This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62019CC0824
Opinion of Advocate General Saugmandsgaard Øe delivered on 22 April 2021.#TC and UB v Komisia za zashtita ot diskriminatsia and VA.#Request for a preliminary ruling from the Varhoven administrativen sad.#Reference for a preliminary ruling – Social policy – Equal treatment in employment and occupation – Directive 2000/78/EC – Prohibition of discrimination on grounds of disability – Article 2(2)(a) – Article 4(1) – Article 5 – Charter of Fundamental Rights of the European Union – Articles 21 and 26 – United Nations Convention on the Rights of Persons with Disabilities – Duties of juror in criminal proceedings – Blind person – Total exclusion from participation in criminal proceedings.#Case C-824/19.
Conclusie van advocaat-generaal H. Saugmandsgaard Øe van 22 april 2021.
TC en UB tegen Komisia za zashtita ot diskriminatsia en VA.
Verzoek van de Varhoven administrativen sad om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Sociale politiek – Gelijke behandeling in arbeid en beroep – Richtlijn 2000/78/EG – Verbod van discriminatie op grond van handicap – Artikel 2, lid 2, onder a) – Artikel 4, lid 1 – Artikel 5 – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikelen 21 en 26 – Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap – Taken van een jurylid in een strafrechtelijke procedure – Blinde persoon – Volledige uitsluiting van deelname aan strafzaken.
Zaak C-824/19.
Conclusie van advocaat-generaal H. Saugmandsgaard Øe van 22 april 2021.
TC en UB tegen Komisia za zashtita ot diskriminatsia en VA.
Verzoek van de Varhoven administrativen sad om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Sociale politiek – Gelijke behandeling in arbeid en beroep – Richtlijn 2000/78/EG – Verbod van discriminatie op grond van handicap – Artikel 2, lid 2, onder a) – Artikel 4, lid 1 – Artikel 5 – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikelen 21 en 26 – Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap – Taken van een jurylid in een strafrechtelijke procedure – Blinde persoon – Volledige uitsluiting van deelname aan strafzaken.
Zaak C-824/19.
Court reports – general – 'Information on unpublished decisions' section
ECLI identifier: ECLI:EU:C:2021:324
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
H. SAUGMANDSGAARD ØE
van 22 april 2021 ( 1 )
Zaak C‑824/19
TC,
UB
tegen
Komisia za zashtita ot diskriminatsia,
VA,
in tegenwoordigheid van:
Varhovna administrativna prokuratura
[verzoek van de Varhoven administrativen sad (hoogste bestuursrechtelijke instantie, Bulgarije) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing – Gelijke behandeling in arbeid en beroep – Discriminatie op grond van handicap – Richtlijn 2000/78/EG – Uitoefening van de activiteit van professioneel jurylid in een strafprocedure door een blinde persoon – Artikel 4, lid 1 – Wezenlijk en bepalend beroepsvereiste voor de uitoefening van de activiteit van jurylid – Strafprocedureregels – Artikel 5 – Redelijke aanpassingen – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikel 47 – Recht op een eerlijk proces – Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap – Artikel 13 – Toegang tot rechterlijke instanties”
I. Inleiding
|
1. |
De onderhavige zaak houdt verband met discriminatie op grond van handicap in een werksituatie. Concreet gaat het om de activiteit van jurylid in een strafproces, die in casu bezoldigd en dus beroepsmatig wordt uitgeoefend door een blinde persoon. |
|
2. |
Het Hof wordt verzocht om uitlegging te geven aan richtlijn 2000/78/EG ( 2 ), die in het licht van het Verdrag van 13 december 2006 van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap ( 3 ) (hierna: „VN-verdrag”) discriminatie op grond van handicap verbiedt, en om te bepalen of het op grond van artikel 4, lid 1, van die richtlijn kan worden gerechtvaardigd dat blinde personen volledig worden uitgesloten van deelname als professioneel jurylid aan een strafproces. De verwijzende rechterlijke instantie wenst met name te vernemen of het gezichtsvermogen een wezenlijk en bepalend beroepsvereiste in de zin van die bepaling vormt. |
