Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52011IP0318

Energie-infrastructuurprioriteiten voor 2020 en daarna Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2011 over energie-infrastructuurprioriteiten voor 2020 en daarna (2011/2034(INI))

PB C 33E van 5.2.2013, pp. 46–65 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

5.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 33/46


Dinsdag 5 juli 2011
Energie-infrastructuurprioriteiten voor 2020 en daarna

P7_TA(2011)0318

Resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2011 over energie-infrastructuurprioriteiten voor 2020 en daarna (2011/2034(INI))

2013/C 33 E/06

Het Europees Parlement,

gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Prioriteiten voor energie-infrastructuurprojecten voor 2020 en verder - Een blauwdruk voor een Europees geïntegreerd energienetwerk" (COM(2010)0677),

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie over de opmaak van een effectbeoordeling met betrekking tot de "Prioriteiten voor energie-infrastructuurprojecten voor 2020 en verder - Een blauwdruk voor een Europees geïntegreerd energienetwerk" (SEC(2010)1395),

gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Energie 2020 – Een strategie voor een concurrerende, duurzame en continu geleverde energie" (COM(2010)0639),

gezien de Mededeling van de Commissie getiteld "Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Energie uit hernieuwbare bronnen - Voortgang naar de 2020-doelstelling" (COM(2011)0031),

gezien Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 over de bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van de Richtlijnen 2001/77/EG en 2003/30/EG (1),

gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Analyse van de opties voor een broeikasgasemissiereductie van meer dan 20 % en beoordeling van het risico van koolstoflekkage" (COM(2010)0265),

gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050" (COM(2011)0112),

gezien het derde wetgevingspakket betreffende de interne markt op het gebied van energie, dat is verschenen onder de titel "Energising Europe: A real market with secure supply" (2),

gezien Verordening (EU) nr. 994/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gaslevering (3),

gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Efficiënt gebruik van hulpbronnen - Vlaggenschipinitiatief in het kader van de Europa 2020-strategie" (COM(2011)0021),

gezien Beschikking nr. 1364/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 tot opstelling van richtsnoeren voor trans-Europese netwerken in de energiesector en houdende intrekking van de Beschikkingen 96/391/EG en 1229/2003/EG (4),

gezien Verordening (EG) nr. 663/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 houdende vaststelling van een programma om het economisch herstel te bevorderen via financiële bijstand van de Gemeenschap aan projecten op het gebied van energie (5),

gezien het rapport van de Commissie over de tenuitvoerlegging van het programma inzake de trans-Europese energienetwerken in de periode 2007-2009 (COM(2010)0203),

gezien zijn resolutie van 6 mei 2010 over de inzet van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) voor het vergemakkelijken van de overgang naar een energie-efficiënte, koolstofarme economie (6),

gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Een Energiebeleid voor Europa" (COM(2007)0001),

gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Prioritair interconnectieplan" (COM(2006)0846),

gezien Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG (7),

gezien Richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van Richtlijn 2003/55/EG (8),

gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over een nieuwe energiestrategie voor Europa 2011-2020 (9),

gezien zijn resolutie van 15 december 2010 over de herziening van het actieplan inzake energie-efficiëntie (10),

gezien zijn resolutie van 17 februari 2011 (11) over Europa 2020,

gezien artikel 194 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien artikel 170 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dat bepaalt dat de Unie bijdraagt aan de vaststelling en ontwikkeling van trans-Europese netwerken op de gebieden vervoer, telecommunicatie en energie-infrastructuur,

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en van de Commissie regionaal beleid (A7-0226/2011),

A.

overwegende dat de voornaamste uitdagingen waarmee wij ons op energiegebied geconfronteerd zien, bestaan in de bestrijding van de klimaatverandering, het verwerven van meer onafhankelijkheid op energiegebied en tegelijkertijd verminderen van de import van fossiele brandstoffen, de verwezenlijking van een concurrentiebestendige interne markt voor energie en de waarborging van universele toegang tot duurzame, betaalbare en veilige energie,

B.

overwegende dat de voornaamste uitdagingen waarmee wij ons op energiegebied geconfronteerd zien, bestaan in de bestrijding van de klimaatverandering, het verwerven van meer onafhankelijkheid op energiegebied en tegelijkertijd verminderen van de import van fossiele brandstoffen en van het totale energieverbruik, de verwezenlijking van een concurrentiebestendige interne markt voor energie en de waarborging van universele toegang tot duurzame, betaalbare en veilige energie,

C.

overwegende dat de voornaamste uitdagingen waarmee wij ons op energiegebied geconfronteerd zien, bestaan in de bestrijding van de klimaatverandering, het verwerven van meer onafhankelijkheid op energiegebied en tegelijkertijd verminderen van de import van fossiele brandstoffen, de verwezenlijking van een concurrentiebestendige interne markt voor energie en de waarborging van universele toegang tot duurzame, concurrentiebestendige en voldoende betaalbare en veilige energie, aangezien het gemeenschappelijk energiebeleid van de EU is ontwikkeld rondom de gemeenschappelijke doelstelling van ononderbroken fysieke beschikbaarheid van energieproducten en -diensten op de markt, tegen voor alle consumenten toegankelijke prijzen (thuisgebruikers en industriële gebruikers), A ter. aangezien het noodzakelijk is om de leveringszekerheid en solidariteit tussen de lidstaten te waarborgen in de situatie dat een van hen met een energiecrisis wordt geconfronteerd,

D.

overwegende dat het Verdrag van Lissabon voorziet in een specifieke rechtsgrondslag voor de ontwikkeling van een EU-energiebeleid dat de voor de verwezenlijking van de andere energiebeleidsdoelstellingen van de EU (een beter functionerende energiemarkt, energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, continuïteit van de energievoorziening) noodzakelijke interconnectie van energienetwerken over de nationale en regionale grenzen heen ten goede komt aan verschillende energiebronnen en dragers,

E.

overwegende dat, wanneer de Unie haar energie-infrastructuur niet tijdig moderniseert en bijstelt in de zin van een duurzamer en efficiënter model voor productie, transmissie en gebruik van energie, haar capaciteit om de energie- en klimaatdoelstellingen voor 2020 – met name het streefdoel voor wat betreft de integratie van hernieuwbare energiebronnen – te verwezenlijken kan worden aangetast en dat de langetermijndoelstelling van de EU voor 2050 om haar broeikasgasemissies met 80 à 95 % terug te brengen daardoor dreigt te worden ondermijnd,

F.

overwegende dat de planning van investeringen in infrastructuur en de besluitvorming daarover moeten worden gebaseerd op langetermijnscenario's die rekening houden met de te verwachten resultaten en behoefte aan verdere technische ontwikkeling,

G.

overwegende dat een verdere integratie van hernieuwbare energiebronnen een aantal aanpassingen van de Europese energie-infrastructuur op het gebied van transmissie en distributie vereist,

H.

overwegende dat een open, geïntegreerde en concurrentiegerichte Europese energiemarkt nodig is om concurrerende energieprijzen, energiezekerheid en duurzaamheid en een efficiënte grootschalige toepassing van hernieuwbare energiebronnen te bewerkstelligen, en dat de verwezenlijking van een dergelijke markt nog steeds een zware uitdaging is voor alle lidstaten,

I.

gelet op het cruciale belang van een tijdige en volledige tenuitvoerlegging van de bestaande wetgeving, met inbegrip van de regelgevingswerkzaamheden die nodig zijn met het oog op het derde interne energiemarktpakket, en van het op passende wijze mededelen van investeringen in energie-infrastructuur, in afwachting van een arrest van het Hof van Justitie (12), teneinde een overzicht te krijgen van potentiële leemten in vraag en aanbod en belemmeringen voor investeringen,

J.

overwegende dat de interconnectiecapaciteit tussen de lidstaten, gemeten naar de tijdens de Europese Raad van Barcelona van 2002 vastgestelde interconnectiedoelstelling van 10 %, in sommige lidstaten nog steeds onvoldoende is en dat bepaalde regio's zich nog steeds in een geïsoleerde positie bevinden, hetgeen een werkelijke integratie van de markten en een soepele doorstroming van energie in de weg staat,

K.

overwegende dat in termen van energie-infrastructuur rekening moet worden gehouden met de specifieke vereisten van eilanden en ultraperifere regio's, zoals de Canarische Eilanden, Madeira, de Azoren en de Franse ultra-peridere regio's (UPR's),

L.

overwegende dat het energienetwerk in Zuidoost-Europa minder dicht is dan het netwerk in de rest van Europa,

M.

overwegende dat alternatieve aan- en doorvoerroutes en nieuwe interconnecties van belang zijn om de solidariteit tussen de lidstaten concreet gestalte te kunnen geven,

N.

overwegende dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan nog niet afgeronde projecten die door de EU zijn aangewezen als prioritaire projecten overeenkomstig Beschikking 1364/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 tot opstelling van richtsnoeren voor trans-Europese netwerken in de energiesector en houdende intrekking van de Beschikkingen 96/391/EG en 1229/2003/EG,

