Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32014R0233

Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020

OJ L 77, 15.3.2014, p. 44–76 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/233/oj

15.3.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 77/44


VERORDENING (EU) Nr. 233/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 11 maart 2014

tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 209, lid 1, en artikel 212, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Deze verordening maakt deel uit van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de Unie en is een van de instrumenten die het externe beleid van de Unie ondersteunen. Zij vervangt Verordening (EG) nr. 1905/2006 van het Europees Parlement en de Raad (3), die op 31 december 2013 verstrijkt.

(2)

Armoedebestrijding blijft het hoofddoel van het ontwikkelingsbeleid van de Unie, zoals vastgelegd in hoofdstuk 1 van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en in hoofdstuk 1 van titel III van het vijfde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), in overeenstemming met de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDO's) en andere internationaal overeengekomen verbintenissen en doelstellingen op ontwikkelingsgebied die de Unie en haar lidstaten hebben onderschreven in het kader van de Verenigde Naties (VN) en andere bevoegde internationale fora.

(3)

De gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, het Europees Parlement en de Commissie over het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie: „De Europese consensus” (4), (de „Europese consensus”), alsmede de overeengekomen wijzigingen daarvan, voorziet in het algemeen beleidskader, de richtsnoeren en de focus voor de uitvoering van deze verordening.

(4)

De bijstand van de Unie moet in de loop van jaren bijdragen aan het verminderen van de afhankelijkheid van steun.

(5)

Het internationaal optreden van de Unie dient te berusten op de wereldwijde verspreiding van de beginselen die aan de oprichting, de ontwikkeling en de uitbreiding van de Unie ten grondslag liggen en die zij wereldwijd uit wil dragen: namelijk de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht. De Unie streeft ernaar door middel van dialoog en samenwerking de gehechtheid aan deze beginselen in de partnerlanden, -gebieden en –regio's te ontwikkelen en te consolideren. Door deze beginselen na te streven geeft de Unie blijk van haar meerwaarde als betrokkene bij het ontwikkelingsbeleid.

(6)

Bij het uitvoeren van deze verordening, en met name tijdens het programmeringsproces, dient de Unie terdege rekening te houden met de prioriteiten, doelstellingen en ijkpunten op het gebied van de mensenrechten en de democratie die de Unie voor haar partnerlanden heeft vastgesteld, in het bijzonder in haar landenstrategieën voor de mensenrechten.

(7)

De eerbiediging van de mensenrechten, de fundamentele vrijheden, de bevordering van de rechtsstaat, de democratische beginselen, transparantie, goed bestuur, vrede en stabiliteit en gendergelijkheid zijn essentieel voor de ontwikkeling van partnerlanden, en dat die kwesties moeten worden geïntegreerd in het ontwikkelingsbeleid van de Unie, met name in de programmering en in overeenkomsten met partnerlanden.

(8)

Doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, meer transparantie, samenwerking en complementariteit en een betere harmonisatie, afstemming op de partnerlanden, alsmede coördinatie van de procedures, zowel tussen de Unie en haar lidstaten als in de betrekkingen met andere donoren en ontwikkelingsactoren, zijn van essentieel belang om de samenhang en de relevantie van de hulp te garanderen, en tegelijkertijd de door de partnerlanden te dragen kosten te verminderen. In haar ontwikkelingsbeleid streeft de Unie naar de uitvoering van de conclusies van de Verklaring over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, die door het op 2 maart 2005 in Parijs gehouden forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp werd vastgesteld, de Actieagenda van Accra, die op 4 september 2008 werd aangenomen, en de vervolgverklaring, die op 1 december 2011 in Busan werd goedgekeurd. Deze verbintenissen hebben geleid tot een aantal conclusies van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, zoals de EU-gedragscode inzake complementariteit en taakverdeling in het ontwikkelingsbeleid, en het Operationeel kader inzake doeltreffendheid van ontwikkelingshulp. De inspanningen en procedures om gezamenlijke programmering te bewerkstelligen, moeten worden versterkt.

(9)

De bijstand van de Unie dient ondersteuning te geven aan de gemeenschappelijke strategie Afrika-EU, die tijdens de EU-Afrika top van 8 en 9 december 2007 te Lissabon is vastgesteld, en de latere wijzigingen daarop en toevoegingen daaraan, en die is gebaseerd op de gedeelde visie, beginselen en doelstellingen waarop het strategisch partnerschap Afrika-EU berust.

(10)

De Unie en de lidstaten moeten de samenhang, de coördinatie en de complementariteit van hun respectieve ontwikkelingssamenwerkingsbeleid verbeteren, met name door zowel op nationaal als op regionaal niveau in te spelen op de prioriteiten van de partnerlanden en -regio's. Om ervoor te zorgen dat het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de Unie en dat van de lidstaten elkaar aanvullen en versterken, en om ervoor te zorgen dat steun op een kosteneffectieve manier wordt verleend zonder overlappingen en omissies, is het zowel urgent als aangewezen om te voorzien in gezamenlijke programmeringsprocedures die, waar mogelijk en relevant, steeds moeten worden toegepast.

(11)

Het beleid en het internationaal optreden inzake ontwikkelingssamenwerking van de Unie worden gestuurd door de MDO's, zoals het uitbannen van extreme armoede en honger, en door nieuwe internationale ontwikkelingsdoelstellingen van na 2015 die de MDO's wijzigen of vervangen, en waar de Unie mee heeft ingestemd, met inbegrip van alle daarop volgende wijzigingen daarvan, en door de doelstellingen, beginselen en verbintenissen op het gebied van ontwikkeling die Unie en haar lidstaten hebben vastgesteld, onder meer in het kader van hun samenwerking binnen de VN en andere bevoegde internationale fora op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Het beleid en het internationaal optreden van de Unie berusten tevens op haar verbintenissen en verplichtingen inzake de mensenrechten en ontwikkeling, waaronder de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, en de Verklaring van de VN over het recht op ontwikkeling.

(12)

De Unie hecht grote waarde aan gendergelijkheid als mensenrecht, kwestie van sociale rechtvaardigheid en kernwaarde van het ontwikkelingsbeleid van de Unie. Gendergelijkheid staat centraal bij het verwezenlijken van alle MDO's. Op 14 juni 2010 heeft de Raad het EU-actieplan voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in het kader van ontwikkelingssamenwerking (2010-2015) bekrachtigd.

(13)

De Unie moet, bij wijze van hoge prioriteit, een alomvattende benadering bevorderen om te reageren op crises en rampen en op conflictsituaties en onstabiele situaties, met inbegrip van overgangs- en postcrisissituaties. Deze benadering moet met name worden gebaseerd op de conclusies van de Raad van 19 november 2007 inzake een antwoord van de EU op onstabiele situaties en de conclusies van de Raad en de vertegenwoordigers van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, eveneens van 19 november 2007, betreffende veiligheid en ontwikkeling, en moet ook worden gebaseerd op de conclusies van de Raad van 20 juni 2011 inzake conflictpreventie, alsmede op alle relevante later vastgestelde conclusies.

(14)

In het bijzonder in situaties waarin de behoeften het meest urgent zijn en de armoede zowel het meest verbreid als het diepst is, dient de steun van de Unie gericht te zijn op het beter bestand maken van landen en hun bevolkingen tegen ongunstige omstandigheden. Dit moet gebeuren aan de hand van de passende mix van benaderingen, responsen en instrumenten, met name door te waarborgen dat de veiligheidsgeoriënteerde, humanitaire en ontwikkelingsbenaderingen evenwichtig en consistent zijn en doeltreffend worden gecoördineerd, met de koppeling van noodhulp, rehabilitatie en ontwikkeling.

(15)

De bijstand van de Unie moet zich toespitsen op de gebieden waar die het meeste effect heeft, gelet op haar vermogen om overal ter wereld op te treden en te reageren op mondiale uitdagingen, zoals armoedebestrijding, duurzame en inclusieve ontwikkeling en de wereldwijde bevordering van de democratie, goed bestuur, de mensenrechten en de rechtsstaat, alsook haar voorspelbare inzet op lange termijn voor ontwikkelingshulp en haar rol in de coördinatie met de lidstaten. Om dit effect te garanderen moet het differentiatiebeginsel niet alleen bij de toewijzing van middelen, maar ook bij de programmering worden toegepast om ervoor te zorgen dat bilaterale ontwikkelingssamenwerking zich richt op de partnerlanden waar de behoeften het grootst zijn, met inbegrip van fragiele staten en staten met een grote kwetsbaarheid, en die maar beperkte mogelijkheden hebben om toegang te krijgen tot andere financieringsbronnen om hun eigen ontwikkeling te ondersteunen. De Unie dient nieuwe partnerschappen te sluiten met de landen die de bilaterale hulpprogramma's ontgroeid zijn, met name op basis van de regionale en de thematische programma's in het kader van dit instrument en andere thematische instrumenten voor de financiering van het extern optreden van de Unie, in het bijzonder het nieuwe partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen, zoals vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 234/2014 van het Europees Parlement en de Raad (5) („het Partnerschapsinstrument”).

(16)

De Unie moet er, voor een zo groot mogelijk effect van haar externe optreden, op toezien dat de beschikbare middelen zo efficiënt mogelijk worden gebruikt. Dit moet worden bewerkstelligd door middel van een alomvattende benadering van elk land, gebaseerd op samenhang en complementariteit tussen de instrumenten van de Unie voor extern optreden, en door de totstandbrenging van synergieën tussen het instrument uit hoofde van deze verordening, andere instrumenten voor extern optreden en andere beleidsonderdelen van de Unie. Dit moet voorts leiden tot de wederzijdse versterking van de programma's die uit de instrumenten voor de financiering van externe acties voortkomen. Overeenkomstig artikel 21 VEU ziet de Unie toe op de algehele samenhang van haar externe optreden, en zij verzekert de samenhang van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid zoals vereist in artikel 208 VWEU.

(17)

Terwijl het in artikel 208 VWEU opgenomen beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkelingssamenwerking moet worden geëerbiedigd, dient deze verordening het mogelijk te maken de samenhang tussen de beleidsterreinen van de Unie te vergroten en tegelijkertijd de beleidscoherentie voor ontwikkeling na te leven. Zij moet het mogelijk maken het beleid van de Unie volledig af te stemmen op het beleid van de partnerlanden en -regio's door, waar mogelijk, als basis voor de programmering van het optreden van de Unie, gebruik te maken van nationale ontwikkelingsplannen of soortgelijke alomvattende ontwikkelingsdocumenten die zijn vastgesteld in samenwerking met de betrokken nationale en regionale organen, Zij moet bovendien een betere coördinatie tussen donoren nastreven, met name tussen de Unie en haar lidstaten, door middel van gezamenlijke programmering.

(18)

In een geglobaliseerde wereld gaan verschillende interne beleidsterreinen van de Unie, zoals milieu, klimaatverandering, bevordering van hernieuwbare energie, werkgelegenheid (waaronder fatsoenlijk werk voor iedereen), gendergelijkheid, energie, water, vervoer, gezondheid, onderwijs, justitie en veiligheid, cultuur, onderzoek en innovatie, informatiemaatschappij, migratie, en landbouw en visserij, steeds meer deel uitmaken van het extern optreden van de Unie.

(19)

In een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei, te weten groeipatronen die de sociale, economische en territoriale samenhang bevorderen en de armen in staat stellen meer bij te dragen tot of een groter voordeel te halen uit de nationale welvaart, wordt benadrukt dat de Unie in haar interne en externe beleid slimme, inclusieve en duurzame groei moet bevorderen door drie pijlers te bundelen, namelijk de economische, de sociale en de milieuaspecten.

(20)

De bestrijding van de klimaatverandering en de bescherming van het milieu behoren tot de grootste uitdagingen waar de Unie en de ontwikkelingslanden voor staan en waarvoor er dringend een nationaal en internationaal optreden nodig is. Deze verordening moet derhalve bijdragen tot de doelstelling om ten minste 20 % van de begroting van de Unie te besteden aan een koolstofarme en klimaatresistente maatschappij, en het programma voor mondiale collectieve goederen en uitdagingen moet ten minste 25 % van zijn middelen gebruiken ten behoeve van de klimaatverandering en het milieu. Acties op deze gebieden moeten elkaar, waar mogelijk, ondersteunen om hun effecten te vergroten.

(21)

Deze verordening moet de Unie in staat stellen bij te dragen tot het nakomen van de gezamenlijke verbintenis van de Unie om de steun voor de menselijke ontwikkeling voort te zetten teneinde het leven van de mensen te verbeteren. Ten minste 25 % van de steun van het programma voor mondiale collectieve goederen en uitdagingen moet uitgaan naar dat ontwikkelingsgebied.

(22)

Ten minste 20 % van de uit hoofde van deze verordening toegewezen steun moet worden toegewezen voor sociale basisvoorzieningen, met bijzondere aandacht voor gezondheidszorg en onderwijs, en ook voor voortgezet onderwijs, waarbij wordt onderkend dat een bepaalde mate van flexibiliteit de norm moet zijn, bijvoorbeeld als het gaat om steun in uitzonderlijke gevallen. In het in Verordening (EU) nr. 236/2014 van het Europees Parlement en de Raad (6) bedoelde jaarlijkse verslag dienen gegevens over de naleving van dit vereiste te worden opgenomen.

(23)

In het VN-actieprogramma van Istanbul voor de minst ontwikkelde landen voor 2011-2020 hebben de minst ontwikkelde landen zich ertoe verbonden beleidslijnen inzake handel en handelscapaciteitsopbouw op te nemen in de nationale ontwikkelingsstrategieën. Voorts zijn de ministers tijdens de achtste ministeriële conferentie van de Wereldhandelsorganisatie van 15-17 december 2011 te Genève overeengekomen om na 2011 niveaus van „hulp voor handel” aan te houden die op zijn minst het gemiddelde van de periode 2006-2008 weerspiegelen. Deze inspanningen moeten gepaard gaan met betere en doelgerichtere hulp voor handel en handelsbevordering.

(24)

Terwijl thematische programma's in de eerste plaats ontwikkelingslanden moeten ondersteunen, dient niettemin een aantal begunstigden alsmede de landen en gebieden overzee (LGO) die niet de kenmerken hebben om volgens de voorschriften van de Commissie voor ontwikkelingsbijstand van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO/DAC) als ontvanger van officiële ontwikkelingshulp (ODA) te worden aangemerkt, en die vallen onder artikel 1, lid 1, onder b), ook in aanmerking te kunnen komen voor thematische programma's onder de in deze verordening vastgestelde voorwaarden.

(25)

De bijzonderheden inzake de samenwerkingsgebieden en de aanpassingen van de financiële toewijzingen per geografisch gebied en samenwerkingsgebied vormen niet-essentiële onderdelen van deze verordening. Derhalve moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen voor het bijwerken van die elementen van de bijlagen bij deze verordening, die de details beschrijven van de gebieden voor samenwerking ingevolgde geografische en thematische programma's, en de indicatieve financiële toewijzingen per geografisch gebied en samenwerkingsgebied. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens de voorbereiding passend overleg pleegt, onder meer met deskundigen. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

(26)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot de in de in deze verordening bedoelde strategiedocumenten en indicatieve meerjarenprogramma's. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (7).

(27)

Gegeven de aard van dergelijke uitvoeringshandelingen, met name de beleidsgerichte aard ervan en de gevolgen ervan voor de begroting, dient bij de vaststelling ervan in beginsel de onderzoeksprocedure te worden gevolgd behalve in het geval van maatregelen met een kleine financiële omvang.

(28)

De Commissie moet onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vaststellen indien dit, in naar behoren gemotiveerde gevallen die verband houden met de behoefte aan een snelle respons van de Unie, om dwingende redenen van urgentie vereist is.

(29)

De gemeenschappelijke regels en procedures voor de tenuitvoerlegging van de instrumenten voor het externe optreden van de EU zijn vastgelegd in Verordening (EU) nr. 236/2014.

(30)

De organisatie en werking van de Europese Dienst voor extern optreden zijn vastgesteld bij Besluit 2010/427/EU van de Raad (8),

(31)

Daar de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt maar vanwege de omvang van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

(32)

In deze verordening worden voor de gehele looptijd van het instrument financiële middelen vastgelegd die voor het Europees Parlement en de Raad het voornaamste referentiebedrag vormen, in de zin van punt 17 van het interinstitutioneel akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (9), in de loop van de jaarlijkse begrotingsprocedure.

