Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62023CC0798

Conclusie van advocaat-generaal J. Richard de la Tour van 10 april 2025.
SH.
Verzoek van de Supreme Court om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit 2002/584/JBZ – Artikel 4 bis, lid 1 – Procedure van overlevering tussen lidstaten – Europees aanhoudingsbevel – Voorwaarden voor tenuitvoerlegging – Gronden voor facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging – Verplichte tenuitvoerlegging – Uitzonderingen – Begrip ‚proces dat tot de beslissing heeft geleid’ – Bijkomende straf van politietoezicht – Niet-naleving van de voorwaarden van deze straf – Besluit waarbij het politietoezicht wordt omgezet in een vrijheidsstraf – Bij verstek opgelegde straf.
Zaak C-798/23.

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2025:265

 CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

J. RICHARD DE LA TOUR

van 10 april 2025 ( 1 )

Zaak C‑798/23 [Abbottly] ( i )

Minister for Justice

tegen

SH

[verzoek van de Supreme Court (hoogste rechterlijke instantie, Ierland) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit 2002/584/JBZ – Europees aanhoudingsbevel (EAB) – Artikel 4 bis, lid 1 – Gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging van het EAB – Begrip ‚proces dat tot de beslissing heeft geleid’ – Omzetting van een bijkomende straf van politietoezicht in een vrijheidsstraf”

I. Inleiding

1.

Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten ( 2 ), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 ( 3 ).

2.

Dit verzoek is ingediend in het kader van een procedure betreffende de tenuitvoerlegging, in Ierland, van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat is uitgevaardigd tegen SH met het oog op de tenuitvoerlegging, in Letland, van een vrijheidsstraf.

3.

Uit artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 volgt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van het EAB voor de uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel kan weigeren, indien de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid, tenzij aan specifieke in die bepaling genoemde omstandigheden is voldaan.

4.

De Supreme Court (hoogste rechterlijke instantie, Ierland) wenst in wezen van het Hof te vernemen of het begrip „proces dat tot de beslissing heeft geleid” in deze bepaling ziet op een procedure op grond waarvan een rechter kan gelasten dat een eerder opgelegde bijkomende straf van politietoezicht, wegens de niet-naleving van de voorwaarden van deze straf wordt omgezet in een vrijheidsstraf die gelijk is aan de helft van de duur van de niet-ondergane straf van politietoezicht.

5.

In deze conclusie zal ik uiteenzetten waarom deze vraag mijns inziens bevestigend moet worden beantwoord.

II. Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen

6.

SH is in de loop van 2014 door de Valmieras rajona tiesa (rechter in eerste aanleg Valmiera, Letland) en door de Jēkabpils rajona tiesa (rechter in eerste aanleg Jēkabpils, Letland) veroordeeld voor twee strafbare feiten, die in beide gevallen leidden tot een gevangenisstraf en een periode van plaatsing onder politietoezicht. Deze veroordelingen zijn op 27 oktober 2015 geconsolideerd, wat resulteerde in een cumulatieve vrijheidsstraf van vier jaar en negen maanden en een bijkomende straf van politietoezicht gedurende drie jaar. Overeenkomstig Lets recht is de tenuitvoerlegging van deze bijkomende straf begonnen op het tijdstip waarop SH de vrijheidsstraf had uitgezeten.

7.

SH heeft niet voldaan aan de uit hoofde van het politietoezicht opgelegde verplichting om zich binnen drie werkdagen na zijn vrijlating op het politiebureau te melden, hoewel hij vooraf ervan in kennis was gesteld dat hem anders een administratieve sanctie zou kunnen worden opgelegd. Ten gevolge daarvan is SH op 11 en 27 mei 2020 door de Zemgales rajona tiesa (rechter in eerste aanleg Zemgale, Letland) schuldig bevonden aan het begaan van een bestuurlijke overtreding, waarbij hem twee boeten zijn opgelegd.

8.

In geval van twee veroordelingen voor de niet-naleving van de regels inzake politietoezicht in hetzelfde jaar, voorziet de Letse wet in de mogelijkheid dat de bevoegde rechter de bijkomende straf die niet is ondergaan, vervangt door een vrijheidsbeneming, waarbij elke resterende twee dagen politietoezicht worden geteld als één dag vrijheidsbeneming. Deze omzetting van de straf vindt dus plaats op basis van een vaste en vooraf bepaalde verhouding.

9.

In juni 2020 heeft het politiebureau van Jēkabpils (Letland) de Zemgales rajona tiesa verzocht om de resterende periode van politietoezicht van SH om te zetten in een vrijheidsbeneming.

10.

Op 25 juni 2020 is per aangetekende post een dagvaarding gestuurd naar de opgegeven woonplaats van SH in Jēkabpils. Deze dagvaarding is niet afgehaald en is op 31 juli 2020 teruggestuurd.

11.

Op 19 augustus 2020 heeft een terechtzitting plaatsgevonden voor de Zemgales rajona tiesa, waarbij SH niet aanwezig was. Diezelfde dag heeft die rechter een beslissing gegeven waarin werd bevolen dat de nog niet ten uitvoer gelegde periode van politietoezicht van SH, te weten twee jaar en twee dagen, moest worden omgezet in een vrijheidsstraf van één jaar en één dag, in overeenstemming met de in artikel 45, lid 5, van de Krimināllikums (wetboek van strafrecht; hierna: „Lets strafwetboek”) genoemde verhouding. Deze beslissing is aan SH gestuurd, maar zonder ontvangstbevestiging teruggestuurd. Ook heeft SH tegen deze beslissing geen hoger beroep ingesteld.

12.

Op 26 februari 2021 is tegen SH een EAB uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf die de Zemgales rajona tiesa op 19 augustus 2020 had opgelegd.

13.

Bij vonnis van 27 juli 2022 heeft de High Court (nationale rechter in eerste aanleg, Ierland) geweigerd om SH over te leveren op grond van de Ierse omzetting van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584.

14.

Nadat de High Court de Minister for Justice and Equality (minister voor Justitie en Gelijkheid, Ierland; hierna: „minister”) de mogelijkheid had geweigerd om tegen dat vonnis hoger beroep in te stellen bij de Court of Appeal (rechter in tweede aanleg, Ierland), heeft die minister verzocht om bij de Supreme Court hoger beroep te mogen instellen tegen dat vonnis, hetgeen op 19 januari 2023 is toegestaan.

15.

Deze rechter neigt ertoe te oordelen dat de Letse procedure die leidt tot omzetting van de bijkomende straf van politietoezicht in een vrijheidsbeneming te vergelijken is met de herroeping van een opschorting van de tenuitvoerlegging van een straf die, zoals blijkt uit het arrest van 22 december 2017, Ardic ( 4 ), niet binnen de werkingssfeer van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 valt. Het dwingende karakter van een plaatsing onder politietoezicht kan namelijk worden gelijkgesteld met de voorwaarden die stelselmatig worden opgelegd in het kader van de opschorting van de tenuitvoerlegging van een straf.

16.

