This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 32022R1630
Commission Implementing Regulation (EU) 2022/1630 of 21 September 2022 establishing measures for the containment of Grapevine flavescence dorée phytoplasma within certain demarcated areas
Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1630 van de Commissie van 21 september 2022 tot vaststelling van maatregelen voor de inperking van Grapevine flavescence dorée phytoplasma binnen bepaalde afgebakende gebieden
Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1630 van de Commissie van 21 september 2022 tot vaststelling van maatregelen voor de inperking van Grapevine flavescence dorée phytoplasma binnen bepaalde afgebakende gebieden
C/2022/6645
PB L 245 van 22.9.2022, pp. 27–44
(BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
In force: This act has been changed. Current consolidated version:
16/03/2025
|
22.9.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 245/27 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/1630 VAN DE COMMISSIE
van 21 september 2022
tot vaststelling van maatregelen voor de inperking van Grapevine flavescence dorée phytoplasma binnen bepaalde afgebakende gebieden
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 228/2013, (EU) nr. 652/2014 en (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 69/464/EEG, 74/647/EEG, 93/85/EEG, 98/57/EG, 2000/29/EG, 2006/91/EG en 2007/33/EG van de Raad (1), en met name artikel 28, lid 1, punten d) en e), en artikel 28, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In deel B van bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072 van de Commissie (2) is de lijst vastgesteld van EU-quarantaineorganismen die voor zover bekend op het grondgebied van de Unie voorkomen. |
|
(2) |
Grapevine flavescence dorée phytoplasma (“het gespecificeerde plaagorganisme”) is in die lijst opgenomen, aangezien bekend is dat het in bepaalde delen van het grondgebied van de Unie voorkomt en aanzienlijke gevolgen heeft voor de teelt van planten van Vitis L. (“de gespecificeerde planten”), de belangrijkste gastheer voor dat plaagorganisme. |
|
(3) |
Er is vastgesteld dat Scaphoideus titanus Ball (“de gespecificeerde vector”) een efficiënte vector van het gespecificeerde plaagorganisme is. Deze vector speelt een belangrijke rol bij de vestiging en verdere verspreiding van Grapevine flavescence dorée phytoplasma (3) op het grondgebied van de Unie, en daarom moeten er maatregelen voor de identificatie en bestrijding van deze vector worden vastgesteld. |
|
(4) |
Uit de krachtens artikel 19 van Verordening (EU) 2016/2031 uitgevoerde onderzoeken blijkt dat uitroeiing van het gespecificeerde plaagorganisme in bepaalde afgebakende gebieden niet langer mogelijk is. |
|
(5) |
Daarom moeten maatregelen worden vastgesteld voor de inperking van het gespecificeerde plaagorganisme binnen die afgebakende gebieden, die bestaan uit het vaststellen van besmette zones en bufferzones. Die maatregelen moeten bestaan uit de vernietiging en verwijdering van de besmette gespecificeerde planten en uit de toepassing van passende behandelingen om de verspreiding van het gespecificeerde plaagorganisme naar de rest van het grondgebied van de Unie te voorkomen. |
|
(6) |
De bevoegde autoriteiten moeten zorgen voor meer bekendheid bij het publiek, zodat het grote publiek en de professionele marktdeelnemers die te maken hebben met de inperkingsmaatregelen in de afgebakende gebieden, op de hoogte zijn van de voor dat doel toegepaste maatregelen en van de begrenzing van de afgebakende gebieden. |
|
(7) |
Indien het gespecificeerde plaagorganisme echter wordt aangetroffen in een bufferzone rond een besmette zone waar maatregelen voor de inperking van het gespecificeerde plaagorganisme van toepassing zijn, moet die nieuwe bevinding ertoe leiden dat de bevoegde autoriteit een nieuw gebied afbakent, waar uitroeiing van het gespecificeerde plaagorganisme wordt nagestreefd. |
|
(8) |
Er moeten jaarlijks onderzoeken naar de aanwezigheid van het gespecificeerde plaagorganisme en de gespecificeerde vector worden uitgevoerd, zoals bedoeld in artikel 22 van Verordening (EU) 2016/2031 en in Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1231 van de Commissie (4), om de vroegtijdige opsporing van het gespecificeerde plaagorganisme in gebieden van het grondgebied van de Unie waar het gespecificeerde plaagorganisme voor zover bekend niet voorkomt, te waarborgen. Die onderzoeken moeten gebaseerd zijn op de door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid gepubliceerde onderzoeksrichtsnoeren voor het gespecificeerde plaagorganisme en de gespecificeerde vector, aangezien daarin rekening wordt gehouden met de meest recente wetenschappelijke en technische ontwikkelingen. |
|
(9) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Onderwerp
Deze verordening stelt maatregelen vast voor de inperking van Grapevine flavescence dorée phytoplasma binnen de afgebakende gebieden waar uitroeiing ervan niet mogelijk is.
