This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 32006D0189
2006/189/EC: Commission Decision of 28 February 2006 granting a derogation requested by Austria pursuant to Council Directive 91/676/EEC concerning the protection of waters against pollution caused by nitrates from agricultural sources (notified under document number C(2006) 590)
2006/189/EG: Beschikking van de Commissie van 28 februari 2006 tot verlening van een door Oostenrijk gevraagde derogatie op grond van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 590)
2006/189/EG: Beschikking van de Commissie van 28 februari 2006 tot verlening van een door Oostenrijk gevraagde derogatie op grond van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 590)
PB L 66 van 8.3.2006, pp. 44–46
(ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)
PB L 118M van 8.5.2007, pp. 357–359
(MT)
No longer in force, Date of end of validity: 31/12/2007
|
8.3.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 66/44 |
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE
van 28 februari 2006
tot verlening van een door Oostenrijk gevraagde derogatie op grond van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 590)
(Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek)
(2006/189/EG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (1), en met name op de derde alinea van lid 2 van bijlage III,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Wanneer een lidstaat voornemens is per hectare jaarlijks een andere hoeveelheid dierlijke mest op of in de bodem te brengen dan is bepaald in de eerste zin en onder a) van de tweede alinea van lid 2 van bijlage III bij Richtlijn 91/676/EEG, moet deze hoeveelheid zodanig worden vastgesteld dat geen afbreuk wordt gedaan aan het bereiken van de in artikel 1 van die richtlijn genoemde doelstellingen, en moet deze hoeveelheid worden gemotiveerd aan de hand van objectieve criteria, zoals, in het onderhavige geval, lange groeiperioden en gewassen met een hoge stikstofopname. |
|
(2) |
Oostenrijk heeft bij de Commissie een verzoek om derogatie ingediend uit hoofde van de derde alinea van lid 2 van bijlage III bij Richtlijn 91/676/EEG. |
|
(3) |
De gevraagde derogatie betreft het voornemen van Oostenrijk, toestemming te geven om tot 230 kg stikstof uit dierlijke mest per hectare per jaar op of in de bodem te brengen op specifieke rundveehouderijen met voor het op- en inbrengen van mest beschikbare landbouwgrond die wordt beteeld met gras, gras als tussengewas of bieten of andere met ondergezaaid gras verbouwde gewassen met een laag nitraatuitspoelingspotentieel. Bij benadering 2 000 bedrijven en 60 000 grootvee-eenheden, hetgeen staat voor respectievelijk 3 % van de bedrijven en 4 % van de grootvee-eenheden, vallen potentieel onder de derogatie. |
|
(4) |
De Oostenrijkse wetgeving ter uitvoering van Richtlijn 91/676/EEG is vastgesteld en is eveneens op de gevraagde derogatie van toepassing. |
|
(5) |
Uit het derde verslag betreffende de uitvoering van de Nitraatrichtlijn 2000-2003 in Oostenrijk blijkt dat de gemiddelde nitraatconcentraties in het oppervlaktewater in de winter minder dan 25 mg/l bedroegen op alle monitoringpunten. De gemiddelde concentratie van alle plaatsen bedroeg 5,8 mg/l NO3. De gemiddelde concentratie in het grondwater bedroeg 19,6 mg/l. Op 74 % van de plaatsen bedroeg de gemiddelde concentratie minder dan 25 mg/l. Geen van de Oostenrijkse meren is eutroof. Uit trendanalyse blijkt dat de waterkwaliteit stabiel is op de meeste bemonsteringspunten. |
|
(6) |
De omvang van de veestapel en het gebruik van minerale mest daalde substantieel in de periode 1990-2003, met een vermindering van 21 % van het runderbestand, 12 % van het varkensbestand en 6 % van het pluimveebestand. In de periode 2000-2002 bedroeg de gemiddelde stikstofgift uit dierlijke mest en chemische meststoffen per jaar respectievelijk 47,8 kg per hectare en 35,4 kg per hectare; dit zijn de laagste cijfers in de EU, met een trend naar vermindering van respectievelijk 7 % en 5 % ten opzichte van de periode 1996-1999. |
|
(7) |
Oostenrijk past, in overeenstemming met lid 5 van artikel 3 van Richtlijn 91/676/EEG, een actieprogramma toe op heel zijn grondgebied. |
|
(8) |
Uit de bewijsstukken in de Oostenrijkse notificatie blijkt dat de voorgestelde hoeveelheid van 230 kg stikstof per hectare per jaar uit dierlijke mest gerechtvaardigd is op basis van objectieve criteria zoals lange groeiseizoenen en gewassen met een hoge stikstofopname. |
|
(9) |
De Commissie is na onderzoek van het Oostenrijkse verzoek van oordeel dat de voorgestelde hoeveelheid van 230 kg per hectare per jaar stikstof uit dierlijke mest geen afbreuk doet aan het bereiken van de doelstellingen van Richtlijn 91/676/EEG, mits aan bepaalde strikte voorwaarden wordt voldaan. |
|
(10) |
Deze beschikking moet van toepassing zijn in samenhang met dit actieprogramma dat tegen eind 2007 afloopt. |
|
(11) |
De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het ingevolge artikel 9 van Richtlijn 91/676/EEG ingestelde Nitraatcomité, |
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
De door Oostenrijk bij brief van 3 november 2005 gevraagde derogatie waarmee wordt beoogd een grotere hoeveelheid dierlijke mest toe te staan dan bepaald in de eerste zin en onder a) van de tweede alinea van lid 2 van bijlage III bij Richtlijn 91/676/EEG wordt verleend onder de in deze beschikking neergelegde voorwaarden.
