Use quotation marks to search for an "exact phrase". Append an asterisk (*) to a search term to find variations of it (transp*, 32019R*). Use a question mark (?) instead of a single character in your search term to find variations of it (ca?e finds case, cane, care).
Commission Implementing Regulation (EU) No 1112/2014 of 13 October 2014 determining a common format for sharing of information on major hazard indicators by the operators and owners of offshore oil and gas installations and a common format for the publication of the information on major hazard indicators by the Member States Text with EEA relevance
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1112/2014 van de Commissie van 13 oktober 2014 tot vaststelling van een gemeenschappelijk model voor de uitwisseling van informatie inzake grotegevarenindicatoren door de exploitanten en eigenaars van offshore olie- en gasinstallaties en van een gemeenschappelijk model voor de publicatie van de informatie inzake grotegevarenindicatoren door de lidstaten Voor de EER relevante tekst
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1112/2014 van de Commissie van 13 oktober 2014 tot vaststelling van een gemeenschappelijk model voor de uitwisseling van informatie inzake grotegevarenindicatoren door de exploitanten en eigenaars van offshore olie- en gasinstallaties en van een gemeenschappelijk model voor de publicatie van de informatie inzake grotegevarenindicatoren door de lidstaten Voor de EER relevante tekst
PB L 302 van 22.10.2014, pp. 1–25
(BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
In force: This act has been changed. Current consolidated version: 22/10/2014
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1112/2014 VAN DE COMMISSIE
van 13 oktober 2014
tot vaststelling van een gemeenschappelijk model voor de uitwisseling van informatie inzake grotegevarenindicatoren door de exploitanten en eigenaars van offshore olie- en gasinstallaties en van een gemeenschappelijk model voor de publicatie van de informatie inzake grotegevarenindicatoren door de lidstaten
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG (1), en met name artikel 23, lid 2, en artikel 24, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)
De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de exploitanten en eigenaars van offshore olie- en gasinstallaties de bevoegde autoriteit minimaal de gegevens verstrekken betreffende de grotegevarenindicatoren zoals gespecificeerd in bijlage IX bij Richtlijn 2013/30/EU. Die informatie moet het de lidstaten mogelijk maken vroegtijdig te waarschuwen voor een mogelijke verslechtering van de veiligheids- en milieukritische barrières en hen in staat stellen preventieve actie te ondernemen, inclusief in het licht van hun verplichtingen overeenkomstig Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad (Kaderrichtlijn mariene strategie) (2).
(2)
Aan de hand van de informatie kan ook de algemene doeltreffendheid worden aangetoond van maatregelen en controles die worden uitgevoerd door individuele exploitanten en eigenaars en de sector als geheel, met name om zware ongevallen te voorkomen en de risico's voor het milieu tot een minimum te beperken. Bovendien moeten de verstrekte informatie en gegevens van die aard zijn dat de prestaties van individuele exploitanten en eigenaars vergeleken kunnen worden in de lidstaat en de prestaties van de sector in zijn geheel vergeleken kunnen worden tussen lidstaten.
(3)
De uitwisseling van vergelijkbare gegevens tussen lidstaten verloopt moeizaam en is onbetrouwbaar omdat het de lidstaten aan een gemeenschappelijk model voor gegevensrapportering ontbreekt. Een gemeenschappelijk model voor het rapporteren van gegevens door exploitanten en eigenaars aan de lidstaat zou de veiligheids- en milieuprestaties van exploitanten en eigenaars transparant maken en zou ook relevante en vergelijkbare informatie over de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten in de gehele Unie beschikbaar maken en de uit zware ongevallen en bijna-ongevallen getrokken lessen kunnen helpen verspreiden.
(4)
Om het vertrouwen van het publiek in het gezag en de integriteit van offshore olie- en gasactiviteiten in de gehele Unie te bevorderen, moeten de lidstaten regelmatig de in punt 2 van bijlage IX van Richtlijn 2013/30/EU bedoelde informatie publiceren overeenkomstig artikel 24 van Richtlijn 2013/30/EU. Een gemeenschappelijk rapporteringsmodel en de bijzonderheden van de informatie die aan het publiek beschikbaar moet worden gesteld, moeten een vlotte grensoverschrijdende vergelijking van gegevens mogelijk maken.