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
|
1) |
“het gespecificeerde plaagorganisme”: Grapevine flavescence dorée phytoplasma; |
|
2) |
“de gespecificeerde planten”: planten van Vitis L., met uitzondering van vruchten en zaden; |
|
3) |
“de gespecificeerde vector”: Scaphoideus titanus Ball; |
|
4) |
“het afgebakende gebied voor inperking”: een in de lijst van bijlage I opgenomen gebied waar het gespecificeerde plaagorganisme niet kan worden uitgeroeid; |
|
5) |
“de onderzoeksrichtsnoeren”: de publicatie “Onderzoeksrichtsnoeren wat betreft flavescence dorée phytoplasma en de vector ervan Scaphoideus titanus” (Pest survey card on flavescence dorée phytoplasma and its vector Scaphoideus titanus) (5) van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid. |
Artikel 3
Instelling van afgebakende gebieden voor inperking
De bevoegde autoriteiten stellen de afgebakende gebieden voor inperking van het gespecificeerde plaagorganisme in, die bestaan uit een besmette zone en een bufferzone met een breedte van ten minste 2,5 km rond de besmette zone.
Artikel 4
Maatregelen binnen de afgebakende gebieden voor inperking
1. In de besmette zones zorgen de bevoegde autoriteiten ervoor dat de volgende maatregelen worden genomen:
|
a) |
de gespecificeerde planten waarvan is vastgesteld dat zij met het gespecificeerde plaagorganisme zijn besmet, worden zo spoedig mogelijk en uiterlijk voor de aanvang van het volgende groeiseizoen, verwijderd en vernietigd; |
|
b) |
er worden passende behandelingen toegepast om de gespecificeerde vector te bestrijden. |
2. In de bufferzones zorgen de bevoegde autoriteiten ervoor dat er bij aanwezigheid van de gespecificeerde vector passende behandelingen worden toegepast om de gespecificeerde vector te bestrijden.
Wanneer de aanwezigheid van het gespecificeerde plaagorganisme in de gespecificeerde planten in de bufferzone officieel is bevestigd, zijn de artikelen 17 en 18 van Verordening (EU) 2016/2031 van toepassing.
3. Binnen de afgebakende gebieden voor inperking maken de bevoegde autoriteiten het publiek bewust van de dreiging van het gespecificeerde plaagorganisme en de maatregelen die zijn genomen om de verdere verspreiding ervan buiten die gebieden te voorkomen.
De bevoegde autoriteiten stellen het grote publiek en de betrokken professionele marktdeelnemers in kennis van de begrenzing van het afgebakende beperkingsgebied.
Artikel 5
Onderzoeken
1. De bevoegde autoriteiten voeren de in de leden 2 en 3 bedoelde onderzoeken uit, waarbij ze rekening houden met de informatie in de onderzoeksrichtsnoeren.
2. Zij voeren jaarlijks risicogebaseerde onderzoeken uit naar de aanwezigheid van het gespecificeerde plaagorganisme en van de gespecificeerde vector in de gebieden van het grondgebied van de Unie waar het gespecificeerde plaagorganisme voor zover bekend niet voorkomt, maar zich wel zou kunnen vestigen.
