Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32016D0377

Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/377 van de Commissie van 15 maart 2016 betreffende de gelijkwaardigheid van het regelgevingskader van de Verenigde Staten van Amerika voor centrale tegenpartijen, waaraan een vergunning is verleend door en die onder toezicht staan van de Commodity Futures Trading Commission, aan de vereisten van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad

C/2016/1494

OJ L 70, 16.3.2016, p. 32–37 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2016/377/oj

16.3.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 70/32


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2016/377 VAN DE COMMISSIE

van 15 maart 2016

betreffende de gelijkwaardigheid van het regelgevingskader van de Verenigde Staten van Amerika voor centrale tegenpartijen, waaraan een vergunning is verleend door en die onder toezicht staan van de Commodity Futures Trading Commission, aan de vereisten van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (1), en met name artikel 25, lid 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De in artikel 25 van Verordening (EU) nr. 648/2012 vastgestelde procedure voor de erkenning van in derde landen gevestigde centrale tegenpartijen (hierna „CTP's” genoemd) is bedoeld om CTP's die zijn gevestigd en een vergunning hebben gekregen in derde landen waarvan de reguleringsnormen gelijkwaardig zijn aan die welke in genoemde verordening zijn vastgesteld, de mogelijkheid te bieden clearingdiensten te verrichten voor clearingleden of handelsplatforms die in de Unie gevestigd zijn. Die erkenningsprocedure en het gelijkwaardigheidsbesluit waarin wordt voorzien, dragen zodoende bij tot het bereiken van de overkoepelende doelstelling van Verordening (EU) nr. 648/2012 om het systeemrisico te verminderen door meer gebruik te maken van veilige en solide CTP's voor de clearing van over-the-counter (hierna „otc” genoemd) derivatencontracten, ook als die CTP's in een derde land zijn gevestigd en daar een vergunning hebben gekregen.

(2)

Om een rechtsstelsel van een derde land als gelijkwaardig aan het rechtsstelsel van de Unie aan te merken wat CTP's betreft, dient het concrete resultaat van het toepasselijke juridische en toezichthoudende kader gelijkwaardig te zijn aan dat van de Unievereisten wat de bereikte toezicht- en regelgevingsdoelstellingen betreft. Doel van deze gelijkwaardigheidstoetsing is daarom na te gaan of het juridische en toezichthoudende kader van de Verenigde Staten van Amerika (hierna „de VS” genoemd) waarborgt dat CTP's die daar zijn gevestigd en een vergunning hebben gekregen, in de Unie gevestigde clearingleden en handelsplatforms niet blootstellen aan een hoger risiconiveau dan dat waaraan de CTP's die in de Unie een vergunning hebben gekregen, kunnen worden blootgesteld — en of zij bijgevolg geen onaanvaardbare niveaus van systeemrisico in de Unie opleveren.

(3)

Op 1 september 2013 heeft de Commissie het technische advies van de Europese Autoriteit voor effecten en markten (hierna „de ESMA” genoemd) ontvangen over het juridische en toezichthoudende kader dat van toepassing is op CTP's die in de VS zijn gevestigd. In dat technische advies wordt gewezen op een aantal verschillen tussen de juridisch bindende vereisten die, op juridisdictioneel gebied, gelden voor CTP's in de VS en de juridisch bindende vereisten die voor CTP's gelden uit hoofde van Verordening (EU) nr. 648/2012. Dit besluit is echter niet uitsluitend gebaseerd op een vergelijkende analyse van de juridisch bindende vereisten voor CTP's in de VS, maar ook op een beoordeling van de uitkomst van die vereisten en op het antwoord op de vraag of zij afdoende zijn om de risico's waaraan in de Unie gevestigde clearingleden en handelsplatforms mogelijk worden blootgesteld, zodanig te limiteren dat deze als gelijkwaardig aan de uitkomst van de in Verordening (EU) nr. 648/2012 vastgelegde vereisten kunnen worden beschouwd.

(4)

Overeenkomstig artikel 25, lid 6, van Verordening (EU) nr. 648/2012 moeten drie voorwaarden vervuld zijn om te kunnen verklaren dat het juridische en toezichthoudende kader van een derde land ten aanzien van CTP's die in dat land over een vergunning beschikken, gelijkwaardig is aan de vereisten die in die verordening zijn vastgelegd.