(5)
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Raadgevend Comité voor de veiligheid van offshore-olie- en gasactiviteiten,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Onderwerp en toepassingsgebied
Bij deze verordening worden gemeenschappelijke modellen vastgesteld voor de:
a)
verslagen van exploitanten en eigenaars van offshore olie- en gasinstallaties, gericht aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten overeenkomstig artikel 23 van Richtlijn 2013/30/EU;
b)
publicatie van informatie door de lidstaten overeenkomstig artikel 24 van Richtlijn 2013/30/EU.
Artikel 2
Rapporteringsreferentie en indieningsdatums
1. De exploitanten en eigenaars van offshore olie- en gasinstallaties dienen het in lid 1, onder a), bedoelde verslag in binnen 10 werkdagen na de gebeurtenis.
2. De rapporteringsperiode voor de in artikel 1, onder b), bedoelde informatie is telkens één jaar, lopend van 1 januari tot en met 31 december, startend met het kalenderjaar 2016. Het gemeenschappelijk publicatiemodel wordt gebruikt om de overeenkomstig artikel 24 van Richtlijn 2013/30/EU te verstrekken informatie bekend te maken op de website van de bevoegde autoriteit, uiterlijk op 1 juni van het jaar volgende op de rapporteringsperiode.
3. De in de bijlagen I en II bedoelde modellen worden gebruikt voor de in artikel 1, onder a), respectievelijk b), bedoelde verslagen en publicatie.
Artikel 3
Bijzonderheden van de uit te wisselen informatie
In bijlage I worden de bijzonderheden gegeven van de informatie die overeenkomstig punt 2 van bijlage IX bij Richtlijn 2013/30/EU moet worden uitgewisseld.
Artikel 4
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
(2) Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).
BIJLAGE I
Gemeenschappelijk gegevensrapporteringsmodel voor incidenten en zware ongevallen in de offshore olie- en gassector
Zoals vereist bij artikel 23 van Richtlijn 2013/30/EU
Algemene opmerkingen over de bijzonderheden van de uit te wisselen informatie
a)
De bijzonderheden van de uit te wisselen informatie houden verband met punt 2 van bijlage IX bij Richtlijn 2013/30/EU betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten, en met name het risico van zware ongevallen als omschreven in die richtlijn.
b)
Bijlage IX, punt 2, bij Richtlijn 2013/30/EUbevat voorlopende en achterlopende kernprestatie-indicatoren (KPI's) teneinde een goed beeld te krijgen van de veiligheid van de offshore olie- en gaswinning binnen een lidstaat en in de Europese Unie, waarbij sommige van de KPI's een waarschuwingsfunctie hebben, zoals een verslechtering van de veiligheids- en milieukritische barrières („Veiligheids- en milieukritische elementen” — „SECE's”) en rampen.
c)
Overeenkomstig artikel 3, lid 4, van Richtlijn 92/91/EEG van de Raad (1) moet de werkgever ernstige bedrijfsongevallen en/of bedrijfsongevallen met dodelijke afloop evenals situaties die een ernstig gevaar vormen, onverwijld aan de bevoegde autoriteiten melden. Deze gegevens worden vervolgens door de bevoegde autoriteiten gebruikt om verslag uit te brengen over de krachtens Richtlijn 2013/30/EU, bijlage IX, punt 2, onder g) en h), toe te zenden informatie.
Bijzonderheden over de locatie en over de persoon die de gebeurtenis meldt
Exploitant/eigenaar
Naam/type installatie:
Veldnaam/code (indien relevant):
Naam van de rapporterende persoon:
Rol van de rapporterende persoon
Contactgegevens:
Telefoonnummer:
E-mailadres:
Categorie gebeurtenis (2)
Welk soort gebeurtenis wordt gemeld? (Er mag meer dan één optie worden gekozen)
A.