In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat uit dat arrest voortvloeit dat het begrip „beslissing” in de zin van die bepaling niet ziet op een beslissing inzake de tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder uitgesproken vrijheidsstraf, zoals de herroeping van een opschorting van de tenuitvoerlegging, behalve wanneer die beslissing ertoe strekt of tot gevolg heeft dat de aard of de maat van die straf wordt gewijzigd, en de autoriteit die deze beslissing heeft gegeven, op dat punt over een zekere mate van beoordelingsbevoegdheid beschikte. ( 5 )

17.

Deze rechter stelt vast dat de periode van politietoezicht in casu is begonnen op het moment dat de vrijheidsstraf door SH was uitgezeten. Er is geen nieuwe rechterlijke beslissing tot wijziging van de aard en maat van de eerder opgelegde vrijheidsstraf gegeven, aangezien in geval van niet-naleving van de voorwaarden van politietoezicht de duur van de vrijheidsbeneming die kan worden opgelegd, wordt bepaald door een in het Letse recht vastgestelde wiskundige berekening. De enige vraag waarover de Zemgales rajona tiesa moest beslissen, was dus of er al dan niet een bijkomende vrijheidsstraf moest worden opgelegd, waarvan de duur van rechtswege volgde.

18.

Daarom was de verwijzende rechter aanvankelijk van oordeel dat overlevering niet mocht worden geweigerd, omdat de op 19 augustus 2020 opgelegde vrijheidsbeneming geen nieuwe straf was. De voorwaarden en parameters van de vrijheidsbeneming die volgde op de door SH gepleegde strafbare feiten waren namelijk duidelijk en vaststaand en hielden geen nieuwe beslissing of wijziging in van de aard of de maat van de oorspronkelijke straf.

19.

Niettemin plaatst deze rechter vraagtekens bij deze oplossing.

20.

Hij merkt namelijk op dat de straf in het hoofdgeding verschilt van die in het arrest Ardic. Hoewel het vooruitzicht van een nieuwe gevangenisstraf inherent was aan de in 2015 opgelegde straf, hield de beslissing van de Zemgales rajona tiesa niet enkel in dat verweerder „de aanvankelijk vastgestelde [vrijheidsstraf] [...] geheel of ten dele moest ondergaan” ( 6 ).

21.

De verwijzende rechter merkt in dit verband op dat verweerder de aanvankelijk aan hem opgelegde vrijheidsstraf heeft ondergaan. Bijgevolg kan worden aangenomen dat de hem door de Zemgales rajona tiesa opgelegde straf een wijziging van de aard of de maat van de eerder opgelegde straf inhield, waarbij een straf van politietoezicht is omgezet in een bijkomende gevangenisstraf.

22.

Bovendien beschikte de Zemgales rajona tiesa over een zekere mate van beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot het opleggen van een dergelijke straf aan SH, ook al had die rechter geen beoordelingsbevoegdheid wat betreft de duur van een dergelijke straf. Bijgevolg merkt de verwijzende rechter op dat hij niet kan concluderen dat het antwoord op de opgeworpen vraag betreffende de uitlegging en toepassing van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, in de omstandigheden van de bij hem ingestelde hogere voorziening, zo duidelijk is dat er geen ruimte is voor enige redelijke twijfel.

23.

In deze omstandigheden heeft de Supreme Court de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Wanneer om de overlevering van de gezochte persoon verzocht wordt met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf die hem is opgelegd wegens overtreding van de voorwaarden van een eerder aan hem opgelegde straf van politietoezicht, in omstandigheden waarin de rechter die deze vrijheidsstraf heeft opgelegd een beoordelingsbevoegdheid had om al dan niet een vrijheidsstraf op te leggen (maar geen beoordelingsbevoegdheid ten aanzien van de duur van de eventueel opgelegde straf), maakt de procedure die leidt tot het opleggen van [genoemde] vrijheidsstraf dan deel uit van het ‚proces dat tot de beslissing heeft geleid’ in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit [2002/584]?

2)

Gaat het bij de beslissing tot omzetting van de straf van politietoezicht in een vrijheidsstraf in de [in de eerste vraag beschreven] omstandigheden, om een beslissing die ertoe strekte of tot gevolg had dat de aard en/of de maat van de eerder aan de gezochte persoon opgelegde straf, en in het bijzonder de straf van politietoezicht die deel uitmaakte van zijn eerdere straf, werd gewijzigd, zodat deze beslissing onder de in punt 77 van het arrest Ardic bedoelde uitzondering valt?”

24.

De minister, SH, de Roemeense regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend en deelgenomen aan de terechtzitting van 9 januari 2025.

25.

Nadat de advocaat van SH de griffie van het Hof had geïnformeerd dat SH in Letland in hechtenis was genomen, heeft het Hof de verwijzende rechter bij beslissing van de president van het Hof van 26 april 2024 om informatie verzocht om vast te stellen of een antwoord van het Hof op het verzoek om een prejudiciële beslissing relevant bleef voor de beslechting van het hoofdgeding.

26.

Bij antwoord van 10 mei 2024 heeft de verwijzende rechter bevestigd dat SH in Letland in hechtenis was genomen en aan de Letse autoriteiten was overgeleverd ter uitvoering van een EAB van 17 februari 2021, maar heeft hij aangegeven dat, aangezien SH niet ter uitvoering van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde EAB was overgeleverd en het dus niet was uitgesloten dat de Letse autoriteiten het mechanisme van artikel 27 van kaderbesluit 2002/584 zouden toepassen om de tenuitvoerlegging van de aan SH opgelegde vrijheidsstraf te verkrijgen, een antwoord op het verzoek om een prejudiciële beslissing relevant bleef voor de beslechting van het hoofdgeding.

III. Analyse

27.

Met zijn twee prejudiciële vragen, die mijns inziens samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie van het Hof te vernemen of artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „proces dat tot de beslissing heeft geleid” in deze bepaling ziet op een procedure op grond waarvan een rechter kan gelasten dat een eerder opgelegde bijkomende straf van politietoezicht, wegens de niet-naleving van de voorwaarden van deze straf wordt omgezet in een vrijheidsstraf die gelijk is aan de helft van de duur van de niet-ondergane straf van politietoezicht.

28.

Terwijl de minister en de Roemeense regering in overweging geven om deze vraag ontkennend te beantwoorden, waarbij zij in wezen een redenering ontwikkelen die gebaseerd is op het arrest Ardic, stellen SH en de Commissie voor om die vraag in afwijking van dat arrest bevestigend te beantwoorden.

29.

Ik ben het eens met het standpunt van SH en de Commissie.

30.

Voordat ik uiteenzet waarom ik van mening ben dat de procedure die heeft geleid tot een rechterlijke beslissing waarbij een straf van politietoezicht is omgezet in een vrijheidsstraf, een „proces dat tot de beslissing heeft geleid” in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 vormt, moet duidelijk worden vastgesteld waarin eerstgenoemde straf bestaat en onder welke voorwaarden zij door de bevoegde rechter kan worden opgelegd.

31.

In dit verband moet worden verwezen naar artikel 45 van het Letse strafwetboek, met als opschrift „Politietoezicht”, waarin stond te lezen ( 7 ):

„(1) Politietoezicht is een bijkomende straf die de rechter als verplichte maatregel kan opleggen om toezicht te houden op het gedrag van de persoon die uit een plaats van vrijheidsbeneming wordt vrijgelaten, zodat deze persoon kan worden onderworpen aan de beperkingen die door de politie-instelling worden voorgeschreven. [...]