|
3. |
Het verzoek om een prejudiciële beslissing is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds TC en UB, respectievelijk president van een rechtbank en rechter van een strafkamer, en anderzijds de Komisia za zashtita ot diskriminatsia (Bulgaarse commissie voor bescherming tegen discriminatie; hierna: „KZDiskr”) en VA, een blind jurylid van die kamer. TC en UB betwisten de beslissing van de KZDiskr waarbij hun geldboeten zijn opgelegd wegens discriminatie op grond van handicap ten aanzien van VA, die zij van deelname aan zittingen hebben uitgesloten. |
|
4. |
In het kader van deze zaak dient het Hof een evenwicht te vinden tussen enerzijds de verplichting van de lidstaat-werkgever om passende maatregelen te nemen met het oog op integratie van personen met een handicap in het arbeidsproces, in casu om de bezoldigde activiteit van jurylid in strafzaken uit te oefenen, en anderzijds nationale strafprocedureregels waarmee wordt beoogd een eerlijk proces te waarborgen. |
|
5. |
Aan het eind van mijn analyse zal ik het Hof in overweging geven te oordelen dat de lidstaten in het geval van een bezoldigde activiteit hun strafprocedureregels voor zover mogelijk aldus dienen uit te leggen dat blinde personen als jurylid aan strafzaken kunnen deelnemen. Wat meer bepaald een persoon als die in het hoofdgeding betreft, die voldoet aan de nationaalrechtelijke criteria om als jurylid op te treden in strafzaken en die als jurylid is aanvaard, zal ik het Hof in overweging geven te oordelen dat diens volledige uitsluiting van deelname aan dergelijke zaken, op basis van de veronderstelling dat hij vanwege zijn handicap niet in staat is de taken van jurylid uit te voeren, onevenredig is en een discriminerende behandeling inhoudt die in strijd is met richtlijn 2000/78, gelezen in samenhang met het VN-verdrag. |
II. Toepasselijke bepalingen
A. Internationaal recht
|
6. |
Artikel 5, lid 2, van het VN-verdrag verbiedt alle discriminatie op grond van handicap, met name – overeenkomstig artikel 27 ervan – in een werksituatie, en bepaalt dat de staten die partij zijn, dienen te voorzien in redelijke aanpassingen teneinde gelijkheid te bevorderen en discriminatie uit te bannen. |
|
7. |
Artikel 13 van dat verdrag, met als opschrift „Toegang tot de rechter”, bepaalt in lid 1 het volgende: „De staten die partij zijn waarborgen personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen de toegang tot een rechterlijke instantie, met inbegrip van procedurele en leeftijdsconforme voorzieningen, teneinde hun effectieve rol als directe en indirecte partij, waaronder als getuige, in alle juridische procedures, met inbegrip van de onderzoeksfase en andere voorbereidende fasen, te faciliteren.” |
B. Unierecht
|
8. |
De overwegingen 17, 20 en 23 van richtlijn 2000/78 luiden als volgt:
[...]
[...]
|
|
9. |
In artikel 2 van die richtlijn, met als opschrift „Het begrip discriminatie”, wordt het volgende bepaald: „1. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder het beginsel van gelijke behandeling verstaan de afwezigheid van elke vorm van directe of indirecte discriminatie op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden. 2. Voor de toepassing van lid 1 is er:
[...] 5. Deze richtlijn laat de nationale wettelijke bepalingen onverlet die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor de openbare veiligheid, de handhaving van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de volksgezondheid en de bescherming van de rechten en vrijheden van derden.” |
|
10. |
Artikel 3 van die richtlijn, met als opschrift „Werkingssfeer”, bepaalt in lid 1: „Binnen de grenzen van de aan de Gemeenschap verleende bevoegdheden, is deze richtlijn zowel in de overheidssector als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, op alle personen van toepassing met betrekking tot:
[...]