O.

overwegende dat met het derde energiepakket een wetgevingskader is ingesteld dat gericht is op bevordering van concurrentie op de energiemarkt,

P.

overwegende dat de energie-infrastructuurvoorzieningen die vandaag worden gepland, moeten sporen met de klimaat- en energiedoelstellingen van de EU voor de lange termijn en prioriteit moeten geven aan energiebronnen die geen maatschappelijke en milieukosten met zich meebrengen,

Q.

overwegende dat met het oog op de 20/20/20-energiedoelstellingen van de EU en de overschakeling op zeer koolstofarme energie vanaf 2020 met betrekking tot gas en elektriciteit hogere investeringen in transmissiecapaciteit nodig zijn,

R.

gezien het strategisch belang van de aanleg van energie-infrastructuur voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het SET-plan (Strategic Energy Technology Plan),

S.

overwegende dat energie-efficiëntie een krachtig en kosteneffectief instrument is voor het verwezenlijken van een duurzame energietoekomst, overwegende dat de Europese Unie, door vermindering van de vraag naar energie en door verplaatsing van fabrieken in verband met de gestegen kosten ook haar afhankelijkheid van importen kan verminderen en dat zij door intelligente investeringen in bestaande en nieuwe infrastructuur de noodzaak van publieke en private investeringen in de energie-infrastructuur kan verminderen,

T.

overwegende dat intelligente energienetten een belangrijk middel kunnen zijn om een effectieve relatie te leggen tussen energieproductie en -transmissie enerzijds en de consument anderzijds en zo een rationeel energiegebruik en de energie-efficiëntie kunnen verhogen,

U.

overwegende dat de uitbreiding van de interconnectiecapaciteit tussen gassystemen langs de zuidwestelijke as van de Noord-Zuidcorridor ervoor zal zorgen dat de capaciteiten voor LNG-invoer en de ondergrondse opslagcapaciteiten op het Iberisch schiereiland een bijdrage kunnen leveren tot de zekerheid van de energievoorziening in de EU en tegelijkertijd een belangrijke stap zal vormen in de richting van een echt geïntegreerde interne energiemarkt,

V.

overwegende dat de langdurige vergunningsprocedures en het gebrek aan coördinatie tussen administratieve instanties kunnen leiden tot grote vertragingen en extra kosten, met name bij grensoverschrijdende projecten,

W.

overwegende dat langdurige vergunningsprocedures en gebrekkige kostentoewijzingsmethoden een belangrijke hinderpaal vormen voor de ontwikkeling van grensoverschrijdende infrastructuurprojecten,

X.

overwegende dat de kwaliteit van het publieke debat moet worden gewaarborgd en dat de Europese milieuwetgeving daarbij naar behoren in acht moet worden genomen,

Y.

overwegende dat regelgevers een belangrijke rol spelen bij de totstandbrenging van een consumentgerichte, geïntegreerde en concurrerende interne energiemarkt,

Z.

overwegende dat, volgens de mededeling van de Commissie getiteld "Prioriteiten voor energie-infrastructuurprojecten voor 2020 en verder - Een blauwdruk voor een Europees geïntegreerd energienetwerk", de komende tien jaar 200 miljard euro nodig is om de benodigde energie-infrastructuur te financieren; en overwegende dat de helft van dit bedrag van de lidstaten moet komen,

AA.

overwegende dat marktgerichte instrumenten en het beginsel dat de gebruiker betaalt de basis moeten blijven vormen voor de financiering van energie-infrastructuur, en dat er wellicht een beperkte mate van overheidsfinanciering noodzakelijk zal zijn voor de financiering van bepaalde projecten divan Europees belang, die e strikt genomen niet commercieel levensvatbaar zijn, waarbij erop moet worden gelet op voorkoming van mededingingsdistorsies en een bevordering van een efficiënte integratie van hernieuwbare energieën,

AB.

overwegende dat het noodzakelijk is zo snel mogelijk grootschalige investeringen te doen,

AC.

overwegende dat de lokale en regionale overheden een cruciale rol spelen, aangezien zij belangrijke actoren zijn op energiegebied, gegeven hun verantwoordelijkheden voor veel werkzaamheden in verband met ruimtelijke ordening en beheer, toekenning van vergunningen, goedkeuring van grote infrastructuurprojecten, investeringen, openbare aanbestedingen, productie en het feit dat ze dicht bij de consument staan,

Strategische planning van energie-infrastructuur

1.

onderstreept het feit dat de overheden een overkoepelende verantwoordelijkheid hebben om het openbaar belang te dienen door maatschappelijke en ecologische doelstellingen te realiseren, maar dat de voornaamste verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van een energie-infrastructuur bij een wel gereguleerde markt behoort te liggen;

2.

onderstreept dat tijdige en volledige tenuitvoerlegging van de bestaande wetgeving, met inbegrip van de regelgevingswerkzaamheden die nodig zijn met het oog op het derde interne energiemarktpakket van cruciaal belang is om een Europese geïntegreerde markt tot stand te kunnen brengen;

3.

benadrukt dat het vastgestelde beleid en de vigerende regelgeving ten uitvoer moeten worden gelegd zodat de bestaande energie-infrastructuur beter wordt gebruikt in het belang van de Europese consumenten; verzoekt de Commissie en het Samenwerkingsgentschap voor regulatoren op energiegebied (ACER) om nauwlettender toe te zien op de nationale toepassing van regels zoals die welke betrekking hebben op het "use it or lose it"-beginsel;

4.

is van mening dat er behoefte is aan een EU-brede aanpak om volledig te kunnen profiteren van de voordelen van nieuwe infrastructuur, en onderstreept de noodzaak tot ontwikkeling van een methode voor de selectie van infrastructuurprojecten die bevorderlijk is voor de ontwikkeling en in overeenstemming is met de regels van de interne markt; is van oordeel dat deze methode rekening moet houden met de Europese en regionale perspectieven en voor de optimalisering van de sociaaleconomische en milieueffecten die daarmee worden beoogd;

5.

benadrukt dat de planning van energie-infrastructuurprojecten volledig met het voorzorgsbeginsel moet stroken; actieplannen moeten per geval worden onderworpen aan een grondige milieueffectbeoordeling, die rekening houdt met de lokale en regionale milieuomstandigheden;

6.

benadrukt de noodzaak om een toereikend veiligheidsniveau te waarborgen voor energieleveringen aan de EU, de ontwikkeling van voordelige betrekkingen met derde landen, dat wil zeggen met energieleveranciers en transitlanden, door samenwerking in het kader van regionale en internationale energietransportsystemen;

7.

benadrukt dat het referentiescenario voor de beoordeling van de tegen 2020 benodigde energie-infrastructuur moet stroken met de algemene energiebeleidsdoelstellingen en met de routekaart van de EU voor 2050 en andere beleidsvormen van de EU (zoals het energie-efficiëntiebeleid (met name wat betreft de tenuitvoerlegging van het nieuwe actieplan voor energie-efficiëntie (APEE)), en dat daarbij ook het potentiële effect van technologische vorderingen, van de steeds belangrijker wordende rol van elektrische voertuigen en van de implementatie van "smart cities"-initiatieven in aanmerking moet worden genomen;

8.

steunt de snelle invoering van het innovatiepartnerschap voor slimme steden en dringt er bij de betreffende partners die betrokken zijn bij de planning voor duurzame stedelijke ontwikkeling op aan de voordelen die JESSICA en ELENA kunnen bieden voor investeringen in duurzame energie op lokaal niveau beter te promoten en te benutten, om steden en regio's te helpen bij het opzetten van haalbare investeringsprojecten op het gebied van energie-efficiëntie, schone verbrandingsenergie, hernieuwbare energie en duurzaam stadsvervoer; wijst voorts op de potentiële kansen van grensoverschrijdende financiering met buurlanden in het kader van het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument;

9.

onderstreept dat er een rangorde van belangrijkheid en kosteneffectiviteit moet worden vastgesteld om te bepalen op welke punten bestaande infrastructuur kan worden geminimaliseerd, waar de bestaande nationale en grensoverschrijdende infrastructuur kan worden verbeterd of gemoderniseerd en waar er nieuwe infrastructuur nodig is en kan worden gebouwd naast de bestaande energie- of transportinfrastructuur;

10.

is van mening dat een vermindering van de energieconsumptie en vervuilende uitstoot, en een toeneming van de energie-efficiëntie bewerkstelligd kunnen worden door middel van een aantal programma's voor opvoering van de energie-efficiëntie voor gebouwen en in de vervoerssector;

11.

wijst op het belang van de detectie van eventuele toekomstige tekorten inzake energievraag en -aanbod en van zich mogelijk aandienende tekortkomingen in de infrastructuur voor productie en transmissie;

12.

onderstreept het belang van de harmonisatie van het marktontwerp in de EU en de ontwikkeling van gemeenschappelijke Europese infrastructuurregelingen teneinde interne Europese interconnecties en interconnecties met derde landen te waarborgen;