(33)

De looptijd van het programma dient in overeenstemming te worden gebracht met die van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad (10). Bijgevolg is deze verordening van toepassing met ingang 1 januari 2014 tot 31 december 2020,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Bij deze verordening wordt een instrument ingesteld („het instrument voor ontwikkelingssamenwerking”) op grond waarvan de Unie het volgende kan financieren:

a)

geografische programma's om de ontwikkelingssamenwerking te steunen met de ontwikkelingslanden die voorkomen in de lijst van ontvangers van ODA zoals vastgesteld door de OESO/DAC, met uitzondering van:

i)

landen die op 23 juni 2000 in Cotonou de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds (11) hebben ondertekend, uitgezonderd Zuid-Afrika;

ii)

landen die in aanmerking komen voor het Europees Ontwikkelingsfonds;

iii)

landen die in aanmerking komen voor financiering door de Unie uit hoofde van het Europees nabuurschapsinstrument, zoals ingesteld bij Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad (12) (het „Europees nabuurschapsinstrument”);

iv)

begunstigden die in aanmerking komen voor financiering door de Unie uit hoofde van het instrument voor pre-toetredingssteun, zoals ingesteld bij Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad (13) (het „instrument voor pretoetredingssteun”).

b)

thematische programma's om met ontwikkeling verband houdende mondiale collectieve goederen en uitdagingen aan te pakken en organisaties van het maatschappelijk middenveld en plaatselijke overheden in de partnerlanden te ondersteunen overeenkomstig punt a) van dit lid en landen die in aanmerking komen voor financiering door de Unie in het kader van de in punt a), onder i) tot en met iii), van dit lid bedoelde instrumenten, en landen en gebieden die onder Besluit 2013/755/EU van de Raad (14) vallen;

c)

een pan-Afrikaans programma ter ondersteuning van het strategische partnerschap tussen de Unie en Afrika en latere wijzigingen daarop en toevoegingen daaraan, teneinde transregionale, continentale of mondiale activiteiten in en met Afrika mogelijk te maken.

2.   Ten behoeve van deze verordening wordt een regio gedefinieerd als een geografische entiteit die uit meer dan één ontwikkelingsland bestaat.

3.   De in lid 1 bedoelde landen en gebieden worden in deze verordening aangeduid met „partnerlanden” of „partnerregio's” al naar gelang het geval in het desbetreffende geografische, thematische of pan-Afrikaanse programma.

Artikel 2

Doelstellingen en subsidiabiliteitscriteria

1.   In het kader van de beginselen en doelstellingen van het extern optreden van de Unie en van de Europese consensus en overeengekomen wijzigingen daarop:

a)

is het hoofddoel van samenwerking in het kader van deze verordening het terugdringen en, op lange termijn, het uitbannen van armoede;

b)

in overeenstemming met het onder a) genoemde hoofddoel draagt samenwerking in het kader van deze verordening tevens bij tot:

i)

het stimuleren van duurzame economische, sociale en ecologische ontwikkeling; en

ii)

het consolideren en ondersteunen van de democratie, de rechtsstaat, goed bestuur, de mensenrechten en de toepasselijke beginselen van het internationale recht.

De mate waarin de in de eerste alinea genoemde doelstellingen zijn bereikt, wordt gemeten aan de hand van relevante indicatoren, met inbegrip van indicatoren van de menselijke ontwikkeling, met name MDO 1 voor het doel onder genoemd onder a), en MDO 1 tot en met 8 voor de doelen genoemd in lid 1, onder b), en, na 2015, andere door de Unie en haar lidstaten op internationaal niveau overeengekomen indicatoren.

2.   Samenwerking in het kader van deze verordening draagt bij tot de verwezenlijking van de internationale toezeggingen en doelstellingen op het gebied van ontwikkeling waarmee de Unie heeft ingestemd, met name de MDO's en de nieuwe ontwikkelingsdoelstellingen voor na 2015.

3.   Acties in het kader van geografische programma's worden zodanig ontworpen dat zij voldoen aan de ODA-criteria die door de OESO/DAC zijn vastgesteld.

Acties in het kader van thematische en de pan-Afrikaanse programma's worden zodanig ontworpen dat zij voldoen aan de ODA-criteria die door de OESO/DAC zijn vastgesteld, tenzij:

a)

de actie van toepassing is op een begunstigde of gebied dat volgens de OESO/DAC niet als ontvanger van officiële ontwikkelingshulp wordt aangemerkt; of

b)

de actie uitvoering geeft aan een wereldwijd initiatief, een beleidsprioriteit van de Unie of een internationale verplichting of verbintenis van de Unie uitvoert, zoals bedoeld in artikel 6, lid 2, onder b) en e), en de actie niet de kenmerken heeft om aan de ODA-criteria te voldoen.

4.   Onverminderd lid 3, onder a), voldoet ten minste 95 % van de in het kader van de thematische programma's geplande uitgaven en ten minste 90 % van de in het kader van de pan-Afrikaanse programma's geplande uitgaven aan de door de OESO/DAC vastgestelde ODA-criteria.

5.   Acties in de zin van Verordening (EG) nr. 1257/96 van de Raad (15) die voor financiering krachtens die verordening in aanmerking komen, worden in beginsel niet op grond van deze verordening gefinancierd, tenzij de continuïteit van de samenwerking op het traject van crisissituatie naar stabiele omstandigheden voor ontwikkeling moet worden bewaard. In deze gevallen moet in het bijzonder worden toegezien op de doeltreffende samenhang tussen humanitaire hulp, rehabilitatie en ontwikkelingssteun.

Artikel 3

Algemene beginselen

1.   De Unie wil de beginselen waarop zij is gegrondvest, namelijk de democratie, de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, bevorderen, ontwikkelen en bestendigen door middel van dialoog en samenwerking met de partnerlanden en -regio's.

2.   Bij de uitvoering van deze verordening wordt gestreefd naar een gedifferentieerde benadering onder de partnerlanden, om ervoor te zorgen dat zij specifieke, op maat gesneden samenwerking krijgen, op basis van:

a)

hun behoeften, gebaseerd op criteria zoals bevolking, inkomen per hoofd, mate van armoede, inkomensverdeling en niveau van menselijke ontwikkeling;

b)

hun vermogen om financiële middelen te mobiliseren en te gebruiken en hun opnemingsvermogen;

c)

hun verbintenissen en prestaties, gebaseerd op criteria en indicatoren zoals politieke, economische en maatschappelijke vooruitgang, gendergelijkheid, voortgang op het gebied van goed bestuur en de mensenrechten, en het doeltreffend gebruik van hulp, met name de manier waarop een land schaarse ontwikkelingsmiddelen, te beginnen met zijn eigen middelen, gebruikt; en

d)

het potentiële effect van de ontwikkelingshulp van de Unie in partnerlanden.

De meest behoeftige landen, met name de minst ontwikkelde landen, de lage-inkomenslanden en de landen in crisis-, postcrisis- of fragiele en kwetsbare situaties, krijgen prioriteit in de procedure voor de toewijzing van middelen.

Er wordt rekening gehouden met criteria zoals de menselijke ontwikkelingsindex, de economische-kwetsbaarheidsindex en andere relevante indices, onder meer voor het meten van de binnenlandse armoede en ongelijkheid, om de analyse en het bepalen van de meest behoeftige landen te onderbouwen.

3.   Horizontale aspecten zoals gedefinieerd in de Europese consensus worden in alle programma's opgenomen. Voorts worden conflictpreventie, fatsoenlijk werk en de klimaatverandering in voorkomend geval opgenomen.

De in de eerste alinea bedoelde horizontale aspecten omvatten de volgende dimensies, waaraan specifieke aandacht wordt besteed wanneer de omstandigheden zulks vereisen: non-discriminatie, de rechten van personen die tot minderheden behoren, de rechten van personen met een handicap, de rechten van personen met een levensbedreigende ziekte en andere kwetsbare groepen, fundamentele arbeidsrechten en sociale insluiting, de versterking van de positie van vrouwen, rechtsstatelijkheid, capaciteitsopbouw voor parlementen en het maatschappelijk middenveld, en de bevordering van de dialoog, participatie en verzoening, alsmede institutionele opbouw, onder meer op lokaal en regionaal niveau.

4.   Bij het uitvoeren van deze verordening wordt gezorgd voor een coherent beleid inzake ontwikkeling en samenhang met andere gebieden van het extern optreden en met ander relevant beleid van de Unie, overeenkomstig artikel 208 VWEU.

Met het oog hierop worden de in het kader van deze verordening gefinancierde maatregelen, met inbegrip van de maatregelen die door de Europese Investeringsbank (EIB) worden beheerd, gebaseerd op het beleid voor ontwikkelingssamenwerking dat is vastgelegd in instrumenten zoals overeenkomsten, verklaringen en actieplannen tussen de Unie en de betrokken partnerlanden en partnerregio's, en op de relevante besluiten, specifieke belangen, beleidsprioriteiten en strategieën van de Unie.

5.   De Unie en de lidstaten trachten op regelmatige en frequente basis informatie uit te wisselen, ook met andere donoren, en stimuleren een betere coördinatie en complementariteit tussen donoren door te streven naar gezamenlijke meerjarenprogrammering op basis van de armoedebestrijdings- of equivalente ontwikkelingsstrategieën van de partnerlanden. Zij kunnen een gezamenlijk optreden ondernemen, met inbegrip van gezamenlijke analyse en gezamenlijke respons op deze strategieën, waarbij prioritaire sectoren voor steun worden bepaald en een arbeidsverdeling binnen een land wordt vastgesteld, door middel van gezamenlijke donormissies en het gebruik van medefinanciering en gedelegeerde samenwerkingsregelingen.

6.   De Unie bevordert een multilaterale aanpak van de mondiale uitdagingen en werkt hiertoe samen met de lidstaten. In voorkomend geval bevordert zij de samenwerking met internationale organisaties en organen en andere bilaterale donoren.

7.   De betrekkingen tussen de Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de partnerlanden, anderzijds, zijn gebaseerd op en bevorderen gedeelde waarden, te weten de mensenrechten, de democratie en rechtsstatelijkheid, en de beginselen verantwoordelijkheid en wederzijdse verantwoordingsplicht.

Voorts wordt in de betrekkingen met de partnerlanden rekening gehouden met hun engagement en resultaten bij de uitvoering van internationale overeenkomsten en contractuele betrekkingen met de Unie.

8.   De Unie bevordert doelmatige samenwerking met de partnerlanden en partnerregio's overeenkomstig internationaal beproefde methoden. Zij stemt haar steun zoveel mogelijk af op de nationale of regionale ontwikkelingsstrategieën, het hervormingsbeleid en de procedures van haar partners en ondersteunt de democratische eigen verantwoordelijkheid en de binnenlandse en wederzijdse verantwoordingsplicht. Daartoe bevordert zij het volgende:

a)

een ontwikkelingsproces dat transparant is en wordt geleid door en onder de verantwoordelijkheid valt van het partnerland of de partnerregio, met inbegrip van de bevordering van lokale deskundigheid;

b)

een op rechten gebaseerde aanpak waarin alle mensenrechten vervat zitten, zowel burgerrechten als politieke, economische of sociale rechten en culturele rechten, teneinde de mensenrechtenbeginselen te integreren in de uitvoering van deze verordening, de partnerlanden bij te staan bij het nakomen van hun internationale verplichtingen inzake de mensenrechten, en de rechthebbenden, met bijzondere aandacht voor de armen en kwetsbare groepen, te ondersteunen bij het opeisen van hun rechten;

c)

de versterking van de positie van de bevolking van de partnerlanden, inclusieve en participerende ontwikkelingsmethoden en ruime inschakeling van alle segmenten van de samenleving in het ontwikkelingsproces en de nationale en regionale dialoog, waaronder de politieke dialoog. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de respectieve rol van de parlementen, de lokale autoriteiten en het maatschappelijk middenveld, onder meer wat betreft participatie, controle en verantwoordingsplicht;

d)

doelmatige samenwerkingsvormen en -instrumenten, zoals beschreven in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 236/2014, overeenkomstig de beste praktijken van de OESO/DAC, waaronder het gebruik van innovatieve instrumenten zoals het samenvoegen van subsidies en leningen en andere mechanismen voor risicodeling in bepaalde sectoren en landen, en de inzet van de particuliere sector, met inachtneming van de punten schuldhoudbaarheid, het aantal van dergelijke mechanismen en de eis van een systematische beoordeling van de impact overeenkomstig de doelstellingen van deze verordeningen, met name armoedebestrijding.

Alle programma's, acties en samenwerkingsvormen en -instrumenten worden aangepast aan de bijzondere omstandigheden van elk partnerland of -regio, met aandacht voor een programmagerichte benadering, voorspelbare steunverlening, het mobiliseren van particuliere middelen, met inbegrip van middelen uit de lokale particuliere sector, universele en niet-discriminerende toegang tot basisdiensten, en de ontwikkeling en het gebruik van nationale systemen;

e)

(nieuw) de mobilisering van binnenlandse inkomsten en de versterking van het begrotingsbeleid van de partnerlanden, teneinde de armoede terug te dringen en de afhankelijkheid van steun te verminderen;

f)

een beter effect van beleid en programma's door middel van coördinatie, samenhang en harmonisatie tussen donoren om synergieën te creëren en overlapping en herhaling te verminderen, de complementariteit te verbeteren en initiatieven van alle donoren te steunen;

g)

coördinatie in de partnerlanden en -regio's op basis van overeengekomen richtsnoeren en beginselen van beste praktijken inzake de coördinatie en doeltreffendheid van ontwikkelingshulp;

h)

(nieuw) resultaatgerichte ontwikkelingsmethoden, met inbegrip van het gebruik van transparante en door de landen zelf opgestelde resultatenkaders, eventueel gebaseerd op internationaal overeengekomen streefdoelen en indicatoren zoals die van de MDO's voor de beoordeling en mededeling van de resultaten, met inbegrip van opbrengst, resultaten en gevolgen van de ontwikkelingshulp.

9.   De Unie ondersteunt waar nodig de uitvoering van bilaterale, regionale en multilaterale samenwerking en dialoog, de ontwikkelingsdimensie van partnerschapsovereenkomsten en driehoekssamenwerking. De Unie bevordert ook de zuid-zuid-samenwerking.

10.   De Commissie informeert en wisselt regelmatig van gedachten met het Europees Parlement.

11.   De Commissie wisselt regelmatig informatie uit met het maatschappelijk middenveld en de regionale en plaatselijke overheden.

12.   In het kader van haar activiteiten inzake ontwikkelingssamenwerking zal de Unie, waar passend, putten uit de ervaringen van de lidstaten met hervorming en overgang en de geleerde lessen, en deze delen.

13.   De bijstand van de Unie op grond van deze verordening mag niet worden gebruikt ter financiering van de aanschaf van wapens of munitie, militaire acties of acties voor defensiedoeleinden.

TITEL II

PROGRAMMA'S

Artikel 4

Verlening van Unie-bijstand

De bijstand van de Unie wordt overeenkomstig Verordening (EU) nr. 236/2014 verleend door middel van:

a)

geografische programma's;

b)

thematische programma's, bestaande uit:

i)

een programma voor mondiale collectieve goederen en uitdagingen, en

ii)

een programma Organisaties van het maatschappelijk middenveld en plaatselijke overheden, en

c)

een pan-Afrikaans programma.

Artikel 5

Geografische programma's

1.   De samenwerkingsactiviteiten van de Unie uit hoofde van dit artikel zullen door middel van nationale, regionale, transregionale en continentale activiteiten worden uitgevoerd.

2.   Een geografisch programma heeft betrekking op samenwerkingsactiviteiten op relevante terreinen:

a)

op regionaal niveau met partnerlanden als bedoeld in artikel 1, onder a), in het bijzonder ter vergroting van het effect van de schaalverdeling in partnerlanden met grote en groeiende ongelijkheden, of

b)

bilateraal:

i)

met partnerlanden die volgens de lijst van de OESO/DAC van ontwikkelingslanden geen hogere midden-inkomenslanden zijn of geen bruto binnenlands product van meer dan 1 % van het mondiale bruto binnenlands product hebben; en

ii)

in buitengewone gevallen kan, in het bijzonder met als doel het afbouwen van subsidies voor ontwikkeling, bilaterale samenwerking ook plaatsvinden met andere partnerlanden wanneer zulks naar behoren wordt gerechtvaardigd in overeenstemming met artikel 3, lid 2. Het geleidelijk afbouwen geschiedt in nauwe samenwerking met andere donoren. Het beëindigen van dat type samenwerking dient, in voorkomend geval, vergezeld te gaan van een beleidsdialoog met de betrokken landen, waarbij de nadruk ligt op de behoeften van de armste mensen en de meest kwetsbare groepen.

3.   Teneinde de in artikel 2 vastgelegde doelstellingen te verwezenlijken, worden geografische programma's opgesteld op basis van de samenwerkingsgebieden in de Europese consensus inzake ontwikkeling en latere overeengekomen wijzigingen daarop en op basis van de volgende samenwerkingsgebieden:

a)

Mensenrechten, democratie en goed bestuur:

i)

mensenrechten, democratie, mensenrechten en de rechtsstaat;

ii)

gendergelijkheid, het versterken van de positie van en gelijke kansen voor vrouwen;

iii)

beheer van de publieke sector op centraal en lokaal niveau;

iv)

fiscaal beleid en administratie;

v)

bestrijding van corruptie;

vi)

Maatschappelijk middenveld en plaatselijke overheden;

vii)

bevorderen en beschermen van de kinderrechten.

b)

Inclusieve en duurzame groei ten dienste van menselijke ontwikkeling:

i)

gezondheid, onderwijs, sociale bescherming, banen en cultuur;

ii)

bedrijfsklimaat, regionale integratie en wereldmarkten;

iii)

duurzame landbouw, voedsel- en voedingszekerheid;

iv)

duurzame energie;

v)

beheer van natuurlijke hulpbronnen, waaronder grond, bossen en water;

vi)

klimaatverandering en milieu.

c)

Andere gebieden die van belang zijn voor ontwikkeling:

i)

migratie en asiel;

ii)

koppeling van humanitaire hulp en ontwikkelingssamenwerking;

iii)

herstelvermogen en rampenrisicovermindering;

iv)

ontwikkeling en veiligheid, met inbegrip van conflictpreventie.

