Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52000PC0468

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai

/* COM/2000/0468 def. - COD 2000/0194 */

PB C 337E van 28.11.2000, pp. 251–263 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

52000PC0468

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai /* COM/2000/0468 def. - COD 2000/0194 */

Publicatieblad Nr. C 337 E van 28/11/2000 blz. 0251 - 0263


Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai

(door de Commissie ingediend)

TOELICHTING

1. Doelstelling en inhoud van de voorgestelde richtlijn

De doelstelling van de voorgestelde richtlijn is een gemeenschappelijke Europese wettelijke regeling tot stand te brengen voor de evaluatie en beheersing van de blootstelling aan omgevingslawaai. De bezorgdheid van het publiek met betrekking tot de blootstelling aan lawaaiverontreiniging blijft groot, dit ondanks de EU-wetgeving op het gebied van de bronnen van lawaai, relevante wetgeving in bepaalde lidstaten en remediërende acties op plaatselijk niveau. Tot dusver kan de wetgeving op het gebied van het omgevingslawaai worden ingedeeld in twee grote categorieën, namelijk EU-wetgeving inzake de geluidsemissie van producten (auto's, vrachtwagens, vliegtuigen en industriële apparatuur) - in wezen markttoegangswetten voor typeconformiteitsbeproeving - en wetgeving van de lidstaten inzake aanvaardbare geluidsniveaus in de huishoudelijke omgeving. In het Groenboek betreffende het toekomstige beleid inzake de bestrijding van geluidshinder [1] en de in dat kader verrichte studies worden de kenmerken en effecten van de aanpak van de EU en de lidstaten geanalyseerd. Geconcludeerd wordt dat het uiteindelijke resultaat onbevredigend is. Om daaraan iets te doen is voorgesteld te beginnen met "een voorstel voor een richtlijn tot harmonisatie van de methoden voor de evaluatie van de geluidsbelasting en de wederzijdse uitwisseling van informatie. Het voorstel kan aanbevelingen bevatten betreffende het in kaart brengen van lawaai en het verschaffen van informatie over de geluidsbelasting van de bevolking. In een tweede stadium kan worden overwogen om streefwaarden vast te stellen en het nemen van maatregelen om die streefwaarden te bereiken verplicht te stellen".

[1] Groenboek inzake de toekomstige bestrijding van geluidshinder (COM(96) 540 def.)

In het licht van deze conclusies worden in de voorgestelde richtlijn de essentiële elementen gegeven voor een meer coherente en doeltreffende aanpak.

In de eerste plaats wordt ernaar gestreefd de geluidsbelastingsindicatoren en evaluatiemethoden voor omgevingslawaai te harmoniseren. Lawaai van verschillende bronnen wordt gekenmerkt door verschillende dosis/effect-relaties en kan dus worden ingedeeld in verschillende verontreinigings bronnen. In de tweede plaat wordt ernaar gestreefd om door gebruikmaking van die gemeenschappelijke indicatoren en evaluatiemethoden de geluidsbelasting van de bevolking in kaart te brengen in de vorm van "geluidsbelastingkaarten". Ten derde is het de bedoeling die informatie publiek bekend te maken. Deze informatie zal de basis vormen voor actieplannen op lokaal niveau. Zij zal ook de basis vormen voor de vaststelling van streefdoelen voor verbetering van de situatie op EU-niveau en voor de ontwikkeling van een EU-strategie en de vaststelling van EU-maatregelen. Overeenkomstig de richtlijn moeten de lidstaten de momenteel geldende of geplande grenswaarden aangeven in termen van geharmoniseerd indicatoren. Het is niet de bedoeling om grenswaarden vast te stellen die voor de gehele EU gelden. Wanneer de lidstaten nationale grenswaarden voor elke lawaaibron hebben vastgesteld en geluidsbelastingkaarten en actieplannen hebben gepubliceerd, kunnen zowel het publiek als de autoriteiten echter de geluidshinder, de gevolgde aanpak en de voortgang vergelijken. De Commissie meent dat dit een spoorslag voor toekomstige verbetering zal vormen.

2. Werkingssfeer

Geluid kan door verschillende bronnen worden opgewekt en kan als lawaai worden aangevoeld door de mens in verschillende omstandigheden. Omgevingslawaai, als gedefinieerd in dit voorstel, is het geluid dat wordt voortgebracht door de activiteit van de mens (wegverkeer, spoorwegen, luchtvervoer, industrie, recreatie en bouw) en dat wordt waargenomen in een huishoudelijke omgeving (b.v. in of nabij de woning, in openbare parken en in scholen).

In beginsel heeft dit voorstel betrekking op alle lawaai, maar het is expliciet toegespitst op lawaai dat wordt veroorzaakt door wegverkeer, spoorwegen, luchtvaartuigen en industrie. Het heeft geen betrekking op lawaai dat wordt veroorzaakt door dieren, de natuur, buren of de blootgestelde persoon zelf en evenmin op lawaai waaraan mensen worden blootgesteld op de werkplek of binnen een vervoermiddel.

3. Rechtvaardiging van het voorstel

3.1. Effecten op de volksgezondheid

Omgevingslawaai heeft verschillende effecten op de mens [2]. Aangezien het feit of een persoon dergelijke effecten al dan niet waarneemt in sterke mate afhangt van diens individuele gevoeligheid voor lawaai, moet een beleid inzake omgevingslawaai gebaseerd zijn op wetenschappelijke gegevens waarin rekening wordt gehouden met de variatie ten gevolge van verschillende gevoeligheden.

[2] "Guidelines for Community Noise", Wereldgezondheidsorganisatie, 2000

Het belangrijkste effect in de zin van het aantal getroffen personen wordt "hinder" genoemd en kan worden gemeten via gestructureerd veldonderzoek [3]. Hinder is sterk verbonden met een aantal specifieke effecten, zoals de noodzaak om de ramen te sluiten om slaapverstoring of interferentie met communicatiemiddelen, TV-kijken en luisteren naar radio of muziek te vermijden. Daarbovenop krijgt een beperkter deel van de bevolking ook te maken met ernstige medische gevolgen, zoals hoge bloeddruk, stress, hartaanvallen en gehoorschade [4]. Het spreekt vanzelf dat mensen die geluidshinder rapporteren een verminderde levenskwaliteit kennen, wat geldt voor ten minste 25% van de EU-bevolking. Tussen 5 en 15% van de EU-bevolking is het slachtoffer van ernstige door geluids overlast veroorzaakte slaapverstoring [5].

[3] "Exposure-response relations for transportation noise", H.M.E. Miedema en H. Vos, J. Acoust. Soc. Am. 104 (6), december 1998, blz. 3432 -3444.

[4] "Noise Exposure and Public Health", W. Passchier-Vermeer en W.F. Vermeer, Environmental Health Perspectives Volume 108, Supplement 1, maart 2000.

[5] "Study related to the preparation of a communication on a future EC Noise Policy, Final Report", J. Lambert en M. Vallet, LEN Report nr. 9420, december 1994.

3.2. Economische effecten

Recente economische ramingen van de door omgevingslawaai veroorzaakte schade in de EU lopen uiteen van 13 miljard tot 38 miljard EUR per jaar [6]. Elementen die daartoe bijdragen zijn het waardeverlies van huizen, medische kosten, verminderde mogelijkheden van landgebruik en kosten van verloren arbeidsdagen. Ondanks bepaalde onzekerheden lijkt het vast te staan dat de kosten oplopen tot tientallen miljarden euro per jaar.

[6] "Groenboek inzake de toekomstige bestrijding van geluidshinder" en een "Prioriteitenstudie" van DG Milieu, gebaseerd op gegevens uit de literatuur.

3.3. Gevolgen van het uitblijven van actie

Uitblijven van actie zou inhouden dat de samenhang en doeltreffendheid van de lawaaibeheersing in de Gemeenschap beperkt zouden blijven en dat het geluidshinderprobleem nog acuter zou worden. Gezien de toename van bevolking en verkeer, inclusief het grensoverschrijdend verkeer, zouden beheersingsmaatregelen in de toekomst duurder worden. Passiviteit zou ook inhouden dat er niets wordt gedaan aan de verminderde gezondheidskwaliteit van ongeveer 100 miljoen mensen binnen de EU.

3.4. Verband met overige milieuprogramma's, strategieën en beleidslijnen

In 1999 heeft de Raad een strategie vastgesteld inzake de integratie van het milieu in het vervoerbeleid, waarin het door weg-, spoorweg- en luchtvervoer veroorzaakte lawaai wordt aangegeven als een van de meest urgente problemen. De Mededeling inzake het luchtvervoer en het milieu [7] bevat aanbevelingen voor de harmonisatie van de geluidsbelastingsindicatoren en evaluatiemethoden voor het door luchtvaartuigen geproduceerde lawaai en verwijst naar een toekomstige kaderrichtlijn betreffende omgevingslawaai. In het kader van het Transport and Environment Reporting Mechanism (TERM) [8] is de "blootstelling van de bevolking aan verkeerslawaai" geselecteerd als een van de indicatoren voor de groep "milieueffecten van het vervoer" en is gebleken dat er geen geharmoniseerde methodologieën en gegevens beschikbaar zijn.

[7] COM(1999) 640/3.

[8] Besluit Nr. 2179/98/EG van 24 september 1998.

Belangrijke elementen van de hierbij voorgestelde richtlijn lopen parallel met de inhoud van de richtlijn inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit [9], meer bepaald de gegevensverzameling in agglomeraties, actieplannen, adequate informatie van het publiek, verbetering van berekenings- en meetmethoden, verzameling van gegevens en rapportering door de Commissie. Het voorstelt vult de luchtkwaliteitsrichtlijn derhalve aan en heeft betrekking op een ander belangrijk milieuaspect, met name in stedelijke omgevingen. Afgezien daarvan worden in het voorstel verschillende andere aspecten behandeld, zoals de beheersing van de geluidshinder op het platteland en de bescherming van relatief stille gebieden.

[9] Richtlijn 96/62/EG inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit, PB L 296 van 21.11.96, blz. 55.

Met betrekking tot het door de industrie veroorzaakte lawaai voert Richtlijn 96/61/EG inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging de algemene verplichting in voor alle onder bijlage I van de richtlijn vallende installaties om alle geschikte preventieve maatregelen tegen verontreiniging - inclusief lawaai - te nemen, met name door toepassing van de beste beschikbare technologie. Deze verplichting moet ten laatste vanaf 2007 gelden, meer bepaald door de invoering van een systeem van locatiespecifieke vergunningen waarin emissiegrenswaarden en/of equivalente technische bepalingen zijn opgenomen. Voorts moeten de vergunningen geschikte emissiebewakingseisen omvatten, alsook de verplichting de bevoegde instanties de nodige gegevens te verstrekken ten behoeve van het toezicht op de naleving van de vergunning.

4. EU-Actie en subsidiariteit

Het voorstel heeft tot doel de gezondheid en het welzijn van de bevolking tegen de schadelijke gevolgen van milieuverontreiniging te beschermen en draagt als zodanig bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 175 van het Verdrag. Het is een gedeelde verantwoordelijkheid van de Gemeenschap en de lidstaten. Bepaalde aspecten kunnen het best worden geregeld op EU-niveau, andere op nationaal of lokaal niveau.

De EU-dimensie van de beheersing van omgevingslawaai omvat de invoering van gemeenschappelijke indicatoren, berekenings- en meetmethoden voor de geluidsbelasting, de bewaking van geluidsverontreiniging in de EU, de uitwerking van een EU-strategie ter verbetering van de toestand, de uitwisseling van informatie en de vaststelling van wetgeving inzake geluidsemissie.

Voor de vaststelling van grenswaarden, de opstelling van geluidsbelastingkaarten, de uitwerking van actieplannen, de voorlichting van het publiek en het gebruik van aanvullende indicatoren worden in het voorstel echter slechts minimumeisen, krachtlijnen of algemene doelstellingen gegeven. Het is aan de lidstaten om hun eigen methoden en aanpak te ontwikkelen en toe te passen. Voor bepaalde van deze aspecten kan de Commissie de lidstaten ondersteunen door de publicatie van richtsnoeren of de uitwerking van Europese normen.

De huidige EU-wetgeving inzake omgevingslawaai is beperkt tot de geluidsemissie aan de bron en heeft betrekking op wegvoertuigen, luchtvaartuigen, trekkers en verschillende types van apparatuur [10]. Verschillende nieuwe wetgevingsvoorstellen worden momenteel besproken binnen de Raad en het Europees Parlement. In de mate dat productnormen noodzakelijk blijken om het omgevingslawaai terug te dringen, zijn gemeenschappelijke meet- en evaluatiemethoden van doorslaggevend belang om dergelijke normen op efficiënte wijze vast te stellen.

