Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32019R2153

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2153 van de Commissie van 16 december 2019 inzake de vergoedingen en heffingen die worden geheven door het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 319/2014

C/2019/8890

PB L 327 van 17.12.2019, pp. 36–65 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document No longer in force, Date of end of validity: 31/12/2025; opgeheven door 32025R2347

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2019/2153/oj

17.12.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/36


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/2153 VAN DE COMMISSIE

van 16 december 2019

inzake de vergoedingen en heffingen die worden geheven door het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 319/2014

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2111/2005, (EG) nr. 1008/2008, (EU) nr. 996/2010, (EU) nr. 376/2014 en de Richtlijnen 2014/30/EU en 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 552/2004 en (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EEG) nr. 3922/91 (1) van de Raad, en met name artikel 126, lid 4,

Na raadpleging van de raad van beheer van het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1139 omvatten de inkomsten van het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart (het Agentschap) onder meer de vergoedingen die worden betaald door aanvragers en houders van door het Agentschap afgegeven certificaten, en door alle personen die een verklaring hebben geregistreerd bij het Agentschap, alsook de heffingen voor publicaties, behandeling van beroepen, opleiding en alle andere door het Agentschap verleende diensten.

(2)

Bij Verordening (EU) nr. 319/2014 (2) van de Commissie zijn vergoedingen en heffingen vastgesteld die door het Agentschap worden geheven. De tarieven moeten echter worden aangepast om de kosten te dekken, maar tegelijk moeten significante overschotten worden vermeden, overeenkomstig de bepalingen van artikel 126, lid 2, van Verordening (EU) 2018/1139.

(3)

In dit opzicht moet rekening worden gehouden met de prognoses van het Agentschap met betrekking tot zijn werklast, daarmee verband houdende kosten en andere relevante factoren.

(4)

De vergoedingen en heffingen waarin deze verordening voorziet, moeten op transparante, billijke, niet-discriminerende en uniforme wijze worden vastgesteld.

(5)

Onverminderd het bij artikel 126 van Verordening (EU) 2018/1139 vastgestelde beginsel van kostendekking, mogen de door het Agentschap opgelegde vergoedingen en heffingen het concurrentievermogen van de desbetreffende sector van de Unie niet in gevaar brengen. Bij het vaststellen van die vergoedingen en heffingen moet voorts ook rekening worden gehouden met het betalingsvermogen van de betrokken natuurlijke en rechtspersonen, in het bijzonder kleine en middelgrote ondernemingen.

(6)

De veiligheid van de burgerluchtvaart moet de eerste prioriteit van het Agentschap zijn, maar gezien de omvang van zijn taken, met name na de inwerkingtreding van Verordening (EU) 2018/1139, en de middelen waarover het beschikt, moet het ook streven naar kostenefficiëntie.

(7)

Het Agentschap moet de mogelijkheid krijgen vergoedingen en heffingen op te leggen voor certificeringstaken of de levering van andere diensten die niet specifiek vermeld zijn in de bijlage bij deze verordening, maar die binnen de werkingssfeer van Verordening (EU) 2018/1139 vallen.

(8)

De in artikel 68, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1139 bedoelde overeenkomsten moeten de basis vormen voor de beoordeling van de werkbelasting die de certificering van producten van derde landen met zich meebrengt. In beginsel is het proces waarbij het Agentschap certificaten valideert die zijn afgegeven door derde landen waarmee de Unie een passende overeenkomst heeft gesloten, beschreven in die overeenkomsten en leidt dit proces tot een andere werkbelasting dan die welke vereist is voor de certificeringsactiviteiten van het Agentschap.

(9)

Er moeten uiterste termijnen worden vastgesteld voor de betaling van de vergoedingen en heffingen die krachtens deze verordening worden opgelegd.

(10)

Om het mogelijk te maken dat vergoedingen en heffingen zo veel mogelijk worden ingevorderd, moeten passende verhaalmiddelen worden vastgesteld in geval van wanbetaling en risico op wanbetaling.

(11)

De vestigingsplaats van de ondernemingen op het grondgebied van de lidstaten mag niet tot ongelijke behandeling leiden. Bijgevolg moeten de reiskosten die verband houden met de ten behoeve van dergelijke ondernemingen uitgevoerde certificeringstaken worden bijeengevoegd en over de aanvragers verdeeld.

(12)

Aanvragers moeten kunnen verzoeken om een raming van het bedrag dat moet worden betaald voor certificeringstaken en -diensten, teneinde de voorspelbaarheid te vergroten. In bepaalde gevallen kan het nodig zijn dat het Agentschap een voorafgaande technische analyse uitvoert alvorens de raming te kunnen opstellen. Gezien de kosten van een dergelijke analyse is het gerechtvaardigd dat het Agentschap dienovereenkomstig wordt vergoed.

(13)

Een beroep tegen een besluit van het Agentschap is redelijkerwijs alleen ontvankelijk als de vergoedingen voor een dergelijk beroep volledig zijn betaald.

(14)

Deze verordening moet de sector in staat stellen te anticiperen op de hoogte van de vergoedingen en heffingen die zij moet betalen, maar het is ook nodig regelmatig na te gaan of de voorwaarden ervan moeten worden herzien overeenkomstig artikel 126, lid 3, van Verordening (EU) 2018/1139.

(15)

Belanghebbende partijen moeten worden geraadpleegd alvorens de vergoedingen worden gewijzigd, en moeten informatie krijgen over de wijze waarop die worden berekend. Dergelijke informatie moet de belanghebbende partijen inzicht verschaffen in de kosten en de productiviteit van het Agentschap.

(16)

De herziening van de tarieven dient plaats te vinden volgens een procedure die het mogelijk maakt zonder onnodige vertraging wijzigingen aan te brengen op basis van de ervaring die het Agentschap heeft opgedaan met de toepassing van deze verordening, het permanent toezicht op de hulpmiddelen en de werkmethode, en de voortdurende beoordeling van de financiële behoeften.

(17)

Verordening (EU) nr. 319/2014 dient te worden ingetrokken, onverminderd de overgangsbepalingen.

(18)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 127, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1139 opgerichte comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening wordt vastgesteld voor welke aangelegenheden vergoedingen en heffingen verschuldigd zijn aan het Agentschap, wordt het bedrag van de vergoedingen en heffingen bepaald, alsmede de wijze waarop zij moeten worden betaald.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)

“vergoedingen”: de door het Agentschap geïnde bedragen die door de aanvragers verschuldigd zijn voor certificeringstaken;

b)

“heffingen”: de door het Agentschap geïnde bedragen voor andere diensten dan certificeringstaken;

c)

“certificeringstaak”: elke direct of indirect door het Agentschap uitgevoerde activiteit die noodzakelijk is voor de afgifte, verlenging of wijziging van certificaten krachtens Verordening (EU) 2018/1139 en de op basis van die verordening vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen;

d)

“dienst”: elke door het Agentschap uitgevoerde activiteit behalve certificeringstaken, met inbegrip van de levering van goederen;

e)

“aanvrager”: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die om een door het Agentschap verrichte certificering-staak of dienst verzoekt;

f)

“facturatiecyclus”: de terugkerende periode van twaalf maanden die wordt toegepast op meerjarige projecten en op surveillancetaken. Deze periode vangt aan:

1)

op de datum waarop de aanvraag wordt ontvangen, voor de in de tabellen 1 tot en met 6 van deel I van de bijlage vermelde vergoedingen en heffingen;

2)

op 1 juni volgend op de afgifte van het certificaat, voor de in tabel 8 van deel I van de bijlage vermelde vergoedingen;

3)

op de datum waarop de aanvraag wordt ontvangen, voor de in de tabellen 9 tot en met 15 van deel I van de bijlage vermelde erkenningsvergoedingen;

4)

op de datum waarop het certificaat wordt afgegeven, voor de in de tabellen 9 tot en met 15 van deel I van de bijlage vermelde surveillancevergoedingen.

Artikel 3

Vaststelling van de vergoedingen en heffingen

1.   De vergoedingen en heffingen worden uitsluitend in overeenstemming met deze verordening door het Agentschap verlangd en geïnd.

2.   Tenzij anders bepaald in deze verordening, worden de vergoedingen en heffingen berekend volgens het in deel II van de bijlage vermelde uurtarief.

3.   De lidstaten leggen geen vergoedingen op voor werkzaamheden die onder de bevoegdheid van het Agentschap vallen, zelfs niet wanneer zij deze voor rekening van het Agentschap uitvoeren. Het Agentschap vergoedt de lidstaten voor de werkzaamheden die zij voor rekening van het Agentschap uitvoeren.

4.   Alle vergoedingen en heffingen worden uitgedrukt en betaald in euro.

5.   De in de delen I, II en II bis van de bijlage vermelde bedragen worden op 1 januari van elk jaar aangepast aan de inflatie, in overeenstemming met de methode die in deel IV van de bijlage is uiteengezet.

6.   In afwijking van de vergoedingen als bedoeld in de bijlage, kunnen in een bilaterale overeenkomst specifieke bepalingen worden vastgesteld inzake vergoedingen voor certificeringstaken die worden uitgevoerd in het kader van die bilaterale overeenkomst.

Artikel 4

Betaling van de vergoedingen en heffingen

1.   Het Agentschap stelt de wijze van betaling van de vergoedingen en heffingen vast en geeft aan onder welke voorwaarden het Agentschap vergoedingen en heffingen oplegt voor certificeringstaken en diensten. Het Agentschap publiceert deze voorwaarden op zijn website.

2.   De aanvrager moet het volledige verschuldigde bedrag betalen binnen 30 kalenderdagen na de datum waarop de factuur naar de aanvrager is verstuurd.

3.   Wanneer de betaling van een factuur niet binnen de in lid 2 bedoelde termijn is ontvangen, mag het Agentschap rente in rekening brengen voor elke kalenderdag vertraging.

4.   Het rentepercentage is de op de eerste kalenderdag van de maand van de vervaldag door de Europese Centrale Bank voor haar basisherfinancieringstransacties toegepaste rentevoet zoals bekendgemaakt in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie, verhoogd met acht procentpunten.

