tenuitvoerlegging niet mogelijk maken om maatregelen die in de lidstaat van tenuitvoerlegging onbekend zijn te vervangen door andere maatregelen.

(62)

De tenuitvoerlegging in een lidstaat van een in een andere lidstaat gegeven beslissing zonder verklaring van uitvoerbaarheid mag de eerbiediging van het recht van verweer niet in gevaar brengen. Daarom moet de persoon tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevorderd, kunnen verzoeken om weigering van erkenning of tenuitvoerlegging van een beslissing als hij meent dat er een grond voor weigering van erkenning of tenuitvoerlegging krachtens deze verordening aanwezig is. Het moet toekomen aan het nationale recht om te bepalen of de gronden voor weigering van erkenning in deze verordening ambtshalve dan wel op verzoek moeten worden onderzocht. Hetzelfde onderzoek moet derhalve mogelijk zijn in verband met de weigering van de tenuitvoerlegging. De toepassing van een nationale weigeringsgrond mag er niet toe leiden dat de voorwaarden en nadere bepalingen van de gronden waarin bij deze verordening is voorzien, worden uitgebreid.

(63)

Een partij die zich verzet tegen de tenuitvoerlegging van een in een andere lidstaat gegeven beslissing, moet dat, voor zover mogelijk en in overeenstemming met het rechtsstelsel van de lidstaat van tenuitvoerlegging, kunnen doen in het kader van de tenuitvoerleggingsprocedure en moet, in één procedure, naast de weigeringsgronden waarin deze verordening voorziet, de weigeringsgronden kunnen inroepen die beschikbaar zijn krachtens het recht van de lidstaat waar om de tenuitvoerlegging wordt verzocht en die van toepassing zouden blijven omdat zij niet onverenigbaar zijn met de gronden waarin deze verordening voorziet. Het kan bij deze gronden bijvoorbeeld gaan om betwistingen op basis van formele gebreken krachtens het nationale recht in een tenuitvoerleggingsbesluit of op basis van de bewering dat de bij de beslissing vereiste stappen reeds gezet zijn of onmogelijk zijn geworden, bijvoorbeeld door overmacht, ernstige ziekte van de persoon aan wie het kind wordt overgedragen, de opsluiting of de dood van die persoon, het feit dat de lidstaat waarnaar het kind moet worden teruggebracht in een oorlogsgebied is veranderd nadat de beslissing is gegeven, of de weigering van tenuitvoerlegging van een beslissing die volgens het recht van de lidstaat waar om de tenuitvoerlegging wordt verzocht geen uitvoerbare inhoud heeft en niet in die zin kan worden aangepast.

(64)

Om de persoon jegens wie om tenuitvoerlegging wordt verzocht, in kennis te stellen van de tenuitvoerlegging van een in een andere lidstaat gegeven beslissing, moet het op grond van deze verordening opgestelde certificaat, indien nodig vergezeld van de beslissing, een redelijke termijn vóór de eerste tenuitvoerleggingsmaatregel aan de betrokkene worden betekend of medegedeeld. De eerste tenuitvoerleggingsmaatregel betekent in dit verband de eerste tenuitvoerleggingsmaatregel na de betekening of mededeling. Volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie heeft de partij jegens wie om tenuitvoerlegging wordt verzocht het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, die onder meer de mogelijkheid omvat een procedure in te leiden om de uitvoerbaarheid van de beslissing aan te vechten voordat de tenuitvoerlegging daadwerkelijk ingaat.

(65)

In aangelegenheden in verband met ouderlijke verantwoordelijkheid zal de tenuitvoerlegging altijd betrekking hebben op een kind, en in veel gevallen op de overdracht van een kind aan een andere persoon dan de persoon bij wie het kind op dat tijdstip verblijft en/of op de verplaatsing van een kind naar een andere lidstaat. De primaire doelstelling moet dus zijn om het juiste evenwicht te vinden tussen enerzijds het recht van de verzoeker om in beginsel zo spoedig mogelijk de uitvoering van een beslissing te verkrijgen, ook in grensoverschrijdende gevallen in de Unie, zo nodig door toepassing van dwangmaatregelen, en anderzijds de noodzaak om de blootstelling van het kind aan deze mogelijk traumatiserende dwangmaatregelen voor tenuitvoerlegging zo veel mogelijk te beperken in gevallen waarin zulks niet kan worden vermeden. Deze afweging moet voor elk geval apart worden gemaakt door de voor tenuitvoerlegging bevoegde autoriteiten en de gerechten in elke lidstaat.

(66)

Deze verordening beoogt de totstandbrenging van een gelijk speelveld onder de lidstaten wat betreft de grensoverschrijdende tenuitvoerlegging van beslissingen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid. In een aantal lidstaten zijn deze beslissingen reeds uitvoerbaar als er nog een rechtsmiddel tegen kan worden ingesteld, of als er reeds een rechtsmiddel is ingesteld en de zaak nog aanhangig is. In andere lidstaten is enkel een definitieve beslissing waar geen gewoon rechtsmiddel meer tegen kan worden ingesteld uitvoerbaar. Om oplossingen aan te reiken voor spoedeisende situaties voorziet deze verordening er daarom in dat bepaalde beslissingen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid uitvoerbaar bij voorraad kunnen worden verklaard door het gerecht van de lidstaat van herkomst, zelfs indien er nog een rechtsmiddel tegen kan worden ingesteld, namelijk beslissingen die de terugkeer van een kind gelasten krachtens het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 en beslissingen waarbij omgangsrecht wordt verleend.

(67)

In tenuitvoerleggingsprocedures waarbij kinderen betrokken zijn, is het echter belangrijk dat de voor tenuitvoerlegging bevoegde autoriteiten of de gerechten snel kunnen reageren op een relevante verandering van omstandigheden, met inbegrip van betwistingen van de beslissing in de lidstaat van herkomst, het verlies van uitvoerbaarheid van de beslissing, en belemmeringen of noodsituaties waarmee zij in de tenuitvoerleggingsfase worden geconfronteerd. De tenuitvoerleggingsprocedure moet derhalve, hetzij op verzoek hetzij ambtshalve door de autoriteit of het gerecht, worden geschorst indien de uitvoerbaarheid van de beslissing is geschorst in de lidstaat van herkomst. De voor tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit of het gerecht mag evenwel niet worden verplicht om actief te onderzoeken of de uitvoerbaarheid in de lidstaat van herkomst in de tussentijd is geschorst, na een beroepsprocedure of anderszins, indien er geen aanwijzingen zijn dat dit het geval is. Daarnaast moet het, op verzoek, aan de voor de tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit of het gerecht worden overgelaten of de tenuitvoerlegging in de lidstaat van tenuitvoerlegging wordt geschorst of geweigerd, zelfs indien een of meer van de in deze verordening vervatte of toegestane gronden worden vastgesteld.

(68)

Indien tegen de beslissing nog een rechtsmiddel kan worden ingesteld in de lidstaat van herkomst en de termijn voor het instellen van een gewoon rechtsmiddel nog niet is verstreken, moet de voor tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit of het gerecht in de lidstaat van tenuitvoerlegging de tenuitvoerleggingsprocedure op verzoek kunnen schorsen. In die gevallen kan de autoriteit of het gerecht nader bepalen binnen welke termijn in de lidstaat van herkomst een rechtsmiddel moet worden ingesteld om de schorsing van een tenuitvoerleggingsprocedure te verkrijgen of te handhaven. De termijnbepaling dient enkel te gelden voor de schorsing van de tenuitvoerleggingsprocedure en mag geen invloed hebben op de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel volgens het procesrecht van de lidstaat van herkomst.

(69)

In uitzonderlijke gevallen moet de voor tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit of het gerecht de tenuitvoerleggingsprocedure kunnen schorsen indien de tenuitvoerlegging het kind zou blootstellen aan een ernstig risico van fysieke of psychische schade als gevolg van tijdelijke belemmeringen die zijn ontstaan nadat de beslissing is gegeven, of op grond van een andere belangrijke verandering van omstandigheden. De tenuitvoerlegging moet worden hervat zodra het ernstige risico van fysieke of psychologische schade ophoudt te bestaan. Indien het risico echter blijft bestaan, moeten voorafgaand aan de weigering van tenuitvoerlegging passende maatregelen worden genomen om te trachten de uitvoering van de beslissing te waarborgen, zulks in overeenstemming met nationaal recht en procedures, en in voorkomend geval met de ondersteuning van andere relevante professionals, zoals maatschappelijk werkers of kinderpsychologen. In het bijzonder moet de voor tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit of het gerecht, overeenkomstig nationaal recht en procedures, alle belemmeringen als gevolg van een verandering van omstandighedenwegnemen, waaronder kennelijke bezwaren van het kind die pas zijn geuit nadat de beslissing werd gegeven en die zo sterk zijn dat zij, indien zij buiten beschouwing worden gelaten, een ernstig risico van fysieke of psychische schade voor het kind zouden vormen.

(70)

Authentieke akten en overeenkomsten tussen partijen inzake scheiding van tafel en bed en echtscheiding die juridisch bindend zijn in één lidstaat, dienen voor de toepassing van de regels inzake erkenning te worden gelijkgesteld met "beslissingen". Authentieke akten en overeenkomsten tussen partijen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid die in één lidstaat uitvoerbaar zijn, dienen voor de toepassing van de regels inzake erkenning en tenuitvoerlegging te worden gelijkgesteld met "beslissingen".

(71)

Hoewel de verplichting uit hoofde van deze verordening om het kind de mogelijkheid te geven zijn mening te uiten, niet van toepassing mag zijn op authentieke akten en overeenkomsten, moet het recht van het kind om zijn mening te uiten van toepassing blijven overeenkomstig artikel 24 van het Handvest en in het licht van artikel 12 van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, zoals uitgevoerd krachtens nationaal recht en procedures. Het feit dat een kind niet de mogelijkheid heeft gekregen zijn mening te uiten, mag niet automatisch gelden als grond voor weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging van authentieke akten en overeenkomsten inzake ouderlijke verantwoordelijkheid.

(72)

Inzake ouderlijke verantwoordelijkheid dienen in alle lidstaten centrale autoriteiten te worden aangewezen. De lidstaten moeten overwegen voor deze verordening dezelfde centrale autoriteit aan te wijzen als die voor de Verdragen van ’s-Gravenhage van 1980 en 1996. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de centrale autoriteiten over adequate financiële en personele middelen beschikken om de taken te kunnen uitvoeren die hun krachtens deze verordening worden toegewezen.

(73)

De bepalingen van deze verordening betreffende de samenwerking inzake ouderlijke verantwoordelijkheid dienen niet van toepassing te zijn op de verwerking van verzoeken om terugkeer op grond van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 die, overeenkomstig artikel 19 van dat Verdrag en de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie, geen procedures ten gronde inzake ouderlijke verantwoordelijkheid zijn. De toepassing van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 moet evenwel worden aangevuld door de bepalingen van deze verordening betreffende internationale kinderontvoering en door het hoofdstuk van deze verordening betreffende erkenning en tenuitvoerlegging en het hoofdstuk inzake algemene bepalingen.

(74)

De centrale autoriteiten moeten gerechten en bevoegde autoriteiten, en in bepaalde gevallen ook personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, bijstaan in grensoverschrijdende procedures, en zowel in algemene kwesties als in specifieke gevallen met elkaar samenwerken, onder meer ter bevordering van de minnelijke schikking van gezinsconflicten.

(75)

Behalve in spoedeisende gevallen en onverminderd de bij deze verordening toegestane rechtstreekse samenwerking en communicatie tussen gerechten, kunnen gerechten en bevoegde autoriteiten uit hoofde van deze verordening verzoeken betreffende samenwerking inzake ouderlijke verantwoordelijkheid doen, en deze moeten worden ingediend bij de centrale autoriteit van de lidstaat van het verzoekende gerecht of de verzoekende bevoegde autoriteit. Bepaalde verzoeken kunnen ook worden gedaan door personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen. Deze verzoeken moeten worden ingediend bij de centrale autoriteit van de gewone verblijfplaats van de verzoeker. Deze verzoeken dienen onder meer verband te houden met verzoeken om informatie en bijstand te geven aan personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen en die op het grondgebied van de aangezochte centrale autoriteit beslissingen willen doen erkennen en ten uitvoer leggen, met name met betrekking tot het omgangsrecht en de terugkeer van het kind, inclusief, waar nodig, informatie over de manier waarop rechtshulp kan worden verkregen; verzoeken om door bemiddeling en andere alternatieve wijzen van geschillenbeslechting overeenstemming tussen personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen te bevorderen, evenals tot een gerecht of bevoegde autoriteit gerichte verzoeken om na te gaan of er maatregelen moeten worden genomen ter bescherming van de persoon of het vermogen van het kind.

(76)

Een voorbeeld van een spoedeisend geval waarbij rechtstreeks initieel contact met het gerecht of de bevoegde instantie van de aangezochte lidstaat is toegestaan, is een tot de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat gericht rechtstreeks verzoek om te overwegen of er maatregelen ter bescherming van het kind moeten worden genomen indien wordt vermoed dat het kind direct gevaar loopt. De verplichting om zich tot de centrale autoriteit te richten, dient alleen voor initiële verzoeken te gelden; alle daaropvolgende communicatie met het gerecht, de bevoegde autoriteit of de verzoeker kan ook rechtstreeks verlopen.

(77)

De centrale autoriteiten of de bevoegde autoriteiten mag niet worden belet overeenkomsten of regelingen met de centrale autoriteiten of de bevoegde autoriteiten van een of meer andere lidstaten aan te gaan of te handhaven, op grond waarvan rechtstreekse communicatie in hun onderlinge betrekkingen is toegestaan. De bevoegde autoriteiten moeten hun centrale autoriteiten in kennis te stellen van zulke overeenkomsten of regelingen.

(78)

In specifieke gevallen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen, moeten de centrale autoriteiten met elkaar samenwerken om bijstand te bieden aan zowel gerechten en bevoegde autoriteiten als personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen. De door de aangezochte centrale autoriteit verleende bijstand houdt met name in dat het kind wordt gelokaliseerd, hetzij rechtstreeks hetzij via gerechten, bevoegde autoriteiten of andere instanties, als dat nodig is voor de uitvoering van een verzoek krachtens deze verordening, en op voorwaarde dat alle andere informatie wordt verstrekt die van belang is voor procedures inzake ouderlijke verantwoordelijkheid.

(79)

Aangezochte centrale autoriteiten moeten tevens alle passende maatregelen nemen om de communicatie tussen gerechten, waar nodig, te vergemakkelijken, met name voor de toepassing van de regels inzake bevoegdheidsoverdracht, waaronder voorlopige en bewarende maatregelen in spoedeisende gevallen, in het bijzonder wanneer deze verband houden met internationale kinderontvoering en ten doel hebben het kind te beschermen tegen het in artikel 13, lid 1, onder b), van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 genoemde ernstige risico, en inzake aanhangigheid en onderling samenhangende procedures. Daartoe kan het verstrekken van informatie voor verdere rechtstreekse communicatie, bijvoorbeeld het verstrekken van contactgegevens van kinderwelzijnsorganisaties, rechters in het netwerk of het bevoegde gerecht, in bepaalde gevallen toereikend zijn.

(80)

Ter verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening en onverminderd enige vereisten krachtens nationaal procedurerecht moet een verzoekend gerecht of een verzoekende autoriteit vrij kunnen kiezen tussen de verschillende kanalen waarlangs zij de nodige informatie kan verkrijgen.

(81)

Als een verzoek met ondersteunende redenen voor een verslag of andere informatie die van belang is voor procedures inzake ouderlijke verantwoordelijkheid in de verzoekende lidstaat wordt ingediend, moeten de centrale autoriteiten dat verzoek hetzij rechtstreeks, hetzij via de gerechten, bevoegde autoriteiten of andere instanties van de aangezochte lidstaat, uitvoeren. Het verzoek moet met name een beschrijving bevatten van de procedures waarvoor de informatie nodig is en de feitelijke situatie die aanleiding gaf tot de procedures.

(82)

Indien een gerecht van een lidstaat reeds een beslissing inzake ouderlijke verantwoordelijkheid heeft gegeven of een dergelijke beslissing overweegt, en de tenuitvoerlegging van de beslissing moet plaatsvinden in een andere lidstaat, moet het gerecht erom kunnen verzoeken dat de gerechten of bevoegde autoriteiten van die andere lidstaat bijstand verlenen bij de tenuitvoerlegging van de beslissing. Dat geldt bijvoorbeeld voor beslissingen inzake omgang onder toezicht die worden uitgevoerd in een andere lidstaat dan de lidstaat waar het gerecht dat de omgang gelast, is gevestigd, of voor beslissingen met andere begeleidende maatregelen van de gerechten of bevoegde autoriteiten in de lidstaat waar de beslissingen ten uitvoer moet worden gelegd.

(83)

Indien een gerecht of een bevoegde autoriteit van een lidstaat overweegt een kind in een andere lidstaat te plaatsen, dient vóór de plaatsing een consultatieprocedure om goedkeuring te verkrijgen te worden gevolgd. Het gerecht dat of de bevoegde autoriteit die de plaatsing overweegt, moet de goedkeuring verkrijgen van de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar het kind moet worden geplaatst, voordat het, c.q. zij, de plaatsing gelast of regelt. Daarnaast moeten de lidstaten conform de jurisprudentie van het Hof van Justitie voorzien in duidelijke regels en procedures voor de toepassing van op grond van deze verordening te verkrijgen goedkeuring, zulks ter wille van de rechtszekerheid en een snelle afhandeling. De procedures moeten de bevoegde autoriteit onder meer in staat stellen haar goedkeuring terstond te verlenen of te weigeren. Wanneer er binnen drie maanden geen antwoord wordt ontvangen, mag dit niet als een goedkeuring worden begrepen, en zonder goedkeuring mag de plaatsing niet doorgaan. Het verzoek om goedkeuring moet ten minste vergezeld gaan van een verslag over het kind, samen met de redenen voor de voorgestelde plaatsing of zorgverstrekking, de verwachte duur van de plaatsing, informatie over eventuele voorgenomen financiering, aangevuld met alle andere informatie die de aangezochte lidstaat nuttig zou kunnen achten, zoals eventueel gepland toezicht op de maatregel, regelingen voor contact met de ouders, andere familieleden of andere personen met wie het kind een nauwe band heeft, of de redenen waarom dergelijk contact niet wordt overwogen gelet op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie mag, indien een specifieke termijn is goedgekeurd, die goedkeuring niet gelden voor beslissingen of regelingen tot verlenging van de plaatsing. In die omstandigheden moet een nieuw verzoek om goedkeuring worden ingediend.

(84)

Indien in de lidstaat van de gewone verblijfplaats van het kind wordt overwogen het kind in een inrichting of in pleegzorg te plaatsen, moet het gerecht in het vroegste stadium van de procedure passende maatregelen in overweging nemen om te waarborgen dat de rechten van het kind in acht worden genomen, met name het recht om zijn identiteit te behouden en het recht om contact te behouden met de ouders of, waar passend, met andere familieleden, gelet op de artikelen 8, 9 en 20 van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind. Indien het gerecht kennis heeft van een nauwe band van het kind met een andere lidstaat kunnen passende maatregelen in het bijzonder een kennisgeving aan het consulaire orgaan van die lidstaat overeenkomstig artikel 37, punt b), van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen inhouden. Ook de centrale autoriteit van die andere lidstaat kan het gerecht inlichten over het bestaan van die nauwe band. Onder passende maatregelen kan ook worden verstaan een verzoek uit hoofde van deze verordening aan die lidstaat om informatie over een ouder, een familielid of andere personen die geschikt zouden kunnen zijn om voor het kind te zorgen. Afhankelijk van de omstandigheden kan het gerecht voorts om informatie verzoeken over procedures en beslissingen betreffende een ouder of broers of zussen van het kind. Het belang van het kind dient de voornaamste overweging te blijven. Meer bepaald mag geen van deze bepalingen afbreuk doen aan het nationale recht of de procedures die van toepassing zijn op een beslissing over de plaatsing genomen door het gerecht of de bevoegde autoriteit in de lidstaat die de plaatsing overweegt. In het bijzonder mogen deze bepalingen de autoriteiten van de bevoegde lidstaat niet verplichten tot plaatsing van het kind in die andere lidstaat of tot het verder betrekken van die lidstaat bij de procedure of beslissing over de plaatsing.

(85)

Aangezien tijd van cruciaal belang is in zaken inzake ouderlijke verantwoordelijkheid, moet informatie waarom wordt verzocht uit hoofde van de bepalingen van deze verordening betreffende samenwerking, onder meer wat betreft het verzamelen en uitwisselen van informatie die van belang is in procedures inzake ouderlijke verantwoordelijkheid, en de beslissing tot verlening of weigering van goedkeuring van de plaatsing van een kind in een andere lidstaat, door de centrale autoriteit van de aangezochte lidstaat uiterlijk drie maanden na de ontvangst van het verzoek aan de verzoekende lidstaat worden toegezonden tenzij dit als gevolg van uitzonderlijke omstandigheden onmogelijk blijkt. Dit dient de verplichting van de bevoegde nationale autoriteit te omvatten om de informatie aan de aangezochte centrale autoriteit te verstrekken, of om toe te lichten waarom die niet kan worden verstrekt, zodanig dat de centrale autoriteit die termijn kan eerbiedigen. Desalniettemin moeten alle betrokken bevoegde autoriteiten ernaar streven sneller te antwoorden dan binnen deze maximale termijn.

(86)

Dat de vergaderingen van de centrale autoriteiten met name door de Commissie worden bijeengeroepen in het kader van het Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken overeenkomstig Beschikking 2001/470/EG, mag geen beletsel vormen voor het beleggen van andere vergaderingen van de centrale autoriteiten.

(87)

Tenzij in deze verordening anders is bepaald, moet Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (9) van toepassing zijn op de verwerking van persoonsgegevens door de lidstaten overeenkomstig deze verordening. Meer specifiek kan, om de uitvoering van een verzoek op grond van deze verordening niet in het gedrang te brengen, bijvoorbeeld een verzoek om de terugkeer van een kind overeenkomstig het Verdrag van 1980 van ’s-Gravenhage of een verzoek aan een gerecht om zich te beraden op de noodzaak om maatregelen te nemen met het oog op de bescherming van de persoon of de eigendom van het kind, de verplichte kennisgeving aan de betrokkene op grond van artikel 14, leden 1 tot en met 4, van Verordening (EU) 2016/679, bijvoorbeeld over gevraagde gegevens voor het lokaliseren van het kind, worden uitgesteld totdat het verzoek waarvoor deze informatie is vereist, is uitgevoerd. Deze uitzondering wordt gemaakt overeenkomstig artikel 14, lid 5, alsmede artikel 23, lid 1, punten f), g), i) en j), van Verordening (EU) 2016/679. Dit mag niet beletten dat een tussenpersoon, een gerecht of een bevoegde autoriteit waaraan de informatie is doorgegeven, maatregelen neemt om het kind te beschermen of ervoor kan zorgen dat dergelijke maatregelen worden genomen, indien het kind wordt blootgesteld aan een risico van schade of er aanwijzingen zijn voor een dergelijk risico.

(88)

In gevallen waarin de openbaarmaking of bevestiging van de betrokken informatie ten koste zou kunnen gaan van de gezondheid, veiligheid of vrijheid van het kind of een andere persoon, bijvoorbeeld wanneer er huiselijk geweld is gepleegd en een gerecht heeft gelast het nieuwe adres van het kind niet mee te delen aan de verzoeker, streeft deze verordening een delicaat evenwicht na. Hoewel in deze verordening moet worden bepaald dat een centrale autoriteit, gerecht of bevoegde autoriteit informatie die voor de toepassing van deze verordening is vergaard of toegezonden niet openbaar mag maken of mag bevestigen aan de verzoeker of aan een derde indien de centrale autoriteit, het gerecht of de bevoegde autoriteit vaststelt dat dit ten koste zou kunnen gaan van de gezondheid, veiligheid of vrijheid van het kind of een andere persoon, moet in deze verordening niettemin worden benadrukt dat dat geen beletsel mag vormen voor het vergaren en toezenden van informatie door en tussen centrale autoriteiten, gerechten en bevoegde autoriteiten, voor zover dit noodzakelijk is om de verplichtingen krachtens deze verordening te vervullen. Dit houdt in dat, indien mogelijk en passend, een verzoek op grond van deze verordening moet kunnen worden verwerkt zonder dat alle informatie die nodig is voor de verwerking ervan aan de verzoeker wordt verstrekt. Indien het nationale recht daarin voorziet, zou een centrale autoriteit bijvoorbeeld namens een verzoeker een procedure kunnen inleiden zonder de informatie over de verblijfplaats van het kind aan de verzoeker door te geven. In gevallen waarin het louter indienen van een verzoek al ten koste kan gaan van de gezondheid, veiligheid of vrijheid van het kind of een andere persoon, mag er krachtens deze verordening geen verplichting bestaan om een dergelijk verzoek in te dienen.

(89)

Teneinde ervoor te zorgen dat de certificaten voor gebruik in combinatie met de toepassing van de hoofdstukken III en IV van deze verordening up-to-date worden gehouden, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) handelingen vast te stellen ten aanzien van de wijzigingen in de bijlagen I tot en met IX bij deze verordening. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (10). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangt de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(90)

De continuïteit tussen het verdrag van 1998 opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken ("Verdrag Brussel II") (11), Verordening (EG) nr. 1347/2000, Verordening (EG) nr. 2201/2003 en deze verordening moet worden gewaarborgd voor zover de bepalingen ongewijzigd zijn gebleven; daartoe zijn overgangsbepalingen nodig. Deze continuïteit moet ook gelden voor de uitleg, onder meer door het Hof van Justitie, van het Verdrag Brussel II en van de Verordeningen (EG) nr. 1347/2000 en (EG) nr. 2201/2003.

(91)

Er zij aan herinnerd dat artikel 351 van het VWEU van toepassing is op overeenkomsten die lidstaten vóór hun toetreding tot de Unie hebben gesloten met één of meer derde landen.