(5)

Volgens de eerste voorwaarde moeten CTP's die in een derde land over een vergunning beschikken, voldoen aan juridisch bindende vereisten die gelijkwaardig zijn aan de vereisten zoals die in titel IV van Verordening (EU) nr. 648/2012 zijn neergelegd.

(6)

De juridisch bindende vereisten van de VS voor CTP's die een vergunning hebben gekregen (in het CFTC-kader wordt de term „registratie” gebruikt) en onder toezicht staan van de Commodity Futures Trading Commission (hierna „de CFTC” genoemd), zijn opgenomen in de Commodity Exchange Act (hierna „de CEA” genoemd), zoals gewijzigd bij de titels VII en VIII van de Dodd-Frank Wall Street Reform and Consumer Protection Act (hierna „de Dodd-Frank Act” genoemd), en de op grond daarvan uitgevaardigde verordeningen van de CFTC. De CFTC is de bevoegde autoriteit voor het toezicht op alle derivatencontracten die niet gebaseerd zijn op één enkel effect (een obligatie of een aandeel), een lening of een groep of index van effecten met een smalle grondslag, en is verantwoordelijk voor de vergunningverlening aan en de regulering van CTP's die clearingdiensten voor deze derivatencontracten verrichten („derivatives clearing organizations”, hierna „DCO's” genoemd). De derivatencontracten die onder de bevoegdheid van de CFTC vallen, komen bijgevolg overeen met een subgroep van de derivatencontracten waarvoor de in Verordening (EU) nr. 648/2012 vervatte bepalingen inzake CTP's gelden. Dit besluit heeft uitsluitend betrekking op de gelijkwaardigheid van het juridische en toezichthoudende kader voor DCO's en niet op het juridische en toezichthoudende kader voor CTP's die clearingdiensten verrichten voor derivatencontracten die onder de bevoegdheid van de Securities and Exchange Commission vallen (hierna de „SEC” genoemd). Wanneer een CTP een vergunning heeft gekregen zowel als clearinginstituut onder toezicht van de SEC alsook als DCO, heeft dit besluit slechts betrekking op deze CTP's voor zover zij clearingdiensten verrichten voor derivatencontracten die onder de bevoegdheid van de CFTC vallen.

(7)

De juridisch bindende vereisten voor CTP's waaraan de CFTC een vergunning heeft verleend, omvatten normen van hoog niveau die zijn vastgelegd bij de kernbeginselen voor DCO's zoals vervat in artikel 5b(c)(2) van de CEA en deel 39, subdelen A en B, van de CFTC-verordeningen. Om een vergunning van de CFTC te krijgen, moeten alle CTP's deze kernbeginselen naleven. De kernbeginselen worden aangevuld met specifieke solide normen voor risicobeheer voor DCO's die door de Financial Stability Oversight Council van de VS als systeemrelevant zijn aangewezen en waarvoor de CFTC is aangewezen als de toezichthoudende instantie („systemically important derivatives clearing organizations”, hierna „SIDCO's” genoemd). De solide normen voor risicobeheer zijn vastgelegd in deel 39, subdeel C, van de CFTC-verordeningen (verordeningen 39.30 tot en met 39.42). De normen van hoog niveau en de specifieke solide normen voor risicobeheer voor SIDCO's (hierna samen „de primaire regels” genoemd) gelden voor SIDCO's en voor DCO's die niet zijn aangewezen als SIDCO's, maar die er vrijwillig voor hebben gekozen wettelijk gebonden te zijn door die specifieke normen voor risicobeheer (hierna „opt-in-DCO's” genoemd). Deze primaire regels vormen het eerste niveau van de juridisch bindende vereisten voor DCO's.