4.   Verdere gegevens over de in lid 3 bedoelde samenwerkingsgebieden zijn opgenomen in bijlage I.

5.   Binnen elk bilateraal programma zal de Unie haar bijstand in beginsel richten op maximaal drie sectoren, indien mogelijk in overleg met het betrokken partnerland.

Artikel 6

Thematische programma's

1.   De acties bieden in het kader van het thematisch programma een meerwaarde aan, en vormen zij een aanvulling op en één geheel met de acties die worden gefinancierd op grond van de geografische programma's.

2.   Voor de programmering van thematische acties geldt minstens een van de volgende voorwaarden:

a)

de beleidsdoelstellingen van de Unie in het kader van deze verordening kunnen niet op passende of doeltreffende wijze worden verwezenlijkt met geografische programma's, onder meer, in voorkomend geval, indien er geen geografisch programma bestaat of indien dit is opgeschort of indien er met het partnerland geen overeenstemming over de actie is;

b)

de maatregelen geven uitvoering aan wereldomvattende initiatieven ter ondersteuning van internationaal overeengekomen ontwikkelingsdoelstellingen of mondiale collectieve goederen en uitdagingen;

c)

de acties zijn multiregionaal, gelden voor meer dan een land en/of zijn horizontaal van aard;

d)

de maatregelen geven uitvoering aan innovatief beleid of innovatieve initiatieven die in toekomstige acties kunnen resulteren;

e)

de acties weerspiegelen een beleidsprioriteit van de Unie of een internationale verplichting of verbintenis van de Unie met raakvlakken met ontwikkelingssamenwerking.

3.   Tenzij deze verordening anders bepaalt, komen thematische acties rechtstreeks ten goede van de in artikel 1, lid 1, punt b), vermelde landen en gebieden en worden zij in die landen en gebieden uitgevoerd. Dergelijke acties kunnen buiten die landen of gebieden worden uitgevoerd, indien dat de meest efficiënte manier is om de doelstellingen van het betrokken programma te verwezenlijken.

Artikel 7

Mondiale collectieve goederen en uitdagingen

1.   De doelstelling van de bijstand van de Unie in het kader van het programma voor mondiale collectieve goederen en uitdagingen is de ondersteuning van acties op gebieden als:

a)

milieu en klimaatverandering;

b)

duurzame energie;

c)

menselijke ontwikkeling, met inbegrip van fatsoenlijk werk, sociale rechtvaardigheid en cultuur;

d)

voedsel- en voedingszekerheid en duurzame landbouw;

e)

migratie en asiel.

2.   Verdere gegevens over de in lid 1 bedoelde samenwerkingsgebieden zijn opgenomen in bijlage II, deel A.

Artikel 8

Organisaties van het maatschappelijk middenveld en plaatselijke overheden

1.   De doelstelling van de bijstand van de Unie uit hoofde van het programma Organisaties van het maatschappelijk middenveld en plaatselijke overheden is de versterking van de organisaties van het maatschappelijk middenveld en de plaatselijke overheden in de partnerlanden, alsmede, wanneer deze verordening daarin voorziet, in de Unie en de begunstigden van Verordening (EU) nr. 231/2014.

De te financieren acties worden in de eerste plaats uitgevoerd door de organisaties van het maatschappelijk middenveld en de plaatselijke overheden. Deze acties kunnen, in voorkomend geval, met het oog op efficiëntie, worden uitgevoerd door andere actoren ten behoeve van de organisaties van het maatschappelijk middenveld en de plaatselijke overheden.

2.   Verdere gegevens over de samenwerkingsgebieden in de zin van dit artikel staan in deel B van bijlage II.

Artikel 9

Pan-Afrikaans programma

1.   De doestelling van de bijstand van de Unie uit hoofde van het pan-Afrikaans programma is het ondersteunen van het strategisch partnerschap tussen Afrika en de EU, en latere wijzigingen daarop en toevoegingen daarop, zodat activiteiten met een transregionaal, continentaal of mondiaal karakter in en met Afrika mogelijk worden.

2.   Het pan-Afrikaans programma zal de complementariteit en de samenhang met andere onder deze verordening vallende programma's, alsook andere financieringsinstrumenten van het extern optreden van de Unie, met name het Europees Ontwikkelingsfonds en het Europees nabuurschapsinstrument waarborgen.

3.   Verdere gegevens over de samenwerkingsgebieden in de zin van dit artikel staan in bijlage III.

TITEL III

PROGRAMMERING EN TOEWIJZING VAN MIDDELEN

Artikel 10

Algemeen kader

1.   Voor de geografische programma's worden overeenkomstig artikel 11 op basis van een strategiedocument meerjarige indicatieve programma's voor de partnerlanden en -regio's opgesteld.

Voor de thematische programma's worden overeenkomstig artikel 13 meerjarige indicatieve programma's opgesteld.

Het pan-Afrikaanse meerjarige indicatieve programma wordt overeenkomstig artikel 14 opgesteld.

2.   De Commissie stelt de uitvoeringshandelingen vast die worden bedoeld in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 236/2014 op basis van de in de artikelen 11, 13 en 14 van deze verordening bedoelde programmeringsdocumenten.

3.   De steun van de Unie kan echter ook de vorm aannemen van maatregelen waarin de in de artikelen 11, 13 en 14 van deze verordening bedoelde programmadocumenten niet voorzien, overeenkomstig artikel 2 van Verordening (EU) nr. 236/2014.

4.   Bij het opstellen van de programma's in het kader van deze verordening wordt naar behoren rekening gehouden met de situatie van de mensenrechten en de democratie in de partnerlanden. De Unie en de lidstaten plegen in een vroeg stadium van en gedurende het programmeringsproces overleg met elkaar ter bevordering van coherentie, complementariteit en consistentie van hun samenwerkingsactiviteiten. Dit overleg kan leiden tot gezamenlijke programmering tussen de Unie en haar lidstaten. De Unie zal ook andere donoren en ontwikkelingsactoren raadplegen, waaronder vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, plaatselijke overheden en andere uitvoerende instanties. Het Europees Parlement wordt geïnformeerd.

5.   De programmering overeenkomstig deze verordening neemt de mensenrechten en de democratie in partnerlanden in acht.

6.   Het is toegestaan dat in deze verordening bedoelde middelen niet-toegewezen blijven om een passende respons van de Unie bij onvoorziene omstandigheden zeker te stellen, in het bijzonder in kwetsbare, crisis- en postcrisisomstandigheden, alsook om de synchronisatie met de strategiecycli van de partnerlanden en de aanpassing van indicatieve financiële toewijzingen als gevolg van de overeenkomstig artikel 11, lid 6, artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 3, uitgevoerde evaluaties mogelijk te maken. Behoudens latere toewijzing of hertoewijzing overeenkomstig de procedures in artikel 15 wordt naderhand overeenkomstig Verordening (EU) nr. 236/2014 over het gebruik van deze middelen beslist.

Op het niveau van elk programma mag het aandeel niet-toegewezen middelen niet hoger zijn dan 5 %, behalve wanneer het gaat om het op elkaar afstemmen van strategiecycli en de in artikel 12, lid 1, genoemde landen.

7.   Onverminderd artikel 2, lid 3, kan de Commissie een specifieke financiële toewijzing opnemen om partnerlanden en -regio's te helpen hun samenwerking met aan de Unie grenzende ultraperifere regio's te versterken.

8.   In de Programmeringen of herziening van programma's die plaatsvinden na de publicatie van de in artikel 17 van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoeld tussentijdse evaluatie, worden de resultaten, bevindingen en conclusies van dat verslag in acht genomen.

Artikel 11

Programmeringsdocumenten voor geografische programma's

1.   Bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van alle onder dit artikel vallende programmeringsdocumenten, dient te worden voldaan aan de in artikel 3, leden 4 tot en met 8, neergelegde beginselen inzake samenhang in ontwikkelingsbeleid en de doeltreffendheid van hulp, namelijk democratische verantwoordelijkheid, partnerschap, coördinatie, harmonisatie, afstemming op de procedures van het partnerland of de partnerregio, wederzijdse verantwoordingsplicht en resultaatgerichtheid. Waar mogelijk wordt de programmeringsperiode afgestemd op de strategiecycli van het partnerland.

Programmeringsdocumenten voor geografische programma's, waaronder gezamenlijke programmeringsdocumenten, worden, voor zover mogelijk, gebaseerd op een dialoog tussen de Unie, de lidstaten en het betrokken partnerland of de betrokken partnerregio, inclusief de respectieve nationale en regionale parlementen, en voorzien in betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld, de plaatselijke overheden en andere partijen, teneinde het gevoel van verantwoordelijkheid voor het proces te versterken en steun voor nationale ontwikkelingsstrategieën, met name die strategieën welke zijn gericht op armoedebestrijding, aan te moedigen.

2.   Strategiedocumenten zijn door de Unie voor het betrokken partnerland of de betrokken partnerregio opgestelde documenten om een samenhangend kader te verschaffen voor de ontwikkelingssamenwerking tussen de Unie en het betrokken partnerland of de betrokken partnerregio, in overeenstemming met het algemene doel en het toepassingsgebied, de doelstellingen, de beginselen en de beleidsbepalingen van deze verordening.

3.   Er is geen strategiedocument vereist voor:

a)

landen die een nationale ontwikkelingsstrategie hebben in de vorm van een nationaal ontwikkelingsplan of een soortgelijk ontwikkelingsdocument dat door de Commissie is aanvaard als basis voor het daarmee overeenstemmende meerjarig indicatief programma op het moment dat laatstgenoemd document wordt vastgesteld;

b)

landen en -regio's waarvoor een gezamenlijke kaderdocument, waarin een allesomvattende strategie van de Unie, met inbegrip van speciaal hoofdstuk over ontwikkelingsbeleid, is opgenomen;

c)

landen of regio's waarvoor een gezamenlijk meerjarig programmeringsdocument tussen de Unie en de lidstaten is overeengekomen;

d)

regio's die een gezamenlijke met de Unie overeengekomen strategie hebben;

e)

landen waar de Unie voornemens is haar strategie af te stemmen op een nieuwe nationale cyclus die vóór 1 januari 2017 begint; in dergelijke gevallen bevat het meerjarig indicatief programma voor de tussenliggende periode tussen 1 januari 2014 en het begin van de nieuwe nationale cyclus de respons van de Unie voor dat land;

f)

landen of regio's die in het kader van deze verordening een toewijzing van middelen van de Unie ontvangen die voor de periode 2014-2020 niet meer dan 50 000 000 EUR bedraagt.

In de in de eerste alinea, onder b) en f), bedoelde gevallen bevat het meerjarig indicatief programma voor het betrokken land of de betrokken regio de ontwikkelingsstrategie van de Unie voor dat land of die regio.

4.   De strategiedocumenten worden onderworpen aan een tussentijdse evaluatie of, indien nodig, aan een ad-hocevaluatie waarbij in voorkomend geval de beginselen en de procedures worden toegepast die zijn overeengekomen in de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten met de betrokken partnerlanden en -regio's.

5.   Voor elk van de landen of regio's die in het kader van deze verordening een indicatieve toewijzing van Unie-middelen ontvangen, worden meerjarige indicatieve financiële programma's voor geografische programma's opgesteld. Behalve voor de in lid 5, tweede alinea, onder e) en f), en in lid 5 genoemde landen of regio's worden deze documenten opgesteld op basis van de strategiedocumenten of gelijkwaardige documenten zoals bedoeld in lid 5.

Voor de toepassing van deze verordening kan het in lid 3, eerste alinea, onder c), van dit artikel, bedoelde gezamenlijk meerjarig programmeringsdocument als het meerjarig indicatief programma worden beschouwd, mits het in overeenstemming is met de in dit lid vastgestelde beginselen en voorwaarden, met inbegrip van een indicatieve toewijzing van middelen, en met de in artikel 15 vastgestelde procedures.

De meerjarige indicatieve programma's voor geografische programma's bepalen de prioritaire terreinen die voor financiering van de Unie in aanmerking komen, de specifieke doelstellingen, de verwachte resultaten, duidelijke, specifieke en transparante prestatie-indicatoren en de indicatieve financiële toewijzingen, zowel in totaal als per prioritair terrein, en, in voorkomend geval, steuninstrumenten.

De Commissie stelt de meerjarige indicatieve financiële toewijzingen binnen elk geografisch programma vast in overeenstemming met de algemene beginselen van deze verordening, op basis van de in artikel 3, lid 2, vastgestelde criteria en houdt daarbij niet alleen rekening met de specificiteit van de verschillende programma's, maar ook met de specifieke problemen van de landen of regio's die in een crisis- of conflictsituatie verkeren, die kwetsbaar of zwak zijn of gevoelig zijn voor rampen.

In voorkomend geval kunnen de financiële toewijzingen met vermelding van een minimum- en een maximumbedrag worden toegekend en/of kunnen sommige middelen niet worden toegewezen. Na de periode 2014-2020 kunnen geen indicatieve financiële toewijzingen worden gepland, tenzij er na die periode voor die toewijzingen een specifieke regel inzake beschikbaarheid van middelen bestaat.

De meerjarige indicatieve programma's voor geografische programma's kunnen zo nodig worden geëvalueerd op basis van de resultaten van tussentijdse of ad-hocevaluaties van het strategiedocument waarop zij gebaseerd zijn, bijvoorbeeld met het oog op doeltreffende uitvoering.

Indicatieve financiële toewijzingen, prioriteiten, specifieke doelstellingen, verwachte resultaten, prestatie-indicatoren en, in voorkomend geval, steuninstrumenten, kunnen ook worden aangepast als gevolg van evaluaties, met name na een crisis- of een postcrisissituatie.

In dergelijke evaluaties wordt aandacht besteed aan de behoeftenen ook het engagement en de vorderingen met betrekking tot overeengekomen ontwikkelingsdoelstellingen, waaronder die waarin verwezen wordt naar mensenrechten, democratie, rechtsstaat en goed bestuur.

6.   De Commissie rapporteert in de in artikel 17 van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoelde tussentijdse evaluatie over de gezamenlijke programmering met de lidstaten, en doet daarin aanbevelingen wanneer de gezamenlijke programmering niet geheel is voltooid.

Artikel 12

Programmering voor landen en regio's in een crisis-, postcrisis- of kwetsbare situatie

1.   Bij het opstellen van programmeringsdocumenten voor de landen en regio's in crisis-, postcrisis- of kwetsbare situaties of die vaak met natuurrampen te kampen hebben, moet terdege rekening gehouden worden met de kwetsbaarheid, de speciale behoeften en de omstandigheden van de betrokken landen of regio's.

Voldoende aandacht moet worden besteed aan conflictpreventie, staat- en vredesopbouw, postconflictverzoening en maatregelen voor de wederopbouw en aan de rol van vrouwen en de rechten van kinderen in deze processen.

Ten aanzien van partnerlanden of -regio's die rechtstreeks betrokken zijn bij of getroffen worden door een crisis-, postcrisis- of kwetsbare situatie, wordt bijzondere nadruk gelegd op versterking van de coördinatie tussen hulp, rehabilitatie en ontwikkeling onder alle relevante actoren teneinde de overgang van noodsituatie naar ontwikkelingsfase te bevorderen.

Voor de landen en regio's in een kwetsbare situatie of waar zich regelmatig natuurrampen voordoen, ligt de nadruk op de voorbereiding op en het voorkomen van rampen en de beheersing van de gevolgen van dit soort rampen, en wordt de kwetsbaarheid voor schokken aangepakt en de weerbaarheid van mensen versterkt.

2.   De Commissie kan, om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie, zoals crisissituaties of directe bedreigingen voor de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten of de fundamentele vrijheden, onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vaststellen, overeenkomstig de procedure van artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 236/2014 om de in artikel 11 van deze verordening bedoelde strategiedocumenten en de meerjarige indicatieve programma's te herzien en te wijzigingen.

In dergelijke evaluaties mogen voorstellen voor een specifieke en gewijzigde strategie worden opgenomen, die erop is gericht om de overgang naar samenwerking en ontwikkeling op lange termijn zeker te stellen, waarbij een betere coördinatie en overgang tussen de instrumenten voor humanitaire hulp en die voor ontwikkelingsbeleid worden bevorderd.

Artikel 13

Programmeringsdocumenten voor geografische programma's

1.   Meerjarige indicatieve programma's voor thematische programma's leggen de strategie van de Unie voor het betrokken thema vast, alsmede, met betrekking tot het programma voor mondiale collectieve goederen en uitdagingen, voor elk samenwerkingsgebied, de prioritaire terreinen die voor financiering door de Unie in aanmerking komen, de specifieke doelstellingen, de verwachte resultaten, duidelijke, specifieke en transparante prestatie-indicatoren, de internationale situatie en de activiteiten van de belangrijkste partners, en, indien toepasselijk, de steuninstrumenten.