(92)

Het recht dat toepasselijk is inzake ouderlijke verantwoordelijkheid moet worden vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1996. Bij de toepassing van dat verdrag in procedures voor een gerecht van een lidstaat waar deze verordening van toepassing is, moet de verwijzing in artikel 15, lid 1, van dat verdrag naar "het bepaalde in hoofdstuk II" van dat verdrag worden begrepen als een verwijzing naar "de bepalingen van deze verordening".

(93)

Met het oog op de goede werking van deze verordening dient de Commissie de toepassing ervan te beoordelen en in voorkomend geval de nodige wijzigingen voor te stellen.

(94)

De Commissie dient de door de lidstaten toegezonden informatie openbaar te maken en bij te houden.

(95)

Overeenkomstig artikel 3 en artikel 4 bis, lid 1, van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en aan het VWEU, hebben die lidstaten te kennen gegeven dat zij wensen deel te nemen aan de aanneming en toepassing van deze verordening.

(96)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het VEU en aan het VWEU, neemt Denemarken niet deel aan de aanneming van deze verordening, zodat deze niet bindend voor, noch van toepassing op Denemarken is.

(97)

De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is geraadpleegd overeenkomstig artikel 41, lid 2, tweede alinea, en artikel 46, punt d), van Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (12) en heeft op 15 februari 2018 advies uitgebracht (13).

(98)

Daar de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt vanwege de verschillen tussen nationale regels over bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen, maar vanwege de rechtstreekse toepasselijkheid en het bindend karakter van deze verordening beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing op burgerlijke zaken betreffende:

a)

echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk;

b)

de toekenning, uitoefening, overdracht, beperking of beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid.

2.   De in lid 1, onder b), bedoelde aangelegenheden kunnen met name het volgende omvatten:

a)

het gezagsrecht en het omgangsrecht;

b)

voogdij, curatele en overeenkomstige rechtsinstituten;

c)

de aanwijzing en de taken van personen of organen die belast zijn met de zorg voor de persoon of het vermogen van een kind, of die een kind vertegenwoordigen of bijstaan;

d)

de plaatsing van een kind in een inrichting of in pleegzorg;

e)

maatregelen ter bescherming van het kind die verband houden met het beheer of de instandhouding van dan wel de beschikking over het vermogen van een kind.

3.   De hoofdstukken III en VI van deze verordening zijn van toepassing wanneer bij de ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer van een kind meer dan een lidstaat is betrokken, ter aanvulling van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980. Hoofdstuk IV van deze verordening is van toepassing op beslissingen waarmee de terugkeer van een kind naar een andere lidstaat uit hoofde van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 wordt bevolen en die ten uitvoer moeten worden gelegd in een andere lidstaat dan de lidstaat waarin de beslissing werd gegeven.

4.   Deze verordening is niet van toepassing op:

a)

de vaststelling of de ontkenning van familierechtelijke betrekkingen;

b)

beslissingen inzake adoptie, voorbereidende maatregelen voor adoptie, alsmede de nietigverklaring of de herroeping van de adoptie;

c)

de geslachtsnaam en de voornamen van een kind;

d)

de handlichting;

e)

onderhoudsverplichtingen;

f)

trusts en erfopvolging;

g)

maatregelen genomen ten gevolge van door kinderen begane strafbare feiten.

Artikel 2

Definities

1.   Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder "beslissing": een beslissing van een gerecht van een lidstaat, zoals een vonnis, bevel of oordeel, waarbij een echtscheiding, een scheiding van tafel en bed, of de nietigverklaring van een huwelijk wordt uitgesproken, of betreffende aangelegenheden van ouderlijke verantwoordelijkheid.

Voor de toepassing van hoofdstuk IV omvat het begrip "beslissing":

a)

een in een lidstaat gegeven beslissing waarmee de terugkeer van een kind naar een andere lidstaat uit hoofde van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 wordt gelast en die ten uitvoer moet worden gelegd in een andere lidstaat dan de lidstaat waarin de beslissing werd gegeven;

b)

voorlopige en bewarende maatregelen, die zijn gelast door een gerecht dat krachtens deze verordening ten gronde bevoegd is, of maatregelen genomen overeenkomstig artikel 27, lid 5, in samenhang met artikel 15;

Voor de toepassing van hoofdstuk IV vallen voorlopige en bewarende maatregelen, die door een dergelijk gerecht zijn gelast zonder dat de verweerder werd gedagvaard, niet onder de definitie van "beslissing", tenzij de beslissing met de maatregel vóór de tenuitvoerlegging ervan aan de verweerder is betekend.

2.   Voor de toepassing van deze verordening zijn daarnaast ook de volgende definities van toepassing:

1)   "gerecht": een autoriteit in een lidstaat die bevoegd is ter zake van de aangelegenheden die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen

2)   "authentieke akte": een akte die in een lidstaat formeel is verleden of geregistreerd als authentieke akte in aangelegenheden die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen en waarvan de authenticiteit:

a)

betrekking heeft op de ondertekening en de inhoud van de akte; en

b)

is vastgesteld door een overheidsinstantie of een andere daartoe bevoegd verklaarde autoriteit. De lidstaten stellen de Commissie overeenkomstig artikel 103 in kennis van die instanties of autoriteiten;

3)   "overeenkomst": voor de toepassing van hoofdstuk IV, een door de partijen overeengekomen document met betrekking tot binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallende aangelegenheden dat geen authentieke akte is, en dat is geregistreerd door een overheidsinstantie die met dat doel overeenkomstig artikel 103 door een lidstaat ter kennis van de Commissie is gebracht;

4)   "lidstaat van herkomst": de lidstaat waarin de beslissing is gegeven, de authentieke akte formeel is verleden of geregistreerd, of de overeenkomst is geregistreerd;

5)   "lidstaat van tenuitvoerlegging": de lidstaat waar de tenuitvoerlegging van de beslissing, de authentieke akte of de overeenkomst wordt gevraagd;

6)   "kind": een persoon jonger dan 18 jaar;

7)   "ouderlijke verantwoordelijkheid": alle rechten en verplichtingen die ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst aan een natuurlijke persoon of aan een rechtspersoon zijn toegekend met betrekking tot de persoon of het vermogen van een kind, met inbegrip van het gezagsrecht en het omgangsrecht;

8)   "persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt": elke persoon of instantie die, of elk orgaan dat de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind draagt;

9)   "gezagsrecht": onder meer de rechten en verplichtingen die betrekking hebben op de zorg voor de persoon van een kind, en in het bijzonder het recht om de verblijfplaats van een kind te bepalen;

10)   "omgangsrecht": het recht op omgang met een kind, met inbegrip van het recht om een kind voor een beperkte tijd mee te nemen naar een andere plaats dan zijn gewone verblijfplaats;

11)   "ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer van een kind": het overbrengen of vasthouden van een kind wanneer:

a)

dergelijke overbrenging of niet-terugkeer geschiedt in strijd met het gezagsrecht dat ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst is toegekend overeenkomstig het recht van de lidstaat waar het kind onmiddellijk vóór zijn overbrenging of niet-terugkeer, zijn gewone verblijfplaats had; en

b)

dit gezagsrecht op het tijdstip van overbrenging of niet-terugkeer, alleen of gezamenlijk, daadwerkelijk werd uitgeoefend, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden.

3.   Voor de toepassing van de artikelen 3, 6, 10, 12, 13, 51, 59, 75, 94 en 102 vervangt het begrip "domicile (woonplaats)" het begrip "nationaliteit" voor Ierland en het Verenigd Koninkrijk, en wordt daaronder hetzelfde verstaan als in de respectievelijke rechtstelsels van die lidstaten.

HOOFDSTUK II

BEVOEGDHEID IN HUWELIJKSZAKEN EN INZAKE OUDERLIJKE VERANTWOORDELIJKHEID

AFDELING 1

Echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk

Artikel 3

Algemene bevoegdheid

Ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat:

a)

op het grondgebied waarvan:

i)

de echtgenoten hun gewone verblijfplaats hebben;

ii)

zich de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten bevindt, indien een van hen daar nog verblijft;

iii)

de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft;

iv)

in geval van een gemeenschappelijk verzoek, zich de gewone verblijfplaats van een van de echtgenoten bevindt;

v)

zich de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevindt, indien hij daar sedert ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft; of

vi)

zich de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevindt, indien hij daar sedert ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan de indiening het verzoek verblijft, en onderdaan van de betrokken lidstaat is; of

b)

waarvan beide echtgenoten de nationaliteit bezitten.

Artikel 4

Tegenvordering

Het gerecht waarbij een procedure op grond van artikel 3 aanhangig is, is ook bevoegd kennis te nemen van een tegenvordering, mits deze binnen het toepassingsgebied van deze verordening valt.

Artikel 5

Omzetting van scheiding van tafel en bed in echtscheiding

Onverminderd artikel 3 is een gerecht van een lidstaat dat een beslissing heeft gegeven waarbij de scheiding van tafel en bed is uitgesproken, ook bevoegd om die scheiding van tafel en bed om te zetten in echtscheiding, indien de wet van die lidstaat daarin voorziet.

Artikel 6

Residuele bevoegdheid

1.   Behoudens lid 2 wordt, indien van geen enkele lidstaat een gerecht op grond van de artikelen 3, 4 of 5 bevoegd is, de bevoegdheid in elke lidstaat bepaald door de wetgeving van die staat.

2.   Een echtgenoot die zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een lidstaat heeft, of onderdaan van een lidstaat is, kan slechts op grond van de artikelen 3, 4 en 5 voor de gerechten van een andere lidstaat worden gedaagd.

3.   Tegenover een verweerder die zijn gewone verblijfplaats niet in een lidstaat heeft en die niet de nationaliteit van een lidstaat bezit, kan een onderdaan van een lidstaat die zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een andere staat heeft, evenals de onderdanen van die staat, zich beroepen op de aldaar geldende bevoegdheidsregels.

AFDELING 2

Ouderlijke verantwoordelijkheid

Artikel 7

Algemene bevoegdheid

1.   Ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.

2.   Het bepaalde in lid 1 van dit artikel geldt onder voorbehoud van de artikelen 8 tot en met 10.

Artikel 8

Behoud van de bevoegdheid met betrekking tot omgangsrechten

1.   Wanneer een kind legaal van een lidstaat naar een andere lidstaat verhuist en aldaar een nieuwe gewone verblijfplaats verkrijgt, behouden de gerechten van de lidstaat van de vorige gewone verblijfplaats van het kind, in afwijking van artikel 7, gedurende drie maanden na de verhuizing hun bevoegdheid tot wijziging van een in die lidstaat vóór de verhuizing van het kind gegeven beslissing betreffende het omgangsrecht indien de persoon die ingevolge die beslissing het omgangsrecht heeft, zijn gewone verblijfplaats behoudt in de lidstaat van de vorige gewone verblijfplaats van het kind.

2.   Lid 1 is niet van toepassing indien de in lid 1 bedoelde persoon die het omgangsrecht heeft, de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van de nieuwe gewone verblijfplaats van het kind heeft aanvaard door aan een procedure voor die gerechten deel te nemen zonder de bevoegdheid ervan aan te vechten.

Artikel 9

Bevoegdheid in gevallen van ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer van een kind

Onverminderd artikel 10 blijven, in het geval van ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer van een kind, de gerechten van de lidstaat waar een kind onmiddellijk vóór de ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd totdat het kind in een andere lidstaat een gewone verblijfplaats heeft verkregen en:

a)

enige persoon, of instantie die of ander orgaan dat gezagsrecht bezit, in de overbrenging of niet-terugkeer heeft berust; of

b)

het kind gedurende ten minste een jaar nadat de persoon, de instantie of het orgaan met gezagsrecht kennis heeft gekregen of had moeten krijgen van de verblijfplaats van het kind, in die andere lidstaat heeft verbleven en in zijn nieuwe omgeving geworteld is, en aan minstens één van de volgende voorwaarden is voldaan:

i)

er is bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarnaar het kind is overgebracht of waar het wordt vastgehouden, geen verzoek tot terugkeer ingediend binnen een jaar nadat de persoon die gezagsrecht bezit, kennis heeft gekregen of had moeten krijgen van de verblijfplaats van het kind;

ii)

een door de persoon met gezagsrecht ingediend verzoek tot terugkeer is ingetrokken en binnen de onder i) gestelde termijn is geen nieuw verzoek ingediend;

iii)

een door de persoon met gezagsrecht ingediend verzoek tot terugkeer werd door een gerecht van een lidstaat geweigerd op andere gronden dan artikel 13, lid 1, onder b), of artikel 13, lid 2, van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980, en tegen die beslissing kan geen gewoon rechtsmiddel meer worden aangewend;

iv)

er werd geen zaak bij een gerecht aanhangig gemaakt als bedoeld in artikel 29, leden 3 en 5, in de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats had onmiddellijk vóór de ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer;

v)

een beslissing over het gezagsrecht die niet de terugkeer van het kind met zich brengt, is uitgesproken door de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer zijn gewone verblijfplaats had.

Artikel 10

Forumkeuze

1.   De gerechten van een lidstaat zijn bevoegd ter zake van ouderlijke verantwoordelijkheid indien aan onderstaande voorwaarden is voldaan:

a)

het kind heeft een nauwe band met die lidstaat, met name omdat:

i)

minstens een van de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft;

ii)

het kind voordien zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat had; of

iii)

het kind onderdaan van die lidstaat is;

b)

de partijen, evenals alle andere personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, hebben:

i)

uiterlijk op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt, vrijwillig overeenstemming bereikt over de bevoegdheid; of

ii)

de bevoegdheid uitdrukkelijk aanvaard in de loop van de procedure en het gerecht heeft ervoor gezorgd dat alle partijen in kennis zijn gesteld van hun recht om de bevoegdheid van het gerecht niet te aanvaarden; en

c)

de bevoegdheidsuitoefening wordt gerechtvaardigd door het belang van het kind.

2.   Een forumkeuzeovereenkomst op grond van lid 1, onder b), wordt schriftelijk vastgelegd en door de betrokken partijen gedateerd en ondertekend, of in het gerechtelijk dossier opgenomen overeenkomstig nationaal recht en procedures. Elke elektronische mededeling waardoor de overeenkomst duurzaam wordt vastgelegd, wordt geacht gelijk te zijn aan een "schriftelijke" overeenkomst.

Personen die partij in de procedure worden nadat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt, kunnen na de aanhangigmaking met de overeenkomst instemmen. Indien er geen verzet wordt aangetekend, wordt hun instemming geacht impliciet te zijn.

3.   Tenzij de partijen anders zijn overeengekomen, neemt de in lid 1 toegekende bevoegdheid een einde zodra:

a)

tegen de in de procedure gegeven beslissing geen gewoon rechtsmiddel meer kan worden aangewend; of

b)

de procedure om een andere reden is beëindigd.

4.   De in lid 1, onder b), ii), toegekende bevoegdheid is een exclusieve bevoegdheid.

Artikel 11

Bevoegdheid gebaseerd op de aanwezigheid van het kind

1.   Wanneer de gewone verblijfplaats van een kind niet kan worden vastgesteld en de bevoegdheid niet op grond van artikel 10 kan worden bepaald, zijn de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zich bevindt, bevoegd.

2.   De in lid 1 bedoelde bevoegdheid is tevens van toepassing op vluchtelingenkinderen en kinderen die naar een ander land zijn overgebracht ten gevolge van onlusten in de lidstaat waar zij hun gewone verblijfplaats hadden.

Artikel 12

Bevoegdheidsoverdracht aan een gerecht van een andere lidstaat

1.   In uitzonderlijke omstandigheden kan een ten gronde bevoegd gerecht van een lidstaat, op verzoek van een van de partijen of op eigen initiatief, indien het van mening is dat een gerecht van een andere lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft, beter in staat is het belang van het kind in de specifieke zaak te beoordelen, de behandeling van de procedure, of een specifiek onderdeel daarvan, aanhouden en ofwel:

a)

een termijn bepalen voor één of meer van de partijen om het gerecht van die andere lidstaat te informeren over de aanhangige procedure en over de mogelijkheid de bevoegdheid over te dragen en een verzoek aan dat gerecht te richten; of

b)

het gerecht van een andere lidstaat verzoeken zijn bevoegdheid overeenkomstig lid 2 uit te oefenen.

2.   Het gerecht van de andere lidstaat kan de bevoegdheid, wanneer dit, gelet op de specifieke omstandigheden van de zaak, in het belang van het kind is, aanvaarden binnen zes weken:

a)

nadat de zaak op grond van lid 1, onder a), bij dit gerecht aanhangig is gemaakt; of

b)

na de ontvangst van het verzoek overeenkomstig lid 1, onder b).

Het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht of dat werd verzocht om de bevoegdheid te aanvaarden, stelt het gerecht waarbij de zaak het eerst aanhangig is gemaakt hiervan onverwijld in kennis. Indien het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, de bevoegdheid aanvaardt, ziet het gerecht waarbij de zaak het eerst was aangebracht af van het uitoefenen van zijn bevoegdheid.

3.   Het gerecht waarbij de zaak het eerst was aangebracht blijft zijn bevoegdheid uitoefenen indien het de aanvaarding van de bevoegdheid door het gerecht van een andere lidstaat niet heeft ontvangen binnen zeven weken nadat:

a)

de termijn waarover de partijen beschikken om een verzoek aan het gerecht van een andere lidstaat te richten overeenkomstig lid 1, onder a), is verstreken; of

b)

dat gerecht het verzoek overeenkomstig artikel lid 1, onder b), ontving.

4.   Voor de toepassing van lid 1 wordt het kind geacht een bijzondere band met een lidstaat te hebben indien:

a)

het kind na de aanhangigmaking van een zaak bij het in lid 1 bedoelde gerecht zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft verkregen;

b)

het kind voordien zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat had;

c)

het kind onderdaan van die lidstaat is;

d)

een van de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft; of

e)

het geschil betrekking heeft op maatregelen ter bescherming van het kind die verband houden met het beheer, de instandhouding van, of de beschikking over bestanddelen van het vermogen van het kind die zich op dat grondgebied van die lidstaat bevinden.

5.   Indien het gerecht exclusieve bevoegdheid bezit op grond van artikel 10, kan het zijn bevoegdheid niet overdragen aan het gerecht van een andere lidstaat.

Artikel 13

Verzoek om overdracht van bevoegdheid door een gerecht van een lidstaat dat niet bevoegd is

1.   In uitzonderlijke omstandigheden en onverminderd artikel 9 kan een gerecht van een lidstaat waarmee het kind overeenkomstig artikel 12, lid 4 een bijzondere band heeft maar dat krachtens deze verordening geen bevoegdheid heeft, het gerecht van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft om een overdracht van bevoegdheid verzoeken indien het zich in het specifieke geval beter in staat acht het belang van het kind te beoordelen.

2.   Binnen zes weken na ontvangst van het verzoek overeenkomstig lid 1, kan het aangezochte gerecht het verzoek om overdracht van zijn bevoegdheid aanvaarden, wanneer het gezien de specifieke omstandigheden van de zaak een dergelijke overdracht in het belang van het kind acht. Wanneer het aangezochte gerecht het verzoek om overdracht van zijn bevoegdheid aanvaardt stelt het het verzoekende gerecht hiervan onverwijld in kennis. Bij gebreke van die aanvaarding binnen de termijn is het verzoekende gerecht niet bevoegd.

Artikel 14

Residuele bevoegdheid

Indien van geen enkele lidstaat een gerecht op grond van de artikelen 7 tot en met 11 bevoegd is, wordt de bevoegdheid in elke lidstaat bepaald door de wetgeving van die lidstaat.

Artikel 15

Voorlopige en bewarende maatregelen in spoedeisende gevallen

1.   In spoedeisende gevallen hebben, zelfs wanneer het gerecht van een andere lidstaat ten gronde bevoegd is, de gerechten van een lidstaat de bevoegdheid om voorlopige en bewarende maatregelen te nemen voorzien in het recht van die lidstaat betreffende:

a)

een kind dat zich in die lidstaat bevindt; of

b)

vermogensbestanddelen van een kind die zich in die lidstaat bevinden.

2.   Voor zover nodig om de belangen van het kind te beschermen, informeert het gerecht dat de maatregelen bedoeld in lid 1 van dit artikel heeft genomen onverwijld het gerecht of de bevoegde autoriteit van de lidstaat die overeenkomstig artikel 7 bevoegd is, of, in voorkomend geval, een gerecht van een lidstaat dat overeenkomstig deze verordening ten gronde bevoegd is, hetzij rechtstreeks overeenkomstig artikel 86, hetzij via de overeenkomstig artikel 76 aangewezen centrale autoriteiten.

3.   De ter uitvoering van lid 1 genomen maatregelen houden op van toepassing te zijn zodra het gerecht van de lidstaat dat overeenkomstig deze verordening bevoegd is om ten gronde over de zaak te beslissen, de maatregelen heeft genomen die het passend acht.

Dat gerecht kan, in voorkomend geval, het gerecht dat voorlopige en bewarende maatregelen heeft genomen hetzij rechtstreeks overeenkomstig artikel 86, hetzij via de overeenkomstig artikel 76 aangewezen centrale autoriteit informeren over zijn besluit.

Artikel 16

Incidentele vorderingen

1.   Indien de uitkomst van een procedure voor een gerecht van een lidstaat in een procedure betreffende een zaak die niet binnen het toepassingsgebied van deze verordening valt, afhangt van het beslechten van een incidentele vordering in verband met ouderlijke verantwoordelijkheid, dan mag een gerecht in die lidstaat die vordering ten behoeve van die procedure beslechten, zelfs indien die lidstaat krachtens deze verordening niet bevoegd is.

2.   De beslechting van een incidentele vordering overeenkomstig lid 1 heeft enkel gevolgen voor de procedure waarvoor die erkenning werd genomen.

3.   Indien de geldigheid van een voor rekening van een kind verrichte of te verrichten rechtshandeling in een erfenisprocedure voor een gerecht in een lidstaat de toestemming of goedkeuring van een gerecht vereist, kan een gerecht in die lidstaat beslissen een dergelijke rechtshandeling goed te keuren of toe te staan, ook indien het krachtens deze verordening niet bevoegd is.

4.   Artikel 15, lid 2, is van overeenkomstige toepassing.

AFDELING 3

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 17

Aanhangigmaking van een zaak bij een gerecht

Een zaak wordt geacht bij een gerecht aanhangig te zijn gemaakt:

a)

op het tijdstip waarop het stuk waarmee het geding wordt ingeleid of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend, op voorwaarde dat de verzoeker vervolgens niet heeft nagelaten de vereiste stappen te nemen teneinde het stuk aan de verweerder te doen betekenen of mede te delen;

b)

indien de betekening of mededeling van dit stuk moet plaatsvinden voor het bij het gerecht wordt neergelegd, op het tijdstip waarop het door de autoriteit die verantwoordelijk is voor de betekening of mededeling, wordt ontvangen, op voorwaarde dat de verzoeker vervolgens niet heeft nagelaten de vereiste stappen te nemen teneinde het stuk bij het gerecht neer te leggen; of

c)

indien de procedure ambtshalve door het gerecht wordt ingesteld, op het tijdstip waarop de beslissing om de procedure in te stellen door het gerecht wordt genomen, of, indien een dergelijke beslissing niet is vereist, op het tijdstip waarop de zaak ter griffie wordt ingeschreven.

Artikel 18

Toetsing van de bevoegdheid

Het gerecht van een lidstaat waarbij een zaak aanhangig is gemaakt waarvoor overeenkomstig deze verordening niet dit gerecht maar een gerecht van een andere lidstaat ten gronde bevoegd is, verklaart zich ambtshalve onbevoegd.

Artikel 19

Toetsing van de ontvankelijkheid

1.   Indien de verweerder die zijn gewone verblijfplaats in een andere lidstaat heeft dan de lidstaat waar de procedure werd ingesteld, niet verschijnt, houdt het bevoegde gerecht zijn uitspraak aan zolang niet vaststaat dat de verweerder in de gelegenheid is gesteld het stuk waarmee het geding is ingeleid of een gelijkwaardig stuk zo tijdig als met het oog op zijn verdediging noodzakelijk was, te ontvangen, of dat daartoe al het nodige is gedaan.

2.   Artikel 19 van Verordening (EG) nr. 1393/2007 is in plaats van lid 1 van dit artikel van toepassing, indien het stuk waarmee het geding is ingeleid of een gelijkwaardig stuk overeenkomstig het bepaalde in die verordening door een lidstaat aan een andere lidstaat diende te worden toegezonden.

3.   Wanneer Verordening (EG) nr. 1393/2007 niet van toepassing is, wordt artikel 15 van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 15 november 1965 inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken toegepast, indien het stuk waarmee het geding is ingeleid of een gelijkwaardig stuk overeenkomstig dat verdrag aan een andere staat diende te worden toegezonden.

Artikel 20

Aanhangigheid en onderling samenhangende procedures

1.   Wanneer bij gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen procedures tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk aanhangig worden gemaakt, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak ambtshalve aan tot de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat.

2.   Wanneer bij gerechten van verschillende lidstaten procedures betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind aanhangig worden gemaakt welke hetzelfde kind betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak ambtshalve aan tot de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, tenzij de bevoegdheid van één van de gerechten enkel is gebaseerd op artikel 15.

3.   Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verwijst het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, partijen naar het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht.

In dit geval kan de partij die de procedure aanhangig heeft gemaakt bij het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, die vordering aanhangig maken bij het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht.

4.   Indien een gerecht van een lidstaat wordt aangezocht dat exclusief bevoegd is op basis van een in artikel 10 bedoelde aanvaarding, houden alle gerechten van de andere lidstaten de procedure aan totdat het krachtens de overeenkomst of de aanvaarding aangezochte gerecht verklaart geen bevoegdheid aan de overeenkomst of de aanvaarding te ontlenen.

5.   Indien en voor zover het gerecht zijn exclusieve bevoegdheid heeft vastgesteld in overeenstemming met een aanvaarding van bevoegdheid als bedoeld in artikel 10, verklaren alle gerechten van de overige lidstaten zich onbevoegd ten gunste van dat gerecht.