[10] Motorvoertuigen en hun uitlaatinrichtingen (70/157/EEG, 73/350/EEG, 77/212/EEG, 81/334/EEG, 84/372/EEG, 84/424/EEG, 89/491/EEG, 92/97/EEG, 96/20/EG, 1999/101/EG); motorvoertuigen op twee of drie wielen en hun uitlaatinrichtingen (70/157/EEG, 96/20/EG); landbouwtrekkers (74/151/EEG, 82/890/EEG, 88/410/EEG, 97/54/EG, 98/38/EG); luchtvaartuigen (80/51/EG, 89/629/EEG, 92/14/EEG); bouwterreinmachines en bouwterreinmaterieel (79/113/EEG); compressoren (84/533/EEG); torenkranen (84/534/EEG); aggregaten voor laswerk (84/535/EEG); energieaggregaten (84/536/EEG); met de hand bediende betonbrekers en trilhamers (84/537/EEG); gazonmaaimachines (84/538/EEG); hydraulische graafmachines, kabelgraafmachines, dozers, laders en graaflaadmachines (86/662/EEG).

5. Resultaten van de raadpleging van de betrokken partijen

In 1999 zijn verschillende werkdocumenten besproken in het Stuurcomité voor het beleid inzake omgevingslawaai, waarin lidstaten, NGO-koepels, de industrie (weg-, spoorweg- en luchtvervoer, machinebouw), netwerken van lokale autoriteiten, en diensten van de Commissie vertegenwoordigd zijn. Dit comité schaart zich achter de beginselen van dit voorstel. Het heeft gevraagd ook de bescherming van stillere gebieden en van gebieden op het platteland te behandelen (in de eerste ontwerp-voorstellen lag de klemtoon op de lawaaierige stedelijke gebieden). Er waren enigszins uiteenlopende standpunten over de actieplannen en de EU-doelstellingen en -strategieën. Een bijzondere nadruk werd gelegd op de relatief stille gebieden en de opstelling van geluidsbelastingkaarten en actieplannen voor belangrijke wegen, spoorwegen en luchthavens.

6. Tenuitvoerleggingskosten

In dit stadium is het nog niet mogelijk om nauwkeurige ramingen te geven over de kosten en baten van uitvoering van de richtlijn. Die hangen volledig af van de door de lidstaten vast te stellen streefwaarden en van de op lokaal en plaatselijk niveau uit te werken actieplannen en strategieën.

Een expliciet bestudeerd kostenelement is de prijs van het opstellen van geluidsbelastingkaarten en actieplannen voor agglomeraties [11]. Daarbij is gebleken dat de kosten voor het opstellen van geluidsbelastingkaarten naargelang van de omstandigheden variëren van 0,15 tot 2 EUR per inwoner. De kosten voor de opstelling van de eerste geluidsbelastingkaarten voor agglomeraties werden geraamd op 50 tot 75 miljoen EUR, i.e. 10 tot 15 miljoen op jaarbasis. Er konden geen expliciete gegevens worden verstrekt over de kosten van actieplannen, maar redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die van een zelfde grootteorde zullen zijn. Het gebruik van gemeenschappelijke indicatoren en gemeenschappelijke meet- en evaluatiemethoden maakt een besparing mogelijk bij het meten en gebruiken van informatie. Verscheidene lidstaten en steden beschikken al over geluidsbelastingkaarten en actieplannen zodat de kosten voor het aanpassen van die geluidsbelastingkaarten en actieplannen daar lager zullen liggen dan de initiële kosten, wat de extra kosten ten gevolge van de voorgestelde richtlijn kan drukken tot 10 à 20 miljoen EUR.

[11] "Cost study on noise maps and action planning", COWI report P-44581-W, 1999.

Het opstellen van geluidsbelastingkaarten en actieplannen voor belangrijke wegen en spoorwegen verloopt enigszins eenvoudiger dan voor agglomeraties en er zijn minder burgers en woningen bij betrokken. In ongeveer de helft van de lidstaten is het opstellen van geluidsbelastingkaarten, afbakenen van zones en uitwerken van actieplannen reeds een ingeburgerde praktijk. Bijgevolg wordt verwacht dat de extra kosten hiervoor vergelijkbaar zijn met die voor agglomeraties.

De kosten voor de opstelling van geluidsbelastingkaarten en uitwerking van actieplannen voor luchthavens hangen af van de omvang daarvan en kunnen liggen tussen 50 000 EUR en 2 miljoen EUR. Naar wordt geraamd zal dit voor een totaal van 150 luchthavens oplopen tot 15 miljoen EUR per jaar. Aangezien er voor vele luchthavens al bepaalde geluidsbelastigskaarten en actiepannen bestaan, zullen de totale extra kosten beperkt blijven tot 10 miljoen EUR per jaar.

Naar raming zullen de totale door de voorgestelde richtlijn veroorzaakte extra kosten voor het in kaart brengen van de geluidshinder en de planning van actie oplopen tot 30 à 40 miljoen EUR, i.e. slechts een kleine fractie van de jaarlijks door omgevingslawaai veroorzaakte kosten.

Op langere termijn zou de voorgestelde richtlijn moeten leiden tot een toestand waarin een meer kosteneffectieve aanpak wordt gevolgd, de vervuiler betaalt en minder openbare middelen vereist zijn.

7. Wetenschappelijke en technologische basis

7.1. Werkgroepen

Een stuurcomité en een aantal werkgroepen met vertegenwoordigers van de lidstaten, NGO's, de industrie, de Wereldgezondheidsorganisatie en normalisatie-instellingen hebben de Commissie geholpen bij de opstelling van de richtlijn en zullen dit naar verwachting blijven doen.

7.2. Indicatoren en effecten

In het voorstel worden twee geluidsbelastingsindicatoren gedefinieerd, Lden en Lnight. Die zijn gebaseerd op door het stuurcomité goedgekeurde aanbevelingen van de werkgroep "Indicatoren" [12].

[12] Discussienota inzake EU-geluidsbelastingsindicatoren, 27 augustus 1999.

De eerste geluidsbelastingsindicator is het dag-avond-nacht-niveau Lden in decibel, wat een indicator is voor de "hinder". The indicator Lden wordt in bepaalde lidstaten al gebruikt voor het lawaai van vliegtuigen. Hij is nauw verbonden met het dag-nacht-niveau Ldn, dat in de VS zeer vaak gebruikt wordt en dat ook in sommige lidstaten wordt gehanteerd om het lawaai van vliegtuigen te kenmerken.

Teneinde de aanpak te verfijnen voor de bescherming van de belangrijkste slaapperiode, nl. de nacht, stelt de Commissie in navolging van de aanbeveling van het stuurcomité voor om een "indicator voor de geluidsbelasting bij nacht Lnight" in te voeren. Wanneer het niveau van deze indicator omlaag kan worden gebracht, zal dit belangrijke specifieke effecten hebben zoals een vermindering van het aantal slaapstoornissen.

In combinatie met de daarmee verbonden dosis/effect-relaties maken de indicatoren Lden en Lnight het mogelijk om de gemiddelde reactie te voorspellen van een bevolking die wordt onderworpen aan langdurige blootstelling aan lawaai in termen van hinder en "zelf-gerapporteerde slaapstoornissen". Deze indicatoren zijn geschikt voor planningsdoeleinden en voor een geïntegreerde aanpak voor residentiële zones, steden en grotere gebieden. Zij zijn niet geschikt voor korte-termijnsituaties die vaak gerelateerd zijn aan klachten.

Het probleem van hinder (en van "zelf-gerapporteerde slaapstoornissen") kan worden afgebakend via specifiek veldonderzoek. Er zijn op dit gebied al veel gegevens verzameld en een ISO-werkgroep [13] werkt aan een internationale norm voor veldonderzoek inzake geluidshinder, wat de kwaliteit van de toekomstige gegevens nog moet verbeteren.

[13] ISO/TC43/SC1/WG49.

7.3. Berekenings- en meetmethoden

Het niveau van de geluidsbelastingsindicatoren kan worden bepaald, hetzij door meting, hetzij door berekening. Lange-termijnindicatoren zoals Lden en Lnight kunnen gewoonlijk gemakkelijker en goedkoper worden berekend dan gemeten. Voor prognosedoeleinden zijn berekeningsmethoden de enige optie.

Geen van de momenteel in de lidstaten gebruikte berekeningsmethoden voldoet aan de eisen voor moderne geharmoniseerde methoden [14].

[14] Overeenkomstig het voortgangsrapport 1999 van de werkgroep "Berekening en meting". Een van deze eisen is dat een wijziging in de aard van de geluidsbron (ander wagentype, ander vliegtuigtype) geen invloed heeft op de kwaliteit van het transmissiemodel. Een andere eis is grotere nauwkeurigheid voor de voorspelling van afschermingseffecten (zoals bij geluidsbarrières), meteorologische invloeden, heuvelachtige omgevingen en verschillende andere situaties. De werkgroep is begonnen aan het proces dat moet resulteren in de uitwerking van dergelijke methoden. Dat laatste zal veel tijd vergen (ten minste 4 jaar). Voor deze aanbevolen bestaande methoden volgt de Commissie het advies van werkgroep 3, als gegeven in zijn discussienota betreffende de interim-berekeningsmethoden (te publiceren in juli/augustus 2000). De Commissie moet deze methoden in een passende vorm beschikbaar maken.

Voor een interim-periode stelt de Commissie voor dat de lidstaten hetzij hun bestaande nationale berekeningsmethoden (aangepast aan de definities van de EU-geluidsbelastingsindicatoren), hetzij een aanbevolen bestaande methode (eveneens aangepast aan de definities van de EU-geluidsbelastings indicatoren) gebruiken. In beginsel is de meting van Lden en Lnight vastgelegd door hun definitie. Richtsnoeren voor metingen in de praktijk worden gegeven in twee ISO-normen [15].

[15] ISO 1996-2:1987 en ISO 1996-1: 198/2.

8. Bepalingen van het voorstel

Aangezien de nagestreefde doelstellingen betrekking hebben op de bewaring, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu en de bescherming van de gezondheid en het welzijn van de bevolking, vormt artikel 175 van het Verdrag de rechtsgrond voor het voorstel.

Een gedetailleerd overzicht van de verschillende bepalingen van het voorstel wordt gegeven in bijlage I. Bijlage II omvat een overzicht van de uitvoeringstermijnen.

BIJLAGE I Bepalingen van het voorstel

1. Doelstellingen (Artikel 1)

Het doel van het voorstel is een gemeenschappelijke aanpak te ontwikkelen voor de beheersing van het omgevingslawaai. Deze gemeenschappelijke aanpak bestaat uit drie grote onderdelen: evaluatie aan de hand van gemeenschappelijke methoden, informatie en passende acties.

2. Werkingssfeer (Artikel 2)

Het doel van deze richtlijn is de bevolking van de EU in de huishoudelijke omgeving te beschermen tegen ongewenst lawaai, als voortgebracht door het verkeer en andere mechanische bronnen.

Opgemerkt moet worden dat in stedelijke gebieden de richtlijn bijna overal van toepassing zal zijn, behalve in zones die voorbehouden zijn voor louter industrieel gebruik. Daarom kan worden verwacht dat in bepaalde gevallen maatregelen om het omgevingslawaai terug te dringen ook zullen leiden tot minder lawaai op de werkplek, zoals in kantoren.

3. Definities (Artikel 3)

De definitie van 'agglomeratie' loopt gelijk met die van de luchtkwaliteitsrichtlijn (96/62/EG), behalve wat het aantal inwoners betreft; in dit voorstel is dit 100 000.

De definities van belangrijke wegen, spoorwegen en luchthavens zijn zo gekozen dat een groot deel van de lawaaiverontreiniging door de internationale, nationale en regionale vervoersystemen eronder vallen. De definitie van belangrijke wegen omvat alle drukke regionale, nationale en internationale wegen.

4. Tenuitvoerlegging en verantwoordelijkheden (Artikel 4)

De lidstaten wijzen instanties aan om onderdelen van het voorstel ten uivoer te leggen en om het publiek en de Commissie te informeren. De lidstaten zien ook toe op de juistheid van de evaluatieresultaten.

5. Geluidsbelastingsindicatoren en hun toepassing (Artikel 5 juncto Bijlage I)

Lden en Lnight zijn de geluidsbelastingsindicatoren die moeten worden gebruikt in het EU-geluidshinderbeleid, in nieuwe wetgeving inzake geluidsbelastingkaarten, akoestische planning en afbakening van geluidszones en bij de herziening van de bestaande wetgeving inzake geluidsbelastingkaarten, akoestische planning en afbakening van geluidszones. Krachtens het voorstel moeten in alle bovengenoemde gevallen beide geluidsbelastingsindicatoren worden bepaald en gebruikt.

Er is geen termijn vastgesteld voor de opname van de geluidsbelastingsindicatoren in de bestaande wetgeving. De lidstaten kunnen zelf een geschikte datum vastleggen.

Binnen 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de richtlijn informeren de lidstaten de Commissie over de door hen gewenste grenswaarden voor de geluidsbelastingsindicatoren. Het is de bedoeling dat de diensten van de Commissie een overzicht publiceren.