Artikel 5

Afwijzing of beëindiging om financiële redenen

1.   Onverminderd zijn reglement van orde kan het Agentschap:

a)

een aanvraag afwijzen als het de verschuldigde vergoedingen of heffingen niet heeft ontvangen na het verstrijken van de in artikel 4, lid 2, vermelde termijn;

b)

een aanvraag afwijzen of beëindigen als er aanwijzingen zijn dat de financiële draagkracht van de aanvrager in gevaar is, tenzij de aanvrager een bankgarantie of een zekerheid verstrekt.

c)

een aanvraag afwijzen of beëindigen in de gevallen die vermeld zijn in artikel 8, lid 4, tweede alinea;

d)

een aanvraag om overdracht van een certificaat afwijzen als de betalingsverplichtingen die voortvloeien uit de door het Agentschap uitgevoerde certificeringstaken of verleende diensten, niet zijn nagekomen.

2.   Alvorens te handelen overeenkomstig lid 1, overlegt het Agentschap met de aanvrager over de maatregel die het voornemens is te nemen.

Artikel 6

Reiskosten

1.   Als een certificeringstaak of -dienst geheel of gedeeltelijk buiten het grondgebied van de lidstaten wordt uitgevoerd, betaalt de aanvrager de reiskosten overeenkomstig de formule: d = v + a + h – e.

2.   waarbij:

 

d = verschuldigde reiskosten;

 

v = vervoerskosten;

 

a = officiële dagvergoedingen van de Commissie, welke accommodatie, maaltijden, lokaal vervoer op de plaats van bestemming en diverse kosten omvatten (3);

 

h = reistijd (standaardaantal reisuren per bestemming, vastgesteld door het Agentschap), tegen het in deel II van de bijlage vastgestelde uurtarief (4); indien de missie betrekking heeft op meerdere projecten, wordt het bedrag dienovereenkomstig opgesplitst;

 

e (e-component) = gemiddelde reiskosten op het grondgebied van de lidstaten, inclusief de gemiddelde vervoerskosten en de gemiddelde reistijd op het grondgebied van de lidstaten, vermenigvuldigd met het in deel II van de bijlage vermelde uurtarief. Het wordt jaarlijks herzien en geïndexeerd.

3.   De reiskosten die worden gemaakt in het kader van de in artikel 14, lid 2, bedoelde dienstverlening worden uitsluitend vergoed overeenkomstig deel II bis van de bijlage.

Artikel 7

Financiële raming

1.   Op verzoek van een aanvrager, en met inachtneming van lid 2, verstrekt het Agentschap een financiële raming.

2.   Als wegens de verwachte complexiteit van het project, een voorafgaande technische analyse door het Agentschap nodig is om de financiële raming te kunnen opstellen, wordt deze analyse per uur in rekening gebracht, op basis van een contactuele overeenkomst die door de aanvrager en het Agentschap wordt ondertekend.

3.   Op verzoek van de aanvrager worden de activiteiten opgeschort tot de gevraagde raming door het Agentschap is verstrekt en door de aanvrager is aanvaard.

4.   De prijsopgave wordt door het Agentschap aangepast indien blijkt dat de werkzaamheden eenvoudiger of sneller kunnen worden uitgevoerd dan aanvankelijk gepland of, in het tegenovergestelde geval, indien zij complexer zijn en meer tijd in beslag nemen dan het Agentschap redelijkerwijze kon verwachten.

HOOFDSTUK II

VERGOEDINGEN

Artikel 8

Algemene bepalingen met betrekking tot de betaling van vergoedingen

1.   Het volledige bedrag van de verschuldigde vergoedingen moet worden betaald vóór de certificeringstaak wordt uitgevoerd, tenzij het Agentschap anders beslist na een afweging van de financiële risico’s. Het Agentschap mag de vergoeding in een keer factureren nadat het de aanvraag heeft ontvangen, of bij het begin van de jaarlijkse of de surveillanceperiode.

2.   De door de aanvrager voor een bepaalde certificeringstaak te betalen vergoeding is:

a)

een vaste vergoeding, zoals uiteengezet in deel I van de bijlage, of

b)

een variabele vergoeding.

3.   De in lid 2, onder b), vermelde variabele vergoeding wordt vastgesteld door vermenigvuldiging van het werkelijke aantal gewerkte uren en het in deel II van de bijlage vermelde uurtarief.

4.   Indien gerechtvaardigd op grond van technische omstandigheden die relevant zijn voor de bij deze verordening vastgestelde vergoedingen mag het Agentschap, met instemming van de aanvrager:

a)

een aanvraag opnieuw indelen in een van de in de bijlage bij deze verordening vermelde categorieën;

b)

meerdere aanvragen bundelen tot één aanvraag, voor zover die aanvragen betrekking hebben op hetzelfde type ontwerp en op een van de volgende, ongeacht in welke combinatie:

i)

ingrijpende wijzigingen,

ii)

ingrijpende reparaties, of

iii)

aanvullende typecertificaten.

Als de aanvrager niet instemt met de voorgestelde herindeling, kan het Agentschap de aanvraag of aanvragen afwijzen of beëindigen.

Artikel 9

Betalingstermijnen

1.   De in de tabellen 1, 2 en 3 van deel I van de bijlage vermelde vergoedingen worden geheven per aanvraag en per periode van twaalf maanden. Voor de periode na de eerste twaalf maanden bedragen de vergoedingen 1/365ste van de relevante jaarvergoeding per dag.

2.   De in tabel 4 van deel I van de bijlage vermelde vergoedingen worden geheven per aanvraag.

3.   De in tabel 8 van deel I van de bijlage vermelde vergoedingen worden geheven per periode van twaalf maanden.

4.   De in de tabellen 9 tot en met 14 van deel I van de bijlage vermelde vergoedingen worden geheven als volgt:

a)

erkenningsvergoedingen worden geheven per aanvraag;

b)

surveillancevergoedingen worden geheven per periode van twaalf maanden;

Wijzigingen van een organisatie die gevolgen hebben voor haar erkenning hebben met ingang van de periode van twaalf maanden volgende op de goedkeuring van de wijziging een herberekening van de verschuldigde surveillancevergoeding tot gevolg.

5.   In de in artikel 2, onder f), 2), bedoelde gevallen worden de vergoedingen voor de periode tussen de datum van afgifte van het certificaat en het begin van de eerste facturatiecyclus daarna, berekend pro-rata temporis, op basis van tabel 8 van deel I van de bijlage.

6.   Als de herindeling van een aanvraag tot een wijziging van de toepasselijke vergoedingen leidt, worden de vergoedingen als volgt herberekend:

a)

vergoedingen die per aanvraag worden opgelegd, worden herberekend vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag;

b)

vergoedingen die per aanvraag en per periode van twaalf maanden worden opgelegd, worden herberekend voor de lopende facturatiecyclus en daarna.

c)

Als het Agentschap meerdere aanvragen bundelt tot één aanvraag, overeenkomstig artikel 8, lid 4, wordt de vergoeding herberekend vanaf de datum die relevant wordt geacht voor de herindeling.

Artikel 10

Afwijzing van aanvragen, stopzetting en onderbreking van de uitvoering van taken die verband houden met aanvragen

1.   Wanneer een aanvraag wordt afgewezen of de uitvoering van een taak in verband met een aanvraag wordt stopgezet of onderbroken, moeten de toepasselijke vergoedingen, samen met de bijbehorende reiskosten en alle andere verschuldigde bedragen, volledig worden betaald op het ogenblik dat het Agentschap stopt met de uitvoering van de taak.

2.   Wanneer een aanvraag wordt afgewezen of de uitvoering van een taak in verband met een aanvraag wordt stopgezet, wordt het saldo van alle verschuldigde vergoedingen als volgt berekend:

a)

Voor de in de tabellen 1, 2 en 3 van deel I van de bijlage bedoelde vergoedingen, die per aanvraag en per periode van twaalf maanden worden berekend, bedraagt het saldo van de vergoedingen die verschuldigd zijn voor de lopende facturatiecyclus per dag 1/365ste van de desbetreffende jaarlijkse vergoeding. Voor de perioden die voorafgaan aan de lopende periode van twaalf maanden blijven de toepasselijke vergoedingen verschuldigd;

b)

voor de in de tabellen 4 en 15 van deel I van de bijlage bedoelde vergoedingen en voor de in deel II van de bijlage bedoelde vaste vergoedingen, die per aanvraag worden opgelegd, bedraagt het saldo van de verschuldigde vergoedingen 50 % van de toepasselijke vergoeding;

c)

voor de in de tabellen 9 tot en met 14 van deel I van de bijlage bedoelde vergoedingen, die per aanvraag worden opgelegd, wordt het saldo van de verschuldigde vergoedingen berekend op uurbasis, waarbij dit bedrag niet hoger mag liggen dan de toepasselijke vaste vergoeding;

d)

voor de in deel II van de bijlage bedoelde vergoedingen, die op uurbasis worden opgelegd, wordt het saldo van de verschuldigde vergoedingen berekend op uurbasis;

e)

voor vergoedingen die niet onder a) tot en met d) zijn vermeld, wordt het saldo berekend op uurbasis, tenzij anders overeenkomen tussen de aanvrager en het Agentschap.

3.   Wanneer de uitvoering van een taak in verband met een aanvraag tijdens de eerste facturatiecyclus wordt onderbroken, worden de vergoedingen voor die facturatiecyclus niet terugbetaald. Wanneer een dergelijke onderbreking van kracht wordt na de eerste facturatiecyclus, wordt het saldo van de verschuldigde vergoedingen berekend overeenkomstig de criteria van lid 2, onder a). Wanneer het Agentschap, na een onderbreking van de uitvoering van een taak die verband houdt met een aanvraag, de uitvoering van die taak hervat, legt het automatisch een nieuwe vergoeding op na het verstrijken van de door de aanvrager gekozen onderbrekingsperiode of eerder, op verzoek van de aanvrager, ongeacht de vergoedingen die reeds betaald zijn voor de onderbroken taak.

4.   Voor de toepassing van deze verordening wordt

a)

de stopzetting van de uitvoering van een taak op verzoek van de aanvrager geacht van kracht te worden op de datum van ontvangst van het verzoek;

b)

de stopzetting van de uitvoering van een taak op initiatief van het Agentschap geacht van kracht te worden op de datum waarop het besluit tot stopzetting wordt meegedeeld aan de aanvrager;

c)

de onderbreking van de uitvoering van een taak op verzoek van de aanvrager geacht van kracht te worden op de door de aanvrager opgegeven datum, maar niet eerder dan de datum waarop het Agentschap het verzoek ontvangt.