[...]” |
|
11. |
Artikel 4 van die richtlijn, met als opschrift „Wezenlijke beroepsvereisten”, bepaalt in lid 1: „Niettegenstaande artikel 2, leden 1 en 2, kunnen de lidstaten bepalen dat een verschil in behandeling dat op een kenmerk in verband met een van de in artikel 1 genoemde gronden berust, geen discriminatie vormt, indien een dergelijk kenmerk, vanwege de aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteiten of de context waarin deze worden uitgevoerd, een wezenlijk en bepalend beroepsvereiste vormt, mits het doel legitiem en het vereiste evenredig aan dat doel is.” |
|
12. |
In artikel 5 van richtlijn 2000/78, met als opschrift „Redelijke aanpassingen voor gehandicapten”, wordt het volgende bepaald: „Teneinde te waarborgen dat het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot personen met een handicap nageleefd wordt, wordt voorzien in redelijke aanpassingen. Dit houdt in dat de werkgever, naargelang de behoefte, in een concrete situatie passende maatregelen neemt om een persoon met een handicap in staat te stellen toegang tot arbeid te hebben, in arbeid te participeren of daarin vooruit te komen dan wel om een opleiding te genieten, tenzij deze maatregelen voor de werkgever een onevenredige belasting vormen. Wanneer die belasting in voldoende mate wordt gecompenseerd door bestaande maatregelen in het kader van het door de lidstaten gevoerde beleid inzake personen met een handicap, mag zij niet als onevenredig worden beschouwd.” |
C. Bulgaars recht
|
13. |
In artikel 6, lid 1, van de Konstitutsia na Republika Bulgaria (grondwet van de Republiek Bulgarije) (DV nr. 56 van 13 juli 1991, zoals gewijzigd, DV nr. 12 van 6 februari 2007) wordt het volgende bepaald: „(1) Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren.” |
|
14. |
Artikel 48 van de Konstitutsia na Republika Bulgaria luidt als volgt: „(1) Staatsburgers hebben recht op arbeid. De staat creëert de voorwaarden waaronder dat recht kan worden uitgeoefend. (2) De staat creëert de voorwaarden waaronder personen met lichamelijke en geestelijke handicaps hun recht op arbeid kunnen uitoefenen [...].” |
|
15. |
Artikel 4, lid 1, van de zakon za zashtita ot diskriminatsia (wet inzake de bescherming tegen discriminatie) (DV nr. 86 van 30 september 2003, zoals gewijzigd, DV nr. 26 van 7 april 2015; hierna: „antidiscriminatiewet”) verbiedt elke vorm van directe of indirecte discriminatie op basis van met name een handicap. |
|
16. |
Artikel 7, lid 1, punt 2, van de antidiscriminatiewet bepaalt het volgende: „De ongelijke behandeling van personen in verband met een kenmerk dat op een van de in artikel 4, lid 1, van de wet genoemde gronden berust, vormt geen discriminatie, indien dat kenmerk, vanwege de aard van het beroep of specifieke activiteiten, of de context waarin deze worden uitgevoerd, een wezenlijk en bepalend beroepsvereiste vormt, het doel legitiem is en het vereiste niet verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken”. |
|
17. |
Artikel 66 van de zakon za sadebnata vlast (wet inzake het justitiële stelsel) (DV nr. 64 van 7 augustus 2007, zoals gewijzigd, DV nr. 29 van 8 april 2019; hierna: „wet inzake het justitiële stelsel”) bepaalt dat de rechtsprekende formaties van de in eerste aanleg bevoegde rechterlijke instantie in de bij wet vastgestelde gevallen ook bestaan uit „sadebni zasedateli” (juryleden), die dezelfde rechten en plichten hebben als rechters. |
|
18. |
In artikel 67, lid 1, van de wet inzake het justitiële stelsel staat het volgende te lezen: „Bulgaarse staatsburgers komen als jurylid in aanmerking voor zover zij handelingsbekwaam zijn en:
|
|
19. |