(2) De straf van politietoezicht wordt alleen opgelegd wanneer, in de gevallen die zijn genoemd in het bijzondere deel van deze wet, een vrijheidsstraf wordt opgelegd voor een periode van ten minste één jaar en ten hoogste drie jaar.

[...]

(4) Indien een veroordeelde persoon een nieuw strafbaar feit heeft gepleegd terwijl hij een bijkomende straf onderging, vervangt de rechter de niet-voltooide duur van de bijkomende straf door een vrijheidsbeneming en stelt hij de definitieve straf vast overeenkomstig de artikelen 51 en 52 van deze wet.

(5) Indien een persoon die bij een rechterlijk vonnis is veroordeeld tot politietoezicht, de bepalingen van de wet inzake die toezichtmaatregel te kwader trouw overtreedt, kan een rechter, op verzoek van de politie-instelling, de niet-voltooide duur van een bijkomende straf vervangen door een vrijheidsbeneming, waarbij twee dagen politietoezicht worden geteld als één dag vrijheidsbeneming.

(6) Er is sprake van een overtreding te kwader trouw van de bepalingen inzake politietoezicht indien de persoon binnen een periode van één jaar tweemaal bestuursrechtelijk is veroordeeld voor een dergelijke overtreding.”

32.

In de onderhavige zaak is in het bijzonder artikel 45, lid 5, van het Letse strafwetboek van belang, aangezien het voorziet in de mogelijkheid voor de bevoegde rechter om op verzoek van de bevoegde politieautoriteit een straf van politietoezicht om te zetten in een vrijheidsstraf wanneer de veroordeelde persoon te kwader trouw niet voldoet aan de voorwaarden die aan eerstgenoemde straf zijn verbonden. Deze omzetting vindt dan plaats voor de duur van de nog te ondergane straf van politietoezicht, op basis van een vaste wettelijke verhouding van één dag vrijheidsbeneming voor elke resterende twee dagen politietoezicht.

33.

Om aan te tonen dat een dergelijke beslissing tot omzetting van de straf binnen de werkingssfeer van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 valt, moet er om te beginnen aan worden herinnerd dat, volgens vaste rechtspraak, dit kaderbesluit met de instelling van een vereenvoudigde en efficiënte regeling voor de overlevering van personen die veroordeeld zijn of ervan verdacht worden strafbare feiten te hebben gepleegd, beoogt de justitiële samenwerking te vergemakkelijken en te bespoedigen, en daardoor bij te dragen tot de verwezenlijking van de opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te worden die berust op de hoge mate van vertrouwen die tussen de lidstaten moet bestaan. ( 8 )

34.

Het beginsel van wederzijdse erkenning, dat, volgens overweging 6 van kaderbesluit 2002/584, zijn eerste tastbare toepassing vindt in het EAB waarin dit kaderbesluit voorziet, vormt de „hoeksteen” van de gerechtelijke samenwerking in strafzaken. Dit beginsel komt tot uitdrukking in artikel 1, lid 2, van dit kaderbesluit, waarin de regel is vastgelegd dat de lidstaten zich ertoe verbinden om op grond van dit beginsel en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit elk EAB ten uitvoer te leggen. ( 9 )

35.

Hieruit volgt ten eerste dat de uitvoerende rechterlijke autoriteiten slechts kunnen weigeren om een EAB ten uitvoer te leggen om redenen die voortvloeien uit kaderbesluit 2002/584, zoals uitgelegd door het Hof. Ten tweede is de tenuitvoerlegging van het EAB de regel en is de weigering van de tenuitvoerlegging de uitzondering, die strikt moet worden uitgelegd. ( 10 )

36.

Artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 vormt met name een uitzondering op de regel dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit verplicht is om de gezochte persoon aan de uitvaardigende lidstaat over te leveren, waardoor deze bepaling strikt moet worden uitgelegd. ( 11 )

37.

Uit de tekst zelf van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 komt naar voren dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de mogelijkheid heeft om de tenuitvoerlegging van een EAB dat is uitgevaardigd voor de tenuitvoerlegging van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel te weigeren indien de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid, tenzij in het EAB is vermeld dat aan de in die bepaling, onder a) tot en met d), genoemde voorwaarden is voldaan. ( 12 )

38.

In dit verband moet worden opgemerkt dat deze bepaling aldus de mogelijkheid tot weigering om een EAB ten uitvoer te leggen beperkt door een nauwkeurige en uniforme opsomming te geven van de voorwaarden waaronder de erkenning en de tenuitvoerlegging van een beslissing die is gegeven na een proces waarop de betrokkene niet in persoon is verschenen, niet mogen worden geweigerd. ( 13 )

39.

Hieruit volgt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit een EAB ten uitvoer moet leggen, ongeacht de afwezigheid van de betrokkene op het proces dat tot de beslissing heeft geleid, zodra is bevestigd dat er sprake is van een van de in artikel 4 bis, lid 1, onder a), b), c) of d), van kaderbesluit 2002/584 genoemde omstandigheden. ( 14 )

40.

In elk van de in artikel 4 bis, lid 1, onder a) tot en met d), van kaderbesluit 2002/584 bedoelde gevallen doet de tenuitvoerlegging van het EAB namelijk geen afbreuk aan de rechten van de verdediging van de betrokkene en ook niet aan het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een eerlijk proces, zoals die zijn neergelegd in artikel 47 en artikel 48, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ( 15 ).

41.

Alvorens na te gaan of er sprake is van een van de in artikel 4 bis, lid 1, onder a), b), c) of d), van kaderbesluit 2002/584 bedoelde omstandigheden, dient de uitvoerende rechterlijke autoriteit evenwel vast te stellen of zij wordt geconfronteerd met een situatie waarin de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen op het „proces dat tot de beslissing heeft geleid” in de zin van die bepaling.

42.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet het begrip „proces dat tot de beslissing heeft geleid” in die bepaling worden opgevat als een autonoom Unierechtelijk begrip dat op het grondgebied van de Unie uniform moet worden uitgelegd, los van de kwalificaties die de lidstaten eraan geven. ( 16 ) Dit begrip moet worden geacht te duiden op de procedure die heeft geleid tot de rechterlijke beslissing waarbij de persoon om wiens overlevering wordt verzocht in het kader van de tenuitvoerlegging van een EAB, onherroepelijk is veroordeeld. ( 17 )

43.

Het Hof heeft opgemerkt dat ingeval de procedure meerdere instanties heeft omvat die tot opeenvolgende beslissingen hebben geleid, waarvan er ten minste één bij verstek is gewezen, dat begrip ziet op de instantie waarin de laatste van deze beslissingen is gegeven, voor zover de betrokken rechter definitief uitspraak heeft gedaan over de schuld van de betrokkene en hem heeft veroordeeld tot een straf zoals een vrijheidsbenemende maatregel, na een onderzoek, in feite en in rechte, van belastende en ontlastende elementen, hetgeen in voorkomend geval inhoudt dat de individuele situatie van de betrokkene in aanmerking is genomen. ( 18 )

44.