(8)

Overeenkomstig de primaire regels moeten DCO's een intern reglement van orde opstellen dat moet worden goedgekeurd door de CFTC. In het intern reglement van orde van de DCO's moeten gedetailleerde voorschriften zijn opgenomen betreffende de wijze waarop de DCO aan de normen in het kader van de primaire regels zal voldoen. Bovendien bevat dit intern reglement van orde vereisten die een aanvulling vormen op die in het kader van de primaire regels. Na goedkeuring door de CFTC wordt het intern reglement van orde juridisch bindend voor de DCO en maakt het een integrerend deel uit van het voor deze DCO's geldende juridische en toezichthoudende kader. In geval van niet-naleving van de primaire regels of het intern reglement van orde van de DCO's heeft de CFTC de bevoegdheid om de betrokken DCO's te bestraffen, onder meer door sancties op te leggen en de vergunning te schorsen of in te trekken.

(9)

De juridisch bindende vereisten van de VS met betrekking tot door DCO's geclearde derivatencontracten hebben dus een tweeledige structuur. De primaire regels voor SIDCO's en opt-in-DCO's vormen het eerste niveau van de juridisch bindende vereisten. Het intern reglement van orde van de SIDCO's en de opt-in-DCO's vormen het tweede niveau van de juridisch bindende vereisten. Bij de bepaling van de gelijkwaardigheid overeenkomstig artikel 25, lid 6, van Verordening (EU) nr. 648/2012 moeten de aard en de inhoud van de wettelijke voorschriften in het kader van het intern reglement van orde van SIDCO's en opt-in-DCO's bijgevolg in samenhang met de primaire regels worden bekeken, om zich ervan te verzekeren dat de juridisch bindende vereisten die voortvloeien uit deze samenhangende onderdelen van het juridische en toezichthoudende kader, gelijkwaardig kunnen worden geacht aan de in titel IV van Verordening (EU) nr. 648/2012 neergelegde vereisten.

(10)

De primaire regels die van toepassing zijn op SIDCO's en opt-in-DCO's, aangevuld met hun eigen intern reglement van orde, leveren concrete resultaten op die gelijkwaardig zijn aan de uitkomsten van de in titel IV van Verordening (EU) nr. 648/2012 vervatte regels. De primaire regels omvatten vereisten inzake governance (inclusief organisatorische vereisten, vereisten met betrekking tot hoger management, risicocomités, het bijhouden van gegevens, gekwalificeerde deelnemingen, informatieverstrekking aan de bevoegde autoriteiten), alsook inzake belangenconflicten, uitbesteding, bedrijfsvoering, bedrijfscontinuïteit en scheiding, liquiditeitsrisico, zekerheidsvereisten, beleggingsbeleid en afwikkelingsrisico.

(11)

Hoewel SIDCO's en opt-in-DCO's op grond van de primaire regels inzake liquiditeitsrisico's niet verplicht zijn liquide middelen aan te houden om te voldoen aan het zogenoemde „cover 2-beginsel”, dat wil zeggen liquide middelen ter dekking van de wanbetaling van ten minste de twee clearingleden ten overstaan waarvan zij de grootste risicopositie hebben, zijn deze DCO's wel verplicht om procedures in te stellen ter dekking van ongedekte liquiditeitstekorten, om ervoor te zorgen dat er middelen beschikbaar zijn wanneer de verliezen hoger uitvallen dan de wanbetaling van het clearinglid ten overstaan waarvan zij de grootste risicopositie hebben. Hoewel deze benadering verschilt van het in titel IV van Verordening (EU) nr. 648/2012 vervatte „cover 2-beginsel”, levert zij concrete resultaten op die gelijkwaardig zijn aan de uitkomsten van de in titel IV van Verordening (EU) nr. 648/2012 vervatte regels.

(12)