13.

is van mening dat zich bij de ontwikkeling van elektriciteitsinfrastructuur tussen de EU en derde landen, en in sommige gevallen bij bestaande elektriciteitsinfrastructuur, een koolstoflekkagerisico kan voordoen of dat dit risico kan worden vergroot waar het reeds voorhanden is; verzoekt de Commissie deze mogelijkheid te onderzoeken en waar nodig met maatregelen te komen waarmee de EU deze kwestie doeltreffend kan aanpakken, zoals de vereiste van conformiteit met Richtlijn 2009/28/EG betreffende energie uit hernieuwbare bronnen;

14.

verzoekt daarom de netbeheerders, de regelgevende instanties, met inbegrip van het ACER, en de Commissie om in samenwerking met de netbeheerders en autoriteiten in derde landen de voorwaarden voor de benodigde netwerkstabiliteit vast te stellen, teneinde ervoor te zorgen dat buurlanden bij de interne energiemarkt van de EU worden betrokken, hetgeen nodig is om de doelstellingen op het gebied van de uitbreiding van hernieuwbare energiebronnen te verwezenlijken;

15.

onderstreept dat het accent niet alleen moet worden gelegd op grensoverschrijdende projecten, maar ook op interne transmissiesystemen, die de integratie van hernieuwbare energieën en de veiligheid van systemen krachtig helpen bevorderen en een einde te maken aan energie-eilanden en het ontlasten van interne transmissieknelpunten, die van invloed zijn op het Europese energiesysteem als geheel; onderstreept dat daarbij moet worden verzekerd dat terdege rekening wordt gehouden met de geïsoleerde regio's en hun lokale belangen;

16.

benadrukt dat nieuwe infrastructuur nodig is om "energie-eilanden" weg te werken, een eind te maken aan de afhankelijkheid van één leverancier en de zekerheid van de voorziening te verhogen;

17.

benadrukt dat geen enkele regio, met inbegrip van eilandregio's, in de EU-lidstaten na 2015 nog geïsoleerd mag zijn van de Europese gas- en elektriciteitsnetwerken; ook mag de zekerheid van de energievoorziening in regio's niet in gevaar komen door het ontbreken van de juiste connecties;

18.

is ingenomen met de bemoeiingen van de Commissie om de regionale samenwerking te bevorderen en dringt aan op nadere advisering met betrekking tot dergelijke regionale initiatieven;

19.

wijst op de opportuniteiten die bestaande Euregionale samenwerkingsverbanden bieden voor het ontwikkelen en intensifiëren van grensoverschrijdende energie-infrastructuurprojecten, met name inzake hernieuwbare energie, en vraagt uitdrukkelijk om deze instrumenten (Euregio, EGTS) hiervoor in te zetten;

20.

is van mening dat regionale initiatieven uitgewerkt en verder ontwikkeld dienen te worden, aangezien ze het best de specifieke werkingsvoorwaarden van het energiesysteem in de verschillende regio's weerspiegelen (bijvoorbeeld de structuur van de productiebronnen in een bepaalde regio, windenergie, beperkingen van de netwerken, beschikbaarheid van energiebronnen);

21.

benadrukt dat de samenwerking tussen de gemeentes en regio's op nationaal en Europees niveau een einde helpt te maken aan energie-eilanden en bijdraagt aan de voltooiing van de interne energiemarkt en de uitvoering van energie-infrastructuurprojecten (EIP's); en is van mening dat de doelstelling van het cohesiebeleid met betrekking tot de Europese territoriale samenwerking alsook macroregionale strategieën de samenwerkingsmogelijkheden voor grensoverschrijdende projecten kunnen vergroten om efficiënte en intelligente verbindingen tot stand te brengen tussen lokale en regionale onconventionele energiebronnen en de grote energienetwerken; benadrukt in dit verband dat een goede coördinatie van infrastructuurprojecten een optimale kosten-batenverhouding kan waarborgen en zorg kan dragen voor een zo efficiënt mogelijke besteding van EU-middelen; is echter in dit verband van mening dat verbetering van de regionale samenwerking gewenst is, vooral wat betreft een adequate afstemming tussen de vastgestelde prioriteiten en de Europese regio's;

22.

vraagt de Commissie en de lidstaten om maatregelen vast te stellen die waarborgen dat aan de operatoren van transmissiesystemen (TSO's) voldoende prikkels worden geboden om mogelijke interconnecties vanuit regionaal of Europees perspectief te onderzoeken en dat hun investeringsplannen op sociaaleconomische effecten van energie-interconnecties gericht zijn en zich niet beperken tot pure projecteconomie, teneinde zo onderinvestering in transmissiecapaciteit te voorkomen;

23.

verzoekt de Commissie om uiterlijk eind 2011 voorstellen in te dienen voor de oplossing van de door de Europese coördinator,Georg Wilhelm Adamowitsch, in zijn derde jaarverslag van 15 november 2010 geschetste problemen, zoals de spanning tussen de dringende noodzaak nieuwe infrastructuur aan te leggen en starre milieubeschermingsvoorschriften;

24.

dringt aan op maatregelen om te zorgen voor de naleving van internationale overeenkomsten, zoals het Verdrag van Espoo, voor de bouw of uitbouw van grensoverschrijdende projecten, en wijst op de noodzaak om bij de voltooiing van energienetten te streven naar een nauwere samenwerking, vooral van Rusland en Wit-Rusland met de Oostzeelanden, en daarvoor ook de energiedialoog tussen de EU en Rusland te intensiveren, vooral met het oog op de energiezekerheid van de EU-lidstaten en de regio's;

25.

is verheugd over het besluit van de Commissie om stresstests voor de Europese kerncentrales in te voeren; is van oordeel dat toekomstige wetgevingsinitiatieven tot instelling van een gemeenschappelijk kader voor nucleaire veiligheid van essentieel belang zijn om de veiligheidsstandaard in Europa voortdurend te kunnen verhogen;

26.

merkt op dat er aan energie-infrastructuur grote risico's verbonden zijn, zoals operationele (bv. congestie, continuïteit van de voorziening), natuurlijke (bv. aardbevingen, overstromingen), ecologische (bv. verontreiniging, verlies van habitats en biodiversiteit) en door de mens veroorzaakte of politieke risico's (bv. veiligheid, terrorisme); vraagt daarom dat besluiten over slimme netwerken worden uitgevoerd overeenkomstig Richtlijn 2008/114/EG inzake kritieke infrastructuren; stelt de lidstaten voor de risico's in kaart te brengen als instrument bij de besluitvorming en de resultaten te monitoren van de tenuitvoerlegging van slimme netwerken, met het oog op een verbetering van de interconnectiviteit van de netwerken;

27.

dringt er bij de Commissie op aan om de mogelijkheid te onderzoeken om in de energie-infrastructuurprioriteiten projecten op te nemen ter verbetering van de veiligheid van bestaande grote energie-infrastructuur in Europa (gas- en oliepijpleidingen, elektriciteitsnetwerken, kerncentrales, LNG-terminals, enz.) en de beveiliging ervan tegen ongevallen, natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen;

Een breed geconcipieerd infrastructuurontwikkelingsscenario

28.

is van mening dat in het tienjarenplan voor netwerkontwikkeling (TYNDP) weliswaar een aantal relevante elektriciteitsinfrastructuurprojecten worden gedefinieerd, zonder dat de werking van de interne markt wordt verstoord, maar dat daarin ook de prioriteiten moeten worden vastgelegd die moeten worden aangehouden om de energie- en klimaatsdoelstellingen van de EU te kunnen verwezenlijken; is in dit verband van mening dat aan interconnectiecapaciteit evenveel aandacht moet worden besteed als aan de 20/20/20-doelstellingen en dat het TYNPD als instrument moet worden beschouwd voor toezicht op de naleving van de interconnectiedoelstelling van 10 %;

29.

roept de Commissie er met het oog op een beter beheer van de toekomstige elektriciteits- en gasinfrastructuurplanning toe op om met een concreet voorstel te komen ter verbetering van de transparantie en de publieke betrokkenheid bij de uitstippeling van de EU-prioriteiten binnen een breder proces voor nauwere participatie van belanghebbenden, waarbij bij voorbeeld ook de industriesector, onafhankelijke deskundigen, consumentenorganisaties en ngo's moeten worden betrokken; beschouwt de publicatie van technische planningsdata als een belangrijk instrument om de$ participatie te verzekeren;

30.

is van mening dat aandacht moet worden besteed aan Europese energie-infrastructuur die in handen is van buitenlandse ondernemingen of hun dochterondernemingen, die qua beheerstructuur ondoorzichtig zijn en op ongepaste wijze worden beïnvloed door buitenlandse regeringen; verzoekt de Commissie met voorstellen te komen om in dit verband de nodige wettelijke en institutionele waarborgen vast te stellen, met name wat betreft de toegang tot financiële steun van de EU;