6. Evaluatiemethoden (artikel 6 juncto artikel 12, bijlage II en bijlage VI)

Berekeningsmethoden om de waarde van de geluidsbelastingsindicatoren vast te stellen zijn een zeer belangrijk onderdeel van de evaluatiemethoden. In het voorstel worden twee fasen voorgesteld:

1. een interim-fase waarin hetzij de (aangepaste) bestaande nationale methoden, hetzij de aanbevolen methoden worden gebruikt;

2. een tweede fase waarin de moderne gemeenschappelijke methoden worden gebruikt en bijlage II wordt herzien.

In de eerste fase kunnen de effecten worden geëvalueerd aan de hand van voorlopige dosis/effect-relaties als gepubliceerd in interim-discussienota's van de werkgroep Dosis/Effecten of vastgelegd door de lidstaat. In de tweede fase worden de dosis/effect-relaties van bijlage II gehanteerd en wordt de vergelijkbaarheid en nauwkeurigheid van de evaluaties van de effecten op de volksgezondheid verbeterd.

7. Geluidsbelastingkaarten (Artikel 7)

Overeenkomstig het voorstel moeten er binnen 3 jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn geluidsbelastingkaarten worden opgesteld voor alle grote agglomeraties (meer dan 250 000 inwoners), belangrijke wegen, belangrijke spoorwegen en belangrijke luchthavens. Het is de bedoeling die actie vijf jaar later te herhalen waneer ook de kleinere agglomeraties van meer dan 100 000 inwoners bij de operatie worden betrokken. Ongeveer 20% van de EU-bevolking leeft in grote agglomeraties. Naar wordt geraamd, zullen de zones waarvoor geluidsbelastingkaarten worden opgesteld in de omgeving van wegen, spoorwegen en luchthavens nog eens 10 tot 20% van het grondgebied bestrijken. Door de opname van de kleinere agglomeraties en de zones met lagere geluidsniveaus in de omgeving van wegen, spoorwegen en luchthavens stijgt het aandeel van de bevolking dat onder de EU-geluidsbelastingkaarten valt in de tweede fase tot ongeveer 50%.

8. Actieplannen (Artikel 8)

Binnen één jaar na de termijn voor de geluidsbelastingkaarten worden actieplannen opgesteld. De minimumeisen voor deze actieplannen worden gegeven in bijlage V.

Of overschrijdingen van de nationale grenswaarden aanleiding zullen geven tot acties hangt af van de nationale wetgeving, de prioriteiten en financiële mogelijkheden van de bevoegde autoriteiten en de invloed van het publiek. Dit laatste aspect wordt behandeld in artikel 9.

9. Informatie van het publiek (Artikel 9)

Een centraal onderdeel van het voorstel is het verstrekken van informatie aan het publiek. De bevoegde instanties zijn verplicht het publiek op gezette tijden te informeren. De geluidsbelastingkaarten en actieplannen moeten binnen twee maanden na hun goedkeuring worden gepubliceerd. De nadruk wordt gelegd op bekendmaking via het internet of soortgelijke on-line-faciliteiten.

10. Gegevensverzameling op lidstaat- en EU-niveau (Artikel 10)

De Commissie stelt voor dat de eerste stap bij het opstellen van de geluidsbelastingkaarten en actieplannen op lidstaat-niveau wordt gezet en dat de resultaten worden toegezonden aan de Commissie die ze in een gegevensbank opneemt en samenvattende verslagen publiceert.

11. Herziening en rapportering (Artikel 11)

In artikel 11 wordt de periodieke rapportering verbonden met de toekomstige monitoring en de ontwikkeling van strategieën en maatregelen ter verbetering van de situatie. De doelstellingen kunnen worden vastgelegd in termen van het aantal personen dat blootgesteld is aan door specifieke bronnen voortgebracht omgevings lawaai. Zij moeten realistisch zijn, met andere woorden er moet rekening worden gehouden met de kosteneffectiviteit en met de politieke aspecten. Bij de afweging van de voordelen van communautaire doelstellingen voor het terugdringen van de geluidsoverlast en communautaire tenuitvoerleggingsstrategieën zal ook worden gekeken naar voordelen op gebieden die buiten de werkingssfeer van deze richtlijn vallen, zoals de toestand in kantoren.

12. Aanpassing (Artikel 12)

Voorgesteld wordt dat de Commissie de bjilagen volgens de comitéprocedure aan de vooruitgang van de techniek aanpast.

13. Comité (Artikel 13)

Krachtens het voorstel wordt de Commissie bij het toezicht op de toepassing van de richtlijn, bijgestaan door een comité overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad.

De voorstellen van de Commissie voor richtsnoeren en voor herziening van de bijlagen kunnen worden gebaseerd op de discussienota's van de werkgroepen.

14. Beoordeling (Artikel 14)

Er wordt voorgesteld de richtlijn 7 jaar na de datum van inwerkingtreding voor het eerst te beoordelen.

15. Omzetting (Artikel 15)

Gezien het te verwachten verband met in bepaalde lidstaten reeds bestaande wetgeving is voorzien in een omzettingsperiode van 18 maanden.

16. Inwerkingtreding (Artikel 16)

Dit is een standaardartikel.

17. Adressaten (Artikel 17)

Standaardtekst.

18. Bijlage I (Geluidsbelastingsindicatoren)

In deze bijlage worden de twee belangrijkste geluidsbelastingsindicatoren (Lden en Lnight) nader omschreven en wordt het toepassingsgebied afgebakend. In bepaalde gevallen kan het nuttig zijn aanvullende indicatoren te hanteren, die door de lidstaten vrij kunnen worden gekozen [16].

[16] De lidstaten en de overige betrokken partijen hebben duidelijk aangegeven dat er behoefte is aan verdere standaardisering op dit gebied. Daarvoor kan bijvoorbeeld worden gezorgd via Europese normen die op vrijwillige basis worden toegepast. De Commissie heeft een werkgroep verzocht daarover een discussienota op te stellen.

19. Bijlage II (Evaluatiemethoden)

Deze bijlage heeft betrekking op de drie onderdelen van de evaluatiemethoden. De eerste twee hebben betrekking op de methoden voor de meting en berekening van de waarde van de geluidsbelastingsindicatoren op een specifieke plaats. Het derde heeft betrekking op de dosis/effect-relaties. In het voorstel worden interim-berekenings- en -meetmethoden omschreven en worden nog geen dosis/effect-relaties aangegeven. De keuze van de interim-berekenings- en -meetmethoden wordt gebaseerd op een discussienota van de desbetreffende werkgroep [17].

[17] Discussienota over de interim-berekenings- en -meetmethoden, te publiceren in juli/augustus 2000.

In het algemeen is de meting van Lden en Lnight moeilijker en veel duurder dan de berekening. In de praktijk speelt berekening dus een dominante rol.

20. Bijlage III (Software voor het opmaken van geluidsbelastingkaarten)

Bijlage III bevat voorlopige minimumeisen voor de software voor het opmaken van geluidsbelastingkaarten. In de toekomst zal deze bijlage worden herzien en zullen er meer details worden opgenomen inzake de eisen voor en de kwaliteitscontrole van de software voor het opmaken van geluidsbelastingkaarten.

21. Bijlage IV (Eisen voor geluidsbelastingkaarten)

Hierin worden minimumeisen voor de geluidsbelastingkaarten gegeven. De Commissie is niet voornemens om de opmaak van de nationale en lokale geluidsbelastingkaarten in detail te regelen.

22. Bijlage V (Actieplannen)

Bijlage V bevat minimumeisen voor de actieplannen. Het is de bedoeling dat de Commissie de lokale, regionale en nationale autoriteiten met richtsnoeren bijstaat.

23. Bijlage VI (Aan de Commissie toe te zenden gegevens)

In bijlage VI wordt een overzicht gegeven van de uit de geluidsbelastingkaarten te distilleren informatie die nodig is om een beeld te krijgen van de geluidshinder in de EU en de effecten daarvan op de volksgezondheid. Het heeft immers geen zin de Commissie alle gedetailleerde gegevens van de geluidsbelastingkaarten en resultaten van de actieplannen toe te zenden. Gedurende de interim-periode is de nauwkeurigheid van de berekenings- en meetmethoden nog te klein om betrouwbare gegevens voor lage niveaus van de geluidsbelastingsindicatoren op te leveren. In die periode is het geluidsbelastingsbereik dus nog beperkt. Zodra de moderne gemeenschappelijke methoden beschikbaar zijn, kan dat bereik worden verbreed.

De vereiste gegevens omvatten informatie over het aantal woningen met speciale isolatie tegen geluidshinder en het aantal woningen met een relatief stille gevel. Door toepassing van de specifieke dosis/effect-relaties die voor dergelijke woningen zullen worden gedefinieerd, is een goede evaluatie van de gezondheidseffecten mogelijk. Verwaarlozing van dit element leidt tot grote fouten bij de afweging van de effecten.

BIJLAGE II Planning en tijdschema

Gezien de vele in het voorstel opgenomen termijnen voor het afronden van bepaalde acties, volgt in onderstaande tabel een overzicht.

Omzetting

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Geluidsbelastingkaarten

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Actieplannen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Commissie

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2000/0194(COD)

Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 175, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie [18],

[18] PB C ... van ..., blz. ...

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité [19],

[19] PB C ... van ..., blz. ...

Gezien het advies van het Comité van de Regio's [20],

[20] PB C ... van ..., blz. ...

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag [21],

[21] PB C ... van ..., blz. ...

Overwegende hetgeen volgt:

(1) In het kader van het beleid van de Gemeenschap dient een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid en het milieu te worden bereikt en één van de na te streven doelstellingen is de bescherming tegen geluidshinder. In het groenboek betreffende het toekomstig beleid inzake geluidshinder [22] omschrijft de Commissie geluidshinder als een van de belangrijkste plaatselijke milieuproblemen in Europa.

[22] COM(96) 540 def. van 4.11.1996.

(2) In haar resolutie van 10 juni 1997 over het Groenboek van de Commissie [23] betuigde het Europees Parlement zijn steun daaraan, drong het aan op het opnemen van specifieke maatregelen en initiatieven in een kaderrichtlijn ter bestrijding van geluidshinder en wees het op het ontbreken van betrouwbare en vergelijkbare gegevens over de verschillende geluidsbronnen.

[23] PB C 200 van 30.6.1997, blz. 28.

(3) In de onderhavige richtlijn moet ten volle rekening worden gehouden met het specifieke voorstel voor een gemeenschappelijke geluidsbelastingsindicator en een gemeenschappelijke methodologie voor de berekening en de meting van het lawaai rond luchthavens als omschreven in de Mededeling van 1 december 1999 betreffende het luchtvervoer en het milieu [24].

[24] COM(1999) 640.

(4) De geluidsuitstoot van producten is reeds behandeld in Richtlijn 86/188/EEG van de Raad van 12 mei 1986 betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan lawaai op het werk [25], laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 98/24/EEG, terwijl geluidsisolatie tussen woningen in Richtlijn 89/106/EEG van de Raad van 21 december 1988 [26] betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake voor de bouw bestemde producten [27], laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 93/68/EEG [28] wordt geregeld. Lawaai binnen vervoermiddelen en door huishoudelijke activiteiten veroorzaakt lawaai valt niet onder deze richtlijn.

[25] PB L 137 van 24.5.1986, blz. 28.

[26] PB L 131 van 5.5.1998, blz. 11.

[27] PB L 40 van 11.2.1989, blz. 12.

[28] PB L 220 van 30.8.1993, blz. 1.

(5) Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 5 van het Verdrag, kan de doelstelling van het bereiken van een hoog niveau van milieubescherming niet voldoende door de lidstaten worden bereikt, daar gegevens betreffende het omgevingslawaai niet op een vergelijkbare wijze worden verzameld, verwerkt of gerapporteerd, zodat dit doel beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt door een harmonisatie van de indicatoren en evaluatiemethoden en een stroomlijning van de criteria voor geluidsbelastingkaarten. De onderhavige richtlijn beperkt zich tot het vereiste minimum om deze doelstellingen te bereiken en gaat niet verder dan hiertoe nodig is.

(6) Op dit moment beschikken de lidstaten niet over gemeenschappelijke definities inzake nationale grenswaarden voor de geluidsbelasting die door het wegverkeer, spoorwegverkeer, luchtvaartuigen rond luchthavens en de industrie wordt veroorzaakt. Deze grenswaarden zouden moeten vastgelegd in termen van geharmoniseerde indicatoren voor de bepaling van de geluidsbelastingsniveaus.

(7) Deze indicatoren moeten aan de hand van consistente methoden worden bepaald.

(8) De gegevens kunnen worden samengebracht op geluidsbelastingkaarten waarin een voorstelling wordt gegeven van de geluidsniveaus die binnen een bepaald gebied worden waargenomen. Er moeten actieplannen worden opgesteld die uitgaan van de beginselen van preventie, de vervuiler betaalt, nabijheid en evenredigheid. Rekening gehouden met de betrokkenheid van de Gemeenschap bij de informatiemaatschappij moet het geschikste informatiekanaal worden gekozen.

(9) Als grondslag voor het toekomstige communautaire beleid en met het oog op de voorlichting van de burgers van de Gemeenschap moeten gegevens worden verzameld en moeten verslagen voor de gehele Gemeenschap worden opgesteld.