5.   Met vergoedingen die betaald zijn voor een aanvraag waarvan de uitvoering is stopgezet, wordt geen rekening gehouden bij een daaropvolgende taak, zelfs niet als deze van dezelfde aard is als de stopgezette taak.

Artikel 11

Opschorting of intrekking van certificaten

1.   Indien het Agentschap de verschuldigde vergoedingen niet heeft ontvangen na het verstrijken van de in artikel 4, lid 2, vermelde termijn kan het Agentschap het certificaat schorsen of intrekken, na raadpleging van de houder van het certificaat.

2.   Als het Agentschap een certificaat opschort omdat de houder ervan niet voldoet aan de toepasselijke eisen of de jaarvergoeding of surveillancevergoeding niet betaalt, zal het Agentschap, ongeacht die opschorting, de jaarvergoeding of surveillancevergoeding in één keer blijven factureren aan het begin van de jaarlijkse periode of surveillanceperiode. Het Agentschap kan het desbetreffende certificaat intrekken als de houder ervan zijn betalingsverplichtingen niet binnen een jaar na de kennisgeving van de opschorting nakomt. De intrekking van het certificaat wordt alleen opgeheven als het saldo van de vergoedingen die verschuldigd zijn voor de duur van de opschorting vooraf wordt betaald, samen met eventuele andere bedragen die op dat tijdstip verschuldigd zijn.

3.   Als het Agentschap een certificaat intrekt omdat de houder ervan de toepasselijke eisen niet naleeft of de jaarlijkse vergoeding of surveillancevergoeding niet betaalt, wordt het saldo van de vergoedingen voor de lopende facturatiecyclus als volgt berekend:

a)

voor vaste jaarlijkse vergoedingen of surveillancevergoedingen die per certificaat en per periode van twaalf maanden worden opgelegd, bedraagt het saldo van de verschuldigde vergoedingen per dag 1/365ste van de desbetreffende vaste vergoeding.

b)

voor jaarlijkse vergoedingen of surveillancevergoedingen die op uurbasis worden opgelegd, wordt het saldo van de verschuldigde vergoedingen berekend op uurbasis.

De in de eerste alinea, onder a) en b), bedoelde bedragen moeten, samen met eventuele reiskosten en alle andere verschuldigde bedragen, volledig worden betaald op de datum waarop de intrekking van kracht wordt.

Artikel 12

Teruggave of overdracht van certificaten en inactivering van vluchtnabootsingsinstrumenten

1.   Als de certificaathouder een certificaat teruggeeft, wordt het saldo van eventuele verschuldigde vergoedingen voor de lopende periode van twaalf maanden als volgt berekend:

a)

voor vaste jaarlijkse vergoedingen of surveillancevergoedingen die per certificaat en per periode van twaalf maanden worden opgelegd, bedraagt het saldo van de verschuldigde vergoedingen 1/365ste van de desbetreffende vaste jaarlijkse vergoeding per dag.

b)

voor jaarlijkse vergoedingen of surveillancevergoedingen die op uurbasis worden opgelegd, wordt het saldo van de vergoedingen berekend op uurbasis.

De in de eerste alinea, onder a) en b), bedoelde bedragen moeten, samen met eventuele reiskosten en alle andere verschuldigde bedragen, volledig worden betaald op de datum waarop de teruggave van kracht wordt.

2.   Wanneer een certificaat wordt overgedragen, zijn de in de tabellen 8 tot en met 15 bedoelde vergoedingen door de nieuwe certificaathouder verschuldigd vanaf de facturatiecyclus die volgt op de datum waarop de overdracht van kracht wordt.

3.   In de gevallen waarnaar wordt verwezen in tabel 14 van deel I van de bijlage, wordt de surveillancevergoeding voor een vluchtnabootser pro-rata temporis beperkt voor perioden van inactivering op verzoek van de aanvrager.

Artikel 13

Certificeringstaken op uitzonderlijke basis

Indien de uitvoering van een bepaalde certificeringstaak vereist dat categorieën en/of aantallen personeelsleden moeten worden ingezet die het Agentschap normaliter niet zou inzetten volgens zijn standaardprocedures, wordt een uitzonderlijke correctie toegepast op de opgelegde vergoeding teneinde alle door het Agentschap gemaakte kosten te dekken.

HOOFDSTUK III

HEFFINGEN

Artikel 14

Algemene bepalingen met betrekking tot de betaling van heffingen

1.   Het bedrag van de heffingen die het Agentschap overeenkomstig deel II van de bijlage oplegt, wordt gefactureerd aan het toepasselijke uurtarief.

2.   Heffingen voor het verlenen van opleidingsdiensten, met inbegrip van reiskosten, worden opgelegd overeenkomstig deel II bis van de bijlage.

Artikel 15

Tijdstip waarop de heffingen worden opgelegd en betalingstermijnen

1.   Behoudens andersluidende beslissing van het Agentschap, worden de heffingen, na een afweging van de financiële risico’s, geheven vóór de dienst wordt verleend.

2.   De in tabel 6 (punt 1) van deel I van de bijlage vermelde heffingen worden geheven per aanvraag en per periode van twaalf maanden. Voor de periode na de eerste twaalf maanden bedragen de heffingen per dag 1/365e van de relevante jaarlijkse heffing.

3.   De in de tabellen 5 en 6 (punt 2) van deel I van de bijlage vermelde heffingen worden opgelegd per aanvraag.

4.   Als de herindeling van een aanvraag leidt tot een wijziging van de toepasselijke heffingen, worden de heffingen dienovereenkomstig herberekend met ingang van de datum van ontvangst van de aanvraag.

Artikel 16

Afwijzing van aanvragen, stopzetting en onderbreking van de uitvoering van taken die verband houden met aanvragen

1.   Wanneer een aanvraag wordt afgewezen of de uitvoering van een taak in verband met een aanvraag wordt stopgezet of onderbroken, moeten de toepasselijke heffingen, samen met de bijbehorende reiskosten en alle andere verschuldigde bedragen, volledig worden betaald op het ogenblik dat het Agentschap stopt met de uitvoering van de taak.

2.   Wanneer een aanvraag wordt afgewezen of de uitvoering van een taak in verband met een aanvraag wordt stopgezet, wordt het saldo van alle verschuldigde heffingen als volgt berekend:

a)

Voor de in tabel 6 (punt 1) van deel I van de bijlage bedoelde heffingen, die per aanvraag en per periode van twaalf maanden worden opgelegd, bedraagt het saldo van de heffingen die verschuldigd zijn voor de lopende periode van twaalf maanden per dag 1/365e van de desbetreffende jaarlijkse heffing. Voor de perioden die voorafgaan aan de lopende periode van twaalf maanden blijven de toepasselijke heffingen verschuldigd.

b)

Voor de in de tabellen 5 en 6 (punt 2) van deel I van de bijlage bedoelde heffingen en voor de in deel II van de bijlage bedoelde vaste heffingen, die per aanvraag worden opgelegd, bedraagt het saldo van de verschuldigde heffingen 50 % van de toepasselijke heffing.

c)

Voor de in deel II van de bijlage bedoelde heffingen, die op uurbasis worden opgelegd, wordt het saldo van de verschuldigde heffingen berekend op uurbasis.

d)

Voor heffingen die niet in de bovenstaande alinea’s zijn vermeld, wordt het saldo berekend op uurbasis, tenzij anders overeenkomen tussen de aanvrager en het Agentschap.

3.   Wanneer de uitvoering van een taak in verband met een aanvraag tijdens de eerste facturatiecyclus wordt onderbroken, worden de heffingen voor die facturatiecyclus niet terugbetaald. Wanneer een dergelijke onderbreking van kracht wordt na de eerste facturatiecyclus, wordt het saldo van de verschuldigde heffingen berekend overeenkomstig de criteria van lid 2, onder a). Wanneer het Agentschap, na een onderbreking van de uitvoering van een taak die verband houdt met een aanvraag, de uitvoering van die taak hervat, legt het automatisch een nieuwe heffing op na het verstrijken van de door de aanvrager gekozen onderbrekingsperiode of eerder, op verzoek van de aanvrager, ongeacht de heffingen die reeds betaald zijn voor de onderbroken taak.

4.   Voor de toepassing van deze verordening wordt

a)

de stopzetting van de uitvoering van een taak op verzoek van de aanvrager geacht van kracht te worden op de datum van ontvangst van het verzoek;

b)

de stopzetting van de uitvoering van een taak op initiatief van het Agentschap geacht van kracht te worden op de datum waarop het besluit tot stopzetting wordt meegedeeld aan de aanvrager;

c)

de onderbreking van de uitvoering van een taak op verzoek van de aanvrager geacht van kracht te worden op de door de aanvrager opgegeven datum, maar niet eerder dan de datum waarop het verzoek door het Agentschap wordt ontvangen.

5.   Met heffingen die betaald zijn voor een aanvraag waarvan de uitvoering is stopgezet, wordt geen rekening gehouden bij een daaropvolgende taak, zelfs niet als deze van dezelfde aard is als de stopgezette taak.

HOOFDSTUK IV

BEROEPSPROCEDURES

Artikel 17

Behandeling van een beroep

1.   Voor de behandeling van overeenkomstig artikel 108 van Verordening (EU) 2018/1139 ingestelde beroepen worden heffingen opgelegd. Het bedrag van de heffingen wordt berekend overeenkomstig de methode van deel III van de bijlage. Het beroep is slechts ontvankelijk nadat de heffing voor het instellen van het beroep is betaald binnen de in lid 3 bedoelde termijn.

2.   Als het beroep wordt ingesteld door een rechtspersoon, moet deze bij het Agentschap een door een daartoe bevoegde ambtenaar ondertekende verklaring indienen, met vermelding van de omzet van de aanvrager. Deze verklaring moet samen met het beroep bij het Agentschap worden ingediend.

3.   Beroepsheffingen worden betaald overeenkomstig de door het Agentschap vastgestelde toepasselijke procedure binnen 60 kalenderdagen na de datum waarop het beroep bij het Agentschap is ingediend.