Artikel 21

Recht van het kind zijn standpunt kenbaar te maken

1.   Wanneer de gerechten van de lidstaten krachtens afdeling 2 van dit hoofdstuk hun bevoegdheid uitoefenen, zorgen zij er in overeenstemming met nationaal recht en procedures voor dat het kind dat in staat is zijn eigen mening te vormen, een daadwerkelijke en effectieve mogelijkheid wordt geboden die mening te uiten, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een vertegenwoordiger of een daarvoor geschikte instelling.

2.   Wanneer het gerecht in overeenstemming met nationaal recht en procedures een kind de mogelijkheid biedt om overeenkomstig dit artikel zijn mening te uiten, hecht het gerecht passend belang aan de mening van het kind in overeenstemming met zijn leeftijd en rijpheid.

HOOFDSTUK III

INTERNATIONALE KINDERONTVOERING

Artikel 22

Terugkeer van het kind krachtens het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980

Wanneer een persoon, instantie of ander orgaan die een schending van het gezagsrecht stelt, rechtstreeks of met de hulp van een centrale autoriteit een verzoek indient bij het gerecht van een lidstaat om op grond van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 een bevel tot terugkeer te geven van een kind jonger dan 16 jaar dat ongeoorloofd is overgebracht of wordt vastgehouden in een andere lidstaat dan de lidstaat waar het kind onmiddellijk vóór de ongeoorloofde overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had, zijn de artikelen 23 tot en met 29 en hoofdstuk VI van deze verordening van toepassing en vullen zij het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 aan.

Artikel 23

Ontvangst en verwerking van verzoeken door centrale autoriteiten

1.   De aangezochte centrale autoriteit verwerkt een in artikel 22 bedoeld verzoek uit hoofde van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 met bekwame spoed.

2.   Wanneer de centrale autoriteit van de aangezochte lidstaat een in artikel 22 bedoeld verzoek ontvangt, bevestigt zij hiervan ontvangst binnen vijf werkdagen na de datum van ontvangst van het verzoek. Zij informeert onverwijld de centrale autoriteit van de verzoekende lidstaat of de verzoeker, naargelang het geval, over de initiële stappen die zijn genomen of zullen worden genomen om het verzoek te verwerken, en zij kan om de nodige bijkomende documenten en informatie verzoeken.

Artikel 24

Snelle gerechtelijke procedures

1.   Het gerecht waarbij een in artikel 22 bedoeld verzoek om terugkeer van het kind is ingediend, beschikt met bekwame spoed, met gebruikmaking van de snelste procedures die in het nationale recht beschikbaar zijn.

2.   Onverminderd lid 1 beslist een gerecht van eerste aanleg uiterlijk zes weken nadat de zaak aanhangig is gemaakt, tenzij dit als gevolg van uitzonderlijke omstandigheden onmogelijk blijkt.

3.   Tenzij dit als gevolg van uitzonderlijke omstandigheden onmogelijk is, beschikt een gerecht in hoger beroep uiterlijk zes weken nadat alle vereiste procedurele stappen zijn voltooid en het gerecht het beroep door middel van een hoorzitting of anderszins kan behandelen.

Artikel 25

Alternatieve geschillenbeslechting

Het gerecht nodigt de partijen zo snel mogelijk en tijdens iedere fase van de procedure rechtstreeks of, in voorkomend geval, met de hulp van de centrale autoriteiten, uit om bemiddeling of andere alternatieve middelen van geschillenbeslechting te overwegen, tenzij dit in strijd is met het belang van het kind, dit in het specifieke geval niet passend is of dit de procedure onnodig zou vertragen.

Artikel 26

Recht van het kind zijn standpunt kenbaar te maken tijdens terugkeerprocedures

Artikel 21 van deze verordening geldt ook in terugkeerprocedures uit hoofde van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980.

Artikel 27

Procedure voor de terugkeer van een kind

1.   Een gerecht kan de terugkeer van een kind niet weigeren tenzij de persoon die om de terugkeer van het kind verzoekt in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord.

2.   Het gerecht kan in elke fase van de procedures overeenkomstig artikel 15 onderzoeken of het contact tussen het kind en de persoon die om de terugkeer van het kind verzoekt moet worden verzekerd, daarbij rekening houdend met de belangen van het kind.

3   Indien een gerecht overweegt de terugkeer van een kind te weigeren enkel op basis van artikel 13, lid 1, onder b), van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980, mag het de terugkeer van het kind niet weigeren als de partij die om de terugkeer van het kind verzoekt het gerecht er aan de hand van toereikende bewijzen van kan overtuigen, of als het gerecht er op andere wijze van overtuigd is, dat adequate regelingen zijn getroffen om de bescherming van het kind na de terugkeer te waarborgen.

4.   Het gerecht kan, hetzij rechtstreeks overeenkomstig artikel 86, hetzij met de hulp van de centrale autoriteit, voor de toepassing van lid 3 van dit artikel communiceren met de bevoegde instanties van de lidstaat waar het kind net vóór de ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer zijn gewone verblijfplaats had.

5.   Wanneer het gerecht de terugkeer van het kind gelast, kan het in voorkomend geval overeenkomstig artikel 15 van deze verordening voorlopige en bewarende maatregelen nemen om het kind te beschermen tegen het ernstige risico waarnaar wordt verwezen in artikel 13, lid 1, onder b) van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 te minimaliseren, op voorwaarde dat het onderzoeken en nemen van dergelijke maatregelen de terugkeerprocedure niet onnodig vertraagt.

6.   Een beslissing waarmee de terugkeer van het kind wordt gelast, kan uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, onverminderd enige daartegen gerichte voorziening in beroep, indien vóór enige beroepsuitspraak de terugkeer van het kind is vereist in het belang van het kind zelf.

Artikel 28

Tenuitvoerlegging van beslissingen waarmee de terugkeer van een kind wordt gelast

1.   Een voor de tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit waarbij een verzoek wordt ingediend tot tenuitvoerlegging van een beslissing waarmee de terugkeer van een kind naar een andere lidstaat wordt gelast, verwerkt dit verzoek met bekwame spoed.

2.   Indien een beslissing zoals bedoeld in lid 1 niet ten uitvoer is gelegd binnen zes weken na de datum waarop de tenuitvoerleggingsprocedure werd opgestart, heeft de om tenuitvoerlegging verzoekende partij of de centrale autoriteit van de lidstaat van tenuitvoerlegging het recht om van de voor de tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit een motivering van de redenen voor de vertraging te eisen.

Artikel 29

Procedure na een weigering van de terugkeer van het kind krachtens artikel 13, lid 1), onder b), en artikel 13, lid 2, van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980

1.   Dit artikel geldt wanneer een beslissing tot weigering van de terugkeer van een kind naar een andere lidstaat enkel gebaseerd is op artikel 13, lid 1, onder b), of op artikel 13, lid 2, van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980.

2.   Het gerecht dat een beslissing geeft zoals bedoeld in lid 1, geeft ambtshalve een certificaat af onder gebruikmaking van het formulier in bijlage I. Het certificaat wordt in de taal van de beslissing opgesteld en afgegeven. Het certificaat mag op vraag van een partij ook worden afgegeven in een andere officiële taal van de instellingen van de Europese Unie. Dit creëert geen verplichting voor het gerecht dat het certificaat afgeeft om voor een vertaling of transliteratie van de vertaalbare inhoud van de vrije tekstvelden te zorgen.

3.   Indien er, op het ogenblik dat het gerecht een beslissing als bedoeld in lid 1 neemt, bij een gerecht van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats had onmiddellijk vóór de ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer reeds een procedure ten gronde betreffende het gezagsrecht aanhangig is gemaakt, doet het gerecht, indien het weet heeft van deze procedure, binnen één maand na de datum van de in lid 1 bedoelde beslissing, hetzij rechtstreeks, hetzij via de centrale autoriteit, de volgende documenten toekomen aan het gerecht van die lidstaat:

a)

een kopie van de beslissing zoals bedoeld in lid 1;

b)

het krachtens lid 2 afgegeven certificaat; en

c)

in voorkomend geval, een afschrift, een samenvatting of de notulen van de hoorzitting voor het gerecht, en alle andere documenten die het relevant acht.

4.   Het gerecht in de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats had onmiddellijk vóór de ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer kan, indien nodig, van een partij eisen dat deze overeenkomstig artikel 91 een vertaling of transliteratie bezorgt van de beslissing zoals bedoeld in lid 1 en ieder ander document dat overeenkomstig dit artikel, lid 3, onder c), aan het certificaat is gehecht.

5.   Indien in andere dan de in lid 3 bedoelde gevallen, een van de partijen binnen drie maanden na de kennisgeving van een beslissing zoals bedoeld in lid 1, een procedure ten gronde betreffende het gezagsrecht aanhangig maakt bij een gerecht van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats had onmiddellijk vóór de ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer, dient die partij de volgende documenten in bij het gerecht:

a)

een kopie van de beslissing zoals bedoeld in lid 1;

b)

het krachtens lid 2 afgegeven certificaat; en

c)

in voorkomend geval, een afschrift, samenvatting of de notulen van de hoorzitting voor het gerecht dat de terugkeer van het kind heeft geweigerd.

6.   Niettegenstaande een beslissing betreffende de niet-terugkeer als bedoeld in lid 1, is iedere beslissing ten gronde betreffende het gezagsrecht die het resultaat is van de procedures als bedoeld in leden 3 en 5, en die de terugkeer van het kind met zich brengt, overeenkomstig hoofdstuk IV uitvoerbaar in een andere lidstaat.

HOOFDSTUK IV

ERKENNING EN TENUITVOERLEGGING

AFDELING 1

Algemene bepalingen inzake erkenning en tenuitvoerlegging

Onderafdeling 1

Erkenning

Artikel 30

Erkenning van een beslissing

1.   De in een lidstaat gegeven beslissing wordt in de andere lidstaten erkend zonder dat daartoe speciale procedures vereist zijn.

2.   In het bijzonder is er, onverminderd lid 3, geen speciale procedure vereist om de akten van de burgerlijke stand van een lidstaat aan te passen overeenkomstig een in een andere lidstaat gegeven beslissing ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk, waartegen volgens de wetgeving van die lidstaat geen rechtsmiddel meer openstaat.

3.   Iedere belanghebbende partij kan overeenkomstig de procedures van de artikelen 59 tot en met 62 en, waar nodig, afdeling 5 van dit hoofdstuk en hoofdstuk VI verzoeken om een beslissing dat er geen gronden voor weigering van de erkenning zijn als bedoeld in de artikelen 38 en 39.

4.   De relatieve bevoegdheid van het door elke lidstaat overeenkomstig artikel 103 kennis van de Commissie gebrachte gerecht, wordt bepaald door het recht van de lidstaat waarin een procedure overeenkomstig lid 3 van dit artikel wordt aangespannen.

5.   Indien de erkenning van een beslissing als incidentele vraag voor een gerecht van een lidstaat wordt opgeworpen, kan dat gerecht daarover uitspraak doen.

Artikel 31

Voor erkenning over te leggen stukken

1.   Een partij die een in een andere lidstaat gegeven beslissing wenst in te roepen, legt de volgende stukken over:

a)

een afschrift van de beslissing dat voldoet aan de voorwaarden tot vaststelling van de echtheid ervan; en

b)

het gepaste certificaat dat is afgegeven krachtens artikel 36.

2.   Het gerecht of de bevoegde autoriteit waarbij een in een andere lidstaat gegeven beslissing wordt ingeroepen kan, indien nodig, van de partij die de beslissing inroept, verlangen dat zij, overeenkomstig artikel 91, een vertaling of transliteratie overlegt van de vertaalbare inhoud van de vrije tekstvelden van het in dit artikel, lid 1, onder b), bedoelde certificaat.

3.   Het gerecht of de bevoegde autoriteit waarbij een in een andere lidstaat gegeven beslissing wordt ingeroepen, kan van de partij verlangen dat zij overeenkomstig artikel 91 een vertaling of transliteratie van de beslissing overlegt naast een vertaling of transliteratie van de vertaalbare inhoud van de vrije tekstvelden van het certificaat, indien het, respectievelijk zij, zijn, respectievelijk haar werkzaamheden niet kan voortzetten zonder die vertaling of transliteratie.

Artikel 32

Ontbrekende stukken

1.   Worden de in artikel 31, lid 1, vermelde documenten niet overgelegd, dan kan het gerecht of de bevoegde autoriteit voor de overlegging een termijn bepalen of gelijkwaardige documenten aanvaarden, dan wel, indien het gerecht of de autoriteit zich voldoende voorgelicht acht, van de overlegging vrijstelling verlenen.

2.   Indien het gerecht of de bevoegde autoriteit dit verlangt, wordt overeenkomstig artikel 91 een vertaling of transliteratie van die gelijkwaardige documenten overlegd.

Artikel 33

Aanhouding van de uitspraak

Het gerecht waarvoor een in een andere lidstaat gegeven beslissing wordt ingeroepen, kan zijn uitspraak geheel of gedeeltelijk aanhouden indien:

a)

in de lidstaat van herkomst een gewoon rechtsmiddel tegen die beslissing is ingesteld, of

b)

er een verzoek is ingediend om een beslissing dat er geen gronden zijn voor weigering van de erkenning als bedoeld in de artikelen 38 en 39, of om een beslissing dat de erkenning op een van die gronden moet worden geweigerd.

Onderafdeling 2

Uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging

Artikel 34

Uitvoerbare beslissingen

1.   Beslissingen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid die in een lidstaat zijn gegeven en aldaar uitvoerbaar zijn, zijn in de andere lidstaten uitvoerbaar zonder dat een verklaring van uitvoerbaarheid is vereist.

2.   Voor de tenuitvoerlegging in een andere lidstaat van een beslissing waarbij een omgangsrecht is verleend, kan het gerecht dat de beslissing heeft gegeven, de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, niettegenstaande enig ingesteld rechtsmiddel.

Artikel 35

Voor tenuitvoerlegging over te leggen stukken

1.   Met het oog op de tenuitvoerlegging in een lidstaat van een in een andere lidstaat gegeven beslissing, verstrekt de partij die om tenuitvoerlegging verzoekt de voor de tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit:

a)

een afschrift van de beslissing dat voldoet aan de voorwaarden tot vaststelling van de echtheid ervan; en

b)

het gepaste certificaat dat is afgegeven krachtens artikel 36.

2.   Met het oog op de tenuitvoerlegging in een lidstaat van een in een andere lidstaat gegeven beslissing waarbij voorlopige en bewarende maatregelen worden gelast, verstrekt de partij die om tenuitvoerlegging verzoekt de voor de tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit:

a)

een afschrift van de beslissing dat voldoet aan de voorwaarden tot vaststelling van de echtheid ervan;

b)

het gepaste certificaat dat is afgegeven krachtens artikel 36, waaruit blijkt dat de beslissing uitvoerbaar is in de lidstaat van herkomst en dat het oorspronkelijke gerecht:

i)

bevoegd is om van het bodemgeschil kennis te nemen; of

ii)

de maatregel heeft gelast overeenkomstig artikel 27, lid 5, in samenhang met artikel 15; en

c)

indien de maatregel werd gelast zonder dat de verweerder was opgeroepen, het bewijs dat de beslissing hem is betekend.

3.   De voor tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit kan zo nodig van de partij die om tenuitvoerlegging verzoekt verlangen dat zij overeenkomstig artikel 91 een vertaling of transliteratie overlegt van de vertaalbare inhoud van de vrije tekstvelden van het certificaat dat de ten uitvoer te leggen verplichting bevat.

4.   De voor tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit kan van de partij die om tenuitvoerlegging verzoekt verlangen dat die partij overeenkomstig artikel 91 een vertaling of transliteratie overlegt van de beslissing indien zij haar werkzaamheden niet kan voortzetten zonder die vertaling of transliteratie.

Onderafdeling 3

Certificaat

Artikel 36

Afgifte van het certificaat

1.   Het gerecht van een lidstaat van herkomst, zoals overeenkomstig artikel 103 ter kennis van de Commissie gebracht, geeft op verzoek van een partij een certificaat af voor:

a)

een beslissing in huwelijkszaken aan de hand van het formulier in bijlage II;

b)

een beslissing inzake ouderlijke verantwoordelijkheid aan de hand van het formulier in bijlage III;

c)

een beslissing waarmee de terugkeer van het kind wordt gelast als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder a), en, waar van toepassing, voorlopige en bewarende maatregelen die zijn gelast overeenkomstig artikel 27, lid, 5, en die samenhangen met de beslissing aan de hand van het formulier in bijlage IV.

2.   Het certificaat wordt in de taal van de beslissing opgesteld en afgegeven. Het certificaat mag op vraag van de partij ook worden afgegeven in een andere officiële taal van de instellingen van de Europese Unie. Dit creëert geen verplichting voor het gerecht dat het certificaat afgeeft om voor een vertaling of transliteratie van de vertaalbare inhoud van de vrije tekstvelden te zorgen.

3.   Tegen de afgifte van het certificaat staat geen rechtsmiddel open.

Artikel 37

Rectificatie van het certificaat

1.   Het gerecht van een lidstaat van herkomst, zoals overeenkomstig artikel 103 ter kennis van de Commissie gebracht, rectificeert op verzoek, of eventueel op eigen initiatief, het certificaat indien er, ten gevolge van een materiële fout of weglating, een discrepantie bestaat tussen de ten uitvoer te leggen beslissing en het certificaat.

2.   Het recht van de lidstaat van herkomst is van toepassing op de procedure voor de rectificatie van het certificaat.

Onderafdeling 4

Weigering van erkenning en tenuitvoerlegging

Artikel 38

Gronden voor weigering van de erkenning van beslissingen in huwelijkszaken

De erkenning van een beslissing ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk wordt geweigerd:

a)

indien de erkenning kennelijk strijdig zou zijn met de openbare orde van de lidstaat waar de erkenning wordt ingeroepen;

b)

indien het stuk waarmee het geding is ingeleid of een gelijkwaardig stuk niet tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging noodzakelijk was, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend is betekend of medegedeeld, tenzij vaststaat dat hij ondubbelzinnig met de beslissing instemt;

c)

indien zij onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen in de lidstaat waar de erkenning wordt ingeroepen gegeven beslissing; of

d)

indien zij onverenigbaar is met een beslissing die vroeger in een andere lidstaat of in een derde land tussen dezelfde partijen is gegeven, mits die vroegere beslissing voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in de lidstaat waar de erkenning wordt ingeroepen.

Artikel 39

Gronden voor weigering van de erkenning van beslissingen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid

1.   De erkenning van een beslissing inzake ouderlijke verantwoordelijkheid wordt geweigerd:

a)

indien de erkenning, gelet op het belang van het kind, kennelijk strijdig zou zijn met de openbare orde van de lidstaat waar de erkenning wordt ingeroepen;

b)

indien het stuk waarmee het geding is ingeleid of een gelijkwaardig stuk niet tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging noodzakelijk was, aan de persoon tegen wie verstek werd verleend, is medegedeeld of betekend, tenzij vaststaat dat deze persoon ondubbelzinnig met de beslissing instemt;

c)

op verzoek van eenieder die stelt dat de beslissing de uitoefening van zijn ouderlijke verantwoordelijkheid belemmert, indien zij is gegeven zonder dat deze persoon in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord;

d)

indien en voor zover zij onverenigbaar is met een latere beslissing inzake ouderlijke verantwoordelijkheid, die in de lidstaat waar de erkenning wordt ingeroepen is gegeven;

e)

indien en voor zover zij onverenigbaar is met een latere beslissing inzake ouderlijke verantwoordelijkheid die in een andere lidstaat of in het derde land van de gewone verblijfplaats van het kind is gegeven, mits die latere beslissing voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in de lidstaat waar de erkenning wordt ingeroepen; of

f)

indien de procedure van artikel 82 niet in acht is genomen.

2.   De erkenning van een beslissing inzake ouderlijke verantwoordelijkheid kan worden geweigerd indien de beslissing is gegeven zonder dat een kind dat in staat is zijn eigen mening te vormen, de mogelijkheid werd geboden zijn mening te uiten overeenkomstig artikel 21, tenzij:

a)

de procedure uitsluitend het vermogen van het kind betrof en op voorwaarde dat het bieden van die mogelijkheid in het licht van het onderwerp van de procedure niet noodzakelijk was; of

b)

er ernstige gronden waren waarbij er in het bijzonder rekening moet worden gehouden met de urgentie van de zaak.

Artikel 40

Procedure voor weigering van de erkenning

1.   De procedures van de artikelen 59 tot en met 62 en, waar nodig, afdeling 5 van dit hoofdstuk en hoofdstuk VI, zijn van overeenkomstige toepassing op een verzoek tot weigering van erkenning.

2.   De relatieve bevoegdheid van het door elke lidstaat aan de Commissie overeenkomstig artikel 103 ter kennis gebrachte gerecht wordt bepaald door het recht van de lidstaat waarin een procedure voor niet-erkenning wordt aangespannen.

Artikel 41

Gronden voor weigering van de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid

Onverminderd artikel 56, lid 6, wordt de tenuitvoerlegging van een beslissing inzake ouderlijke verantwoordelijkheid geweigerd indien een van de in artikel 39 bedoelde gronden voor weigering van de erkenning is vastgesteld.

AFDELING 2

Erkenning en tenuitvoerlegging van bepaalde geprivilegieerde beslissingen

Artikel 42

Toepassingsgebied

1.   Deze afdeling is van toepassing op de volgende soorten beslissingen, mits deze overeenkomstig artikel 47 in de lidstaat van herkomst zijn gecertificeerd:

a)

beslissingen voor zover zij omgangsrecht verlenen; en

b)

beslissingen uit hoofde van artikel 29, lid 6, voor zover die de terugkeer van het kind met zich meebrengen.

2.   Deze afdeling belet een partij niet te verzoeken om erkenning en tenuitvoerlegging van een in lid 1 bedoelde beslissing overeenkomstig de in afdeling 1 van dit hoofdstuk neergelegde bepalingen betreffende erkenning en tenuitvoerlegging.

Onderafdeling 1

Erkenning

Artikel 43

Erkenning

1.   Een in een lidstaat gegeven beslissing als bedoeld in artikel 42, lid 1, wordt in de andere lidstaten erkend zonder dat daar enige speciale procedure voor nodig is en zonder dat verzet tegen de erkenning mogelijk is, tenzij en voor zover is vastgesteld dat de beslissing onverenigbaar is met een latere beslissing als bedoeld in artikel 50.

2.   Een partij die een in een andere lidstaat gegeven beslissing als bedoeld in artikel 42, lid 1, wenst in te roepen, legt de volgende stukken over:

a)

een afschrift van de beslissing dat voldoet aan de voorwaarden tot vaststelling van de echtheid ervan; en

b)

het gepaste certificaat dat is afgegeven krachtens artikel 47.

3.   Artikel 31, leden 2 en 3, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 44

Aanhouding van de uitspraak

Het gerecht waarvoor een in een andere lidstaat gegeven beslissing als bedoeld in artikel 42, lid 1, wordt ingeroepen, kan zijn uitspraak geheel of gedeeltelijk aanhouden indien:

a)

een verzoek is ingediend waarin onverenigbaarheid van die beslissing met een latere beslissing als bedoeld in artikel 50 wordt aangevoerd; of

b)

de persoon jegens wie om tenuitvoerlegging wordt verzocht, overeenkomstig artikel 48 heeft verzocht om de intrekking van een overeenkomstig artikel 47 afgegeven certificaat.

Onderafdeling 2

Uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging

Artikel 45

Uitvoerbare beslissingen

1.   Een beslissing als bedoeld in artikel 42, lid 1, die in een lidstaat is gegeven en in die lidstaat uitvoerbaar is, is krachtens deze afdeling in de andere lidstaten uitvoerbaar zonder dat een verklaring van uitvoerbaarheid is vereist.

2.   Voor de tenuitvoerlegging in een andere lidstaat van een beslissing als bedoeld in artikel 42, lid 1, onder a), kunnen de gerechten van de lidstaat van herkomst de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, niettegenstaande enig ingesteld rechtsmiddel.

Artikel 46

Voor tenuitvoerlegging over te leggen stukken

1.   Met het oog op de tenuitvoerlegging in een lidstaat van een beslissing als bedoeld in artikel 42, lid 1, die in een andere lidstaat is gegeven, verstrekt de partij die om tenuitvoerlegging verzoekt de voor de tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit:

a)

een afschrift van de beslissing dat voldoet aan de voorwaarden tot vaststelling van de echtheid ervan; en

b)

het gepaste certificaat dat is afgegeven krachtens artikel 47.

2.   Met het oog op de tenuitvoerlegging in een lidstaat van een beslissing als bedoeld in artikel 42, lid 1, onder a), die in een andere lidstaat is gegeven, kan de voor tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit in voorkomend geval van de verzoeker verlangen dat hij overeenkomstig artikel 91 een vertaling of transliteratie overlegt van de vertaalbare inhoud van de vrije tekstvelden van het certificaat dat de ten uitvoer te leggen verplichting bevat.

3.   Met het oog op de tenuitvoerlegging in een lidstaat van een beslissing als bedoeld in artikel 42, lid 1, die in een andere lidstaat is gegeven, kan de voor tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit van de verzoeker verlangen dat hij overeenkomstig artikel 91 een vertaling of transliteratie van de beslissing overlegt indien zij haar werkzaamheden niet kan voortzetten zonder die vertaling of transliteratie.

Onderafdeling 3

Certificaat voor geprivilegieerde beslissingen

Artikel 47

Afgifte van het certificaat

1.   Het gerecht dat een beslissing als bedoeld in artikel 42, lid 1, heeft gegeven, geeft op verzoek van een partij een certificaat af voor:

a)

een beslissing waarbij omgangsrecht wordt verleend aan de hand van het formulier in bijlage V;

b)

een beslissing ten gronde betreffende het gezagsrecht die de terugkeer van een kind met zich meebrengt en die krachtens artikel 29, lid 6, is gegeven aan de hand van het formulier in bijlage VI.