De primaire regels inzake deelname, beheer van risicoposities, margevereisten, wanbetalingsfondsen, andere financiële middelen, trapsgewijze dekking van verliezen bij wanbetaling en procedures in geval van wanbetaling zijn vergelijkbaar met de in titel IV van Verordening (EU) nr. 648/2012 vervatte regels, maar zijn op een aantal punten verschillend. Met betrekking tot de op de eigen posities van clearingleden toegepaste initiële marge voorzien de primaire regels in een liquidatieperiode van ten minste één dag voor niet-otc-derivatencontracten, inclusief futures, opties, swaps op landbouwgrondstoffen, energiegrondstoffen en metalen, en ten minste vijf dagen voor alle andere derivaten, waarbij de marge op nettobasis wordt geïnd. De Unieregels voorzien evenwel in een liquidatieperiode van ten minste twee dagen voor niet-otc-derivatencontracten, en ten minste vijf dagen voor otc-derivatencontracten, waarbij de marge doorgaans op nettobasis wordt geïnd. Met betrekking tot de eigen posities van clearingleden heeft de langere liquidatieperiode van twee dagen voor niet-otc-derivatencontracten in de Unie dan ook tot gevolg dat CTP's die in de Unie een vergunning hebben gekregen, voor deze posities hogere marges innen. In het geval van initiële marges die worden geïnd met betrekking tot de posities van cliënten van clearingleden daarentegen, moeten marges op grond van de primaire regels voor alle klassen van derivatencontracten op brutobasis worden geïnd, terwijl het Unierecht niet voorziet in een dergelijke verplichting. Dit verschil in inning op nettobasis en op brutobasis resulteert in gelijkwaardige resultaten wat betreft het bedrag van de marge die DCO's met betrekking tot de posities van cliënten aanhouden, wat het verschil in liquidatieperiode compenseert. De primaire regels inzake margevereisten kunnen bijgevolg als gelijkwaardig aan het Unierecht worden aangemerkt, voor zover zij betrekking hebben op de posities van cliënten van clearingleden. Voorts moet op grond van het Unierecht een van de drie maatregelen ter beperking van procyclische effecten worden toegepast om ervoor te zorgen dat initiële marges in stabiele economische tijden niet te laag uitvallen en niet plotseling toenemen in tijden van stress, terwijl de primaire regels niet voorzien in een dergelijke specifieke verplichting. Deze maatregelen resulteren in stabiele en conservatieve marges. Bovendien zijn SIDCO's en opt-in-DCO's op grond van de primaire regels slechts verplicht het „cover 2-beginsel” toe te passen wanneer deze DCO's in verschillende rechtsgebieden als systeemrelevant zijn aangewezen of wanneer zij betrokken zijn bij activiteiten met een complexer risicoprofiel. Op grond van de Unieregels daarentegen zijn alle CTP's verplicht het „cover 2-beginsel” toe te passen.

(13)

Het voor DCO's geldende juridische en toezichthoudende kader van de VS moet bijgevolg worden geacht gelijkwaardig te zijn op voorwaarde dat het, overeenkomstig het intern reglement van orde van DCO's die een vergunning hebben gekregen als SIDCO's en opt-in-DCO's, garandeert dat DCO's aan de volgende vereisten voldoen: 1) voor op gereglementeerde markten uitgevoerde niet-otc-derivatencontracten geldt een liquidatieperiode van twee dagen met betrekking tot de initiële marge die wordt toegepast voor de eigen posities van clearingleden; 2) voor alle derivatencontracten worden maatregelen ter beperking van procyclische effecten toegepast die resulteren in stabiele en conservatieve marges, en die gelijkwaardig zijn aan ten minste één van de in titel IV van Verordening (EU) nr. 648/2012 vastgestelde opties, en 3) er zijn voldoende voorgefinancierde financiële middelen beschikbaar zodat de DCO onder extreme, maar plausibele marktomstandigheden de wanbetaling kan dragen van ten minste de twee clearingleden ten overstaan waarvan zij de grootste risicopositie heeft, waarbij rekening wordt gehouden met de extra risico's voor deze DCO's als gevolg van gelijktijdig in gebreke blijvende entiteiten in de groep van wanbetalende clearingleden.

(14)

De Commissie merkt op dat de specifieke kenmerken van bepaalde beursgenoteerde landbouwderivatencontracten die op gereglementeerde markten in de VS worden uitgevoerd en door DCO's worden gecleard, betrekking hebben op markten waarop hoofdzakelijk binnenlandse niet-financiële tegenpartijen in de VS actief zijn die hun commerciële risico's beheren via deze contracten en wier systemische verwevenheid met de rest van het financiële stelsel beperkt is. Het uit de clearing van die contracten voortvloeiende risico is voor in de Unie gevestigde clearingleden en handelsplatforms verwaarloosbaar. De beoordeling van de gelijkwaardigheid wordt dan ook niet aanzienlijk beïnvloed door de voor die landbouwderivatencontracten geldende regelgeving.

