This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52013DC0056
REPORT FROM THE COMMISSION Progress report on establishing appropriate relations between the European Union and the European Space Agency (ESA)
VERSLAG VAN DE COMMISSIE Voortgangsverslag over het aangaan van nuttige relaties tussen de Europese Unie en het Europees Ruimteagentschap
VERSLAG VAN DE COMMISSIE Voortgangsverslag over het aangaan van nuttige relaties tussen de Europese Unie en het Europees Ruimteagentschap
/* COM/2014/056 final */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE Voortgangsverslag over het aangaan van nuttige relaties tussen de Europese Unie en het Europees Ruimteagentschap /* COM/2014/056 final */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE Voortgangsverslag over het aangaan van
nuttige relaties tussen de Europese Unie en het Europees Ruimteagentschap 1. Politiek kader De relaties tussen de Europese Unie (EU) en
het Europees Ruimteagentschap (ESA) vormen al lange tijd het onderwerp van
politieke discussies. Eén praktisch resultaat daarvan is de kaderovereenkomst
tussen de EU en het ESA[1]
die in mei 2004 in werking is getreden. Het Verdrag van Lissabon[2] heeft een nieuwe
stimulans gegeven aan deze discussies door de politieke dimensie van
ruimtevaartzaken in de EU te versterken en te bepalen dat de EU "elke
nuttige relatie aan[gaat] met het Europees Ruimteagentschap". De Europese Commissie heeft deze kwestie behandeld in twee
nadere mededelingen. In haar mededeling van april 2011 "Naar een
ruimtevaartstrategie van de Europese Unie ten dienste van de burger"[3] gaf de Commissie
uitdrukking aan haar standpunt dat het ESA "zich verder [moet]
ontwikkelen tot een organisatiemodel dat het mogelijk maakt dat binnen
eenzelfde structuur militaire en civiele programma's enerzijds en een
intergouvernementeel gedeelte en een gedeelte "Europese Unie"
anderzijds naast elkaar blijven bestaan" en "zijn toenadering
tot de Unie [moet] voortzetten en, indien nodig, beheersstructuren [moet] blijven
opzetten, die uitsluitend voor de programma's van de Unie zijn bestemd".
En in de mededeling over "Het aangaan van nuttige relaties
tussen de Europese Unie en het Europees Ruimteagentschap"[4], die in november 2012
door de Commissie is vastgesteld, is opgenomen dat "[d]e behoefte aan
grotere operationele doeltreffendheid, symmetrie op het gebied van defensie en
veiligheid, politieke coördinatie en verantwoordingsplicht [...], op lange
termijn, alleen door toenadering van ESA tot de EU [kan] worden opgelost. De
Commissie is van mening dat voor deze langetermijndoelstelling een duidelijke
streefdatum tussen 2020 en 2025 moet worden vastgesteld." De Raad van de EU erkende in zijn conclusies
van 18 februari 2013[5]
dat de noodzaak kan bestaan om "de relatie tussen de EU en het ESA, in
het licht van de veranderende politieke context, de steeds grotere rol van de
EU op ruimtevaartgebied, de uitdagingen qua concurrentie in de
ruimtevaartsector en het groeiende belang van activiteiten in de ruimte voor de
maatschappij, wat haar werking betreft wellicht opnieuw bekeken en
opgewaardeerd moet worden". Tevens erkende de Raad dat "de
kaderovereenkomst en de bestuurlijke elementen ervan wellicht niet langer het
ideale kader vormen voor een efficiënt, effectief Europese ruimtevaartbeleid
dat volop en op coherente wijze gebruik maakt van de respectieve bevoegdheden
van zowel de EU als het ESA". De Raad verzocht "de Europese
Commissie om zich, samen met de directeur-generaal van het ESA, en in nauwe
samenwerking met de lidstaten van de EU en van het ESA [...] in te zetten voor
coherentie, convergentie en complementariteit, met het oog op het opstellen van
gezamenlijke voorstellen aangaande de toekomstige ontwikkeling van de
EU/ESA-betrekkingen, op basis van een gezamenlijke analyse, opdat de
respectieve organen tegen 2014 beslissingen kunnen nemen".[6] De groeiende financiële betrokkenheid van de
EU bij ruimtevaartactiviteiten vergroot de noodzaak om aandacht te gevan aan de