In artikel 8, lid 1, van de nakazatelno-protsesualen kodeks (wetboek van strafvordering) (DV nr. 86 van 28 oktober 2015, zoals gewijzigd, DV nr. 16 van 22 februari 2019; hierna: „wetboek van strafvordering”) wordt het volgende bepaald: „In de bij dit wetboek bepaalde gevallen en overeenkomstig de daarin opgenomen regels maken juryleden deel uit van de rechtsprekende formaties van de rechterlijke instanties.” |
|
20. |
Artikel 13, lid 1, van dat wetboek bepaalt dat de rechterlijke instantie, het openbaar ministerie en de onderzoeksinstanties binnen de grenzen van hun bevoegdheden alle maatregelen tot objectieve waarheidsvinding nemen. Volgens artikel 13, lid 2, ervan komen zij tot die objectieve waarheidsvinding op de wijze en met de middelen die in dit wetboek zijn vastgelegd. |
|
21. |
Krachtens artikel 14, lid 1, van dat wetboek beslissen de rechterlijke instantie, het openbaar ministerie en de onderzoeksinstanties op grond van hun innerlijke overtuiging. |
|
22. |
Volgens artikel 18 van dat wetboek baseren de rechterlijke instantie, het openbaar ministerie en de onderzoeksinstanties hun beslissingen op bewijzen die zij zelf hebben verkregen en beoordeeld, tenzij dit wetboek anders bepaalt. |
III. Hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
|
23. |
VA is blijvend beperkt arbeidsgeschikt, omdat zij haar gezichtsvermogen is verloren. Zij heeft de studie rechtsgeleerdheid afgerond en met succes de juridische bekwaamheidsproef afgelegd. Daarna was zij werkzaam bij een blindenvereniging en de Europese Blindenunie. |
|
24. |
In 2014 werd zij in het kader van een door de gemeenteraad van Sofia (Bulgarije) georganiseerde procedure toegelaten als jurylid bij de Sofiyski gradski sad (rechterlijke instantie voor de stad Sofia). Zij werd toegewezen aan de Sofiyski rayonen sad (rechterlijke instantie in eerste aanleg Sofia), en bij loting aan de zesde strafkamer ervan, waarin rechter UB en drie andere juryleden zitting hadden. Bij deze rechterlijke instantie werd zij in die hoedanigheid beëdigd op 25 maart 2015. |
|
25. |
Gedurende bijna anderhalf jaar, van 25 maart 2015 tot en met 9 augustus 2016, heeft VA aan geen enkele terechtzitting in een strafprocedure deelgenomen. Zij heeft de president van de Sofiyski rayonen sad, te weten TC, in mei 2015 verzocht om aan een andere rechter te worden toegewezen, doch geen antwoord ontvangen. |
|
26. |
Op 24 september 2015 heeft VA zich tot de KZDiskr gewend, waarbij zij aanvoerde dat zij op grond van haar handicap was benadeeld door rechter UB, die haar aan geen enkele strafprocedure had laten deelnemen, en door de president van de rechtbank, TC, die geen gehoor had gegeven aan haar verzoek om aan een andere rechter te worden toegewezen teneinde haar recht op arbeid als jurylid te kunnen uitoefenen. |
|
27. |
Bij beslissing van 6 maart 2017 is de KZDiskr, na UB en TC te hebben gehoord, tot de slotsom gekomen dat laatstgenoemden VA op grond van haar handicap met name in de zin van artikel 4 van de antidiscriminatiewet hadden gediscrimineerd en heeft zij hen een geldboete opgelegd van respectievelijk 500 en 250 Bulgaarse lev (BGN) (ongeveer 256 en 128 EUR). |
|
28. |
UB en TC hebben beiden tegen deze beslissing beroep ingesteld bij de Administrativen sad Sofia-grad (bestuursrechtelijke instantie in eerste aanleg Sofia, Bulgarije), die deze beroepen heeft verworpen. Deze rechterlijke instantie was met name van oordeel dat de principiële beperking van de toegang tot een beroep of specifieke activiteit, zoals het beroep of de activiteit van jurylid, op grond dat dit beroep of deze activiteit door de betrokken handicap niet ten volle kan worden uitgeoefend, onrechtmatig is. De strafprocedureregels vereisen weliswaar dat een jurylid de grondbeginselen van de strafprocedure, te weten de onmiddellijkheid, de objectieve waarheidsvinding en de vorming van een innerlijke overtuiging door de bevoegde rechtsprekende formatie, in acht neemt, maar, wanneer ervan wordt uitgegaan dat die beginselen als gevolg van een handicap hoe dan ook niet in acht kunnen worden genomen, is er sprake van discriminatie. Deze zienswijze wordt volgens de Administrativen sad Sofia-grad erdoor bevestigd dat VA na9 augustus 2016, de datum van inwerkingtreding van de wetswijziging waarbij de elektronische toewijzing van juryleden werd ingevoerd, aan tal van terechtzittingen in strafzaken heeft deelgenomen. |