3. In de bufferzones van de afgebakende gebieden voor inperking voeren zij jaarlijks onderzoeken uit, zoals bedoeld in artikel 19, lid 1, van Verordening (EU) 2016/2031, om de aanwezigheid van het gespecificeerde plaagorganisme en de gespecificeerde vector ervan op te sporen.
Deze onderzoeken omvatten:
|
a) |
visueel onderzoek van de gespecificeerde planten om het gespecificeerde plaagorganisme op te sporen; |
|
b) |
monsterneming en tests indien de aanwezigheid van het gespecificeerde plaagorganisme wordt vermoed, en |
|
c) |
passende vallen om de gespecificeerde vector op te sporen. |
Deze onderzoeken zijn intensiever dan de in lid 2 bedoelde onderzoeken, met een groter aantal visuele onderzoeken en, in voorkomend geval, monsterneming en tests.
Artikel 6
Verslaglegging
De lidstaten dienen elk jaar uiterlijk op 30 april bij de Commissie en de andere lidstaten de resultaten in van de onderzoeken die in het voorgaande kalenderjaar zijn uitgevoerd krachtens:
|
a) |
artikel 5, lid 2, van deze verordening, waarbij een van de modellen in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1231 wordt gebruikt; |
|
b) |
artikel 5, lid 3, van deze verordening, waarbij een van de modellen in bijlage II bij deze verordening wordt gebruikt. |
Artikel 7
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 21 september 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 317 van 23.11.2016, blz. 4.
(2) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072 van de Commissie van 28 november 2019 tot vaststelling van eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 690/2008 van de Commissie en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2019 van de Commissie (PB L 319 van 10.12.2019, blz. 1).
(3) EFSA Panel voor de gezondheid van gewassen, 2014. Scientific Opinion on pest categorisation of Grapevine Flavescence Dorée, EFSA Journal 2014; 12(10):3851, 31 blz. doi:10.2903/j.efsa.2014.3851.
(4) Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1231 van de Commissie van 27 augustus 2020 betreffende het formaat en de instructies voor de jaarlijkse verslagen over de resultaten van de onderzoeken en betreffende het formaat van de meerjarige onderzoekprogramma’s en de praktische regeling, die respectievelijk in de artikelen 22 en 23 van Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad zijn bepaald (PB L 280 van 28.8.2020, blz. 1).
(5) Pest survey card on flavescence dorée phytoplasma and its vector Scaphoideus titanus, EFSA Supporting publications 2020:EN-1909, 36 blz. doi:10.2903/sp.efsa.2020.EN-1909.
BIJLAGE I
Lijsten van afgebakende gebieden voor inperking als bedoeld in artikel 2
1. Kroatië
|
Nummer/naam van het afgebakende gebied |
Zone van het afgebakende gebied |
Regio |
Gemeenten of andere administratieve/geografische begrenzingen |
||||||||||||||||||
|
1. |
Besmette zone |
Pannonisch Kroatië (de provincies Bjelovar-Bilogora, Virovitica-Podravina, Požega-Slavonija, Brod-Posavina, Osijek-Baranja, Vukovar-Srijem, Karlovac en Sisak-Moslavina) |
|
||||||||||||||||||
|
Bufferzone |
Pannonisch Kroatië (de provincies Bjelovar-Bilogora, Virovitica-Podravina, Požega-Slavonija, Brod-Posavina, Osijek-Baranja, Vukovar-Srijem, Karlovac en Sisak-Moslavina) |