Een ongewilde lozing van olie, gas of andere gevaarlijke stoffen, al dan niet ontvlamd:
1. elke ongewilde lozing van ontvlamd gas of ontvlamde olie op of van een offshore-installatie;
2. de ongewilde lozing op of van een offshore-installatie van:
(a) niet ontvlamd aardgas of verdampt geassocieerd gas als de geloosde massa ≥ 1 kg;
(b) niet ontvlamde vloeibare koolwaterstoffen uit aardolie als de geloosde massa ≥ 60 kg;
3. de ongewilde lozing of ontsnapping van een gevaarlijke stof, waarvoor het risico van zware ongevallen is geëvalueerd in het rapport inzake grote gevaren, of van een offshore-installatie, inclusief boorputten en terugvloeiing van booradditieven.
B.
Een verlies van controle over een boorput dat de activatie van boorputbeheerapparatuur vereist, of een defect aan een boorputafsluiter die bijgevolg hersteld of vervangen moet worden:
1. elke blow-out , ongeacht de duur ervan;
2. het activeren van een veiligheidsafsluiter of een divertorsysteem om de stroom van boorvloeistoffen te controleren;
3. een mechanisch defect van een onderdeel van een boorput dat tot doel heeft het effect van een ongewilde lozing van vloeistoffen uit een boorput of uit een met een boorput aangeboord reservoir te voorkomen of te verminderen, of waarvan het defect een dergelijke lozing kan veroorzaken of ertoe kan bijdragen;
4. de vaststelling van voorzorgsmaatregelen bovenop de maatregelen die al zijn opgenomen in het oorspronkelijke boorprogramma wanneer de geplande minimumafstand tussen aanpalende putten niet in acht is genomen.
(2) Overeenkomstig bijlage IX bij Richtlijn 2013/30/EU.
Defect van een veiligheids- en milieukritisch element (SECE):
Elk verlies of elke niet-beschikbaarheid van een SECE die onmiddellijke remediërende actie vergt.
D.
Een aanzienlijke vermindering van de structurele integriteit, of een verminderde bescherming tegen de gevolgen van brand of ontploffing, of een minder vaste verankering van een mobiele installatie:
Elke aan het licht gekomen conditie die de structurele ontwerpintegriteit van de installatie vermindert, zoals onder meer de stabiliteit, het drijfvermogen en de vaste verankering, in die mate dat dit onmiddellijke remediërende actie vergt.
E.
Een dreigende botsing met vaartuigen en feitelijke botsingen van vaartuigen met een offshore-installatie:
Elke botsing of potentiële botsing tussen een vaartuig en een offshore-installatie die voldoende energie heeft of kan hebben om voldoende schade te veroorzaken aan de installatie en/of het vaartuig om de algemene structurele of procesintegriteit in het gedrang te brengen.
F.
Helikopterongevallen op of dichtbij offshore-installaties:
Elke botsing of potentiële botsing tussen een helikopter en een offshore-installatie.
G.
Elk dodelijk ongeval dat moet worden gemeld overeenkomstig Richtlijn 92/91/EEG
H.
Ernstige verwondingen bij vijf of meer mensen in hetzelfde ongeval, te melden overeenkomstig de eisen van Richtlijn 92/91/EEG
I.
Elke evacuatie van personeel:
Elke niet-geplande noodevacuatie van een deel van of van alle personeel als gevolg van een zwaar ongeval of van het risico daarop
J.
Een zwaar milieu-ongeval:
Elk zwaar milieu-incident als bedoeld in artikel 2, punt 1, onder d), en artikel 2, punt 37, van Richtlijn 2013/30/EU
Opmerkingen:
Als het incident binnen één van de hierboven genoemde categorieën valt, gaat de exploitant/eigenaar verder met de relevante afdeling(en), wat inhoudt dat één enkel incident kan resulteren in de selectie van verschillende in te vullen afdelingen. De exploitant/eigenaar dient de ingevulde afdelingen in bij de bevoegde autoriteit binnen 10 werkdagen na de gebeurtenis, met gebruikmaking van de op dat moment beste beschikbare informatie. Indien de gebeurtenis waarover verslag wordt uitgebracht, een zwaar ongeval is, stelt de lidstaat een grondig onderzoek in overeenkomstig artikel 26 van Richtlijn 2013/30/EU.