Het Hof heeft tevens gepreciseerd dat een procedure die tot een verzamelvonnis heeft geleid waarin de duur van eerder opgelegde vrijheidsstraffen opnieuw is vastgesteld, ook al raakt zij niet aan de schuldigverklaring in eerdere uitspraken, moet worden geacht onder artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 te vallen wanneer die procedure de bevoegde autoriteit daartoe een beoordelingsbevoegdheid toekent en leidt tot een beslissing waarbij definitief uitspraak wordt gedaan over de straf. ( 19 )

45.

Zoals het Hof in het arrest Ardic heeft verduidelijkt, vormt een beslissing inzake de tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder uitgesproken vrijheidsstraf geen „beslissing” in de zin van dit artikel 4 bis, lid 1, behalve wanneer zij invloed heeft op de schuldigverklaring of ertoe strekt of tot gevolg heeft dat de aard of de maat van die straf wordt gewijzigd en de autoriteit die deze beslissing heeft gegeven, op dat punt over een zekere mate van beoordelingsbevoegdheid beschikte. ( 20 )

46.

Hieruit volgt dat een beslissing tot herroeping van de opschorting van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf wegens schending door de betrokkene van een aan deze opschorting verbonden objectieve voorwaarde, zoals het begaan van een nieuw strafbaar feit tijdens de proeftijd, niet binnen de werkingssfeer van artikel 4 bis, lid 1, valt, aangezien zij deze straf wat haar aard en maat betreft onverlet laat. ( 21 )

47.

Bovendien heeft het Hof gepreciseerd dat, aangezien de autoriteit die over een dergelijke herroeping moet beslissen, de zaak die tot de strafrechtelijke veroordeling heeft geleid niet opnieuw ten gronde moet onderzoeken, de omstandigheid dat deze autoriteit over een beoordelingsbevoegdheid beschikt verder niet relevant is, zolang zij op grond van die beoordelingsbevoegdheid geen wijziging kan aanbrengen in de maat of de aard van de vrijheidsstraf zoals vastgesteld bij de beslissing waarbij de gezochte persoon onherroepelijk is veroordeeld. ( 22 )

48.

Aldus heeft het Hof het begrip „proces dat tot de beslissing heeft geleid” in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 strikt uitgelegd. Het heeft opgemerkt dat een dergelijke uitlegging van deze bepaling verenigbaar is met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ( 23 ). Volgens deze rechtspraak vallen namelijk, ten eerste, procedures over de tenuitvoerlegging van een straf niet binnen de werkingssfeer van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ( 24 ) en kunnen, ten tweede, door een rechter na de uitspraak van een definitieve straf of tijdens de tenuitvoerlegging ervan genomen maatregelen slechts als „straffen” in de zin van dat Verdrag worden beschouwd indien zij kunnen leiden tot een herdefiniëring of een wijziging van de omvang van de aanvankelijk opgelegde straf ( 25 ).

49.

Zowel de minister als de Roemeense regering hebben de stelling verdedigd dat de situatie in het hoofdgeding moet worden gelijkgesteld met die in de zaak die heeft geleid tot het arrest Ardic. Een andere benadering zou er volgens hen op neerkomen dat de vorm voorrang krijgt boven de inhoud, aangezien de beslissing om de opschorting van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf te herroepen en de beslissing om een straf van politietoezicht om te zetten in een vrijheidsstraf, hetzelfde effect zouden hebben.

50.

Ik deel die opvatting niet. Evenals SH en de Commissie ben ik namelijk van mening dat de situatie in het hoofdgeding moet worden onderscheiden van die welke tot dat arrest heeft geleid, en wel om de volgende redenen.

51.

Wat in de eerste plaats de bescherming van een grondrecht zoals het recht op een eerlijk proces betreft, moet met terughoudendheid worden gekeken naar de argumenten die pleiten voor een uitbreiding, naar analogie van de strikte uitlegging die het Hof heeft gegeven, tot maatregelen die, hoewel zij bepaalde vergelijkbare gevolgen hebben, van andere aard zijn.

52.

Het lijkt mij namelijk van belang te benadrukken dat de strikte uitlegging die aan artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 moet worden gegeven, niet mag verhullen dat het recht van de verdachte om bij zijn proces aanwezig te zijn een essentieel onderdeel van de rechten van de verdediging vormt en meer in het algemeen van het grootste belang is voor de eerbiediging van het recht op een eerlijk strafproces, dat is verankerd in artikel 47, tweede en derde alinea, en artikel 48 van het Handvest. ( 26 )

53.

Dienaangaande heeft het EHRM, zoals het Hof heeft benadrukt, geoordeeld dat een veroordeling bij verstek van een persoon van wie niet vaststaat dat hij afstand had gedaan van zijn recht om te verschijnen en zich te verdedigen of dat hij voornemens was om zich aan berechting te onttrekken, zonder dat hij de mogelijkheid heeft gehad om, na te zijn gehoord, een nieuwe uitspraak te verkrijgen over de feitelijke en juridische gegrondheid van de tegen hem gerichte beschuldiging, een flagrante rechtsweigering vormt. ( 27 )

54.

Wat voorts de ontstaansgeschiedenis en de doelstellingen van artikel 4 bis van kaderbesluit 2002/584 betreft, heeft het Hof reeds verklaard dat deze bepaling beoogt een hoog beschermingsniveau te waarborgen en de uitvoerende rechterlijke autoriteit in staat te stellen de betrokkene over te leveren niettegenstaande het feit dat hij niet aanwezig was op het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid, en daarbij de rechten van de verdediging volledig in acht te nemen. Meer in het bijzonder blijkt uitdrukkelijk uit artikel 1 van kaderbesluit 2009/299, gelezen in het licht van de overwegingen 1, 4, 8 en 15 ervan, dat dit artikel 4 bis in kaderbesluit 2002/584 is ingevoegd om het recht van de verdachte om in persoon bij het tegen hem gevoerde strafproces te verschijnen te beschermen en daarnaast de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen tussen de lidstaten te bevorderen. ( 28 ) Zoals het Hof heeft opgemerkt, heeft de Uniewetgever beslist om aan dit recht een specifiek belang toe te kennen. ( 29 )

55.

De doeltreffendheid van het mechanisme van het EAB mag dus de noodzaak om de procedurele rechten van personen tegen wie een strafprocedure loopt te versterken, niet naar de achtergrond dringen.

56.

In die optiek moet artikel 4 bis van kaderbesluit 2002/584 worden uitgelegd en toegepast in overeenstemming met artikel 47, tweede en derde alinea, en artikel 48 van het Handvest, die, zoals de toelichtingen bij het Handvest ( 30 ) verduidelijken, corresponderen met artikel 6 EVRM. Bijgevolg dient het Hof erop toe te zien dat de uitlegging die het aan artikel 47, tweede en derde alinea, en artikel 48 van het Handvest geeft, zodanig is dat het daardoor geboden beschermingsniveau niet in strijd komt met het niveau dat wordt gewaarborgd door artikel 6 EVRM, zoals uitgelegd door het EHRM. ( 31 )

57.

Anders dan bij kwesties inzake de tenuitvoerlegging of de toepassing van een straf, valt een rechterlijke beslissing waarbij de betrokkene wordt veroordeeld binnen de strafrechtelijke dimensie van artikel 6 EVRM. ( 32 )

58.