(10) Nu reeds kunnen doelstellingen op middellange en lange termijn voor de vermindering van het aantal aan lawaai van specifieke bronnen blootgestelde burgers worden vastgesteld, terwijl toekomstig onderzoek nog dwingender resultaten kan opleveren. Daartoe moet een tijdschema worden vastgelegd. De bereikte resultaten moeten, in overeenstemming met de andere milieu- en levenskwaliteitsdoelstellingen tegen de beschikbare middelen worden afgewogen.

(11) De technische voorschriften voor de evaluatiemethoden moeten zo nodig worden aangevuld en aangepast aan de vooruitgang van wetenschap en techniek en de voortgang bij de Europese standaardisering.

(12) Daar de nodige maatregelen ter uitvoering van deze richtlijn, maatregelen van algemene strekking zijn in de zin van artikel 2 van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden [29], dienen deze maatregelen volgens de regelgevingsprocedure van artikel 5 van genoemd besluit te worden vastgesteld.

[29] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(13) Een evaluatie van de tenuitvoerlegging van deze richtlijn wordt regelmatig uitgevoerd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1 Doelstellingen

1. Het doel van deze richtlijn is een gemeenschappelijke aanpak te bepalen ter vermijding, voorkoming en vermindering van de schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid van de blootstelling aan omgevingslawaai, door:

a) een evaluatie van het omgevingslawaai in de lidstaten op grond van gemeenschappelijke methoden;

b) de voorlichting van het publiek over omgevingslawaai en de gevolgen daarvan.

2. Er worden acties ondernomen om, waar nodig, het omgevingslawaai te verminderen en om de kwaliteit van het omgangslawaai te handhaven, waar zij goed is.

Artikel 2 Werkingssfeer

1. Deze richtlijn is van toepassing op omgevingslawaai als waargenomen door mensen in de omgeving van hun woning, in openbare parken en andere relatief stille zones in agglomeraties, in relatief stille zones op het platteland, in en nabij scholen als leerling, in en nabij ziekenhuizen als patiënt en in andere voor lawaai gevoelige gebouwen en zones.

2. Deze richtlijn is niet van toepassing op lawaai dat door de eraan blootgestelde persoon zelf wordt veroorzaakt, lawaai van huishoudelijke activiteiten, door buren veroorzaakt lawaai, lawaai op de arbeidsplaats en lawaai binnen vervoermiddelen.

Artikel 3 Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) "omgevingslawaai", ongewenst of schadelijk geluid dat door menselijke activiteit buitenshuis wordt veroorzaakt, inclusief geluid dat door vervoermiddelen en industriële locaties of gebouwen wordt voortgebracht;

b) "volksgezondheid", een toestand van volledig fysisch, mentaal en sociaal welzijn overeenkomstig het statuut van de Wereldgezondheids organisatie (WHO);

c) "schadelijke gevolgen", negatieve gevolgen voor de volksgezondheid, zoals door lawaai veroorzaakte hinder, slaapstoornissen, interferentie met communicatiemiddelen, negatieve effecten op het leren, gehoorverlies, stress en hypertensie;

d) "hinder", de mate van geluidshinder voor de gemeenschap als bepaald via veldonderzoek;

e) "geluidsbelastingsindicator", een fysische hoeveelheid voor de beschrijving van het omgevingslawaai, welke een bewezen verband met het schadelijk gevolg heeft;

f) "evaluatie", elke methode om de waarde van een geluidsbelastingsindicator of de daarmee verband houdende schadelijke gevolgen te meten, berekenen, voorspellen of ramen;

g) "dag-avond-nacht-niveau Lden (of LDEN)", de geluidsbelastingsindicator voor hinder, zoals nader gedefinieerd in bijlage I;

h) "indicator voor de geluidsbelasting bij nacht Lnight (of LNIGHT)", de geluids belastings indicator voor zelf-gerapporteerde slaapstoornissen, als verder gedefinieerd in bijlage I;

i) "dosis/effect-relatie", de relatie tussen de waarde van een geluidsbelastings indicator en een schadelijk gevolg;

j) "agglomeratie", een deel van het grondgebied van een lidstaat, zoals afgebakend door deze lidstaat, met een bevolking van meer dan 100 000 personen en met een dergelijke bevolkingsdichtheid dat de lidstaat dit als een stedelijk gebied beschouwt;

k) "relatief stille zone in een agglomeratie", een zone, als afgebakend door een bevoegde plaatselijke instantie, die niet is blootgesteld aan lawaaibronnen met een waarde van Lden die groter is dan een door de lidstaat vastgelegde waarde;

l) "relatief stille zone op het platteland", een zone, als afgebakend door een bevoegde nationale of regionale instantie, die niet blootstaat aan verkeerslawaai of lawaai ten gevolge van industriële of ontspanningsactiviteiten en waar de stilte van de natuur kan worden ervaren;

m) "geluidszone", de in een lidstaat geldende wettelijke definitie van een zone langs of rond lawaaibronnen waarin wettelijke regels ter beheersing van het lawaai van toepassing zijn; 'geluidszoning' betekent alle acties die verband houden met de totstandbrenging van een geluidszone en de toepassing van de daarmee verband houdende regels;

n) "belangrijke weg", een regionale, nationale of internationale weg, als omschreven door de lidstaat, waarop jaarlijks meer dan 3 miljoen voertuigen passeren;

o) "belangrijke spoorweg", een spoorweg, als omschreven door de lidstaat, waarop jaarlijks meer dan 30 000 treinen passeren;

p) "belangrijke luchthaven", een burgerlijke luchthaven, als omschreven door de lidstaat, waarop jaarlijks meer dan 50 000 vliegtuigbewegingen plaatsvinden;

q) "geluidsbelastingkaart", de voorstelling van gegevens inzake een bestaande of voorspelde geluidshindersituatie, in termen van een geluidsbelastingsindicator, de overschrijding van een grenswaarde, het aantal in een bepaald gebied blootgestelde personen, het aantal in een bepaald gebied gelegen woningen dat blootgesteld is aan bepaalde waarden van een geluidsbelastingsindicator, of inzake de kosten-batenverhouding of andere economische gegevens betreffende lawaai beperkings methoden of -scenario's;

r) "strategische geluidsbelastingkaart", een geluidsbelastingkaart die bedoeld is voor de algemene evaluatie van de toestand in een bepaalde zone of voor de algemene voorspellingen voor een dergelijke zone;

s) "grenswaarde", een waarde van Lden of Lnight,, als omschreven door de lidstaat, waarvan de overschrijding de bevoegde instantie ertoe brengt beperkingsmaatregelen in overweging te nemen of op te leggen; dergelijke grenswaarden mogen verschillend zijn voor verschillende types lawaai (lawaai door weg-, spoorweg- of luchtverkeer, industrieel lawaai, enz.), verschillende omgevingen en verschillende bevolkingsgroepen en zij mogen ook verschillend zijn voor bestaande en voor nieuwe situaties (wanneer er een verschil is in de toestand wat de geluidsbron of het omgevingsgebruik betreft);

t) "actieplan voor een agglomeratie", de activiteit die bedoeld is ter vermindering van het lawaai in een agglomeratie op plaatsen waar de grenswaarde voor Lden of Lnight overschreden is en ter bescherming van relatief stille zones in een agglomeratie tegen een toename van de geluidsbelasting;

u) "actieplan voor een belangrijke weg, spoorweg of luchthaven", betekent een activiteit die bedoeld is ter vermindering van het lawaai op plaatsen in de nabijheid van een belangrijke weg, spoorweg of luchthaven waar de grenswaarde voor Lden of Lnight overschreden is;

v) "akoestische planning", de beheersing van toekomstige geluidshinder door geplande maatregelen; dit omvat ruimtelijke ordening, ontwikkeling van verkeerssystemen, verkeersplanning, vermindering van geluidshinder door isolatiemaatregelen en beheersing van het lawaai aan de bron;

w) "speciale isolatie tegen geluidshinder", speciale isolatie van een gebouw tegen een of meerdere types van omgevingslawaai, in combinatie met dergelijke ventilatie- of klimaat regelings systemen dat een hoog niveau van isolatie tegen het omgevings lawaai kan worden gehandhaafd;

x) "een relatief stille gevel", een gevel van een woning waar de waarde van LDEN, voor het lawaai van een specifieke bron, op een plaats 4 m boven de grond en 2 m vóór de gevel, meer dan 20 dB lager ligt dan bij de gevel met de hoogste LDEN-waarde.

Artikel 4 Tenuitvoerlegging en verantwoordelijkheden

1. De lidstaten wijzen op het geschikte niveau de bevoegde autoriteiten en instanties aan die voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn verantwoordelijk zijn, met inbegrip van de autoriteiten die belast worden met:

a) het opmaken en goedkeuren van geluidsbelastingkaarten en actieplannen voor agglomeraties, belangrijke wegen, spoorwegen en luchthavens,

b) het verzamelen van geluidsbelastingkaarten en actieplannen.

2. De lidstaten zien toe op de nauwkeurigheid van de evaluatiemethoden, in coördinatie met de voor de gehele Gemeenschap geldende kwaliteitsborgingsprogramma's.

3. De lidstaten stellen de Commissie en het publiek uiterlijk op 30 juni 2003 de in lid 1 bedoelde informatie beschikbaar.

Artikel 5 Geluidsbelastingsindicatoren en hun toepassing

1. De voor de strategische geluidsbelastingkaarten, akoestische planning en geluidszoning te gebruiken geluidsbelastingsindicatoren zijn Lden en Lnight. De lidstaten hanteren deze indicatoren:

a) voor de opstelling van geluidsbelastingkaarten overeenkomstig artikel 7;

b) bij de uitwerking van nieuwe wetgeving inzake strategische geluidsbelastingkaarten, akoestische planning en geluidszoning;

c) bij de herziening van de bestaande wetgeving inzake strategische geluidsbelastingkaarten, akoestische planning en geluidszoning.

2. De lidstaten kunnen aanvullende geluidsbelastingsindicatoren gebruiken voor de in bijlage I, punt 3 aangegeven speciale gevallen.

3. Uiterlijk op 30 juni 2003 doen de lidstaten de Commissie mededeling van de geldende of voorbereide grenswaarden in termen van Lden en Lnight voor het lawaai van het wegverkeer en het spoorwegverkeer en voor het door de industrie veroorzaakte lawaai. Deze mededeling gaat vergezeld van een verklaring inzake de gevolgen bij overschrijding van deze grenswaarden.

Artikel 6 Evaluatiemethoden

1. De waarden van Lden en Lnight worden bepaald aan de hand van de in bijlage II omschreven berekenings- of meetmethoden.

2. De gezondheidseffecten worden geëvalueerd aan de hand van de in bijlage II omschreven dosis/effect-relaties.

Artikel 7 Geluidsbelastingkaarten

1. De lidstaten zorgen ervoor dat uiterlijk op 31 december 2004 voor alle op hun grondgebied gelegen agglomeraties met meer dan 250 000 inwoners en alle belangrijke wegen, belangrijke spoorwegen en belangrijke luchthavens geluidsbelastingkaarten over de toestand in het voorafgaande kalenderjaar door de bevoegde autoriteiten zijn opgesteld en goedgekeurd.

Uiterlijk op 30 juni 2003 doen de lidstaten de Commissie mededeling van de onder de definities van artikel 3 vallende belangrijke wegen, belangrijke spoorwegen, belangrijke luchthavens en agglomeraties met meer dan 250 000 inwoners op hun grondgebied.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat uiterlijk op 31 december 2009 voor alle op hun grondgebied gelegen agglomeraties met meer dan 100 000 inwoners door de bevoegde autoriteiten geluidsbelastingkaarten over de toestand in het voorafgaande kalenderjaar zijn opgesteld en goedgekeurd. Uiterlijk op 31 december 2008 doen de lidstaten de Commissie mededeling van alle onder de definities van artikel 3 vallende agglomeraties op hun grondgebied.

3. De geluidsbelastingkaarten voldoen aan de minimumeisen van bijlage IV.

4. Aangrenzende lidstaten werken voor het opstellen van de geluidsbelastingkaarten voor hun grensstreken samen.

5. De geluidsbelastingkaarten worden elke vijf jaar na de datum van hun opstelling herzien.

Artikel 8 Actieplannen

1. De lidstaten zorgen ervoor dat uiterlijk op 31 december 2005 actieplannen voor de op hun grondgebied gelegen belangrijke wegen, belangrijke spoorwegen en belangrijke luchthavens en voor de agglomeraties met meer dan 250 000 inwoners door de bevoegde autoriteiten zijn uitgewerkt en goedgekeurd.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat uiterlijk op 31 december 2010 actieplannen voor de op hun grondgebied gelegen agglomeraties met meer dan 100 000 inwoners door de bevoegde autoriteiten zijn uitgewerkt en goedgekeurd.

3. De actieplannen voldoen aan de minimumeisen van bijlage V.

4. De actieplannen worden iedere vijf jaar na de datum van hun opstelling herzien.

Artikel 9 Informatie voor de burger

1. De lidstaten zorgen ervoor dat de geluidsbelastingkaarten binnen twee maanden na goedkeuring ervan door de bevoegde autoriteit op het internet of een andere on-line-faciliteit dan wel op een andere geschikte wijze openbaar worden gemaakt.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteit alvorens een actieplan wordt goedgekeurd een openbare raadpleging houdt en met de resultaten daarvan rekening houdt.