2.   Het certificaat wordt in de taal van de beslissing opgesteld en afgegeven. Het certificaat mag op vraag van een partij ook worden afgegeven in een andere officiële taal van de instellingen van de Europese Unie. Dit creëert geen verplichting voor het gerecht dat het certificaat afgeeft om voor een vertaling of transliteratie van de vertaalbare inhoud van de vrije tekstvelden te zorgen.

3.   Het gerecht geeft het certificaat uitsluitend af indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

alle betrokken partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord;

b)

het kind is overeenkomstig artikel 21 de mogelijkheid geboden zijn mening te uiten;

c)

wanneer de beslissing bij verstek werd gegeven:

i)

is het stuk waarmee het geding is ingeleid of een gelijkwaardig stuk tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging noodzakelijk was, aan de persoon tegen wie verstek werd verleend, medegedeeld of betekend; of

ii)

staat vast dat de persoon tegen wie verstek werd verleend ondubbelzinnig met de beslissing instemt.

4.   Onverminderd lid 3 van dit artikel wordt het certificaat voor een beslissing als bedoeld in artikel 42, lid 1, onder b), slechts afgegeven indien het gerecht bij het geven van zijn beslissing rekening heeft gehouden met de redenen en de feiten op grond waarvan de vorige beslissing in een andere lidstaat werd genomen krachtens artikel 13, lid 1, onder b), of artikel 13, lid 2, van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980.

5.   Het certificaat heeft alleen gevolg binnen de grenzen van de uitvoerbaarheid van de beslissing.

6.   Tegen de afgifte van het certificaat staan geen andere dan de in artikel 48 bedoelde rechtsmiddelen open.

Artikel 48

Rectificatie en intrekking van het certificaat

1.   Het gerecht van de lidstaat van herkomst, zoals overeenkomstig artikel 103 ter kennis van de Commissie gebracht, rectificeert op verzoek, of eventueel op eigen initiatief, het certificaat indien er, ten gevolge van een materiële fout of weglating, een discrepantie bestaat tussen de beslissing en het certificaat.

2.   Op verzoek of op eigen initiatief, trekt het in lid 1 van dit artikel bedoelde gerecht het certificaat in indien het, gelet op de vereisten van artikel 47, ten onrechte werd afgegeven. Artikel 49 is van overeenkomstige toepassing.

3.   De procedure, inclusief rechtsmiddelen, ter verbetering of intrekking van het certificaat wordt beheerst door het recht van de lidstaat van herkomst.

Artikel 49

Certificaat betreffende niet-uitvoerbaarheid of beperkte uitvoerbaarheid

1.   Indien en voor zover een beslissing waarvoor overeenkomstig artikel 47 een certificaat is afgegeven niet meer uitvoerbaar is of de uitvoerbaarheid ervan is opgeschort of beperkt, wordt, op verzoek te eniger tijd aan het gerecht van de lidstaat van herkomst zoals meegedeeld aan de Commissie overeenkomstig artikel 103, een certificaat afgegeven met vermelding van de niet-uitvoerbaarheid of beperkte uitvoerbaarheid aan de hand van het standaardformulier in bijlage VII.

2.   Het certificaat wordt in de taal van de beslissing opgesteld en afgegeven. Het certificaat mag op vraag van een partij ook worden afgegeven in een andere officiële taal van de instellingen van de Europese Unie. Dit creëert geen verplichting voor het gerecht dat het certificaat afgeeft om voor een vertaling of transliteratie van de vertaalbare inhoud van de vrije tekstvelden te zorgen.

Onderafdeling 4

Weigering van erkenning en tenuitvoerlegging

Artikel 50

Onverenigbare beslissingen

De erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing als bedoeld in artikel 42, lid 1, wordt geweigerd indien en voor zover de beslissing onverenigbaar is met een latere beslissing inzake ouderlijke verantwoordelijkheid met betrekking tot hetzelfde kind die is gegeven:

a)

in de lidstaat waar de erkenning wordt ingeroepen; of

b)

in een andere lidstaat of in het derde land van de gewone verblijfplaats van het kind, mits die latere beslissing voldoet aan de voorwaarden voor erkenning ervan in de lidstaat waar de erkenning wordt ingeroepen.

AFDELING 3

Gemeenschappelijke bepalingen inzake tenuitvoerlegging

Onderafdeling 1

Tenuitvoerlegging

Artikel 51

Procedure van tenuitvoerlegging

1.   Onverminderd de bepalingen van deze afdeling, wordt de procedure voor de tenuitvoerlegging van een in een andere lidstaat gegeven beslissing beheerst door het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging. Onverminderd de artikelen 41, 50, 56 en 57, wordt een beslissing die in een andere lidstaat is gegeven en die uitvoerbaar is in de lidstaat van herkomst, ten uitvoer gelegd in de lidstaat van tenuitvoerlegging onder dezelfde voorwaarden als een beslissing die in die lidstaat is gegeven.

2.   De partij die om de tenuitvoerlegging van een in een andere lidstaat gegeven beslissing verzoekt, is niet verplicht een postadres te hebben in de lidstaat van tenuitvoerlegging. De partij moet alleen een gemachtigde vertegenwoordiger hebben in de lidstaat van tenuitvoerlegging als een dergelijke vertegenwoordiger krachtens het recht van die lidstaat verplicht is, ongeacht de nationaliteit van de partijen.

Artikel 52

Voor tenuitvoerlegging bevoegde autoriteiten

Het verzoek om tenuitvoerlegging wordt ingediend bij de autoriteit die krachtens het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging bevoegd is voor de tenuitvoerlegging, zoals door die lidstaat aan de Commissie meegedeeld overeenkomstig artikel 103.

Artikel 53

Gedeeltelijke tenuitvoerlegging

1.   Een partij die om de tenuitvoerlegging van een beslissing verzoekt, kan om de gedeeltelijke tenuitvoerlegging daarvan vragen.

2.   Indien in de beslissing uitspraak is gedaan over meer dan één onderdeel van het verzoek en de tenuitvoerlegging voor een of meerdere onderdelen daarvan is geweigerd, is de tenuitvoerlegging toch mogelijk voor die onderdelen waarop de weigering geen betrekking heeft.

3.   De leden 1 en 2 van dit artikel worden niet gebruikt om een beslissing waarmee de terugkeer van een kind wordt gelast, ten uitvoer te leggen zonder dat eventuele voorlopige en bewarende maatregelen genomen ter bescherming van het kind tegen het risico bedoeld in artikel 13, lid 1, onder b), van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980, ten uitvoer worden gelegd.

Artikel 54

Voorzieningen betreffende de uitoefening van het omgangsrecht

1.   De voor de tenuitvoerlegging bevoegde autoriteiten of de gerechten van de lidstaat van tenuitvoerlegging kunnen noodzakelijke voorzieningen voor de organisatie van de uitoefening van het omgangsrecht vaststellen, indien hierin in de beslissing van de gerechten van de lidstaat die in de zaak ten gronde bevoegd zijn niet of onvoldoende is voorzien, en op voorwaarde dat de wezenlijke bestanddelen van die beslissing worden geëerbiedigd.

2.   De overeenkomstig lid 1 vastgestelde voorzieningen zijn niet langer van toepassing wanneer later een beslissing ter zake wordt gegeven door de gerechten van de lidstaat die in de zaak ten gronde bevoegd zijn.

Artikel 55

Betekening/mededeling van certificaat en beslissing

1.   Indien wordt verzocht om tenuitvoerlegging van een beslissing die in een andere lidstaat is gegeven, moet het juiste, krachtens artikel 36 of artikel 47 afgegeven certificaat voorafgaand aan de eerste uitvoeringsmaatregel, worden betekend aan de persoon jegens wie om tenuitvoerlegging wordt verzocht. Bij het certificaat wordt de beslissing gevoegd, als die nog niet aan die persoon werd betekend, en, in voorkomend geval, de details van de regeling bedoeld in artikel 54, lid 1.

2.   Indien de betekening moet plaatsvinden in een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst, kan de persoon jegens wie om tenuitvoerlegging wordt verzocht, verzoeken om een vertaling of transliteratie van:

a)

de beslissing, teneinde de tenuitvoerlegging aan te vechten;

b)

in voorkomend geval, de vertaalbare inhoud van de vrije tekstvelden van het overeenkomstig artikel 47 afgegeven certificaat,

indien dit niet is opgesteld in, of vergezeld gaat van een vertaling of transliteratie in, ofwel een taal die hij begrijpt of de officiële taal van de lidstaat waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft of, als die lidstaat meerdere officiële talen heeft, in de officiële taal of een van de officiële talen van de plaats waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft.

3.   Indien krachtens lid 2 om een vertaling of transliteratie wordt verzocht, mogen geen andere tenuitvoerleggingsmaatregelen dan bewarende maatregelen worden getroffen totdat de vertaling of transliteratie beschikbaar is gesteld aan de persoon jegens wie om tenuitvoerlegging is verzocht.

4.   De leden 2 en 3 zijn niet van toepassing voor zover de beslissing en, in voorkomend geval, het in lid 1 bedoelde certificaat reeds zijn betekend aan de persoon jegens wie om tenuitvoerlegging wordt verzocht, in overeenstemming met de in lid 2 bedoelde voorschriften inzake vertaling en transliteratie.

Onderafdeling 2

Schorsing van tenuitvoerleggingsprocedures en weigering van tenuitvoerlegging

Artikel 56

Schorsing en weigering

1.   De voor tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit of het gerecht in de lidstaat van tenuitvoerlegging schorst de tenuitvoerleggingsprocedure op eigen initiatief of op verzoek van de persoon jegens wie om tenuitvoerlegging wordt verzocht, of, voor zover van toepassing krachtens nationaal recht, op verzoek van het betrokken kind indien de uitvoerbaarheid van de beslissing is geschorst in de lidstaat van oorsprong.

2.   De voor tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit of het gerecht in de lidstaat van tenuitvoerlegging kan op verzoek van de persoon jegens wie om tenuitvoerlegging wordt verzocht of, voor zover van toepassing krachtens nationaal recht, op verzoek van het betrokken kind de tenuitvoerleggingsprocedure volledig of gedeeltelijk schorsen op een van volgende gronden:

a)

in de lidstaat van herkomst is een gewoon rechtsmiddel tegen de beslissing ingesteld;

b)

de termijn voor een gewoon rechtsmiddel als bedoeld onder a) is nog niet verstreken;

c)

er is een verzoek tot weigering van tenuitvoerlegging ingediend op basis van artikel 41, 50 of 57;

d)

de persoon jegens wie om tenuitvoerlegging wordt verzocht, heeft overeenkomstig artikel 48 verzocht om de intrekking van een overeenkomstig artikel 47 afgegeven certificaat.

3.   Indien de voor tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit of het gerecht de tenuitvoerleggingsprocedure schorst om de in lid 2, onder b), vermelde reden, kan die autoriteit of dat gerecht de termijn vaststellen waarbinnen een rechtsmiddel moet worden aangewend.

4.   In uitzonderlijke gevallen kan de voor de tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit of het gerecht, op verzoek van de persoon jegens wie om tenuitvoerlegging wordt verzocht of, voor zover van toepassing krachtens nationaal recht, op verzoek van het betrokken kind of elke betrokken partij die handelt in het belang van het kind, de tenuitvoerleggingsprocedure opschorten indien de tenuitvoerlegging het kind zou blootstellen aan een ernstig risico op fysieke of psychologische schade als gevolg van tijdelijke belemmeringen die zijn ontstaan nadat de beslissing is gegeven, of op grond van een andere belangrijke wijziging van de omstandigheden.

De tenuitvoerlegging wordt hervat zodra het ernstige risico op fysieke of psychologische schade ophoudt te bestaan.

5.   In de in lid 4 bedoelde gevallen neemt de voor tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit of het gerecht, alvorens de tenuitvoerlegging te weigeren overeenkomstig lid 6, passende maatregelen om de tenuitvoerlegging te vergemakkelijken in overeenstemming met nationaal rechten procedures en het belang van het kind.

6.   Indien het in lid 4 bedoelde risico van blijvende aard is, kan de voor tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit of het gerecht de tenuitvoerlegging van de beslissing op verzoek weigeren.

Artikel 57

Gronden voor schorsing of weigering van tenuitvoerlegging krachtens nationaal recht

De gronden voor schorsing of weigering van tenuitvoerlegging krachtens het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging zijn van toepassing voor zover zij niet onverenigbaar zijn met de toepassing van de artikelen 41, 50 en 56.

Artikel 58

Bevoegdheid van voor weigering van tenuitvoerlegging bevoegde autoriteiten of gerechten

1.   Het verzoek tot weigering van tenuitvoerlegging op basis van artikel 39 wordt ingediend bij het gerecht dat overeenkomstig artikel 103 door elke lidstaat aan de Commissie is meegedeeld. Het verzoek tot weigering van tenuitvoerlegging op basis van andere in deze verordening vervatte of toegestane gronden, wordt ingediend bij de autoriteit die of het gerecht dat overeenkomstig artikel 103 door elke lidstaat aan de Commissie is meegedeeld.

2.   De relatieve bevoegdheid van de autoriteit die of het gerecht dat door elke lidstaat overeenkomstig artikel 103 aan de Commissie is meegedeeld, wordt bepaald door het recht van de lidstaat waar een procedure overeenkomstig lid 1 van dit artikel wordt aangespannen.

Artikel 59

Verzoek tot weigering van tenuitvoerlegging

1.   Op de procedure voor het indienen van een verzoek tot weigering van tenuitvoerlegging is, voor zover deze niet onder de onderhavige verordening valt, de wetgeving van de lidstaat van tenuitvoerlegging van toepassing.

2.   De verzoeker verstrekt de voor tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit of het gerecht een kopie van de beslissing alsmede, in voorkomend geval en indien mogelijk, het passende overeenkomstig artikel 36 of artikel 47 afgegeven certificaat.

3.   De voor tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit of het gerecht kan zo nodig verlangen dat de verzoeker overeenkomstig artikel 91 een vertaling of transliteratie overlegt van de vertaalbare inhoud van de vrije tekstvelden van het juiste overeenkomstig artikel 36 of artikel 47 afgegeven certificaat waarin de uit te voeren verplichting wordt vermeld.

4.   De voor tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit of het gerecht kan verlangen dat de verzoeker overeenkomstig artikel 91 een vertaling of transliteratie van de beslissing overlegt, indien de autoriteit of het gerecht haar/zijn werk niet kan doen zonder die vertaling of transliteratie.

5.   De voor tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit of het gerecht kan vrijstelling van de overlegging van de in lid 2 bedoelde stukken verlenen als:

a)

deze reeds in haar/zijn bezit zijn; of

b)

de autoriteit of het gerecht het onredelijk vindt om deze van de verzoeker te eisen.

In het in de eerste alinea, onder b), bedoelde geval kan de voor tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit of het gerecht de andere partij gelasten deze documenten over te leggen.

6.   De partij die om de weigering van tenuitvoerlegging van een in een andere lidstaat gegeven beslissing verzoekt, is niet verplicht een postadres te hebben in de lidstaat van tenuitvoerlegging. Die partij moet alleen een gemachtigde vertegenwoordiger hebben in de lidstaat van tenuitvoerlegging als een dergelijke vertegenwoordiger krachtens het recht van die lidstaat verplicht is, ongeacht de nationaliteit van de partijen.

Artikel 60

Spoedprocedures

De voor tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit of het gerecht treedt zonder onnodige vertraging op in procedures inzake verzoeken tot weigering van tenuitvoerlegging.

Artikel 61

Bezwaar of beroep

1.   Elke partij kan tegen de beslissing over het verzoek tot weigering van tenuitvoerlegging bezwaar of beroep instellen.

2.   Het bezwaar of beroep wordt ingesteld bij de autoriteit die of het gerecht dat de lidstaat van tenuitvoerlegging overeenkomstig artikel 103 aan de Commissie heeft meegedeeld als de autoriteit of het gerecht waar dit bezwaar of beroep dient te worden ingesteld.

Artikel 62

Verder bezwaar of hoger beroep

Tegen de op het bezwaar of beroep gegeven beslissing kan slechts bezwaar of beroep worden ingesteld als de betrokken lidstaat de Commissie overeenkomstig artikel 103 in kennis heeft gesteld van de gerechten waar verder bezwaar of hoger beroep moet worden ingesteld.

Artikel 63

Aanhouding van de uitspraak

1.   De voor tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit of het gerecht waarbij een verzoek tot weigering van tenuitvoerlegging wordt ingediend of waarbij overeenkomstig artikel 61 of artikel 62 een beroep wordt ingesteld, kan zijn uitspraak aanhouden om een van de volgende redenen:

a)

in de lidstaat van herkomst is een gewoon rechtsmiddel tegen de beslissing ingesteld;

b)

de termijn voor een gewoon rechtsmiddel als bedoeld onder a) is nog niet verstreken; of

c)

de persoon jegens wie om tenuitvoerlegging wordt verzocht, heeft overeenkomstig artikel 48 verzocht om intrekking van een uit hoofde van artikel 47 afgegeven certificaat.

2.   Indien de voor tenuitvoerlegging bevoegde autoriteit of het gerecht de procedures aanhoudt om de in lid 1, onder b), vermelde reden, kan die autoriteit of dat gerecht de termijn vaststellen binnen welke het rechtsmiddel moet worden ingesteld.

AFDELING 4

Authentieke akten en overeenkomsten

Artikel 64

Toepassingsgebied

Deze afdeling is in aangelegenheden betreffende echtscheiding, scheiding van tafel en bed en ouderlijke verantwoordelijkheid van toepassing op authentieke akten die formeel zijn opgesteld of geregistreerd, en op overeenkomsten die zijn geregistreerd in een lidstaat die krachtens hoofdstuk II bevoegdheid uitoefent.

Artikel 65

Erkenning en tenuitvoerlegging van authentieke akten en overeenkomsten

1.   Authentieke akten en overeenkomsten inzake scheiding van tafel en bed en echtscheiding die juridisch bindend zijn in de lidstaat van herkomst, worden erkend in andere lidstaten zonder dat daarvoor een speciale procedure nodig is. Afdeling 1 van dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing, tenzij in deze afdeling anders is bepaald.

2.   Authentieke akten en overeenkomsten inzake ouderlijke verantwoordelijkheid die juridisch bindend en uitvoerbaar zijn in de lidstaat van herkomst, worden erkend en ten uitvoer gelegd in andere lidstaten zonder dat daarvoor een verklaring van uitvoerbaarheid nodig is. De afdelingen 1 en 3 van dit hoofdstuk zijn van overeenkomstige toepassing, tenzij in deze afdeling anders is bepaald.

Artikel 66

Certificaat

1.   Het gerecht of de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst zoals meegedeeld aan de Commissie overeenkomstig artikel 103, geeft op verzoek van een partij een certificaat af voor een authentieke akte of overeenkomst:

a)

in huwelijkszaken, aan de hand van het formulier in bijlage VIII;

b)

inzake ouderlijke verantwoordelijkheid, aan de hand van het formulier in bijlage IX.

Het onder b) bedoelde certificaat bevat een samenvatting van de uitvoerbare verplichting die in de authentieke akte of in de overeenkomst is opgenomen.

2.   Het certificaat mag alleen worden afgegeven indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de lidstaat die de overheidsinstantie of andere autoriteit heeft gemachtigd de authentieke akte formeel te verlijden of te registreren of de overeenkomst te registeren, had daartoe de bevoegdheid krachtens hoofdstuk II; en

b)

de authentieke akte of de overeenkomst is juridisch bindend in die lidstaat.

3.   Niettegenstaande lid 2 mag het certificaat inzake ouderlijke verantwoordelijkheid niet worden afgegeven indien er aanwijzingen bestaan dat de inhoud van de authentieke akte of de overeenkomst strijdig is met het belang van het kind.

4.   Het certificaat wordt in de taal van de authentieke akte of overeenkomst gesteld. Het mag op vraag van een partij ook worden afgegeven in een andere officiële taal van de instellingen van de Europese Unie. Dit creëert geen verplichting voor het gerecht of de bevoegde autoriteit die het certificaat afgeeft om voor een vertaling of transliteratie van de vertaalbare inhoud van de vrije tekstvelden te zorgen.

5.   Indien het certificaat niet wordt opgemaakt, wordt de authentieke akte of het instrument niet erkend of ten uitvoer gelegd in een andere lidstaat.

Artikel 67

Verbetering en intrekking van het certificaat

1.   Op verzoek, of op eigen initiatief, verbetert het gerecht of de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst zoals meegedeeld aan de Commissie overeenkomstig artikel 103, het certificaat indien er ten gevolge van een materiële fout of weglating een discrepantie bestaat tussen de authentieke akte of overeenkomst en het certificaat.

2.   Op verzoek, of eventueel op eigen initiatief, trekt het gerecht of de bevoegde autoriteit bedoeld in lid 1 van dit artikel het certificaat in indien het ten onrechte werd afgegeven gelet op de vereisten van artikel 66.

3.   De procedure, inclusief rechtsmiddelen, ter verbetering of intrekking van het certificaat wordt beheerst door het recht van de lidstaat van herkomst.

Artikel 68

Gronden voor weigering van erkenning of tenuitvoerlegging

1.   De erkenning van een authentieke akte of overeenkomst inzake scheiding van tafel en bed en echtscheiding wordt geweigerd indien:

a)

de erkenning kennelijk strijdig is met de openbare orde van de lidstaat waar de erkenning wordt ingeroepen;

b)

zij onverenigbaar is met een beslissing, een authentieke akte of een overeenkomst tussen dezelfde partijen in de lidstaat waar de erkenning wordt ingeroepen; of

c)

zij onverenigbaar is met een beslissing, een authentieke akte of een overeenkomst die vroeger in een andere lidstaat of in een derde land tussen dezelfde partijen is gegeven, mits die vroegere beslissing, authentieke akte of overeenkomst voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in de lidstaat waar de erkenning wordt ingeroepen.

2.   De erkenning of tenuitvoerlegging van een authentieke akte of overeenkomst inzake ouderlijke verantwoordelijkheid wordt geweigerd:

a)

indien de erkenning, gelet op het belang van het kind, kennelijk strijdig zou zijn met de openbare orde van de lidstaat waar de erkenning wordt ingeroepen;

b)

op verzoek van eenieder die beweert dat de authentieke akte of overeenkomst in de weg staat aan de uitoefening van zijn ouderlijke verantwoordelijkheid, indien de authentieke akte is verleden of geregistreerd, of de overeenkomst is gesloten en geregistreerd, zonder de betrokkenheid van deze persoon;

c)

indien en voor zover zij onverenigbaar is met een latere beslissing, authentieke akte of overeenkomst inzake ouderlijke verantwoordelijkheid, die is gegeven in de lidstaat waar de erkenning wordt ingeroepen of waar om tenuitvoerlegging wordt verzocht;

d)

indien en voor zover zij onverenigbaar is met een latere beslissing, authentieke akte of overeenkomst inzake ouderlijke verantwoordelijkheid die in een andere lidstaat of in het derde land van de gewone verblijfplaats van het kind is gegeven, mits die latere beslissing, authentieke akte of overeenkomst voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in de lidstaat waar de erkenning wordt ingeroepen of waar om tenuitvoerlegging wordt verzocht.

3.   De erkenning of tenuitvoerlegging van een authentieke akte of overeenkomst inzake ouderlijke verantwoordelijkheid kan worden geweigerd indien de authentieke akte formeel is verleden of geregistreerd, of de overeenkomst is geregistreerd, zonder dat het kind dat in staat is zijn eigen mening te vormen, de mogelijkheid werd geboden zijn mening te uiten.

AFDELING 5

Overige bepalingen

Artikel 69

Geen toetsing van de bevoegdheid van het oorspronkelijke gerecht

De bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat van herkomst wordt niet getoetst. Het criterium van de openbare orde, bedoeld in artikel 38, onder a), en artikel 39, onder a), wordt niet toegepast op de bevoegdheidsregels van de artikelen 3 tot en met 14.

Artikel 70

Verschillen in toepasselijk recht

De erkenning van een beslissing in huwelijkszaken mag niet worden geweigerd op grond dat volgens de wetgeving van de lidstaat waar de erkenning wordt ingeroepen echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk op dezelfde gronden niet mogelijk zou zijn.

Artikel 71

Geen onderzoek van de juistheid

In geen geval wordt de juistheid van de in een andere lidstaat gegeven beslissing onderzocht.

Artikel 72

Rechtsmiddelen in bepaalde lidstaten

Indien een beslissing in Ierland, Cyprus of het Verenigd Koninkrijk is gegeven, wordt elk rechtsmiddel dat in de lidstaat van herkomst kan worden ingesteld, voor de toepassing van dit hoofdstuk als een gewoon rechtsmiddel beschouwd.

Artikel 73

Kosten

Dit hoofdstuk is ook van toepassing op het bepalen van het bedrag van de gerechtskosten van overeenkomstig deze verordening aangespannen procedures en op de tenuitvoerlegging van elke beslissing betreffende die kosten.

Artikel 74

Rechtsbijstand

1.   Een verzoeker die in de lidstaat van herkomst in aanmerking kwam voor gehele of gedeeltelijke kosteloze rechtsbijstand of vrijstelling van kosten en uitgaven, komt in de procedures, bedoeld in artikel 30, lid 3, artikel 40, en artikel 59, in aanmerking voor de gunstigste bijstand of de ruimste vrijstelling waarin de wetgeving van de lidstaat van tenuitvoerlegging voorziet.

2.   Een verzoeker die in de lidstaat van herkomst kosteloos een procedure voor een overeenkomstig artikel 103 aan de Commissie meegedeelde administratieve autoriteit heeft kunnen voeren, heeft in de procedures van artikel 30, lid 3, en van de artikelen 40 en 59 recht op rechtsbijstand overeenkomstig lid 1 van dit artikel. Hiertoe legt hij een door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst opgesteld stuk over, waaruit blijkt dat hij voldoet aan de financiële voorwaarden om voor het geheel of een gedeelte in aanmerking te komen voor rechtsbijstand of vrijstelling van kosten en uitgaven.

Artikel 75

Zekerheid of depot

Van de partij die in een lidstaat de tenuitvoerlegging van een in een andere lidstaat gegeven beslissing vordert, kan geen zekerheid of depot, onder welke benaming ook, worden geëist op de grond dat hij vreemdeling is of geen gewone verblijfplaats heeft in de lidstaat van tenuitvoerlegging.