In dit verband volgt uit de rechtspraak van het EHRM dat de waarborgen van artikel 6 EVRM niet alleen van toepassing zijn op de schuldigverklaring maar tevens op de bepaling van de straf. De inachtneming van de eerlijkheid van het proces impliceert dus het recht van de betrokkene om aanwezig te zijn bij de pleidooien vanwege de belangrijke consequenties die zij kunnen hebben voor de maat van de straf die hem zal worden opgelegd. ( 33 )

59.

Gelet op deze rechtspraak moet worden nagegaan of een beslissing die op het eerste gezicht zou kunnen worden geacht betrekking te hebben op de tenuitvoerlegging of de toepassing van een straf, in werkelijkheid niet kan worden gelijkgesteld met een beslissing waarbij wordt overgegaan tot een schuldigverklaring of waarbij de straf wordt bepaald, in welk geval de waarborgen van artikel 6 EVRM moeten worden toegepast.

60.

In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde beslissing betrekking heeft op een bijkomende straf en geen beslissing betreffende de tenuitvoerlegging of de toepassing van een eerder opgelegde vrijheidsstraf vormt, anders dan de beslissing die aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest Ardic. In de situatie in het hoofdgeding gaat het dus niet om een wijze van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf op grond waarvan de veroordeelde een dergelijke straf buiten de gevangenis kan uitzitten, met de verplichting om aan een aantal voorwaarden te voldoen.

61.

In de derde plaats maakt de procedure waarbij de politieautoriteit zich krachtens artikel 45, lid 5, van het Letse strafwetboek tot de bevoegde rechter wendt, deel uit van de fase van tenuitvoerlegging van de bijkomende straf van politietoezicht, die aanvangt nadat de vrijheidsstraf is uitgezeten.

62.

In deze procedure dient de bevoegde rechter te beslissen of de niet-voltooide duur van de straf moet worden vervangen door een vrijheidsstraf, waarbij elke resterende twee dagen politietoezicht worden omgezet in één dag vrijheidsbeneming, omdat de veroordeelde niet voldoet aan de voorwaarden van de straf van politietoezicht.

63.

In afwijking van de gevolgtrekking van het Hof in het arrest Ardic kan een dergelijke beslissing mijns inziens niet worden teruggevoerd tot een beslissing inzake de tenuitvoerlegging of toepassing van de straf van politietoezicht die, indien dat wel het geval was, zou worden uitgesloten van de werkingssfeer van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584.

64.

De procedure waarbij de bevoegde rechter kan beslissen om de straf van politietoezicht te vervangen door een vrijheidsstraf, komt namelijk neer op de oplegging van een nieuwe straf waarvan de aard verschilt van de aanvankelijk vastgestelde straf.

65.

Deze nieuwe straf kan door deze rechter worden opgelegd indien hij van oordeel is dat het feit dat de veroordeelde persoon niet voldoet aan de voorwaarden van de straf van politietoezicht, dit rechtvaardigt. Het doel van de eventueel opgelegde vrijheidsstraf is dus niet de bestrijding van het oorspronkelijke strafbare feit, dat heeft geleid tot de oplegging van de straf van politietoezicht als bijkomende straf, maar de bestrijding van de specifieke inbreuken op de voorwaarden van laatstgenoemde straf. De verwijzende rechter moet dus, na onderzoek van de situatie van de betrokkene, beslissen of deze inbreuken al dan niet rechtvaardigen dat een eenvoudig politietoezicht wordt omgezet in vrijheidsbeneming.

66.

Ik ben dan ook van mening dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde beslissing tot omzetting van een straf veeleer behoort tot de categorie van beslissingen waarbij tot een schuldigverklaring wordt overgegaan of een straf wordt vastgesteld, dan tot die betreffende de wijze van tenuitvoerlegging van een straf. Een dergelijke beslissing moet dus binnen de werkingssfeer van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 vallen.

67.

Bijgevolg moet mijns inziens worden geoordeeld dat de procedure die de bevoegde rechter ertoe heeft gebracht om krachtens artikel 45, lid 5, van het Letse strafwetboek de straf van politietoezicht om te zetten in een vrijheidsstraf, moet worden gelijkgesteld met een procedure die heeft geleid tot de rechterlijke beslissing waarbij de persoon om wiens overlevering wordt verzocht in het kader van de tenuitvoerlegging van een EAB, onherroepelijk is veroordeeld. ( 34 ) Hieruit volgt dat het begrip „proces dat tot de beslissing heeft geleid” in artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 ziet op een procedure zoals die welke heeft geleid tot de in het hoofdgeding aan de orde zijnde beslissing tot omzetting van de straf.

68.

Het is juist dat, zoals het EHRM meermaals heeft opgemerkt, het onderscheid tussen een maatregel die een straf vormt en een maatregel betreffende de tenuitvoerlegging of toepassing van een straf in de praktijk niet altijd duidelijk is. ( 35 ) De situatie in het hoofdgeding illustreert dit duidelijk, aangezien, zoals ik hierboven heb aangegeven, de beslissing van de bevoegde rechter wordt gegeven in het kader van de tenuitvoerleggingsfase van een bijkomende straf van politietoezicht.

69.

Zelfs indien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde beslissing tot omzetting van de straf wegens het hybride karakter ervan wordt beschouwd als een wijze van tenuitvoerlegging van de straf van politietoezicht, moet ten eerste worden vastgesteld dat deze beslissing tot gevolg heeft dat de aard van die straf wordt gewijzigd en ten tweede dat de rechter die deze beslissing heeft gegeven over een zekere mate van beoordelingsbevoegdheid beschikte om over deze wijziging te beslissen. Volgens de rechtspraak van het Hof kan, indien aan deze twee voorwaarden is voldaan, worden geoordeeld dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit wordt geconfronteerd met een „beslissing” in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584. ( 36 ) Deze vaststelling versterkt mijns inziens de gedachte dat een analoge toepassing van de gevolgtrekking van het Hof in het arrest Ardic hoe dan ook moet worden uitgesloten.

70.

In dit verband moet worden benadrukt dat de niet-naleving van bepaalde voorwaarden weliswaar, zowel in de situatie die aan de orde was in dat arrest als in de situatie in het hoofdgeding, leidt tot terugkeer naar de gevangenis, maar deze twee situaties in meerdere opzichten van elkaar verschillen.

71.

Zo moest in de situatie die aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest Ardic de aanvankelijk opgelegde vrijheidsstraf ten uitvoer worden gelegd wegens de herroeping van de opschorting ( 37 ), waarbij die straf onverlet werd gelaten wat betreft de aard en maat ervan ( 38 ). Deze herroeping zette dus een straf in gang die onherroepelijk was vastgesteld op het moment van de veroordeling, ook al werd zij vervolgens onder voorwaarden opgeschort. ( 39 ) In de situatie in het hoofdgeding leidt de niet-naleving van de voorwaarden van de bijkomende straf van politietoezicht daarentegen tot de oplegging van een nieuwe vrijheidsstraf die in de plaats komt van de aanvankelijk opgelegde bijkomende straf, indien de bevoegde rechter daartoe beslist. Het is dus niet de oorspronkelijke gevangenisstraf, die volledig is uitgezeten, die opnieuw in gang wordt gezet. De grondslag voor de vrijheidsbeneming is niet het oorspronkelijke strafbare feit, maar de herhaalde niet-naleving van de voorwaarden van het politietoezicht, die naar Lets recht een bestuurlijke overtreding vormt.