Over dodelijke ongevallen en ernstige verwondingen wordt verslag uitgebracht overeenkomstig de eisen van Richtlijn 92/91/EEG.
Over helikopterongevallen wordt gerapporteerd overeenkomstig de CAA-regulations. Als een helikopterongeval plaatsvindt in relatie met Richtlijn 2013/30/EU, wordt afdeling F ingevuld.
Rekening houdend met de verplichting van de lidstaten overeenkomstig Richtlijn 2008/56/EG (3) om een goede milieutoestand te behouden, moeten, als een ongewilde lozing van olie, gas of andere gevaarlijke stoffen, of een defect van een veiligheids- en milieukritische element resulteert of naar verwachting zal resulteren in schade voor het milieu, de desbetreffende effecten worden gemeld aan de bevoegde autoriteiten.
(3) Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (Voor de EER relevante tekst) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).
A.2. Beschrijving van de omstandigheden, gevolgen van de gebeurtenis en noodmaatregelen
A.2.1 Zijn er gevaarlijke stoffen die geen koolwaterstoffen zijn vrijgekomen?
Ja Neen
Indien ja, specificeer het type en de hoeveelheid van de vrijgekomen stof:
(Type) (Hoeveelheid, specificeer eenheden)
A.2.2 Was er een niet met koolwaterstoffen verband houdende brand (bv. elektrisch) met een significant potentieel om een zwaar ongeval te veroorzaken?
Ja Neen
Beschrijf de omstandigheden:
A.2.3 Heeft het incident naar verwachting negatieve gevolgen voor het omliggende mariene milieu?
Ja Neen
Indien ja, geef een schets van de milieueffecten die reeds zijn waargenomen of die naar alle waarschijnlijkheid uit het incident zullen voortkomen:
A.3. Preliminaire onderliggende oorzaken (binnen 10 werkdagen na de gebeurtenis)
A.4. Initieel geleerde lessen en voorlopige aanbevelingen om een herhaling van soortgelijke gebeurtenissen te voorkomen (binnen 10 werkdagen na de gebeurtenis).
De bevoegde autoriteit vult deze afdeling verder in.
EEN VERLIES VAN CONTROLE OVER DE BOORPUT DAT DE ACTIVATIE VAN BOORPUTBEHEERAPPARATUUR VEREIST, OF EEN DEFECT AAN EEN BOORPUTAFSLUITER DIE BIJGEVOLG VERVANGEN OF HERSTELD MOET WORDEN
B.1. Algemene informatie
(a) Naam/code van de boorput:
(b) Naam van de boorcontractant (indien relevant):
(c) Naam/type van de boorinstallatie (indien relevant):
(d) Start- en einddatum/-tijdstip van verlies van boorputcontrole:
(e) Type vloeistof: zoutoplossing / olie / gas / ….. (indien relevant)
(f) Afsluiting boorputkop: oppervlakte / onderzees:
(g) Waterdiepte (m):
(h) Reservoir: druk / temperatuur / diepte
(i) Type activiteit: normale productie / boren / nazicht / boorputdiensten
(j) Type of boorputdiensten (indien van toepassing): wireline / rolleiding / snubbing / …
B.2. Beschrijving van de omstandigheden, gevolgen van de gebeurtenis en noodmaatregelen
Blow-out-preventieapparatuur geactiveerd:
Ja
Neen
Divertorsysteem in werking:
Ja
Neen
Drukopbouw en/of positieve stromingscontrole:
Ja
Neen
Defecte boorputafsluiters
(a)
(b)
(c)
Beschrijving van de omstandigheden
Nadere gegevens (Specificeer eenheden)
Duur van de ongecontroleerde uitstroom van vloeistoffen uit de boorput:
Debiet:
Vloeistofvolume:
Gasvolume:
Gevolgen van de gebeurtenis en noodmaatregelen
(Bv. 1. Fakkelbrand/2. Initiële explosie/3. Tweede explosie enz.)