31.

is van mening dat het TYNDP een bijdrage levert aan een doorlopend programma voor de ontwikkeling van Europese gastransport- en elektriciteitstransmissie-infrastructuur, dat moet worden ingepast in een Europees planningperspectief voor de lange termijn en waarop toezicht moet worden uitgeoefend door het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER) en de Commissie, met inachtneming van de relevante voorschriften van het derde internemarktpakket;

32.

onderstreept dat deze bottom-upaanpak moet worden aangevuld met een goed gestructureerde top-downbenadering vanuit een Europees perspectief;

33.

wijst er met nadruk op dat het stimuleren van de aanleg van op efficiënte en intelligente integratie van hernieuwbare energie en integratie van nieuwe vormen van elektriciteitsgebruik (zoals elektrische of oplaadbare hybride voertuigen) gerichte infrastructuur voor transmissie en distributie van cruciaal belang is voor de succesvolle verwezenlijking van de algehele energiedoelstellingen; is ingenomen met de prioriteit die verleend wordt aan het toekomstige Europese supernetwerk en de proefprojecten die door het Forum van Florence worden ondersteund; verzoekt de Commissie om daarbij alle relevante belanghebbenden te raadplegen om sneller werk te kunnen maken van de kartering van Europese elektriciteitssnelwegen als een geïntegreerde op een netwerkknooppunt gebaseerde infrastructuur, teneinde te zorgen voor een optimale connectiviteit, een robuust systeem met operationele flexibiliteit en kostenvermindering en om het Europees Parlement daarvoor tegen 2014 een ontwerp te presenteren, dat zo goed mogelijk is afgestemd op de specifieke behoeften in verband met de transmissie van hernieuwbare energieën;

34.

wijst erop dat eilanden en berggebieden als gevolg van hun specifieke geografische handicaps moeilijk in het energienetwerk van de Unie geïntegreerd kunnen worden; verzoekt derhalve de Commissie rekening te houden met de uiteenlopende situaties van de regio's en bijzondere aandacht te schenken aan regio's met specifieke geografische en demografische kenmerken, waaronder eilanden, berggebieden en dunbevolkte gebieden, om een grotere diversificatie van de energiebronnen en de bevordering van hernieuwbare energie te bereiken, teneinde de afhankelijkheid van geïmporteerde energie te verminderen; dringt er bij de Commissie op aan de bijzondere situatie van de energiesystemen op de eilanden op te nemen in haar prioriteiten voor energie-infrastructuurprojecten voor 2020;

35.

wijst op de noodzaak van coherentie in het transversale beleid op het gebied van energie-infrastructuren en hun relatie met het kader voor maritieme ruimtelijke ordening dat ook zou kunnen bijdragen aan de integratie van grote offshore windparkprojecten in een algemene strategie;

36.

herinnert de Commissie er echter aan dat alle lidstaten om veiligheids- en economische redenen moeten worden gesteund om zowel leverancier als afnemer van duurzame energie te zijn;

37.

blijft benadrukken dat de ontwikkeling van regionale energieproductie belangrijk is om zelfvoorziening op energiegebied in de verschillende Europese regio's te waarborgen, met name in het Oostzeegebied, dat een geïsoleerde regio blijft die op energiegebied nog steeds afhankelijk is van één energiebron; merkt op dat de regio's over een breed scala van mogelijke energiebronnen beschikken, waaronder de natuurlijke hulpbronnen, en dat het doel in de toekomst moet zijn deze volledig te benutten om de energieproductie te diversifiëren;

38.

onderschrijft het belang van efficiënte gasinfrastructuren voor de verdere diversificatie en continuïteit van de voorziening en voor het verminderen van de energieafhankelijkheid; door de bijdrage die hierdoor wordt geleverd aan een betere werking van de binnenmarkt voor energie, waarbij het de noodzaak erkent dat de uitstoot van de energiesector tot 2050 drastisch wordt verlaagd; wijst erop dat de flexibiliteitseisen op het stuk van gasinfrastructuur moeten worden aangescherpt en dat de maatregelen daartoe op correcte wijze moeten worden uitgevoerd, met name om het gebruik van keerstromen en interconnecties mogelijk te maken, en benadrukt dat de gasinfrastructuur verder moet worden uitgebouwd, waarbij alle nodige ruimte moet worden gelaten voor de inbreng van LNG/CNG-terminals, transportschepen en opslagfaciliteiten, en wijst ook op de noodzaak van de ontwikkeling van gasvormige biomassa en biogas;

39.

is ingenomen met de uitspraak van de Commissie dat aardgas een belangrijke rol als back-upbrandstof gaat spelen; benadrukt echter dat ook andere energiebronnen en de opslag van elektriciteit een dergelijke rol moeten gaan spelen om de continuïteit van de energievoorziening veilig te stellen; benadrukt dat een ruime energiemix de basis voor een continue en betaalbare energievoorziening zal blijven;

40.

merkt op dat gasinterconnecties en –opslag in tegenstelling tot alle overige investeringen in infrastructuur die de EU wil stimuleren verplichte infrastructuur is krachtens de verordening betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gaslevering van 2009; vraagt de Commissie om te beoordelen of EU-financiering voor verbetering van de infrastructuur krachtens de verordening van 2009 nodig is;

41.

dringt bij de Commissie aan op het opstellen van een evaluatie vanonconventionele gasbronnen, daarbij aandacht schenkend aan de juridische aspecten, levenscyclusanalyse, de milieueffecten en de economische haalbaarheid; verzoekt de Commissie om, op basis van het beginsel van gelijke behandeling van de primaire energiebronnen, een uitvoerige evaluatie op te maken van de potentiële voordelen en risico's van het gebruik van onconventionele gasbronnen in de EU;

42.

is van mening dat olie nog vele jaren een belangrijk onderdeel van de energievoorziening in de EU zal blijven uitmaken, al zal het terugdringen van de CO2-uitstoot van de economie een geleidelijke afname in het gebruik van fossiele brandstoffen tot gevolg hebben; concludeert daarom dat tijdens de overgangsfase een concurrerende Europese infrastructuur voor het vervoer van olie en voor raffinage moet worden gehandhaafd om EU-consumenten betaalbare producten te kunnen blijven leveren;

43.

onderstreept het belang van een geïntegreerde energie-infrastructuurplanning voor de exploitatie van energiebronnen in de agrarische en kleinschalige plattelandssfeer, om zo meer plaats in te ruimen voor gedecentraliseerde energieproductie en plattelandsontwikkeling; benadrukt de noodzaak om hernieuwbare energieën een prioritaire toegang te geven tot het stroomnet, zoals verlangd wordt in richtlijn 2009/28/EG;

44.

wijst erop dat het netwerk moet worden voorbereid en aangepast voor energieproductie zoals elektriciteit en biogas gewonnen uit land- en bosbouw, zulks als gevolg van de hervorming van het GLB;

45.

is van mening dat er aandacht moet worden besteed aan nieuwe technologische oplossingen voor benutting van energie uit afvalstoffen d.w.z. afgefakkeld gas, restwarmte, etc.;

46.

onderstreept het belang van infrastructuurvoorzieningen op distributieniveau en de rol die prosumenten en distributiesysteembeheerders (DSB's) vervullen bij de integratie van decentrale energieproducten en efficiëntieverhogende maatregelen aan de vraagzijde in het systeem; onderstreept dat de integratie van gedecentraliseerde energiebronnen en de verwezenlijking van algemene energiebeleidsdoelstellingen aanzienlijk zou worden bevorderd als een hogere prioriteit zou worden gegeven aan maatregelen aan de vraagzijde; is van oordeel dat hiertoe ook behoren nationale infrastructuurprojecten met positieve effecten die zich uitstrekken tot buiten de landsgrenzen, wat betreft de aanvoer of de interconnectie op de interne energiemarkt;

47.

dringt er bij de Commissie op aan tegen 2012 met concrete initiatieven te komen om de ontwikkeling te bevorderen van de beschikbare energieopslagcapaciteiten (inclusief polyvalente gas/waterstoffaciliteiten, intelligente met terugstroom oplaatbare accu's voor motorvoertuigen, opslagfaciliteiten op basis van waterkracht, solaire stroomopwekking bij hoge temperatuur, opslagfaciliteiten op basis van perslucht en andere innoverende technologieën); verzoekt de Commissie om evaluatie van andere initiatieven voor energieopslag om de mogelijkheden tot integratie van hernieuwbare energieën te maximaliseren;

48.

is van mening dat de modernisering en het efficiënter maken van stadsverwarming een prioriteit moeten vormen voor de EU en dat hieraan dienovereenkomstig aandacht en steun moet worden gegeven bij de herziening van het huidige financiële kader en in het kader van het toekomstig financiële perspectief;

49.

is ingenomen met de tot dusverre ontwikkelde projecten op het gebied van afvang, transport en opslag van CO2 (CCS); verzoekt de Commissie echter met spoed met een evaluatierapport te komen over de resultaten van de experimentele CCS-technologieën voor kolencentrales die door de EU zijn gesubsidieerd;