Indien van toepassing worden middelen en prioritaire acties voor deelname aan mondiale initiatieven vastgelegd.

De indicatieve meerjarenprogramma's voor thematische programma's vormen een aanvulling op de geografische programma's en zijn samenhangend met de in artikel 11, lid 2, bedoelde strategiedocumenten.

2.   De meerjarige indicatieve programma's voor thematische programma's vermelden de indicatieve financiële toewijzing, zowel in totaal, per samenwerkingsgebied als per prioriteit. Eventueel kan deze indicatieve financiële toewijzing met vermelding van een minimum- en een maximumbedrag worden toegekend en/of kunnen sommige middelen niet worden toegewezen.

De meerjarige indicatieve programma's voor thematische programma's worden indien nodig op basis van de resultaten van de tussentijdse en ad-hocevaluaties aangepast met het oog op een doeltreffende uitvoering.

Indicatieve financiële toewijzingen, prioriteiten, specifieke doelstellingen, verwachte resultaten, prestatie-indicatoren en, in voorkomend geval, steuninstrumenten, kunnen ook worden aangepast als gevolg van evaluaties.

Artikel 14

Programmeringsdocumenten voor het pan-Afrikaans programma

1.   De voorbereiding, uitvoering en evaluatie van de programmeringsdocumenten voor het pan-Afrikaans programma moet in overeenstemming zijn met de beginselen inzake doeltreffendheid van hulp als bedoeld in artikel 3, leden 4 tot en met 8.

De programmeringsdocumenten voor het pan-Afrikaans programma wordt gebaseerd op een dialoog waarbij alle relevante belanghebbenden worden betrokken, zoals het pan-Afrikaans Parlement.

2.   Het meerjarig indicatief programma voor het pan-Afrikaanse programma bepaalt de prioriteiten die voor financiering in aanmerking komen, de specifieke doelstellingen, de verwachte resultaten, duidelijke, specifieke en transparante prestatie-indicatoren en, in voorkomend geval, de steuninstrumenten.

De indicatieve meerjarenprogramma's voor het pan-Afrikaans programma stroken met de geografische en thematische programma's.

3.   De indicatieve meerjarenprogramma's voor het pan-Afrikaans programma vermelden de indicatieve financiële toewijzing, zowel in totaal, per activiteitengebied als per prioriteit. Eventueel kan deze indicatieve financiële toewijzing met vermelding van een minimum- en een maximumbedrag worden toegekend.

Het indicatieve meerjarenprogramma voor het pan-Afrikaans programma wordt indien nodig herzien om in te spelen op onvoorziene uitdagingen of uitvoeringsproblemen, en zodat rekening wordt gehouden met evaluaties van het strategisch partnerschap.

Artikel 15

Goedkeuring van strategiedocumenten en vaststelling van indicatieve meerjarenprogramma's

1.   De in artikel 11 bedoelde strategiedocumenten worden door de Commissie goedgekeurd en de in de artikelen 11, 13 en 14 bedoelde indicatieve meerjarenprogramma's worden door de Commissie vastgesteld door middel van uitvoeringshandelingen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 16, lid 3, van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoelde onderzoeksprocedure. Die procedure wordt ook gevolgd voor evaluaties die als gevolg hebben dat de strategie of de programmering ervan aanzienlijk wordt gewijzigd.

2.   Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie, zoals crisissen of onmiddellijke bedreigingen van de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten of de fundamentele vrijheden, kan de Commissie de in artikel 11 van deze verordening bedoelde strategiedocumenten en de in de artikelen 11, 13 en 14 van deze verordening bedoelde indicatieve meerjarenprogramma's evalueren volgens de in artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoelde spoedprocedure.

TITEL IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 16

Deelname door een onder deze verordening niet in aanmerking komend derde land

In uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde omstandigheden en onverminderd artikel 2, lid 3, van deze verordening kan de Commissie, om de samenhang en de doeltreffendheid van de financiering van de Unie te garanderen of om regionale of transregionale samenwerking te stimuleren, binnen de indicatieve meerjarenprogramma's overeenkomstig artikel 15 van deze verordening of de desbetreffende uitvoeringsmaatregelen overeenkomstig artikel 2 van Verordening (EU) nr. 236/2014 beslissen de subsidiabiliteit van acties uit te breiden tot landen en gebieden die anders op grond van artikel 1 van deze verordening niet in aanmerking zouden komen voor financiering, indien de uit te voeren actie mondiaal, regionaal, transregionaal of grensoverschrijdend is.

Artikel 17

Bevoegdheidsdelegatie aan de Commissie

1.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 18 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot wijzigingen van:

a)

de nadere gegevens over de samenwerkingsgebieden bedoeld in:

i)

artikel 5, lid 3, zoals omschreven in bijlage I, delen A en B;

ii)

artikel 7, lid 2, zoals omschreven in bijlage II, deel A;

iii)

artikel 8, lid 2, zoals omschreven in bijlage II, deel B;

iv)

artikel 9, lid 3, zoals omschreven in bijlage III, in het bijzonder in het kader van de follow-up van topontmoetingen EU-Afrika;

b)

indicatieve financiële toewijzingen in het kader van de geografische programma's en in het kader van het thematisch programma voor mondiale collectieve goederen en uitdagingen, zoals omschreven in bijlage IV. Wijzigingen mogen niet tot gevolg hebben dat het oorspronkelijke bedrag met meer dan 5 % wordt verminderd, behalve met betrekking tot toewijzingen zoals omschreven in bijlage IV, punt 1, onder b).

2.   De Commissie stelt in het bijzonder uiterlijk 31 maart 2018 na de publicatie van het in artikel 17 van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoelde tussentijds verslag en op basis van de daarin opgenomen aanbevelingen, de in lid 1 van dit artikel bedoelde gedelegeerde handelingen vast.

Artikel 18

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 17 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor de geldigheidsduur van deze verordening.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 17 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 17 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van de termijn van twee maanden de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 19

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité („het DCI-comité”). Dat is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Een waarnemer van de EIB neemt deel aan de werkzaamheden van het DCI-comité voor wat betreft kwesties die betrekking hebben op de EIB.

Artikel 20

Financiële middelen

1.   De financiële middelen voor de uitvoering van deze verordening voor de periode 2014-2020 bedragen 19 661 639 000 EUR.

De jaarlijkse kredieten door het Europees Parlement en de Raad toegestaan binnen de grenzen van het meerjarig financieel kader.

2.   De indicatieve bedragen die voor de periode 2014-2020 aan de in de artikelen 5 tot en met 9 bedoelde programma's zijn toegewezen, zijn vastgelegd in bijlage IV.

3.   Overeenkomstig artikel 18, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad (16) wordt een indicatief bedrag van 1 680 000 000 EUR van de verschillende instrumenten voor de financiering van externe actie (het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking, het Europees nabuurschapsinstrument, partnerschapsinstrument en het instrument voor pretoetredingssteun) toegewezen aan acties die verband houden met leermobiliteit naar en vanuit partnerlanden als bedoeld in Verordening (EU) nr. 1288/2013 en aan samenwerking en beleidsdialoog met overheden, instellingen en organisaties uit die landen.

Verordening (EU) nr. 1288/2013 zal van toepassing zijn op het gebruik van deze middelen.

De middelen zullen ter beschikking worden gesteld door middel van twee meerjarige toewijzingen die respectievelijk de eerste vier en de overige drie jaar bestrijken. De toewijzing van deze middelen wordt opgenomen in de meerjarige indicatieve programmering van het instrument uit hoofde van deze verordening, in overeenstemming met de vastgestelde behoeften en prioriteiten van de betrokken landen. De toewijzingen kunnen worden herzien in geval van ernstige onvoorziene omstandigheden of politieke veranderingen in overeenstemming met de externe prioriteiten van de Unie.

4.   De middelen uit hoofde van deze verordening voor de in lid 3 bedoelde acties mogen het bedrag van 707 000 000 EUR niet overschrijden. De middelen worden geput uit de financiële toewijzingen voor geografische programma's, en de verwachte regionale verdeling en het soort acties worden nader aangeduid. De financiële middelen uit deze verordening die bestemd zijn voor de financiering van maatregelen uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1288/2013 worden gebruikt voor acties in de onder deze verordening vallende partnerlanden, met bijzondere aandacht voor de armste landen. Mobiliteit van studenten en personeel met financiering van deze verordening moet gericht zijn op terreinen die relevant zijn voor de inclusieve en duurzame ontwikkeling van de ontwikkelingslanden.

5.   De Commissie neemt in haar jaarverslag over de tenuitvoerlegging van deze verordening als bedoeld in artikel 13 van Verordening (EU) nr. 236/2014 een lijst op van alle acties als bedoeld in lid 3 van dit artikel, die zijn gefinancierd uit middelen die afkomstig zijn van dit artikel, alsook de mate waarin de doelstellingen en beginselen als uiteengezet in de artikelen 2 en 3 van deze verordening bij deze acties worden nageleefd.

Artikel 21

Europese Dienst voor extern optreden

Deze verordening wordt toegepast in overeenstemming met Besluit 2010/427/EU.

Artikel 22

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 11 maart 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

D. KOURKOULAS


(1)  PB C 391 van 18.12.2012, blz. 110.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 11 december 2013 en besluit van de Raad van 11 maart 2014.

(3)  Verordening (EG) nr. 1905/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (PB L 378 van 27.12.2006, blz. 14).

(4)  PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.

(5)  Verordening (EU) nr. 234/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen (zie bladzijde 77 van dit Publicatieblad).

(6)  Verordening (EU) nr. 236/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften en procedures voor de tenuitvoerlegging van de instrumenten voor extern optreden van de Unie (zie bladzijde 95 van dit Publicatieblad).

(7)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2001, blz. 13).

(8)  Besluit 2010/247/EU van de Raad van 26 juli 2010 tot vaststelling van de organisatie en werking van de Europese dienst voor extern optreden (PB L 201 van 3.8.2010, blz. 30).

(9)  PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(10)  Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014–2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884).

(11)  PB L 317 van 15.12 2000, blz. 3.

(12)  Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een Europees nabuurschapinstrument (zie bladzijde 27 van dit Publicatieblad).

(13)  Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA II) (zie bladzijde 11 van dit Publicatieblad).

(14)  Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de LGO met de Europese Economische Unie („LGO-besluit”) (PB L 344 van 19.12.2013).

(15)  Verordening (EG) nr. 1257/96 van de Raad van 20 juni 1996 betreffende humanitaire hulp (PB L 163 van 2.7.1996, blz. 1).

(16)  Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van „Erasmus+”: het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 50).


BIJLAGE I

SAMENWERKINGSGEBIEDEN IN HET KADER VAN GEOGRAFISCHE PROGRAMMA'S

A.   GEMEENSCHAPPELIJKE SAMENWERKINGSGEBIEDEN IN HET KADER VAN GEOGRAFISCHE PROGRAMMA'S

De geografische programma's worden opgesteld op basis van de hierna vastgestelde samenwerkingsgebieden, die niet met sectoren mogen worden gelijkgesteld. Er zullen prioriteiten worden vastgesteld overeenkomstig de door de Europese Unie aangegane, internationale verbintenissen op het gebied van ontwikkelingsbeleid, met name de MDO's en de internationaal overeengekomen nieuwe ontwikkelingsdoelstellingen voor de tijd na 2015, die de MDO's wijzigen of vervangen, en op basis van een beleidsdialoog met elk van de in aanmerking komende partnerlanden of partnerregio's.

I.   Mensenrechten, democratie en goed bestuur

a)   Mensenrechten, democratie en de rechtsstaat:

i)

ondersteunen van democratisering en versterken van democratische instellingen, inclusief het versterken van de rol van parlementen;

ii)

versterken van de rechtsstaat en van de onafhankelijkheid van de rechts- en de beschermingsstelsels, en garanderen van de onbelemmerde en gelijke toegang tot justitie voor iedereen;

iii)

steun verlenen aan de transparante en verantwoordelijke werking van instellingen en aan decentralisatie; bevorderen van een participerende binnenlandse sociale dialoog en andere dialogen over bestuur en mensenrechten;

iv)

bevorderen van de vrijheid van media, inclusief wat betreft de moderne communicatiemiddelen;

v)

bevorderen van politiek pluralisme, van de bescherming van burgerrechten, culturele, economische, politieke en sociale rechten en van de bescherming van personen die tot minderheden en tot de meest kwetsbare groepen behoren;

vi)

steun verlenen aan de bestrijding van discriminatie en discriminerende praktijken op welke grond ook, onder meer raciale of etnische afkomst, kaste, godsdienst of geloof, geslacht, genderidentiteit of seksuele gerichtheid, sociale afstamming, handicap, gezondheidstoestand of leeftijd;

vii)

bevorderen van inschrijving in de registers van de burgerlijke stand, met name inschrijving in de geboorte- en de overlijdensregisters.

b)   Gendergelijkheid, versterking van de positie van en gelijke kansen voor vrouwen:

i)

bevorderen van gendergelijkheid en gelijke kansen;

ii)

beschermen van de rechten van vrouwen en meisjes, onder meer door acties ter bestrijding van kinderhuwelijken en andere schadelijke traditionele praktijken zoals genitale verminking van vrouwen en alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes, en door steun te verlenen aan de slachtoffers van gendergerelateerd geweld;

iii)

bevorderen van de versterking van de positie van vrouwen, met inbegrip van de rol van de vrouw als ontwikkelingsactor en vredestichter.

c)   Beheer van de publieke sector op centraal en lokaal niveau:

i)

steun verlenen aan de ontwikkeling van de publieke sector met als doel het verhogen van de universele en niet-discriminerende toegang tot basisdiensten, met name op het gebied van gezondheid en onderwijs;

ii)

ondersteunen van programma's ter verbetering van de beleidsformulering, het beheer van de overheidsfinanciën, met inbegrip van het invoeren en uitbreiden van audit-, controle- en fraudebestrijdingsinstellingen en -maatregelen, en institutionele ontwikkeling, met inbegrip van personeelsmanagement;

iii)

versterken van de technische deskundigheid van parlementen, zodat zij een oordeel kunnen vellen over en kunnen bijdragen aan de opstelling van en het toezicht op de nationale begrotingen, met inbegrip van binnenlandse ontvangsten uit ontginning van hulpbronnen en belastingkwesties.

d)   Fiscaal beleid en administratie:

i)

steun verlenen aan de opzet of versterking van eerlijke, transparante, effectieve, progressieve en duurzame binnenlandse belastingstelsels;

ii)

versterken van de controlecapaciteit in ontwikkelingslanden in de strijd tegen belastingontduiking en illegale geldstromen;

iii)

steun verlenen aan het opstellen en verspreiden van informatie over belastingfraude en de gevolgen daarvan, met name door toezichtsorganen, parlementen en organisaties van het maatschappelijk middenveld;

iv)

steun verlenen aan multilaterale en regionale initiatieven op het gebied van belastingadministratie en belastinghervormingen;

v)

steun verlenen aan ontwikkelingslanden om op een meer doeltreffende manier deel te nemen aan structuren en processen voor internationale samenwerking op belastinggebied;

vi)

steun verlenen aan het opnemen in de wetgeving van partnerlanden van verslaglegging per land en per project voor het vergroten van de financiële transparantie.

e)   Bestrijding van corruptie:

i)

bijstand verlenen aan partnerlanden bij het bestrijden van alle vormen van corruptie, onder meer door belangenbehartiging, bewustmaking en verslaglegging;

ii)

versterken van de capaciteit van controle- en toezichtsorganen en van het gerechtelijk apparaat.

f)   Maatschappelijk middenveld en plaatselijke overheden:

i)

steun verlenen aan de capaciteitsopbouw van organisaties van het maatschappelijk middenveld zodat zij hun stem beter kunnen laten horen en actiever kunnen deelnemen aan het ontwikkelingsproces en om de politieke, sociale en economische dialoog te bevorderen;

ii)

steun verlenen aan de capaciteitsopbouw van plaatselijke overheden en hun deskundigheid inzetten om een territoriale aanpak voor ontwikkeling te bevorderen, onder meer door decentralisatieprocessen;

iii)

bevorderen van een gunstig klimaat voor burgerparticipatie en acties vanuit het maatschappelijk middenveld.

g)   Bevorderen en beschermen van de kinderrechten:

i)

bevorderen van het verkrijgen van rechtsgeldige documenten;

ii)

ondersteunen van een adequate en gezonde levensstandaard en het opgroeien tot gezonde volwassenen;

iii)

waarborgen van basisonderwijs voor iedereen.