(15)

Bijgevolg dient te worden geconcludeerd dat het juridische en toezichthoudende kader van de CFTC, dat bestaat uit de primaire regels en het intern reglement van orde van de SIDCO's en de opt-in-DCO's die voldoen aan de in dit besluit vastgestelde normen inzake risicobeheer, als gelijkwaardig aan de in titel IV van Verordening (EU) nr. 648/2012 neergelegde vereisten moet worden aangemerkt. Alleen SIDCO's en opt-in-DCO's die aan deze juridisch bindende vereisten (d.w.z. de primaire regels, aangevuld met het door de CFTC goedgekeurde intern reglement van orde) en aan de in dit besluit vastgestelde normen voldoen, kunnen in aanmerking komen voor erkenning door de ESMA, die overeenkomstig artikel 25, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 648/2012 moet nagaan of deze normen deel uitmaken van het intern reglement van orde van CTP's die onder die regeling vallen en een aanvraag tot erkenning in de Unie indienen. Overeenkomstig artikel 25, lid 5, van Verordening (EU) nr. 648/2012 ziet de ESMA er eveneens op toe dat de gelijkwaardige regeling in de zin van dit besluit, inclusief de daarin vervatte voorwaarden, verder wordt nageleefd en kan zij de erkenning intrekken wanneer dit niet het geval is. De ESMA zal met name nagaan of de CTP een liquidatieperiode van twee dagen toepast met betrekking tot de eigen posities van clearingleden bij niet-otc-derivatencontracten, of de CTP maatregelen ter beperking van procyclische effecten toepast die wat betreft stabiele en conservatieve marges, gelijkwaardig zijn aan een van de drie in Verordening (EU) nr. 648/2012 genoemde maatregelen, en of de CTP voldoende voorgefinancierde financiële middelen ter beschikking houdt om onder extreme, maar plausibele marktomstandigheden de wanbetaling te dragen van ten minste de twee clearingleden ten overstaan waarvan zij de grootste risicopositie heeft, waarbij rekening wordt gehouden met de extra risico's voor deze CTP's als gevolg van gelijktijdig in gebreke blijvende entiteiten in de groep van wanbetalende clearingleden.

(16)

Volgens de tweede voorwaarde van artikel 25, lid 6, van Verordening (EU) nr. 648/2012 moet in het juridische en toezichthoudende kader voor in de VS gevestigde CTP's zijn bepaald dat CTP's in dat rechtsgebied doorlopend aan effectief toezicht en effectieve handhaving worden onderworpen.

(17)

Met behulp van toezicht- en risicogebaseerde onderzoekprocedures, die onder meer de toetsing aan prudentiële vereisten omvatten, monitort de CFTC doorlopend of DCO's aan de vereisten inzake risicobeheer voldoen. De CFTC voert onderzoeken uit met onderzoeksteams. Na afloop van het onderzoek stelt de CFTC een verslag op met een samenvatting van de resultaten van het onderzoek, met vermelding van eventuele problemen. In het verslag worden vastgestelde tekortkomingen aangegeven en de CFTC kan diverse maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat DCO's vastgestelde problemen adequaat aanpakken, onder meer door het opleggen van sancties en de schorsing of intrekking van de vergunning indien de tekortkomingen niet zijn verholpen. Dit verslag en bepaalde daarin opgenomen gegevens, alsmede alle op basis daarvan genomen maatregelen, kunnen worden gedeeld met toezichthouders van derde landen in het kader van samenwerkingsovereenkomsten.

(18)

Bijgevolg dient te worden geconcludeerd dat DCO's op grond van het voor hen geldende juridische en toezichthoudende kader doorlopend aan effectief toezicht en effectieve handhaving worden onderworpen.

(19)

Volgens de derde voorwaarde van artikel 25, lid 6, van Verordening (EU) nr. 648/2012 moet het juridische en toezichthoudende kader van de VS voorzien in een effectief gelijkwaardig systeem voor de erkenning van CTP's waaraan uit hoofde van rechtsstelsels van derde landen een vergunning is verleend (hierna „CTP's uit derde landen” genoemd).