50.

dringt er bij de Commissie op aan om - in samenwerking met alle relevante belanghebbenden - een kritische evaluatie uit te voeren en – zo nodig – een herziening te verrichten van de in de mededeling over energie-infrastructuurprioriteiten becijferde investeringsbehoeften, met name in verband met het verminderen van de vraag door maatregelen tot bevordering van een efficiënt gebruik van energie, en verzoekt haar om aan de Raad en het Parlement verslag uit te brengen over de naar verwachting benodigde investeringen;

51.

merkt op dat er de naast de kapitaal- en exploitatiekosten ook aanzienlijke milieukosten verbonden zijn aan de bouw, exploitatie en buitenbedrijfstelling van energie-infrastructuurprojecten; benadrukt dat het belangrijk is deze milieukosten volgens de levenscycluskostenbenadering in aanmerking te nemen in de kosten-batenanalyse;

52.

is van mening dat de TSB's alle transportverbindingen volledig ter beschikking van de markt moeten stellen om zo te voorkomen dat transmissiecapaciteit wordt gereserveerd voor grensoverschrijdende balanceringsmechanismen, enz.; is van oordeel dat dit moet worden vastgelegd in bindende wetgeving op basis van de bestaande richtsnoeren voor goede praktijken van ERGEG;

53.

steunt een uitgebreidere samenwerking tussen lidstaten voor de oprichting van regionale regelgevende instanties voor meerdere lidstaten; verwelkomt soortgelijke initiatieven voor het aanstellen van afzonderlijke regionale TSB's;

54.

roept de Commissie en het ACER op om te werken aan de lancering van een gemeenschappelijke Europese intradaymarkt tegen 2014, omdat daarmee de vrije uitwisseling van elektriciteit tussen landen en/of verschillende prijsgebieden via alle transmissie-interconnectors mogelijk wordt;

Slimme netwerken

55.

is van mening dat energie-infrastructuren zich meer op de eindgebruiker moeten richten, waarbij sterker de nadruk moet komen te liggen op de interactie tussen distributiesysteemcapaciteiten en verbruik en benadrukt de noodzaak van tweerichtingsstromen voor elektriciteit en informatie in real time; wijst op de voordelen van een nieuw storingsvrij systeem voor gas en elektriciteit, waarin efficiënte technologieën, materialen en diensten zijn geïntegreerd, zoals slimme meters, intelligente netwerken en interoperabele, ICT-aangestuurde voorzieningen voor het reguleren van aanbod en -vraag van energie, zulks in het belang van de consumenten;

56.

wijst op de noodzaak tot bevordering van de ontwikkeling van gebruikervriendelijke technologieën en met aansturing van de van de aanbodzijde om de aanleg van slimme netwerktechnologieën te bevorderen en aan de vraagzijde aangestuurde systemen om een volledig profijt te kunnen trekken van de slimme netwerken, zulks in het belang van alle betrokkenen;

57.

benadrukt dat de invoering van intelligente netwerken als prioriteit voor energie-infrastructuren zou moeten gelden, aangezien dit bijdraagt tot realisering van de energie- en klimaatdoelstellingen van de EU, doordat dit de integratie van gedistribueerde hernieuwbare energie en elektrische voertuigen naderbij brengt en de energieafhankelijkheid helpt verminderen dankzij verhoging van de energie-efficiëntie, en de ontwikkeling van flexibiliteit en capaciteit van het elektriciteitssysteem bevordert; is van mening dat slimme netwerken en energiebeheersystemen een unieke gelegenheid bieden om innovatie, banengroei en het concurrentievermogen van de Europese industrie te stimuleren, met name in de mkb-sector;

58.

verzoekt de Commissie aan te sturen op de snelle invoering van omvangrijke demonstratieprojecten voor slimme netwerken als de beste manier om de kosten/baten voor de Europese samenleving te meten; wijst erop dat ter spreiding van de investeringen die voor deze projecten nodig zijn, overheidsmiddelen nodig zijn in het kader van een publiek/privaat partnerschap zoals het Europees Elektriciteitsnetwerk-initiatief (EEGI);

59.

merkt op dat slimme netwerken het resultaat zijn van convergentie tussen elektriciteitstechnologieën- en informatie- en communicatietechnologieën, reden waarom er bijzondere aandacht moet worden besteed aan de samenwerking tussen deze twee sectoren, bijvoorbeeld met betrekking tot het efficiënt gebruik van het radiospectrum in Europa en het begrijpen van slimme energiefuncties in de planning van het toekomstige "internet van dingen"; verzoekt de Commissie een plan te ontwikkelen voor samenwerking tussen de verschillende betrokken eenheden (DG Onderzoek en innovatie, DG Energie, DG Informatiemaatschappij en media) om voor een zo samenhangend en efficiënt mogelijke bijdrage aan de inzet en exploitatie van slimme netwerken te zorgen, als essentiële basis voor de activiteiten die in het kader van het energiebeleid worden ontplooid;

60.

verzoekt de Commissie te beoordelen of er overeenkomstig de voorschriften van het derde energiemarktpakket aanvullende wetgevingsinitiatieven voor de implementatie van slimme netwerken nodig zijn; is van mening dat in de beoordeling met de volgende doelstellingen rekening moet worden gehouden: i) waarborgen van adequate vrije toegang en uitwisseling van operationele informatie tussen actoren en hun fysieke interfaces; ii) opzetten van een goed functionerende markt voor energiediensten; en iii) voorzien in passende stimulansen voor netbeheerders om te investeren in slimme technologieën voor slimme netwerken;

61.

dringt aan op een grotere nadruk op interactie tussen de capaciteiten van het distributiesysteem en verbruik, met gebruikmaking van een gemeenschappelijke Europese netwerkstrategie, en merkt op dat - zoals reeds werd onderstreept in de conclusies van de Europese Raad van 4 februari 2011 - technische standaarden voor slimme netwerken uiterlijk eind 2012 moeten worden goedgekeurd;

62.

benadrukt dat netwerken moeten worden aangepast voor nieuwkomers om de weg te banen voor kleinschalige nieuwe productiebronnen, zoals huishoudens en het mkb;

63.

is van mening dat in het 7de en 8ste Kaderprogramma voor O&O prioritair ruimte wordt gecreëerd voor de smart grid technologie met betrekking tot de particuliere oplaadinfrastructuur voor elektrische auto's, met het oog op de snelle uitrol van een gedecentraliseerd, two-way energie-netwerk terzake;

64.

wijst op de noodzaak van een stabiel regelgevingskader ter bevordering van de aanzienlijke investeringen die in Europa nodig zijn om slimme netwerken in te voeren;

65.

benadrukt dat normalisatie en interoperabiliteit van slimme netwerken een prioriteit is; dringt er bij de lidstaten op aan om, in samenwerking met de Europese normalisatie-instellingen en het bedrijfsleven, in versneld tempo toe te werken naar technische normen voor elektrische voertuigen, oplaadinfrastructuur en slimme netwerken en meters, zodat deze werkzaamheden tegen het einde van 2012 kunnen worden voltooid; beklemtoont dat technologieën moeten worden gebaseerd op open internationale normen om de kosteneffectiviteit te waarborgen, waardoor de interoperabiliteit van de systemen wordt versterkt en om klanten keuzemogelijkheden te bieden in termen van oplossingen;

66.

onderkent de vorderingen op het gebied van normalisatie van slimme meters met de toekenning van normalisatiemandaat M/441 door de Europese Commissie aan de Europese normalisatie-instellingen (CEN, CENELEC en ETSI), en benadrukt dat in de technische normen voor slimme meters rekening moet worden gehouden met de aanvullende functionaliteiten als vermeld in het eindverslag van de Coördinatiegroep Slimme Meters (SM-CG) van CEN/CENELEC/ETSI (SM-CG), te weten:

aflezing op afstand van metrologische registers,

communicatie in beide richtingen,

ondersteuning voor geavanceerde tarifering/vooruitbetaling,

aan- en uitschakeling op afstand van toevoer, stroombegrenzer,

communicatie met en indien van toepassing directe besturing van afzonderlijke apparaten in huizen en gebouwen,

weergave van informatie via een webportaal/gateway op een display in huis;

67.

verwelkomt de inspanningen van het Europees Elektriciteitsnetwerk-initiatief (EEGI) en de task force voor slimme netten van de Commissie; verzoekt de Commissie zo goed mogelijk rekening te houden met haar conclusies over de specifieke wetgeving inzake slimme netwerken, welke voor de eerste helft van 2011 gepland is;

68.

benadrukt dat het doel van slimme meters is dat consumenten hun energieverbruik op effectieve wijze kunnen bijhouden en beheersen;

69.