II.   Inclusieve en duurzame groei ten dienste van menselijke ontwikkeling

a)   Gezondheid, onderwijs, sociale bescherming, banen en cultuur:

i)

ondersteunen van sectorale hervormingen die de toegang tot sociale basisvoorzieningen verbeteren, met name kwalitatief hoogwaardige gezondheidsvoorzieningen en onderwijs, met een bijzondere nadruk op de daaraan gerelateerde MDO's en op de toegang voor arme, gemarginaliseerde en kwetsbare groepen tot dergelijke voorzieningen;

ii)

versterken van plaatselijke capaciteit om te reageren op mondiale, regionale en plaatselijke uitdagingen, onder meer via de inzet van sectorale begrotingssteun met een intensievere politieke dialoog;

iii)

versterken van de gezondheidsstelsels, onder meer door het nijpende tekort aan gekwalificeerd personeel in de gezondheidszorg aan te pakken, de gezondheidszorg op eerlijke wijze te financieren en medicijnen en vaccins beter betaalbaar te maken voor armen;

iv)

stimuleren van de volledige en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van het Actieprogramma van Peking, en het actieprogramma van de Internationale Conferentie over Bevolking en Ontwikkeling, en de resultaten van hun toetsingsconferenties en in dit verband de aspecten seksuele en reproductieve gezondheid en rechten;

v)

garanderen van een toereikende voorziening van betaalbaar en kwalitatief goed drinkwater, adequate sanitaire voorzieningen en hygiëne;

vi)

versterken van de steun voor en gelijke toegang tot hoogwaardig onderwijs;

vii)

ondersteunen van beroepsopleidingen voor inzetbaarheid en van de capaciteit om onderzoeksresultaten uit te voeren en te gebruiken ten gunste van duurzame ontwikkeling;

viii)

steun verlenen aan nationale stelsels van sociale bescherming en socialebeschermingsniveaus, waaronder socialeverzekeringsstelsels voor gezondheids- en pensioenregelingen, met bijzondere aandacht voor het verminderen van ongelijkheid;

ix)

ondersteunen van de agenda voor fatsoenlijk werk, en bevorderen van de sociale dialoog;

x)

bevorderen van interculturele dialoog, van culturele verscheidenheid en van eerbiediging van de gelijke waardigheid van alle culturen;

xi)

bevorderen van internationale samenwerking die de cultuurindustrie doet bijdragen aan de economische groei in ontwikkelingslanden en aldus haar volle potentieel bij de armoedebestrijding tot gelding brengt, met aandacht voor thema's als markttoegang en intellectuele-eigendomsrechten.

b)   Bedrijfsklimaat, regionale integratie en wereldmarkten:

i)

steun verlenen aan de ontwikkeling van een concurrerende lokale particuliere sector, onder meer door het uitbreiden van de capaciteit van lokale instellingen en bedrijven;

ii)

steun verlenen aan de ontwikkeling van plaatselijke productiesystemen en van plaatselijke ondernemingen, waaronder groene ondernemingen;

iii)

stimuleren van kleine en middelgrote ondernemingen, van micro-ondernemingen en coöperaties en bevorderen van de eerlijke handel;

iv)

bevorderen van de ontwikkeling van plaatselijke, binnenlandse en regionale markten, waaronder markten voor milieugoederen en -diensten;

v)

steun verlenen aan de hervorming en handhaving van wet- en regelgevingskaders;

vi)

faciliteren van de toegang tot zakelijke en financiële diensten zoals microkrediet en microsparen, microverzekeringen en betalingsoverdracht;

vii)

ondersteunen van de handhaving van internationaal overeengekomen arbeidsrechten;

viii)

invoeren en verbeteren van wetgeving en kadasters ter bescherming van eigendomsrechten op grond en intellectuele-eigendomsrechten;

ix)

bevorderen van beleid inzake onderzoek en innovatie dat bijdraagt tot duurzame en inclusieve ontwikkeling;

x)

bevorderen van investeringen die duurzame werkgelegenheid genereren, onder meer door middel van gemengde regelingen, met aandacht voor het financieren van binnenlandse bedrijven en het aantrekken van binnenlands kapitaal, met name op het niveau van het mkb, en ondersteunen van de ontwikkeling van het menselijk kapitaal;

xi)

verbeteren van de infrastructuur met volledige eerbiediging van de sociale en milieunormen;

xii)

bevorderen van een sectorale aanpak voor duurzaam vervoer door tegemoet te komen aan de behoeften van de partnerlanden, door de veiligheid, betaalbaarheid en efficiëntie van het vervoer te garanderen en door de negatieve gevolgen voor het milieu tot een minimum te beperken;

xiii)

aangaan van betrekkingen met de particuliere sector ter bevordering van maatschappelijk verantwoorde en duurzame ontwikkeling, bevorderen van het maatschappelijk en ecologisch verantwoord en verantwoordingsplichtig ondernemen en de sociale dialoog;

xiv)

assisteren van ontwikkelingslanden bij hun inspanningen op het gebied van handel en regionale en continentale integratie, verlenen van bijstand voor de vlotte en geleidelijke integratie van deze landen in de wereldeconomie;

xv)

steun verlenen aan een meer universele toegang tot informatie- en communicatietechnologieën teneinde de digitale kloof te dichten.

c)   Duurzame landbouw, voedsel- en voedingszekerheid:

i)

ontwikkelingslanden helpen om bestand te zijn tegen schokken (zoals gebrek aan middelen en aanvoer, prijsvolatiliteit) en bij het wegwerken van ongelijkheden door mensen in armoede een betere toegang te geven tot grond, voedsel, water, energie en financiële middelen zonder schade toe te brengen aan het milieu;

ii)

steun verlenen aan duurzame landbouwpraktijken en relevant landbouwonderzoek, en aandacht besteden aan kleinschalige landbouw en bestaanszekerheid op het platteland;

iii)

ondersteunen van vrouwen in de landbouw;

iv)

aanmoedigen van overheidsinspanningen om in maatschappelijk en ecologisch opzicht verantwoorde particuliere investeringen te faciliteren;

v)

steun verlenen aan een strategische aanpak voor voedselzekerheid, gericht op de beschikbaarheid van voedsel, toegang tot voedsel, infrastructuur, opslag en voeding;

vi)

aanpakken van voedselonzekerheid en ondervoeding door basismaatregelen te nemen in overgangssituaties en onstabiele situaties;

vii)

steun verlenen aan door landen geleide, participerende, gedecentraliseerde en ecologisch duurzame territoriale ontwikkeling.

d)   Duurzame energie:

i)

verbeteren van de toegang tot moderne, betaalbare, duurzame, efficiënte, schone en hernieuwbare energiediensten;

ii)

bevorderen van lokale en regionale duurzame-energieoplossingen en gedecentraliseerde energieproductie.

e)   Beheer van natuurlijke hulpbronnen, waaronder grond, bossen en water, met name:

i)

het ondersteunen van processen en instanties voor toezicht en bijdragen aan bestuurlijke hervormingen die duurzaam en transparant beheer en het behoud van natuurlijke hulpbronnen bevorderen;

ii)

bevorderen van een billijke toegang tot water, alsmede van geïntegreerd beheer van watervoorraden en van beheer van stroomgebieden;

iii)

bevorderen van de bescherming en van het duurzaam gebruik van biodiversiteit en ecosysteemdiensten;

iv)

bevorderen van duurzame productie- en consumptiepatronen en een veilig en duurzaam beheer van chemische stoffen en afval, rekening houdend met de gevolgen daarvan voor de gezondheid.

f)   Klimaatverandering en milieu:

i)

bevorderen van het gebruik van schonere technologieën, duurzame energie en het efficiënt gebruik van hulpbronnen met het oog op de verwezenlijking van een koolstofarme ontwikkeling, waarbij tegelijkertijd de milieunormen worden versterkt;

ii)

de ontwikkelingslanden beter bestand maken tegen de gevolgen van klimaatverandering door steun te verlenen aan op het ecosysteem gebaseerde aanpassing aan en beperking van de klimaatverandering en aan maatregelen om het risico van rampen te beperken;

iii)

steun verlenen aan de tenuitvoerlegging van de relevante multilaterale milieuovereenkomsten, met name de versterking van de milieudimensie van het institutionele kader voor duurzame ontwikkeling en de bevordering van de bescherming van biodiversiteit;

iv)

partnerlanden helpen het hoofd te bieden aan de uitdaging van ontheemden en migratie door de gevolgen van de klimaatverandering, en bij het weer opbouwen van de leefomgeving van klimaatvluchtelingen.

III.   Andere gebieden die van belang zijn voor ontwikkeling

a)   Migratie en asiel:

i)

ondersteunen van doelgerichte inspanningen om de onderlinge relatie tussen migratie, mobiliteit, werkgelegenheid en armoedebestrijding ten volle te benutten, teneinde migratie tot een positieve factor voor ontwikkeling te maken en de braindrain te verminderen;

ii)

steun verlenen aan ontwikkelingslanden bij de vaststelling van een langetermijnbeleid voor het beheren van migratiestromen, waarin de mensenrechten van de migranten en hun families worden geëerbiedigd en hun sociale bescherming wordt verbeterd.

b)   Koppeling van humanitaire hulp en ontwikkelingssamenwerking:

i)

wederopbouw en rehabilitatie, op de middellange en lange termijn, van regio's en landen die door conflicten, natuurrampen en door mensen veroorzaakte rampen zijn getroffen;

ii)

uitvoeren van activiteiten op de middellange en lange termijn die gericht zijn op zelfvoorziening en integratie of re-integratie van ontwortelde bevolkingsgroepen door het koppelen van humanitaire hulp, rehabilitatie en ontwikkeling.

c)   Veerkracht en rampenrisicovermindering:

i)

in onstabiele situaties basisdienstverlening ondersteunen en in samenwerking met het betrokken land legitieme, doeltreffende en veerkrachtige staatsinstellingen, alsmede een actief en georganiseerd maatschappelijk middenveld opbouwen;

ii)

bijdragen tot een preventieve aanpak inzake kwetsbaarheid van de staten, conflicten, natuurrampen en andere crisissituaties door de partnerlanden en de regionale organisaties te helpen bij hun inspanningen ter versterking van de systemen voor vroegtijdige waarschuwing en de opbouw van democratisch bestuur en institutionele capaciteit,

iii)

steun verlenen aan rampenrisicovermindering, rampenparaatheid, rampenpreventie en het beheer van de gevolgen van rampen.

d)   Ontwikkeling en veiligheid, met inbegrip van conflictpreventie:

i)

aanpakken van de onderliggende oorzaken van conflicten, waaronder armoede, achteruitgang, uitbuiting, ongelijke verdeling van en toegang tot grond en natuurlijke hulpbronnen, zwak bestuur, mensenrechtenschendingen en genderongelijkheid, als middel om conflictpreventie, conflictbeslechting en vredesopbouw te ondersteunen;

ii)

stimuleren van dialoog, participatie en verzoening teneinde vrede te bevorderen en het uitbreken van geweld te voorkomen, in overeenstemming met internationale beste praktijken;

iii)

aanmoedigen van samenwerking en beleidshervormingen inzake veiligheid en justitie, bestrijding van drugshandel en andere illegale handel, mensenhandel daaronder begrepen, corruptie en witwaspraktijken.

B.   SPECIFIEKE SAMENWERKINGSGEBIEDEN PER REGIO

De bijstand van de Unie ondersteunt acties en sectorale dialogen die in overeenstemming zijn met artikel 5 en bijlage I, deel A, en met het algemene doel en het toepassingsgebied, de doelstelling en de algemene beginselen van deze verordening. Er wordt bijzondere aandacht geschonken aan de hieronder beschreven gebieden, die aansluiten op gezamenlijk overeengekomen strategieën.

I.   Latijns-Amerika

a)

bevorderen van sociale cohesie, in het bijzonder sociale insluiting, fatsoenlijk werk en gelijke kansen, gendergelijkheid en het versterken van de positie van vrouwen;

b)

aanpakken van bestuursaangelegenheden en ondersteunen van beleidshervormingen, vooral op het gebied van sociaal beleid, beheer van overheidsfinanciën en fiscaliteit, veiligheid (met inbegrip van drugs, criminaliteit en corruptie), versterken van goed bestuur, openbare instellingen op lokaal, regionaal en nationaal vlak (onder meer via innovatieve mechanismen voor het tot stand brengen van technische samenwerking, bv. het Bureau voor de uitwisseling van informatie over technische bijstand (TAIEX) en jumelage), bescherming van de mensenrechten, inclusief de rechten van minderheden, inheemse volkeren en mensen van Afrikaanse origine, eerbiediging van de fundamentele arbeidsnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), milieu, bestrijding van discriminatie, en bestrijding van seksueel en op gender gebaseerd geweld en geweld tegen kinderen en bestrijding van de productie en het gebruik van en de handel in drugs;

c)

ondersteunen van een actief, georganiseerd en onafhankelijk maatschappelijk middenveld en versterken van de sociale dialoog door steun aan de sociale partners;

d)

versterken van de sociale samenhang, met name door middel van invoering/versterking van houdbare stelsels voor sociale bescherming, met inbegrip van sociale verzekering, en door middel van belastinghervorming, waarbij de capaciteit van belastingstelsels en de strijd tegen fraude en belastingontduiking worden opgevoerd, zodat wordt bijgedragen tot meer gelijkheid en tot een betere verdeling van de rijkdom;

e)

bijstand verlenen aan de Latijns-Amerikaanse staten bij het vervullen van hun zorgvuldigheidsverplichting inzake preventie, onderzoek, gerechtelijke vervolging en bestraffing van en genoegdoening en aandacht voor feminicide;

f)

ondersteunen van verschillende processen van regionale integratie en onderlinge verbinding van netwerkinfrastructuren, en tegelijkertijd de complementariteit met door de EIB en andere instellingen ondersteunde activiteiten garanderen;

g)

bekijken van de verwevenheid van ontwikkeling en veiligheid;

h)

versterken van de capaciteit om eenieder toegang te bieden tot hoogwaardige sociale basisvoorzieningen, in het bijzonder in de sectoren gezondheidszorg en onderwijs;

i)

ondersteunen van beleid inzake onderwijs en de ontwikkeling van een gemeenschappelijke Latijns-Amerikaanse ruimte voor hoger onderwijs;

j)

aanpakken van economische kwetsbaarheid en bijdragen tot structurele veranderingen door het oprichten van sterke partnerschappen rond open en eerlijke handelsbetrekkingen, productieve investeringen voor meer en betere banen in de groene en inclusieve economie, kennisoverdracht en samenwerking in onderzoek, innovatie en technologie, en bevorderen van duurzame en inclusieve groei in al zijn dimensies, met bijzondere aandacht voor de uitdagingen inzake migratiestromen, voedselzekerheid (met inbegrip van duurzame landbouw en visserij), klimaatverandering, duurzame energie en de bescherming en versterking van biodiversiteit en ecosysteemdiensten, met inbegrip van water, bodem en bossen; ondersteunen van de ontwikkeling van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen als de belangrijkste bron voor inclusieve groei, ontwikkeling en banen; propageren van ontwikkelingshulp voor handel om ervoor te zorgen dat micro-, kleine en middelgrote ondernemingen in Latijns-Amerika kunnen profiteren van de kansen die de internationale handel biedt; rekening houden met de veranderingen in het stelsel van algemene preferenties;

k)

verzachten van de negatieve gevolgen die de uitsluiting van het stelsel van algemene preferenties zal hebben voor de economie van vele landen in de regio;

l)

verzekeren van een passende follow-up van met het oog op herstel na een ramp of na een crisis genomen kortetermijnnoodmaatregelen die via andere financieringsinstrumenten zijn uitgevoerd.

II.   Zuid-Azië

1)   Democratische bestuur bevorderen

a)

ondersteunen van democratische processen, stimuleren van doeltreffend democratisch bestuur, versterken van openbare instanties en organen (mede op lokaal niveau), ondersteunen van doelmatige decentralisering, staatsherstructurering en verkiezingsprocessen;

b)

de ontwikkeling ondersteunen van een actief, georganiseerd en onafhankelijk maatschappelijk middenveld, de media daaronder begrepen; en versterken van de sociale dialoog door steun aan de sociale partners;

c)

opbouwen en versterken van legitieme, democratische, effectieve en verantwoordingsplichtige openbare instellingen en organen, bevorderen van institutionele en administratieve hervormingen, goed bestuur, corruptiebestrijding en beheer van de overheidsfinanciën; ondersteunen van de rechtsstaat;

d)

versterken van de bescherming van de mensenrechten, met inbegrip van de rechten van minderheden, migranten, inheemse volkeren en kwetsbare groepen, bestrijden van discriminatie, bestrijden van seksueel en op gender gebaseerd geweld en geweld tegen kinderen, alsook van mensenhandel;

e)

beschermen van de mensenrechten door het bevorderen van institutionele hervormingen (inclusief op het vlak van goed bestuur en corruptiebestrijding, beheer van overheidsfinanciën, belastingheffing en hervorming van het openbaar bestuur) en hervorming van de wet- en regelgeving in overeenstemming met internationale normen, in het bijzonder in fragiele staten en in landen in conflict- en postconflictsituaties.