Kadastrale gemeenten
|
|||||||||||||||||||
|
2. |
Besmette zone |
Adriatisch Kroatië (de provincie Istrië) |
Kadastrale gemeenten Bačva, Brkač, Brtonigla, Buje, Donja Mirna, Frata, Grožnjan, Kaldir, Karojba, Kaštel, Kaštelir, Kostajnica, Krasica, Kršete, Labinci, Lovrečica, Materada, Motovun, Nova Vas, Novigrad, Petrovija, Savudrija, Sveti Ivan, Sveti Vital, Umag, Višnjan, Vižinada, Završje, Žbandaj. |
||||||||||||||||||
|
Bufferzone |
Adriatisch Kroatië (de provincie Istrië) |
Kadastrale gemeenten Baderna, Beram, Brdo, Čepić, Dračevac, Funtana, Fuškulin, Gradina, Grdoselo, Kašćerga, Kringa, Kršikla, Kuberton, Kućibreg, Lim, Lovreč, Marčenegla, Merišće, Momjan, Mugeba, Muntrilj, Mušalež, Novaki Motovunski, Oprtalj, Pazin, Poreč, Rakotule, Rovinj, Rovinjsko Selo, Senj, Sovinjak, Sovišćina, Šterna, Tar, Tinjan, Triban, Trviž, Vabriga, Varvari, Vrh, Vrsar, Zamask, Zrenj, Zumesk. |
|||||||||||||||||||
|
3. |
Besmette zone |
Noord-Kroatië met de stadsregio Zagreb (de provincies Međimurje, Varaždin, Koprivnica-Križevci, Krapina-Zagorje en Zagreb en de stad Zagreb) |
Kadastrale gemeenten
|
||||||||||||||||||
|
Bufferzone |
Noord-Kroatië met de stadsregio Zagreb (de provincies Međimurje, Varaždin, Koprivnica-Križevci, Krapina-Zagorje en Zagreb en de stad Zagreb) |
Kadastrale gemeenten
|
2. Hongarije
Delen van de bufferzones van afgebakende gebieden voor inperking van Kroatië en Slovenië die zich op het grondgebied van Hongarije bevinden:
|
Nummer/naam van het afgebakende gebied |
Zone van het afgebakende gebied |
Regio |
Gemeenten of andere administratieve/geografische begrenzingen |
|
1. |
Bufferzone |
Comitaat Bács-Kiskun District Baja |
Hercegszántó |
|
Bufferzone |
Comitaat Baranya District Mohács |
Kölked, Homorúd |
|
|
2. |
Bufferzone |
Comitaat Zala District Letenye |
Tótszerdahely, Molnári |
|
3. |
Bufferzone |
Comitaat Zala District Lenti |
Bödeháza, Nemesnép, Lendvajakabfa, Márokföld, Szentgyörgyvölgy |
|
4. |
Bufferzone |
Comitaat Zala District Lenti |
Lendvadedes |
3. Italië
Delen van de bufferzones van afgebakende gebieden voor inperking van Slovenië die zich op het grondgebied van Italië bevinden:
|
Nummer/naam van het afgebakende gebied |
Zone van het afgebakende gebied |
Regio |
Gemeenten of andere administratieve/geografische begrenzingen (gedeeltelijk) |
|
1. |
Bufferzone |
Friuli Venezia Giulia Provincie Gorizia |
Dolegna Del Collio, Gorizia, San Floriano Del Collio, Savogna D’isonzo |
|
2. |
Bufferzone |
Friuli Venezia Giulia Provincie Trieste |
Duino-Aurisina, Monrupino, Muggia, San Dorligo Della Valle — Dolina, Sgonico, Trieste |
|
3. |
Bufferzone |
Friuli Venezia Giulia Provincie Udine |
Prepotto |
4. Portugal
|
Nummer/naam van het afgebakende gebied |
Zone van het afgebakende gebied |
Regio |
Gemeenten of andere administratieve/geografische begrenzingen |
|
1. |
Besmette zone |
Noord-Portugal |