72.

Het staat buiten kijf dat de oorspronkelijk opgelegde bijkomende straf dan van aard verandert. In het bijzonder lijkt het mij van belang om te benadrukken dat de omzetting van een straf van politietoezicht in een vrijheidsstraf ertoe leidt dat een maatregel waarvan het doel hoofdzakelijk preventief lijkt te zijn ( 40 ), wordt omgezet in een repressieve maatregel. Met het politietoezicht na de vrijlating uit de gevangenis wordt namelijk niet een dergelijk doel nagestreefd, maar wordt beoogd om het risico van recidive te voorkomen en de re-integratie van de vrijgelaten persoon te bevorderen door ervoor te zorgen dat hij zich correct gedraagt.

73.

In dit verband merk ik op dat het EHRM reeds heeft geoordeeld dat een maatregel van bijzonder toezicht door de politie „niet [kan] worden vergeleken met een straf, aangezien zij het plegen van strafbare feiten beoogt te voorkomen; de desbetreffende procedure heeft dus geen betrekking op de ‚gegrondheid’ van een ‚vervolging’” in de zin van artikel 6, lid 1, EVRM” ( 41 ).

74.

Voorts heeft het EHRM met betrekking tot een maatregel tot plaatsing van een persoon onder administratief toezicht, in samenhang met en na een strafrechtelijke veroordeling, geoordeeld dat een dergelijke maatregel geen „straf” in de zin van artikel 7, lid 1, EVRM vormde, aangezien het hoofddoel van die maatregel erin bestond recidive te voorkomen, waardoor zij eerder een preventief dan een repressief karakter had. ( 42 )

75.

Ik voeg hieraan toe dat de plaatsing onder politietoezicht naar Lets recht weliswaar als „bijkomende straf” wordt aangemerkt, maar dat dit geenszins uitsluit dat dit toezicht als een veiligheidsmaatregel kan worden beschouwd. In dit verband heeft het EHRM reeds geoordeeld dat „eenzelfde soort maatregel kan worden aangemerkt als bijkomende straf in de ene staat en als veiligheidsmaatregel in een andere staat” ( 43 ).

76.

Bovendien moet worden benadrukt dat de bevoegde rechter in casu in het kader van een andere gerechtelijke procedure dan de procedure die tot de oorspronkelijke veroordeling heeft geleid, over een beoordelingsbevoegdheid beschikt met betrekking tot de eventuele omzetting van de straf van politietoezicht in een vrijheidsstraf. Anders dan in de zaak die heeft geleid tot het arrest Ardic, waarin de bevoegdheid van de rechterlijke autoriteit om de opschorting in te trekken geen betrekking had op de vaststelling van de straf, maar op de tenuitvoerlegging ervan ( 44 ), heeft de beoordelingsbevoegdheid waarover de bevoegde rechter in de onderhavige zaak beschikt betrekking op de vraag of de niet-naleving van de voorwaarden van de straf van politietoezicht voldoende ernstig is om te rechtvaardigen dat deze straf in een vrijheidsbeneming wordt omgezet. Dit komt erop neer dat moet worden vastgesteld of een nieuwe straf van andere aard moet worden opgelegd. In het bijzonder kan deze rechter op grond van deze beoordelingsbevoegdheid rekening houden met de situatie of de persoonlijkheid van de betrokkene, of ook met omstandigheden die kunnen verklaren waarom deze persoon niet heeft voldaan aan de voorwaarden van de straf van politietoezicht. ( 45 )

77.

Het is juist dat in deze mogelijkheid tot omzetting van straffen is voorzien bij de wet, op grond waarvan de maat van de vrijheidsstraf die de bevoegde rechter kan opleggen wordt vastgesteld op basis van een vaste wettelijke verhouding van één dag vrijheidsbeneming voor elke resterende twee dagen politietoezicht. Dit neemt niet weg dat die rechter over een beoordelingsbevoegdheid beschikt met betrekking tot de beslissing om die omzetting uit te spreken.

78.

Eveneens vanuit het oogpunt van de beoordelingsbevoegdheid waarover de bevoegde rechter beschikt, herinner ik eraan dat het Hof in het arrest Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Veroordeling bij verstek) heeft geoordeeld dat het begrip „proces dat tot de beslissing heeft geleid” in artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 betrekking heeft op een verzamelvonnis, aangezien de procedure die tot dat vonnis heeft geleid een beoordelingsbevoegdheid omvat om de hoogte van die totaalstraf te bepalen. ( 46 ) Zoals SH ter terechtzitting op goede gronden heeft benadrukt, zou het paradoxaal zijn om een andere oplossing te kiezen wanneer, zoals in de onderhavige zaak, de beoordelingsbevoegdheid waarover de bevoegde rechter beschikt, betrekking heeft op de aard zelf van de straf die de betrokkene aan het einde van de procedure in kwestie zal moeten ondergaan, te weten ofwel blijvend politietoezicht voor de resterende duur, ofwel omzetting van dat toezicht in een nieuwe vrijheidsstraf voor de wettelijk bepaalde duur.

79.

Een laatst element onderscheidt de situatie in het hoofdgeding van die in de zaak die heeft geleid tot het arrest Ardic. In laatstgenoemde zaak vormde het oorspronkelijke veroordelende vonnis namelijk het voor tenuitvoerlegging vatbare vonnis dat aan het EAB ten grondslag lag. De herroeping van de opschorting impliceerde dus geen nieuwe beslissing over de bepaling van de straf die de grondslag van het EAB zou vormen. ( 47 ) Dit ligt anders in de situatie die in het hoofdgeding aan de orde is, waarin de nieuwe beslissing waarbij in plaats van de straf van politietoezicht een vrijheidsstraf is opgelegd, bepalend is geweest voor de uitvaardiging van het EAB en de grondslag daarvan vormt. ( 48 )

80.

Gelet op een en ander ben ik van mening dat, zodra een rechterlijke beslissing zich niet beperkt tot de tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder opgelegde straf, maar de aard of de maat van die straf wijzigt, waarbij de bevoegde rechter in dit verband over een zekere mate van beoordelingsbevoegdheid beschikt, een dergelijke beslissing binnen de werkingssfeer van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 moet komen te vallen, opdat de uitvoerende rechterlijke autoriteit kan nagaan of er sprake is van een van de onder a), b), c) of d), van deze bepaling bedoelde omstandigheden. In casu is het „proces dat tot de beslissing heeft geleid” in de zin van dat artikel 4 bis, lid 1, en waarbij de vrijheidsstraf is opgelegd, dus het proces dat heeft geleid tot de beslissing tot omzetting van de straf van 19 augustus 2020.

81.

Bijgevolg moet de betrokkene in de fase van de procedure die tot doel heeft te beslissen over de eventuele omzetting van een straf van politietoezicht in een vrijheidsstraf, zijn rechten van verdediging volledig kunnen uitoefenen om zijn standpunt doeltreffend aan te voeren en aldus invloed uit te oefenen op de eindbeslissing die ertoe kan leiden dat hem zijn individuele vrijheid wordt ontnomen. ( 49 ) In het bijzonder moet de betrokkene de feitelijke en juridische elementen kunnen aanvoeren op grond waarvan de bevoegde rechter zou kunnen beslissen om niet over te gaan tot een dergelijke strafomzetting.