B.3. Preliminaire onderliggende oorzaken (binnen 10 werkdagen na de gebeurtenis)
B.4. Initieel geleerde lessen en voorlopige aanbevelingen om een herhaling van soortgelijke gebeurtenissen te voorkomen (binnen 10 werkdagen na de gebeurtenis).
De bevoegde autoriteit vult deze afdeling verder in.
DEFECT VAN EEN VEILIGHEIDS- OF MILIEUKRITISCH ELEMENT
C.1. Algemene informatie
(a) Naam van de onafhankelijke verificator (indien van toepassing):
C.2. Beschrijving van de omstandigheden, gevolgen van de gebeurtenis en noodmaatregelen
C.2.1. Beschrijving van de SECE en van de omstandigheden
Over welke veiligheids- en milieukritische systemen is door de onafhankelijke verificator gerapporteerd omdat zij verloren of niet-beschikbaar zijn en onmiddellijke remediërende actie vergen, of omdat zij tijdens een incident op ontoereikende wijze hebben gewerkt?
Oorsprong: Rapport onafhankelijke verificator: nadere gegevens (rapport nr./datum/verificator/ )
(j) Ontsnappings-, evacuatie- en reddingsapparatuur
Persoonlijke veiligheidsapparatuur
Reddingsboten / TEMPSC
Tertiaire ontsnappingsmiddelen (reddingsvlotten )
Tijdelijke schuilplaats / Verzamelpunt
Zoek- en reddingsfaciliteiten
Andere, specificeer:
(k) Communicatiesystemen
Radio's / Telefoons
Omroepinstallatie (PA)
Andere, specificeer:
(l) Andere, specificeer
C.2.2. Beschrijving van de gevolgen
Heeft het incident naar verwachting negatieve gevolgen voor het omliggende mariene milieu?
Ja Neen
Indien ja, geef een schets van de milieueffecten die reeds zijn waargenomen of die naar alle waarschijnlijkheid uit het incident zullen voortkomen.
C.3. Preliminaire onderliggende oorzaken (binnen 10 werkdagen na de gebeurtenis)
C.4. Initieel geleerde lessen en voorlopige aanbevelingen om een herhaling van soortgelijke gebeurtenissen te voorkomen (binnen 10 werkdagen na de gebeurtenis)
Geef een omschrijving van de belangrijke uit de gebeurtenis geleerde lessen. Geef aanbevelingen om soortgelijke incidenten in de toekomst te voorkomen.
De bevoegde autoriteit vult deze afdeling verder in.
EEN AANZIENLIJKE VERMINDERING VAN DE STRUCTURELE INTEGRITEIT, OF EEN VERMINDERDE BESCHERMING TEGEN DE GEVOLGEN VAN BRAND OF ONTPLOFFING, OF EEN MINDER VASTE VERANKERING VAN EEN MOBIELE INSTALLATIE
D.1. Algemene informatie
(a) Naam van het vaartuig (indien van toepassing)
D.2. Beschrijving van de omstandigheden, gevolgen van de gebeurtenis en noodmaatregelen
Geef aan welk systeem gefaald heeft en geef een beschrijving van de omstandigheden van de gebeurtenis / Beschrijf wat is gebeurd, met inbegrip van de weersomstandigheden en de zeegang.
D.3. Preliminaire directe en onderliggende reden (binnen 10 werkdagen na de gebeurtenis)
D.4. Initieel geleerde lessen en voorlopige aanbevelingen om een herhaling van soortgelijke gebeurtenissen te voorkomen (binnen 10 werkdagen na de gebeurtenis)
De bevoegde autoriteit vult deze afdeling verder in.