|
29. |
UB en TC hebben tegen de uitspraken van de Administrativen sad Sofia-grad cassatieberoep ingesteld bij de verwijzende rechterlijke instantie, de Varhoven administrativen sad (hoogste bestuursrechtelijke instantie, Bulgarije). Ter ondersteuning van haar cassatieberoep voert UB aan dat de bestuursrechtelijke instantie in eerste aanleg ten onrechte de antidiscriminatiewet heeft laten prevaleren boven het wetboek van strafvordering, dat van hogere rang is, en de in dat wetboek verankerde beginselen. Zij heeft benadrukt dat zij als strafrechter de antidiscriminatiewet en die beginselen in het kader van het onderzoek van de bij de rechtbank aanhangige zaken moet eerbiedigen en ervoor moet zorgen dat alle leden van de rechtsprekende formatie de aan het dossier toegevoegde bewijzen gelijk behandelen en zich rechtstreeks een beeld vormen van het gedrag van de partijen. TC betoogt dat de bestuursrechtelijke instantie in eerste aanleg artikel 7, lid 1, punt 2, van de antidiscriminatiewet, betreffende het bestaan van een wezenlijk en bepalend beroepsvereiste, had moeten toepassen. De taken van juryleden zijn van dien aard dat zij niet kunnen worden uitgevoerd door personen van wie de handicap leidt tot schending van die beginselen. |
|
30. |
Tegen deze achtergrond is het volgens de verwijzende rechterlijke instantie, gelet op de strafprocedureregels, niet geheel duidelijk of de ongelijke behandeling van een blinde persoon als VA bij de uitoefening van de activiteit van jurylid geoorloofd is in het licht van de bepalingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), het VN‑verdrag en richtlijn 2000/78, die ertoe strekken de gelijke behandeling in arbeid en beroep van personen met een handicap te waarborgen. |
|
31. |
Daarom heeft de Varhoven administrativen sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
|
|
32. |
Het verzoek om een prejudiciële beslissing is op 12 november 2019 ter griffie van het Hof ingeschreven. VA, de Poolse en de Portugese regering alsook de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Een pleitzitting heeft niet plaatsgevonden. |
IV. Analyse
|
33. |
Ter inleiding wens ik op te merken dat de voorgelegde vragen inzake de uitlegging van richtlijn 2000/78 niet alle juryleden in strafzaken aangaan, maar enkel degenen die overeenkomstig de Bulgaarse regeling, zoals uiteengezet in de verwijzingsbeslissing, hun werkzaamheden bezoldigd en dus beroepsmatig uitoefenen. |
|
34. |
Daarnaast herinner ik eraan dat het jurylid in het hoofdgeding, VA, niet louter een visuele beperking heeft, maar blind is. |
|
35. |
In onderstaande analyse zal ik voor de beantwoording van de prejudiciële vragen deze tezamen onderzoeken. Allereerst zal ik vrij snel tot de vaststelling komen dat de situatie van een persoon als VA duidelijk binnen de werkingssfeer van richtlijn 2000/78 valt. Vervolgens zal ik mij richten op de hamvraag of er voor de verschillende behandeling die zij heeft ondergaan een uitzondering geldt, met name die van artikel 4, lid 1, van die richtlijn, betreffende het bestaan van een wezenlijk en bepalend vereiste, en of die verschillende behandeling op evenredige wijze beantwoordt aan een legitiem doel. |
A. Toepassing van richtlijn 2000/78
|
36. |