3. De actieplannen worden binnen twee maanden na goedkeuring ervan door de bevoegde autoriteit op het internet of een andere on-line-faciliteit openbaar gemaakt.

Artikel 10 Verzameling en bekendmaking van gegevens door de lidstaten en de Commissie

1. De lidstaten verzamelen de geluidsbelastingkaarten en actieplannen.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat de in de geluidsbelastingkaarten vervatte gevens en de samenvattingen van de actieplannen, zoals nader omschreven in bijlage VI bij deze richtlijn, niet later dan drie maanden na de in artikel 7, respectievelijk 8 genoemde data aan de Commissie wordt toegezonden.

3. De Commissie zet een gegevensbank op met de informatie van de geluidsbelastingkaarten.

4. Om de vijf jaar maakt de Commissie een samenvattend verslag bekend over de in de geluidsbelastingkaarten vervatte informatie en de actieplannen. Het eerste verslag wordt binnen één jaar na de in lid 2 bedoelde data ingediend.

Artikel 11 Evaluatie en verslagen

1. Uiterlijk op 31 december 2007 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de ervaring bij de toepassing van deze richtlijn.

2. Het verslag omvat een evaluatie van de behoefte aan communautaire kwaliteitsdoelstellingen met betrekking tot omgevingslawaai en, zo nodig, voorstellen voor dergelijke doelstellingen en voor tenuitvoerleggingsstrategieën met het oog op het behalen van de doelstellingen. Deze strategieën hebben betrekking op:

a) lange en middellange termijn doelstellingen ter vermindering van het aantal personen dat aan het lawaai van specifieke bronnen is blootgesteld; deze specifieke bronnen omvatten het wegverkeer, het spoorwegverkeer, het burgerluchtvaartverkeer en de industrie;

b) alle maatregelen die vereist zijn om deze doelstellingen te bereiken; deze maatregelen omvatten het gemeenschapsbeleid betreffende geluidsbronnen en alle andere relevante maatregelen;

c) relatief stille zones op het platteland.

3. De verslagen worden gebaseerd op de in artikel 10 bedoelde gegevens, op de wetenschappelijke en technische vooruitgang en op andere relevante informatie. De vermindering van de schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid en kosteneffectiviteitscriteria vormen de voornaamste selectiecriteria voor de voorgestelde strategieën en maatregelen.

4. De in lid 1 bedoelde verslagen worden zonodig elke vijf jaar bij de tijd gebracht.

5. De verslagen gaan zonodig vergezeld van voorstellen om deze richtlijn te wijzigen.

Artikel 12 Aanpassing

De Commissie past volgens de in artikel 13, lid 2, bedoelde procedure de bijlagen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang aan.

Artikel 13 Comité

1. De Commissie wordt bijgestaan door het bij het in artikel 18 van Richtlijn 2000/14/EG van het Europees Parlement en de Raad [30].

[30] PB L 162 van 3.7.2000, blz. 1.

2. In de gevallen waarin naar dit lid wordt verwezen, is de regelgevingsprocedure van artikel 5 van Besluit 1999/468/EG, met inachtneming van de artikelen 7 en 8 van toepassing.

3. De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt op drie maanden vastgesteld.

4. Het Comité:

a) wisselt informatie en ervaring uit over de tenuitvoerlegging en praktische toepassing van de richtlijn;

b) staat de Commissie bij de uitwerking van richtsnoeren voor de toepassing van deze richtlijn bij.

Artikel 14 Beoordeling

Om de vijf jaar, beginnend uiterlijk op 1 januari 2009, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een beoordelingsverslag over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn in.

Artikel 15 Omzetting

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 30 juni 2003 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar deze richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. Die regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 16 Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 17 Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitster De Voorzitter

BIJLAGE I GELUIDSBELASTINGSINDICATOREN

1. Dag-avond-nacht-niveau

1.1 Definitie

Het dag-avond-nacht-niveau Lden (of LDEN) in decibels (dB), is gedefinieerd door de volgende formule:

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

waarin

- Lday het A-gewogen gemiddelde geluidsniveau op lange termijn is, als gedefinieerd in ISO 1996-2: 1987, bepaald over alle dagperiodes van een jaar;

- Levening het A-gewogen gemiddelde geluidsniveau op lange termijn is, als gedefinieerd in ISO 1996-2: 1987, bepaald over alle avondperiodes van een jaar;

- Lnight het A-gewogen gemiddelde geluidsniveau op lange termijn is, als gedefinieerd in ISO 1996-2: 1987, bepaald over alle nachtperiodes van een jaar;

waarin:

- de dag 12 uren telt, de avond 4 uren en de nacht 8 uren; de lidstaten mogen een algemene rustperiode in de middag beschouwen als en onderdeel van de 'avond' en de daadwerkelijke avondperiode dienovereenkomstig inkorten (een dergelijke keuze moet identiek zijn voor lawaai van alle geluidsbrontypes);

- het begin van de dag (en bijgevolg het begin van de avond en de nacht) wordt door de lidstaten gekozen (die keuze moet identiek zijn voor lawaai van alle geluidsbrontypes); de standaardwaarden zijn 7.00 - 19.00 uur, 19.00 - 23.00 uur en 23.00 - 7.00 uur plaatselijke tijd;- een jaar een relevant jaar is qua geluidsemissie en een gemiddeld jaar qua meteorologische omstandigheden, waarbij een gemiddeld meteorologisch jaar een jaar is dat gemiddelde meteorologische omstandigheden heeft gekend gemeten over een periode van 10 of meer recente jaren;

en waarin

- alleen het invallende geluid wordt beschouwd, wat inhoudt dat het door de gevel van een woning of een ander relevant gebouw gereflecteerde geluid wordt verwaarloosd.

De hoogte van het evaluatiepunt van Lden hangt af van de toepassing:

- met het oog op de opstelling van strategische geluidsbelastingkaarten met betrekking tot de blootstelling aan lawaai in of nabij gebouwen, is het evaluatiepunt gelegen op een hoogte van 4,0 ± 0,2 m (3,8 - 4,2 m) boven de grond en 2,0 ± 0,2 m vóór de meest blootgestelde gevel; met het oog op de opstelling van geluidsbelastingkaarten als bedoeld in artikel 7 van deze richtlijn is de meest blootgestelde gevel gericht naar en het dichtst bij de specifieke geluidsbron; voor andere doeleinden mogen andere keuzen worden gemaakt;

- met het oog op de opstelling van strategische geluidsbelastingkaarten van openbare parken en relatief stille zones op het platteland zijn de evaluatiepunten gelegen op 4,0 ± 0,2 m boven de grond;

- het is aanbevolen om als dat mogelijk is de contourlijnen rond zones te baseren op de waarde van Lden op een hoogte van 4 m;

- voor andere doeleinden mogen andere hoogten worden gekozen, maar zij mogen nooit lager zijn dan 1,5 m boven de grond. Voorbeelden zijn:

- de uitwerking van lokale maatregelen ter beperking van de lawaaihinder voor specifieke woningen;

- gedetailleerde geluidsbelastingkaarten voor een beperkte zone, waarop de blootstelling aan lawaai van afzonderlijke woningen wordt getoond.

1.2 Toepassing van LDEN voor de evaluatie en vermindering van schadelijke geluidsbelastingseffecten

Bij langdurige blootstelling aan lawaai bestaat er een bewezen verband tussen LDEN en het geluidshinderniveau voor de gemeenschap, in het bijzonder met het percentage respondenten dat verklaart zeer grote hinder te ondervinden ("Highly annoyed respondents" - %HA).

LDEN kan, in combinatie met speciale dosis/effect-relaties, ook worden gebruikt in de volgende gevallen:

- hinder ten gevolge van geluid met sterk tonaal karakter;

- hinder ten gevolge van geluid met impulskarakter;

- negatieve effecten op het leervermogen van kinderen.

Een vermindering van de LDEN-waarde leidt ook tot een vermindering van het aantal mensen dat het slachtoffer is van specifieke gezondheidseffecten, zoals slaapstoornissen, stress, hypertensie of interferentie met communicatiemiddelen. Voor een optimale evaluatie en vermindering van dergelijke specifieke effecten kan het gebruik van een aanvullende geluidsbelastingsindicator echter noodzakelijk blijken.

2. Indicator voor de geluidsbelasting bij nacht

2.1 Definitie

De indicator voor de geluidsbelasting bij nacht Lnight (of LNIGHT) is het A-gewogen gemiddelde geluidsniveau op lange termijn, als gedefinieerd in ISO 1996-2:1987, bepaald over alle dagperiodes van een jaar,

waarin:

- de nacht 8 uren omvat, als gedefinieerd onder punt 1.1 van deze bijlage;

- een jaar een relevant jaar is qua geluidsemissie en een gemiddeld jaar qua meteorologische omstandigheden, als gedefinieerd onder punt 1.1 van deze bijlage;

- het invallend geluid wordt beschouwd, als beschreven onder punt 1.1 van deze bijlage;

- het evaluatiepunt hetzelfde is als voor LDEN.

Merk op dat in de definitie van Lnight geen extra 10 dB wordt toegevoegd.

2.2 Toepassing van LNIGHT

Bij langdurige blootstelling aan lawaai bestaat er een bewezen verband tussen LNIGHT en het aantal zelf-gerapporteerde slaapstoornissen, bijvoorbeeld uitgedrukt in termen van het percentage mensen dat verklaart zeer grote slaapverstoring te ondervinden ("Highly Sleep Disturbed" - %HS).

LNIGHT kan ook een geschikte indicator zijn voor specifieke met blootstelling aan nachtlawaai verbonden medische of sociale effecten (slaapkwaliteit, herhaaldelijk ontwaken, problemen om de slaap te vatten, enz.). Een vermindering van de LNIGHT-waarde zal dan ook zeker resulteren in een vermindering van de negatieve gezondheidseffecten van blootstelling aan nachtlawaai. Voor bepaalde specifieke effecten en bepaalde specifieke geluidsbelastingen kan het gebruik van aanvullende indicatoren de doeltreffendheid van de metingen echter verbeteren.

3. Aanvullende geluidsbelastingsindicatoren voor speciale gevallen

Afgezien van LDEN en LNIGHT kan het nuttig zijn om speciale geluidsbelastingsindicatoren en daarmee verbonden grenswaarden te gebruiken. Voorbeelden hiervoor zijn:

- de beschouwde geluidsbron is slechts in werking gedurende een beperkt deel van de tijd (bijvoorbeeld minder dan 20% van de tijd in het totale aantal dagen van een jaar, het totale aantal avonden van een jaar of het totale aantal nachten van een jaar);- er is, in één of meer perioden, als gemiddelde, een zeer beperkt aantal gebeurtenissen (bijvoorbeeld minder dan één geluidspiek per uur, waarbij een geluidspiek wordt gedefinieerd als lawaai dat minder lang aanhoudt dan 5 minuten); een voorbeeld hiervan is het lawaai van passerende treinen of vliegtuigen;

- de lage frequentie-component van het lawaai is sterk;

- extra bescherming van het weekend of van een specifieke periode van het jaar;

- extra bescherming van de avondperiode;

- combinatie van lawaai uit verschillende bronnen;

- relatief stille zones op het platteland.

In de volgende specifieke gevallen kan hetzij LDEN worden gebruikt in combinatie met specifieke dosis/effect-relaties, hetzij een specifieke geluidsbelastingsindicator die bestaat uit een LDEN die is "aangepast" voor het verschil qua dosis/effect-relaties ten opzichte van normale gevallen:

- het geluid heeft een sterk tonaal karakter;

- het geluid heeft een impulskarakter;

Wanneer de tweede mogelijkheid wordt gebruikt, moet de "aangepaste" indicator een duidelijk ander symbool krijgen dan 'LDEN' of 'Lden'.

BIJLAGE II EVALUATIEMETHODEN

1. Inleiding

De waarde van Lden en Lnight kan worden bepaald, hetzij door meting (op de evaluatieplaats), hetzij door berekening. Voor voorspellingen kan uitsluitend de berekeningsmethode worden gebruikt.

De interim-berekenings- en -meetmethoden worden uiteengezet in de punten 2 en 3 van deze bijlage.

In punt 4 van deze bijlage wordt de interim-situatie beschreven voor de dosis/effect-relaties.

2. Voorlopige meetmethoden voor Lden en Lnight

Wanneer een lidstaat reeds over een bestaande, op wettelijke gronden gebaseerde meetmethode beschikt, moet die methode worden aangepast overeenkomstig de definitie van de indicatoren als uiteengezet in bijlage I en overeenkomstig de beginselen voor de meting van lange-termijngemiddelden als uiteengezet in ISO 1996-2: 1987 en ISO 1996-1: 1982.