ontwikkeling van de EU/ESA-relaties. In het nieuwe meerjarig financieel kader
2014-2020 wijdt de EU bijna 12 miljard EUR aan grootschalige Europese
ruimtevaartprogramma's, zoals Galileo, Egnos en Copernicus, en aan
ruimteonderzoeksactiviteiten uit hoofde van Horizon 2020. Dit is meer dan
een verdubbeling van de investeringen in vergelijking met de voorgaande
financiële planningsperiode, hetgeen een afspiegeling vormt van het groeiende
belang dat de EU hecht aan ruimtevaartactiviteiten voor de aanpak van
economische en maatschappelijke uitdagingen waarmee de Unie en haar lidstaten
worden geconfronteerd. De EU delegeert momenteel een groot deel
(ongeveer 75 %) van haar ruimtevaartbegroting aan het ESA. Hierdoor levert
de EU de grootste bijdrage aan het ESA en is zij een grote institutionele
financieringsbron voor ruimtevaartactiviteiten in Europa. De hoogte van de door
de EU aan het ESA gedelegeerde deel van de begroting in de komende periode van
zeven jaar overstijgt de afzonderlijke bijdragen van alle ESA-lidstaten. De door het ESA beheerde middelen die door de
EU worden verstrekt, vallen onder het Financieel Reglement van de EU. Vanuit de
Commissie, die de algemene politieke verantwoordelijkheid behoudt voor de
verzorging van de ruimtevaartprogramma's van de EU, bestaat er de noodzaak voor
een mechanisme dat verzekert dat de aan het ESA toevertrouwde activiteiten de
verwachte resultaten opleveren en worden uitgevoerd en beheerd op de meest
efficiënte, doeltreffende en verantwoordelijke wijze, waarbij de EU-regelgeving
en ‑procedures strikt worden gevolgd, in een kader "zoals dat van de
EU". Dit standpunt is door de medewetgever goedgekeurd in de nieuwe
Galileo-verordening[7].
Zoals opgemerkt in de mededeling van november 2012 streeft de Europese
Commissie naar het aangaan van relaties met het ESA die kunnen zorgen voor
"grotere operationele doeltreffendheid, symmetrie op het gebied van
defensie en veiligheid, politieke coördinatie en verantwoordingsplicht[8]". Ook het ESA heeft op zijn beurt nagedacht over
de verdere ontwikkeling van het agentschap. Zoals opgenomen in de politieke
verklaring[9]
die door de Raad van het ESA op ministerieel niveau op
20 november 2012 is aangenomen, moet de ontwikkeling, onder andere,
ten volste profiteren van "de competentie van de EU in de ruimte, door de
gevolgen ervan in de werkwijze van het ESA op te nemen om zo efficiënt beheer
te bieden van door de EU gesubsidieerde programma's overeenkomstig
EU-regelgeving", en moet de ontwikkeling deze competentie ook omvatten. De
lidstaten van het ESA hebben de directeur-generaal van het ESA een mandaat
verleend "om met de Europese Commissie samen te werken voor het bieden van
een gezamenlijke analyse van de situatie omtrent de Europese ruimtevaartsector
en een gezamenlijke visie op zijn ontwikkeling, waarbij wordt gestreefd naar de
opbouw van coherentie, convergentie en complementariteit tussen de
verschillende actoren". Tegen deze achtergrond heeft de Commissie een
voorlopige beoordeling uitgevoerd van vier opties voor de ontwikkeling van de
EU/ESA-relaties en de waarschijnlijke gevolgen ervan gelet op kosten, voordelen
en institutionele en juridische consequenties. In dit verslag worden de huidige
status van de overwegingen binnen de Commissie en mogelijke volgende stappen
weergegeven. Het verslag is het eerste stadium voor de voortzetting van open en
transparante processen van analyse en reflectie en van besprekingen met
lidstaten en de directeur-generaal van het ESA, die moeten leiden tot
samenhangende en gedeelde conclusies tussen de EU, het ESA en de lidstaten
tegen het einde van 2014 of het begin van 2015. Een groot deel van de in dit
verslag gepresenteerde voorlopige beoordeling bouwt voort op de resultaten van
een extern technisch onderzoek[10]
dat enkele nuttige analyse-elementen heeft geboden. De diensten van de Commissie hebben contacten
onderhouden met de directeur-generaal van het ESA om de coördinatie en