(20)

CTP's uit derde landen kunnen bij de CFTC een vergunning als DCO aanvragen. De CFTC is krachtens 7 U.S.C. § 2 (i) wettelijk bevoegd om voor CTP's uit derde landen te voorzien in „substituted compliance”, voor zover zij heeft vastgesteld dat haar eisen ten aanzien van DCO's vergelijkbaar zijn met de vereisten van de regelgeving van het derde land. Wanneer hierin wordt voorzien, kan een CTP uit een derde land die een vergunning heeft gekregen als DCO, voldoen aan de vereisten van de CFTC door te voldoen aan de vergelijkbare vereisten in haar eigen rechtsgebied (d.w.z. het rechtsgebied van het derde land). Er moet ook een memorandum van overeenstemming worden gesloten tussen de CFTC en de bevoegde buitenlandse toezichthouder van de verzoekende CTP voordat de CTP kan worden erkend.

(21)

Derhalve dient te worden geconcludeerd dat het juridische en toezichthoudende kader van de CFTC voorziet in een effectief gelijkwaardig systeem voor de erkenning van CTP's uit derde landen.

(22)

Dit besluit is gebaseerd op de op het tijdstip van de vaststelling van dit besluit in de VS geldende juridisch bindende vereisten voor SIDCO's en opt-in-DCO's. De Commissie dient, in samenwerking met de ESMA, de ontwikkeling van het juridische en toezichthoudende kader voor SIDCO's en opt-in-DCO's en de inachtneming van de voorwaarden op grond waarvan dit besluit is genomen, regelmatig te blijven monitoren.

(23)

De regelmatige beoordeling van het juridische en toezichthoudende kader dat in de VS op SIDCO's en opt-in-DCO's van toepassing is, dient de mogelijkheid onverlet te laten voor de Commissie om te allen tijde een specifieke beoordeling te verrichten wanneer relevante ontwikkelingen, en met name de door de ESMA uitgevoerde controles of de informatie waarover zij beschikt als gevolg van de samenwerking op toezichtsgebied met de CFTC overeenkomstig de in artikel 25, lid 7, van Verordening (EU) nr. 648/2012 genoemde procedures en mechanismen, vereisen dat de Commissie de bij dit besluit erkende gelijkwaardigheid herbeoordeelt. Een dergelijke herbeoordeling kan de intrekking van dit besluit tot gevolg hebben.

(24)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Europees Comité voor het effectenbedrijf,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Voor de toepassing van artikel 25, lid 6, van Verordening (EU) nr. 648/2012 wordt het juridische en toezichthoudende kader van de Verenigde Staten van Amerika (VS) voor organisaties voor derivatenclearing („derivatives clearing organisations”, hierna „DCO's” genoemd), dat bestaat uit artikel 5b van de Commodity Exchange Act en deel 39, subdelen A, B en C, van de CFTC-verordeningen, met uitzondering van de verordeningen 39.35 en 39.39, als gelijkwaardig aan de vereisten van titel IV van Verordening (EU) nr. 648/2012 aangemerkt, voor zover het intern reglement van orde van DCO's die door de autoriteiten van de VS als systeemrelevant zijn aangewezen („systemically important derivatives clearing organisations”, hierna „SIDCO's” genoemd), en van DCO's die ervoor hebben gekozen om de regels van deel 39, subdeel C, van de CFTC-verordeningen in acht te nemen, en waaraan een vergunning is verleend door en die onder toezicht staan van de CFTC („opt-in derivatives clearing organisations” of „opt-in-DCO's”), de in de leden 2 en 3 bedoelde elementen bevat.