Wanneer een lidstaat nog niet over een meetmethode beschikt of verkiest over te stappen op een andere meetmethode, kan een methode worden vastgelegd op basis van de definitie van de indicator en de beginselen als uiteengezet in ISO 1996-2: 1987 en ISO 1996-1: 1982.

3. Interim-berekeningsmethoden voor Lden en Lnight

3.1 Aanpassing van de bestaande nationale methoden

Wanneer de lidstaat reeds beschikt over nationale methoden voor de bepaling van lange-termijnindicatoren, mogen deze methoden worden toegepast op voorwaarde dat zij worden aangepast aan de definitie van de indicatoren als omschreven in bijlage I. Voor de meeste nationale methoden houdt dit de invoering in van een afzonderlijk te beschouwen avondperiode, alsmede van een jaargemiddelde. Sommige bestaande methoden moeten ook worden aangepast met betrekking tot de uitsluiting van reflectie op de gevel, de invoering van een specifieke nachtperiode en/of de plaats waar de evaluatie wordt uitgevoerd. Deze aanpassing moet geen weerslag hebben op de voortzetting van bestaande op wettelijke gronden gebaseerde programma's ter bestrijding van geluidshinder en evenmin op de financiële compensatie- en lawaaibestrijdingssystemen die een integrerend onderdeel van dergelijke programma's vormen.

Het gemiddelde over een jaar vergt speciale aandacht. Fluctuaties van de emissie en fluctuaties van de transmissie dragen immers bij tot de fluctuaties over een jaar.

3.2 Voorlopige berekeningsmethoden

Voor lidstaten die nog niet over nationale methoden beschikken of lidstaten die willen overstappen op een andere methode worden de hieronder genoemde methoden aanbevolen.

Voor door DE INDUSTRIE veroorzaakt lawaai: ISO 9613-2: "Acoustics - Attenuation of sound propagation outdoors, Part 2; General method of calculation".

Geschikte geluidsemissiegegevens (input data) voor deze methode kunnen worden verkregen door metingen overeenkomstig een van de volgende methoden:

- ISO 8297: 1994 "Acoustics - Determination of sound power levels of multisource industrial plants for evaluation of sound pressure levels in the environment - Engineering method";

- EN ISO 3744: 1995 "Acoustics - Determination of sound power levels of noise using sound pressure - Engineering method in an essentially free field over a reflecting plane";

- EN ISO 3746: 1995 " Acoustics - Determination of sound power levels of noise sources using an enveloping measurement surface over a reflecting plane".

Voor door LUCHTVAARTUIGEN ROND LUCHTHAVENS veroorzaakt lawaai: ECAC.CEAC Doc. 29 "Report on Standard Method of Computing Noise Contours around Civil Airports", 1997. Van de verschillende methoden voor de modellering van de vliegroutes, wordt de segmentatietechniek gekozen als uiteengezet in deel 7.5 van ECAC.CEAC Doc. 29.

Voor door het WEGVERKEER veroorzaakt lawaai: de Franse nationale berekeningsmethode "NMPB", als gepubliceerd in "Arrêté du 5 mai 1995 relatif au bruit des infrastructures routières, Journal officiel du 10 mai 1995, article 6" en in de Franse norm "XPS 31-133". Voor input data betreffende geluidsemissies wordt in deze documenten verwezen naar de "Guide du bruit des transports terrestres, fascicule prévision des niveaux sonores, CETUR 1980".

Voor door het SPOORWEGVERKEER veroorzaakt lawaai: de nationale berekeningsmethode "Standaard-Rekenmethode II" van Nederland, als gepubliceerd in het "Reken- en Meetvoorschrift Railverkeerslawaai '96, Ministerie Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, 20 November 1996".

Alle bovengenoemde methoden moeten worden aangepast aan de definitie van LDEN en LNIGHT. Uiterlijk op 1 juli 2003 zal de Commissie richtsnoeren publiceren inzake de herziene methoden en zal zij zorgen voor emissiegegevens voor lawaai van luchtvaartuigen, van het wegverkeer en van het spoorwegverkeer, dit op basis van bestaande gegevens.

Lidstaten die een andere methode willen gebruiken dan die welke zijn vermeld onder punt 3.1 of 3.2 van deze bijlage, moeten aantonen dat de voorgestelde methode equivalente resultaten geeft.

4. Dosis/effect-relaties voor de interim-periode

Om het effect van geluidshinder op de bevolking te kunnen evalueren zijn dosis/effect-relaties vereist. Die zullen worden vermeld in toekomstige herzieningen van deze bijlage. In de interim-periode kunnen de op de huidige kennis van de dosis/effect-relaties gebaseerde relaties worden gehanteerd, als vermeld in de documenten van Werkgroep 2 "Dosis/Effect" van de Commissie, of kunnen de in de literatuur vermelde of in de lidstaten gedefinieerde relaties worden gebruikt.

BIJLAGE III MINIMUMEISEN VOOR DE SOFTWARE VOOR HET OPMAKEN VAN GELUIDSBELASTINGKAARTEN

De voor de tenuitvoerlegging van artikel 7 van deze richtlijn te gebruiken software voor het opmaken van geluidsbelastingkaarten moet voldoen aan de volgende minimumeisen. Bedoelde software moet:

- gebaseerd zijn op de berekeningsmethoden als omschreven in artikel 6 en bijlage II;

- een locatiemodelleringsmodule bevatten;

- bronemissiemodellen bevatten; uit de locatiemodelleringsmodule moet geometrische informatie over de geluidsbronnen kunnen worden verkregen;

- een module voor de berekening van de voortplanting van het geluid bevatten;

- faciliteiten bevatten voor de presentatie van de kaartinformatie met betrekking tot de geluidsniveaus buitenshuis;

- een gegevensuitvoerinterface naar EG-gegevensbanken bevatten, voor de uitvoer van de in bijlage VI genoemde gegevens in een geharmoniseerd gegevensformaat dat in richtsnoeren van de Commissie zal worden vastgelegd.

BIJLAGE IV MINIMUMEISEN VOOR GELUIDSBELASTINGKAARTEN

1. Een geluidsbelastingkaart is een presentatie van gegevens over een van de volgende aspecten:

- een bestaande, in het verleden bestaande of voorspelde geluidsbelastingssituatie in termen van een geluidsbelastingsindicator;

- de overschrijding van een grenswaarde ('conflict-kaart');

- het aantal woningen in een bepaald gebied dat blootgesteld is aan specifieke waarden van een geluidsbelastingsindicator;

- het aantal getroffen personen (hinder, slaapstoornissen of anderszins) in een bepaald gebied;

- kosten-batenverhoudingen van of andere economische gegevens betreffende beperkingsmaatregelen of -scenario's.

2. Geluidsbelastingkaarten kunnen een verschillende vorm aannemen:

- grafieken;

- numerieke gegevens in tabelvorm;

- numerieke gegevens in elektronische vorm.

3. De geluidsbelastingkaarten hebben het volgende doel:

- zij vormen de basis voor de aan de Commissie toe te zenden gegevens overeenkomstig artikel 10, lid 2, en bijlage VI van deze richtlijn;

- zij zijn een bron van informatie voor de burger overeenkomstig artikel 9 van deze richtlijn;

- zij leggen de basis voor de actieplannen overeenkomstig artikel 8 van deze richtlijn.

Voor elk van deze doeleinden is een ander type geluidsbelastingkaart vereist.

4. Minimumeisen voor de geluidsbelastingkaarten met betrekking tot de aan de Commissie toe te zenden gegevens worden gegeven in de punten 1.5, 1.6, 1.7, 2.5, 2.6 en 2.7 van bijlage VI van deze richtlijn.

5. Voor de informatie van de burger overeenkomstig artikel 9 van deze richtlijn en voor de uitwerking van actieplannen overeenkomstig artikel 8 van deze richtlijn, is aanvullende en meer gedetailleerde informatie vereist zoals:

- een grafische voorstelling;

- conflict-kaarten, waarin overschrijdingen van een grenswaarde worden getoond;

- verschil-kaarten, waarin de bestaande toestand wordt vergeleken met opties voor toekomstige situaties;

- kaarten waarin de waarde van een geluidsbelastingsindicator op de gevel van afzonderlijke woningen (op verschillende hoogten) wordt getoond.

De lidstaten kunnen regels vastleggen voor het type en formaat van deze geluidsbelastingkaarten.

6. Strategische geluidsbelastingkaarten voor lokale of nationale toepassingen moeten worden opgemaakt met een evaluatiehoogte van 4 m en de 5 dB-gebieden van LDEN en LNIGHT als genoemd in bijlage VI van deze richtlijn.

7. Voor agglomeraties moeten afzonderlijke strategische geluidsbelastingkaarten worden opgemaakt voor het door het wegverkeer, spoorwegverkeer en verkeer van luchtvaartuigen en het door de industrie veroorzaakte lawaai. Er mogen kaarten voor andere geluidsbronnen worden bijgevoegd.

8. De Commissie zal eventueel meer gedetailleerde richtsnoeren inzake geluidsbelastingkaarten en geluidsbelastingskartering.

BIJLAGE V Minimumeisen voor actieplannen

1. De actieplannen moeten minimaal de volgende elementen omvatten:

- een beschrijving van de agglomeratie (omvang, locatie, aantal inwoners, landgebruik, voornaamste geluidsbronnen, type en gebruik van gebouwen), de belangrijke wegen, belangrijke spoorwegen of belangrijke luchthavens (locatie, omvang, verkeersgegevens, omgeving, enz.);

- de bevoegde instantie;

- de wettelijke context;

- de grenswaarden overeenkomstig artikel 5;

- een samenvatting van de in de geluidsbelastingkaarten vervatte gegevens;

- een op de geluidsbelastingkaarten en dosis/effect-relaties gebaseerde analyse van de gezondheidssituatie;

- de omschrijving van de problemen;

- reeds opgestarte geluidsbelastingsmetingen en acties;

- te verbeteren knelpunten;

- acties die de bevoegde instanties in de loop van de komende vijf jaar wensen te nemen, met inbegrip van acties om relatief stille zones te beschermen;

- begrotingen voor acties;

- langetermijnstrategie;

- een overzicht van de openbare raadplegingen overeenkomstig artikel 9, lid 2;

- kosteneffectiviteits- en kosten-batenanalyses.

De acties welke de bevoegde instanties in het kader van hun bevoegdheden voornemens zijn te ondernemen, kunnen zijn:

- verkeersplanning, inclusief de vermindering van het verkeer, de invoering en handhaving van snelheidsgrenzen, de bevordering van het openbaar vervoer en de overstap op andere vervoersmodi (bijvoorbeeld overstappen van weg- op spoorwegvervoer), enz.;

- ruimtelijke ordening;

- technische maatregelen, inclusief specifieke wegbekledingen en rails:

- selectie van minder lawaaierige bronnen;

- vermindering van de geluidstransmissie (geluidsbarrières, tunnels, isolatie van woningen, enz.);

- vergunningen;

- op het publiek gerichte campagnes;

- geluidsmonitoring (meting van het geluidsniveau op één of meerdere plaatsen om na te gaan of het ontvangen of uitgezonden geluid al dan niet voldoet aan bepaalde vastgestelde eisen);

- financiële maatregelen zoals heffingen en boetes.

Voor de acties moeten passende financiële middelen worden uitgetrokken die moeten worden goedgekeurd door de bevoegde instanties.

Geplande acties waarvoor nog geen begroting is goedgekeurd, moeten afzonderlijk worden vermeld, met vermelding van de termijn waarbinnen financiering wordt verwacht.

In de actieplannen moeten de verwachte effecten worden vermeld in termen van de vermindering van het aantal door geluidshinder getroffen personen (hinder, slaapstoornissen of andere).

2. De Commissie zal eventueel meer gedetailleerde richtsnoeren voor de actieplannen uitwerken.

BIJLAGE VI AAN DE COMMISSIE TOE TE ZENDEN GEGEVENS

Aan de Commissie moeten de hieronder genoemde gegevens worden toegezonden.

1. INZAKE AGGLOMERATIES

1.1 Een beknopte beschrijving van de agglomeratie: locatie, omvang, aantal inwoners.

1.2 De bevoegde instantie.

1.3 In het verleden uitgevoerde programma's ter beperking van geluidshinder en van kracht zijnde maatregelen.

1.4 De gebruikte berekenings- of meetmethoden.

1.5 Wanneer de interim-berekeningsmethoden overeenkomstig bijlage II worden gebruikt: het totale aantal mensen dat leeft in woningen die zijn blootgesteld aan LDEN-waarden, op 4 m hoogte aan de meest blootgestelde gevel, in elk van de volgende geluidsniveaugebieden: < 55, 55-59, 60-64, 65-69, 70-74, 75-79, >79 dB, afzonderlijk voor lawaai van het weg-, spoorweg- en luchtverkeer en van de industrie. De cijfers moeten worden afgerond op honderdtallen (bijvoorbeeld: 5 200 = tussen 5 150 en 5 249; 100 = tussen 50 en 149; 0 = minder dan 50).

Daarenboven wordt aangegeven hoeveel mensen in bovengenoemde categorieën wonen in woningen die beschikken over:

- speciale isolatie tegen de specifieke geluidshinder;

- een relatief stille gevel.