EEN DREIGENDE BOTSING MET VAARTUIGEN EN FEITELIJKE BOTSINGEN VAN VAARTUIGEN MET EEN OFFSHORE-INSTALLATIE
E.1. Algemene informatie
(a) Naam/ Vlagstaat van het vaartuig (*):
(b) Type/Tonnage van het vaartuig (*):
(c) Contact via AIS?:
(*) indien van toepassing
E.2. Beschrijving van de omstandigheden, gevolgen van de gebeurtenis en noodmaatregelen
Geef aan welk systeem gefaald heeft en geef een beschrijving van de omstandigheden van de gebeurtenis / Beschrijf wat er is gebeurd (minimumafstand tussen het vaartuig en de installatie, koers en snelheid van het vaartuig, weersomstandigheden)
E.3. Preliminaire onderliggende oorzaken (binnen 10 werkdagen na de gebeurtenis)
E.4. Initieel geleerde lessen en voorlopige aanbevelingen om een herhaling van soortgelijke gebeurtenissen te voorkomen (binnen 10 werkdagen na de gebeurtenis)
De bevoegde autoriteit vult deze afdeling verder in. Wordt dit als een zwaar incident beschouwd?
HELIKOPTERONGEVALLEN OP OF DICHTBIJ OFFSHORE-INSTALLATIE
Helikopterincidenten worden gerapporteerd overeenkomstig de CAA-regulations. Als een helikopterongeval plaatsvindt in relatie met Richtlijn 2013/30/EU, wordt afdeling F ingevuld.
F.1. Algemene informatie
(a) Naam van de helikoptercontractant:
(b) Helikoptertype:
(c) Aantal personen aan boord:
F.2. Beschrijving van de omstandigheden, gevolgen van de gebeurtenis en noodmaatregelen
Geef aan welk systeem heeft gefaald en geef een beschrijving van de omstandigheden van de gebeurtenis / Beschrijf wat er is gebeurd (weersomstandigheden)
F.3. Preliminaire onderliggende oorzaken (binnen 10 werkdagen na de gebeurtenis)
F.4. Initieel geleerde lessen en voorlopige aanbevelingen om een herhaling van soortgelijke gebeurtenissen te voorkomen (binnen 10 werkdagen na de gebeurtenis)
De bevoegde autoriteit vult deze afdeling verder in. Wordt dit als een zwaar incident beschouwd?
Ja
Neen
Geef een rechtvaardiging:
EINDE VAN HET VERSLAG
Over de afdelingen G en H wordt gerapporteerd overeenkomstig de eisen van Richtlijn 92/91/EEG.
I.2. Beschrijving van de omstandigheden, gevolgen van de gebeurtenis en noodmaatregelen
Was het een evacuatie uit voorzorg of was het een noodsituatie?
Voorzorg Noodsituatie Beide
Aantal geëvacueerde personen:
Evacuatiemiddelen: (bv. helikopter)
Geef aan welk systeem gefaald heeft en geef een beschrijving van de omstandigheden van de gebeurtenis / Beschrijf wat er is gebeurd, tenzij dit al is vermeld in een vorige afdeling van dit verslag.
I.3. Preliminaire onderliggende oorzaken (binnen 10 werkdagen na de gebeurtenis)
I.4. Initieel geleerde lessen en voorlopige aanbevelingen om een herhaling van soortgelijke gebeurtenissen te voorkomen (binnen 10 werkdagen na de gebeurtenis)
(a) Naam van de contractant (indien van toepassing)
J.2. Beschrijving van de omstandigheden, gevolgen van de gebeurtenis en noodmaatregelen
Geef aan welk systeem gefaald heeft en geef een beschrijving van de omstandigheden van de gebeurtenis / Beschrijf wat er is gebeurd. Wat zijn, of zullen naar alle waarschijnlijkheid zijn, de negatieve effecten op het milieu?
J.3. Preliminaire onderliggende oorzaken (binnen 10 werkdagen na de gebeurtenis)
J.4. Initieel geleerde lessen en voorlopige aanbevelingen om een herhaling van soortgelijke gebeurtenissen te voorkomen (binnen 10 werkdagen na de gebeurtenis)
EINDE VAN HET VERSLAG
(1) Richtlijn 92/91/EEG van de Raad van 3 november 1992 betreffende minimumvoorschriften ter verbetering van de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers in de winningsindustrieën die delfstoffen winnen met behulp van boringen (elfde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) (PB L 348 van 28.11.1992, blz. 9).