HOOFDSTUK V

SAMENWERKING INZAKE OUDERLIJKE VERANTWOORDELIJKHEID

Artikel 76

Aanwijzing van centrale autoriteiten

Elke lidstaat wijst één of meer centrale autoriteiten aan om behulpzaam te zijn bij de toepassing van deze verordening inzake ouderlijke verantwoordelijkheid en preciseert haar of hun bevoegdheid/bevoegdheden ratione loci of ratione materiae. Wanneer een lidstaat meer dan één centrale autoriteit heeft aangewezen, dienen mededelingen in beginsel direct aan de bevoegde centrale autoriteit te worden toegezonden. Wordt een mededeling toegezonden aan een centrale autoriteit die niet bevoegd is, dan zendt deze autoriteit die mededeling door aan de bevoegde centrale autoriteit en stelt zij de afzender daarvan in kennis.

Artikel 77

Algemene taken van de centrale autoriteiten

1.   De centrale autoriteiten verstrekken informatie betreffende de nationale wetten, procedures en diensten die inzake ouderlijke verantwoordelijkheid voorhanden zijn en nemen de maatregelen die zij passend achten om de toepassing van deze verordening te verbeteren.

2.   De centrale autoriteiten werken onderling samen en bevorderen de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten in hun lidstaten, teneinde de doelstellingen van deze verordening te verwezenlijken.

3.   Voor de toepassing van de leden 1 en 2 kan gebruik worden gemaakt van het Europees en justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken.

Artikel 78

Verzoeken via de centrale autoriteiten

1.   De centrale autoriteiten werken op verzoek van een centrale autoriteit van een andere lidstaat in individuele gevallen met elkaar samen ter verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening.

2.   Verzoeken uit hoofde van dit hoofdstuk kunnen worden gedaan door een gerecht of een bevoegde autoriteit. Verzoeken op grond van artikel 79, punten c) en g), en artikel 80, lid 1, punt c), kunnen ook worden gedaan door personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen.

3.   Behalve in spoedeisende gevallen en onverminderd artikel 86, worden verzoeken uit hoofde van dit hoofdstuk ingediend bij de centrale autoriteit van de lidstaat van het verzoekende gerecht of de bevoegde autoriteit, of van de lidstaat waar de verzoeker zijn gewone verblijfplaats heeft.

4.   Dit artikel belet de centrale autoriteiten of de bevoegde autoriteiten niet om overeenkomsten of regelingen met de centrale autoriteiten of de bevoegde autoriteiten van een of meer andere lidstaten, op grond waarvan rechtstreekse communicatie in hun onderlinge betrekkingen is toegestaan, aan te gaan of te handhaven.

5.   Dit hoofdstuk belet een persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt niet om rechtstreeks een verzoek in te dienen bij de gerechten van een andere lidstaat.

6.   Artikel 79 noch artikel 80 legt de centrale autoriteiten de verplichting op bevoegdheden uit te oefenen die volgens het recht van de aangezochte lidstaat slechts door gerechtelijke autoriteiten kunnen worden uitgeoefend.

Artikel 79

Specifieke taken van aangezochte centrale autoriteiten

Aangezochte centrale autoriteiten nemen, rechtstreeks of door tussenkomst van gerechten, bevoegde autoriteiten of andere instanties, alle passende maatregelen om:

a)

overeenkomstig nationaal recht en procedures bijstand te verlenen bij het lokaliseren van de verblijfplaats van een kind als dat kind mogelijk aanwezig is op het grondgebied van de aangezochte lidstaat en die informatie noodzakelijk is om een verzoek krachtens deze verordening uit te voeren;

b)

informatie die van belang is in procedures inzake ouderlijke verantwoordelijkheid, krachtens artikel 80 te verzamelen en uit te wisselen;

c)

informatie te verstrekken en bijstand te verlenen aan personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen en die op het grondgebied van de aangezochte centrale autoriteit beslissingen willen doen erkennen en ten uitvoer leggen, met name met betrekking tot het omgangsrecht en de terugkeer van het kind, inclusief, waar nodig, informatie over de manier waarop rechtshulp kan worden verkregen;

d)

de communicatie tussen gerechten, bevoegde autoriteiten en andere betrokken instanties te ondersteunen, met name voor de toepassing van artikel 81;

e)

de communicatie tussen gerechten waar nodig te ondersteunen, met name voor de toepassing van de artikelen 12, 13, 15 en 20;

f)

alle informatie en bijstand te verstrekken die de gerechten en de bevoegde autoriteiten nodig hebben voor de toepassing van artikel 82; en

g)

door bemiddeling of andere wijzen van alternatieve geschillenbeslechting overeenstemming te bevorderen tussen de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen en daartoe grensoverschrijdende samenwerking te bevorderen.

Artikel 80

Samenwerking inzake het verzamelen en uitwisselen van informatie die van belang is in procedures inzake ouderlijke verantwoordelijkheid

1.   Op een met redenen omkleed verzoek handelt de centrale autoriteit van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft of had, of waar het zich bevindt of bevond, rechtstreeks of via gerechten, bevoegde autoriteiten of andere organen als volgt:

a)

zij verstrekt, indien voorhanden, een verslag of zij stelt een verslag op en verstrekt dit, met betrekking tot:

i)

de situatie van het kind;

ii)

eventuele lopende procedures inzake ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind; of

iii)

beslissingen die zijn genomen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind;

b)

zij verstrekt alle andere informatie die van belang is in procedures inzake ouderlijke verantwoordelijkheid in de verzoekende lidstaat, met name over de situatie van een ouder, een familielid of een andere persoon die mogelijk geschikt is om voor het kind te zorgen, indien de situatie van het kind dit vereist; of

c)

zij kan het gerecht of de bevoegde autoriteit van haar lidstaat verzoeken te overwegen of maatregelen ter bescherming van de persoon of het vermogen van het kind nodig zijn.

2.   In alle gevallen waarin het kind aan een ernstig gevaar is blootgesteld, stelt het gerecht dat of de bevoegde autoriteit die maatregelen ter bescherming van het kind overweegt of heeft genomen, indien het, respectievelijk zij, ervan op de hoogte is dat de verblijfplaats van het kind is gewijzigd naar, of het kind zich bevindt in, een andere lidstaat, de gerechten of de bevoegde autoriteiten van die andere lidstaat in kennis van het bestaande gevaar en van de genomen of overwogen maatregelen. Deze informatie kan rechtstreeks of via de centrale autoriteiten worden toegezonden.

3.   De in de leden 1 en 2 bedoelde verzoeken en eventuele aanvullende documenten gaan vergezeld van een vertaling in de officiële taal van de aangezochte lidstaat of, indien er in die lidstaat meerdere officiële talen zijn, in de officiële taal of een van de officiële talen van de plaats waar het verzoek moet worden behandeld, of enige andere taal die de aangezochte lidstaat uitdrukkelijk aanvaardt. Lidstaten delen deze aanvaarding mee aan de Commissie overeenkomstig artikel 103.

4.   Tenzij dit als gevolg van uitzonderlijke omstandigheden onmogelijk blijkt, wordt de in lid 1 bedoelde informatie uiterlijk drie maanden na de ontvangst van het verzoek toegezonden aan de verzoekende centrale autoriteit.

Artikel 81

Tenuitvoerlegging van beslissingen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid in een andere lidstaat

1.   Een gerecht van een lidstaat kan de gerechten of de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat verzoeken bijstand te verlenen bij de tenuitvoerlegging van de ingevolge deze verordening gegeven beslissingen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid, in het bijzonder bij het waarborgen van de daadwerkelijke uitoefening van omgangsrecht.

2.   Het in lid 1 bedoelde verzoek en eventuele aanvullende documenten gaan vergezeld van een vertaling in de officiële taal van de aangezochte lidstaat of, indien er in die lidstaat meerdere officiële talen zijn, in de officiële taal of een van de officiële talen van de plaats waar het verzoek moet worden behandeld, of enige andere taal die de aangezochte lidstaat uitdrukkelijk aanvaardt. Lidstaten delen deze aanvaarding mee aan de Commissie overeenkomstig artikel 103.

Artikel 82

Plaatsing van het kind in een andere lidstaat

1.   Indien een gerecht of bevoegde autoriteit overweegt het kind te plaatsen in een andere lidstaat, vraagt het, respectievelijk zij, eerst de goedkeuring van de bevoegde autoriteit van die andere lidstaat. Daartoe dient de centrale autoriteit van de verzoekende lidstaat aan de centrale autoriteit van de aangezochte lidstaat waar het kind zal worden geplaatst, een verzoek om goedkeuring te zenden, dat vergezeld gaat van een verslag over het kind, samen met de redenen voor de voorgestelde plaatsing of zorgverstrekking, informatie over eventueel voorgenomen financiering en elke andere informatie die het relevant acht, zoals de verwachte duur van de plaatsing.

2.   Lid 1 is niet van toepassing indien het kind bij een ouder wordt geplaatst.

De lidstaten kunnen besluiten dat hun toestemming overeenkomstig lid 1 niet is vereist voor plaatsingen binnen hun eigen grondgebied bij bepaalde categorieën van nauwe verwanten, in aanvulling op de ouders. Die categorieën worden overeenkomstig artikel 103 aan de Commissie meegedeeld.

3.   De centrale autoriteit van een andere lidstaat kan een gerecht of bevoegde autoriteit die overweegt een kind te plaatsen, ervan in kennis stellen dat het kind met die lidstaat een nauwe band heeft. Dit doet geen afbreuk aan nationaal recht en procedures van de lidstaat die de plaatsing overweegt.

4.   Het verzoek en eventuele aanvullende documenten als bedoeld in lid 1 gaan vergezeld van een vertaling in de officiële taal van de aangezochte lidstaat of, indien er in die lidstaat meerdere officiële talen zijn, in de officiële taal of een van de officiële talen van de plaats waar het verzoek moet worden behandeld, of enige andere taal die de aangezochte lidstaat uitdrukkelijk aanvaardt. Lidstaten delen deze aanvaarding overeenkomstig artikel 103 aan de Commissie mee.

5.   De in lid 1 bedoelde plaatsing wordt door de verzoekende lidstaat slechts worden gelast of geregeld nadat de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat de plaatsing heeft goedgekeurd.

6.   Tenzij dit als gevolg van uitzonderlijke omstandigheden onmogelijk blijkt, wordt het besluit tot verlening of weigering van de goedkeuring uiterlijk drie maanden na de ontvangst van het verzoek toegezonden aan de verzoekende centrale autoriteit.

7.   De procedure voor het verkrijgen van de goedkeuring wordt geregeld door het nationale recht van de aangezochte lidstaat.

8.   Dit artikel belet de centrale autoriteiten of de bevoegde autoriteiten niet om overeenkomsten of regelingen met de centrale autoriteiten of de bevoegde autoriteiten van een of meer andere lidstaten, op grond waarvan de overlegprocedure met het oog op goedkeuring in hun onderlinge betrekkingen wordt vereenvoudigd, aan te gaan of te handhaven.

Artikel 83

Kosten van centrale autoriteiten

1.   De door de centrale autoriteiten overeenkomstig deze verordening verleende bijstand is kosteloos.

2.   Elke centrale autoriteit draagt haar eigen kosten voor de toepassing van deze verordening.

Artikel 84

Vergaderingen van centrale autoriteiten

1.   Op gezette tijden worden vergaderingen van de centrale autoriteiten gehouden om de toepassing van deze verordening te vergemakkelijken.

2.   De vergaderingen van de centrale autoriteiten worden met name door de Commissie bijeengeroepen in het kader van het Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken overeenkomstig Beschikking 2001/470/EG.

HOOFDSTUK VI

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 85

Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op de behandeling van verzoeken overeenkomstig de hoofdstukken III tot en met V.

Artikel 86

Samenwerking en communicatie tussen gerechten

1.   Voor de toepassing van deze verordening kunnen de gerechten samenwerken en rechtstreeks met elkaar communiceren of informatie aan elkaar vragen, mits bij deze communicatie de procedurele rechten van partijen bij de procedure en de vertrouwelijkheid van de informatie in acht worden genomen.

2.   De in lid 1 bedoelde samenwerking kan plaatsvinden met alle middelen die het gerecht passend acht. Zij kan meer bepaald betrekking hebben op:

a)

communicatie voor de toepassing van de artikelen 12 en 13;

b)

informatie overeenkomstig artikel 15;

c)

informatie over lopende procedures voor de toepassing van artikel 20;

d)

communicatie voor de toepassing van de hoofdstukken III tot en met V.

Artikel 87

Verzamelen en doorgeven van informatie

1.   De aangezochte centrale autoriteit zendt elk verzoek of de daarin vervatte informatie inzake ouderlijke verantwoordelijkheid of internationale kinderontvoering, naargelang het geval, overeenkomstig deze verordening toe aan het gerecht of de bevoegde autoriteit in haar lidstaat of aan een tussenpersoon waar dit uit hoofde van nationaal recht en procedures passend is.

2.   De tussenpersoon, het gerecht of de bevoegde autoriteit waaraan de in lid 1 bedoelde informatie is toegezonden, mag deze uitsluitend gebruiken voor de toepassing van deze verordening.

3.   De tussenpersoon die, het gerecht dat of de bevoegde autoriteit die in het bezit is of bevoegd is voor het verzamelen, binnen de aangezochte staat, van informatie die nodig is om een verzoek overeenkomstig deze verordening uit te voeren, verstrekt die informatie aan de aangezochte centrale autoriteit op verzoek daarvan in gevallen waarin de aangezochte centrale autoriteit geen rechtstreekse toegang tot de informatie heeft.

4.   De aangezochte centrale autoriteit verstrekt de overeenkomstig dit artikel verkregen informatie, voor zover nodig, overeenkomstig nationaal recht en procedures aan de verzoekende centrale autoriteit.

Artikel 88

Kennisgeving aan de betrokkene

Als het risico bestaat dat de overeenkomstig artikel 14, leden 1 tot en met 4, van Verordening (EU) 2016/679 verplichte kennisgeving aan de betrokkene schadelijk is voor de daadwerkelijke uitvoering van het verzoek of de aanvraag krachtens deze verordening waarvoor de informatie wordt doorgegeven, kan die kennisgeving worden uitgesteld totdat het verzoek of de aanvraag is uitgevoerd.

Artikel 89

Niet-openbaarmaking van informatie

1.   Centrale autoriteiten, gerechten of bevoegde autoriteiten openbaren nog bevestigen informatie die voor de toepassing van de hoofdstukken III tot en VI is verzameld of doorgegeven, indien zij vaststellen dat zulks ten koste zou kunnen gaan van de gezondheid, veiligheid of vrijheid van het kind of een andere persoon.

2.   Indien in een lidstaat een dergelijke vaststelling wordt gedaan, wordt daar door de centrale autoriteiten, gerechten en bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten rekening mee gehouden, met name in geval van huiselijk geweld.

3.   Niets in dit artikel belet de verzameling en doorgifte van informatie door en tussen centrale autoriteiten, gerechten en bevoegde autoriteiten, voor zover zulks noodzakelijk is voor het nakomen van de verplichtingen uit hoofde van de hoofdstukken III tot en met VI.

Artikel 90

Legalisatie of soortgelijke formaliteit

Geen legalisatie of soortgelijke formaliteit is vereist in het kader van deze verordening.

Artikel 91

Talen

1.   Onverminderd artikel 55, lid 2, punt a), is een vertaling of transliteratie, indien die krachtens deze verordening vereist is, in de officiële taal van de betrokken lidstaat of, als die lidstaat meerdere officiële talen heeft, in de officiële taal of een van de officiële talen van de procedure van de plaats waar de in een andere lidstaat gegeven beslissing wordt ingeroepen of het verzoek wordt gedaan, overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat.

2.   De vertalingen of transliteraties van de vertaalbare inhoud van de vrije tekstvelden van de in de artikelen 29, 36, 47, 49 en 66 bedoelde certificaten kunnen zijn in een of meerdere van de andere officiële talen van de instellingen van de Europese Unie waarover de betrokken lidstaat in overeenstemming met artikel 103 heeft meegedeeld dat hij die taal aanvaardt.

3.   De lidstaten delen de Commissie mee in welke andere officiële taal of talen van de instellingen van de Europese Unie dan hun eigen taal of talen de mededelingen aan hun centrale autoriteiten kunnen worden toegezonden.

4.   Een vertaling die krachtens de hoofdstukken III en IV is vereist, wordt gemaakt door een persoon die in een van de lidstaten bevoegd is vertalingen te maken.

HOOFDSTUK VII

GEDELEGEERDE HANDELINGEN

Artikel 92

Wijzigingen in de bijlagen

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 93 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen I tot IX om deze te actualiseren of om technische wijzigingen door te voeren.

Artikel 93

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie verleend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 92 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt met ingang van 22 juli 2019 voor onbepaalde tijd aan de Commissie verleend.

3.   De Raad kan de in artikel 92 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn vastgesteld in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt, stelt zij de Raad daarvan in kennis.

6.   Een krachtens artikel 92 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt pas in werking als de Raad binnen een termijn van twee maanden na de datum van kennisgeving van die handeling aan de Raad geen bezwaar heeft gemaakt tegen de gedelegeerde handeling, of als de Raad de Commissie voor het verstrijken van deze termijn heeft meegedeeld niet voornemens te zijn bezwaar te maken. Die termijn kan op initiatief van de Raad met twee maanden worden verlengd.

7.   De Commissie informeert het Europees Parlement van de door haar vastgestelde gedelegeerde handelingen, eventuele bezwaren die daartegen zijn gemaakt of de intrekking van de bevoegdheidsdelegatie door de Raad.

HOOFDSTUK VIII

VERHOUDING TOT ANDERE INSTRUMENTEN

Artikel 94

Verhouding tot andere instrumenten

1.   Behoudens lid 2 van dit artikel en de artikelen 95 tot en met 100, treedt deze verordening tussen de lidstaten in de plaats van de op het tijdstip van de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 2201/2003 bestaande overeenkomsten tussen twee of meer lidstaten, die betrekking hebben op onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld.

2.   Finland en Zweden hebben de mogelijkheid gekregen overeenkomstig artikel 59, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2201/2003 en onder de voorwaarden in punten b) en c) van die bepaling te verklaren dat de Overeenkomst van 6 februari 1931 tussen Denemarken, Finland, IJsland, Noorwegen en Zweden houdende internationaal-privaatrechtelijke bepalingen ter zake van huwelijk, adoptie en voogdij, met het bijbehorende slotprotocol, in hun onderlinge betrekkingen geheel of gedeeltelijk toepasselijk is in plaats van die verordening. De respectieve verklaringen zijn in de bijlage van Verordening (EG) nr. 2201/2003 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Voornoemde lidstaten kunnen te allen tijde hun verklaring geheel of gedeeltelijk intrekken.

3.   In alle toekomstige overeenkomsten tussen de lid 2 genoemde lidstaten worden de bevoegdheidsregels die betrekking hebben op een in deze verordening geregeld onderwerp, in overeenstemming gebracht met de regels van deze verordening.

4.   Het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit van burgers van de Unie wordt geëerbiedigd.

5.   Beslissingen die in een van de Noordse staten die een verklaring als bedoeld lid 2 heeft afgelegd, zijn gegeven op een bevoegdheidsgrond die overeenkomt met een van de gronden waarin hoofdstuk II voorziet, worden in de overige lidstaten overeenkomstig de regels van hoofdstuk IV, afdeling 1, erkend en ten uitvoer gelegd.

6.   De betrokken lidstaten zullen aan de Commissie toezenden:

a)

een afschrift van de in lid 3 bedoelde overeenkomsten en van de eenvormige wetten ter uitvoering daarvan;

b)

elke opzegging of wijziging van de in de leden 2 en 3 bedoelde overeenkomsten en eenvormige wetten.

Deze informatie wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 95

Verhouding tot bepaalde multilaterale verdragen

In de betrekkingen tussen de lidstaten heeft deze verordening voorrang boven de volgende verdragen, voor zover zij betrekking hebben op onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld:

a)

het Verdrag van ’s-Gravenhage van 5 oktober 1961 betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen;

b)

het Verdrag van Luxemburg van 8 september 1967 inzake de erkenning van beslissingen betreffende de huwelijksband;

c)

het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1 juni 1970 inzake de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van tafel en bed;

d)

het Europees Verdrag van 20 mei 1980 betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen.

Artikel 96

Verhouding tot het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980

Wanneer een kind ongeoorloofd is overgebracht of wordt vastgehouden in een andere lidstaat dan de lidstaat waar het kind onmiddellijk voordat het ongeoorloofd werd overgebracht of vastgehouden, zijn gewone verblijfplaats had, blijven de bepalingen van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 van toepassing, aangevuld met de bepalingen van de hoofdstukken III en VI van deze verordening. Indien een in een lidstaat gegeven beslissing waarbij overeenkomstig het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 de terugkeer van het kind wordt gelast, in een andere lidstaat moet worden erkend en ten uitvoer gelegd na een verdere ongeoorloofde overbrenging of vasthouding van het kind, is hoofdstuk IV van toepassing.

Artikel 97

Verhouding tot het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1996

1.   Wat de verhouding tot het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1996 betreft, is deze verordening van toepassing:

a)

behoudens het bepaalde in lid 2 van dit artikel, indien het betrokken kind zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een lidstaat heeft;

b)

indien het de erkenning en de tenuitvoerlegging betreft van een beslissing die door een gerecht van een lidstaat is gegeven op het grondgebied van een andere lidstaat, ook indien het betrokken kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van een staat die geen partij is bij genoemd Verdrag en waar deze verordening niet van toepassing is.

2.   Niettegenstaande lid 1,

a)

als de partijen het eens zijn over de bevoegdheid van een gerecht in een staat die partij is bij het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1996 waar deze verordening niet van toepassing is, is artikel 10 van dat Verdrag van toepassing;

b)

met betrekking tot de overdracht van bevoegdheid tussen een gerecht in een lidstaat en een gerecht in een staat die partij is bij het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1996 waar deze verordening niet van toepassing is, zijn de artikelen 8 en 9 van dat Verdrag van toepassing;

c)

als procedures inzake ouderlijke verantwoordelijkheid hangende zijn voor een gerecht in een staat die partij is bij het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1996 waar deze verordening niet van toepassing is op hetzelfde moment dat bij een gerecht in een lidstaat procedures aanhangig worden gemaakt betreffende hetzelfde kind en hetzelfde onderwerp, is artikel 13 van dat Verdrag van toepassing.

Artikel 98

Geldingsbereik

1.   De in de artikelen 94 tot en met 97 genoemde overeenkomsten en verdragen behouden hun gelding op de terreinen die niet door de onderhavige verordening worden geregeld.

2.   De in de artikelen 95 tot en met 97 van deze verordening bedoelde verdragen, met name het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 en het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1996, behouden hun gelding tussen de lidstaten die partij zijn bij genoemde verdragen, met inachtneming van de artikelen 95 tot en met 97 van deze verordening.

Artikel 99

Verdragen met de Heilige Stoel

1.   Deze verordening laat onverlet het op 18 mei 2004 te Vaticaanstad ondertekende internationale verdrag (concordaat) tussen de Heilige Stoel en de Portugese Republiek.

2.   Elke beslissing ter zake van de nietigverklaring van een huwelijk, gegeven krachtens het in lid 1 genoemde concordaat, wordt in de lidstaten erkend onder de in hoofdstuk IV, afdeling 1, onderafdeling 1, vastgestelde voorwaarden.

3.   Het bepaalde in de leden 1 en 2 is tevens van toepassing op de volgende internationale verdragen met de Heilige Stoel:

a)

het Verdrag van Lateranen van 11 februari 1929 tussen de Italiaanse Republiek en de Heilige Stoel, gewijzigd bij de op 18 februari 1984 te Rome ondertekende overeenkomst met bijbehorend protocol;

b)

de overeenkomst van 3 januari 1979 tussen de Heilige Stoel en Spanje over juridische kwesties;

c)

de Overeenkomst van 3 februari 1993 tussen de Heilige Stoel en Malta inzake de erkenning van de burgerrechtelijke gevolgen van canonieke huwelijken en van beslissingen van de kerkelijke autoriteiten en rechtbanken aangaande zulke huwelijken, met inbegrip van het toepassingsprotocol van diezelfde datum, met het derde Aanvullend Protocol van 27 januari 2014.

4.   De in lid 2 voorgeschreven erkenning van beslissingen kan in Spanje, in Italië en in Malta worden onderworpen aan dezelfde procedures en controles die van toepassing zijn voor beslissingen van kerkelijke rechterlijke instanties op grond van de in lid 3 genoemde internationale verdragen met de Heilige Stoel.

5.   De betrokken lidstaten:

a)

zenden de Commissie een afschrift van de in de leden 1 en 3 genoemde verdragen toe;

b)

doen haar mededeling van elke opzegging van of wijziging in deze verdragen.

HOOFDSTUK IX

SLOTBEPALINGEN

Artikel 100

Overgangsbepalingen

1.   Deze verordening is slechts van toepassing op gerechtelijke procedures die zijn ingesteld, authentieke akten die zijn verleden en overeenkomsten die zijn geregistreerd op of na 1 augustus 2022.

2.   Verordening (EG) nr. 2201/2003 blijft van toepassing op gerechtelijke procedures die zijn ingesteld, authentieke akten die zijn verleden en overeenkomsten die vóór 1 augustus 2022 uitvoerbaar zijn geworden in de lidstaat waar zij werden gesloten en die binnen het toepassingsgebied van die verordening vallen.