coherentie te verzekeren van de analyses en de overwogen opties aan beide
zijden, ook al kunnen de beginpunten en de beoordelingscriteria voor de
organisaties verschillen. Gedurende deze voorbereidende fase heeft de Commissie
tevens een dialoog onderhouden met vertegenwoordigers van de lidstaten op het
niveau van deskundigen via de deskundigengroep voor ruimtevaartbeleid. 2. De aan te pakken structurele
belemmeringen In de mededeling van de Commissie van november
2012 worden vijf structurele belemmeringen in de EU/ESA-relaties benoemd die
het startpunt hebben gevormd voor de analyse. Deze belemmeringen bestonden uit
de niet-overeenstemmende financiële voorschriften, de asymmetrie in het lidmaatschap
van beide organisaties, de asymmetrie op het gebied van veiligheid en defensie,
het gebrek aan mechanismen voor beleidscoördinatie en de ontbrekende laag van
politieke verantwoordingsplicht voor het ESA ten opzichte van het Europees
Parlement. Uit de door de externe adviseur uitgevoerde analyse is gebleken dat
deze belemmeringen leiden tot inefficiënties die in intensiteit en gevolgen
verschillen. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het volgende: ·
de niet-overeenstemmende financiële voorschriften
en de verschillen in procedures leiden tot een langere periode voor het nemen
van beslissingen. Dit kan leiden tot aanvullende kosten voor de programma's en
van invloed zijn op de algehele systeemleveringen, met name wanneer
activiteiten zich in een cruciaal stadium bevinden[11]. Voor de huidige
aanbestedingsaanpak zijn bijvoorbeeld meerdere validatiestappen noodzakelijk
(om tekortkomingen te corrigeren of de dossiers indien nodig aan te vullen en
te verbeteren), hetgeen kan leiden tot een langere periode voor de besluitvorming; ·
volgens het verslag van de externe adviseur worden
de ervaringen met de asymmetrie van het lidmaatschap tot nu toe als minder
problematisch beoordeeld, maar kan deze asymmetrie in de toekomst tot problemen
gaan leiden. Er kunnen bijvoorbeeld risico's ontstaan als gevolg van de
beperkte druk die kan worden uitgeoefend op niet-EU-lidstaten om de
loyaliteitsplicht op te leggen voor EU-programma's waaraan zij deelnemen. Dit
zou kunnen leiden tot de verkoop van gevoelige technologieën aan derde landen.
Bovendien kunnen belangrijke besluiten met betrekking tot de toekomst van
EU-programma's (zoals de lancering van satellieten of de eigendomsoverdracht
van activa) worden geblokkeerd door niet-EU-lidstaten, als gevolg van
verschillende stemregels in het intergouvernementele systeem van het ESA; ·
ook de asymmetrie op het gebied van veiligheid en
defensie kan leiden tot problemen. De mogelijke verkoop van gevoelige
technologie aan derde landen kan strategische veiligheidsproblemen opleveren
voor de EU. De hantering van vertrouwelijke EU-gegevens kan het
complexiteitsniveau van het programmabeheer bij het ESA verhogen. Het kan voor
bepaalde veiligheidsgevoelige functies binnen de ESA nodig zijn om uitsluitend
onderdanen van EU-lidstaten te werven met het benodigde niveau van
veiligheidsaccreditatie; ·
het gebrek aan mechanismen voor beleidscoördinatie
houdt in dat programma's niet noodzakelijkerwijs zijn afgestemd op
ondersteuning van de bredere beleidsdoelstellingen van de Unie. De
industrieelbeleidsdoelstellingen van het ESA kunnen verschillen van de
dienstverleningsdoelstelingen van de EU. De mechanismen zoals die zijn
opgenomen in de bestaande EU/ESA-kaderovereenkomst worden niet beschouwd als
een doeltreffend hulpmiddel voor dergelijke coördinatie. In het huidige
raamwerk wordt niet voorzien in expliciete afstemmingsmechanismen voor de
besluitvorming. Beleid wordt derhalve alleen op programmaniveau gecoördineerd,
via mechanismen waarover per programma op tijdrovende wijze overeenstemming
moet worden bereikt. Het gebrek aan specifieke mechanismen voor
beleidscoördinatie kan leiden tot vertragingen in het starten van programma's; ·