2.   Met betrekking tot het in CFTC-verordening 39.13 neergelegde beginsel voorzien de specifieke bepalingen van het intern reglement van orde van de in lid 1 bedoelde SIDCO's en opt-in-DCO's in specifieke risicobeheersmaatregelen die garanderen dat de initiële marges worden berekend en geïnd op basis van de volgende parameters:

a)

in het geval van eigen posities van clearingleden bij derivatencontracten die worden uitgevoerd op gereglementeerde markten of aangewezen contractmarkten („designated contract markets”, hierna „DCM's” genoemd) in de zin van artikel 5 van de Commodity Exchange Act (CEA), 7 USC 7: een op nettobasis berekende liquidatieperiode van twee dagen;

b)

in het geval van alle derivatencontracten: maatregelen ter beperking van procyclische effecten die gelijkwaardig zijn aan ten minste één van onderstaande maatregelen:

i)

maatregelen die voorzien in een margebuffer van ten minste 25 % van de berekende marges die van de centrale tegenpartij tijdelijk mogen worden opgebruikt in perioden waarin de berekende margevereisten significant toenemen;

ii)

maatregelen waarbij een gewicht van ten minste 25 % wordt toegekend aan stresswaarnemingen in de terugkijkperiode;

iii)

maatregelen die garanderen dat de margevereisten niet lager liggen dan die welke zouden worden berekend aan de hand van een over een historische terugkijkperiode van tien jaar geschatte volatiliteit.

3.   Met betrekking tot het in de CFTC-verordeningen 39.11 en 39.33 neergelegde beginsel voorzien de specifieke bepalingen van het intern reglement van orde van de in lid 1 bedoelde SIDCO's en opt-in-DCO's in specifieke maatregelen betreffende financiële middelen die garanderen dat de SIDCO of opt-in-DCO voldoende voorgefinancierde financiële middelen ter beschikking houdt om onder extreme, maar plausibele marktomstandigheden de wanbetaling te dragen van ten minste de twee clearingleden ten overstaan waarvan zij de grootste risicopositie heeft, waarbij rekening wordt gehouden met de extra risico's voor deze DCO's als gevolg van gelijktijdig in gebreke blijvende entiteiten in de groep van wanbetalende clearingleden.

Artikel 2

1.   Derivatencontracten als bedoeld in artikel 1, lid 2, omvatten geen derivatencontracten voor landbouwgrondstoffen die voldoen aan alle onderstaande voorwaarden:

a)

ze zijn gebaseerd op de indelingen, prijzen, gewichten, maatstaven of omrekeningsfactoren voor landbouwgrondstoffen en producten daarvan zoals bekendgemaakt door het Amerikaanse ministerie van Landbouw, en worden verhandeld op een DCM in de zin van artikel 5 van de Commodity Exchange Act (CEA), 7 USC 7, of ze zijn gebaseerd op een onderliggend landbouwproduct voor de productie van suiker, sojaolie, sojameel, cacao, koffie of timmerhout en worden verhandeld op een DCM in de zin van artikel 5 van de Commodity Exchange Act (CEA), 7 USC 7;

b)

ze zijn gebaseerd op een onderliggend landbouwproduct dat de basis vormt van een derivatencontract voor landbouwgrondstoffen dat voor clearing wordt aangeboden door een in de VS gevestigde DCO;

c)

wanneer voor het onderliggende landbouwproduct een of meer productieplaatsen zijn aangegeven, is geen daarvan in de Unie gelegen;

d)

zij voldoen aan een van de volgende voorwaarden:

i)

ze worden fysiek afgewikkeld en, behalve wanneer ze zijn gebaseerd op een onderliggend landbouwproduct voor de productie van koffie, zijn alle plaatsen van levering buiten de Unie gelegen;

ii)

ze worden in contanten afgewikkeld en, behalve wanneer ze zijn gebaseerd op een onderliggend landbouwproduct voor de productie van koffie of suiker, het afwikkelingsbedrag is niet gebaseerd op de prijzen van een onderliggend landbouwproduct waarvoor ten minste één van de plaatsen van levering in de Unie is gelegen.

De voorwaarde in de eerste alinea, onder b), wordt voor een bepaald derivatencontract voor landbouwgrondstoffen geacht niet te zijn vervuld wanneer het merendeel van deze contracten door de in de VS gevestigde DCO wordt gecleard voor in de Unie gevestigde tegenpartijen en deze contracten ook worden aangeboden voor clearing door een centrale tegenpartij waaraan in de Unie een vergunning is verleend.

2.   Artikel 1, lid 3, is niet van toepassing op SIDCO's of opt-in-DCO's die uitsluitend de in lid 1 van dit artikel bedoelde derivatencontracten clearen.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 15 maart 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1.


Top