Artikel 101

Toezicht en evaluatie

1.   Uiterlijk op 2 augustus 2032 dient de Commissie, op basis van door de lidstaten verstrekte gegevens, bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag over de ex-postevaluatie van deze verordening in. Dat verslag gaat zo nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

2.   Vanaf 2 augustus 2025 stellen de lidstaten de Commissie op verzoek informatie ter beschikking, in zoverre die beschikbaar is, die relevant is voor de evaluatie van de werking en toepassing van deze verordening, en die de volgende elementen betreft:

a)

het aantal beslissingen in huwelijkszaken of inzake ouderlijke verantwoordelijkheid waarbij de bevoegdheid werd gebaseerd op de in deze verordening bepaalde gronden;

b)

met betrekking tot verzoeken om tenuitvoerlegging van een beslissing als bedoeld in artikel 28(2), het aantal zaken waarin de tenuitvoerlegging niet plaatsvond binnen zes weken na de start van de tenuitvoerleggingsprocedure;

c)

het aantal verzoeken om weigering van erkenning van een beslissing krachtens artikel 40 en het aantal zaken waarin de erkenning werd geweigerd;

d)

het aantal verzoeken om weigering van tenuitvoerlegging van een beslissing krachtens artikel 58 en het aantal zaken waarin de erkenning werd geweigerd;

e)

het aantal keren dat beroep werd ingesteld krachtens respectievelijk artikel 61 en artikel 62.

Artikel 102

Lidstaten met twee of meer rechtsstelsels

Ten aanzien van een lidstaat waar met betrekking tot de onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld, twee of meer rechtsstelsels of regelingen van toepassing zijn in verschillende gebiedsdelen:

a)

wordt met de gewone verblijfplaats in die lidstaat de gewone verblijfplaats in een gebiedsdeel bedoeld;

b)

heeft de term nationaliteit betrekking op de territoriale eenheid die in de wet van die lidstaat is aangeduid;

c)

wordt met de autoriteit van een lidstaat de autoriteit van het betrokken gebiedsdeel van die lidstaat bedoeld;

d)

wordt met de bepalingen van de aangezochte lidstaat bedoeld de bepalingen van het gebiedsdeel waar de bevoegdheid, de erkenning of de tenuitvoerlegging wordt ingeroepen.

Artikel 103

Aan de Commissie mee te delen informatie

1.   De lidstaten delen de Commissie het volgende mee:

a)

de in artikel 2, lid 2, punten 2), onder b), en 3), en artikel 74, lid 2, bedoelde autoriteiten;

b)

de voor de afgifte van certificaten bevoegde gerechten en autoriteiten bedoeld in artikel 36, lid 1, en artikel 66 en de voor de rectificatie van certificaten bevoegde gerechten bedoeld in artikel 37, lid 1, artikel 48, lid 1, artikel 49, en artikel 66, lid 3, in samenhang met artikel 37, lid 1;

c)

de in artikel 30, lid 3, artikel 52, artikel 40, lid 1, artikel 58, lid 1, artikel 61, lid 2, en artikel 62, bedoelde gerechten alsmede de in artikel 61, lid 2, bedoelde autoriteiten en gerechten;

d)

de voor tenuitvoerlegging bevoegde autoriteiten bedoeld in artikel 52;

e)

de in de artikelen 61 en 62 bedoelde rechtsmiddelen;

f)

de namen, adressen en communicatiemiddelen van de overeenkomstig artikel 76 aangewezen centrale autoriteiten;

g)

de categorieën van naaste familieleden bedoeld in artikel 82, lid 2, waar toepasselijk;

h)

de overeenkomstig artikel 91, lid 3, voor mededelingen aan de centrale autoriteiten aanvaarde talen;

i)

de aanvaarde talen voor de vertalingen als bedoeld in artikel 80, lid 3, artikel 81, lid 2, artikel 82, lid 4, en artikel 91, lid 2.

2.   De lidstaten delen de Commissie de in lid 1 bedoelde informatie uiterlijk op 23 april 2021 mee.

3.   De lidstaten doen de Commissie mededeling van eventuele wijzigingen van de in lid 1 bedoelde informatie.

4.   De Commissie maakt in lid 1 bedoelde informatie openbaar via gepaste middelen, met inbegrip van het Europese e-justitieportaal.

Artikel 104

Intrekking

1.   Behoudens artikel 100, lid 2 van deze verordening, wordt Verordening (EG) nr. 2201/2003 ingetrokken met ingang van 1 augustus 2022.

2.   Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening, overeenkomstig de concordantietabel in bijlage X.

Artikel 105

Inwerkingtreding

1.   Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Deze verordening is van toepassing met ingang van 1 augustus 2022, met uitzondering van de artikelen 92, 93 en 103, die van toepassing zijn met ingang van 22 juli 2019.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Luxemburg, 25 juni 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

A. ANTON


(1)  Advies van 18 januari 2018 (PB C 458 van 19.12.2018, blz. 499) en advies van 14 maart 2019 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Advies van 26 januari 2017 (PB C 125 van 21.4.2017, blz. 46).

(3)  Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB L 338 van 23.12.2003, blz. 1).

(4)  Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L 352 van 20.12.2012, blz. 1).

(5)  Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (PB L 7 van 10.1.2009, blz. 1).

(6)  Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (de betekening en de kennisgeving van stukken), en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1348/2000 (PB L 324 van 10.12.2007, blz. 79).

(7)  Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (PB L 174 van 27.6.2001, blz. 1).

(8)  Beschikking 2001/470/EG van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de oprichting van een Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken (PB L 174 van 27.6.2001, blz. 25).

(9)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

(10)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(11)  PB C 221 van 16.7.1998, blz. 1.

(12)  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).

(13)  PB C 120 van 6.4.2018, blz. 18.


BIJLAGE I

CERTIFICAAT AF TE GEVEN DOOR HET GERECHT NA EEN BESLISSING TOT WEIGERING VAN DE TERUGKEER VAN HET KIND NAAR EEN ANDERE LIDSTAAT, DIE ENKEL IS GEBASEERD OP ARTIKEL 13, LID 1, ONDER B), OF OP ARTIKEL 13, LID 2, OF BEIDE, VAN HET VERDRAG VAN 's-GRAVENHAGE VAN 1980 (1)

(Artikel 29, lid 2, van Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad (2)

Informatie voor de personen die dit certificaat ontvangen voor de toepassing van artikel 29, lid 5 van de verordening

Indien op de in punt 3 vermelde datum van de beslissing tot weigering van de terugkeer van het kind nog geen procedure ten gronde over het gezagsrecht aanhangig is gemaakt in de lidstaat waar het kind onmiddellijk vóór de ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer zijn gewone verblijfplaats had, kunt u zich overeenkomstig artikel 29, lid 5, van de verordening in die lidstaat tot een gerecht wenden met een verzoek ten gronde over het gezagsrecht.

Indien de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de beslissing tot weigering van de terugkeer van het kind, is iedere beslissing die het resultaat is van dergelijke procedures ten gronde over het gezagsrecht en die de terugkeer van het kind met zich meebrengt, overeenkomstig artikel 29, lid 6, van de verordening uitvoerbaar in alle andere lidstaten, zonder dat daar enige speciale procedure voor nodig is en zonder dat verzet tegen de erkenning ervan mogelijk is, tenzij en voor zover onverenigbaarheid met een beslissing als bedoeld in artikel 50 van de verordening is vastgesteld, op voorwaarde dat er overeenkomstig artikel 47 een certificaat is afgegeven voor de beslissing. Indien de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt na het verstrijken van de drie maanden, of indien de voorwaarden voor de afgifte van een certificaat overeenkomstig artikel 47 van de verordening niet zijn vervuld, wordt de daaruit voortvloeiende beslissing ten gronde over het gezagsrecht erkend en ten uitvoer gelegd in andere lidstaten overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling 1, van de verordening.

De partij die de zaak aanhangig maakt bij het gerecht van de lidstaat waar het kind onmiddellijk vóór de ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer zijn of haar gewone verblijfplaats had, dient bij dat gerecht de volgende stukken in:

a)

een kopie van de beslissing tot weigering van de terugkeer van het kind;

b)

dit certificaat; en

c)

in voorkomend geval, een afschrift, een samenvatting of de notulen van de hoorzitting, als vermeld bij punt 4.1.

Informatie voor het gerecht dat dit certificaat ontvangt voor de toepassing van artikel 29, lid 3, van de verordening (3)

Dit certificaat is afgegeven omdat het (de) bij punt 5 vermelde kind(eren) ongeoorloofd is (zijn) overgebracht naar of vastgehouden in de lidstaat van het gerecht dat dit certificaat afgeeft. Er is krachtens het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980 een procedure voor de terugkeer van het (de) kind(eren) ingesteld omdat de bij punt 6.1 vermelde persoon aanvoerde dat de overbrenging of de niet-terugkeer van het (de) kind(eren) in strijd was met het gezagsrecht, en dit recht op het tijdstip van overbrenging of niet-terugkeer, overeenkomstig het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980, alleen of gezamenlijk, daadwerkelijk werd uitgeoefend, of zou zijn uitgeoefend indien de overbrenging of niet-terugkeer niet had plaatsgevonden. Dit gerecht heeft de terugkeer van een of meer kinderen in de procedure geweigerd enkel op basis van artikel 13, lid 1, onder b), of artikel 13, lid 2, of beide, van het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980.

Indien een procedure ten gronde over het gezagsrecht reeds aanhangig is in de lidstaat waar het kind onmiddellijk vóór de ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer zijn of haar gewone verblijfplaats had op het ogenblik dat dit gerecht zijn, bij punt 3 vermelde, beslissing tot weigering van de terugkeer van dat kind gaf die enkel was gebaseerd op artikel 13, lid 1, onder b), of artikel 13, lid 2, of beide, van het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980, doet dit gerecht, krachtens artikel 29, lid 3, van de verordening, indien het gerecht weet heeft van deze procedure, binnen één maand vanaf de datum van zijn beslissing, hetzij rechtstreeks hetzij via de centrale autoriteiten, aan het gerecht waarbij een procedure ten gronde over het gezagsrecht aanhangig is gemaakt, de volgende stukken toekomen:

a)

een kopie van zijn beslissing tot weigering van de terugkeer van het kind;

b)

dit certificaat; en

c)

in voorkomend geval, een afschrift, een samenvatting of de notulen van de hoorzitting, als vermeld bij punt 4.1, evenals alle andere documenten die het gerecht relevant acht, zoals vermeld bij punt 4.2.

Het gerecht waarbij de procedure ten gronde over het gezagsrecht aanhangig is gemaakt, kan zo nodig van een partij eisen dat deze overeenkomstig artikel 91 van de verordening een vertaling of transliteratie bezorgt van de beslissing en ieder ander stuk dat aan dit certificaat is gehecht (artikel 29, lid 4, van de verordening).

1.   LIDSTAAT VAN HERKOMST VAN DE BESLISSING TOT WEIGERING VAN DE TERUGKEER VAN HET (DE) KIND(EREN)* (4)

België (BE)

Bulgarije (BG)

Tsjechië (CZ)

Duitsland (DE)

Estland (EE)

Ierland (IE)

Griekenland (EL)

Spanje (ES)

Frankrijk (FR)

Kroatië (HR)

Italië (IT)

Cyprus (CY)

Letland (LV)

Litouwen (LT)

Luxemburg (LU)

Hongarije (HU)

Malta (MT)

Nederland (NL)

Oostenrijk (AT)

Polen (PL)

Portugal (PT)

Roemenië (RO)

Slovenië (SI)

Slowakije (SK)

Finland (FI)

Zweden (SE)

Verenigd Koninkrijk (UK)

2.   GERECHT DAT DE BESLISSING HEEFT GENOMEN EN HET CERTIFICAAT AFGEEFT*

2.1.

Naam*

2.2.

Adres*

2.3.

Tel./fax/e-mail*

3.   BESLISSING*

3.1.

Datum (dd/mm/jjjj)*

3.2.

Referentienummer*

4.   EXTRA STUKKEN (DIE KUNNEN WORDEN GEDEELD MET DE PARTIJEN)*

4.1.   Een afschrift, een samenvatting of de notulen van de hoorzitting*

4.1.1.

Ja

4.1.2.

Nee

4.2.   Alle andere stukken die het gerecht relevant acht* (5)

4.2.1.

Ja (namelijk)

4.2.2.

Nee

5.   KIND(EREN) (6) DAT (DIE) VOLGENS DE BESLISSING NIET MOET(EN) WORDEN TERUGGEBRACHT*

5.1.   Kind 1*

5.1.1.

Achterna(a)m(en)*

5.1.2.

Voorna(a)m(en)*

5.1.3.

Geboortedatum (dd/mm/jjjj)*

5.1.4.

Geboorteplaats (indien beschikbaar)

5.1.5.

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

5.2.   Kind 2

5.2.1.

Achterna(a)m(en)

5.2.2.

Voorna(a)m(en)

5.2.3.

Geboortedatum (dd/mm/jjjj)

5.2.4.

Geboorteplaats (indien beschikbaar)

5.2.5.

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

5.3.   Kind 3

5.3.1.

Achterna(a)m(en)

5.3.2.

Voorna(a)m(en)

5.3.3.

Geboortedatum (dd/mm/jjjj)

5.3.4.

Geboorteplaats (indien beschikbaar)

5.3.5.

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

6.   BIJ DE TERUGKEERPROCEDURE BETROKKEN PERSONEN (7) *

6.1.   Persoon die om de terugkeer van het (de) kind(eren) verzoekt*

6.1.1.

Natuurlijke persoon

6.1.1.1.

Achterna(a)m(en)

6.1.1.2.

Voorna(a)m(en)

6.1.1.3.

Geboortedatum (dd/mm/jjjj)

6.1.1.4.

Geboorteplaats (indien beschikbaar)

6.1.1.5.

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

6.1.1.6.

Adres (indien beschikbaar)

6.1.1.6.1.

zoals vermeld in de beslissing …

6.1.1.6.2.

eventuele aanvullende informatie (bijvoorbeeld betreffende een ander huidig adres) …

6.1.2.

Rechtspersoon, instantie of orgaan

6.1.2.1.

Volledige naam

6.1.2.2.

Identificatienummer (indien van toepassing en beschikbaar)

6.1.2.3.

Adres (indien beschikbaar)

6.2.   Verweerder*

6.2.1.

Natuurlijke persoon

6.2.1.1.

Achterna(a)m(en)

6.2.1.2.

Voorna(a)m(en)

6.2.1.3.

Geboortedatum (dd/mm/jjjj)

6.2.1.4.

Geboorteplaats (indien beschikbaar)

6.2.1.5.

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

6.2.1.6.

Adres (indien beschikbaar)

6.2.1.6.1.

zoals vermeld in de beslissing …

6.2.1.6.2.

eventuele aanvullende informatie (bijvoorbeeld betreffende een ander huidig adres) …

6.2.2.

Rechtspersoon, instantie of orgaan

6.2.2.1.

Volledige naam

6.2.2.2.

Identificatienummer (indien van toepassing en beschikbaar)

6.2.2.3.

Adres (indien beschikbaar)

7.   DE BESLISSING TOT WEIGERING VAN DE TERUGKEER VAN HET (DE) KIND(EREN) (8) NAAR EEN ANDERE LIDSTAAT IS ENKEL GEBASEERD OP ÉÉN OF BEIDE VAN DE VOLGENDE BEPALINGEN*

7.1.   Kind 1*

7.1.1.

Artikel 13, lid 1, onder b), van het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980

7.1.2.

Artikel 13, lid 2, van het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980

7.2.   Kind 2

7.2.1.

Artikel 13, lid 1, onder b), van het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980

7.2.2.

Artikel 13, lid 2, van het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980

7.3.   Kind 3

7.3.1.

Artikel 13, lid 1, onder b), van het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980

7.3.2.

Artikel 13, lid 2, van het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980

8.   OP DE DATUM VAN DE BIJ PUNT 3 VERMELDE BESLISSING IS REEDS EEN PROCEDURE TEN GRONDE OVER HET GEZAGSRECHT AANHANGIG IN DE LIDSTAAT WAAR HET (DE) KIND(EREN) ONMIDDELLIJK VÓÓR DE ONGEOORLOOFDE OVERBRENGING OF NIET-TERUGKEER ZIJN OF HAAR (HUN) GEWONE VERBLIJFPLAATS HAD(DEN)*

8.1.   Nee

8.2.   Niet bekend bij het gerecht

8.3.   Ja

8.3.1.

Het gerecht waarbij de procedure ten gronde over het gezagsrecht aanhangig is gemaakt

8.3.1.1.

Naam

8.3.1.2.

Adres (indien beschikbaar)

8.3.1.3.

Tel./fax/e-mail (indien beschikbaar)

8.3.2.

Referentienummer (indien beschikbaar)

8.3.3.

Partij 1 (9)

8.3.3.1.

Natuurlijke persoon

8.3.3.1.1.

Achterna(a)m(en)

8.3.3.1.2.

Voorna(a)m(en)

8.3.3.2.

Rechtspersoon, instantie of orgaan

8.3.3.2.1.

Volledige naam

8.3.4.

Partij 2

8.3.4.1.

Natuurlijke persoon

8.3.4.1.1.

Achterna(a)m(en)

8.3.4.1.2.

Voorna(a)m(en)

8.3.4.2.

Rechtspersoon, instantie of orgaan

8.3.4.2.1.

Volledige naam

8.3.5.

Betrokken kind(eren) (10) zoals vermeld bij punt 5:

8.3.5.1.

Kind 1

8.3.5.2.

Kind 2

8.3.5.3.

Kind 3

9.   VAN DE BESLISSING TOT WEIGERING VAN DE TERUGKEER VAN HET (DE) KIND(EREN) IS ALS VOLGT KENNISGEVING GEDAAN*

9.1.   Persoon 1 zoals vermeld bij punt 6.1*

9.1.1.

Nee

9.1.2.

Niet bekend bij het gerecht

9.1.3.

Ja

9.1.3.1.

Datum van kennisgeving (dd/mm/jjjj)

9.1.3.2.

Van de beslissing is kennisgeving gedaan in de volgende ta(a)l(en):

BG

ES

CS

DE

ET

EL

EN

FR

GA

HR

IT

LV

LT

HU

MT

NL

PL

PT

RO

SK

SL

FI

SV

 

9.2.   Persoon 2 zoals vermeld bij punt 6.2*

9.2.1.

Nee

9.2.2.

Niet bekend bij het gerecht

9.2.3.

Ja

9.2.3.1.

Datum van kennisgeving (dd/mm/jjjj)

9.2.3.2.

Van de beslissing is kennisgeving gedaan in de volgende ta(a)l(en):

BG

ES

CS

DE

ET

EL

EN

FR

GA

HR

IT

LV

LT

HU

MT

NL

PL

PT

RO

SK

SL

FI

SV

 

10.   TER INFORMATIE: ER ZIJN MAATREGELEN GENOMEN OM OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 27, LID 2, VAN DE VERORDENING HET CONTACT TE VERZEKEREN TUSSEN HET (DE) KIND(EREN) EN DE PERSOON DIE OM DE TERUGKEER VAN HET (DE) KIND(EREN) VERZOEKT*

10.1.

Nee

10.2.

Ja

10.2.1.

Zo ja, gelieve een kopie of samenvatting van de beslissing bij te voegen.

Gelieve het aantal bladzijden te vermelden indien u extra bladen heeft bijgevoegd: …

Gedaan te …, datum (dd/mm/jjjj)

Handtekening en/of stempel


(1)  Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980 inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen ("Verdrag van 's-Gravenhage van 1980").

(2)  Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (PB L 178 van 2.7.2019, blz. 1) ("de verordening").

(3)  Indien de partij overeenkomstig artikel 29, lid 5, van de verordening een procedure ten gronde over het gezagsrecht inleidt in de lidstaat waar het (de) kind(eren) onmiddellijk vóór de ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer zijn of haar (hun) gewone verblijfplaats had(den) na de bij punt 3 vermelde beslissing van dit gerecht, zie de afdeling "Informatie voor de personen die dit certificaat ontvangen voor de toepassing van artikel 29, lid 5, van de verordening".

(4)  Velden met een (*) moeten verplicht worden ingevuld.

(5)  Alleen in te vullen voor de toepassing van artikel 29, lid 3, van de verordening.

(6)  Voeg een extra blad bij indien er meer dan drie kinderen betrokken zijn.

(7)  Voeg een extra blad bij indien er meer dan twee personen betrokken zijn.

(8)  Voeg een extra blad bij indien er meer dan drie kinderen betrokken zijn.

(9)  Voeg een extra blad bij indien er meer dan twee partijen betrokken zijn.

(10)  Voeg een extra blad bij indien er meer dan drie kinderen betrokken zijn.


BIJLAGE II

CERTIFICAAT BETREFFENDE BESLISSINGEN IN HUWELIJKSZAKEN

(Artikel 36, lid 1, onder a), van Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad (1))

BELANGRIJK

Af te geven, op verzoek van een partij, ten aanzien van een beslissing waarbij een echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van een huwelijk wordt uitgesproken door het gerecht van een lidstaat van herkomst, zoals overeenkomstig artikel 103 van de verordening ter kennis van de Commissie gebracht.

1.   LIDSTAAT VAN HERKOMST* (2)

België (BE)

Bulgarije (BG)

Tsjechië (CZ)

Duitsland (DE)

Estland (EE)

Ierland (IE)

Griekenland (EL)

Spanje (ES)

Frankrijk (FR)

Kroatië (HR)

Italië (IT)

Cyprus (CY)

Letland (LV)

Litouwen (LT)

Luxemburg (LU)

Hongarije (HU)

Malta (MT)

Nederland (NL)

Oostenrijk (AT)

Polen (PL)

Portugal (PT)

Roemenië (RO)

Slovenië (SI)

Slowakije (SK)

Finland (FI)

Zweden (SE)

Verenigd Koninkrijk (UK)

2.   GERECHT DAT HET CERTIFICAAT AFGEEFT*

2.1.

Naam*

2.2.

Adres*

2.3.

Tel./fax/e-mail*

3.   GERECHT DAT DE BESLISSING HEEFT GEGEVEN (indien anders)

3.1.

Naam

3.2.

Adres

4.   BESLISSING*

4.1.   Datum (dd/mm/jjjj)*

4.2.   Referentienummer*

4.3.   Soort beslissing*

4.3.1.

Echtscheiding

4.3.2.

Nietigverklaring van het huwelijk

4.3.3.

Scheiding van tafel en bed

5.   HUWELIJK*

5.1.   Echtgenoten*

5.1.1.

 

5.1.1.1.

Achterna(a)m(en)*

5.1.1.2.

Voorna(a)m(en)*

5.1.1.3.

Geboortedatum (dd/mm/jjjj)*

5.1.1.4.

Geboorteplaats

5.1.1.5.

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

5.1.1.6.

Adres (indien beschikbaar)

5.1.1.6.1.

zoals vermeld in de beslissing …

5.1.1.6.2.

eventuele aanvullende informatie (bijvoorbeeld betreffende een ander huidig adres) …

5.1.2.

 

5.1.2.1.

Achterna(a)m(en)*

5.1.2.2.

Voorna(a)m(en)*

5.1.2.3.

Geboortedatum (dd/mm/jjjj)*

5.1.2.4.

Geboorteplaats

5.1.2.5.

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

5.1.2.6.

Adres (indien beschikbaar)

5.1.2.6.1.

zoals vermeld in de beslissing …

5.1.2.6.2.

eventuele aanvullende informatie (bijvoorbeeld betreffende een ander huidig adres) …

5.2.   Datum, land en plaats van huwelijk*

5.2.1.

Datum (dd/mm/jjjj)*

5.2.2.

Land*

5.2.3.

Plaats (indien beschikbaar)

6.   DE BESLISSING IS BIJ VERSTEK GEGEVEN*

6.1.   Nee

6.2.   Ja

6.2.1.

Partij waaraan verstek is verleend als vermeld bij punt … (gelieve in te vullen)

6.2.2.

Het stuk waarmee de procedure is ingeleid of een gelijkwaardig stuk is aan die partij betekend of medegedeeld.

6.2.2.1.

Nee

6.2.2.2.

Niet bekend bij het gerecht

6.2.2.3.

Ja

6.2.2.3.1.

Datum van betekening/mededeling (dd/mm/jjjj)

7.   TEGEN DE BESLISSING STAAN, VOLGENS DE WETGEVING VAN DE LIDSTAAT VAN HERKOMST, NOG RECHTSMIDDELEN OPEN*

7.1.

Nee

7.2.

Ja

8.   DATUM VAN HET RECHTSGEVOLG IN DE LIDSTAAT WAAR DE BESLISSING IS GEGEVEN (dd/mm/jjjj)*

9.   NA(A)M(EN) VAN DE PARTIJ(EN) DIE OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 74, LID 1, VAN DE VERORDENING VOOR RECHTSBIJSTAND IN AANMERKING IS (ZIJN) GEKOMEN

9.1.   Partij(en)

9.1.1.

als vermeld bij punt 5.1.1

9.1.2.

als vermeld bij punt 5.1.2

10.   KOSTEN EN UITGAVEN VAN DE PROCEDURE (3)

10.1.

De beslissing betreft ook aangelegenheden inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en de informatie over de kosten in verband met de procedure uit hoofde van deze verordening wordt uitsluitend verstrekt in het certificaat betreffende beslissingen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid.

10.2.

In de beslissing is bepaald dat (4)

… (achterna(a)m(en))

… (voorna(a)m(en))

moet(en) betalen aan

… (achterna(a)m(en))

… (voorna(a)m(en))

de som van …

euro (EUR)

Bulgaarse lev (BGN)

Kroatische kuna (HRK)

Tsjechische kroon (CZK)

Hongaarse forint (HUF)

Poolse zloty (PLN)

Pond sterling (GBP)

Roemeense leu (RON)

Zweedse kroon (SEK)

Andere (gelieve te vermelden (ISO-code)):

10.3.

Eventuele aanvullende informatie die van belang zou kunnen zijn (bijvoorbeeld vast bedrag of percentage; toegekende rente; gedeelde kosten; indien meerdere partijen in de kosten zijn verwezen, of het gehele bedrag bij elk van hen kan worden ingevorderd): …

Gedaan te …, datum (dd/mm/jjjj)

Handtekening en/of stempel


(1)  Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (PB L 178 van 2.7.2019, blz. 1) ("de verordening").

(2)  Velden met een (*) moeten verplicht worden ingevuld.