Alijó, Amarante, Amares, Baião, Barcelos, Braga, Cabeceiras de Basto, Castelo de Paiva, Celorico de Basto, Cinfães, Esposende, Fafe, Felgueiras, Guimarães, Lousada, Maia, Marco de Canaveses, Monção, Mondim de Basto, Paços de Ferreira, Paredes, Paredes de Coura, Penafiel, Peso da Régua, Ponte de Lima, Póvoa de Lanhoso, Póvoa de Varzim, Ribeira de Pena, Sabrosa, Santa Marta de Penaguião, Santo Tirso, Trofa, Valença, Valongo, Vieira do Minho, Vila do Conde, Vila Nova de Famalicão, Vila Pouca de Aguiar, Vila Real, Vila Verde en Vizela; een deel van het grondgebied van de volgende gemeenten: Arcos de Valdevez, Ponte da Barca, Terras de Bouro en Viana do Castelo. |
|
Bufferzone |
Noord-Portugal |
Mesão Frio; een deel van het grondgebied van de volgende gemeenten: Arcos de Valdevez, Armamar, Arouca, Boticas, Caminha, Chaves, Carrazeda de Ansiães, Gondomar, Lamego, Matosinhos, Melgaço, Montalegre, Murça, Porto, Ponte da Barca, Resende, Santa Maria da Feira, São João da Pesqueira, Tabuaço, Terras de Bouro, Valpaços, Viana do Castelo, Vila Nova de Cerveira, Vinhais. |
|
|
Centraal Portugal |
Een deel van het grondgebied van de gemeente Castro Daire. |
5. Slovenië
|
Nummer/naam van het afgebakende gebied |
Zone van het afgebakende gebied |
Regio |
Gemeenten of andere administratieve/geografische begrenzingen |
||||||||||
|
1. |
Besmette zone |
West-Slovenië |
Ankaran, Koper, Izola en Piran, en Sežana, Komen (met uitzondering van de kadastrale gemeente Brestovica — ID 2408) en Renče-Vogrsko. |
||||||||||
|
Bufferzone |
West-Slovenië |
Brda, Nova Gorica, Miren-Kostanjevica, Šempeter- Vrtojba, Ajdovščina, Vipava, Divača en Hrpelje-Kozina, en de kadastrale gemeente Brestovica (ID 2408) in de gemeente Komen. |
|||||||||||
|
2. |
Besmette zone |
Zuidoost-Slovenië |
Dolenjske Toplice, Straža, Mirna peč, Novo mesto (met uitzondering van de kadastrale gemeenten Črešnjice — ID 1458 en Herinja vas — ID 1459). |
||||||||||
|
Bufferzone |
Zuidoost-Slovenië |
Žužemberk, Trebnje, Mirna, Šentrupert, Sevnica, Krško, Brežice, Mokronog-Trebelno, Šmarješke Toplice, Škocjan, Šentjernej, Kostanjevica na Krki, Semič, Črnomelj en Metlika, en de kadastrale gemeenten in de gemeente Novo mesto: Črešnjice (ID 1458) en Herinja vas (ID 1459). |
|||||||||||
|
3. |
Besmette zone |
Noordoost-Slovenië |
|
||||||||||
|
Bufferzone |
Noordoost-Slovenië |
|
6. Spanje
Delen van de bufferzones van afgebakende gebieden voor inperking van Portugal die zich op het grondgebied van Spanje bevinden:
|
Nummer/naam van het afgebakende gebied |
Zone van het afgebakende gebied |
Regio |
Gemeenten of andere administratieve/geografische begrenzingen |
||||||||||||||||||||||||||
|
1. |
Bufferzone |
Galicië Provincie Pontevedra |
A Cañiza:
Arbo:
Crecente:
Tomiño:
Tui:
As Neves:
Salvaterra do Miño:
Salceda de Caselas:
|
||||||||||||||||||||||||||
|
Galicië Provincie Orense |
Padrenda: een deel van de landelijke parochies van Crespos (San Xoán), Desteriz (San Miguel), O Condado (Santa María) en Padrenda (San Cibrán). |
BIJLAGE II
Modellen voor de verslaglegging van de resultaten van de uitgevoerde jaarlijkse onderzoeken uit hoofde van artikel 6, punt b)
DEEL A
1. Model voor de verslaglegging van de resultaten van jaarlijkse onderzoeken
2. Instructies voor het invullen van het model
Indien dit model wordt ingevuld, wordt het model in deel B van deze bijlage niet ingevuld.