2)   Sociale insluiting en menselijke ontwikkeling in al hun dimensies bevorderen

a)

bevorderen van sociale cohesie, in het bijzonder sociale insluiting, fatsoenlijk werk en gelijke kansen en gendergelijkheid door middel van onderwijs, gezondheidszorg en andere vormen van sociaal beleid;

b)

versterken van de capaciteit om eenieder toegang te bieden tot hoogwaardige sociale basisvoorzieningen, in het bijzonder in de sectoren gezondheidszorg en onderwijs; verbeteren van de toegang tot het onderwijs voor iedereen om kennis, vaardigheden en inzetbaarheid op de arbeidsmarkt te vergroten, onder andere — indien relevant — door het aanpakken van ongelijkheid en discriminatie op grond van werk en afkomst, en met name discriminatie op basis van kaste;

c)

bevorderen van sociale bescherming en inclusie, fatsoenlijk werk en fundamentele arbeidsnormen, gelijke kansen en gendergelijkheid door middel van onderwijs, gezondheidszorg en andere vormen van sociaal beleid;

d)

bevorderen van hoogwaardige diensten inzake onderwijs, beroepsopleiding en gezondheidszorg die voor eenieder toegankelijk zijn, ook voor meisjes en vrouwen;

e)

in de context van de verwevenheid van veiligheid en ontwikkeling, bestrijden van op gender of op afkomst gebaseerd geweld, kinderontvoering, corruptie en georganiseerde misdaad, drugsproductie, drugsgebruik en drugshandel en andere vormen van illegale handel;

f)

oprichten van ontwikkelingsgeoriënteerde partnerschappen rond landbouw, ontwikkeling van de particuliere sector, handel, investeringen, hulp, migratie, onderzoek, innovatie en technologie en aanbieden van collectieve goederen, gericht op armoedebestrijding en sociale insluiting.

3)   Duurzame ontwikkeling ondersteunen en de veerkracht van Zuidoost-Aziatische samenlevingen ten opzichte van klimaatverandering en natuurrampen doen toenemen

a)

bevorderen van duurzame en inclusieve groei en middelen van bestaan, geïntegreerde plattelandsontwikkeling, duurzame land- en bosbouw, duurzame voedselzekerheid en voeding;

b)

bevorderen van duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen en hernieuwbare energie, bescherming van biodiversiteit, water- en afvalbeheer, bodem- en bosbescherming;

c)

bijdragen tot het aanpakken van klimaatverandering door ondersteuning van adaptatie- en mitigatiemaatregelen en maatregelen ter beperking van het risico op rampen;

d)

ondersteunen van inspanningen met het oog op economische diversifiëring, concurrentievermogen en handel, ontwikkeling van de particuliere sector met bijzondere nadruk op micro-, kleine en middelgrote ondernemingen en coöperaties;

e)

bevorderen van duurzame consumptie en productie en van investeringen in schone technologieën, duurzame energie, vervoer, duurzame landbouw en visserij, de bescherming en versterking van biodiversiteit en ecosysteemdiensten, met inbegrip van water en bossen, en scheppen van fatsoenlijk werk in de groene economie;

f)

ondersteunen van rampenparaatheid en langetermijnherstel na rampen, inclusief op het gebied van voedsel- en voedingszekerheid en hulp aan ontwortelde bevolkingsgroepen.

4)   Regionale integratie en samenwerking ondersteunen

a)

aanmoedigen van regionale integratie en samenwerking, op resultaatgerichte wijze door steunverlening aan regionale integratie en regionale dialoog, met name via de Zuid-Aziatische Associatie voor Regionale Samenwerking, en bevorderen van de ontwikkelingsdoelstellingen van het proces van Istanbul („Heart of Asia”-proces);

b)

ondersteunen van efficiënt grensbeheer en van grensoverschrijdende samenwerking om duurzame economische, sociale en ecologische ontwikkeling in grensregio's te bevorderen; bestrijden van georganiseerde criminaliteit en van productie en gebruik van en handel in drugs;

c)

ondersteunen van regionale initiatieven ter bestrijding van de belangrijkste overdraagbare ziekten; bijdragen aan de inspanningen van de regio inzake preventie van en respons op gezondheidsrisico's, met inbegrip van risico's die ontstaan op het raakvlak tussen dieren, mensen en hun diverse omgevingen;

III.   Noord- en Zuidoost-Azië

1)   Democratische bestuur bevorderen

a)

bijdragen aan democratisering; bouwen en versterken van legitieme, doeltreffende en verantwoordingsplichtige openbare instellingen en organen, en beschermen van de mensenrechten, door het bevorderen van institutionele hervormingen (inclusief op het vlak van goed bestuur en corruptiebestrijding, beheer van overheidsfinanciën, belastingheffing en hervorming van openbaar bestuur) en hervorming van de wet- en regelgeving in overeenstemming met internationale normen, in het bijzonder in fragiele staten en in landen in conflict- en postconflictsituaties;

b)

versterken van de bescherming van de mensenrechten, inclusief de rechten van minderheden en inheemse volkeren, bevordering van de fundamentele arbeidsnormen, bestrijding van discriminatie, en bestrijding van seksueel en op gender gebaseerd geweld en geweld tegen kinderen en aanpakken van de mensenhandel;

c)

ondersteunen van het mensenrechtenbestel van de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten (ASEAN), en vooral het werk van de door de ASEAN ingestelde intergouvernementele commissie voor de rechten van de mens;

d)

bouwen en versterken van legitieme, doeltreffende en verantwoordingsplichtige openbare instellingen en organen;

e)

ondersteunen van een actief, georganiseerd en onafhankelijk maatschappelijk middenveld; versterken van de sociale dialoog door steun aan de sociale partners;

f)

ondersteunen van de inspanningen van de regio ter bevordering van democratie, rechtsstatelijkheid en burgerveiligheid, onder meer door hervorming van de justitiële sector en de veiligheidssector, en bevorderen van interetnische en interreligieuze dialoog en vredesprocessen;

g)

in de context van de verwevenheid van veiligheid en ontwikkeling, bestrijden van corruptie en georganiseerde misdaad, van drugsproductie, drugsgebruik en drugshandel en van andere vormen van illegale handel, en ondersteunen van efficiënt grensbeheer en van grensoverschrijdende samenwerking om duurzame economische, sociale en ecologische ontwikkeling in grensregio's te bevorderen.

2)   Sociale insluiting en menselijke ontwikkeling in al hun dimensies bevorderen

a)

bevorderen van sociale cohesie, in het bijzonder sociale insluiting, fatsoenlijk werk en gelijke kansen en gendergelijkheid;

b)

versterken van de capaciteit om eenieder toegang te bieden tot hoogwaardige sociale basisvoorzieningen, in het bijzonder in de sectoren gezondheidszorg en onderwijs; verbeteren van de toegang tot het onderwijs voor iedereen om kennis, vaardigheden en inzetbaarheid op de arbeidsmarkt te vergroten, onder andere — als dit relevant is — door het aanpakken van ongelijkheid en discriminatie op grond van werk en afkomst, en met name discriminatie op basis van kaste;

c)

oprichten van ontwikkelingsgeoriënteerde partnerschappen rond landbouw, ontwikkeling van de particuliere sector, handel, investeringen, hulp, migratie, onderzoek, innovatie en technologie en aanbieden van collectieve goederen, gericht op armoedebestrijding en sociale insluiting;

d)

bijdragen aan de inspanningen van de regio inzake preventie van en respons op gezondheidsrisico's, met inbegrip van risico's die ontstaan op het raakvlak tussen dieren, mensen en hun diverse omgevingen;

e)

bevorderen van onderwijs, een leven lang leren en opleiding (met inbegrip van hoger onderwijs, beroepsonderwijs en beroepsopleiding) en van beter functionerende arbeidsmarkten;

f)

bevorderen van een groenere economie en van duurzame en inclusieve groei, vooral met betrekking tot in de landbouw, voedselzekerheid en voeding, duurzame energie en bescherming en versterking van biodiversiteit en ecosysteemdiensten;

g)

in het kader van de verwevenheid van veiligheid en ontwikkeling, bestrijden van op gender of afkomst gebaseerd geweld en kinderontvoering.

3)   Duurzame ontwikkeling ondersteunen en de veerkracht van Zuidoost-Aziatische samenlevingen ten opzichte van klimaatverandering en natuurrampen doen toenemen

a)

ondersteunen van mitigatie van en adaptatie aan klimaatverandering, van bevordering van duurzame consumptie en productie;

b)

ondersteunen van de regio bij het integreren van klimaatverandering in strategieën voor duurzame ontwikkeling, om de negatieve gevolgen van klimaatverandering aan te pakken en langlopende samenwerkingsinitiatieven te bevorderen en de regio minder kwetsbaar voor rampen te maken, om ondersteuning te bieden voor het multisectoraal raamwerk van de ASEAN inzake klimaatverandering: Agriculture and Forestry towards Food Security (met landbouw en bosbouw naar voedselzekerheid;

c)

met het oog op bevolkingstoename en veranderende consumentenverlangens, ondersteunen van duurzame consumptie en productie alsmede van investeringen in schone technologieën, met name op regionaal vlak, duurzame energie, vervoer, duurzame landbouw en visserij, de bescherming en versterking van biodiversiteit en ecosysteemdiensten, met inbegrip van water en bossen, en het scheppen van fatsoenlijk werk in de groene economie;

d)

koppelen van humanitaire hulp, rehabilitatie en ontwikkeling door te zorgen voor een passende follow-up van met het oog op herstel na een ramp of na een crisis genomen kortetermijnnoodmaatregelen die via andere financieringsinstrumenten zijn uitgevoerd; ondersteunen van rampenparaatheid en langetermijnherstel na rampen, inclusief op het gebied van voedsel- en voedingszekerheid en hulp aan ontwortelde bevolkingsgroepen.

4)   Regionale integratie en samenwerking in heel Noord- en Zuidoost-Azië ondersteunen

a)

aanmoedigen van meer regionale integratie en samenwerking op een resultaatgerichte manier, door ondersteuning van regionale integratie en dialoog;

b)

ondersteunen van de sociaal-economische integratie en connectiviteit van de ASEAN, met inbegrip van de uitvoering van de aan ontwikkeling gerelateerde doelstellingen van de economische ASEAN-gemeenschap, het masterplan inzake connectiviteit en de visie voor de periode na 2015;

c)

propageren van handelsgerelateerde bijstand en ontwikkelingshulp voor handel om ervoor te zorgen dat micro- kleine en middelgrote ondernemingen kunnen profiteren van de kansen die de internationale handel biedt;

d)

als hefboom fungeren voor financiering van duurzame infrastructuur en netwerken ten behoeve van regionale integratie, sociale inclusie en cohesie en duurzame groei, en daarbij zorgen voor complementariteit met activiteiten die worden ondersteund door de EIB en andere financieringsinstellingen van de Unie en met andere instellingen die zich hiermee bezighouden;

e)

aanmoedigen van dialoog tussen instellingen en landen van de ASEAN en de Unie;

f)

ondersteunen van regionale initiatieven ter bestrijding van de belangrijkste overdraagbare ziekten; bijdragen aan de inspanningen van de regio inzake preventie van en respons op gezondheidsrisico's, met inbegrip van risico's die ontstaan op het raakvlak tussen dieren, mensen en hun diverse omgevingen.

IV.   Centraal-Azië

a)

als overkoepelende doelstellingen, bijdragen tot duurzame en inclusieve economische en sociale ontwikkeling, sociale cohesie en democratie;

b)

ondersteunen van voedselzekerheid, toegang tot duurzame energiezekerheid, water en sanitaire voorzieningen voor de plaatselijke bevolking; bevorderen en ondersteunen van rampenparaatheid en adaptatie aan klimaatverandering;

c)

ondersteunen van representatieve en democratisch gekozen parlementen, bevorderen en ondersteunen van goed bestuur en democratiseringsprocessen; goed beheer van de overheidsfinanciën; de rechtsstaat, met goed functionerende instellingen en effectieve eerbiediging van de mensenrechten en gendergelijkheid; ondersteunen van een actief, georganiseerd en onafhankelijk maatschappelijk middenveld en versterken van de sociale dialoog door steun aan de sociale partners;

d)

bevorderen van inclusieve en duurzame economische groei, aanpakken van sociale en regionale ongelijkheden, en ondersteunen van innovatie en technologie, fatsoenlijk werk, landbouw en plattelandsontwikkeling, bevorderen van economische diversifiëring door ondersteuning van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen en de ontwikkeling stimuleren van een gereguleerde sociale markteconomie, open en eerlijke handel en investeringen, met inbegrip van hervormingen van de regelgeving;

e)

ondersteunen van efficiënt grensbeheer en grensoverschrijdende samenwerking om duurzame economische, sociale en ecologische ontwikkeling in grensregio's te bevorderen; in de context van de verwevenheid van veiligheid en ontwikkeling, bestrijden van georganiseerde misdaad en alle vormen van illegale handel, inclusief de bestrijding van drugsproductie en drugsgebruik alsmede de negatieve gevolgen ervan, met inbegrip van hiv/aids;

f)

bevorderen van bilaterale en regionale samenwerking, dialoog en integratie inclusief met de landen die vallen onder het Europees nabuurschapsinstrument en andere instrumenten van de Unie ter ondersteuning van beleidshervormingen, onder meer door institutionele opbouw indien passend, technische bijstand (bv. TAIEX), informatie-uitwisseling en jumelage, en door belangrijke investeringen via passende mechanismen voor het vrijmaken van financiële middelen in de sectoren opleiding, milieu en energie, koolstofarme ontwikkeling/veerkracht tegen de gevolgen van klimaatverandering;

g)

versterken van de capaciteit om eenieder toegang te bieden tot hoogwaardige sociale basisvoorzieningen, in het bijzonder in de sectoren gezondheidszorg en onderwijs; ondersteunen van de toegang tot de arbeidsmarkt van de bevolking, en met name van jongeren en vrouwen, onder meer door verbeteringen in het algemeen onderwijs, het beroepsonderwijs en het hoger onderwijs te ondersteunen.

V.   Midden-Oosten

a)

aanpakken van democratisering en bestuur (mede inzake belastingen), rechtsstatelijkheid, mensenrechten en gendergelijkheid, fundamentele vrijheden en politieke gelijkheid, om politieke hervormingen, de strijd tegen corruptie, en de transparantie van de rechtsgang aan te moedigen en legitieme, democratische, doeltreffende en verantwoordingsplichtige openbare instellingen en een actief, onafhankelijk en georganiseerd maatschappelijk middenveld op te bouwen; versterken van de sociale dialoog door steun aan de sociale partners;

b)

ondersteunen van het maatschappelijk middenveld in zijn strijd voor de bescherming van de fundamentele vrijheden, de mensenrechten en de democratische beginselen;

c)

bevorderen van inclusieve groei en aanmoedigen van sociale cohesie en ontwikkeling, in het bijzonder banencreatie, sociale insluiting, fatsoenlijk werk en gelijke kansen en gendergelijkheid; versterken van de capaciteit om eenieder toegang te bieden tot hoogwaardige sociale basisvoorzieningen, in het bijzonder in de sectoren gezondheidszorg en onderwijs; indien relevant, aanpakken van ongelijkheid en discriminatie op grond van werk en afkomst, en in het bijzonder discriminatie op basis van kaste;

d)

de ontwikkeling ondersteunen van een burgercultuur, vooral via opleiding, educatie en participatie van kinderen, jongeren en vrouwen;

e)

bevorderen van duurzame economische hervormingen en diversificatie, open en eerlijke handelsbetrekkingen, de ontwikkeling van een gereguleerde en duurzame sociale markteconomie, productieve en duurzame investeringen in de voornaamste sectoren (zoals energie, met nadruk op hernieuwbare energie);

f)

bevorderen van goede nabuurschapsbetrekkingen, regionale samenwerking, dialoog en integratie, ook met de landen die vallen onder het Europees nabuurschapsinstrument en de Golfstaten die vallen onder het partnerschapsinstrument en andere Unie-instrumenten, door ondersteuning van integratie-inspanningen binnen de regio, op gebieden als, bijvoorbeeld, economie, energie, water, vervoer en vluchtelingen;

g)

bevorderen van een duurzaam en billijk beheer van watervoorraden, alsook bescherming van watervoorraden;

h)

aanvullen van de middelen die krachtens deze verordening worden ingezet met samenhangend werk en steun door middel van andere instrumenten en ander beleid van de Unie, waarin de nadruk kan liggen op toegang tot de interne markt van de Unie, arbeidsmobiliteit en een bredere regionale integratie;

i)

in het kader van de verwevenheid van veiligheid en ontwikkeling, bestrijden van georganiseerde criminaliteit en van productie en gebruik van en handel in drugs;

j)

in het kader van de verwevenheid van ontwikkeling en migratie, beheren van de migratie en helpen van ontheemden en vluchtelingen.