de kwestie van politieke en financiële
verantwoordingsplicht ten opzichte van het Europees Parlement is van essentieel
belang, gelet op de hoogte van de EU-financiering van het ESA en de prominente
rol van de EU bij de tenuitvoerlegging van de programma's. Als de instelling
die verantwoordelijk is voor de tenuitvoerlegging van de begroting
overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de
Europese Unie, moet de Europese Commissie volledige rekenschap afleggen aan het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie voor eventuele vertragingen
of kostenoverschrijdingen die worden opgelopen in vlaggenschipprogramma's van
de EU, terwijl het ESA deze programma's namens de Commissie door middel van
delegatieovereenkomsten operationeel beheert. Aangezien de Commissie het
uiteindelijke projectrisico draagt, verlaagt dit de stimulansen voor het ESA om
programma's op tijd, tegen de begrote kosten en afgestemd op beleids- en
gebruikersdoelstellingen te leveren. Bij gezamenlijk gesubsidieerde programma's
heeft de EU slechts beperkte invloed gehad op de door het ESA gemaakte
technische besluiten. Indien de aanvangsfasen van een ruimtevaartprogramma
uitsluitend door het ESA worden gefinancierd, kan het voor de Commissie
moeilijk zijn om in latere stadia van het programma te verzekeren dat
EU-middelen worden gebruikt voor de tenuitvoerlegging van haar beleid. De analyse van deze beperkingen biedt de
benodigde basis voor de configuratie van onderstaande opties. 3. Overzicht van de
geïdentificeerde opties In de mededeling van november 2012 heeft
de Europese Commissie een overzicht geboden van vier opties voor de verdere
ontwikkeling van de EU/ESA-relaties richting het uiteindelijke doel van
toenadering. Hoewel deze opties niet uitputtend zijn, beschouwt de Commissie
deze opties als de meest pragmatische en haalbare opties voor de aanpak van de
structurele belemmeringen in de huidige EU/ESA-relatie. Deze opties worden ook
beoordeeld door de directeur-generaal van het ESA, waardoor het benodigde
niveau van coherentie tussen de twee parallelle processen wordt gewaarborgd. De
opties lopen van minst tot meest ingrijpend, van een optie waarin verbeteringen
worden voorzien zonder wijzigingen in het huidige juridische kader van de
EU/ESA-relaties tot een optie waarbij het ESA niet langer zou bestaan als
intergouvernementele organisatie en wordt omgevormd tot een agentschap van de
EU. 3.1. Optie 1: Geen wijzigingen
(basisscenario) De situatie blijft ongewijzigd overeenkomstig
de voorwaarden van de bestaande EU/ESA-kaderovereenkomst. De EU en het ESA
blijven twee afzonderlijke instanties zonder doeltreffende mechanismen voor de
verzekering van coherentie of coördinatie. De EU treedt op als medefinancier
van bepaalde ruimtevaartprogramma's met het ESA en/of financiert andere
volledig, waarvan de uitvoering wordt gedelegeerd aan het ESA. Programma's
worden ontwikkeld op basis van specifieke overeenkomsten waarover per fase
wordt onderhandeld en waarbij gebruik wordt gemaakt van de algemene
hulpmiddelen die beschikbaar zijn in de financiële voorschriften van de EU.
Beleids- en missiedoelstellingen worden door de EU en het ESA vastgesteld
overeenkomstig hun eigen institutionele raamwerken. 3.2. Optie 2: Verbeterde
samenwerking in het status-quo-scenario De EU en het ESA blijven twee afzonderlijke
entiteiten, maar de koppeling tussen de twee wordt aangepast, op basis van
wijzigingen aan de bestaande EU/ESA-kaderovereenkomst en een verbetering van de
delegatieovereenkomsten. De beleids- en missiedoelstellingen worden gezamenlijk
door de EU en het ESA vastgesteld en coördinatie wordt verzekerd door middel
van de ontwikkeling van een nieuwe kaderovereenkomst. Deze overeenkomst wordt
vastgesteld door de Raad van het ESA en de Raad van de EU, met goedkeuring van
het Europees Parlement. Bij de tenuitvoerlegging van programma's blijft het ESA
intern de capaciteiten ontwikkelen om met de nuances tussen de twee financiële