wijst erop dat de lidstaten nu reeds verplicht zijn om bij ten minste 80 % van hun eindverbruikers tegen 2020 slimme meters te installeren en herinnert aan de tussentijdse doelstelling dat tegen 2015 bij 50 % van alle huishoudens slimme meters zijn geïnstalleerd, zoals overeengekomen in de nieuwe digitale agenda voor Europa;

70.

onderstreept dat de lidstaten overeenkomstig het derde energiemarktpakket een toereikend aantal proefprojecten voor huishoudelijke verbruikers zouden moeten ondersteunen ter vergroting van het maatschappelijk draagvlak voor dit instrument en ter bevordering van het innovatieproces; verzoekt de Commissie om op grond van de in het derde energiepakket vereiste evaluaties verdere maatregelen voor te stellen om de installatie van slimme meters bij alle niet-residentiële klanten tegen 2014 te verzekeren, waarbij een tijdelijke uitzondering wordt gemaakt voor zeer kleine ondernemingen; dringt aan op de vaststelling van duidelijke privacy- en gegevensbeschermingsregels overeenkomstig de bestaande EU-wetgeving;

71.

onderstreept dat bij de installatie apparaten voor beheer van het energiegebruik, en met name van slimme meters bij huishoudelijke afnemers, allereerst het nut en de voordelen voor de eindgebruikers duidelijk aanwezig moeten zijn; onderstreept de noodzaak om de consumenten goed te informeren over hun energieverbruik, ten einde hen actief te betrekken bij de energiebesparingsinspanningen, waarbij speciale aandacht moet worden besteed aan bewustwording, het geven van trainingen, duidelijke facturering, het waarborgen van kosteneffectiviteit en het bevorderen van de ontwikkeling van gebruiksvriendelijke technologieën;

72.

onderstreept in dat opzicht het essentiële belang van ondersteuning van onderzoek en innovatie, waaraan moet worden bijgedragen door middel van een actief financieringsbeleid, onder meer door de inzet van nog te ontwikkelen innovatieve instrumenten, zoals een Europees fond voor de financiering van innovatie of een Europees octrooifonds;

73.

verzoekt de Commissie en de lidstaten toe te werken naar de selectie van een gestandaardiseerde radiospectrumband met vergunning voor slimme meters en netwerken;

74.

verzoekt de Commissie om in nauwe samenwerking met de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming na te gaan of er aanvullende gegevensbeschermingsmaatregelen nodig zijn en toe te zien op de rollen en verantwoordelijkheden van verschillende actoren op het vlak van toegang, bezit en verwerking van gegevens, waaronder rechten ten aanzien van eigendom, bezit en toegang, evenals lees- en wijzigingsrechten, en indien nodig met adequate wetgevingsvoorstellen en/of richtsnoeren te komen;

Vaststelling van duidelijke en transparante criteria voor prioritaire projecten

75.

is tevreden met de door de Commissie in kaart gebrachte prioritaire corridors en is het ermee eens dat de beperkte middelen die daarvoor beschikbaar staan, optimaal moeten worden benut; herhaalt dat enerzijds de verantwoordelijkheid voor de planning en ontwikkeling van infrastructuurprojecten bij de markt ligt, maar dat de EU een rol heeft bij de bevordering van bepaalde projecten door hieraan de status van "projecten van Europees belang" te verlenen en openbare financiering beschikbaar te stellen voor sommige daarvan;

76.

dringt aan op het hanteren van een duidelijke en transparante methodiek voor de selectie van prioritaire projecten die in de dringende Europese behoeften voorzien; benadrukt dat de selectie van projecten van Europees belang (PEB's) moet plaatsvinden op basis van objectieve en transparante criteria en dat daarbij alle belanghebbenden moeten worden betrokken;

77.

benadrukt dat de projecten van Europees belang (PEB) moeten bijdragen tot de realisering van de energiedoelstellingen van de EU - voltooiing van de interne markt, bevordering van efficiënt energiegebruik en hernieuwbare energieën en verbetering van de veilige energievoorziening - en ook in substantiële mate moeten kunnen bijdragen tot:

versterking van integratie, concurrentie en transparantie van de markt en het tegengaan van marktconcentraties,

het wegwerken van "energie-eilanden",

vermindering van energieverliezen in netwerken en het voorkomen van knelpunten in de transmissie - ook waar het gaat om interne projecten indien die bijdragen aan de ontwikkeling van de grensoverschrijdende interconnecties - als ook vergemakkelijking van de grensoverschrijdende transmissie,

opheffen van wegvallen van afhankelijkheid van een enkele leverancier,

diversificatie ten aanzien van transitoroutes en de herkomst van de energiebronnen,

integratie van de hernieuwbare energieën in het net en opvoering van het gebruik van hernieuwbare energieën door vermindering van de contingentering van hernieuwbare energie;

78.

is van oordeel dat bij de beoordeling van de toekenning van prioriteit aan projecten rekening moet worden gehouden met de volgende criteria:

het project moet een Europese dimensie hebben (d.w.z. een duidelijk Europees belang hebben),

de noodzaak ervan moet worden aangetoond op basis van de hiërarchie ten aanzien van infrastructuren,

de projecten moeten stroken met de klimaat-, energie-efficiëntie- en milieudoelstellingen,

zij moeten in overeenstemming zijn met het voor de lange termijn uitgestippelde energiebeleid van de EU (dat voorziet in flexibele en multifunctionele toepassing en vermijding van lock-in-effecten),

het moet een goede kosten-batenverhouding hebben en een goede kosteneffectiviteit,

het moet technisch uitvoerbaar zijn;

79.

is van mening dat bij de verdere prioritering van projecten rekening moet worden gehouden met de volgende criteria:

of de solidariteit tussen de lidstaten wordt versterkt,

de mate van gerijptheid van de projecten,

een minimaal milieueffect van de projecten,

de vraag of zij de beste oplossing vormen voor het betrokken publiek;

80.

onderstreept het belang van regionale samenwerking, die het makkelijker maakt prioriteiten te stellen, investeringsplannen op te stellen en concrete projecten te plannen, te realiseren en te monitoren; is van mening dat de huidige macroregionale strategie, zoals voor het Oostzeegebied en de Donau-regio, gebruikt kan worden als samenwerkingsplatform voor bijvoorbeeld de onderhandelingen over en de tenuitvoerlegging van projecten in de energiesector;

81.

merkt op dat de interne energiemarkt verder moet worden geïntegreerd, in het bijzonder middels de bevordering van projecten waarmee wordt gezorgd voor een homogene nationale energiemix in buurlanden;

82.

onderstreept dat belemmeringen voor de mededinging en de marktgestuurde ontwikkeling van alle energie-infrastructuur, waaronder districtverwarming en -koeling, moeten worden weggenomen;

83.

herinnert eraan dat de geografische hindernissen die eigen zijn aan de situatie van insulaire gebieden de integratie van deze gebieden in het energienetwerk van de Unie ernstig bemoeilijken, en dat het nodig is hun extra middelen ter beschikking te stellen om hun energieafhankelijkheid te verminderen, ofwel door hun eigen potentieel op het gebied van hernieuwbare energiebronnen te ontwikkelen, ofwel door de bevordering van de energie-efficiëntie en energiebesparingen;

84.

benadrukt dat de transparantie moet worden verbeterd door het publiek duidelijk te informeren omtrent het doel en de technische planning van elk project; verlangt dat wordt aangetoond dat in het kader van de publieksraadplegingen aan de criteria is voldaan;

85.

meent dat niet alleen grote infrastructuurprojecten moeten worden ondersteund, maar ook kleinere projecten die mogelijk een hogere toegevoegde waarde hebben en sneller kunnen worden voltooid;

86.

verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat projecten die de status van project van Europees belang krijgen na de goedkeuring aan bovengenoemde criteria blijven voldoen; is de mening toegedaan dat de status van project van Europees belang bij grote wijzigingen in het project opnieuw moet worden beoordeeld;

Snellere en transparantere vergunningverleningsprocedures

87.

is het ermee eens dat moet worden gegarandeerd dat PEB's tijdig worden uitgevoerd en is ingenomen met het voorstel van de Commissie om de coördinatie van vergunningverleningsprocedures te stroomlijnen en te verbeteren, op voorwaarde dat aan het subsidiariteitsbeginsel wordt voldaan, zodat de bestaande termijnen op die gebieden niet alle innovatievoornemens van particuliere investeerders belemmert;

88.

verwelkomt de oprichting van een nationaal contactpunt voor elk project van Europees belang (een zogenaamde "onestopshop") bij wijze van unieke administratieve interface tussen de ontwikkelaars en de respectieve instanties die betrokken zijn bij de autorisatieprocedure; is met betrekking tot grensoverschrijdende projecten van mening dat voor nauwere coördinatie tussen de nationale "onestopshops" moet worden gezorgd en dat de Commissie daarbij een grotere rol moet vervullen; voordat nieuwe administratieve eenheden ("onestopshop") worden opgericht, moeten de Commissie en de lidstaten de bestaande entiteiten volledig hebben benut;

89.