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze beschikking wordt verstaan onder:
|
a) |
„rundveehouderijen”: bedrijven met meer dan drie grootvee-eenheden, en waar ten minste twee derde van de veestapel uit runderen bestaat; |
|
b) |
„gras”: blijvend of tijdelijk grasland („tijdelijk” betekent dat de betrokken grond doorgaans gedurende minder dan vier jaar grasland is); |
|
c) |
„met ondergezaaid gras verbouwde gewassen”: kuilgranen, kuilmaïs met vóór (maïs) of na de oogst ondergezaaid gras dat fungeert als tussengewas voor de biologische retentie van stikstofresiduen in de winter; |
|
d) |
„bieten”: voederbieten. |
Artikel 3
Toepassingsgebied
Deze beschikking geldt, op individuele basis en op de in de artikelen 4, 5 en 6 vastgestelde voorwaarden, voor rundveehouderijen waarvan de vruchtwisseling meer dan 70 % gewassen omvat die bijzonder veel stikstof verbruiken en een lang groeiseizoen hebben.
Artikel 4
Jaarlijkse toestemming en verbintenis
1. Landbouwers die voor een derogatie in aanmerking wensen te komen, melden zich jaarlijks aan bij de bevoegde instanties.
2. De in lid 1 bedoelde jaarlijkse aanmelding gaat vergezeld van een schriftelijke verklaring waarin de aanvragers zich ertoe verbinden, aan de in de artikelen 5 en 6 vastgestelde voorwaarden te voldoen.
Artikel 5
Op- of inbrengen van dierlijke en andere meststoffen
1. De hoeveelheid dierlijke mest die in rundveehouderijen elk jaar — ook door de dieren zelf — op of in de bodem wordt gebracht, mag niet meer dan 230 kg stikstof per hectare bevatten, met inachtneming van de in de overwegingen 2 tot en met 8 genoemde voorwaarden.
2. De totale stikstofgift dient te zijn afgestemd op de nutriëntenbehoefte van het betrokken gewas en de levering van nutriënten vanuit de bodem. De totale stikstofgift uit meststoffen mag niet meer bedragen dan 280 kg per hectare per jaar.
3. Voor elk bedrijf wordt een bemestingsplan bijgehouden, waarin het bouwplan voor de landbouwgrond en de planning voor het op- of inbrengen van dierlijke mest en stikstof en fosfaat bevattende meststoffen worden beschreven. Dit plan dient elk kalenderjaar uiterlijk tegen 1 maart in het bedrijf beschikbaar te zijn.
Het bemestingsplan bevat de volgende gegevens:
|
a) |
de omvang van de veestapel, een beschrijving van het huisvestings- en mestopslagsysteem, met inbegrip van de inhoud van de beschikbare opslagfaciliteiten voor dierlijke mest; |
|
b) |
een berekening van de stikstof- en fosfaatproductie van het bedrijf uit dierlijke mest (met aftrek van de verliezen in de stallen en de mestopslagfaciliteiten); |
|
c) |
het vruchtwisselingsschema en het areaal voor elk gewas, samen met een schets van de ligging van de afzonderlijke percelen; |
|
d) |
de te verwachten stikstof- en fosforbehoefte van de gewassen; |
|
e) |
de hoeveelheid en soort dierlijke mest die buiten de landbouwgrond wordt geleverd; |
|
f) |
de op- of ingebrachte hoeveelheden stikstof en fosfor uit dierlijke mest voor elk perceel (kavel van het bedrijf dat qua gewas en bodemtype homogeen is); |
|
g) |
de op- of ingebrachte hoeveelheden stikstof en fosfor uit chemische en andere meststoffen voor elk perceel; |
Bij een wijziging van de landbouwpraktijken wordt het bemestingsplan uiterlijk zeven dagen daarna aangepast, om te garanderen dat het plan met de feitelijke landbouwpraktijken overeenstemt.