Richtlijn 2000/78 strekt blijkens het opschrift en de considerans ervan tot instelling van een algemeen kader om voor eenieder gelijke behandeling te waarborgen in arbeid en beroep, door de betrokkene een doeltreffende bescherming te bieden tegen discriminatie op een van de in artikel 1 van de richtlijn genoemde gronden, waaronder een handicap. ( 4 ) |
|
37. |
De onderhavige zaak valt duidelijk binnen de werkingssfeer van richtlijn 2000/78. |
|
38. |
In de eerste plaats ziet zij op de activiteit van jurylid in strafzaken die bezoldigd wordt uitgeoefend, zoals ik in mijn inleidende opmerkingen heb aangegeven. ( 5 ) Uit de gegevens van de verwijzende rechterlijke instantie blijkt immers dat er voor de activiteit van jurylid een bezoldiging wordt betaald en dat zij duidelijk voor onbepaalde tijd wordt uitgeoefend. |
|
39. |
In de tweede plaats ziet de onderhavige zaak op een handicap in de zin van artikel 1 van richtlijn 2000/78, zoals omschreven in de rechtspraak, te weten een beperking die met name het gevolg is van lichamelijke, geestelijke of psychische aandoeningen die in wisselwerking met diverse drempels de betrokkene kunnen beletten ten volle en daadwerkelijk op voet van gelijkheid met andere werknemers aan het beroepsleven deel te nemen. ( 6 ) Een zintuiglijke aandoening, in casu aan het gezichtsvermogen, vormt immers een lichamelijke aandoening in de zin van dat artikel. |
|
40. |
In de derde plaats ziet het verschil in behandeling van VA, waarvan kennelijk niet ter discussie staat dat het rechtstreeks met haar handicap verband houdt, op toegang tot een beroep in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van richtlijn 2000/78, te weten dat van jurylid, en op een arbeidsvoorwaarde in de zin van artikel 3, lid 1, onder c), van die richtlijn, te weten niet volledig blind zijn. |
|
41. |
Derhalve valt het feit dat VA door de rechter en de president van de betrokken rechtbank nooit als jurylid in een strafzaak is aangewezen, onder richtlijn 2000/78. VA heeft haar bezoldigde activiteit van jurylid in strafzaken niet kunnen uitoefenen vanwege haar blindheid, en dus vanwege een kenmerk dat rechtstreeks verband houdt met een van de in artikel 1 van richtlijn 2000/78 genoemde gronden, te weten een handicap. |
|
42. |
Onderzocht moet worden of dat verschil in behandeling niettemin onder een van de in die richtlijn opgenomen uitzonderingen valt. |
B. Uitzondering op het verbod van discriminatie op grond van handicap
|
43. |
Ter beoordeling of een rechtstreeks op handicap gebaseerd verschil in behandeling desondanks is toegestaan en dus geen verboden discriminatie in de zin van die richtlijn vormt, zijn twee bepalingen van richtlijn 2000/78 van belang. |
|
44. |
Ten eerste staat in artikel 2, lid 5, van die richtlijn te lezen dat zij de nationale wettelijke bepalingen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de rechten en vrijheden van derden, onverlet laat. |
|
45. |
Daaronder kan een wettelijke bepaling vallen waarmee wordt beoogd bescherming te bieden aan een derde, zoals een verdachte, wiens rechten van verweer in een strafproces kunnen worden aangetast. Volgens artikel 2, lid 5, van die richtlijn is een wettelijke bepaling evenwel noodzakelijk. In casu zijn er geen aanwijzingen dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale recht een wettelijke bepaling bevat op grond waarvan blinde personen de bezoldigde activiteit van jurylid niet zouden mogen uitoefenen. ( 7 ) Ik merk trouwens op dat de verwijzende rechterlijke instantie, die dat in voorkomend geval dient na te gaan, niet naar een dergelijke bepaling heeft verwezen. Dat blinde personen het beroep van jurylid niet mogen uitoefenen, valt in casu dus niet onder een rechtvaardigingsgrond van dat artikel 2, lid 5, van de richtlijn. |
|
46. |