82.

De omstandigheid dat een beslissing tot omzetting van een straf krachtens artikel 45, leden 5 en 6, van het Letse strafwetboek vanaf het moment dat de bijkomende straf van politietoezicht wordt opgelegd voorzienbaar is in geval van niet-naleving van de aan die straf verbonden voorwaarden, is mijns inziens irrelevant voor de kwalificatie als „proces dat tot de beslissing heeft geleid” in de zin van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584. Een dergelijke voorzienbaarheid is namelijk in overeenstemming met het legaliteitsbeginsel ter zake van strafbare feiten en straffen. Het is kenmerkend voor elke op een wettelijke grondslag gebaseerde straf dat zij voorzienbaar is zodra een strafbaar feit wordt gepleegd. Dit neemt niet weg dat de persoon die tot een dergelijke straf kan worden veroordeeld, de beslissing van de rechter moet kunnen beïnvloeden door in persoon op zijn proces te verschijnen.

83.

Voor deze kwalificatie is het van belang dat de procedure tot omzetting van een straf kan leiden tot een vrijheidsbeneming die weliswaar voorzienbaar was in geval van niet-naleving van de voorwaarden van de straf van politietoezicht, maar als zodanig geen deel uitmaakte van de oorspronkelijke veroordeling en dus vereist dat een nieuwe veroordeling wordt uitgesproken die in de plaats komt van de eerste.

IV. Conclusie

84.

In het licht van alle voorgaande overwegingen geef ik het Hof in overweging om de door de Supreme Court gestelde prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:

„Artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, gelezen in het licht van de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

moet aldus worden uitgelegd dat

het begrip ‚proces dat tot de beslissing heeft geleid’ in deze bepaling ziet op een procedure op grond waarvan een rechter kan gelasten dat een eerder opgelegde bijkomende straf van politietoezicht, wegens de niet-naleving van de voorwaarden van deze straf wordt omgezet in een vrijheidsstraf die gelijk is aan de helft van de duur van de niet-ondergane straf van politietoezicht.”


( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.

( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.

( 2 ) PB 2002, L 190, blz. 1.

( 3 ) PB 2009, L 81, blz. 24; hierna: „kaderbesluit 2002/584”.

( 4 ) C‑571/17 PPU, EU:C:2017:1026; hierna: „arrest Ardic”.

( 5 ) Zie arrest Ardic (punt 77).

( 6 ) Zie arrest Ardic (punt 80).

( 7 ) Dit artikel is ingetrokken bij een wet van 8 juli 2011, die overeenkomstig de overgangsbepalingen daarvan op 1 januari 2015 in werking is getreden. De straf van politietoezicht is vervangen door de straf van toezicht in het kader van de proeftijd.

( 8 ) Zie met name arrest van 21 december 2023, GN (Weigeringsgrond gebaseerd op het belang van het kind) (C‑261/22, EU:C:2023:1017, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 9 ) Zie met name arresten van 21 december 2023, GN (Weigeringsgrond gebaseerd op het belang van het kind) (C‑261/22, EU:C:2023:1017, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 21 december 2023, G. K. e.a. (Europees Openbaar Ministerie) (C‑281/22, EU:C:2023:1018, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 10 ) Zie met name arresten van 21 december 2023, GN (Weigeringsgrond gebaseerd op het belang van het kind) (C‑261/22, EU:C:2023:1017, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 21 december 2023, Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Veroordeling bij verstek) [C‑396/22, EU:C:2023:1029, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: „arrest Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Veroordeling bij verstek)”].

( 11 ) Zie arrest van 23 maart 2023, Minister for Justice and Equality (Opheffing van opschorting) [C‑514/21 en C‑515/21, EU:C:2023:235, punt 55; hierna: „arrest Minister for Justice and Equality (Opheffing van opschorting)”], en beschikking van 20 september 2024, Anacco (C‑504/24 PPU, EU:C:2024:779, punt 42; hierna: „beschikking Anacco”).

( 12 ) Zie met name arrest Minister for Justice and Equality (Opheffing van opschorting) (punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak), alsmede beschikking Anacco (punt 43).

( 13 ) Zie met name de arresten Minister for Justice and Equality (Opheffing van opschorting) (punten 49 en 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Veroordeling bij verstek) (punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak), alsmede beschikking Anacco (punt 44).

( 14 ) Zie met name arresten van 17 december 2020, Generalstaatsanwaltschaft Hamburg (C‑416/20 PPU, EU:C:2020:1042, punt 41), en Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Veroordeling bij verstek) (punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak), alsmede beschikking Anacco (punt 45).

( 15 ) Hierna: „Handvest”. Zie met name arrest Minister for Justice and Equality (Opheffing van opschorting) (punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het Hof heeft erop gewezen dat met de vaststelling van kaderbesluit 2009/299, waarbij artikel 4 bis, lid 1, in kaderbesluit 2002/584 is ingevoegd, werd getracht een oplossing te vinden voor de problemen bij de wederzijdse erkenning van in afwezigheid van de betrokkene gegeven beslissingen doordat er tussen de lidstaten verschillen bestaan op het gebied van de bescherming van grondrechten. Daartoe voorziet dit kaderbesluit in een harmonisatie van de voorwaarden voor tenuitvoerlegging van een bij een veroordeling bij verstek uitgevaardigd EAB, die een weerspiegeling is van de door alle lidstaten bereikte consensus over de reikwijdte die krachtens het Unierecht moet worden verleend aan de procedurele rechten van bij verstek veroordeelden tegen wie een EAB is uitgevaardigd: zie met name arrest van 26 februari 2013, Melloni (C‑399/11, EU:C:2013:107, punt 62), alsmede beschikking Anacco (punt 58).

( 16 ) Zie met name arrest Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Veroordeling bij verstek) (punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en arrest van 21 december 2023, Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Verstekvonnis) (C‑397/22, EU:C:2023:1030, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: „arrest LM”).

( 17 ) Zie met name arrest Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Veroordeling bij verstek) (punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en arrest LM (punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 18 ) Zie met name arrest Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Veroordeling bij verstek) (punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 19 ) Zie met name arrest Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Veroordeling bij verstek) (punten 29‑32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 20 ) Zie arrest Ardic (punten 77 en 88). Zie ook arrest Minister for Justice and Equality (Opheffing van opschorting) (punt 53).

( 21 ) Zie met name arrest Minister for Justice and Equality (Opheffing van opschorting) (punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In dat arrest heeft het Hof gepreciseerd dat, wanneer de opschorting van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf naar aanleiding van een nieuwe strafrechtelijke veroordeling wordt herroepen en met het oog op de tenuitvoerlegging van die straf een EAB wordt uitgevaardigd, deze bij verstek gewezen strafrechtelijke veroordeling een „beslissing” in de zin van die bepaling vormt. Dat is niet het geval bij de beslissing tot herroeping van de tenuitvoerlegging van deze straf (punt 68).

( 22 ) Zie met name arrest Minister for Justice and Equality (Opheffing van opschorting) (punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 23 ) Hierna: „EHRM”.