BIJLAGE II
Gemeenschappelijk publicatiemodel
(Zoals vereist bij artikel 24 van Richtlijn 2013/30/EU)
Informatie betreffende de lidstaat en de rapporterende autoriteit:
(a) Lidstaat:
(b) Rapporteringsperiode: (Kalenderjaar)
(c) Bevoegde autoriteit:
(d) Aangewezen rapporterende autoriteit:
(e) Contactgegevens
Telefoonnummer:
Email-adres:
AFDELING 2
INSTALLATIES
2.1. Vaste installaties: Geef een gedetailleerde lijst van de installaties voor offshore olie- en gasactiviteiten in uw land (op één januari van het jaar waarover wordt gerapporteerd), inclusief het type ervan (d.w.z. vaste bemande installatie, vaste doorgaans onbemande installatie, drijvende productie-installatie, vaste niet-productie-installatie), jaar van installatie, locatie:
Tabel 2.1.
Installaties binnen de jurisdictie, op 1 januari van de rapporteringsperiode
2.2. Wijzigingen sinds het vorige rapporteringsjaar
(a) Nieuwe vaste installaties: Geef een omschrijving van de nieuwe vaste installaties die gedurende de rapporteringsperiode in bedrijf zijn genomen:
Tabel 2.2.a).
Nieuwe vaste installaties die gedurende de rapporteringsperiode in bedrijf zijn genomen
Naam of ID
Type installatie, d.w.z.
Vaste bemande installatie (FMI);
(Vaste) doorgaans onbemande installatie (NUI);
Drijvende productie-installatie (FPI)
Vaste niet-productie-install. (FNP)
Jaar van installatie
Type vloeistof, d.w.z.
Olie; Gas; Condensaat; Olie/Gas; Olie/Condensaat
Aantal bedden
Coördinaten
(lengte-breedte)
(b) Vaste Installaties die uit bedrijf zijn genomen: Geef aan welke installaties gedurende de rapporteringsperiode uit bedrijf zijn genomen voor offshore olie- en gasactiviteiten:
Tabel 2.2.b)
Installaties die in de rapporteringsperiode uit bedrijf zijn genomen
Naam of ID
Type installatie, d.w.z.
(Vaste bemande installatie;
Vaste doorgaans onbemande installatie;
Drijvende productie-installatie;
Vaste niet-productie-installatie)
Jaar van installatie
Coördinaten
(lengte-breedte)
Tijdelijk / Permanent
2.3. Mobiele installaties: Geef aan welke mobiele installaties gedurende de rapporteringsperiode in activiteit waren (MODU's en andere niet-productie-installaties):
Tabel 2.3
Mobiele Installaties
Naam of ID
Type installatie, d.w.z.
Mobiele offshore-boorinstallaties;
Andere mobiele niet-productie
Bouwjaar
Aantal bedden
Geografisch gebied van de activiteiten (bv. Zuidelijke Noordzee, Noord-Adriatische Zee); en duur
2.4. Informatie voor gegevensnormalisatiedoeleinden (1). Geef het totale aantal feitelijke offshore-werkuren en de totale productie tijdens de rapporteringsperiode:
(a) Totaal aantal feitelijke offshore-werkuren voor installaties:
(b) Totale productie, in ktoe:
Olieproductie (Specificeer eenheden):
Gasproductie (Specificeer eenheden):
(1) Voor de doeleinden van deze uitvoeringsverordening wordt met normalisatie bedoeld: een transformatie die op uniforme wijze wordt toegepast op elk element van een reeks gegevens, op dergelijke manier dat die reeks een bepaalde specifieke statistische eigenschap heeft. Een aantal gemelde gebeurtenissen (bv. Verlies van controle op de boorput) kan bijvoorbeeld worden genormaliseerd door elke gebeurtenis te delen door het totale aantal boorputten in de desbetreffende lidstaat.