4.   Als het beroep in het voordeel van de aanvrager wordt uitgesproken, worden de beroepsheffingen onmiddellijk door het Agentschap terugbetaald.

HOOFDSTUK V

DE PROCEDURES VAN HET AGENTSCHAP

Artikel 18

Algemene bepalingen

Het Agentschap maakt een onderscheid tussen, enerzijds, ontvangsten en uitgaven die zijn toe te schrijven aan uitgevoerde certificeringstaken en verleende diensten, en, anderzijds, ontvangsten en uitgaven die zijn toe te schrijven aan activiteiten die uit andere inkomstenbronnen worden gefinancierd.

Daartoe:

a)

worden de door het Agentschap opgelegde vergoedingen en heffingen op een afzonderlijke rekening gestort en in een afzonderlijke boekhouding bijgehouden;

b

voert het Agentschap een analytische boekhouding voor de ontvangsten en uitgaven.

Artikel 19

Evaluatie en herziening

1.   Het Agentschap verstrekt de Commissie, de raad van beheer en het bij artikel 98, lid 4, van Verordening (EU) 2018/1139 opgerichte adviesorgaan van de belanghebbende partijen jaarlijks informatie over de onderdelen die als basis dienen voor het bepalen van het bedrag van de vergoedingen. Deze informatie omvat met name een kostenspecificatie betreffende vorige en volgende jaren.

2.   Het Agentschap evalueert periodiek de bijlage bij deze verordening om na te gaan of belangrijke informatie met betrekking tot de aannamen waarop de schatting van de ontvangsten en uitgaven van het Agentschap is gebaseerd, correct wordt weerspiegeld in de vergoedingen of heffingen die door het Agentschap worden opgelegd.

3.   Deze verordening wordt zo nodig herzien, met name rekening houdend met de ontvangsten en kosten van het Agentschap.

4.   Alvorens advies te geven, raadpleegt het Agentschap het in lid 1 bedoelde adviesorgaan van de belanghebbende partijen overeenkomstig artikel 126, lid 4, van Verordening (EU) 2018/1139, en licht het de redenen voor elke voorgestelde wijziging toe.

HOOFDSTUK VI

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 20

Intrekking

Verordening (EU) nr. 319/2014 wordt ingetrokken, onverminderd artikel 21, lid 5.

Artikel 21

Overgangsbepalingen

1.   De jaarvergoeding en de surveillancevergoeding die zijn uiteengezet in de tabellen 1, 2, 3, 8 tot en met 13, en 15 van deel I van de bijlage zijn van toepassing op alle certificeringstaken die aan de gang zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze verordening, vanaf de volgende facturatiecyclus na de inwerkingtreding van deze verordening.

2.   De in deel II van de bijlage uiteengezette uurtarieven zijn vanaf de inwerkingtreding van deze verordening van toepassing op alle taken die aan de gang zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor de vergoedingen of heffingen op uurbasis worden berekend.

3.   In de in de tabellen 5 en 6 van deel I van de bijlage bedoelde gevallen, en met betrekking tot de erkenningsvergoedingen van organisaties en erkenningsvergoedingen van kwalificaties van instrumenten, zoals bedoeld in tabel 14 van deel I van de bijlage, en onverminderd die bepalingen, worden vergoedingen en heffingen met betrekking tot aanvragen die lopende zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze verordening berekend overeenkomstig deel II van de bijlage tot de uit die aanvragen voortvloeiende taken zijn voltooid.

4.   In de gevallen die bedoeld zijn in tabel 14 van deel I van de bijlage, met uitzondering van die als bedoeld in lid 3, zijn de in de tabel vermelde vergoedingen van toepassing vanaf de inwerkingtreding van deze verordening.

5.   Met inachtneming van de leden 2, 3 en 4, worden vergoedingen en heffingen voor facturatiecycli die lopende zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze verordening berekend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 319/2014.

Artikel 22

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de eerste dag van de maand na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 16 december 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 212 van 22.8.2018, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 319/2014 van de Commissie van 27 maart 2014 inzake de vergoedingen en rechten die worden geheven door het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 593/2007 (PB L 93 van 28.3.2014, blz. 58).

(3)  Zie “huidige dagvergoedingen”, zoals bekendgemaakt op de EuropeAid-website van de Commissie (http://ec.europa.eu/europeaid/work/procedures/ implementation/per_diems/index_en.htm).

(4)  Zie “Standaardaantal uren”, zoals meegedeeld in de “lijst van standaardreistijden” op de website van het Agentschap (https://www.easa.europa.eu/).


BIJLAGE

INHOUD:

Deel I: Werkzaamheden waarvoor een vaste vergoeding in rekening wordt gebracht

Deel II: Certificeringstaken of -diensten die op uurbasis in rekening worden gebracht

Deel II bis: Heffingen voor het verlenen van opleidingsdiensten

Deel III: Heffingen voor het instellen van beroep

Deel IV: Jaarlijks inflatiepercentage

Deel V: Toelichting

DEEL I

Werkzaamheden waarvoor een vaste vergoeding in rekening wordt gebracht

Tabel 1

Typecertificaten, beperkte typecertificaten en Europese Technical Standard Order Authorisations

(bedoeld in subdeel B en subdeel O van sectie A van bijlage I (Deel 21) bij Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie)  (1)

 

Vaste vergoeding (EUR)

Aan boord bestuurde luchtvaartuigen met horizontale start en landing (HTOL)

Meer dan 150 000 kg

2 055 230

Van 55 000 kg tot 150 000 kg

1 693 040

Van 22 000 kg tot 55 000 kg

564 350

Van 5 700 kg tot 22 000 kg (met inbegrip van HPA van 2 730 tot 5 700 kg)

420 700

Van 2 730 kg tot 5 700 kg (met inbegrip van HPA van 1 200 kg tot 2 730 kg)

139 980

Van 1 200 kg tot 2 730 kg (met inbegrip van HPA tot 1 200 kg)

15 890

Tot 1 200 kg

5 300

Aan boord bestuurde luchtvaartuigen met verticale start en landing (VTOL)

Groot

476 100

Middelgroot

190 450

Klein

23 850

Zeer licht

23 850

Luchtballonnen

7 380

Luchtschepen grote

42 950

Luchtschepen middelgrote

16 360

Luchtschepen kleine

8 190

Aandrijving

Turbinemotoren met een opstijgstuwkracht van meer dan 25 KN of een opstijgvermogen van meer dan 2 000 kW

405 310

Turbinemotoren met een opstijgstuwkracht tot 25 KN of een opstijgvermogen tot 2 000 kW

270 170

Niet-turbinemotoren

36 920

CS-22.H, CS-VLR App. B motoren

18 460

Propeller voor gebruik op luchtvaartuigen met een MTOM van meer dan 5 700 kg

12 610

Propeller voor gebruik op een luchtvaartuig met een MTOM tot 5 700 kg

3 600

Propeller van klasse CS-22J

1 800

Onderdelen en niet-geïnstalleerde apparatuur

Waarde van meer dan 20 000 EUR

9 300

Waarde tussen 2 000 en 20 000 EUR

5 320

Waarde van minder dan 2 000 EUR

3 090

Hulpaggregaat (APU)

221 120


Tabel 2

Aanvullende typecertificaten

(zoals vermeld in subdeel E van sectie A van bijlage I (deel 21) bij Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie)

 

Vaste vergoeding (EUR)

 

Complex Significant

Significant

Standaard

Eenvoudig

Aan boord bestuurde luchtvaartuigen met horizontale start en landing (HTOL)

Meer dan 150 000 kg

952 500

76 480

16 330

4 650

Van 55 000 kg tot 150 000 kg

680 880

45 900

13 060

3 660

Van 22 000 kg tot 55 000 kg

378 140

30 600

9 790

3 330

Van 5 700 kg tot 22 000 kg (met inbegrip van HPA van 2 730 kg tot 5 700 kg)

290 420

18 360

6 540

3 330

Van 2 730 kg tot 5 700 kg (met inbegrip van HPA van 1 200 kg tot 2 730 kg)

119 970

5 610

2 580

1 290

Van 1 200 kg tot 2 730 kg (met inbegrip van HPA tot 1 200 kg)

6 140

1 970

1 230

610

Tot 1 200 kg

3 630

310

310

310

Aan boord bestuurde luchtvaartuigen met verticale start en landing (VTOL)

Groot

321 710

58 950

8 840

2 950

Middelgroot

188 500

29 480

5 900

2 360

Klein

15 080

11 800

4 420

1 480

Zeer licht

9 610

1 110

490

310

Overige aan boord bestuurde luchtvaartuigen

Luchtballonnen

3 630

1 050

490

310

Luchtschepen grote

37 700

15 970

12 780

6 390

Luchtschepen middelgrote

15 090

4 910

3 930

1 970

Luchtschepen kleine

7 520

2 460

1 970

990

Aandrijving

Turbinemotoren met een opstijgstuwkracht van meer dan 25 KN of een opstijgvermogen van meer dan 2 000 kW

190 090

14 740

8 840

5 900

Turbinemotoren met een opstijgstuwkracht tot 25 KN of een opstijgvermogen tot 2 000 kW

185 830

8 840

6 940

4 630

Niet-turbinemotoren

34 710

3 440

1 540

770

CS-22.H, CS-VLR App. B motoren

17 410

1 730

770

370

Propeller voor gebruik op luchtvaartuigen met een MTOM van meer dan 5 700 kg

7 020

2 460

1 230

610

Propeller voor gebruik op een luchtvaartuig met een MTOM tot 5 700 kg

2 140

1 840

920

470

Propeller van klasse CS-22J

1 080

920

470

230

Onderdelen en niet-geïnstalleerde apparatuur

Waarde van meer dan 20 000 EUR

Waarde tussen 2 000 en 20 000 EUR

Waarde van minder dan 2 000 EUR

Hulpaggregaat (APU)

136 280

7 370

4 920

2 460


Tabel 3

Grote wijzigingen en grote reparaties

(bedoeld in subdeel D en subdeel M van sectie A van bijlage I (deel 21) bij Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie)

 

Vaste vergoeding (EUR)

 

Modelvergoeding (2)

Complex Significant

Significant

Standaard

Eenvoudig

Aan boord bestuurde luchtvaartuigen met horizontale start en landing (HTOL)