benadrukt dat elk nationaal contactpunt onafhankelijk en vrij van politieke en economische invloed moet zijn; is van mening dat projecten van Europees belang in volgorde van binnenkomst en binnen de in het toekomstige Commissievoorstel vastgestelde tijdslimiet moeten worden verwerkt;

90.

onderstreept het belang van een tijdige afsluiting van projecten en een kwalitatief hoogstaande dialoog met de belanghebbenden; verzoekt de Commissie om invoering van een getrapt systeem van lichte tot zware waarschuwingen voor het geval een lidstaat het vergunningsvoorstel niet binnen een redelijke termijn afwikkel, en er strak op toe te zien of de nationale administratieve procedures een correcte en spoedige tenuitvoerlegging van de PEB's toelaten; verwelkomt de invoering, wanneer zich moeilijkheden voordoen, van indicatieve termijnen waarbinnen de relevante bevoegde instanties tot een definitief besluit moeten zien te komen; dringt erop aan dat de Commissie bij het uitblijven van een dergelijk besluit onderzoekt of deze vertraging kan worden opgevat als een belemmering van de correcte en snelle totstandbrenging van de energiemarkt van de EU door de betrokken lidstaat;

91.

verzoekt de Commissie om, met inachtneming van de uiteenlopende specifieke eigenschappen en territoriale kenmerken van de projecten, te bepalen of de mogelijkheid bestaat om gezamenlijke of gecoördineerde procedures op te zetten tot vaststelling van concrete sleutelmaatregelen en beste praktijken (regelmatige uitwisseling van informatie, tijdige kennisgeving van besluiten, gezamenlijke probleemoplossingsmechanismen, enz.), en te beoordelen of het wenselijk is bemiddelingsprocedures te gebruiken als instrument bij de definitieve besluitvorming;

92.

benadrukt de noodzaak van een meer op participatie gerichte benadering en onderkent dat de plaatselijke bevolking ter wille van een bredere acceptatie van energie-infrastructuurprojecten in een zo vroeg mogelijk stadium bij de ontwikkeling van deze projecten moet worden betrokken; dringt erop aan ook alle niveaus van het maatschappelijk middenveld (ngo's, sociale partners en consumentenorganisaties) bij het raadplegingsproces over projecten van Europees belang te betrekken; verzoekt de Commissie een raadplegings- en beoordelingssysteem op te zetten om beste praktijken en kennis van de acceptatie van infrastructuur bij de bevolking te identificeren en te verspreiden;

93.

wijst, gezien het belang van duurzame energiestrategieën voor het ontwikkelingspotentieel van de regio's, op de noodzaak een platform op te zetten voor de uitwisseling van goede praktijken die in de regio's ontwikkeld zijn, waarbij geslaagde voorbeelden van gemeenten en regio's die zich gespecialiseerd hebben in hernieuwbare energie, energiebesparing en efficiënt energiegebruik, in aanmerking worden genomen; dringt in dit verband aan op een raadplegings- en beoordelingssysteem met het oog op het vaststellen en verspreiden van beste praktijken en kennis op het gebied van de aanvaarding van infrastructuur door het publiek;

94.

beklemtoont dat de grootste uitdaging ligt in het verkrijgen van acceptatie voor energie-infrastructuurprojecten bij het lokale publiek; is ervan overtuigd dat acceptatie en vertrouwen van burgers en besluitvormende organen slechts kunnen ontstaan door open en transparante debatten voorafgaand aan een beslissing over energie-infrastructuurprojecten;

95.

vraagt de Commissie te beoordelen of de modernisering en opwaardering van bestaande energiecorridors wat betreft kostenefficiëntie en de acceptatie bij het brede publiek is te prefereren boven nieuwe corridors;

96.

beveelt aan dat er meer voorlichting wordt gegeven over het belang van energienetwerken binnen de Europese Unie; verzoekt de Commissie na te denken over een Europese informatie- en communicatiecampagne over energienetwerken die wordt georganiseerd op nationaal en lokaal niveau;

Financieringsinstrumenten

97.

merkt op dat netwerkinvesteringen van cyclische aard zijn en moeten worden bekeken vanuit een historisch perspectief; wijst erop dat een groot deel van de infrastructuur die de afgelopen decennia is gebouwd met het oog op de interconnectie van gecentraliseerde elektriciteitscentrales in de komende jaren verouderd zal raken; wijst erop dat de samenleving verwacht dat de kosten voor de installatie van nieuwe infrastructuur worden geoptimaliseerd door middel van publiek-private partnerschappen en de ontwikkeling van innovatieve financieringsinstrumenten; wijst erop dat de samenleving verwacht dat de kosten voor de installatie van nieuwe infrastructuur worden geoptimaliseerd, benadrukt daarom de noodzaak om de behoefte aan infrastructuur nauwkeurig in kaart te brengen en overtollige capaciteit te voorkomen door het kosteneffectieve energie-efficiëntiepotenteel volledig in aanmerking te nemen;

98.

benadrukt dat het grootste deel van de infrastructuurinvesteringskosten door de markt moet worden gefinancierd, op basis van de beginselen van een correcte kostentoerekening, transparantie, non-discriminatie en kosteneffectiviteit en in overeenstemming met het beginsel dat de gebruiker betaalt; verzoekt de Commissie te onderzoeken in hoeverre de bestaande stimuleringsregeling volstaat voor het afgeven van de benodigde signalen aan de markt en welke aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn, zoals maatregelen ter verbetering van de regels voor kostentoerekening;

99.

is van oordeel dat, wanneer er geen regelgevend alternatief voorhanden is en de markt niet in staat is om de benodigde investeringen op te brengen, financiering op EU-niveau nodig kan zijn voor de financiering van sommige PEB's van beperkte omvang, die door hun specifieke kenmerken commercieel niet erg aantrekkelijk zijn, maar waarvan de financiering noodzakelijk is ter realisering van de doelstellingen van het energiebeleid van de EU; is van oordeel dat overheidsmiddelen kunnen worden ingezet, middels het opzetten van een op innovatie gerichte mix van financieringsinstrumenten; op een wijze die niet tot concurrentiedistorsie mag leiden;

100.

wijst er op dat het EFRO een belangrijke bijdrage levert aan de financiering van infrastructuurprojecten, onder andere op het gebied van energie-infrastructuur en andere vormen van infrastructuur en wijst op de belangrijke rol van het cohesiebeleid op lokaal en regionaal niveau om de energie-efficiëntie te verbeteren en de doelstellingen van de Unie op het gebied van hernieuwbare energie te verwezenlijken;

101.

benadrukt dat de cohesie- en structuurfondsen een centrale rol moeten blijven spelen bij de financiering van infrastructuurprojecten; acht pogingen om nieuwe sectorale fondsen te creëren uit de fondsen voor het cohesiebeleid misplaatst;

102.

verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de financiering van infrastructurele investeringen marktconform is om concurrentieverstoring en verkeerde investeringsprikkels te vermijden, en dat ongerechtvaardigde verschillen tussen lidstaten derhalve worden voorkomen mits het openbaar belang – in het bijzonder lokaal en regionaal en in gebieden met specifieke geografische kenmerken zoals eilanden, bergachtige gebieden en regio's met een zeer lage bevolkingsdichtheid – ook gewaarborgd is door middel van een beperkte hoeveelheid overheidsgeld dat moet leiden tot een innovatieve combinatie van financiële instrumenten met een hefboomwerking op particuliere investeringen;

103.

is van mening dat dergelijke projecten, die commercieel onaantrekkelijk zijn en geen particuliere investeerders aantrekken, en die essentieel zijn om geïsoleerde EU-regio's aan te sluiten op het Europese gas- en elektriciteitsnet als integraal onderdeel van de eengemaakte Europese energiemarkt, moeten stoelen op EU-financiering;

104.

verzoekt de Commissie om financiering uit openbare middelen alleen mogelijk te maken voor lidstaten die bestaande EU-wetgeving volledig in nationaal recht hebben omgezet en naar behoren toepassen, met inbegrip van de in het derde internemarktpakket vastgelegde regelgevingsvoorschriften;

105.

verzoekt de Commissie om de staatssteunregels met betrekking tot energie-infrastructuur te herzien en om indien nodig met voorstellen te komen voor een zodanige wijziging van deze regels dat de lidstaten de modernisering van infrastructuur kunnen stimuleren; verzoekt de Commissie tegelijkertijd een nieuw begeleidend document met betrekking tot de financiering van projecten en de huidige wetgeving inzake staatssteun te publiceren, waarin duidelijke criteria voor overheidsfinanciering van energie-infrastructuur worden neergelegd; benadrukt dat dit document door het DG Energie, het DG Concurrentie en het DG Regionaal beleid gezamenlijk moet worden ontwikkeld om eventuele gevallen van inconsistentie binnen de regels van de Commissie uit de weg te ruimen;

106.