( 24 ) Op 4 november 1950 te Rome ondertekend; hierna: „EVRM”.

( 25 ) Zie arrest Minister for Justice and Equality (Opheffing van opschorting) (punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak van het EHRM).

( 26 ) Zie met name arrest Minister for Justice and Equality (Opheffing van opschorting) (punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 27 ) Zie arrest Minister for Justice and Equality (Opheffing van opschorting) (punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak van het EHRM).

( 28 ) Zie met name arrest Minister for Justice and Equality (Opheffing van opschorting) (punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak), alsmede beschikking Anacco (punt 48).

( 29 ) Zie arrest Minister for Justice and Equality (Opheffing van opschorting) (punt 64).

( 30 ) PB 2007, C 303, blz. 17.

( 31 ) Zie met name arrest Minister for Justice and Equality (Opheffing van opschorting) (punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak), alsmede beschikking Anacco (punt 56).

( 32 ) Zie met name arrest Minister for Justice and Equality (Opheffing van opschorting) (punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 33 ) Zie arrest van 10 augustus 2017, Zdziaszek (C‑271/17 PPU, EU:C:2017:629, punt 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak van het EHRM).

( 34 ) Zie met name arresten Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Veroordeling bij verstek) (punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en LM (punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 35 ) Zie met name EHRM, 10 november 2022, Kupinskyy tegen Oekraïne (CE:ECHR:2022:1110JUD000508418, § 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Ik verwijs tevens naar het arrest van 3 april 2025, Alchaster II (C‑743/24, EU:C:2025:230), waarin het Hof – met betrekking tot wijzigingen in een regeling voor voorwaardelijke invrijheidstelling van na het vermeende plegen van de strafbare feiten waarvoor de verdachte wordt vervolgd, en ter uitlegging van artikel 49, lid 1, tweede volzin, van het Handvest – heeft vastgesteld dat, voor een uitspraak op de vraag of een maatregel uitsluitend betrekking heeft op de wijze van tenuitvoerlegging van de straf dan wel invloed heeft op de omvang daarvan, per geval moet worden onderzocht wat, op grond van het nationale recht, op het betrokken tijdstip de werkelijke gevolgen van de opgelegde of geldende „straf” zijn, dat wil zeggen, wat de intrinsieke aard ervan is (punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 36 ) Zie met name arresten Ardic (punt 77) en Minister for Justice and Equality (Opheffing van opschorting) (punt 53).

( 37 ) Zie arrest Ardic, waarin het Hof opmerkte dat de beslissingen tot herroeping van de opschorting uitsluitend tot gevolg hebben dat de betrokkene in het uiterste geval alsnog het restant van de hem aanvankelijk opgelegde straf volledig moet ondergaan. Wanneer de opschorting van de tenuitvoerlegging volledig wordt herroepen, sorteert de veroordeling opnieuw al haar gevolgen en is de bepaling van de maat van het strafrestant dat nog ten uitvoer moet worden gelegd, zuiver een rekensom, waarbij de reeds volbrachte dagen in gevangenschap simpelweg worden afgetrokken van de totale duur die is uitgesproken in het vonnis waarbij de betrokkene onherroepelijk is veroordeeld (punt 81).

( 38 ) Zie arrest Ardic (punt 82).

( 39 ) Zie de conclusie van advocaat-generaal Bobek in de zaak Ardic (C‑571/17 PPU, EU:C:2017:1013, punt 71). In die situatie is dus reeds een vrijheidsstraf opgelegd waarvan de uitvoering later voorwaardelijk is opgeschort voor de resterende duur, zodat de herroeping van die opschorting slechts een eerder opgelegde vrijheidsstraf herstelt.

( 40 ) Deze preventieve dimensie van het politietoezicht is ter terechtzitting benadrukt door SH en de Commissie.

( 41 ) Zie EHRM, 22 februari 1994, Raimondo tegen Italië (CE:ECHR:1994:0222JUD001295487, § 43). Zie ook EHRM, 23 februari 2017, De Tommaso tegen Italië (CE:ECHR:2017:0223JUD004339509, § 143).

( 42 ) Zie EHRM, 19 januari 2021, Timofeyev en Postupkin tegen Rusland (CE:ECHR:2021:0119JUD004543114, §§ 70‑82).

( 43 ) Zie EHRM, 17 december 2009, M. tegen Duitsland (CE:ECHR:2009:1217JUD001935904, § 74), en 19 januari 2021, Timofeyev en Postupkin tegen Rusland (CE:ECHR:2021:0119JUD004543114, § 75). Zoals het EHRM in die twee arresten heeft opgemerkt, wordt „toezicht op het gedrag van een persoon na zijn vrijlating bijvoorbeeld beschouwd als bijkomende straf in de artikelen 131‑36‑1 en volgende van het Franse strafwetboek en als veiligheidsmaatregel in de artikelen 215 en 228 van het Italiaanse wetboek van strafrecht”.

( 44 ) Zie arrest Ardic waarin het Hof heeft opgemerkt dat de bevoegde rechter slechts hoefde te bepalen of de omstandigheid dat de veroordeelde zich niet had gehouden aan de voorwaarden van de opschorting van de uitvoering van vrijheidsstraffen, rechtvaardigde dat de veroordeelde de aanvankelijk vastgestelde vrijheidsstraffen, waarvan de tenuitvoerlegging nadien ten dele was opgeschort, daadwerkelijk geheel of ten dele moest ondergaan. Bijgevolg had die rechter op dat punt weliswaar een zekere mate van beoordelingsbevoegdheid, maar die had geen betrekking op de maat of de aard van de aan de betrokkene opgelegde straffen. Die had alleen betrekking op de vraag of de opschortingen van de tenuitvoerlegging moesten worden herroepen of konden worden gehandhaafd, in voorkomend geval vergezeld van aanvullende voorwaarden (punt 80).

( 45 ) Zie naar analogie arrest Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Veroordeling bij verstek) (punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie met betrekking tot artikel 6 EVRM ook EHRM, 28 november 2013, Aleksandr Dementyev tegen Rusland (CE:ECHR:2013:1128JUD004309505, § 26), en, met betrekking tot artikel 7 EVRM, EHRM, 19 januari 2021, Timofeyev en Postupkin tegen Rusland (CE:ECHR:2021:0119JUD004543114, § 79).

( 46 ) Zie de punten 33 en 34 van dat arrest.

( 47 ) Zie arrest Ardic waarin het Hof heeft onderstreept dat de beslissingen tot herroeping van de opschorting van de tenuitvoerlegging van eerder uitgesproken vrijheidsstraffen, zoals die in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, geen invloed hadden gehad op de aard of de maat van de vrijheidsstraffen die waren opgelegd bij de eerdere vonnissen waarbij de betrokkene onherroepelijk was veroordeeld, die de grondslag vormden voor het EAB dat de Duitse autoriteiten in Nederland ten uitvoer wilden laten leggen (punt 78).

( 48 ) Zie arrest Minister for Justice and Equality (Opheffing van opschorting) (punt 67).

( 49 ) Zie met name arrest LM (punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het Hof heeft gepreciseerd dat het uiteindelijke resultaat van deze procedure in deze context irrelevant is.

Top