(3)  Dit betreft ook het geval dat de kosten in een afzonderlijke beslissing worden toegewezen. Het loutere feit dat het bedrag van de kosten nog niet is vastgesteld, mag het gerecht niet beletten, het certificaat af te geven indien een partij om erkenning van het dictum van de beslissing wenst te verzoeken.

(4)  Voeg een extra blad bij indien meerdere partijen in de kosten zijn verwezen.


BIJLAGE III

CERTIFICAAT BETREFFENDE BESLISSINGEN INZAKE OUDERLIJKE VERANTWOORDELIJKHEID

(Artikel 36, lid 1, onder b), van Verordening (EU) 2019/1111van de Raad (1)

BELANGRIJK

Af te geven, op verzoek van een partij, ten aanzien van een beslissing inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid door het gerecht van een lidstaat van herkomst, zoals overeenkomstig artikel 103 van de verordening ter kennis van de Commissie gebracht.

1.   LIDSTAAT VAN HERKOMST* (2)

België (BE)

Bulgarije (BG)

Tsjechië (CZ)

Duitsland (DE)

Estland (EE)

Ierland (IE)

Griekenland (EL)

Spanje (ES)

Frankrijk (FR)

Kroatië (HR)

Italië (IT)

Cyprus (CY)

Letland (LV)

Litouwen (LT)

Luxemburg (LU)

Hongarije (HU)

Malta (MT)

Nederland (NL)

Oostenrijk (AT)

Polen (PL)

Portugal (PT)

Roemenië (RO)

Slovenië (SI)

Slowakije (SK)

Finland (FI)

Zweden (SE)

Verenigd Koninkrijk (UK)

2.   GERECHT DAT HET CERTIFICAAT AFGEEFT*

2.1.

Naam*

2.2.

Adres*

2.3.

Tel./fax/e-mail*

3.   GERECHT DAT DE BESLISSING HEEFT GEGEVEN (indien anders)

3.1.

Naam

3.2.

Adres

4.   BESLISSING*

4.1.

Datum (dd/mm/jjjj)*

4.2.

Referentienummer*

5.   KIND(EREN) (3) WAAROP DE BESLISSING BETREKKING HEEFT*

5.1.   Kind 1*

5.1.1.

Achterna(a)m(en)*

5.1.2.

Voorna(a)m(en)*

5.1.3.

Geboortedatum (dd/mm/jjjj)*

5.1.4.

Geboorteplaats (indien beschikbaar)

5.1.5.

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

5.2.   Kind 2

5.2.1.

Achterna(a)m(en)

5.2.2.

Voorna(a)m(en)

5.2.3.

Geboortedatum (dd/mm/jjjj)

5.2.4.

Geboorteplaats (indien beschikbaar)

5.2.5.

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

5.3.   Kind 3

5.3.1.

Achterna(a)m(en)

5.3.2.

Voorna(a)m(en)

5.3.3.

Geboortedatum (dd/mm/jjjj)

5.3.4.

Geboorteplaats (indien beschikbaar)

5.3.5.

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

6.   GEZAGSRECHT (4)

6.1.   Het gezagsrecht dat op grond van de beslissing is toegekend (5)

……

6.2.   Toegekend aan de volgende partij(en) (6)

6.2.1.

Partij 1

6.2.1.1.

Natuurlijke persoon

6.2.1.1.1.

Achterna(a)m(en)

6.2.1.1.2.

Voorna(a)m(en)

6.2.1.1.3.

Geboortedatum (dd/mm/jjjj)

6.2.1.1.4.

Geboorteplaats (indien beschikbaar)

6.2.1.1.5.

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

6.2.1.1.6.

Adres (indien beschikbaar)

6.2.1.1.6.1.

zoals vermeld in de beslissing …

6.2.1.1.6.2.

eventuele aanvullende informatie (bijvoorbeeld betreffende een ander huidig adres) …

6.2.1.2.

Rechtspersoon, instantie of orgaan

6.2.1.2.1.

Volledige naam

6.2.1.2.2.

Identificatienummer (indien van toepassing en beschikbaar)

6.2.1.2.3.

Adres (indien beschikbaar)

6.2.2.

Partij 2

6.2.2.1.

Natuurlijke persoon

6.2.2.1.1.

Achterna(a)m(en)

6.2.2.1.2.

Voorna(a)m(en)

6.2.2.1.3.

Geboortedatum (dd/mm/jjjj)

6.2.2.1.4.

Geboorteplaats (indien beschikbaar)

6.2.2.1.5.

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

6.2.2.1.6.

Adres (indien beschikbaar)

6.2.2.1.6.1.

zoals vermeld in de beslissing …

6.2.2.1.6.2.

eventuele aanvullende informatie (bijvoorbeeld betreffende een ander huidig adres) …

6.2.2.2.

Rechtspersoon, instantie of orgaan

6.2.2.2.1.

Volledige naam

6.2.2.2.2.

Identificatienummer (indien van toepassing en beschikbaar)

6.2.2.2.3.

Adres (indien beschikbaar)

6.3.   De beslissing brengt de overdracht van het (de) kind(eren) met zich mee

6.3.1.

Nee

6.3.2.

Ja

6.3.2.1.

Voor de tenuitvoerlegging relevante nadere gegevens van de overdracht, indien niet reeds vermeld bij punt 6.1 (bijvoorbeeld, aan wie, welk(e) kind(eren), periodieke of eenmalige overdracht)

……

7.   OMGANGSRECHT

7.1.   Bij de beslissing verleend omgangsrecht (7)

……

7.2.   Verleend aan de volgende partij(en) (8)

7.2.1.

Partij 1

7.2.1.1.

Achterna(a)m(en)

7.2.1.2.

Voorna(a)m(en)

7.2.1.3.

Geboortedatum (dd/mm/jjjj)

7.2.1.4.

Geboorteplaats (indien beschikbaar)

7.2.1.5.

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

7.2.1.6.

Adres (indien beschikbaar)

7.2.1.6.1.

zoals vermeld in de beslissing …

7.2.1.6.2.

eventuele aanvullende informatie (bijvoorbeeld betreffende een ander huidig adres) …

7.2.2.

Partij 2

7.2.2.1.

Achterna(a)m(en)

7.2.2.2.

Voorna(a)m(en)

7.2.2.3.

Geboortedatum (dd/mm/jjjj)

7.2.2.4.

Geboorteplaats (indien beschikbaar)

7.2.2.5.

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

7.2.2.6.

Adres (indien beschikbaar)

7.2.2.6.1.

zoals vermeld in de beslissing …

7.2.2.6.2.

eventuele aanvullende informatie (bijvoorbeeld betreffende een ander huidig adres) …

7.3.   De beslissing brengt de overdracht van het (de) kind(eren) met zich mee

7.3.1.

Neen

7.3.2.

Ja

7.3.2.1.

Voor de tenuitvoerlegging relevante nadere gegevens van de overdracht, indien niet reeds vermeld bij punt 7.1 (bijvoorbeeld, aan wie, welk(e) kind(eren), periodieke of eenmalige overdracht)

……

8.   ANDERE RECHTEN INZAKE OUDERLIJKE VERANTWOORDELIJKHEID

8.1.   Recht(en) toegekend op grond van de beslissing (9)

……

8.2.   Toegekend aan de volgende partij(en) (10)

8.2.1.

Partij 1

8.2.1.1.

Natuurlijke persoon

8.2.1.1.1.

Achterna(a)m(en)

8.2.1.1.2.

Voorna(a)m(en)

8.2.1.1.3.

Geboortedatum (dd/mm/jjjj)

8.2.1.1.4.

Geboorteplaats (indien beschikbaar)

8.2.1.1.5.

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

8.2.1.1.6.

Adres (indien beschikbaar)

8.2.1.1.6.1.

zoals vermeld in de beslissing …

8.2.1.1.6.2.

eventuele aanvullende informatie (bijvoorbeeld betreffende een ander huidig adres) …

8.2.1.2.

Rechtspersoon, instantie of orgaan

8.2.1.2.1.

Volledige naam

8.2.1.2.2.

Identificatienummer (indien van toepassing en beschikbaar)

8.2.1.2.3.

Adres (indien beschikbaar)

8.2.2.

Partij 2

8.2.2.1.

Natuurlijke persoon

8.2.2.1.1.

Achterna(a)m(en)

8.2.2.1.2.

Voorna(a)m(en)

8.2.2.1.3.

Geboortedatum (dd/mm/jjjj)

8.2.2.1.4.

Geboorteplaats (indien beschikbaar)

8.2.2.1.5.

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

8.2.2.1.6.

Adres (indien beschikbaar)

8.2.2.1.6.1.

zoals vermeld in de beslissing …

8.2.2.1.6.2.

eventuele aanvullende informatie (bijvoorbeeld betreffende een ander huidig adres) …

8.2.2.2.

Rechtspersoon, instantie of orgaan

8.2.2.2.1.

Volledige naam

8.2.2.2.2.

Identificatienummer (indien van toepassing en beschikbaar)

8.2.2.2.3.

Adres (indien beschikbaar)

8.3.   De beslissing brengt de overdracht van het (de) kind(eren) met zich mee

8.3.1.

Neen

8.3.2.

Ja

8.3.2.1.

Voor de tenuitvoerlegging relevante nadere gegevens van de overdracht, indien niet reeds vermeld bij punt 8.1 (bijvoorbeeld, aan wie, welk(e) kind(eren), periodieke of eenmalige overdracht)

……

9.   DE BESLISSING GELAST (EEN) VOORLOPIGE EN BEWARENDE MAATREGEL(EN)*

9.1.   Nee

9.2.   Ja

9.2.1.

Beschrijving van de gelaste maatregel(en) (11)

……

10.   TEGEN DE BESLISSING STAAN, VOLGENS DE WETGEVING VAN DE LIDSTAAT VAN HERKOMST, NOG RECHTSMIDDELEN OPEN*

10.1.

Nee

10.2.

Ja

11.   DE BESLISSING IS IN DE LIDSTAAT VAN HERKOMST UITVOERBAAR*

11.1.   Betreffende gezagsrecht als vermeld bij punt 6

11.1.1.

Nee

11.1.1.1.

De beslissing bevat geen uitvoerbare verplichting (indien van toepassing).

11.1.2.

Ja, zonder beperkingen (vermeld de datum (dd/mm/jjjj) waarop de beslissing uitvoerbaar werd): …/…/……

11.1.3.

Ja, zij het uitsluitend jegens de partij (12) als vermeld bij punt … (gelieve in te vullen)

11.1.3.1.

Vermeld de datum (dd/mm/jjjj) waarop de beslissing jegens die partij uitvoerbaar werd: …/…/……

11.1.4.

Ja, zij het uitsluitend voor wat betreft het (de) volgende onderde(e)l(en) van de beslissing (gelieve te vermelden) …

11.1.4.1.

Vermeld de datum (dd/mm/jjjj) waarop dit (deze) onderde(e)l(en) van de beslissing uitvoerbaar werd(en): …/…/……

11.2.   Betreffende omgangsrecht als vermeld bij punt 7

11.2.1.

Nee

11.2.1.1.

De beslissing bevat geen uitvoerbare verplichting (indien van toepassing).

11.2.2.

Ja, zonder beperkingen (vermeld de datum (dd/mm/jjjj) waarop de beslissing uitvoerbaar werd): …/…/……

11.2.3.

Ja, zij het uitsluitend jegens de partij (13) als vermeld bij punt … (gelieve in te vullen)

11.2.3.1.

Vermeld de datum (dd/mm/jjjj) waarop de beslissing jegens die partij uitvoerbaar werd: …/…/……

11.2.4.

Ja, zij het uitsluitend voor wat betreft het (de) volgende onderde(e)l(en) van de beslissing (gelieve te vermelden) …

11.2.4.1.

Vermeld de datum (dd/mm/jjjj) waarop dit (deze) onderde(e)l(en) van de beslissing uitvoerbaar werd(en): …/…/……

11.3.   Betreffende andere rechten inzake ouderlijke verantwoordelijkheid als vermeld bij punt 8

11.3.1.

Nee

11.3.1.1.

De beslissing bevat geen uitvoerbare verplichting (indien van toepassing).

11.3.2.

Ja, zonder beperkingen (vermeld de datum (dd/mm/jjjj) waarop de beslissing uitvoerbaar werd): …/…/……

11.3.3.

Ja, zij het uitsluitend jegens de partij (14) als vermeld bij punt … (gelieve in te vullen)

11.3.3.1.

Vermeld de datum (dd/mm/jjjj) waarop de beslissing jegens die partij uitvoerbaar werd: …/…/……

11.3.4.

Ja, zij het uitsluitend voor wat betreft het (de) volgende onderde(e)l(en) van de beslissing (gelieve te vermelden) …

11.3.4.1.

Vermeld de datum (dd/mm/jjjj) waarop dit (deze) onderde(e)l(en) van de beslissing uitvoerbaar werd(en): …/…/……

12.   OP DE DATUM VAN AFGIFTE VAN DIT CERTIFICAAT IS DE BESLISSING BETEKEND/MEDEGEDEELD AAN DE PARTIJ(EN) (15) JEGENS WIE OM TENUITVOERLEGGING WORDT VERZOCHT*

12.1.   Aan de partij die is vermeld bij punt … (gelieve in te vullen)

12.1.1.

Nee

12.1.2.

Niet bekend bij het gerecht

12.1.3.

Ja

12.1.3.1.

Datum van betekening/mededeling (dd/mm/jjjj)

12.1.3.2.

De betekening/mededeling vond plaats in de volgende ta(a)l(en):

BG

ES

CS

DE

ET

EL

EN

FR

GA

HR

IT

LV

LT

HU

MT

NL

PL

PT

RO

SK

SL

FI

SV

 

 

12.2.   Aan de partij die is vermeld bij punt … (gelieve in te vullen)

12.2.1.

Nee

12.2.2.

Niet bekend bij het gerecht

12.2.3.

Ja

12.2.3.1.

Datum van betekening/mededeling (dd/mm/jjjj)

12.2.3.2.

De betekening/mededeling vond plaats in de volgende ta(a)l(en):

BG

ES

CS

DE

ET

EL

EN

FR

GA

HR

IT

LV

LT

HU

MT

NL

PL

PT

RO

SK

SL

FI

SV

 

 

13.   DE BESLISSING IS BIJ VERSTEK GEGEVEN*

13.1.   Nee

13.2.   Ja

13.2.1.

Partij(en) waaraan verstek is verleend (16) als vermeld bij punt … (gelieve in te vullen)

13.2.2.

Het stuk waarmee de procedure is ingeleid of een gelijkwaardig stuk is aan die partij betekend of medegedeeld.

13.2.2.1.

Nee

13.2.2.2.

Niet bekend bij het gerecht

13.2.2.3.

Ja

13.2.2.3.1.

Datum van betekening/mededeling (dd/mm/jjjj)

14.   HET (DE) KIND(EREN) (17) VERMELD BIJ PUNT 5 KON(DEN) ZICH EEN EIGEN MENING VORMEN*

14.1.   Kind vermeld bij punt 5.1

14.1.1.

Ja (vul dan punt 15 in)

14.1.2.

Nee

14.2.   Kind vermeld bij punt 5.2

14.2.1.

Ja (vul dan punt 15 in)

14.2.2.

Nee

14.3.   Kind vermeld bij punt 5.3

14.3.1.

Ja (vul dan punt 15 in)

14.3.2.

Nee

15.   HET (DE) KIND(EREN) DAT (DIE) ZICH EEN EIGEN MENING KON(DEN) VORMEN, ZOALS VERMELD BIJ PUNT 14, IS EEN REËLE EN EFFECTIEVE MOGELIJKHEID GEBODEN OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 21 VAN DE VERORDENING DIE MENING TE UITEN

15.1.   Kind vermeld bij punt 5.1

15.1.1.

Ja

15.1.2.

Nee, om volgende redenen: …

15.2.   Kind vermeld bij punt 5.2

15.2.1.

Ja

15.2.2.

Nee, om volgende redenen: …

15.3.   Kind vermeld bij punt 5.3

15.3.1.

Ja

15.3.2.

Nee, om volgende redenen: …

16.   NA(A)M(EN) VAN DE PARTIJ(EN) (18) DIE OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 74, LID 1, VAN DE VERORDENING VOOR RECHTSBIJSTAND IN AANMERKING IS (ZIJN) GEKOMEN

16.1.   Partij(en)

16.1.1.

als vermeld bij punt … (gelieve in te vullen)

16.1.2.

als vermeld bij punt … (gelieve in te vullen)

17.   KOSTEN EN UITGAVEN VAN DE PROCEDURE (19)

17.1.

De beslissing betreft ook huwelijkszaken, en de informatie over de kosten in verband met de procedure uit hoofde van deze verordening wordt uitsluitend verstrekt in dit certificaat.

17.2.

In de beslissing is bepaald dat (20)

… (achterna(a)m(en))

… (voorna(a)m(en))

moet(en) betalen aan

… (achterna(a)m(en))

… (voorna(a)m(en))

de som van …

euro (EUR)

Bulgaarse lev (BGN)

Kroatische kuna (HRK)

Tsjechische kroon (CZK)

Hongaarse forint (HUF)

Poolse zloty (PLN)

Pond sterling (GBP)

Roemeense leu (RON)

Zweedse kroon (SEK)

Andere (gelieve te vermelden (ISO-code)):

17.3.

Eventuele aanvullende informatie die van belang zou kunnen zijn (bijvoorbeeld vast bedrag of percentage; toegekende rente; gedeelde kosten; indien meerdere partijen in de kosten zijn verwezen, of het gehele bedrag bij elk van hen kan worden ingevorderd): …

Gedaan te …, datum (dd/mm/jjjj)

Handtekening en/of stempel


(1)  Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (PB L 178 van 2.7.2019, blz. 1) ("de verordening").

(2)  Velden met een (*) moeten verplicht worden ingevuld.

(3)  Voeg een extra blad bij indien er meer dan drie kinderen betrokken zijn.

(4)  De term "gezagsrecht" is gedefinieerd in artikel 2, lid 2, punt 9), van de verordening.

(5)  Kopieer het relevante onderdeel van het beschikkend gedeelte van de beslissing.

(6)  Voeg een extra blad bij indien er meer dan twee partijen betrokken zijn.

(7)  Kopieer het relevante onderdeel van het beschikkend gedeelte van de beslissing.

(8)  Voeg een extra blad bij indien er meer dan twee partijen betrokken zijn.

(9)  Kopieer het relevante onderdeel van het beschikkend gedeelte van de beslissing.

(10)  Voeg een extra blad bij indien er meer dan twee partijen betrokken zijn.

(11)  Kopieer het relevante onderdeel van het beschikkend gedeelte van de beslissing.

(12)  Voeg een extra blad bij indien er meer dan één partij betrokken is.

(13)  Voeg een extra blad bij indien er meer dan één partij betrokken is.

(14)  Voeg een extra blad bij indien er meer dan één partij betrokken is.

(15)  Voeg een extra blad bij indien er meer dan twee partijen betrokken zijn.

(16)  Voeg een extra blad bij indien er meer dan één partij betrokken is.

(17)  Voeg een extra blad bij indien er meer dan drie kinderen betrokken zijn.

(18)  Voeg een extra blad bij indien er meer dan twee partijen betrokken zijn.

(19)  Dit betreft ook het geval dat de kosten in een afzonderlijke beslissing worden toegewezen. Het loutere feit dat het bedrag van de kosten nog niet is vastgesteld, mag het gerecht niet beletten, het certificaat af te geven indien een partij om erkenning of tenuitvoerlegging van het dictum van de beslissing wenst te verzoeken.

(20)  Voeg een extra blad bij indien meerdere partijen in de kosten zijn verwezen.


BIJLAGE IV

CERTIFICAAT BETREFFENDE BESLISSINGEN WAARMEE UIT HOOFDE VAN HET VERDRAG VAN 'S-GRAVENHAGE VAN 1980 (1) DE TERUGKEER VAN EEN KIND NAAR EEN ANDERE LIDSTAAT WORDT GELAST, EN ALLE OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 27, LID 5, VAN DE VERORDENING, GENOMEN VOORLOPIGE EN BEWARENDE MAATREGELEN SAMENHANGEND MET DIE BESLISSINGEN

(Artikel 36, lid 1, onder c), van Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad (2))

BELANGRIJK

Af te geven, op verzoek van een partij, door het gerecht van een lidstaat van herkomst van een terugkeerbeslissing zoals overeenkomstig artikel 103 van de verordening ter kennis van de Commissie gebracht, indien de terugkeerbeslissing ten uitvoer moet worden gelegd in een andere lidstaat als gevolg van een verdere ontvoering van het (de) kind(eren) nadat de terugkeer was gelast, of indien de terugkeerbeslissing een voorlopige en bewarende maatregel bevat op grond van artikel 27, lid 5, van de verordening om het kind te beschermen tegen het ernstige risico dat wordt genoemd in artikel 13, lid 1, onder b), van het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980.

1.   LIDSTAAT VAN HERKOMST VAN DE BESLISSING WAARMEE DE TERUGKEER VAN HET (DE) KIND(EREN) WORDT GELAST* (3)

België (BE)

Bulgarije (BG)

Tsjechië (CZ)

Duitsland (DE)

Estland (EE)

Ierland (IE)

Griekenland (EL)

Spanje (ES)

Frankrijk (FR)

Kroatië (HR)

Italië (IT)

Cyprus (CY)

Letland (LV)

Litouwen (LT)

Luxemburg (LU)

Hongarije (HU)

Malta (MT)

Nederland (NL)

Oostenrijk (AT)

Polen (PL)

Portugal (PT)

Roemenië (RO)

Slovenië (SI)

Slowakije (SK)

Finland (FI)

Zweden (SE)

Verenigd Koninkrijk (UK)

2.   GERECHT DAT HET CERTIFICAAT AFGEEFT*

2.1.

Naam*

2.2.

Adres*

2.3.

Tel./fax/e-mail*

3.   GERECHT DAT DE BESLISSING HEEFT GEGEVEN (indien anders)

3.1.

Naam

3.2.

Adres

4.   BESLISSING*

4.1.

Datum (dd/mm/jjjj)*

4.2.

Referentienummer*

5.   KIND(EREN) (4) DAT (DIE) VOLGENS DE BESLISSING MOET(EN) WORDEN TERUGGEBRACHT*

5.1.   Kind 1*

5.1.1.

Achterna(a)m(en)*

5.1.2.

Voorna(a)m(en)*

5.1.3.

Geboortedatum (dd/mm/jjjj)*

5.1.4.

Geboorteplaats (indien beschikbaar)

5.1.5.

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

5.2.   Kind 2

5.2.1.

Achterna(a)m(en)

5.2.2.

Voorna(a)m(en)

5.2.3.

Geboortedatum (dd/mm/jjjj)

5.2.4.

Geboorteplaats (indien beschikbaar)

5.2.5.

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

5.3.   Kind 3

5.3.1.

Achterna(a)m(en)

5.3.2.

Voorna(a)m(en)

5.3.3.

Geboortedatum (dd/mm/jjjj)

5.3.4.

Geboorteplaats (indien beschikbaar)

5.3.5.

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

6.   LIDSTAAT WAARNAAR HET (DE) KIND(EREN) VOLGENS DE BESLISSING MOET(EN) WORDEN TERUGGEBRACHT*

België (BE)

Bulgarije (BG)

Tsjechië (CZ)

Duitsland (DE)

Estland (EE)

Ierland (IE)

Griekenland (EL)

Spanje (ES)

Frankrijk (FR)

Kroatië (HR)

Italië (IT)

Cyprus (CY)

Letland (LV)

Litouwen (LT)

Luxemburg (LU)

Hongarije (HU)

Malta (MT)

Nederland (NL)

Oostenrijk (AT)

Polen (PL)

Portugal (PT)

Roemenië (RO)

Slovenië (SI)

Slowakije (SK)

Finland (FI)

Zweden (SE)

Verenigd Koninkrijk (UK)

7.   INDIEN EN VOOR ZOVER IN DE BESLISSING VERMELD, HET (DE) KIND(EREN) MOET(EN) WORDEN TERUGGEBRACHT BIJ (5)

7.1.   Partij 1

7.1.1.

Natuurlijke persoon

7.1.1.1.

Achterna(a)m(en)

7.1.1.2.

Voorna(a)m(en)

7.1.1.3.

Geboortedatum (dd/mm/jjjj)

7.1.1.4.

Geboorteplaats (indien beschikbaar)

7.1.1.5.

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

7.1.1.6.

Adres (indien beschikbaar)

7.1.1.6.1.

zoals vermeld in de beslissing …

7.1.1.6.2.

eventuele aanvullende informatie (bijvoorbeeld betreffende een ander huidig adres) …

7.1.2.

Rechtspersoon, instantie of orgaan

7.1.2.1.

Volledige naam

7.1.2.2.

Identificatienummer (indien van toepassing en beschikbaar)

7.1.2.3.

Adres (indien beschikbaar)

7.2.   Partij 2

7.2.1.

Natuurlijke persoon

7.2.1.1.

Achterna(a)m(en)

7.2.1.2.

Voorna(a)m(en)

7.2.1.3.

Geboortedatum (dd/mm/jjjj)

7.2.1.4.

Geboorteplaats (indien beschikbaar)

7.2.1.5.

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

7.2.1.6.

Adres (indien beschikbaar)

7.2.1.6.1.

zoals vermeld in de beslissing …

7.2.1.6.2.

eventuele aanvullende informatie (bijvoorbeeld betreffende een ander huidig adres) …

7.2.2.

Rechtspersoon, instantie of orgaan

7.2.2.1.

Volledige naam

7.2.2.2.

Identificatienummer (indien van toepassing en beschikbaar)

7.2.2.3.

Adres (indien beschikbaar)

8.   PRAKTISCHE REGELING VOOR DE TERUGKEER (INDIEN EN VOOR ZOVER IN DE BESLISSING VERMELD) (6)

……

9.   DE BESLISSING OMVAT (EEN) VOORLOPIGE EN BEWARENDE MAATREGEL(EN) OP BASIS VAN ARTIKEL 27, LID 5, VAN DE VERORDENING OM HET KIND TE BESCHERMEN TEGEN HET ERNSTIGE RISICO DAT WORDT GENOEMD IN ARTIKEL 13, LID 1, ONDER B), VAN HET VERDRAG VAN 'S-GRAVENHAGE VAN 1980*

9.1.   Nee

9.2.   Ja

9.2.1.