Ten tweede kunnen lidstaten luidens lid 1 van artikel 4 van richtlijn 2000/78, met als opschrift „Wezenlijke beroepsvereisten”, bepalen dat een verschil in behandeling dat berust op een kenmerk, zoals een bijzondere lichamelijke eigenschap, met betrekking tot een van de in artikel 1 van die richtlijn genoemde gronden, met name een handicap, geen discriminatie vormt mits een dergelijk kenmerk een „wezenlijk en bepalend beroepsvereiste” vormt waarvan het doel legitiem is en dat evenredig aan dat doel is. |
|
47. |
Of artikel 4, lid 1, van die richtlijn al dan niet kan worden ingeroepen om een verschil in behandeling op grond van handicap te rechtvaardigen, staat centraal in de onderhavige prejudiciële vragen. Ik herinner eraan dat de rechter en de president van de rechtbank aanvoeren dat de regels en beginselen van de strafprocedure, te weten het onmiddellijkheidsbeginsel, de rechtstreekse beoordeling van de bewijzen om tot objectieve waarheidsvinding te komen, de innerlijke overtuiging en de gelijke behandeling van de leden van de rechtsprekende formatie inzake bewijsverkrijging, zich ertegen verzetten dat een blind jurylid aan de strafprocedure deelneemt. Ten behoeve van de eerbiediging van die regels en beginselen vormt het gezichtsvermogen naar hun mening een wezenlijk en bepalend vereiste voor de activiteit van jurylid. |
|
48. |
Het Hof heeft reeds geoordeeld dat het vereiste om over bijzondere lichamelijke capaciteiten te beschikken als een wezenlijk en bepalend beroepsvereiste in de zin van artikel 4, lid 1, van richtlijn 2000/78 kan worden beschouwd voor de uitoefening van het beroep van verkeerspiloot ( 8 ) of voor dat van brandweerman ( 9 ). Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat een bepaalde gezichtsscherpte naar analogie kan worden geacht een wezenlijk en bepalend vereiste te vormen voor de uitoefening van het beroep van vrachtwagenbestuurder. ( 10 ) |
|
49. |
Geldt dat overeenkomstig de regels en beginselen van de strafprocedure ook voor de uitoefening van de bezoldigde activiteit van jurylid? |
|
50. |
Ik herinner eraan dat volgens overweging 23 van richtlijn 2000/78 de in artikel 4, lid 1, ervan opgenomen uitzondering inzake het bestaan van een wezenlijk en bepalend beroepsvereiste enkel in een zeer beperkt aantal omstandigheden van toepassing is. |
|
51. |
De nationale strafprocedureregels waarop de rechter en de president van de rechtbank zich ter verdediging van hun standpunt baseren, hebben tot doel een eerlijk proces te waarborgen. |
|
52. |
Dat doel is onmiskenbaar legitiem. Het recht op een eerlijk proces is immers als een grondrecht verankerd in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: „EVRM”) en artikel 47 van het Handvest. De vraag rijst of het voor de waarborging van een eerlijk proces noodzakelijk is dat een jurylid over zijn gezichtsvermogen beschikt en, in voorkomend geval, of de uitsluiting van een blinde persoon van deelname als jurylid aan alle strafzaken een passend antwoord vormt dat niet verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken. |
|
53. |
In het vervolg van mijn conclusie zal ik aantonen dat het antwoord op die vraag berust op een delicaat evenwicht tussen twee grondrechten, enerzijds het recht op een eerlijk proces (onderafdeling 1) en anderzijds het recht van de persoon met een handicap om in het beroepsleven niet te worden gediscrimineerd ( 11 ) (onderafdeling 2). Daar zal ik vervolgens gevolgen aan verbinden voor een zaak als die in het hoofdgeding (onderafdeling 3). |
1. Grondrecht op een eerlijk proces
|
54. |
Voor een goed begrip van de voorschriften inzake een eerlijk proces die voor juryleden in strafzaken gelden, zal ik om te beginnen kort hun rol uiteenzetten en aangeven welke vraagstukken daaruit voortvloeien. |
a) Rol van juryleden in een strafprocedure
|
55. |