Voorts wordt aangegeven hoeveel scholen en ziekenhuizen zijn blootgesteld aan de bovengenoemde LDEN-niveaus en op hoeveel leerlingen en patiënten deze cijfers betrekking hebben.

Voorts wordt de totale oppervlakte vermeld van de parken (in km2) die vallen binnen bovengenoemde LDEN-gebieden.

Er wordt aangegeven hoe belangrijke wegen, spoorwegen en luchthavens, als gedefinieerd in artikel 3 van deze richtlijn, bijdragen tot bovenbedoelde hinder.

Wanneer de gemeenschappelijke methoden overeenkomstig artikel 6, lid 2, en bijlage II worden toegepast, wordt bovenstaand bereik uitgebreid met het gebied < 50, 50-54 dB en wordt < 55 dB geschrapt.

1.6 Wanneer de interim-methoden overeenkomstig bijlage II worden gebruikt: het totale aantal mensen (in honderdtallen) dat leeft in woningen die zijn blootgesteld aan LNIGHT-waarden, op 4 m hoogte aan de meest blootgestelde gevel, in elk van de volgende geluidsniveaugebieden: <45, 45 - 49, 50 - 54, 55 - 59, 60 - 64, 65 - 69, 70 - 74, >74 dB, afzonderlijk voor weg-, spoorweg- en luchtverkeer en voor industriële bronnen.

Daarenboven wordt aangegeven hoeveel mensen in bovengenoemde categorieën wonen in woningen die beschikken over:

- speciale isolatie tegen de specifieke geluidshinder;

- een relatief stille gevel.

Voorts wordt aangegeven hoe belangrijke wegen, belangrijke spoorwegen en belangrijke luchthavens bijdragen tot bovenbedoelde hinder.

Wanneer de gemeenschappelijke methoden overeenkomstig artikel 6, lid 2, en bijlage II worden toegepast, wordt bovenstaand bereik uitgebreid met het gebied < 40, 40-44 dB en wordt < 45dB geschrapt.

1.7 De grootte (in km2) en relatieve grootte (in % van de totale oppervlakte van de agglomeratie) van openbare parken en andere openbare recreatiezones met LDEN-waarden van minder dan 55 dB, veroorzaakt door om het even welke geluidsbron.

1.8 Een samenvatting van het actieplan (niet meer dan 10 bladzijden), waarin de relevante aspecten als vermeld in bijlage V worden beschreven.

2. INZAKE BELANGRIJKE WEGEN, SPOORWEGEN EN LUCHTHAVENS

2.1 Een algemene beschrijving van de weg, spoorweg of luchthaven: locatie, omvang en verkeersgegevens.

2.2 Een karakterisering van de omgeving: agglomeraties, dorpen, platteland of anderszins, informatie over landgebruik, type gebouwen en gebruik ervan, andere bronnen van geluidshinder.

2.3 In het verleden uitgevoerde programma's ter beperking van geluidshinder en van kracht zijnde maatregelen.

2.4 De gebruikte berekenings- of meetmethode.

2.5 Wanneer de interim-methoden overeenkomstig bijlage II worden gebruikt: het totale aantal mensen (in honderdtallen) dat leeft buiten agglomeraties in woningen die zijn blootgesteld aan LDEN-waarden, op 4 m boven de grond en 2,0 ± 0,2 m vóór de meest blootgestelde gevel, in elk van de volgende geluidsniveaugebieden: 55-59, 60-64, 65-69, 70-74, 75-79, >79 dB.

Daarenboven wordt aangegeven hoeveel mensen in bovengenoemde categorieën wonen in woningen die beschikken over:

- speciale isolatie tegen de specifieke geluidshinder;

- een relatief stille gevel.

Voorts wordt aangegeven hoeveel scholen en ziekenhuizen zijn blootgesteld aan de bovengenoemde LDEN-niveaus en op hoeveel leerlingen en patiënten deze cijfers betrekking hebben.

Wanneer de gemeenschappelijke methoden overeenkomstig artikel 6, lid 2, en bijlage II worden toegepast, wordt bovenstaand bereik uitgebreid met het gebied 50-54 dB.

2.6 Wanneer de interim-methoden overeenkomstig bijlage II worden gebruikt: het totale aantal mensen (in honderdtallen) dat leeft buiten agglomeraties in woningen die zijn blootgesteld aan LNIGHT-waarden aan de meest blootgestelde gevel in elk van de volgende geluidsniveaugebieden: 45-49, 50-54, 55-59, 60-64, 65-69, 70-74, >74 dB.

Daarenboven wordt aangegeven hoeveel mensen in bovengenoemde categorieën wonen in woningen die beschikken over:

- speciale isolatie tegen de specifieke geluidshinder;

- een relatief stille gevel.

Wanneer de gemeenschappelijke methoden overeenkomstig artikel 6, lid 2, en bijlage II worden toegepast, wordt bovenstaand bereik uitgebreid met het gebied 40-44 dB.

2.7 De totale oppervlakte (in km2) die is blootgesteld aan waarden van LDEN die hoger zijn dan 55, 65 en 75 dB respectievelijk. Voorts het totale aantal woningen (in honderdtallen) en het totale aantal mensen (in honderdtallen) dat leeft in elk van deze zones. Deze cijfers moeten ook betrekking hebben op de agglomeraties.

Op één of meer kaarten moeten ook de 55 en 65 dB-contourlijnen zijn opgenomen, met informatie over de locatie van de dorpen, gemeenten en agglomeraties die binnen die contourlijnen liggen.

2.8 Een samenvatting van het actieplan (niet meer dan 10 bladzijden), waarin de relevante aspecten als vermeld in bijlage V worden beschreven.

3. RICHTSNOEREN

De Commissie zal richtsnoeren uitwerken voor het toezenden van bovengenoemde gegevens.

FINANCIEEL MEMORANDUM

1. Titel van de maatregel

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de evaluatie en beheersing van omgevingslawaai

2. Begrotingslijn(en)

B4-3040

3. Juridische Grondslag

Artikel 175 van het EG-Verdrag

4. Omschrijving van de maatregel

4.1 Algemene doelstelling

Gezien de voorstellen van het Groenboek betreffende het toekomstige beleid inzake de bestrijding van geluidshinder (COM(96) 540 def.), de positieve reactie van het Europees Parlement op dit groenboek (PB C 200 30.6.97, blz. 28) en de positieve reactie van meer dan 200 andere betrokken partijen (met inbegrip van lidstaten) heeft de Commissie gewerkt aan een voorstel dat bedoeld is om de grondslag te leggen voor een meer doeltreffende en samenhangende aanpak van het omgevingslawaai in de Gemeenschap. De voorgestelde richtlijn heeft de volgende elementen:

* een harmonisatie van de geluidsbelastingsindicatoren en evaluatiemethoden;

* geluidsbelastingkaarten in agglomeraties en in de nabijheid van belangrijke wegen, spoorwegen en luchthavens;

* actieplannen voor de vermindering van de geluidshinder in agglomeraties en in de nabijheid van belangrijke wegen, spoorwegen en luchthavens;

* informatie van het publiek;

* een EU-gegevensbank met de gegevens van de geluidsbelastingkaarten en de resultaten van actieplannen; geregelde publicatie van overzichten voor de gehele EU;

* uitwerking van EU-doelstellingen, -strategieën en -acties voor de vermindering van het aantal burgers dat blootgesteld is aan omgevingslawaai;

verbetering van het EU-beleid met betrekking tot geluidsemissie.

Overeenkomstig de voorgestelde richtlijn moet de Commissie:

* de informatie publiceren betreffende de bevoegde instanties, geselecteerde agglomeraties, wegen, spoorwegen en luchthavens;

* samenvattingen van de in de geluidsbelastingkaarten en actieplannen vervatte gegevens verzamelen en evalueren en de resultaten om de 5 jaar publiceren, voor het eerst binnen 4 jaren en 3 maanden na de datum van inwerkingtreding;

* input data verstrekken (geluidsemissies van luchtvaartuigen, motorvoertuigen, treinen, verschillende wegtypes, verschillende railtypes, enz.) voor de "aanbevolen interim-berekeningsmethoden" voor door het verkeer voortgebrachte geluidshinder en voor de definitieve gemeenschappelijke methoden; zij moet ook de desbetreffende gegevensbanken bij de tijd houden;

* de evaluatiemethoden uitwerken, actualiseren, verbeteren en uitbreiden en dienovereenkomstig aanpassingen van de bijlagen voorstellen;

* kwaliteitsborgingsprogramma's voor de evaluatiemethoden opzetten;

* een voorstel indienen bij het Europees Parlement en de Raad inzake: 1) langetermijn- en middellangetermijn-doelstellingen voor de vermindering van het aantal mensen dat aan geluidshinder is blootgesteld, 2) de strategieën en maatregelen die vereist zijn voor het bereiken van die doelstellingen, 3) een strategie voor de bescherming van de relatief stille zones op het platteland; een eerste voorstel moet worden ingediend binnen 5 jaar na de datum van inwerkingtreding; vervolgens herziening iedere 5 jaar;

* de vergaderingen van het regelgevingscomité bijeenroepen;

om de 5 jaar een evaluatierapport bij het Europees Parlement en de Raad indienen, te beginnen 10 jaar na de datum van inwerkingtreding.

4.2 Periode waarin de maatregel loopt en voorwaarden voor een eventuele verlenging ervan

* Binnen 6 jaar na de datum van inwerkingtreding dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in inzake de strategieën en maatregelen, dat vergezeld kan gaan van voorstellen om de richtlijn te wijzigen.

* Er is een evaluatieverslag gepland in het zevende jaar na de datum van inwerkingtreding.

5. Indeling van de uitgaven en ontvangsten

5.1 Niet-verplichte uitgaven

5.2 Gesplitste kredieten

6. Aard van de uitgaven of ontvangsten

De meeste uitgaven zullen 100% worden gefinancierd.

7. Financiële gevolgen voor de beleidskredieten

7.1 Wijze van berekening van de totale kosten van de maatregel (verband tussen de afzonderlijke kosten en de totale kosten)

De uitgaven voor de Commissie zijn de volgende:

* vergaderingen van het stuurcomité en van de werkgroepen;

* publicatie van de discussienota's van de werkgroepen;

* studies om de werking van de werkgroepen te ondersteunen;

* richtsnoeren inzake de "aanbevolen tijdelijke methoden" en verzameling en publicatie van bronemissiegegevens voor deze methoden;

* richtsnoeren voor de "gemeenschappelijke berekeningsmethoden" en verzameling en publicatie van gegevens en actualisering van de relevante gegevensbanken;

* verzameling en evaluatie van de in de geluidsbelastingkaarten en actieplannen vervatte gegevens en publicatie van de resultaten;

* opzetten van een kwaliteitsborgingsprogramma;

* opstellen van een verslag voor het Europees Parlement en de Raad inzake doelstellingen, strategieën en maatregelen;

* vergaderingen van het regelgevingscomité;

* evaluatie van de richtlijn.

De niet verplichte uitgaven zijn de volgende:

* uitwerking en publicatie van richtsnoeren;

* mandaten voor CEN voor de uitwerking van Europese normen voor specifieke topics.