regimes (EU en ESA) om te kunnen gaan en werken aan de voortschrijdende
afstemming van zijn boekhoud-, internecontrole- en auditprocedures op de
toepasselijke EU-regels. De nieuwe overeenkomst bevat specifieke mechanismen
voor coördinatie. 3.3. Optie 3: Oprichten van een
programmastructuur die uitsluitend is gewijd aan het beheer van EU-programma's
(d.w.z. "EU-pijler") Er bestaat nog geen definitie van deze
ESA/"EU-pijler". Uit de mededelingen van de Commissie volgt echter
dat deze pijler een stap moet zijn in de richting van "grotere
operationele doeltreffendheid, symmetrie op het gebied van defensie en
veiligheid, politieke coördinatie en verantwoordingsplicht[12]" en een
"kader zoals dat van de EU"[13]. Bij het vaststellen van deze optie is gekozen
voor een pragmatische aanpak, te beginnen bij de problemen die moeten worden
opgelost om de ideale contouren vast te stellen en vervolgens het wettelijke
instrument te onderzoeken dat nodig is voor de tenuitvoerlegging. Het wordt van
essentieel belang geacht dat de "EU-pijler" wordt ontworpen om te
werken binnen de EU-regelgeving. Hierdoor wordt het mogelijk om de
niet-overeenstemmende financiële voorschriften aan te pakken. Binnen de
"EU-pijler", die moet fungeren als een kader "zoals dat van de
EU", zou er geen sprake zijn van problemen met betrekking tot een
asymmetrie in het lidmaatschap. De "EU-pijler" vindt
"onderdak" binnen het ESA, ook fysiek binnen de locaties van het ESA,
en kan bepaalde diensten delen die de "EU-pijler" en het
intergouvernementele deel van het ESA gemeenschappelijk hebben. De oprichting van een "EU-pijler"
binnen het ESA heeft geen invloed op het functioneren van de overige afdelingen
van het intergouvernementele ESA zoals dat vandaag de dag bestaat. Voor deze
optie is een grondigere analyse nodig van de juridische en institutionele
aspecten, met name met betrekking tot politieke verantwoordingsplicht en
kwijtingsprocedures. Tot slot moet de hiervoor beschreven pragmatische aanpak
ten uitvoer worden gelegd onder volledige naleving van de toepasselijke
financiële voorschriften en met name de begrotingsbeginselen die zijn opgenomen
in het Financieel Reglement[14]. 3.4. Optie 4: Het ESA wordt een
agentschap van de EU, maar behoudt enkele van zijn intergouvernementele
kenmerken In deze optie wordt het ESA een agentschap van
de EU. Dit Europees Ruimteagentschap behoudt bepaalde structuren voor het
faciliteren van intergouvernementele samenwerking (d.w.z. optionele
programma's, anders dan EU-programma's, die direct door de lidstaten worden gefinancierd
buiten de EU-begroting om). Het agentschap heeft een EU-rechtsgrondslag en
wordt beheerd overeenkomstig EU-regelgeving. 4. Vergelijking van de opties De vier genoemde opties pakken in
verschillende mate de belemmeringen aan die momenteel in de EU/ESA-relaties
bestaan en bieden verschillende voor- en nadelen. De inspanning die
noodzakelijk is voor elk van de opties, verschilt ook aanzienlijk. De opties zijn beoordeeld vanuit twee
hoofdperspectieven: i) de "doeltreffendheid", waaronder wordt verstaan:
de mogelijkheden om de structurele belemmeringen en operationele inefficiëntie
aan te pakken die momenteel zijn geïdentificeerd en de besparingen die worden
gemaakt in termen van personeelskosten en invloed op de benodigde tijd om
besluiten te nemen; en ii) de "kosten" die samenhangen met de opties,
die worden beoordeeld vanuit het oogpunt van hoe eenvoudig de vereiste
juridische wijzigingen kunnen worden doorgevoerd en de verwachte snelheid van
de tenuitvoerlegging. De opties zijn op basis hiervan gerangschikt. Uit een kwalitatieve analyse van de
mogelijkheden die de opties bieden om de geïdentificeerde structurele
belemmeringen op te lossen, blijkt dat optie 1 geen van de beperkingen op
structureel niveau kan oplossen; optie 2 pakt enkele belemmeringen aan,
maar slechts in beperkte mate; optie 3 en 4 lossen deze belemmeringen
echter in de grootste mate op (volledig opgelost in optie 4 en bijna