Beschrijving van de gelaste maatregel(en) (7)

……

10.   PARTIJ (8) JEGENS WIE OM TENUITVOERLEGGING WORDT VERZOCHT*

10.1.   Achterna(a)m(en)*

10.2.   Voorna(a)m(en)*

10.3.   Geboortedatum (dd/mm/jjjj)*

10.4.   Geboorteplaats (indien beschikbaar)

10.5.   Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

10.6.   Adres (indien beschikbaar)

10.6.1.

zoals vermeld in de beslissing …

10.6.2.

eventuele aanvullende informatie (bijvoorbeeld betreffende een ander huidig adres) …

11.   TEGEN DE BESLISSING STAAN, VOLGENS DE WETGEVING VAN DE LIDSTAAT VAN HERKOMST, NOG RECHTSMIDDELEN OPEN*

11.1.

Nee

11.2.

Ja

12.   DE BESLISSING IS IN DE LIDSTAAT VAN HERKOMST UITVOERBAAR*

12.1.   Nee

12.2.   Ja, zonder beperkingen (vermeld de datum (dd/mm/jjjj) waarop de beslissing uitvoerbaar werd): …/…/……

12.3.   Ja, zij het uitsluitend jegens de partij (9) als vermeld bij punt … (gelieve in te vullen)

12.3.1.

Vermeld de datum (dd/mm/jjjj) waarop de beslissing jegens die partij uitvoerbaar werd: …/…/……

13.   OP DE DATUM VAN AFGIFTE VAN HET CERTIFICAAT IS DE BESLISSING BETEKEND/MEDEGEDEELD AAN DE PARTIJ(EN) (10) JEGENS WIE OM TENUITVOERLEGGING WORDT VERZOCHT ALS VERMELD BIJ PUNT 10*

13.1.

Nee

13.2.

Niet bekend bij het gerecht

13.3.

Ja

14.3.1.

Datum van betekening/mededeling (dd/mm/jjjj)

14.3.2.

De betekening/mededeling vond plaats in de volgende ta(a)l(en):

BG

ES

CS

DE

ET

EL

EN

FR

GA

HR

IT

LV

LT

HU

MT

NL

PL

PT

RO

SK

SL

FI

SV

 

 

14.   DE BESLISSING IS BIJ VERSTEK GEGEVEN*

14.1.   Nee

14.2.   Ja

14.2.1.

Partij waaraan verstek is verleend als vermeld bij punt … (gelieve in te vullen)

14.2.2.

Het stuk waarmee het geschil is ingeleid of een gelijkwaardig stuk is aan die partij betekend of medegedeeld

14.2.2.1.

Nee

14.2.2.2.

Niet bekend bij het gerecht

14.2.2.3.

Ja

14.2.2.3.1.

Datum van betekening/mededeling (dd/mm/jjjj)

15.   HET (DE) KIND(EREN) (11) VERMELD BIJ PUNT 5 KON(DEN) ZICH EEN EIGEN MENING VORMEN*

15.1.   Kind vermeld bij punt 5.1

15.1.1.

Ja (vul dan punt 16 in)

15.1.2.

Nee

15.2.   Kind vermeld bij punt 5.2

15.2.1.

Ja (vul dan punt 16 in)

15.2.2.

Nee

15.3.   Kind vermeld bij punt 5.3

15.3.1.

Ja (vul dan punt 16 in)

15.3.2.

Nee

16.   HET (DE) KIND(EREN) (12) DAT (DIE) ZICH EEN EIGEN MENING KON(DEN) VORMEN, ZOALS VERMELD BIJ PUNT 15, IS EEN REËLE EN EFFECTIEVE MOGELIJKHEID GEBODEN OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 21 VAN DE VERORDENING DIE MENING TE UITEN

16.1.   Kind vermeld bij punt 5.1

16.1.1.

Ja

16.1.2.

Nee, om volgende redenen: …

16.2.   Kind vermeld bij punt 5.2

16.2.1.

Ja

16.2.2.

Nee, om volgende redenen: …

16.3.   Kind vermeld bij punt 5.3

16.3.1.

Ja

16.3.2.

Nee, om volgende redenen: …

17.   NA(A)M(EN) VAN DE PARTIJ(EN) (13) DIE OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 74, LID 1, VAN DE VERORDENING VOOR RECHTSBIJSTAND IN AANMERKING IS (ZIJN) GEKOMEN

17.1.   Partij(en)

17.1.1.

als vermeld bij punt … (gelieve in te vullen)

17.1.2.

als vermeld bij punt … (gelieve in te vullen)

18.   KOSTEN EN UITGAVEN VAN DE PROCEDURE (14)

18.1.

In de beslissing is bepaald dat (15)

… (achterna(a)m(en))

…(voorna(a)m(en))

moet(en) betalen aan

…(achterna(a)m(en))

…(voorna(a)m(en))

de som van …

euro (EUR)

Bulgaarse lev (BGN)

Kroatische kuna (HRK)

Tsjechische kroon (CZK)

Hongaarse forint (HUF)

Poolse zloty (PLN)

Pond sterling (GBP)

Roemeense leu (RON)

Zweedse kroon (SEK)

Andere (gelieve te vermelden (ISO-code)):

18.2.

Eventuele aanvullende informatie die van belang zou kunnen zijn (bijvoorbeeld vast bedrag of percentage; toegekende rente; gedeelde kosten; indien meerdere partijen in de kosten zijn verwezen, of het gehele bedrag bij elk van hen kan worden ingevorderd): …

Gelieve het aantal bladzijden te vermelden indien u extra bladen heeft bijgevoegd: …

Gedaan te …, datum (dd/mm/jjjj) ….

Handtekening en/of stempel


(1)  Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980 inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen ("Verdrag van 's-Gravenhage van 1980").

(2)  Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (PB L 178 van 2.7.2019, blz. 1) ("de verordening").

(3)  Velden met een (*) moeten verplicht worden ingevuld.

(4)  Voeg een extra blad bij indien er meer dan drie kinderen betrokken zijn.

(5)  Voeg een extra blad bij indien er meer dan twee partijen betrokken zijn.

(6)  Kopieer het relevante onderdeel van het beschikkend gedeelte van de beslissing.

(7)  Kopieer het relevante onderdeel van het beschikkend gedeelte van de beslissing.

(8)  Voeg een extra blad bij indien er meer dan één partij betrokken is.

(9)  Voeg een extra blad bij indien er meer dan één partij betrokken is.

(10)  Voeg een extra blad bij indien er meer dan één partij betrokken is.

(11)  Voeg een extra blad bij indien er meer dan drie kinderen betrokken zijn.

(12)  Voeg een extra blad bij indien er meer dan drie kinderen betrokken zijn.

(13)  Voeg een extra blad bij indien er meer dan twee partijen betrokken zijn.

(14)  Dit betreft ook het geval dat de kosten in een afzonderlijke beslissing worden toegewezen. Het loutere feit dat het bedrag van de kosten nog niet is vastgesteld, mag het gerecht niet beletten het certificaat af te geven indien een partij om erkenning of tenuitvoerlegging van het dictum van de beslissing wenst te verzoeken.

(15)  Voeg een extra blad bij indien meerdere partijen in de kosten zijn verwezen.


BIJLAGE V

CERTIFICAAT BETREFFENDE BEPAALDE BESLISSINGEN WAARBIJ OMGANGSRECHT WORDT VERLEEND

(Artikel 42, lid 1, onder a), en artikel 47, lid 1, onder a), van Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad (1))

BELANGRIJK

Af te geven, op verzoek van een partij, door het gerecht dat de beslissing heeft gegeven, enkel indien de voorwaarden van artikel 47, lid 3, van de verordening , zoals aangegeven in de punten 11 tot en met 14, zijn vervuld. Zo niet, dient bijlage III van de verordening te worden gebruikt.

1.   LIDSTAAT VAN HERKOMST* (2)

België (BE)

Bulgarije (BG)

Tsjechië (CZ)

Duitsland (DE)

Estland (EE)

Ierland (IE)

Griekenland (EL)

Spanje (ES)

Frankrijk (FR)

Kroatië (HR)

Italië (IT)

Cyprus (CY)

Letland (LV)

Litouwen (LT)

Luxemburg (LU)

Hongarije (HU)

Malta (MT)

Nederland (NL)

Oostenrijk (AT)

Polen (PL)

Portugal (PT)

Roemenië (RO)

Slovenië (SI)

Slowakije (SK)

Finland (FI)

Zweden (SE)

Verenigd Koninkrijk (UK)

 

2.   GERECHT DAT DE BESLISSING HEEFT GEGEVEN EN HET CERTIFICAAT AFGEEFT*

2.1.

Naam*

2.2.

Adres*

2.3.

Tel./fax/e-mail*

3.   BESLISSING*

3.1.

Datum (dd/mm/jjjj)*

3.2.

Referentienummer*

4.   KIND(EREN) (3) WAAROP DE BESLISSING BETREKKING HEEFT*

4.1.   Kind 1*

4.1.1.

Achterna(a)m(en)*

4.1.2.

Voorna(a)m(en)*

4.1.3.

Geboortedatum (dd/mm/jjjj)*

4.1.4.

Geboorteplaats (indien beschikbaar)

4.1.5.

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

4.2.   Kind 2

4.2.1.

Achterna(a)m(en)

4.2.2.

Voorna(a)m(en)

4.2.3.

Geboortedatum (dd/mm/jjjj)

4.2.4.

Geboorteplaats (indien beschikbaar)

4.2.5.

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

4.3.   Kind 3

4.3.1.

Achterna(a)m(en)

4.3.2.

Voorna(a)m(en)

4.3.3.

Geboortedatum (dd/mm/jjjj)

4.3.4.

Geboorteplaats (indien beschikbaar)

4.3.5.

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

5.   PARTIJ(EN) (4) WAARAAN OMGANGSRECHT IS VERLEEND*

5.1.   Partij 1*

5.1.1.

Achterna(a)m(en)*

5.1.2.

Voorna(a)m(en)*

5.1.3.

Geboortedatum (dd/mm/jjjj)*

5.1.4.

Geboorteplaats (indien beschikbaar)

5.1.5.

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

5.1.6.

Adres (indien beschikbaar)

5.1.6.1.

zoals vermeld in de beslissing …

5.1.6.2.

eventuele aanvullende informatie (bijvoorbeeld betreffende een ander huidig adres) …

5.2.   Partij 2

5.2.1.

Achterna(a)m(en)

5.2.2.

Voorna(a)m(en)

5.2.3.

Geboortedatum (dd/mm/jjjj)

5.2.4.

Geboorteplaats (indien beschikbaar)

5.2.5.

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

5.2.6.

Adres (indien beschikbaar)

5.2.6.1.

zoals vermeld in de beslissing …

5.2.6.2.

eventuele aanvullende informatie (bijvoorbeeld betreffende een ander huidig adres) …

6.   OMGANGSRECHT DAT OP GROND VAN DE BESLISSING IS VERLEEND EN PRAKTISCHE REGELING VOOR DE UITOEFENING ERVAN (VOOR ZOVER IN DE BESLISSING VERMELD) (5)

……

7.   PARTIJ(EN) (6) JEGENS WIE OM TENUITVOERLEGGING WORDT VERZOCHT*

7.1.   Partij 1*

7.1.1.

Natuurlijke persoon

7.1.1.1.

Achterna(a)m(en)

7.1.1.2.

Voorna(a)m(en)

7.1.1.3.

Geboortedatum (dd/mm/jjjj)

7.1.1.4.

Geboorteplaats (indien beschikbaar)

7.1.1.5.

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

7.1.1.6.

Adres (indien beschikbaar)

7.1.1.6.1.

zoals vermeld in de beslissing …

7.1.1.6.2.

eventuele aanvullende informatie (bijvoorbeeld betreffende een ander huidig adres) …

7.1.2.

Rechtspersoon, instantie of orgaan

7.1.2.1.

Volledige naam

7.1.2.2.

Identificatienummer (indien van toepassing en beschikbaar)

7.1.2.3.

Adres (indien beschikbaar)

7.2.   Partij 2

7.2.1.

Natuurlijke persoon

7.2.1.1.

Achterna(a)m(en)

7.2.1.2.

Voorna(a)m(en)

7.2.1.3.

Geboortedatum (dd/mm/jjjj)

7.2.1.4.

Geboorteplaats (indien beschikbaar)

7.2.1.5.

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

7.2.1.6.

Adres (indien beschikbaar)

7.2.1.6.1.

zoals vermeld in de beslissing …

7.2.1.6.2.

eventuele aanvullende informatie (bijvoorbeeld betreffende een ander huidig adres) …

7.2.2.

Rechtspersoon, instantie of orgaan

7.2.2.1.

Volledige naam

7.2.2.2.

Identificatienummer (indien van toepassing en beschikbaar)

7.2.2.3.

Adres (indien beschikbaar)

8.   TEGEN DE BESLISSING STAAN, VOLGENS DE WETGEVING VAN DE LIDSTAAT VAN HERKOMST, NOG RECHTSMIDDELEN OPEN*

8.1.

Nee

8.2.

Ja

9.   DE BESLISSING IS IN DE LIDSTAAT VAN HERKOMST UITVOERBAAR*

9.1.

Nee

9.2.

Ja, zonder beperkingen (vermeld de datum (dd/mm/jjjj) waarop de beslissing uitvoerbaar werd): …/…/……

9.3.

Ja, zij het uitsluitend jegens de partij (7) als vermeld bij punt … (gelieve in te vullen)

9.3.1.

Vermeld de datum (dd/mm/jjjj) waarop de beslissing jegens die partij uitvoerbaar werd: …/…/……

9.4.

Ja, zij het uitsluitend voor wat betreft het (de) volgende onderde(e)l(en) van de beslissing (gelieve te vermelden) …

9.4.1.

Vermeld de datum (dd/mm/jjjj) waarop dit (deze) onderde(e)l(en) van de beslissing uitvoerbaar werden: …/…/……

10.   OP DE DATUM VAN AFGIFTE VAN HET CERTIFICAAT IS DE BESLISSING BETEKEND/MEDEGEDEELD AAN DE PARTIJ(EN) (8) JEGENS WIE OM TENUITVOERLEGGING WORDT VERZOCHT*

10.1.   Aan de partij die is vermeld bij punt 7.1*

10.1.1.

Nee

10.1.2.

Niet bekend bij het gerecht

10.1.3.

Ja

10.1.3.1.

Datum van betekening/mededeling (dd/mm/jjjj)

10.1.3.2.

De betekening/mededeling vond plaats in de volgende ta(a)l(en):

BG

ES

CS

DE

ET

EL

EN

FR

GA

HR

IT

LV

LT

HU

MT

NL

PL

PT

RO

SK

SL

FI

SV

 

 

10.2.   Aan de partij die is vermeld bij punt 7.2

10.2.1.

Nee

10.2.2.

Niet bekend bij het gerecht

10.2.3.

Ja

10.2.3.1.

Datum van betekening/mededeling (dd/mm/jjjj)

10.2.3.2.

De betekening/mededeling vond plaats in de volgende ta(a)l(en):

BG

ES

CS

DE

ET

EL

EN

FR

GA

HR

IT

LV

LT

HU

MT

NL

PL

PT

RO

SK

SL

FI

SV

 

 

11.   ALLE BETROKKEN PARTIJEN ZIJN IN DE GELEGENHEID GESTELD TE WORDEN GEHOORD*

11.1.

Ja (zo niet, dient bijlage III van de verordening te worden gebruikt)

12.   HET (DE) KIND(EREN) (9) VERMELD BIJ PUNT 4 KON(DEN) ZICH EEN EIGEN MENING VORMEN*

12.1.   Kind vermeld bij punt 4.1

12.1.1.

Ja (vul dan punt 13 in)

12.1.2.

Nee

12.2.   Kind vermeld bij punt 4.2

12.2.1.

Ja (vul dan punt 13 in)

12.2.2.

Nee

12.3.   Kind vermeld bij punt 4.3

12.3.1.

Ja (vul dan punt 13 in)

12.3.2.

Nee

13.   HET (DE) KIND(EREN) DAT (DIE) ZICH EEN EIGEN MENING KON(DEN) VORMEN, ZOALS VERMELD BIJ PUNT 12, IS EEN REËLE EN EFFECTIEVE MOGELIJKHEID GEBODEN OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 21 VAN DE VERORDENING DIE MENING TE UITEN

13.1.   Kind vermeld bij punt 4.1

13.1.1.

Ja (zo niet, dient bijlage III van de verordening te worden gebruikt)

13.2.   Kind vermeld bij punt 4.2

13.2.1.

Ja (zo niet, dient bijlage III van de verordening te worden gebruikt)

13.3.   Kind vermeld bij punt 4.3

13.3.1.

Ja (zo niet, dient bijlage III van de verordening te worden gebruikt)

14.   DE BESLISSING IS BIJ VERSTEK GEGEVEN*

14.1.   Nee

14.2.   Ja

14.2.1.

Partij (10) waaraan verstek is verleend als vermeld bij punt … (gelieve in te vullen)

14.2.2.

Het stuk waarmee de procedure is ingeleid of een gelijkwaardig stuk is die partij tijdig en op zodanige wijze als met het oog op haar verdediging nodig was, betekend of medegedeeld

14.2.2.1.

Ja

14.2.2.1.1.

Datum van betekening/mededeling (dd/mm/jjjj)

14.2.2.2.

Nee, maar de partij waaraan verstek is verleend, heeft niettemin ondubbelzinnig met de beslissing ingestemd (zo niet, dient bijlage III van de verordening te worden gebruikt)

15.   NA(A)M(EN) VAN DE PARTIJ(EN) (11) DIE OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 74, LID 1, VAN DE VERORDENING VOOR RECHTSBIJSTAND IN AANMERKING IS (ZIJN) GEKOMEN

15.1.   Partij(en)

15.1.1.

als vermeld bij punt … (gelieve in te vullen)

15.1.2.

als vermeld bij punt … (gelieve in te vullen)

16.   KOSTEN EN UITGAVEN VAN DE PROCEDURE (12)

16.1.

De beslissing betreft ook huwelijkszaken, en de informatie over de kosten in verband met de procedure uit hoofde van deze verordening wordt uitsluitend verstrekt in het certificaat betreffende beslissingen in huwelijkszaken.

16.2.

De beslissing betreft ook andere aangelegenheden inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en de informatie over de kosten in verband met de procedure uit hoofde van deze verordening wordt uitsluitend verstrekt in het certificaat betreffende beslissingen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid.

16.3.

In de beslissing is bepaald dat (13)

… (achterna(a)m(en))

… (voorna(a)m(en))

moet(en) betalen aan

… (achterna(a)m(en))

… (voorna(a)m(en))

de som van …

euro (EUR)

Bulgaarse lev (BGN)

Kroatische kuna (HRK)

Tsjechische kroon (CZK)

Hongaarse forint (HUF)

Poolse zloty (PLN)

Pond sterling (GBP)

Roemeense leu (RON)

Zweedse kroon (SEK)

Andere (gelieve te vermelden (ISO-code)):

16.4.

Eventuele aanvullende informatie die van belang zou kunnen zijn (bijvoorbeeld vast bedrag of percentage; toegekende rente; gedeelde kosten; indien meerdere partijen in de kosten zijn verwezen, of het gehele bedrag bij elk van hen kan worden ingevorderd): …

Gelieve het aantal bladzijden te vermelden indien u extra bladen heeft bijgevoegd: …

Gedaan te …, datum (dd/mm/jjjj) ….

Handtekening en/of stempel


(1)  Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (PB L 178 van 2.7.2019, blz. 1) ("de verordening").

(2)  Velden met een (*) moeten verplicht worden ingevuld.

(3)  Voeg een extra blad bij indien er meer dan drie kinderen betrokken zijn.

(4)  Voeg een extra blad bij indien aan meer dan twee partijen omgangsrecht is verleend.

(5)  Kopieer het relevante onderdeel van het beschikkend gedeelte van de beslissing.

(6)  Voeg een extra blad bij indien om tenuitvoerlegging jegens meer dan twee partijen wordt verzocht.

(7)  Voeg een extra blad bij indien er meer dan één partij betrokken is.

(8)  Voeg een extra blad bij indien er meer dan twee partijen betrokken zijn.

(9)  Voeg een extra blad bij indien er meer dan drie kinderen betrokken zijn.

(10)  Voeg een extra blad bij indien er meer dan één partij betrokken is.

(11)  Voeg een extra blad bij indien er meer dan twee partijen betrokken zijn.

(12)  Dit betreft ook het geval dat de kosten in een afzonderlijke beslissing worden toegewezen. Het loutere feit dat het bedrag van de kosten nog niet is vastgesteld, mag het gerecht niet beletten, het certificaat af te geven indien een partij om erkenning of tenuitvoerlegging van het dictum van de beslissing wenst te verzoeken.

(13)  Voeg een extra blad bij indien meerdere partijen in de kosten zijn verwezen.


BIJLAGE VI

CERTIFICAAT BETREFFENDE BEPAALDE KRACHTENS ARTIKEL 29, LID 6, VAN DE VERORDENING, GEGEVEN BESLISSINGEN TEN GRONDE BETREFFENDE HET GEZAGSRECHT DIE DE TERUGKEER VAN HET KIND MET ZICH MEEBRENGEN

(Artikel 29, lid 6, artikel 42, lid 1, onder b), en artikel 47, lid 1, onder b), van Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad (1))

BELANGRIJK

Af te geven, op verzoek van een partij, door het gerecht dat de beslissing krachtens artikel 29, lid 6, heeft gegeven, voor zover die beslissing de terugkeer van het kind met zich meebrengt, enkel indien de voorwaarden van artikel 47, leden 3 en 4, van de verordening , zoals aangegeven in de punten 11 tot en met 15, zijn vervuld. Zo niet, dient bijlage III van de verordening te worden gebruikt.

1.   LIDSTAAT VAN HERKOMST* (2)

België (BE)

Bulgarije (BG)

Tsjechië (CZ)

Duitsland (DE)

Estland (EE)

Ierland (IE)

Griekenland (EL)

Spanje (ES)

Frankrijk (FR)

Kroatië (HR)

Italië (IT)

Cyprus (CY)

Letland (LV)

Litouwen (LT)

Luxemburg (LU)

Hongarije (HU)

Malta (MT)

Nederland (NL)

Oostenrijk (AT)

Polen (PL)

Portugal (PT)

Roemenië (RO)

Slovenië (SI)

Slowakije (SK)

Finland (FI)

Zweden (SE)

Verenigd Koninkrijk (UK)

2.   GERECHT DAT DE BESLISSING HEEFT GEGEVEN EN HET CERTIFICAAT AFGEEFT*

2.1.

Naam*

2.2.

Adres*

2.3.

Tel./fax/e-mail*

3.   BESLISSING*

3.1.

Datum (dd/mm/jjjj)*

3.2.

Referentienummer*

4.   KIND(EREN) (3) DAT (DIE) VOLGENS DE BESLISSING MOET(EN) WORDEN TERUGGEBRACHT*

4.1.   Kind 1*

4.1.1.

Achterna(a)m(en)*

4.1.2.

Voorna(a)m(en)*

4.1.3.

Geboortedatum (dd/mm/jjjj)*

4.1.4.

Geboorteplaats (indien beschikbaar)

4.1.5.

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

4.2.   Kind 2

4.2.1.

Achterna(a)m(en)

4.2.2.

Voorna(a)m(en)

4.2.3.

Geboortedatum (dd/mm/jjjj)

4.2.4.

Geboorteplaats (indien beschikbaar)

4.2.5.

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

4.3.   Kind 3

4.3.1.

Achterna(a)m(en)

4.3.2.

Voorna(a)m(en)

4.3.3.

Geboortedatum (dd/mm/jjjj)

4.3.4.

Geboorteplaats (indien beschikbaar)

4.3.5.

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

5.   INDIEN EN VOOR ZOVER IN DE BESLISSING VERMELD, MOET(EN) HET (DE) KIND(EREN) WORDEN TERUGGEBRACHT BIJ (4)

5.1.   Partij 1

5.1.1.

Natuurlijke persoon

5.1.1.1.

Achterna(a)m(en)

5.1.1.2.

Voorna(a)m(en)

5.1.1.3.

Geboortedatum (dd/mm/jjjj)

5.1.1.4.

Geboorteplaats (indien beschikbaar)

5.1.1.5.

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

5.1.1.6.

Adres (indien beschikbaar)

5.1.1.6.1.

zoals vermeld in de beslissing …

5.1.1.6.2.

eventuele aanvullende informatie (bijvoorbeeld betreffende een ander huidig adres) …

5.1.2.

Rechtspersoon, instantie of orgaan

5.1.2.1.

Volledige naam

5.1.2.2.

Identificatienummer (indien van toepassing en beschikbaar)

5.1.2.3.

Adres (indien beschikbaar)

5.2.   Partij 2

5.2.1.

Natuurlijke persoon

5.2.1.1.

Achterna(a)m(en)

5.2.1.2.

Voorna(a)m(en)

5.2.1.3.

Geboortedatum (dd/mm/jjjj)

5.2.1.4.

Geboorteplaats (indien beschikbaar)

5.2.1.5.

Identiteitskaartnummer of socialezekerheidsnummer (indien van toepassing en beschikbaar)

5.2.1.6.

Adres (indien beschikbaar)

5.2.1.6.1.

zoals vermeld in de beslissing …

5.2.1.6.2.

eventuele aanvullende informatie (bijvoorbeeld betreffende een ander huidig adres) …

5.2.2.

Rechtspersoon, instantie of orgaan

5.2.2.1.

Volledige naam

5.2.2.2.

Identificatienummer (indien van toepassing en beschikbaar)

5.2.2.3.

Adres (indien beschikbaar)

6.   PRAKTISCHE REGELING VOOR DE TERUGKEER (INDIEN EN VOOR ZOVER IN DE BESLISSING VERMELD) (5)

……

7.   PARTIJ (6) JEGENS WIE OM TENUITVOERLEGGING WORDT VERZOCHT*