|
Kolom 1 |
: |
vermeld de naam van het geografische gebied, het uitbraaknummer of alle informatie waarmee dit afgebakende gebied kan worden geïdentificeerd, en de datum van instelling. |
||||||
|
Kolom 2 |
: |
vermeld de omvang van het afgebakende gebied voor aanvang van het onderzoek. |
||||||
|
Kolom 3 |
: |
vermeld de omvang van het afgebakende gebied na het onderzoek. |
||||||
|
Kolom 4 |
: |
vermeld de aanpak: inperking (C). Voeg zo veel rijen toe als nodig, afhankelijk van het aantal afgebakende gebieden per plaagorganisme en de aanpak die in deze gebieden wordt gehanteerd. |
||||||
|
Kolom 5 |
: |
vermeld de zone van het afgebakende gebied waar het onderzoek is uitgevoerd, met zoveel rijen als nodig: besmette zone of bufferzone, in afzonderlijke rijen. Vermeld, indien van toepassing, in afzonderlijke rijen het gebied van de besmette zone waar het onderzoek is uitgevoerd (bv. de laatste 20 km aangrenzend aan de bufferzone, rond kwekerijen enz.). |
||||||
|
Kolom 6 |
: |
vermeld het aantal en de beschrijving van de onderzoeklocaties, door een van de volgende vermeldingen te kiezen:
|
||||||
|
Kolom 7 |
: |
vermeld welke risicogebieden zijn vastgesteld op basis van de biologische eigenschappen van het (de) plaagorganisme(n), de aanwezigheid van waardplanten, ecoklimatologische omstandigheden en risicolocaties. |
||||||
|
Kolom 8 |
: |
vermeld van de in kolom 7 vermelde risicogebieden, de in het onderzoek opgenomen risicogebieden. |
||||||
|
Kolom 9 |
: |
vermeld planten, vruchten, zaden, bodem, verpakkingsmateriaal, hout, machines, voertuigen, water, andere, met vermelding van het specifieke geval. |
||||||
|
Kolom 10 |
: |
vermeld de lijst van plantensoorten/-genera die zijn onderzocht met gebruikmaking van één rij per plantensoort/-genus. |
||||||
|
Kolom 11 |
: |
vermeld de maanden van het jaar waarin het onderzoek is uitgevoerd. |
||||||
|
Kolom 12 |
: |
vermeld de bijzonderheden van het onderzoek, afhankelijk van de specifieke wettelijke voorschriften voor elk plaagorganisme. Geef met “n.v.t.” aan wanneer de gegevens van een bepaalde kolom niet van toepassing zijn. |
||||||
|
Kolommen 13 en 14 |
: |
vermeld de resultaten, indien van toepassing, en verstrek de beschikbare informatie in de desbetreffende kolommen. Onder “niet bekend” wordt verstaan: de geanalyseerde monsters waarvan om verschillende redenen geen resultaat kon worden bepaald (bv. onder het detectieniveau, niet-geïdentificeerd of onverwerkt monster, oud monster). |
||||||
|
Kolom 15 |
: |
vermeld voor de bevindingen in de bufferzone de kennisgevingen van uitbraken van het jaar waarin het onderzoek heeft plaatsgevonden. Het kennisgevingsnummer van de uitbraak hoeft niet te worden vermeld wanneer de bevoegde autoriteit heeft besloten dat het een van de in artikel 14, lid 2, artikel 15, lid 2, of artikel 16 van Verordening (EU) 2016/2031 bedoelde gevallen betreft. Vermeld in dit geval in kolom 16 (Opmerkingen) de reden voor het niet verstrekken van deze informatie. |
DEEL B
1. Model voor de verslaglegging van de resultaten van op statistische gegevens gebaseerde jaarlijkse onderzoeken
2. Instructies voor het invullen van het model
Indien dit model wordt ingevuld, wordt het model in deel A van deze bijlage niet ingevuld.