Meer dan 150 000 kg

100 000

800 000

78 010

14 330

5 110

Van 55 000 kg tot 150 000 kg

59 880

479 050

39 030

10 750

3 290

Van 22 000 kg tot 55 000 kg

39 910

319 280

31 230

7 170

2 560

Van 5 700 kg tot 22 000 kg (met inbegrip van HPA van 2 730 kg tot 5 700 kg)

31 930

255 450

19 520

3 580

2 560

Van 2 730 kg tot 5 700 kg (met inbegrip van HPA van 1 200 kg tot 2 730 kg)

15 110

120 900

5 360

2 500

1 240

Van 1 200 kg tot 2 730 kg (met inbegrip van HPA tot 1 200 kg)

530

4 230

1 360

610

310

Tot 1 200 kg

450

3 630

310

310

310

Aan boord bestuurde luchtvaartuigen met verticale start en landing (VTOL)

Groot

30 160

241 280

53 440

10 690

3 560

Middelgroot

18 850

150 800

28 500

7 120

2 490

Klein

1 890

15 080

11 410

5 340

1 430

Zeer licht

1 130

9 060

1 050

490

490

Overige aan boord bestuurde luchtvaartuigen

Luchtballonnen

450

3 630

1 050

490

490

Luchtschepen grote

3 770

30 160

14 250

10 690

7 120

Luchtschepen middelgrote

1 510

12 060

3 930

2 940

1 970

Luchtschepen kleine

750

6 030

1 970

1 470

990

Aandrijving

Turbinemotoren met een opstijgstuwkracht van meer dan 25 KN of een opstijgvermogen van meer dan 2 000 kW

13 130

105 040

9 840

3 620

2 180

Turbinemotoren met een opstijgstuwkracht tot 25 KN of een opstijgvermogen tot 2 000 kW

11 310

90 480

5 340

1 810

1 090

Niet-turbinemotoren

1 890

15 110

1 600

740

500

CS-22.H, CS-VLR App. B motoren

940

7 550

740

370

370

Propeller voor gebruik op luchtvaartuigen met een MTOM van meer dan 5 700 kg

470

3 780

1 320

500

500

Propeller voor gebruik op een luchtvaartuig met een MTOM tot 5 700 kg

150

1 160

1 000

470

470

Propeller van klasse CS-22J

70

590

500

160

160

Onderdelen en niet-geïnstalleerde apparatuur

Waarde van meer dan 20 000 EUR

Waarde tussen2 000 en 20 000 EUR

Waarde van minder dan 2 000 EUR

Hulpaggregaat (APU)

8 760

70 070

3 690

1 230

740


Tabel 4

Geringe wijzigingen en kleine reparaties

(bedoeld in subdeel D en subdeel M van sectie A van bijlage I (deel 21) bij Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie)

 

Vaste vergoeding (3) (EUR)

Aan boord bestuurde luchtvaartuigen met horizontale start en landing (HTOL)

Meer dan 150 000 kg

1 890

Van 55 000 kg tot 150 000 kg

1 890

Van 22 000 kg tot55 000 kg

1 890

Van 5 700 kg tot 22 000 kg (met inbegrip van HPA van 2 730 kg tot 5 700 kg)

1 890

Van 2 730 kg tot 5 700 kg (met inbegrip van HPA van 1 200 kg tot2 730 kg)

610

Van 1 200 kg tot 2 730 kg (met inbegrip van HPA tot 1 200 kg)

500

Tot 1 200 kg

310

Aan boord bestuurde luchtvaartuigen met verticale start en landing (VTOL)

Groot

970

Middelgroot

970

Klein

970

Zeer licht

490

Overige aan boord bestuurde luchtvaartuigen

Luchtballonnen

490

Luchtschepen grote

1 720

Luchtschepen middelgrote

970

Luchtschepen kleine

970

Aandrijving

Turbinemotoren met een opstijgstuwkracht van meer dan 25 KN of een opstijgvermogen van meer dan 2 000 kW

1 270

Turbinemotoren met een opstijgstuwkracht tot 25 KN of een opstijgvermogen tot 2 000 kW

1 270

Niet-turbinemotoren

610

CS-22.H, CS-VLR App. B motoren

370

Propeller voor gebruik op luchtvaartuigen met een MTOM van meer dan 5 700 kg

500

Propeller voor gebruik op een luchtvaartuig met een MTOM tot 5 700 kg

470

Propeller van klasse CS-22J

320

Onderdelen en niet-geïnstalleerde apparatuur

Waarde van meer dan 20 000 EUR

1 860

Waarde tussen 2 000 en 20 000 EUR

1 070

Waarde van minder dan 2 000 EUR

620

Hulpaggregaat (APU)

490


Tabel 5

Certificeringssteun voor validering

Steun voor de validering/aanvaarding van een EASA-certificaat door een autoriteit van een derde land, en technische bijstand in verband met activiteiten voor toezicht op de naleving

Dienstenpakket

Vaste vergoeding (EUR)

Groot

2 500

Middelgroot

1 000

Klein

250


Tabel 6

Maintenance Review Board (MRB)

Steun in verband met de erkenning van het verslag van de Maintenance Review Board en herzieningen daarvan

Vaste vergoeding (EUR)

1 —Eerste MRB-verslag

CS 25 luchtvaartuigen

350 000

CS 27 en CS 29 luchtvaartuigen

150 000

Aanvullende typecertificaten

50 000

2 —Herziening van MRB-verslagen

CS-25 meer dan 150 000 kg

120 000

CS-25 van 55 000 kg tot 150 000 kg

100 000

CS-25 van 22 000 kg tot 55 000 kg

80 000

CS-25 van 5 700 kg tot 22 000 kg

40 000

CS 27 en CS 29 luchtvaartuigen

30 000

Aanvullende typecertificaten

20 000


Tabel 7

Exploitanten uit derde landen

(Zoals vermeld in Verordening (EU) nr. 452/2014 van de Commissie)

 

Vaste vergoeding (EUR)

Bezoek ter plaatse (4)

19 000

Technische vergadering in Keulen

10 000


Tabel 8

Jaarvergoeding voor houders van typecertificaten, beperkte typecertificaten en European Technical Standard Order Authorisations van het EASA en van andere typecertificaten of European Technical Standard Order Authorisations die aanvaardbaar worden geacht volgens Verordening (EU) 2018/1139

(bedoeld in subdeel B en subdeel O van sectie A van bijlage I (deel 21) bij Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie)

 

Vaste vergoeding (EUR)

 

EU-ontwerp

Niet-EU-ontwerp

Aan boord bestuurde luchtvaartuigen met horizontale start en landing (HTOL)

Meer dan 150 000 kg

1 155 160

360 270

Van 55 000 kg tot 150 000 kg

975 480

274 490

Van 22 000 kg tot 55 000 kg

293 940

110 140

Van 5 700 kg tot 22 000 kg (met inbegrip van HPA van 2 730 kg tot 5 700 kg)

48 050

16 320

Van 2 730 kg tot 5 700 kg (met inbegrip van HPA van 1 200 kg tot 2 730 kg)

5 320

1 770

Van 1 200 kg tot 2 730 kg (met inbegrip van HPA tot 1 200 kg)

2 460

830

Tot 1 200 kg

230

70

Aan boord bestuurde luchtvaartuigen met verticale start en landing (VTOL)

Groot

102 930

37 740

Middelgroot

57 190

21 280

Klein

23 880

8 670

Zeer licht

3 700

1 230

Overige aan boord bestuurde luchtvaartuigen

Luchtballonnen

840

360

Luchtschepen grote

4 000

1 330

Luchtschepen middelgrote

2 460

820

Luchtschepen kleine

1 970

660

Aandrijving

Turbinemotoren met een opstijgstuwkracht van meer dan 25 KN of een opstijgvermogen van meer dan 2 000 kW

120 090

32 140

Turbinemotoren met een opstijgstuwkracht tot 25 KN of een opstijgvermogen tot 2  000 kW

58 180

27 450

Niet-turbinemotoren

1 120

140

CS-22.H, CS-VLR App. B motoren

610

310

Propeller voor gebruik op luchtvaartuigen met een MTOM van meer dan 5 700 kg

420

220

Propeller voor gebruik op een luchtvaartuig met een MTOM tot 5 700 kg

240

50

Propeller van klasse CS-22J

230

70

Onderdelen en niet-geïnstalleerde apparatuur

Waarde van meer dan 20 000 EUR

2 440

680

Waarde tussen 2 000 en 20 000 EUR

1 290

460

Waarde van minder dan 2 000 EUR

520

420

Hulpaggregaat (APU)

87 880

10 510

In afwijking van bovenstaande tabel geldt het volgende:

A.

Voor vrachtversies van een luchtvaartuig met een eigen typecertificaat wordt een coëfficiënt van 0,85 toegepast op de vergoeding voor de equivalente passagiersversie.

B.

Voor houders van meerdere typecertificaten en/of beperkte typecertificaten van het EASA, European Technical Standard Order Authorisations van het EASA en/of andere typecertificaten of Technical Standard Order Authorisations wordt een korting van 25 % op de jaarlijkse vergoeding toegepast voor het vierde certificaat en de daaropvolgende certificaten die onder dezelfde vaste vergoeding vallen, in dezelfde categorie van vergoedingen in de bovenstaande tabel.

C.

Het in deel II van de bijlage vastgestelde uurtarief, tot het niveau van de volledige vergoeding voor de betrokken categorie vergoedingen, wordt opgelegd in de volgende gevallen:

1.

Voor luchtvaartuigen

a.

die meer dan 20 jaar buiten productie zijn, of

b.

waarvan wereldwijd minder dan 50 eenheden zijn geproduceerd, of

c.

waarvan wereldwijd 50 of meer eenheden zijn geproduceerd, voor zover de certificaathouder aantoont dat er wereldwijd minder dan 50 eenheden in gebruik zijn;

2.

Voor motoren en propellers

a.

die meer dan 20 jaar buiten productie zijn, of

b.

waarvan wereldwijd minder dan 100 eenheden zijn geproduceerd, of

c.

waarvan wereldwijd 100 of meer eenheden zijn geproduceerd, voor zover de certificaathouder aantoont dat de motor of propeller is geïnstalleerd in minder dan 50 in gebruik zijnde luchtvaartuigen;

3.