4. Elk bedrijf stelt een mestboekhouding op. Deze wordt voor elk kalenderjaar ingediend bij de bevoegde instantie.
5. Elk bedrijf met een individuele derogatie aanvaardt dat de in lid 1 van artikel 4 bedoelde aanmelding, het bemestingsplan en de mestboekhouding onderworpen kunnen worden aan controle.
6. Voor elk bedrijf waaraan een individuele derogatie is toegestaan, worden ten minste eenmaal in de vier jaar periodieke stikstof- en fosforanalysen van de bodem uitgevoerd voor elk deel van het bedrijf dat wat bouwplan- en bodemkenmerken betreft homogeen is. Er wordt minstens één analyse per 5 hectare grond vereist.
7. Dierlijke mest mag niet worden op- of ingebracht in het najaar vóór een grasteelt.
8. Mest mag niet worden op- of ingebracht op grond binnen een straal van 30 m van een meer.
Artikel 6
Bodembedekking
70 % of meer van de voor het op- en inbrengen van mest beschikbare landbouwgrond in de betrokken rundveehouderij wordt beteeld met gras, gras als tussengewas of bieten en andere met ondergezaaid gras verbouwde gewassen met een laag nitraatuitspoelingspotentieel. Landbouwers aan wie een individuele derogatie is toegestaan, treffen de volgende maatregelen:
|
a) |
gras als tussengewas wordt niet vóór 1 maart omgeploegd, zodat er een permanent plantendek op het akkerland aanwezig is waardoor nitraat dat in het najaar in de ondergrond is terechtgekomen wordt gerecupereerd en nitraatverlies in de winter wordt beperkt; |
|
b) |
tijdelijk grasland wordt in de lente geploegd; |
|
c) |
peulvruchten of andere gewassen die atmosferische stikstof binden, mogen niet in de vruchtwisseling worden opgenomen. Dit geldt evenwel niet voor klaver in grasland met minder dan 50 % klaver en voor met ondergezaaid gras verbouwde gerst en erwten. |
Artikel 7
Monitoring
1. De bevoegde instantie maakt kaarten van de percentages onder een individuele derogatie vallende bedrijven, dieren en landbouwgrond in elke gemeente en werkt deze jaarlijks bij.
Deze kaarten worden jaarlijks bij de Commissie ingediend.
2. Er wordt een monitoringnetwerk voor de bemonstering van het oppervlaktewater en de ondiepe grondwaterlagen tot stand gebracht en in stand gehouden om de impact van de derogatie op de waterkwaliteit te beoordelen. Het bestaande monitoringnetwerk wordt versterkt in de gebieden waar de bedrijven met individuele derogaties 3 % of meer uitmaken van het totale aantal bedrijven.
3. De onderzoeken en de nutriëntenanalysen leveren gegevens op omtrent bodemgebruik, bouwplannen en landbouwpraktijken op de bedrijven met een individuele derogatie. Deze gegevens kunnen worden gebruikt voor modelmatige berekeningen van de omvang van de nitraatuitspoeling en de fosforverliezen op percelen waarop per hectare jaarlijks tot 230 kg stikstof uit dierlijk mest wordt op- of ingebracht.
4. Er worden monitoringplaatsen tot stand gebracht om gegevens te verkrijgen over de stikstof in het water dat de wortelzone verlaat en in het grondwatersysteem terechtkomt en over de stikstofverliezen door afvoer uit het oppervlak of de ondergrond, dit zowel onder derogatie als niet-derogatieomstandigheden.
Artikel 8
Verslaguitbrenging
1. De bevoegde instantie dient elk jaar bij de Commissie de resultaten van de monitoring in samen met een beknopt verslag over de evolutie van de waterkwaliteit en de evaluatiepraktijk. Het verslag bevat informatie over de wijze waarop de evaluatie van de uitvoering van de derogatievoorwaarden via controles op bedrijfsniveau wordt uitgevoerd en, op basis van resultaten van administratieve en veldinspecties, informatie over bedrijven die zich niet aan de voorschriften hebben gehouden.
2. De Commissie zal bij een eventueel nieuw verzoek om een derogatie met de aldus verkregen resultaten rekening houden.
Artikel 9
Toepassing
Deze beschikking is van toepassing in de context van het derde Oostenrijkse actieprogramma 2004-2007. Zij verstrijkt op 31 december 2007.
Artikel 10
Deze beschikking is gericht tot de Republiek Oostenrijk.
Gedaan te Brussel, 28 februari 2006.
Voor de Commissie
Stavros DIMAS
Lid van de Commissie
(1) PB L 375 van 31.12.1991, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).