Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31994R1771

Verordening (EG) nr. 1771/94 van de Commissie van 19 juli 1994 houdende bepalingen inzake het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen en produkten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten

PB L 184 van 20.7.1994, pp. 3–4 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)

⏵Dit document is verschenen in een speciale editie. (FI, SV, CS, ET, LV, LT, HU, MT, PL, SK, SL, BG, RO, HR)

Legal status of the document In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1994/1771/oj

31994R1771

Verordening (EG) nr. 1771/94 van de Commissie van 19 juli 1994 houdende bepalingen inzake het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen en produkten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten

Publicatieblad Nr. L 184 van 20/07/1994 blz. 0003 - 0004
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 14 Deel 1 blz. 0209
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 14 Deel 1 blz. 0209


VERORDENING (EG) Nr. 1771/94 VAN DE COMMISSIE van 19 juli 1994 houdende bepalingen inzake het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen en produkten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad van 4 november 1991 houdende een verbod op het gebruik van de wildklem in de Gemeenschap en op het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen en produkten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten uit landen waar gebruik wordt gemaakt van de wildklem of andere vangmethoden die niet stroken met de internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen (1), inzonderheid op artikel 5,

Overwegende dat voor kort duidelijk is geworden dat de ontwikkeling van normen inzake humane vangmethoden in het kader van de Internationale Organisatie voor normalisatie vermoedelijk niet vóór midden 1995 zal zijn voltooid;

Overwegende dat als gevolg hiervan derde landen momenteel geen gebruik kunnen maken van de in artikel 3, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3254/91 genoemde keuzemogelijkheid om hetzij afdoende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen in te voeren om het gebruik van de wildklem te verbieden, hetzij ervoor te zorgen dat de ten aanzien van de soorten van bijlage I van die verordening gebruikte vangmethoden voldoen aan de internationaal overeengekomen normen voor humane vangst; dat dit onvoorziene negatieve gevolgen heeft voor de mogelijkheid van de betrokken derde landen om te voldoen aan de in Verordening (EEG) nr. 3254/91 gestelde voorwaarden en dat de termijn tot 1 januari 1995 voor de meeste van deze landen te kort is om hun beleid op deze situatie af te stemmen;

Overwegende dat een groot aantal van de voornaamste pels uitvoerende landen hebben aangetoond, dat voldoende vooruitgang wordt geboekt bij de afschaffing van de wildklem en/of de ontwikkeling van humane methoden voor de vangst met behulp van vallen;

Overwegende dat in deze omstandigheden de tenuitvoerlegging op 1 januari 1995 van het in artikel 3, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3254/91 geformuleerde verbod niet alleen een ongunstig effect zou kunnen hebben op de werkzaamheden van de Internationale Organisatie voor normalisatie met het oog op de ontwikkeling van internationale normen inzake humane vangmethoden, maar er ook zou toe leiden dat derde landen zich veel minder aangespoord zouden kunnen voelen om op nationaal vlak werk te maken van humane vangmethoden;

Overwegende dat het derhalve wenselijk is om, overeenkomstig artikel 3, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 3254/91, het bedoelde verbod op te schorten voor een termijn van een jaar die op 31 december 1995 verstrijkt;

Overwegende dat de Commissie derhalve thans dient te bepalen welke landen aan de in artikel 3, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3254/91 genoemde voorwaarde voldoen, en dat zij geruime tijd vóór 1 januari 1996 de passende vorm van de in artikel 4 van die verordening bedoelde verklaring dient vast te stellen;

Overwegende dat de bij deze verordening vastgestelde maatregel in overeenstemming is met het advies van het krachtens artikel 19 van Verordening (EEG) nr. 3626/82 (2), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1534/93 van de Commissie (3), ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Het verbod op het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen van de in bijlage I van Verordening (EEG) nr. 3254/91 opgesomde diersoorten en de andere, in bijlage II van die verordening opgesomde goederen, treedt in werking op 1 januari 1996.

2. Overeenkomstig de procedure van artikel 5 van Verordening (EEG) nr. 3254/91 bepaalt de Commissie vóór 1 september 1995:

a) welke landen aan de in artikel 3, lid 1, van die verordening genoemde voorwaarde voldoen, en

en

b) welke de passende vorm is van de in artikel 4 van die verordening bedoelde verklaring.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 19 juli 1994.

Voor de Commissie

Yannis PALEOKRASSAS

Lid van de Commissie

(1) PB nr. L 308 van 9. 11. 1991, blz. 1.

(2) PB nr. L 348 van 31. 12. 1982, blz. 1.

(3) PB nr. L 151 van 23. 6. 1993, blz. 22.

Top