Licht de onderliggende aannamen voor de opzet van het onderzoek per plaagorganisme toe. Geef een samenvatting en motivering van:
|
— |
de doelpopulatie, de epidemiologische eenheid en de inspectie-eenheden; |
|
— |
de opsporingsmethode en de gevoeligheid van de methode; |
|
— |
de risicofactor(en), met vermelding van de risiconiveaus en de dienovereenkomstige relatieve risico’s en aandelen van de waardplantpopulatie. |
|
Kolom 1 |
: |
vermeld de naam van het geografische gebied, het uitbraaknummer of alle informatie waarmee dit afgebakende gebied kan worden geïdentificeerd, en de datum van instelling. |
||||||
|
Kolom 2 |
: |
vermeld de omvang van het afgebakende gebied voor aanvang van het onderzoek. |
||||||
|
Kolom 3 |
: |
vermeld de omvang van het afgebakende gebied na het onderzoek. |
||||||
|
Kolom 4 |
: |
vermeld de aanpak: inperking (C). Voeg zo veel rijen toe als nodig, afhankelijk van het aantal afgebakende gebieden per plaagorganisme en de aanpak die in deze gebieden wordt gehanteerd. |
||||||
|
Kolom 5 |
: |
vermeld de zone van het afgebakende gebied waar het onderzoek is uitgevoerd, met zoveel rijen als nodig: besmette zone of bufferzone, in afzonderlijke rijen. Vermeld, indien van toepassing, in afzonderlijke rijen het gebied van de besmette zone waar het onderzoek is uitgevoerd (bv. de laatste 20 km aangrenzend aan de bufferzone, rond kwekerijen enz.). |
||||||
|
Kolom 6 |
: |
vermeld het aantal en de beschrijving van de onderzoeklocaties, door een van de volgende vermeldingen te kiezen:
|
||||||
|
Kolom 7 |
: |
vermeld de maanden van het jaar waarin de onderzoeken zijn uitgevoerd. |
||||||
|
Kolom 8 |
: |
vermeld de gekozen doelpopulatie, met de dienovereenkomstige lijst van waardsoorten/-genera en het bestreken gebied. De doelpopulatie wordt omschreven als het geheel van inspectie-eenheden. De omvang daarvan wordt voor landbouwgebieden gewoonlijk in hectaren omschreven, maar kan ook in percelen, velden, kassen enz. worden uitgedrukt. Motiveer de gemaakte keuze in de onderliggende aannames. Vermeld de onderzochte inspectie-eenheden. Onder “inspectie-eenheid” wordt verstaan: planten, delen van planten, producten, materialen, vectoren die zijn onderzocht om de plaagorganismen te identificeren en op te sporen. |
||||||
|
Kolom 9 |
: |
vermeld de onderzochte epidemiologische eenheden, met vermelding van de beschrijving en de meeteenheid. Onder “epidemiologische eenheid” wordt verstaan: een homogeen gebied waar de interacties tussen het plaagorganisme, de waardplanten en de abiotische en biotische factoren en omstandigheden tot dezelfde epidemiologie zou leiden als het plaagorganisme aanwezig is. Epidemiologische eenheden zijn een onderverdeling van de doelpopulatie die, wat de epidemiologie betreft, homogeen zijn en die ten minste één waardplant omvatten. In sommige gevallen kan de volledige waardpopulatie in een regio/gebied/land als epidemiologische eenheid worden gedefinieerd. Een epidemiologische eenheid kan een NUTS-regio (nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek), stedelijk gebied, bos, rozentuin of landbouwbedrijf zijn, of een gebied dat uit een bepaald aantal hectaren bestaat. De keuze van de epidemiologische eenheden moet in de onderliggende aannames worden verantwoord. |
||||||
|
Kolom 10 |
: |
vermeld de bij het onderzoek gebruikte methoden en het aantal activiteiten voor elk geval, afhankelijk van de specifieke wettelijke voorschriften voor elk plaagorganisme. Geef met “n.v.t.” aan wanneer de gegevens van een bepaalde kolom niet beschikbaar zijn. |
||||||
|
Kolom 11 |
: |