Voor onderdelen en niet-geïnstalleerde apparatuur

a.

die meer dan 15 jaar buiten productie zijn, of

b.

waarvan wereldwijd minder dan 400 eenheden zijn geproduceerd, of

c.

waarvan wereldwijd 400 of meer eenheden zijn geproduceerd, voor zover de certificaathouder aantoont dat het onderdeel of de niet-geïnstalleerde apparatuur is geïnstalleerd in minder dan 50 in gebruik zijnde luchtvaartuigen.

De in punt C vastgestelde criteria worden beoordeeld vanaf de 1ste januari van het jaar waarin de respectieve factureringscyclus begint.

Gelet op de bovenstaande tabel en de afwijkingen is de periode waarin een factuur voor een vergoeding met betrekking tot permanente luchtwaardigheid retroactief kan worden aangepast, beperkt tot één jaar na de uitgifte van die factuur.

Tabel 9A

Erkenning als ontwerporganisatie

(zoals vermeld in subdeel J van sectie A van bijlage I (deel 21) bij Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie)

Erkenningsvergoeding (EUR)

 

1A

1B

2A

1C

2B

3A

2C

3B

3C

Ingezette medewerkers minder dan 10

14 400

11 330

8 470

5 720

4 430

10 tot en met 49

40 510

28 930

17 360

11 580

50 tot en met 399

179 410

134 600

89 620

68 660

400 tot en met 999

358 820

269 030

224 220

188 770

1 000 tot en met 2 499

717 640

2 500 tot en met 4 999

1 076 300

5 000 tot en met 7 000

1 152 600

 

 

 

 

Meer dan 7 000

5 979 800

Surveillancevergoeding (EUR)

 

1A

1B

2A

1C

2B

3A

2C

3B

3C

Ingezette medewerkers minder dan 10

7 200

5 670

4 240

2 860

2 210

10 tot en met 49

20 260

14 470

8 680

5 780

50 tot en met 399

78 060

58 590

38 930

31 250

400 tot en met 999

156 260

117 230

97 650

85 920

1 000 tot en met 2 499

312 520

2 500 tot en met 4 999

468 780

5 000 tot en met7 000

995 500

 

 

 

 

Meer dan 7 000

2 604 820


Tabel 9B

Alternatieve procedure voor erkenning als ontwerporganisatie

(zoals vermeld in subdeel J van sectie A van bijlage I (deel 21) bij Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie)

Categorie

Omschrijving

Vergoeding (EUR)

1A

Typecertificering

7 940

1B

Typecertificering —

alleen permanente luchtwaardigheid

3 180

2A

Aanvullende typecertificaten en/of grote reparaties

6 350

2B

Aanvullende typecertificaten en/of grote reparaties — alleen permanente luchtwaardigheid

2 650

3A

ETSOA

6 350

3B

ETSOA — alleen permanente luchtwaardigheid

3 180


Tabel 10

Erkenning als productieorganisatie

(zoals vermeld in subdeel G van sectie A van bijlage I (deel 21) bij Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie)

Erkenningsvergoeding (EUR)

 

Hoogst geprijsde product van minder dan 5 000 EUR (6)

Hoogst geprijsde product tussen 5 000 en 100 000 EUR (6)

Hoogst geprijsde product van meer dan 100 000 EUR (6)

Ingezette medewerkers minder dan 100

20 650

39 710

55 600

Tussen 100 en 499

31 770

63 540

111 200

Tussen 500 en 999

59 570

119 140

238 280

Tussen 1 000 en 4 999

158 850

317 700

794 250

Tussen 5 000 en 20 000

595 670

1 191 380

2 779 880

Meer dan 20 000

992 810

1 985 630

3 971 250

Surveillancevergoeding (EUR)

 

Hoogst geprijsde product van minder dan 5 000 EUR (6)

Hoogst geprijsde product tussen 5 000 en 100 000 EUR  (6)

Hoogst geprijsde product van meer dan 100 000 EUR  (6)

Ingezette medewerkers minder dan 100

13 770

26 480

37 070

Tussen 100 en 499

21 180

42 360

74 120

Tussen 500 en 999

39 710

79 430

158 580

Tussen 1 000 en 4 999

105 900

211 800

529 500

Tussen 5 000 en 20 000

397 130

794 290

1 853 250

Meer dan 20 000

625 000

1 323 750

2 647 500


Tabel 11

Erkenning als onderhoudsorganisatie

(bedoeld in subdeel F van bijlage I (deel M) en in bijlage II (deel 145) bij Verordening (EU) nr. 1321/2014 van de Commissie) (7)

 

Erkenningsvergoeding (8)(EUR)

Surveillancevergoeding (8) (EUR)

Ingezette medewerkers minder dan 5

3 700

2 830

Tussen 5 en 9

6 150

4 920

Tussen 10 en 49

24 620

15 250

Tussen 50 en 99

39 400

30 500

Tussen 100 en 499

52 660

40 770

Tussen 500 en 999

72 720

56 300

Meer dan 999

102 100

79 000

Technische classificaties

Vaste vergoeding op basis van technische classificatie (9) EUR

Vaste vergoeding op basis van technische classificatie (9)

A 1

20 980

16 240

A 2

4 780

3 700

A 3

9 540

7 380

A 4

950

740

B 1

9 540

7 380

B 2

4 780

3 700

B 3

950

740

C/D

950

740


Tabel 12

Erkenning van een organisatie voor onderhoudstraining

(vermeld in bijlage IV (deel 147) bij Verordening (EU) nr. 1321/2014)

 

Erkenningsvergoeding (EUR)

Surveillancevergoeding (EUR)

Ingezette medewerkers minder dan 5

3 700

2 830

Tussen 5 en 9

10 460

8 120

Tussen 10 en 49

22 510

20 820

Tussen 50 en 99

43 750

34 660

Meer dan 99

57 610

52 950

 

 

 

Vergoeding voor:

“off-site”- procedure voor de erkenning van een organisatie voor onderhoudstraining (10)

tweede en volgende aanvullende faciliteit (11)  (12)

3 530

3 530

2 650

2 650

Vergoeding voor de tweede en volgende aanvullende opleidingscursus (11)  (12)

3 530


Tabel 13

Erkenning van een organisatie voor het beheer van de permanente luchtwaardigheid van een derde land

(zoals vermeld in subdeel G van bijlage I (deel M) bij Verordening (EU) nr. 1321/2014 van de Commissie)

 

Vaste vergoeding (13) (EUR)

Erkenningsvergoeding

52 950

Surveillancevergoeding

52 950

 

Technische classificaties

Vaste vergoeding op basis van technische classificatie (14) (EUR) — Initiële erkenning

Vaste vergoeding op basis van technische classificatie (14) (EUR) — Surveillance

A1 = vleugelvliegtuigen van meer dan 5 700 kg

13 240

13 240

A2 = vleugelvliegtuigen van 5 700 kg en minder

6 620

6 620

A3 = helikopters

6 620

6 620

A4: alle andere

6 620

6 620


Tabel 14

Vluchtnabootsingsinstrumenten (FSTD’s) en organisaties

(zoals vermeld in Subdeel FSTD van deel ARA en subdeel FSTD van deel ORA van Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie, zoals gewijzigd) (15)

Vergoeding voor de erkenning als organisatie (EUR)

 

 

Vaste vergoeding per locatie

12 350

Vergoeding voor de erkenning kwalificaties van instrumenten (EUR)

 

uitrustingsconfiguratie één motor en één apparaat

uitrustingsconfiguratie twee motoren en/of twee apparaten

uitrustingsconfiguratie 3+ motoren en/of 3+ apparaten

Volledige vluchtnabootser (FFS)

32 110

39 520

45 940

Vliegopleidingsinstrument (FTD)

13 590

16 070

22 480

 

Eénmotorig zuigermotor of gelijkwaardig

Meermotorig zuigermotor of gelijkwaardig

Eén-/meermotorig turboprop of turbofan of gelijkwaardig

Vlucht- en navigatieproceduretrainer (FNPT)

9 880

13 590

18 530

 

Vergoeding voor surveillance van organisatie (EUR)

 

 

Vaste vergoeding per locatie (complex)

5 560

Vaste vergoeding per locatie (niet complex)

2 780

Vergoeding voor surveillance van instrumenten (EUR)

Volledige vluchtnabootser (FFS)

9 130

Volledige vluchtnabootser (FFS) — alleen vleugelvliegtuigen — onder voorbehoud van een bilaterale overeenkomst (16)

2 800

Vliegopleidingshulpmiddel (FTD)

5 210

 

Eénmotorig zuigermotor of gelijkwaardig

Meermotorig zuigermotor of gelijkwaardig

Eén-/meermotorig turboprop of turbofan of gelijkwaardig

Vlucht- en navigatieproceduretrainer (FNPT)

3 710

4 940

7 410

 

 

 

 

Uitgebreid evaluatieprogramma (EEP) — Organisatie surveillancevergoeding (EUR)

 

 

Vaste vergoeding per locatie (complex)

11 120

Vaste vergoeding per locatie (niet complex)

5 560

 

 

 

 

Vergoeding voor surveillance van instrument (EUR)

 

EEP 3 jaar

Volledige vluchtnabootser (FFS)

4 090

Vliegopleidingshulpmiddel (FTD)

2 440

 

Eénmotorig zuigermotor of gelijkwaardig

Meermotorig zuigermotor of gelijkwaardig

Eén-/meermotorig turboprop of turbofan of gelijkwaardig

Vlucht- en navigatieproceduretrainer (FNPT)

1 900

2 310

3 300

 

 

 

 

 

EEP 2 jaar

Volledige vluchtnabootser (FFS)

5 310

Vliegopleidingshulpmiddel (FTD)

3 170

 

Eénmotorig zuigermotor of gelijkwaardig

Meermotorig zuigermotor of gelijkwaardig

Eén-/meermotorig turboprop of turbofan of gelijkwaardig

Vlucht- en navigatieproceduretrainer (FNPT)

2 350

2 970

4 330


Tabel 15

Aanvaarding van erkenningen die equivalent zijn aan “deel -145”- en “deel -147”-erkenningen in overeenstemming met toepasselijke bilaterale overeenkomsten