VI.   Andere landen

a)

ondersteunen van de consolidatie van een democratische samenleving, goed bestuur, eerbiediging van de mensenrechten, gendergelijkheid, en rechtsstatelijkheid, en bijdragen aan regionale en continentale stabiliteit en integratie; ondersteunen van een actief, georganiseerd en onafhankelijk maatschappelijk middenveld en versterken van de sociale dialoog door steun aan de sociale partners;

b)

ondersteunen van de aanpassingsinspanningen die voortvloeien uit de totstandbrenging van diverse vrijhandelszones;

c)

ondersteunen van de bestrijding van armoede, ongelijkheid en uitsluiting, onder andere door het lenigen van de basisbehoeften van achtergestelde gemeenschappen en door het bevorderen van sociale cohesie en herverdelingsbeleid met het oog op het verminderen van ongelijkheden;

d)

versterken van de capaciteit om eenieder toegang te bieden tot hoogwaardige sociale basisvoorzieningen, in het bijzonder in de sectoren gezondheidszorg en onderwijs;

e)

verbeteren van de leef- en werkomstandigheden met bijzondere nadruk op het bevorderen van de IAO-agenda voor fatsoenlijk werk;

f)

aanpakken van economische kwetsbaarheid en bijdragen tot structurele veranderingen met de nadruk op fatsoenlijk werk door middel van duurzame en inclusieve economische groei en een energie-efficiënte, op hernieuwbare energiebronnen gebaseerde koolstofarme economie door totstandbrenging van sterke partnerschappen rond eerlijke handelsbetrekkingen, productieve investeringen voor meer en betere banen in de groene en inclusieve economie, kennisoverdracht en samenwerking bij onderzoek, innovatie en technologie, en bevorderen van duurzame en inclusieve ontwikkeling in al haar dimensies, met bijzondere aandacht voor de uitdagingen inzake migratiestromen, huisvesting, voedselzekerheid (met inbegrip van duurzame landbouw en visserij), klimaatverandering, duurzame energie en de bescherming en versterking van biodiversiteit en ecosysteemdiensten, met inbegrip van water en bodem;

g)

het aanpakken van seksueel en op gender gebaseerd geweld en daaraan gerelateerde gezondheidskwesties, met inbegrip van hiv/aids en de gevolgen daarvan voor de samenleving.


BIJLAGE II

SAMENWERKINGSGEBIEDEN IN HET KADER VAN THEMATISCHE PROGRAMMA'S

A.   PROGRAMMA VOOR MONDIALE COLLECTIEVE GOEDEREN EN UITDAGINGEN

Het programma voor mondiale collectieve goederen en uitdagingen beoogt de samenwerking en de uitwisseling van kennis en ervaring met partnerlanden en de capaciteiten van partnerlanden te versterken teneinde bij te dragen tot de uitbanning van armoede en tot sociale cohesie en duurzame ontwikkeling. Het programma wordt opgesteld op basis van de volgende samenwerkingsterreinen, waardoor gezorgd wordt voor een maximale onderlinge synergie gezien hun sterke onderlinge verwevenheid.

I.   Milieu en klimaatverandering

a)

bijdragen tot de externe dimensie van het milieubeleid en het beleid inzake klimaatverandering van de Unie, met volledige eerbiediging van het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling en andere in het TFEU verankerde beginselen;

b)

stroomopwaarts werk verrichten dat de ontwikkelingslanden helpt bij het verwezenlijken van de MDO's of van enig in aansluiting daarop door de Unie en haar lidstaten overeengekomen kader inzake duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen en milieuduurzaamheid;

c)

uitvoeren van de initiatieven van de Unie en de verbintenissen die op internationaal en regionaal niveau overeengekomen zijn en/of een grensoverschrijdend karakter hebben, in het bijzonder op het vlak van klimaatverandering, door de bevordering van uit klimaatoogpunt veerkrachtige koolstofarme strategieën, waarbij voorrang wordt gegeven aan strategieën ter bevordering van biodiversiteit, bescherming van ecosystemen en natuurlijke hulpbronnen, duurzaam beheer van onder meer oceanen, land, water, visserij en bossen (bv. via mechanismen zoals FLEGT), woestijnvorming, geïntegreerd beheer van waterreserves, goed beheer van chemische stoffen en afval, efficiënt gebruik van hulpbronnen en de groene economie;

d)

in sterkere mate in de ontwikkelingssamenwerking van de Unie integreren en meenemen van de doelstellingen inzake klimaatverandering en milieu, door middel van steun voor methodologisch en onderzoekswerk naar, in en door ontwikkelingslanden, met inbegrip van monitoring-, rapportage- en controlemechanismen, kartering, beoordeling en waardering van ecosystemen, verbetering van de milieudeskundigheid en bevordering van innovatieve acties en beleidssamenhang;

e)

versterken van het milieubestuur en ondersteunen van het uitwerken van internationaal beleid ter verbetering van de samenhang en efficiëntie van het mondiaal bestuur van duurzame ontwikkeling, door te assisteren bij de milieumonitoring en -evaluatie op regionaal en internationaal niveau, en door te ijveren voor effectieve nalevings- en handhavingsmaatregelen in ontwikkelingslanden met het oog op multilaterale milieuovereenkomsten;

f)

opnemen van zowel rampenrisicobeheer als aanpassing aan klimaatverandering in ontwikkelingsprogrammering en -investering, en bevorderen van de uitvoering van strategieën gericht op de vermindering van rampenrisico's, zoals bescherming van ecosystemen en herstel van wetlands;

g)

erkennen van de doorslaggevende rol van landbouw en veeteelt in het beleid inzake klimaatverandering door bevordering van kleine landbouw- en veeteeltbedrijven als autonome aanpassings- en mitigatiestrategieën in het Zuiden, wegens hun duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen zoals water en grasland.

II.   Duurzame energie

a)

bevorderen van toegang tot betrouwbare, veilige, betaalbare, klimaatvriendelijke en duurzame energiediensten als een belangrijke motor voor de uitbanning van armoede en voor inclusieve groei en ontwikkeling, met een bijzondere nadruk op het gebruik van plaatselijke en regionale hernieuwbare energiebronnen en op het waarborgen van toegang hiertoe voor mensen in armoede in afgelegen gebieden;

b)

bevorderen van een groter gebruik van hernieuwbare energietechnologieën, met name van gedecentraliseerde benaderingen, evenals van energie-efficiëntie, en bevorderen van duurzame koolstofarme ontwikkelingsstrategieën;

c)

bevorderen van energiezekerheid voor de partnerlanden en lokale gemeenschappen bijvoorbeeld door bv. diversificatie van bronnen en trajecten, waarbij rekening moet worden gehouden met problemen inzake prijsvolatiliteit en mogelijke emissiereducties, de markten moeten worden verbeterd en onderlinge verbindingen en de handel op het vlak van energie en met name elektriciteit moeten worden aangemoedigd.

III.   Menselijke ontwikkeling, met inbegrip van fatsoenlijk werk, sociale rechtvaardigheid en cultuur

a)   Gezondheid

i)

Verbeteren van de gezondheid en het welzijn van mensen in de ontwikkelingslanden door steun te verlenen aan de inclusieve en universele toegang tot en de billijke verstrekking van essentiële openbare gezondheidsvoorzieningen, -goederen en -diensten van goede kwaliteit en door te zorgen voor een zorgcontinuüm, van preventie tot nabehandeling en met speciale nadruk op personen uit kansarme of kwetsbare groepen;

ii)

ondersteunen en vormgeven van de beleidsagenda van wereldwijde initiatieven die aanzienlijk onmiddellijk voordeel opleveren voor de partnerlanden, rekening houdend met resultaatgerichtheid, de doeltreffendheid van de hulp en de gevolgen voor de stelsels voor gezondheidszorg, met inbegrip van het ondersteunen van partnerlanden om meer bij deze initiatieven betrokken te raken;

iii)

ondersteunen van specifieke initiatieven, vooral op regionaal en mondiaal niveau, die de stelsels voor gezondheidszorg versterken en landen helpen bij de ontwikkeling en uitvoering van een degelijk, empirisch onderbouwd en duurzaam nationaal gezondheidsbeleid, en op prioritaire werkterreinen zoals gezondheid van moeders en kinderen, met inbegrip van inenting en respons op mondiale gezondheidsbedreigingen (zoals hiv/aids, tuberculose en malaria, en andere armoedegerelateerde, verwaarloosde ziekten;

iv)

stimuleren van de volledige en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van het Actieprogramma van Peking en het actieprogramma van de Internationale Conferentie over Bevolking en Ontwikkeling en de resultaten van hun toetsingsconferenties en in dit verband seksuele en reproductieve gezondheid en rechten;

v)

bevorderen, verschaffen en uitbreiden van essentiële diensten en psychologische bijstand voor slachtoffers van geweld, vooral vrouwen en kinderen.

b)   Onderwijs, kennis en vaardigheden

i)

Ondersteunen van de verwezenlijking van internationaal overeengekomen doelstellingen op het gebied van onderwijs via wereldwijde initiatieven en partnerschappen, met speciale nadruk op het bevorderen van kennis, vaardigheden en waarden voor duurzame en inclusieve ontwikkeling;

ii)

Bevorderen van de uitwisseling van ervaring, goede praktijken en innovatie, op basis van een evenwichtige benadering van de ontwikkeling van onderwijsstelsels;

iii)

verbeteren van de gelijke toegang tot en de kwaliteit van onderwijs, met name voor personen uit kwetsbare groepen, migranten, vrouwen en meisjes, personen uit religieuze minderheden, mensen met een handicap, personen in precaire situaties en in landen die het verst verwijderd zijn van de verwezenlijking van globale doelstellingen, en zorgen voor verbetering wat betreft de voltooiing van basisonderwijs en de overgang naar lager voortgezet onderwijs.

c)   Gendergelijkheid, het versterken van de positie van vrouwen en het beschermen van de rechten van vrouwen en meisjes:

i)

Ondersteunen van programma's op nationaal, regionaal en lokaal niveau ter bevordering van het versterken van de economische en sociale positie, het leiderschap en de politieke participatie van vrouwen en meisjes;

ii)

ondersteunen van nationale, regionale en wereldwijde initiatieven om gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen en meisjes op te nemen in beleidsmaatregelen, plannen en begrotingen, met inbegrip van internationale, regionale en nationale ontwikkelingskaders, en op de agenda voor de doeltreffendheid van hulp te plaatsen; helpen om geslachtsselectie uit te bannen;

iii)

aanpakken van seksueel en seksegerelateerd geweld en ondersteunen van de slachtoffers hiervan.

d)   Kinderen en jonge mensen:

i)

bestrijden van kinderhandel en alle vormen van geweld tegen en misbruik van kinderen en alle vormen van kinderarbeid, bestrijden van kinderhuwelijken en aanmoedigen van een beleid dat aandacht heeft voor de bijzondere kwetsbaarheid en de mogelijkheden van jonge mensen en kinderen, voor de bescherming van hun rechten, waaronder registratie bij geboorte, en hun belangen, onderwijs, gezondheid en bestaansmiddelen, en dat hen allereerst inspraak en regie geeft;

ii)

vergroten van de aandacht en de capaciteit van de ontwikkelingslanden om beleid te ontwikkelen dat kinderen en jonge mensen ten goede komt en de rol van kinderen en jonge mensen als ontwikkelingsactoren bevordert;

iii)

steun verlenen aan de ontwikkeling van concrete strategieën en acties voor de aanpak van de specifieke problemen en uitdagingen waarmee kinderen en jonge mensen te maken hebben, met name op het gebied van gezondheid, onderwijs en werkgelegenheid, waarbij steeds hun belang voor ogen wordt gehouden.

e)   Non-discriminatie

i)

steun verlenen aan lokale, regionale en nationale en mondiale initiatieven voor de bevordering van non-discriminatie op grond van geslacht, genderidentiteit, raciale of etnische afkomst, kaste, godsdienst of geloof, handicap, ziekte, leeftijd en seksuele geaardheid via de ontwikkeling van beleid, plannen en begrotingen evenals via de uitwisseling van goede praktijken en expertise;

ii)

zorgen voor een breder opgezette dialoog over non-discriminatie en de bescherming van mensenrechtenverdedigers.

f)   Werkgelegenheid, vaardigheden, sociale bescherming en sociale insluiting:

i)

Ondersteunen van hoge niveaus van productieve en fatsoenlijke banen, met name via het ondersteunen van degelijke werkgelegenheidsmaatregelen en -strategieën, beroepsopleiding voor inzetbaarheid die aansluit op de behoeften van en vooruitzichten op de lokale arbeidsmarkt, en degelijke arbeidsvoorwaarden, ook in de informele economie, bevorderen van fatsoenlijk werk op basis van de fundamentele arbeidsnormen van de IAO, inclusief de strijd tegen kinderarbeid, en sociale dialoog alsook faciliteren van arbeidsmobiliteit met eerbiediging en bevordering van de rechten van migranten;

ii)

versterken van de sociale samenhang, met name door te zorgen voor invoering/versterking van duurzame stelsels voor sociale bescherming, met inbegrip van sociale verzekeringsregelingen voor personen die in armoede leven, en met fiscale hervorming, versterken van de capaciteit van belastingstelsels en bestrijding van fraude en belastingontduiking, waardoor kan worden bijgedragen aan verwezenlijking van meer gelijkheid en een betere verdeling van de rijkdom;

iii)

versterken van sociale insluiting en gendergelijkheid via samenwerking op het vlak van billijke toegang tot basisdiensten, werkgelegenheid voor iedereen, de versterking van de positie van bepaalde groepen en de eerbiediging van hun rechten, met name migranten, kinderen en jonge mensen, mensen met een handicap, vrouwen, inheemse volkeren en minderheden, zodat wordt gewaarborgd dat deze groepen kunnen en zullen deelnemen aan en profiteren van de schepping van welvaart en culturele diversiteit.

g)   Groei, werkgelegenheid en betrokkenheid van de particuliere sector:

i)

bevorderen van maatregelen gericht op het scheppen van meer en betere banen, door het ontwikkelen van de concurrentiekracht en de weerbaarheid van het plaatselijke mkb en de integratie daarvan in de lokale, regionale en wereldeconomie, assisteren van de ontwikkelingslanden in de integratie in het regionale en multilaterale handelssysteem;

ii)

nader tot ontwikkeling brengen van lokale ambachten, waardoor het lokale culturele erfgoed geconserveerd wordt;

iii)

ontwikkelen van een maatschappelijk en ecologisch verantwoordelijke lokale particuliere sector en verbeteren van het ondernemingsklimaat;

iv)

bevorderen van een doelmatig economische beleid dat de ontwikkeling van de lokale economie en het lokale bedrijfsleven ondersteunt, waarbij wordt toegewerkt naar een groene en inclusieve economie, efficiënt gebruik van de hulpbronnen en duurzame consumptie en productieprocessen;

v)

bevorderen van het gebruik van elektronische communicatie als middel om groei ten bate van mensen in armoede in alle sectoren te ondersteunen om zo de digitale kloof tussen ontwikkelingslanden en geïndustrialiseerde landen en binnen ontwikkelingslanden te dichten, om op dit gebied te komen tot een adequaat beleids- en wetgevingskader, en bevorderen van de ontwikkeling van de nodige infrastructuur en het gebruik van op informatie- en communicatietechnologie gebaseerde diensten en toepassingen;

vi)

bevorderen van financiële inclusie door de toegang tot effectief gebruik van financiële diensten te bevorderen, zoals microkredieten en microsparen, microverzekeringen en betalingsoverdracht, micro-ondernemingen het mkb, en huishoudens, voor zeer kansarme en kwetsbare groepen.

h)   Cultuur:

i)

bevorderen van interculturele dialoog, van culturele verscheidenheid en van eerbiediging van de gelijke waardigheid van alle culturen;

ii)

bevorderen van internationale samenwerking die de cultuurindustrie doet bijdragen aan de economische groei in ontwikkelingslanden en aldus haar volle potentieel bij de armoedebestrijding tot gelding brengt, met aandacht voor thema's als markttoegang en intellectuele-eigendomsrechten;

iii)

bevorderen van respect voor de sociale, culturele en spirituele waarden van inheemse volkeren en minderheden ter bevordering van gelijkheid en rechtvaardigheid in multi-etnische samenlevingen overeenkomstig de universele rechten van de mens op welke eenieder, ook inheemse volkeren en minderheden, recht heeft;

iv)

ondersteunen van cultuur als economische sector die beloften voor ontwikkeling en groei inhoudt.

IV.   Voedsel- en voedingszekerheid en duurzame landbouw

Samenwerking op dit gebied zal de samenwerking, de uitwisseling van kennis en ervaring, en de capaciteiten van de partnerlanden versterken op het gebied van de vier pijlers van voedselzekerheid vanuit een genderbewuste benadering: beschikbaarheid van voedsel (productie), toegang tot voedsel (inclusief grond, infrastructuur voor vervoer van voedsel van overschot- naar schaarstegebieden, markten, het aanleggen van nationale voedselvoorraden, vangnetten), het benutten van voedsel (maatschappelijk verantwoorde voedingsmaatregelen) en stabiliteit, waarbij ook wordt gekeken naar eerlijke handel en voorrang moet worden gegeven aan vijf dimensies: kleinschalige landbouw en veeteelt, voedselverwerking die toegevoegde waarde creëert, bestuur, regionale integratie en bijstandsmechanismen voor kwetsbare bevolkingsgroepen.

a)

bevorderen van de ontwikkeling van duurzame kleinschalige landbouw en veeteelt door een op het ecosysteem gebaseerde, koolstofarme en klimaatbestendige veilige toegang tot technologie (inclusief informatie en communicatietechnologieën) door de erkenning, bevordering en versterking van lokale en autonome strategieën voor aanpassing aan de klimaatverandering, en door uitbreidings- en technische diensten, regelingen voor plattelandsontwikkeling, productieve en verantwoordelijke investeringsmaatregelen, volgens internationale richtsnoeren, het duurzame beheer van grond en natuurlijke hulpbronnen, de bescherming van de diverse vormen van de rechten van de bevolking op grond en toegang van lokale bevolkingsgroepen tot grond en de bescherming van genetische diversiteit, in een ondersteunende economische omgeving;

b)

ondersteunen van ecologisch en maatschappelijk verantwoord beleid en bestuur van de betreffende sectoren, de rol van de overheids- en niet-overheidsactoren in de regelgeving in die sectoren en het gebruik van collectieve goederen, de organisatiecapaciteit, professionele organisaties en instellingen van de sector;

c)

versterken van voedsel- en voedingszekerheid via adequaat beleid, met inbegrip van het beschermen van de biodiversiteit en ecosysteemdiensten, beleid inzake klimaataanpassing, informatiesystemen, crisispreventie en -beheer, en op kwetsbare bevolkingsgroepen gerichte voedingsstrategieën waarmee de noodzakelijke middelen kunnen worden gemobiliseerd voor de tenuitvoerlegging van de fundamentele maatregelen waarmee de meeste gevallen van ondervoeding zouden kunnen worden voorkomen;

d)

bevorderen van veilige en duurzame praktijken in de hele toeleveringsketen van levensmiddelen en diervoeders.