volledig opgelost in optie 3). Het gaat hierbij in het bijzonder om het
volgende: ·
de niet-overeenstemmende financiële voorschriften
worden volledig aangepakt in optie 4 en optie 3. In optie 2
wordt de niet-overeenstemming in grote mate aangepakt, maar deze optie biedt
iets minder vertrouwen in de toepassing van financiële procedures die
overeenkomen met de door de EU toegepaste procedures; ·
de asymmetrie in lidmaatschap wordt voor een groot
deel aangepakt door het ESA als EU-agentschap en door de
ESA/"EU-pijler". Een verbeterde samenwerking met behoud van de status
quo lost deze belemmering in veel mindere mate op; ·
de asymmetrie op het gebied van veiligheid en
defensie wordt in bijna gelijke mate opgelost in de opties 3 en 4 en in
beperkte mate in optie 2. De dreiging van verkoop van gevoelige
technologie blijft in alle opties een probleem, hoewel in de opties 3 en 4
meer druk kan worden uitgeoefend op de lidstaten; ·
het gebrek aan mechanismen voor beleidscoördinatie
wordt bijna volledig aangepakt in optie 4 en in geringe mate in de
opties 3 en 2. Beleidscoördinatie en de onderlinge afstemming van
industrieelbeleidsdoelstellingen nemen toe bij een toenadering tussen het ESA
en de EU. Het is de verwachting dat onderlinge afstemming in de besluitvorming
een probleem blijft vormen, tenzij het ESA een EU-agentschap wordt. De opties kunnen verder positieve gevolgen
(voordelen) hebben in termen van kostenbesparingen als gevolg van een mogelijke
vermindering van de tijd die nodig is voor het nemen van besluiten voor de
tenuitvoerlegging van programma's en van optimalisaties op het gebied van
personeelsbezetting bij de Commissie en het ESA. Met betrekking tot de juridische aanpassingen
die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van de verschillende analyses leidt de
analyse tot de conclusie dat optie 2 relatief het eenvoudigst ten uitvoer
te leggen is. Voor optie 2 zijn wijzigingen nodig in de huidige
EU/ESA-kaderovereenkomst of een nieuwe overeenkomst. De Commissie is van mening
dat voor optie 3 een EU-rechtshandeling noodzakelijk is die, onder andere,
de definitie moet bevatten van de taken, structuur en financiële eisen van de
"EU-pijler" afhankelijk van een gedetailleerde kwantitatieve
kosten-batenanalyse en een beoordeling van de complexe institutionele en
juridische gevolgen van deze optie, mogelijk met inbegrip van wijzigingen in
het juridisch raamwerk van het ESA. Het lijkt erop dat optie 4 complexer is.
In deze optie houdt het ESA op te bestaan als intergouvernementele organisatie
en wordt er een EU-agentschap opgericht. Er moet regelgeving worden aangenomen
met betrekking tot personeel (waaronder overgangsbepalingen) en financiële
voorschriften. Deze optie wordt ook gezien als de minst haalbare, aangezien
hiervoor een zwaar tenuitvoerleggingsproces nodig is en politieke
overeenstemming moet worden bereikt, hetgeen in de nabije toekomst moeilijk kan
zijn. Op basis van een combinatie van de
verschillende beoordelingscriteria, is in onderstaande figuur een voorlopige
kaart opgenomen van de opties in termen van de wisselwerking tussen
"kosten" en "doeltreffendheid". Aangezien de overwogen
opties elkaar niet uitsluiten, kunnen er ook meerdere opties worden overwogen,
afhankelijk van het vastgestelde tijdskader. Figuur: voorlopige rangschikking op basis van
kosten en doeltreffendheid van de opties Bron: Roland Berger Strategy Consultants,
"Evolution of EU-ESA relations: cost/benefit assessment of options".
Het is van belang om op te merken dat in het
recente ESA-verslag "Status of ESA/EU relations – Scenarios
assessment", dat bij de Raad van het ESA is ingediend op
19 december 2013 als onderdeel van de lopende follow-up van de door
de Raad van het ESA op ministerieel niveau vastgestelde politieke verklaring
van 20 november 2012, als meest veelbelovende ontwikkelingsscenario's een
zogenoemd "verbeterde status quo" en een "EU-kamer" worden
gepresenteerd, die lijken op de in dit verslag beschreven opties 2 en 3.