 

Vaste vergoeding (EUR)

Nieuwe erkenningen, per aanvraag

900

Verlengingen van bestaande erkenningen, per periode van twaalf maanden

900

DEEL II

Certificeringstaken of -diensten die op uurbasis in rekening worden gebracht

Uurtarief

Toepasselijk uurtarief (EUR/u)

247

Uurbasis volgens de betrokken werkzaamheden (17):

Productie zonder erkenning

Werkelijk aantal uren

Overdracht van certificaten

Werkelijk aantal uren

Certificaat van erkende opleidingsorganisatie

Werkelijk aantal uren

Certificaat van luchtvaartgeneeskundig centrum

Werkelijk aantal uren

Certificaat van ATM/ANS-organisatie

Werkelijk aantal uren

Certificaat van opleidingsorganisatie voor luchtverkeersleiders

Werkelijk aantal uren

Aanvaarding van verslagen van de Operational Evaluation Board

Werkelijk aantal uren

Certificeringssteun voor validering: individuele dienst

Werkelijk aantal uren

Vluchtnabootsingsinstrumenten: andere speciale activiteiten

Werkelijk aantal uren

Wijzigingen van alternatieve procedures voor erkenning als ontwerporganisatie

Werkelijk aantal uren

Exportcertificaat van luchtwaardigheid (E-CoA) voor CS-25-luchtvaartuigen

6 uur

Exportcertificaat van luchtwaardigheid (E-CoA) voor andere luchtvaartuigen

2 uur

Alternatieve methoden om luchtwaardigheidsvoorschriften na te leven (AMOC)

4 uur

Erkenning van vluchtcondities voor vliegvergunning

3 uur

Basis-STC één serienummer

2 uur

Administratieve heruitreiking van documenten zonder technische tussenkomst

1 uur

Controle van de bekwaamheden

1 uur

DEEL II bis:

Heffingen voor het verlenen van opleidingsdiensten

A.

Opleidingsdiensten waarvoor heffingen worden opgelegd

1.

Met inachtneming van punt B worden heffingen voor opleidingsdiensten door personeel van het Agentschap in het kader van de uitoefening van hun functie als volgt geheven:

a)

voor klassikale opleiding, intern of op verplaatsing, en online-opleiding, overeenkomstig de bedragen in het aanhangsel;

b)

voor andere soorten opleidingsdiensten of gerelateerde aanvragen, overeenkomstig het in het aanhangsel vermelde uurtarief.

2.

Klassikale opleidingen door verstrekkers van opleidingsdiensten, op contractuele basis, intern of op verplaatsing, worden in rekening gebracht op basis van de totale kosten van elke cursus, gedeeld door de gemiddelde omvang van de klas.

3.

Voor opleidingsdiensten buiten EASA-gebouwen, waarbij de organisatie die de opleiding aanvraagt geen passende opleidingsfaciliteiten ter beschikking stelt, worden de bijbehorende directe kosten in rekening gebracht.

B.    Vrijstelling van de in het aanhangsel bedoelde heffingen

Het Agentschap kan vrijstelling verlenen van de in het aanhangsel vastgestelde heffingen voor opleidingsdiensten die worden verstrekt aan:

a)

nationale luchtvaartautoriteiten, internationale organisaties of andere belangrijke stakeholders, indien wordt gewaarborgd dat zij opleidingsdiensten van vergelijkbaar nut verstrekken aan het Agentschap;

b)

openbare of privéuniversiteiten of soortgelijke organisaties, als aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:

de opleidingsdiensten maken deel uit van een studieprogramma dat leidt tot een universitaire of postuniversitaire kwalificatie in een luchtvaartgerelateerd vakgebied;

het studieprogramma heeft een minimumduur van 1 academiejaar;

het belangrijkste doel of gevolg van het programma is niet te voorzien in initiële of permanente opleiding voor beroepsmensen in de luchtvaart of aanverwante sectoren;

c)

personen die de activiteiten van het Agentschap ondersteunen of eraan deelnemen, en die de opleiding nodig hebben om kennis te vergaren van de processen van het Agentschap en de gespecialiseerde instrumenten in verband met deze activiteiten.

C.    Vergoeding van reiskosten

1.

Onverminderd de vrijstellingen die verleend zijn overeenkomstig punt B, en met inachtneming van lid 3, vergoedt de ontvanger van ter plaatste verstrekte opleidingen of opleidingsgerelateerde diensten de reiskosten van het personeel van het Agentschap dat de opleiding verstrekt, volgens de formule d = v + a + h.

2.

waarbij:

 

d = verschuldigde reiskosten;

 

v = vervoerskosten;

 

a = officiële dagvergoedingen van de Commissie, welke accommodatie, maaltijden, lokaal vervoer op de plaats van bestemming en diverse kosten omvatten (18);

 

h = reistijd (standaardaantal reisuren per bestemming, vastgesteld door het Agentschap), tegen het in deel II van de bijlage vastgestelde uurtarief (19); indien de missie betrekking heeft op meerdere projecten, wordt het bedrag dienovereenkomstig opgesplitst.

3.

Autoriteiten, organisaties of belanghebbenden als bedoeld in punt B, onder a), kunnen worden vrijgesteld van de in lid 1 bedoelde vergoeding van reiskosten als zij de opleidingen of opleidingsgerelateerde diensten verstrekken in de gebouwen van het Agentschap, waarbij de reizen vergelijkbaar zijn met die van het personeel van het Agentschap dat opleidingen of opleidingsgerelateerde diensten verstrekt in de gebouwen van die entiteiten.

Aanhangsel bij deel II bis

Klassikale opleiding

Duur van de opleiding in dagen

0,5

1

1,5

2

2,5

3

4

5

Heffing individuele opleiding (EUR/dag)

440

710

925

1 088

1 263

1 425

1 725

2 000

Heffing sessie (EUR/dag)

3 500

5 700

7 400

8 700

10 100

11 400

13 800

16 000


Online-opleiding

Duur van de opleiding in uren

1

2

3

4

5

6

7

8

Heffing individuele opleiding (EUR/uur)

50

100

150

200

250

300

350

400

Andere opleidingsdiensten: Uurtarief overeenkomstig deel II van deze bijlage:

DEEL III

Heffingen voor het instellen van beroep

De rechten voor het instellen van beroep worden als volgt berekend: het vastte recht wordt vermenigvuldigd met de coëfficiënt die wordt vermeld voor de overeenkomstige rechtencategorie voor de persoon of organisatie in kwestie.

Vast recht

10 000 (EUR)

 

 

Categorie heffingen voor natuurlijke personen

Coëfficiënt

 

0,10

 

 

Categorie heffingen voor rechtspersonen, overeenkomstig de omzet (in EUR) van de organisatie die het beroep instelt

Coëfficiënt

Minder dan 100 001

0,25

Tussen 100 001 en 1 200 000

0,50

Tussen 1 200 001 en 2 500 000

0,75

Tussen 2 500 001 en 5 000 000

1,00

Tussen 5 000 001 en 50 000 000

2,50

Tussen 50 000 001 en 500 000 000

5,00

Tussen 500 000 001 en 1 000 000 000

7,50

Meer dan 1 000 000 000

10,00

DEEL IV

Jaarlijks inflatiepercentage

Te gebruiken jaarlijks inflatiepercentage:

Eurostat GICP (alle bestanddelen) — Europese Unie alle landen (2015 = 100) Procentuele wijziging/gemiddelde van twaalf maanden

Waarde van het in aanmerking te nemen percentage:

Waarde van het percentage drie maanden vóór de toepassing van de indexering

DEEL V

Toelichting

(1)

In deze bijlage opgenomen certificeringsspecificaties (CS) zijn vastgesteld ingevolge artikel 76, lid 3, van Verordening (EU) 2018/1139 en bekendgemaakt op de website van het Agentschap (https://www.easa.europa.eu/document-library/certification-specifications).

(2)

“VTOL” verwijst naar draagschroefluchtvaartuigen of andere zwaarder-dan-lucht-luchtvaartuigen die in staat zijn verticaal op te stijgen en/of te landen; “HTOL” verwijst naar alle zwaarder-dan-lucht-luchtvaartuigen die geen VTOL zijn.

(3)

“VTOL grote luchtvaartuigen” verwijst naar CS-29 en CS-27 CAT A luchtvaartuigen; “VTOL kleine luchtvaartuigen” verwijst naar CS-27-luchtvaartuigen met een maximale opstijgmassa (MTOM) van minder dan 3 175 kg en beperkt tot 4 stoelen, piloot inbegrepen; “VTOL middelgrote luchtvaartuigen” verwijst naar andere CS-27-luchtvaartuigen.

(4)

“High performance”-luchtvaartuigen (HPA) in de gewichtsklasse tot 5 700 kg zijn vliegtuigen met een Mmo van meer dan 0,6 en/of een maximale vlieghoogte van meer dan 25 000 voet. De heffing die aan deze luchtvaartuigen wordt opgelegd, komt overeen met die van de categorie net hoger dan hun MTOM, maar niet hoger dan de categorie “van 5 700 kg tot 22 000 kg”.

(5)

“Kleine luchtschepen” verwijst naar:

alle warmelucht-luchtschepen, ongeacht hun grootte,

gasluchtschepen begrensd tot een volume van 2 000 m3;

“Middelgrote luchtschepen” verwijst naar gasluchtschepen met een volume van meer dan 2 000 m3 tot 15 000 m3;

“Grote luchtschepen” verwijst naar gasluchtschepen met een volume van meer dan 15 000 m3.

(6)

In de tabellen 1, 4 en 8 van deel I van de bijlage verwijzen de waarden van de “onderdelen en niet-geïnstalleerde apparatuur” naar de relevante catalogusprijzen van de fabrikant. In tabel 10 van deel I komt de waarde van het duurste product, onderdeel of niet-geïnstalleerde apparaat (zoals vermeld in de prijslijsten van de desbetreffende fabrikant) overeen met de waarde van het duurste product, onderdeel of niet-geïnstalleerde apparaat dat is opgenomen in het goedgekeurde toepassingsgebied van de werkzaamheden van de erkenning als productieorganisatie (lijst van bekwaamheden) van de houder van de erkenning als productieorganisatie van het EASA.