geef een schatting van de doeltreffendheid van de monsterneming. Onder “doeltreffendheid van de monsterneming” wordt verstaan: de waarschijnlijkheid dat van een besmette plant de besmette delen worden geselecteerd. Voor vectoren wordt gekeken naar de doeltreffendheid van de methode voor het vangen van een positieve vector wanneer deze in het onderzoeksgebied aanwezig is. Voor de bodem wordt gekeken naar de doeltreffendheid van het selecteren van een bodemmonster dat het plaagorganisme bevat, wanneer het plaagorganisme in het onderzoeksgebied aanwezig is. |
||||||
|
Kolom 12 |
: |
onder “gevoeligheid van de methode” wordt verstaan: de waarschijnlijkheid dat de aanwezigheid van een plaagorganisme correct met een methode wordt aangetoond. De gevoeligheid van de methode wordt omschreven als de waarschijnlijkheid dat een daadwerkelijk positieve waard een positief testresultaat geeft. De doeltreffendheid van de monsterneming (d.w.z. de waarschijnlijkheid dat van een besmette plant de besmette delen worden geselecteerd) wordt vermenigvuldigd met de diagnostische gevoeligheid (die wordt gekenmerkt door de visuele inspectie en/of de laboratoriumtest die tijdens het identificatieproces wordt gebruikt). |
||||||
|
Kolom 13 |
: |
vermeld de risicofactoren in afzonderlijke rijen en voeg zoveel rijen toe als nodig. Vermeld voor elke risicofactor het risiconiveau, het overeenkomstige relatieve risico en het aandeel van de waardpopulatie. |
||||||
|
Kolom B |
: |
vermeld de bijzonderheden van het onderzoek, afhankelijk van de specifieke wettelijke voorschriften voor elk plaagorganisme. Geef met “n.v.t.” aan wanneer de gegevens van een bepaalde kolom niet van toepassing zijn. De in deze kolommen te verstrekken informatie houdt verband met de informatie in kolom 10 “Opsporingsmethode”. |
||||||
|
Kolom 18 |
: |
vermeld het aantal locaties met vallen indien dit aantal verschilt van het aantal vallen (kolom 17) (dezelfde val kan bv. op verschillende plaatsen worden gebruikt). |
||||||
|
Kolom 21 |
: |
vermeld het aantal positieve, negatieve monsters en het aantal monsters met als resultaat niet-bekend. Onder “niet bekend” wordt verstaan: de geanalyseerde monsters waarvan om verschillende redenen geen resultaat kon worden bepaald (bv. onder het detectieniveau, niet-geïdentificeerd of onverwerkt monster, oud monster). |
||||||
|
Kolom 22 |
: |
vermeld de kennisgevingen van uitbraken van het jaar waarin het onderzoek heeft plaatsgevonden. Het kennisgevingsnummer van de uitbraak hoeft niet te worden vermeld wanneer de bevoegde autoriteit heeft besloten dat het een van de in artikel 14, lid 2, artikel 15, lid 2, of artikel 16 van Verordening (EU) 2016/2031 bedoelde gevallen betreft. Vermeld in dit geval in kolom 25 (Opmerkingen) de reden voor het niet verstrekken van deze informatie. |
||||||
|
Kolom 23 |
: |
vermeld de gevoeligheid van het onderzoek zoals omschreven in de internationale norm voor fytosanitaire maatregelen (International Standard for Phytosanitary Measures, ISPM) 31. Deze waarde betreffende het behaalde betrouwbaarheidsniveau van de afwezigheid van plaagorganismen wordt berekend op basis van de uitgevoerde onderzoeken (en/of monsternemingen) waarbij de gevoeligheid van de methode en aangenomen prevalentie vaststaan. |
||||||
|
Kolom 24 |
: |
vermeld de aangenomen prevalentie op basis van een aan het onderzoek voorafgaande raming van de vermoedelijke daadwerkelijke prevalentie van het plaagorganisme in de praktijk. De aangenomen prevalentie wordt als doel van het onderzoek vastgesteld en komt overeen met de afweging die de risicomanagers maken tussen het risico dat het plaagorganisme aanwezig is, en de middelen die voor het onderzoek beschikbaar zijn. Voor een opsporingsonderzoek wordt gewoonlijk een waarde van 1 % vastgelegd. |