Volgens het verslag van het ESA zou de "verbeterde status quo" op de
korte termijn ten uitvoer worden gelegd door middel van specifieke
programmagebaseerde overeenkomsten op basis van bestaande juridische structuren
binnen de EU (bv. verordeningen) en het ESA (bv. het ESA-Verdrag). Op de
middellange termijn kan in dit scenario een herziening plaatsvinden van de
kaderovereenkomst of een nieuwe samenwerkingsovereenkomst worden gesloten. In
het verslag is ook opgenomen dat "[d]e 'EU-kamer' een speciale, op
zichzelf staande structuur is die wordt toegevoegd aan de bestaande juridische
structuur van het ESA die ongewijzigd blijft. [...] Dit scenario houdt in dat
er onder het algemene dak van het ESA twee parallelle 'kamers' naast elkaar
zouden bestaan: een intergouvernementele en een EU-kamer." In het verslag
wordt ook een derde scenario genoemd, "EU-agentschap", als optie die
afhankelijk is van een langetermijnvisie na 2020 waarover er momenteel tussen
de lidstaten van het ESA nog geen overeenstemming bestaat. 5. Conclusie en volgende
stappen De elementen van de hiervoor beschreven
analyse hebben tot doel inzicht te bieden in de verschillende opties en de mate
waarin ze structurele belemmeringen kunnen verminderen en kunnen zorgen voor
verbeteringen in de huidige structuur van de EU/ESA-relaties. Deze elementen
zijn echter op dit moment nog niet voldoende om een definitieve keuze te
rechtvaardigen tussen de opties. In het externe onderzoek wordt opgemerkt dat
"de oprichting van een speciale entiteit binnen het ESA [...] op de
middellange termijn het beste compromis vormt tussen de te verwachten
doeltreffendheid en eenvoudige tenuitvoerlegging". De Commissie ziet
voordelen in deze optie, die nader moet worden geanalyseerd en besproken met
het ESA om de juridische, technische en personeelstechnische gevolgen volledig
te beoordelen. Het voordeel van deze optie is dat de intergouvernementele
ESA-structuur behouden blijft, maar er tegelijkertijd een adequaat raamwerk
wordt opgericht om de door de EU bijgedragen financiële middelen te beheren. Hoewel optie 3 wellicht betere
mogelijkheden biedt om om te gaan met de structurele belemmeringen in de
EU/ESA-relaties, moet optie 2 (de herziening van de bestaande
kaderovereenkomst) worden overwogen naast optie 3. Tevens moet worden benadrukt dat, zoals
aangehaald in de mededeling van november 2012, de delegatieovereenkomsten
hebben bijgedragen aan de toenadering tussen de EU en het ESA en verder kunnen
bijdragen aan de verbetering van de operationele efficiëntie en de werkrelatie
tussen de EU en het ESA met betrekking tot de betrokkenheid van het ESA bij de
tenuitvoerlegging van Galileo en Copernicus. De opties 2 en 3 moeten
daarom worden overwogen in het licht van de verbeteringen aan de EU/ESA-werkregelingen
die kunnen worden bereikt door middel van dergelijke delegatieovereenkomsten. De Commissie is van mening dat de wijze waarop
wordt voortgegaan, toegevoegde waarde moet bieden ten gunste van beide
organisaties, EU en ESA, en de verantwoordelijkheden niet moet vertroebelen. De
gekozen oplossing moet pragmatisch zijn en geen "oerknal-aanpak"
vormen, maar tegelijkertijd een solide en duurzame (juridische) basis vormen
waarop deze relaties zich op de lange termijn kunnen ontwikkelen, vooruitkijkend
naar 2020 en verder, terwijl de toepasselijke financiële voorschriften volledig
worden nageleefd, met name de begrotingsbeginselen die zijn opgenomen in het
Financieel Reglement. De gevolgen voor de lopende programma's moeten nauwkeurig
worden beoordeeld om het risico op verstoring te minimaliseren. Dit verslag vormt een stap in het antwoord van
de Commissie op het verzoek van de Raad (zoals geformuleerd in diens conclusies
van februari 2013) om voorstellen op te stellen voor de verdere
ontwikkeling van EU/ESA-relaties. Op basis van deze eerste beoordeling zal de
Europese Commissie de discussie met de lidstaten en met de directeur-generaal
van het ESA intensiveren om de regelgevende en technische analyses van de
opties nader te verfijnen en zo te komen tot samenhangende voorstellen, door de
Commissie enerzijds en de directeur-generaal van het ESA anderzijds, voor een
convergerende aanpak die het toekomstige raamwerk van de relaties tussen beide
organisaties definieert. De verwachting is dat het ESA tijdens de bijeenkomst
van de Raad op ministerieel niveau in december 2014 een besluit neemt over
de ontwikkeling van het agentschap. Dit verslag dient aan de zijde van de EU als
input voor de discussie binnen de Raad om zo de politieke richting vast te
stellen voor de volgende stappen die moeten worden genomen, in nauwe
samenwerking met de directeur-generaal van het ESA. Afhankelijk van de uitkomst
van deze discussies, de lopende dialoog met het ESA en afhankelijk van een
nadere interne analyse van de opties, kan de Commissie tegen het eind van 2014
of het begin van 2015 met concrete voorstellen komen waarin het bestaande kader
van de EU/ESA-relaties opnieuw wordt vormgegeven. In dit verslag wordt niet vooruitgelopen op
eventuele toekomstige voorstellen van de Commissie die worden gebaseerd op, en
vergezeld gaan van, een volledige effectbeoordeling waarin de gevolgen van in
ieder geval de opties 2 en 3 nader worden besproken en gekwantificeerd.