(7)

Voor vergoedingen die worden opgelegd overeenkomstig de tabellen 2, 3, 4 en 8 van deel I van de bijlage wordt de toepasselijke vergoedingscategorie per aanvraag bepaald door de vergoedingscategorie die is toegewezen aan het desbetreffende typeontwerp. Indien meerdere modellen gecertificeerd zijn onder één typeontwerp, geldt de vergoedingscategorie van de meerderheid van deze modellen. In geval van een gelijkmatige verdeling over de vergoedingscategorieën, geldt de hoogste vergoedingscategorie. Voor aanvragen die betrekking hebben op meerdere typeontwerpen, geldt de hoogste vergoedingscategorie.

(8)

Als een aanvraag het concept van de vaststelling van een erkende modellenlijst omvat, geldt de overeenkomstige vergoeding, verhoogd met 20 %. Voor de herziening van een erkende modellenlijst gelden de vergoedingen van de tabellen 2, 3 en 4 van deel I van de bijlage.

(9)

In de tabellen 2 en 3 van deel I van de bijlage verwijzen “Eenvoudig”, “Standaard” en “Complex” naar het volgende:

 

Eenvoudig

Standaard

Significant

Complex Significant

Aanvullend typecertificaat van het EASA (STC)

STC, grote ontwerpwijziging of reparatie waarbij enkel actuele en beproefde rechtvaardigingsmethoden worden gevolgd, waarvoor bij de aanvraag een compleet pakket gegevens (beschrijving, conformiteitschecklist en -documenten) kan worden overgelegd, waarvoor de aanvrager ervaring heeft aangetoond, en die door de projectcertificeringsmanager alleen of met beperkte hulp van één specialist kan worden beoordeeld.

Alle andere STC’s, grote ontwerpwijzigingen of reparaties

“Significant” wordt gedefinieerd in 21.A.101, onder b), van bijlage I (deel 21) bij Verordening (EU) nr. 748/2012 (en in FAA 14CFR 21.101, onder b)).

Een “complexe significante wijziging” is elke significante wijziging (zie 21.A.101 van bijlage I (deel 21) bij Verordening (EU) nr. 748/2012) die om minstens twee redenen als significant wordt ingedeeld (zie 21.A.101 van bijlage I (deel 21) bij Verordening (EU) nr. 748/2012 voor voorbeeld van criteria: de algemene configuratie of de constructieprincipes worden niet behouden, de voor de certificering van het te wijzigen product gebruikte veronderstellingen gelden niet langer) of elke significante wijziging met twee of meer voorbeelden die als significante wijziging worden beschreven (kolom “beschrijving van de wijziging” van de tabellen in aanhangsel 2 bij 21.A.101 van bijlage I (deel 21) bij Verordening (EU) nr. 748/2012).

Indien gerechtvaardigd door buitengewone technische omstandigheden, kan het Agentschap een complexe significante aanvraag herindelen als significant.

Grote ontwerpwijzigingen (EASA)

Grote reparaties (EASA)

n.v.t.

n.v.t.

(10)

In tabel 5 van deel I van de bijlage verwijst “klein” naar aanvragen die worden behandeld zonder technische betrokkenheid, “groot” naar de valideringssteun die van toepassing is op grote luchtvaartuigen, grote draagschroefvliegtuigen en turbinemotoren, en “middelgroot” naar de valideringssteun die van toepassing is op andere productcategorieën en onderdelen en niet-geïnstalleerde apparatuur. Technische bijstand/ondersteuning met betrekking tot activiteiten op het gebied van toezicht op de naleving en valideringsondersteuning wordt aan heffingen onderworpen als individuele dienst indien het Agentschap bevestigt dat de vereiste inspanning aanzienlijk groter is dan de vooraf gedefinieerde dienstenpakketten.

(11)

In tabel 9A van deel I worden ontwerporganisaties als volgt gecategoriseerd:

Werkingssfeer van de overeenkomst betreffende de ontwerporganisatie (DOA)

Groep A

Groep B

Groep C

Overeenkomst betreffende de ontwerporganisatie 1

Houders van typecertificaten

ETSOA-APU

Zeer complex/groot

Complex/klein-middelgroot

Minder complex/zeer klein

DOA 2 STC/wijzigingen/reparaties

ETSOA (exclusief APU)

Geen beperking

Beperkt (technische gebieden)

Beperkt (grootte van het luchtvaartuig)

Zeer complex/groot

Complex/klein-middelgroot

Minder complex/zeer klein

DOA 3 Kleine wijzigingen/reparaties

Geen beperking

Beperkt (technische gebieden)

Beperkt (grootte van het luchtvaartuig)

(12)

In de tabellen 9A, 10, 11 en 12 van deel I van de bijlage wordt rekening gehouden met het aantal personeelsleden in verband met activiteiten die onder de werkingssfeer van de overeenkomst vallen.

(13)

Tabel 14 “Locatie” verwijst naar de plaats(en) waar de activiteiten van de organisatie worden beheerd of uitgevoerd.

Daartoe wordt:

de hoofdvestiging beschouwd als een locatie, ongeacht of er sprake is van een FSTD-activiteit;

elk ander adres waar FSTD’s worden gebruikt, beschouwd als een aanvullende locatie als op deze locatie een nalevingsfunctionaris is aangesteld.

Voor een uitbreiding naar een locatie, d.w.z. wanneer een locatie zich op passende afstand bevindt van een locatie die het management in staat stelt de naleving te waarborgen zonder aanvullende personen aan te wijzen, wordt geen extra surveillancevergoeding in rekening gebracht.

Aangezien elke organisatie uniek is, wordt een analyse op maat uitgevoerd om de complexiteit van de organisatie te beoordelen, rekening houdende met het aantal werknemers, de grootte en het werkgebied, met inbegrip van het aantal FSTD’s, hun niveaus en het aantal gesimuleerde luchtvaartuigtypen.

EEP2: De periode van twaalf maanden wordt verlengd tot maximaal 24 maanden overeenkomstig ORA.FSTD.225.

EEP3: De periode van twaalf maanden wordt verlengd tot maximaal 36 maanden overeenkomstig ORA.FSTD.225.


(1)  Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie van 3 augustus 2012 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften inzake de luchtwaardigheid en milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering van ontwerp- en productieorganisaties (PB L 224 van 21.8.2012, blz. 1).

(2)  De modelvergoeding heeft betrekking op de toevoeging van een model aan het typeontwerp en wordt opgelegd per aanvraag en model. Ze moet verband houden met een aanvraag voor een standaard-, significante of complex significante wijziging. De toepasselijke categorie van vergoedingen per aanvraag en model wordt bepaald door de categorie van vergoedingen die is toegewezen aan het desbetreffende typeontwerp.

(3)  De vergoedingen in deze tabel zijn niet van toepassing op geringe wijzigingen en kleine reparaties die door ontwerporganisaties worden uitgevoerd in overeenstemming met 21.A.263, onder c), punt 2, van subdeel J van Sectie A van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 748/2012.

(4)  Verordening (EU) nr. 452/2014 van de Commissie van 29 april 2014 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures voor vluchtuitvoering door exploitanten uit derde landen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 133 van 6.5.2014, blz. 1).

(5)  Reiskosten niet inbegrepen (worden bovenop de vaste vergoeding in rekening gebracht).

(6)  Waarde (zoals vermeld in de desbetreffende prijslijsten van de fabrikant) van het duurste product, onderdeel of niet-geïnstalleerde apparaat dat is opgenomen in het goedgekeurde toepassingsgebied van de werkzaamheden van de erkenning als productieorganisatie (lijst van bekwaamheden) van de houder van de erkenning als productieorganisatie van het EASA.

(7)  Verordening (EU) nr. 1321/2014 van de Commissie van 26 november 2014 betreffende de permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en luchtvaartproducten, -onderdelen en -uitrustingsstukken, en betreffende de goedkeuring van bij voornoemde taken betrokken organisaties en personen (PB L 362 van 17.12.2014, blz. 1).

(8)  De te betalen vergoeding bestaat uit de vaste vergoeding op basis van het aantal ingezette medewerkers plus de vaste vergoeding(en) op basis van de technische classificatie.

(9)  Voor organisaties die verschillende A- en/of B-classificaties hebben, wordt enkel de hoogste vergoeding aangerekend. Voor organisaties die een of meer C- en/of D-classificaties hebben, wordt voor elke classificatie de vergoeding voor een “C/D-classificatie” in rekening gebracht.

(10)  Zoals vermeld in subdeel B van sectie A van bijlage IV (deel 147) bij Verordening (EU) nr. 1321/2014 van de Commissie.

(11)  Voor de eerste erkenning van een organisatie gelden de vergoedingen per faciliteit en cursus. De eerste faciliteit en de eerste opleidingscursus zijn opgenomen in de personeelsgerelateerde erkenningsvergoeding.

(12)  Voor reeds erkende organisaties die aanvullende faciliteiten of opleidingscursussen aanvragen, wordt de toepasselijke vergoeding in rekening gebracht voor elke faciliteit of opleidingscursus.

(13)  De te betalen vergoeding bestaat uit de vaste vergoeding plus de vaste vergoeding op basis van de technische classificatie.

(14)  Voor organisaties die verschillende A-classificaties hebben, wordt enkel de hoogste vergoeding aangerekend.

(15)  Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie van 3 november 2011 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot de bemanning van burgerluchtvaartuigen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 311 van 25.11.2011, blz. 1).

(16)  Alleen van toepassing op de vluchtnabootser(s) die zich in het derde land van de bilaterale overeenkomst bevinden.

(17)  Dit is een niet-limitatieve lijst van werkzaamheden. De lijst van taken in dit deel wordt periodiek herzien. Uit de niet-opname van een werkzaamheid in dit deel mag niet automatisch worden geconcludeerd dat deze werkzaamheid niet door het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart mag worden uitgevoerd.

(18)  Zie “huidige dagvergoedingen”, zoals bekendgemaakt op de EuropeAid-website van de Commissie (https://ec.europa.eu/europeaid/work/procedures/implementation/per_diems/index_en.htm_en).

(19)  Zie “Standaardaantal uren”, zoals meegedeeld in de “lijst van standaardreistijden” op de website van het Agentschap (https://www.easa.europa.eu/).


Top