dringt erop aan dat op grond van strategische doelen voor de energiesubsidies die in de toekomst worden verwezenlijkt, op het gebied van de infrastructuur, het geografisch beginsel in aanmerking wordt genomen; stimuleert verder dat de al meer ontwikkelde regio's alleen verdere subsidies voor onderzoek en ontwikkeling mogen krijgen als zij dit samen uitvoeren met minder ontwikkelde regio's;

107.

onderstreept dat een stabiel, voorspelbaar en adequaat regelgevingskader, met inbegrip van een passend rendement en stimulansen voor het starten van projecten, van cruciaal belang is voor de bevordering van investeringen; benadrukt dat regulators de toepassing van nieuwe technologieën moeten stimuleren door de nodige marktprikkels te creëren en proefprojecten te starten;

108.

is van mening dat private financiering de tijdige aanleg van de benodigde energie-infrastructuur kan vergemakkelijken, aangezien de omvang van de uitdaging op dit gebied zo groot is dat private middelen moeten worden aangeboord; meent dat wanneer private investeerders de infrastructuuruitdaging omarmen, de Commissie duidelijke richtsnoeren moet opstellen voor de betrokkenheid van marktdeelnemers en private investeerders bij zogeheten "commerciële lijnen"; is van mening dat zorgen over de effecten op de werking van de markt kunnen worden weggenomen als commerciële lijnen worden verplicht de volledige capaciteit ter beschikking van de markt te stellen;

109.

onderstreept voorts dat zoveel mogelijk gebruik moet worden gemaakt van marktconforme instrumenten zoals projectobligaties, roterende fondsen, equity funds voor hernieuwbare energieën, leninggaranties, niet-commerciële risicodelingsfaciliteiten, stimulansen voor de financiering van publiek/private partnerschappen, samenwerkingsverbanden met de EIB - ter verbetering van de interventiecapaciteit en de beschikbare middelen - en de inkomsten uit emissiehandel, en in voorkomend geval andere innoverende financieringsinstrumenten; verzoekt de Commissie om rekening te houden met de financiële capaciteiten en marktvoorwaarden van de minder ontwikkelde lidstaten;

110.

wijst op het belang van een nauwere en efficiëntere samenwerking met de particuliere sector en met de financiële instellingen, vooral met de Europese Investeringsbank en met de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, om de benodigde financiering met name voor prioritaire projecten te bevorderen; verzoekt de Commissie andere innovatieve financieringsinstrumenten te onderzoeken en te helpen de oprichting van publiekparticuliere partnerschappen te bevorderen, die van de lokale, regionale of nationale autoriteiten de nodige stimulansen en het noodzakelijke wetgevingskader en politieke steun moeten krijgen; benadrukt in dit verband de noodzaak om technische bijstand en financiële engineering te ontwikkelen op het niveau van de lokale en regionale overheid, om lokale actoren te ondersteunen bij het opzetten van projecten voor energie-efficiëntie – bijvoorbeeld door gebruik te maken van ELENA, de faciliteit voor technische bijstand van de EIB en de ervaring van ESCO indien het infrastructuur voor energie-efficiëntie betreft;

111.

steunt het idee om gemeenschappelijke Europese projectobligaties uit te geven om de aanzienlijke Europese infrastructuurbehoeften en structurele projecten te financieren in het kader van de EU 2020-agenda, met inbegrip van de nieuwe strategie voor de ontwikkeling van energie-infrastructuur; is van mening dat EU-projectobligaties voor de benodigde investeringen zouden zorgen en voldoende vertrouwen zouden creëren om het benodigde kapitaal voor belangrijke investeringsprojecten aan te trekken, waardoor ze een belangrijk mechanisme voor het verkrijgen van maximale publieke steun zouden worden; herinnert eraan dat als Europa op het spoor van duurzaamheid moet worden gezet, deze projecten ook moeten bijdragen tot de ecologische transformatie van onze economieën, waardoor ze de weg zullen plaveien voor een economie zonder CO2-uitstoot;

112.

is met name van mening dat EU-projectobligaties een belangrijk financieel instrument kunnen worden in verband met de benodigde investeringen in energie-infrastructuur in Europa, aangezien particuliere ondernemingen hiermee kapitaal van investeerders kunnen aantrekken; verzoekt de Commissie om snel met een wetgevingsvoorstel inzake EU-projectobligaties te komen;

113.

benadrukt het belang van de ontwikkeling door de regulators van een gemeenschappelijke methode voor de toerekening van de kosten van grensoverschrijdende infrastructuurprojecten, omdat dergelijke prikkels voor de aanleg van netwerkinfrastructuur vaak in een situatie van marktfalen worden ingesteld, voornamelijk als gevolg van natuurlijke monopolies en een gebrek aan concurrentie;

114.

wijst op het belang van transparante en niet-discriminerende tarieven met het oog op een adequate toerekening van de kosten van investeringen in grensoverschrijdende en interne transmissie-infrastructuur die in belangrijke mate bijdraagt aan de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen van de EU, billijke consumentenprijzen en verbetering van het concurrentievermogen; dringt er bij de lidstaten op aan om af te zien van de toepassing van buitengewoon lage gereguleerde tarieven; verheugt zich over het voorstel van de Commissie inzake REMIT;

115.

herinnert eraan dat het derde pakket een verplichting voor regulators creëert om bij het vaststellen van de tarieven de investeringen niet alleen op basis van de baten in hun lidstaten te evalueren, maar ook op basis van de EU-brede voordelen; dringt er bij het ACER op aan om ervoor te zorgen dat zijn leden deze verplichting nakomen; verzoekt de Commissie om nader te bestuderen of kosten en baten op eerlijke wijze worden toegerekend via de vaststelling van tarieven en of de toepassing van compensatiemechanismen, op basis van strikte transparantie, van pas zou kunnen komen bij de goedkeuring van grensoverschrijdende projecten die weliswaar geen voordelen opleveren voor bepaalde (transit)regio's, maar niettemin noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de EU-doelstellingen op energiegebied;

116.

onderstreept het belang van een grotere verbindingscapaciteit van grensoverschrijdende energienetwerken en het belang van voldoende financiering om de vastgestelde doelen, met inbegrip van territoriale cohesie, te bereiken;

117.

roept op tot de invoering van verbeterde financiële instrumenten op Europese schaal ter ondersteuning van de inspanningen van de lokale en regionale overheden op het gebied van investeringen in duurzame energieproductie;

118.

verwelkomt het initiatief van de Commissie om in 2011 met een voorstel te komen voor de toerekening van de kosten van technologisch complexe of grensoverschrijdende projecten, aangezien dit als een van de belangrijkste belemmeringen voor de ontwikkeling van grensoverschrijdende infrastructuur wordt beschouwd, en met een nieuw financieringsinstrument ter ondersteuning van de prioritaire projecten in de periode 2014-2020;

119.

vindt het belangrijk dat ook het beheer van financiële waarborgen van de investeringen meer nadruk krijgt in de toekomst, en dat het opstellen van het geplande financieringsbudget en het plannen van de begrotingscyclus 2014-2020 met elkaar in overeenstemming zijn;

Andere infrastructuurvraagstukken

120.

is van mening dat alle externe pijpleidingen en andere energienetwerken die het grondgebied van de Europese Unie binnenkomen moeten worden beheerd op basis van transparante intergouvernementele overeenkomsten en moeten worden onderworpen aan de regels van de interne markt, met inbegrip van regels voor de toegang van derden, bestemmingsbepalingen, toezicht op de toewijzing en het beheer van knelpunten, de duur van de contracten en "take-or-pay"-clausules; verzoekt de Commissie om ervoor te zorgen dat huidige en toekomstige pijpleidingen en handelsovereenkomsten het Europese energieacquis respecteren en om indien nodig actie te ondernemen;

121.

verzoekt de Commissie om de verlening van vrijstellingen op de regels voor toegang voor derden tot energie-infrastructuur verder te beperken en te evalueren of de verleende vrijstellingen nog steeds nodig zijn; merkt op dat overheidsfinanciering van of overheidssteun voor projecten door middel van instrumenten als door de Europese Investeringsbank gedekte projectobligaties, enz., de noodzaak van vrijstellingen van de regels voor toegang voor derden zou moeten verminderen of wegnemen;

*

* *

122.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de lidstaten.


(1)  PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16.

(2)  PB L 211 van 14.8.2009.

(3)  PB L 295 van 12.11.10, blz. 1.

(4)  PB L 262 van 22.9.2006, blz. 1.

(5)  PB L 200 van 31.7.2009, blz. 31.

(6)  PB C 81 E van 15.3.2011, blz. 107.

(7)  PB L 211 van 14.8.2009, blz. 55.

(8)  PB L 211 van 14.8.2009, blz. 94.

(9)  Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0441.

(10)  Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0485.

(11)  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0068.

(12)  Zaak C-490/10 Europees Parlement/Raad van de Europese Unie, betreffende Verordening (EU, Euratom) nr. 617/2010 inzake mededeling aan de Commissie van investeringsprojecten met betrekking tot energie-infrastructuur.


Top