Er zijn met name nadere werkzaamheden noodzakelijk om de opties te beoordelen
in termen van doeltreffendheid van de beleidscoördinatie en ‑tenuitvoerlegging,
evenals de gevolgen van de gecombineerde EU- en ESA-acties voor de algemene
politieke doelstellingen van de EU (bv. strategisch belang van de ruimte voor
Europa, bijdrage van ruimtevaartactiviteiten aan maatschappelijke uitdagingen
en het concurrentievermogen van de EU-ruimtevaartsector). De analyse moet
tevens elementen bevatten waarin vooruit wordt gekeken naar de technologische,
industriële en economische ontwikkelingen op de lange termijn, evenals
mogelijke wereldwijde ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op de relaties
van de EU met het ESA. [1] PB L 261 van 6.8.2004, blz. 64. [2] Art. 189 VWEU. [3] COM(2011) 152 van 4 april 2011. [4] COM(2012) 671 van 14 november 2012. [5] ST 6571/13. [6] In een schriftelijke reactie op de conclusies van de
Raad wenste de Europese Commissie te verduidelijken dat zij "van mening is
dat het woord 'gezamenlijke' voor 'voorstellen' een suggestie wekt die in
juridisch en institutioneel opzicht onjuist is. Bij het uitoefenen van haar
initiatiefrecht zal de Commissie bepalen hoe zij bij het opstellen van haar
voorstellen voor toekomstige nuttige relaties tussen de EU en het ESA zo
passend mogelijk voor nauwe samenwerking met de directeur-generaal van het ESA
en met de lidstaten van de EU kan zorgen." [7] Zo is onder verwijzing naar de delegatieovereenkomst die
tussen de Unie en het ESA wordt gesloten voor de stationeringsfase van het
Galileo-programma in overweging 30 van de verordening opgenomen dat "[o]m
de Commissie in staat te stellen haar auditfunctie volledig uit te oefenen,
[...] de delegatieovereenkomst de algemene voorwaarden voor het beheer van de
aan ESA toevertrouwde middelen [moet] omvatten. Wat de uitsluitend door de Unie
gefinancierde activiteiten betreft, moeten deze voorwaarden zorgen voor een
controleniveau, vergelijkbaar met dat wat vereist zou worden als ESA een
agentschap van de Unie zou zijn." (Verordening (EU) nr. 1285/2013 van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de uitvoering en exploitatie van
de Europese satellietnavigatiesystemen, PB L 247 van 20.12.2013). [8] Aan het Europees Parlement. [9] Politieke verklaring "Naar een Europees
Ruimteagentschap dat Europa het best ten dienste staat",
ESA/C-M/CCXXXIV/Res. 4 (definitief) van 20 november 2012. [10] "Evolution of EU-ESA relations: Cost/benefit
assessment of options", Roland Berger Strategy Consultants, november 2013. [11] Uit eerdere analyses voor de GNSS-programma's is gebleken
dat een dag vertraging in een cruciale fase ruwweg 1 miljoen EUR kost. [12] Aan het Europees Parlement. [13] De notie van een "EU-pijler" binnen het ESA
vormt onderdeel van de overwegingen van de Commissie met betrekking tot haar
relatie met het ESA als stap in de richting van de langetermijndoelstelling van
toenadering. In haar mededeling van april 2011 vermeldt de Commissie dat
het ESA "beheersstructuren [moet] blijven opzetten, die uitsluitend
voor de programma's van de Unie zijn bestemd". In de mededeling uit
november 2012 vermeldt de Commissie voorts dat, bij het werken aan de
langetermijndoelstelling van toenadering, het ESA "de noodzakelijke
structurele aanpassingen (financiële en interne besluitvorming) uitvoert om te
verzekeren dat door de Commissie aan ESA gedelegeerde activiteiten worden
beheerd binnen een kader zoals dat van de EU (bijvoorbeeld door een specifiek
directoraat dat EU-programma's binnen ESA beheert)". Deze optie wordt
ook onderzocht door het ESA in het kader van zijn overwegingen over de
mogelijke toekomstige ontwikkeling (waartoe de aanzet is gegeven tijdens de
Raad van het ESA op ministerieel niveau van november 2012). [14] Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het
Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van
toepassing op de algemene begroting van de Unie, PB L 298 van 26.10.2012 (zie
deel I, titel II).