De kosten voor deze acties worden als volgt berekend:

(1) stuurcomité: in 2000 een vergadering ad 7 000 EUR; de komende jaren 2 meetings ad 14 000 EUR; werkgroepen: de kosten van 4 reeds bestaande werkgroepen worden gedragen door andere DG's; de begroting 2000 voor de overige 6 reeds bestaande werkgroepen bedraagt 13 000 EUR, wat minder dan één vergadering per werkgroep mogelijk maakt. Dat volstaat niet om voortgang te boeken, waarvoor gemiddeld 2 vergaderingen vereist zijn; 6 werkgroepen, 12 vergaderingen ad 4 000 EUR geven 48 000 EUR; totaal voor het stuurcomité en de werkgroepen in de jaren n+1 en daarop volgende jaren 62 000 EUR;

(2) publicatie van documenten: de publicatie verloopt voornamelijk via het internet, zonder externe kosten. Aanvullend wordt een beperkt aantal exemplaren op papier gedrukt en verspreid, waarvoor 10 000 EUR in de meeste jaren zal volstaan;

(3) studies om de werking van de werkgroepen te ondersteunen: het meeste onderzoek dat vereist is om de evaluatiemethoden uit te werken en de gezondheidseffecten te bestuderen, wordt uitgevoerd in het kader van programma's als het vijfde OTO-kaderprogramma. Afgezien daarvan moeten er overzichtstudies worden gemaakt i.v.m. de stand van kennis en ervaring en moeten de discussienota's van de werkgroepen worden opgesteld. De daartoe bestemde begroting 2000 van DG ENV beloopt 175 000 EUR (bedrag dat ook bestemd is voor een studie inzake gazonmaaimachines voor WG 7). Gezien de behoeften van de werkgroepen (bijvoorbeeld met betrekking tot studies in verband met kosten en baten, kartering, en het verband tussen emissie en perceptie) lijkt een dergelijke begroting niet te volstaan voor de behoeften van de komende jaren en zou dit bedrag moeten worden opgetrokken tot 300 000 EUR;

(4) de uitwerking en publicatie van de interim-berekeningsmethoden en de verzameling en publicatie van input data voor deze methoden gaan van start in 2001 en worden 1 jaar na de vaststelling van de richtlijn afgerond (2002 + 1 = 2003); daartoe is ongeveer 100 000 EUR per jaar vereist;

(5) de werkzaamheden voor de richtsnoeren en de gegevensbanken voor de uiteindelijke gemeenschappelijke methoden kunnen van start gaan wanneer duidelijk is geworden hoe deze methoden er zullen uitzien. Naar kan worden verwacht zal hierover in 2004 duidelijkheid zijn ontstaan. Gedurende ongeveer drie jaar is dan een begroting van 500 000 EUR tot 1 000 000 EUR vereist voor het opstellen van de richtsnoeren en voor de meting en publicatie van de input data inzake bronemissies. Na de eerste publicatie van de methoden en van de gegevens van de emissie-gegevensbanken kan deze begroting teruglopen tot 500 000 EUR;

(6) het bijeenbrengen en evalueren van de in de geluidsbelastingkaarten en actieplannen vervatte gegevens start 3 jaar na de vaststelling van de richtlijn, dus waarschijnlijk in 2005. Daartoe is ongeveer 100 000 EUR per jaar vereist;

(7) Er moet een kwaliteitsborgingsprogramma worden opgesteld voor de uiteindelijke gemeenschappelijke methoden; de daarmee verband houdende werkzaamheden starten in parallel met (5); 100 000 EUR gedurende 2 jaar lijkt daarvoor te volstaan;

(8) het opstellen van een voorstel inzake strategieën en maatregelen vergt mankracht in de Commissie en de resultaten van de discussienota's van de werkgroepen als behandeld in (2) en (3);

(9) de vergaderingen van het regelgevingscomité moeten beginnen kort na de vaststelling van de richtlijn: p.m.;

(10) evaluatie van de richtlijn: niet vóór 2009; kosten p.m.

7.2 Verdeling per onderdeel van de maatregel

Vastleggingskredieten in miljoen euro (lopende prijzen)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

7.3 Operationele uitgaven voor studies, deskundigen, enz., ten laste van deel B van de begroting

Vastleggingskredieten in miljoen euro (lopende prijzen)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

7.4 Tijdschema voor de vastleggings- en betalingskredieten

miljoen euro

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

8. Bepalingen in de voorgestelde maatregel om fraude tegen te gaan

Standaard-Commissieprocedures voor studiecontracten.

9. Gegevens voor de kosten-batenanalyse

9.1 Specifieke en kwantificeerbare doelstellingen; doelgroep

De ervaring in de lidstaten toont aan dat het aantal aan geluidshinder blootgestelde mensen en de daardoor veroorzaakte schade waarschijnlijk reeds aanzienlijk kunnen worden verminderd door acties die minder dan 10% van die schade kosten. Dergelijke kosten en baten kunnen niet direct worden gerelateerd aan de huidige richtlijn aangezien zij afhangen van de door de nationale overheden vastgestelde grenswaarden en de nationale wetgeving, alsook van de resultaten van toekomstige studies en discussies over de EU-doelstellingen, strategieën en actieplannen. Een belangrijk element van de EU-aanpak zal de verbetering van het beleid inzake de bronnen van lawaai zijn. In het algemeen is een dergelijk beleid aanzienlijk kosteneffectiever dan een op de geluidstransmissie gericht beleid (installatie van geluidsbarrières, isolatie van gevels, landgebruik).

Binnen de EU zijn ongever 100 miljoen mensen aan omgevingslawaai blootgesteld. Ten minste 20 miljoen daarvan ondervinden ernstige slaapstoornissen en kunnen lijden aan verschillende door geluidshinder veroorzaakte ziekten. De voorgestelde richtlijn legt de grondslag voor een meer kosteneffectieve aanpak door de plaatselijke autoriteiten, de lidstaten en de Gemeenschap. Hoeveel mensen daadwerkelijk minder geluidshinder zullen ondergaan, hangt af van de nationale wetgeving en van het democratisch proces waartoe de richtlijn de aanzet zal geven.

9.2 Motivering van de maatregel

De grenzen voor het omgevingslawaai moeten door de lidstaten worden vastgesteld. De kosten voor de Gemeenschap zijn beperkt tot de ontwikkeling en actualisering van een gemeenschappelijke methodologie, de verzameling en publicatie van gegevens en de uitwerking van het met geluidsemissie verband houdende beleid. Dit laatste is al de verantwoordelijkheid van de Gemeenschap; de lidstaten moeten de Gemeenschap bijstaan voor de eerste twee items.

De aanpak kan worden vergeleken met die inzake luchtverontreining: Richtlijn 96/62/EG omvat een aanpak voor het beheer van de luchtkwaliteit, gebaseerd op geharmoniseerde methoden, actieplannen en informatie van het publiek [31]. De operatie kan ook goed worden vergeleken met de bestaande nationale aanpak van het probleem van omgevingslawaai in Denemarken, Finland, Frankrijk, Duitsland, Italië, Nederland en Zweden.

[31] Richtlijn 96/62/EG, PB L 296 van 21.11.96, blz. 55.

De uiteindelijke resultaten van de richtlijn hangen in sterke mate af van de vastgestelde grenswaarden en van andere elementen van nationale wetgeving van de lidstaten. De meeste lidstaten beschikken al over grenswaarden, die zo zijn gekozen dat zij daadwerkelijk dwingen tot actie ter verbetering van de toestand. Er mag worden verwacht dat zij die grenswaarden aanpassen aan de nieuwe geluidsbelastingsindicatoren. De andere lidstaten zullen waarschijnlijk soortgelijke grenswaarden vaststellen.

9.3 Toezicht op en evaluatie van de maatregel

Om de vijf jaar zal de Commissie een overzicht publiceren van de geluidsbelasting van de EU-burgers.

Binnen 6 jaar na de datum van inwerkingtreding van de richtlijn zal de Commissie een voorstel indienen bij het Europees Parlement en de Raad inzake de vermindering van het aantal mensen dat aan geluidshinder blootstaat. De uiteindelijke cijfers zullen worden bewaakt via geluidsbelastingkaarten, verzameling van gegevens voor die geluidsbelastingkaarten door de Commissie en toepassing van dosis/effect-relaties.

In de artikelen 10, 11 en 14 van het voorstel worden verschillende evaluatietypes beschreven. Zij hebben allemaal een frequentie van 5 jaar

10. Huishoudelijke kredieten (Deel A van afdeling III van de begroting)

Hoeveel huishoudelijke kredieten zullen moeten worden vrijgemaakt, zal worden vastgelegd in het jaarlijkse besluit van de Commissie inzake de toekenning van de middelen, waarbij rekening zal worden gehouden met het extra personeel en de door de begrotingsautoriteit toegekende kredieten. Voor de korte termijn is er geen bijkomend personeel nodig.

10.1 Gevolgen voor het aantal ambten

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

10.2 Totale financiële gevolgen van het extra personeel

euro

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

10.3 Verhoging van andere huishoudelijke uitgaven ten gevolge van de maatregel

euro

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

EFFECTBEOORDELINGSFORMULIER EFFECT VAN HET VOORSTEL OP HET BEDRIJFSLEVEN, MET NAME OP HET MIDDEN- EN KLEINBEDRIJF (MKB)

Titel van de maatregel

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de evaluatie en beheersing van omgevingslawaai

Referentienummer van het document

p.m.

Het voorstel

1. Waarom is, rekening houdend met het subsidiariteitsbeginsel, communautaire wetgeving op dit gebied noodzakelijk en wat zijn de voornaamste doelstellingen-

De voorgestelde richtlijn heeft betrekking op de volgende EU-dimensies van de beheersing van omgevingslawaai: gemeenschappelijke geluidsbelastingsindicatoren, gemeenschappelijke evaluatiemethoden voor de blootstelling aan lawaai, bewaking van lawaaiverontreiniging binnen de EU, uitwerking van een EU-strategie ter verbetering van de toestand, uitwisseling van informatie in de EU en wetgeving inzake geluidsemissie. Om deze elementen in te voeren is een richtlijn vereist. De lidstaten blijven bevoegd voor de vaststelling van de grenswaarden.

Uitblijven van actie zou inhouden dat er geen grondslag wordt gelegd voor de vermindering van het aantal EU-burgers met gezondheidsproblemen (ongeveer 100 miljoen mensen) en van de economische schade ten gevolge van omgevingslawaai (tussen 10 en 40 miljard EUR per jaar).

Effecten op het bedrijfsleven

2. Op welke bedrijven is het voorstel van invloed-

- In welke sectoren-

Deze richtlijn zal voornamelijk van invloed zijn op geluidsconsultants en de leveranciers van software voor het opmaken van geluidsbelastingkaarten en van meetapparatuur. Hun zakencijfer kan wellicht toenemen met 20 miljoen EUR per jaar. De meeste van de daarmee verband houdende kosten zullen worden gedragen door de overheid, maar luchtvaart- en spoorwegmaatschappijen zullen een deel van de kosten dragen.

Via de actieplannen voor agglomeraties en voor belangrijke wegen, spoorwegen en luchthavens, zullen op indirecte wijze meer sectoren de invloed van de richtlijn ondervinden. De leveranciers van geluidsbarrières, stille wegbedekkingen en geluidsisolatie voor gevels zullen een grotere vraag kunnen verwelkomen.

In een latere fase kan de ontwikkeling van EU-doelstellingen, -strategieën en -maatregelen, als omschreven in artikel 11, resulteren in aanvullende wetgeving die op meer sectoren van invloed zal zijn. Deze invloed mag dan echter niet worden gekoppeld aan deze richtlijn.

- In welke grootteklassen (aandeel van kleine en middelgrote ondernemingen)-

Er is geen discriminatie wat de omvang van de ondernemingen betreft waarop dit voorstel van invloed is.

- In welke specifieke geografische gebieden-

De betrokken ondernemingen zijn verspreid over de gehele Gemeenschap.

3. Welke maatregelen moeten de bedrijven nemen om aan de voorgestelde wetgeving te voldoen-

De directe gevolgen voor de bedrijven zijn beperkt tot de geprivatiseerde luchthavens, spoorwegen en snelwegen, die geluidsbelastingkaarten en actieplannen moeten opmaken.

4. Welke economische effecten zijn van de voorgestelde wetgeving te verwachten-

- Voor de werkgelegenheid

De geluidsbelastingkaarten en de verplichting om actieplannen op te stellen, zullen een beperkt aantal werkplaatsen scheppen bij de overheid en in adviesbureaus, de software-industrie en de industrie van meetapparatuur. Er zijn geen significante effecten op andere bedrijven.

- Voor de investeringen en de oprichting van nieuwe bedrijven

Er kunnen een aantal nieuwe bedrijven worden opgericht in de lidstaten die momenteel niet erg actief zijn op het gebied van de beheersing van geluidshinder.

- Voor het concurrentievermogen van het bedrijfsleven

De directe impact van het voorstel op het concurrentievermogen van de EU-ondernemingen is verwaarloosbaar.

Er kan ook worden verwacht dat de indirecte langetermijneffecten van de verschillende actieplannen, strategieën en maatregelen het algemene concurrentievermogen van het EU-bedrijfsleven in een positieve zin zullen beïnvloeden. Dit houdt verband met het feit dat de milieukwaliteit van veel producten erop vooruit zal gaan en dat nieuwe producten voor het terugdringen van geluidshinder zullen worden ontwikkeld. Ondernemingen die deze ontwikkelingen niet zullen kunnen volgen, kunnen hun zakencijfer wellicht echter zien teruglopen.

5. Bevat het voorstel maatregelen teneinde rekening te houden met de specifieke situatie van kleine en middelgrote ondernemingen (b.v. minder strenge of andere eisen)-

Raadpleging

6. Geef een overzicht van de instanties die over het voorstel zijn geraadpleegd en de hoofdlijnen van hun standpunten.

Het voorstel is ontwikkeld in een zeer open samenwerking met talrijke organisaties, met inbegrip van de industrie. De voornaamste raadpleging verliep via het stuurcomité voor het omgevingslawaaibeleid, waarin de volgende industrieorganisaties vertegenwoordigd zijn:

* ACI Europe (Airports Council International - Europe)

* AECMA (Europese Vereniging van fabrikanten van lucht- en ruimtevaartmaterieel)

* IRU (Internationale Wegvervoerorganisatie)

* ACEA (Europese vereniging van automobielfabrikanten)

* ORGALIME (Verbindingsorgaan van de Europese metaalindustrie)

* EUROMOT (Europese vereniging van fabrikanten van motoren met interne verbranding)

* CER (Gemeenschap van Europese spoorwegen)

* RIV (Internationale Wagen Unie)

Via de deskundigen in de werkgroepen hebben ook verschillende andere industrietakken, zoals de softwareproducenten en de geluidsconsultants, hun bijdrage geleverd.

Al deze organisaties hebben een positief standpunt ingenomen.

Top