V.   Asiel en migratie

De samenwerking op dit gebied heeft tot doel de beleidsdialoog, samenwerking, uitwisseling van kennis en ervaring, en de capaciteiten van de partnerlanden, de maatschappelijke organisaties middenveld en de plaatselijke overheden te vergroten om op die manier steun te verlenen aan menselijke mobiliteit als een positief aspect van menselijke ontwikkeling. De samenwerking op dit gebied stoelt op een op rechten gebaseerde aanpak die alle mensenrechten — zowel burgerrechten als politieke, of economische, sociale en culturele rechten — omvat, richt zich op de uitdagingen van migratiestromen, onder meer de zuid-zuidmigratie, de situatie van kwetsbare migranten zoals alleenstaande minderjarigen, slachtoffers van mensenhandel, asielzoekers, migrantenvrouwen en de toestand van kinderen, vrouwen en gezinnen die achterblijven in het land van herkomst. Dit gebeurt door het volgende:

a)

Bevorderen van bestuur op het gebied van migratie op alle niveaus, met bijzondere aandacht voor de sociale en economische gevolgen van migratie, en erkennen van de sleutelrol die maatschappelijke organisaties, met inbegrip van de diaspora, en plaatselijke overheden spelen bij de aanpak van migratie als essentieel onderdeel van de ontwikkelingsstrategie;

b)

zorgen voor beter beheer van migratiestromen in al hun dimensies; onder meer via het vergroten van de capaciteit van overheden en belanghebbenden in partnerlanden op gebieden als: legale migratie en mobiliteit, voorkomen van illegale migratie, migrantensmokkel en mensenhandel, vergemakkelijken van de duurzame terugkeer van illegale migranten en ondersteunen van vrijwillige terugkeer en reïntegratie, capaciteit voor geïntegreerd grensbeheer en internationale bescherming en asiel;

c)

maximaliseren van de effecten voor de ontwikkeling van de toegenomen regionale en wereldwijde mobiliteit van mensen, en met name van goed beheerde arbeidsmigratie, verbeteren van de integratie van migranten in de landen van bestemming, waarbij de rechten van migranten en hun gezin moeten worden bevorderd en beschermd, door het ondersteunen van de formulering en uitvoering van een degelijk regionaal en nationaal asiel- en migratiebeleid, door het opnemen van de migratiedimensie in andere regionale en nationale beleidsterreinen en door het steunen van de deelname van migrantenorganisaties en plaatselijke overheden aan de formulering van het beleid en het toezicht op het uitvoeringsproces van het beleid;

d)

verbeteren van een gemeenschappelijk standpunt over de verwevenheid van migratie en ontwikkeling, met inbegrip van de sociale en economische gevolgen van het beleid van regeringen op het gebied van migratie/asiel of in andere sectoren;

e)

vergroten van asiel- en opvangcapaciteit in partnerlanden.

De samenwerking op dit gebied zal worden beheerd in samenhang met het fonds voor asiel, migratie en integratie en het fonds voor interne veiligheid, met volledige eerbiediging van het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling.

B.   PROGRAMMA VOOR MAATSCHAPPELIJKE ORGANISATIES EN PLAATSELIJKE OVERHEDEN

In overeenstemming met de conclusies van de gestructureerde dialoog van de Commissie en de steun van de Unie voor mensenrechten, democratie en goed bestuur, beoogt het programma de versterking van maatschappelijke organisaties en plaatselijke overheden in partnerlanden en, wanneer deze verordening daarin voorziet, in de Unie, kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten. Het programma wil een gunstig klimaat bevorderen voor burgerparticipatie en acties vanuit het maatschappelijk middenveld en samenwerking, uitwisseling van kennis en ervaring, en capaciteiten van de maatschappelijke organisaties en plaatselijke overheden in de partnerlanden, ter ondersteuning van internationaal overeengekomen ontwikkelingsdoelen.

Voor de toepassing van deze verordening wordt onder „maatschappelijke organisaties” verstaan niet-winstgevende niet-overheidsactoren die op een onafhankelijke en verantwoordingsplichtige basis werken. Het gaat met name om: niet gouvernementele organisaties, organisaties van de inheemse bevolkingen, organisaties die nationale en/of etnische minderheden vertegenwoordigen, diaspora-organisaties, migrantenorganisaties in partnerlanden, plaatselijke handelsverenigingen en plaatselijke actiegroepen, coöperaties, werkgeversverenigingen en vakbonden (sociale partners), organisaties die economische en sociale actoren vertegenwoordigen, organisaties die corruptie en fraude bestrijden en goed openbaar bestuur bevorderen, burgerrechtenorganisaties en organisaties die discriminatie bestrijden, plaatselijke organisaties (en netwerken daarvan) die werkzaam zijn op het gebied van gedecentraliseerde regionale samenwerking en integratie, consumentenbonden, vrouwen- en jongerenorganisaties, milieu-, onderwijs-, culturele, onderzoeks- en wetenschappelijke organisaties, universiteiten, kerken en religieuze verenigingen en gemeenschappen, media, en alle niet gouvernementele organisaties en onafhankelijke stichtingen, waaronder onafhankelijke politieke stichtingen, die een bijdrage kunnen leveren tot het verwezenlijken van de doelstellingen van deze verordening.

Voor de toepassing van deze verordeningen behelzen plaatselijke overheden allerhande subnationale overheidsniveaus en -instanties: steden en gemeenten, districten, arrondissementen, provincies, regio's, enz.

Dit programma draagt bij aan:

a)

een inclusieve en op medebeslissing gebaseerde samenleving in de partnerlanden door sterkere maatschappelijke organisaties en plaatselijke overheden en door het verlenen van basisdiensten aan mensen in nood;

b)

een grotere mate van vertrouwdheid in Europa met de ontwikkelingsproblematiek en het mobiliseren van actieve overheidssteun in de Unie, de kandidaat-lidstaten en de potentiële kandidaat-lidstaten voor strategieën die gericht zijn op armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling in de partnerlanden;

c)

een vergroting van de capaciteit van Europese en zuidelijke netwerken, platforms en allianties van maatschappelijke organisaties en plaatselijke overheden, zodat een belangrijke en voortdurende beleidsdialoog op het gebied van ontwikkeling gegarandeerd is en democratisch bestuur gestimuleerd wordt.

Mogelijke activiteiten die door dit programma worden ondersteund:

a)

interventies in de partnerlanden die kwetsbare en gemarginaliseerde groepen ondersteunen door hun via maatschappelijke organisaties en plaatselijke overheden basisdiensten aan te bieden;

b)

capaciteitsontwikkeling van de beoogde actoren, in aanvulling op de steun die in het kader van het nationaal programma wordt toegekend, maatregelen gericht op:

i)

het creëren van een gunstig klimaat voor de participatie van burgers en voor acties van maatschappelijke organisaties en van de capaciteit van die organisaties om effectief deel te nemen aan de formulering van beleid en het toezicht op het uitvoeringsproces van het beleid;

ii)

faciliteren van een verbeterde dialoog en van een betere interactie tussen de maatschappelijke organisaties, plaatselijke overheden, de staat en andere ontwikkelingsactoren in de context van ontwikkeling;

iii)

versterken van de capaciteit van plaatselijke overheden om effectief deel te nemen aan het ontwikkelingsproces, met erkenning van hun bijzondere rol en kenmerken;

c)

bewuster maken van het publiek van de ontwikkelingsproblematiek, mensen in staat stellen om actieve en verantwoordelijke burgers te worden en bevorderen van het formele en informele onderwijs in verband met ontwikkeling in de Unie, de kandidaat-lidstaten en de potentiële kandidaten, teneinde het ontwikkelingsbeleid te verankeren in de samenleving, meer overheidssteun beschikbaar te stellen voor armoedebestrijding en voor billijkere betrekkingen tussen de ontwikkelde en de ontwikkelingslanden, het bewustzijn betreffende de problemen en moeilijkheden van de ontwikkelingslanden en hun bevolking in de Unie te vergroten en het recht op een proces van ontwikkeling waarin de mensenrechten en de fundamentele vrijheden volledig kunnen worden uitgeoefend en de sociale dimensie van de mondialisering te bevorderen;

d)

coördinatie, capaciteitsontwikkeling en institutionele versterking van de netwerken van maatschappelijke organisaties en plaatselijke overheden, binnen hun organisaties en tussen de verschillende categorieën belanghebbenden die deelnemen aan het openbare debat over ontwikkeling, evenals coördinatie, capaciteitsontwikkeling en institutionele versterking van zuidelijke netwerken van maatschappelijke organisaties en plaatselijke overheden en overkoepelende organisaties.


BIJLAGE III

SAMENWERKINGSGEBIEDEN IN HET KADER VAN HET PAN-AFRIKAANS PROGRAMMA

Het pan-Afrikaans programma ondersteunt de doelstellingen en algemene beginselen van het strategisch partnerschap tussen Afrika en de EU. Het zal de beginselen „een mensgericht partnerschap” en „Afrika behandelen als één geheel” alsmede de samenhang tussen de regionale en continentale niveaus bevorderen. Het zal zich toeleggen op activiteiten met een transregionaal, continentaal of mondiaal karakter in en met Afrika en gezamenlijke Afrika-EU-initiatieven op mondiaal vlak ondersteunen. Het programma zal in het bijzonder steun verlenen op de volgende terreinen van het partnerschap:

a)

vrede en veiligheid,

b)

democratische governance en mensenrechten,

c)

handel, regionale integratie, infrastructuur (met inbegrip van grondstoffen),

d)

millenniumdoelen en internationaal overeengekomen ontwikkelingsdoelen voor na 2015,

e)

energie,

f)

klimaatverandering en milieu,

g)

migratie, mobiliteit en arbeid,

h)

wetenschap, informatiemaatschappij en de ruimte

i)

horizontale acties.


BIJLAGE IV

INDICATIEVE FINANCIËLE TOEWIJZINGEN VOOR DE PERIODE 2014-2020

(bedragen in miljoen EUR)

Totaal

19 662

1)

Geografische programma's

11 809 (1)

a)

Per geografisch gebied

 

i)

Latijns-Amerika

2 500

ii)

Zuid-Azië

3 813

iii)

Noord- en Zuidoost-Azië

2 870

iv)

Centraal-Azië

1 072

v)

Midden-Oosten

545

vi)

Andere landen

251

b)

per samenwerkingsgebied

 

i)

Mensenrechten, democratie en goed bestuur

minimaal 15 %

ii)

Inclusieve en duurzame groei ten dienste van menselijke ontwikkeling

minimaal 45 %

2)

Thematische programma's

7 008

a)

Mondiale collectieve goederen en uitdagingen

5 101

i)

Milieu en klimaatverandering (2)

27 %

ii)

Duurzame energie

12 %

iii)

Menselijke ontwikkeling, met inbegrip van fatsoenlijk werk, sociale rechtvaardigheid en cultuur

25 %

waarvan:

 

Gezondheid

minimaal 40 %

Onderwijs, kennis en vaardigheden

minimaal 17,5 %

Gendergelijkheid, het versterken van de positie van vrouwen en het beschermen van de rechten van vrouwen en meisjes; kinderen en jonge mensen, non-discriminatie; werkgelegenheid, vaardigheden, sociale bescherming en sociale insluiting; groei, banen en betrokkenheid van de particuliere sector, cultuur

minimaal 27,5 %

iv)

Voedsel- en voedingszekerheid en duurzame landbouw

29 %

v)

Migratie en asiel

7 %

Ten minste 50 % van de middelen zal — voorafgaand aan de toepassing van de indicatoren op basis van de OESO-methodiek (de „Rio-indicatoren”) — dienen voor klimaatmaatregelen en milieudoelstellingen.

b)

Maatschappelijke organisaties en plaatselijke overheden

1 907

3)

Pan-Afrikaans programma

845


(1)  Waarvan 758 000 000 EUR aan niet-toegewezen middelen.

(2)  In principe moeten de middelen gelijkmatig worden toegewezen tussen milieu en klimaatverandering.


Verklaring van de Europese Commissie over de strategische dialoog met het Europees Parlement (1)

Op basis van artikel 14 VEU zal de Europese Commissie een strategische dialoog aangaan met het Europees Parlement voorafgaand aan de programmering van Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020, en na, voor zover dienstig, initieel overleg met de relevante begunstigden ervan. De Europese Commissie zal het Europees Parlement de relevante beschikbare documenten over de programmering presenteren met indicatieve toewijzingen per land of regio, en binnen een land of regio, met prioriteiten, mogelijke resultaten en indicatieve toewijzingen per prioriteit voor de geografische programma's, alsook de keuze van steunmodaliteiten (2). De Europese Commissie zal het Europees Parlement de relevante beschikbare documenten over de programmering presenteren met thematische prioriteiten, mogelijke resultaten, de keuze van steunmodaliteiten (2), en financiële toewijzingen voor dergelijke prioriteiten waarin de thematische programma's voorzien. De Europese Commissie zal rekening houden met het standpunt van het Europees Parlement op dit punt.

De Europese Commissie zal een strategische dialoog aangaan met het Europees Parlement ter voorbereiding van de tussentijdse evaluatie en vóór elke belangrijke wijziging van de programmeringsdocumenten tijdens de looptijd van deze verordening.

De Europese Commissie zal, indien het Europees Parlement daarom verzoekt, verklaren waar in de programmeringsdocumenten met de opmerkingen van het Europees Parlement rekening is gehouden en alle andere verdere uitleg verstrekken over de uitkomsten van de strategische dialoog.


(1)  De Europese Commissie wordt vertegenwoordigd op het niveau van de bevoegde commissaris.

(2)  Indien van toepassing.


Verklaring van het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie betreffende artikel 5, lid 2, onder b), punt ii), van Verordening nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020

Met het oog op de toepassing van artikel 5, lid 2, onder b), punt ii), van Verordening nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020 komen op het tijdstip van inwerkingtreding van die verordening de volgende partnerlanden in aanmerking voor bilaterale samenwerking als buitengewone gevallen, met name met het oog op het afbouwen van subsidies voor ontwikkeling: Cuba, Colombia, Ecuador, Peru en Zuid-Afrika.


Verklaring van de Europese Commissie betreffende artikel 5 van Verordening nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020

De Europese Commissie raadpleegt het Europees Parlement voordat de toepassing van artikel 5, lid 2, onder b), punt ii), van Verordening nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020 wordt gewijzigd.


Verklaring van de Europese Commissie over de toewijzingen voor basisdiensten

Verordening nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020 moet een bijdrage leveren tot de gezamenlijke verbintenis van de Unie om bijstand te blijven verlenen voor de ontwikkeling van het menselijk potentieel om het leven van mensen te verbeteren overeenkomstig de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling. Ten minste 20 % van de in het kader van deze verordening toegewezen steun is bestemd voor elementaire sociale voorzieningen, met speciale aandacht voor gezondheid en onderwijs en middelbaar onderwijs, erkennend dat een zekere mate van flexibiliteit de norm moet zijn, bijvoorbeeld in gevallen van buitengewone steun. Informatie betreffende de inachtneming van deze verklaring wordt opgenomen in het jaarverslag als bedoeld in artikel 13 van Verordening nr. 236/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften en procedures voor de tenuitvoerlegging van het EU-financieringsinstrument voor extern optreden.


Verklaring van het Europees Parlement betreffende de opschorting van de in het kader van de financieringsinstrumenten verleende steun

Het Europees Parlement merkt op dat in Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020, Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een Europees nabuurschapsinstrument, Verordening (EU) nr. 234/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen en Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA II) geen uitdrukkelijke verwijzing is opgenomen naar de mogelijkheid om de steun op te schorten wanneer een begunstigd land de fundamentele beginselen van het betrokken instrument, en met name de beginselen van de democratie, de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten, niet naleeft.

Het Europees Parlement is van mening dat een eventuele opschorting van de in het kader van deze instrumenten verleende steun de volgens de gewone wetgevingsprocedure overeengekomen algemene financiële regeling zou wijzigen. Indien een dergelijk besluit zou worden genomen, heeft het Europees Parlement als medewetgever en tak van de begrotingsautoriteit het recht zijn prerogatieven in dat verband ten volle uit te oefenen.


Top