Juryleden zijn staatsburgers die collectief deelnemen aan de rechtsbedeling in strafzaken en in dat kader zelfstandig of samen met beroepsrechters uitspraak doen over de schuldvraag en soms zelfs, in samenspraak die rechters, over de straf. ( 12 ) |
|
56. |
Anders dan beroepsrechters zijn zij geen geschoolde rechters. Zij worden gekozen uit de bevolking, doorgaans bij loting, en worden aldus geacht de samenleving in al haar verscheidenheid te vertegenwoordigen. ( 13 ) |
|
57. |
Juryleden zijn actief ofwel in het kader van „traditionele” jury’s, dat wil zeggen in procedures waarin beroepsrechters niet mogen deelnemen aan de beraadslagingen over de schuldvraag, ofwel in het kader van rechtscolleges met lekenrechters. In dit laatste geval, dat overeenkomt met de situatie in de Republiek Bulgarije, hebben de juryleden zitting en beraadslagen zij samen met de beroepsrechters. ( 14 ) |
|
58. |
De instelling van de volksjury komt voort uit de wens om leden van de burgermaatschappij bij de rechtsgang te betrekken, met name wat de ernstigste misdrijven betreft. ( 15 ) Aldus dragen zij bij tot de totstandkoming van een onpartijdig gerecht zonder vooringenomenheid. ( 16 ) |
|
59. |
Gelet op de cruciale rol die juryleden in het strafproces spelen doordat zij samen met beroepsrechters of alleen verantwoordelijk zijn voor het antwoord op de schuldvraag – met mogelijk aanzienlijke gevolgen voor de verdachte op het gebied van vrijheidsbeneming –, hebben de lidstaten voorzien in procedureregels die het strafproces in goede banen leiden en ten volle op juryleden van toepassing zijn. |
b) Strafprocedureregels en -beginselen ter waarborging van een eerlijk proces
|
60. |
De strafprocedureregels en -beginselen, die zowel door de rechter en de president van de rechtbank als door de Administrativen sad Sofia-grad naar voren zijn gebracht, zijn het onmiddellijkheidsbeginsel, de rechtstreekse beoordeling van de bewijzen om tot objectieve waarheidsvinding te komen en de innerlijke overtuiging. |
|
61. |
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft zich herhaaldelijk kunnen buigen over het onmiddellijkheidsbeginsel, waarvan in heel wat rechtsstelsels sprake is. Zijn beschouwingen zijn weergegeven in een recent arrest van het Hof. ( 17 ) Dit laatste heeft geoordeeld dat het onmiddellijkheidsbeginsel een van de belangrijke aspecten van het strafproces vormt. Overeenkomstig dit beginsel dient degene die de verantwoordelijkheid draagt voor de beslissing over schuld of onschuld van de verdachte, in beginsel persoonlijk de getuigen te verhoren en hun geloofwaardigheid te beoordelen. Het beoordelen van de geloofwaardigheid van een getuige wordt beschouwd als een complexe taak die normaal gezien niet kan worden vervuld door de inhoud van diens verklaringen zoals die in de processen-verbaal van de ondervragingen zijn opgenomen, gewoon te lezen. ( 18 ) De verdachte dient met name de mogelijkheid te hebben om ten overstaan van de rechter die uiteindelijk uitspraak doet, te worden geconfronteerd met de getuigen. ( 19 ) Onder „rechter” worden hier alle leden van de rechtsprekende formatie, dus in dit geval met inbegrip van de juryleden, verstaan. |
|
62. |
Derhalve komt onmiddellijkheid tot uitdrukking in het feit dat juryleden ter terechtzitting getuigen moeten kunnen verhoren en de bewijsmiddelen rechtstreeks ter terechtzitting moeten kunnen beoordelen. ( 20 ) Zoals advocaat-generaal Léger in zijn conclusie in de zaak Baustahlgewebe ( 21 ) in wezen heeft aangegeven, verlangt het begrip „onmiddellijkheid” een rechtstreekse relatie tussen de rechter en de justitiabele, zodat een rechter die niet bij de mondelinge behandeling aanwezig is geweest, niet mag deelnemen aan de berechting in de zaak. ( 22 ) |
|
63. |
De innerlijke overtuiging houdt verband met die rechtstreekse beoordeling van de bewijzen ter terechtzitting. ( 23 ) |
|
64. |
De juryleden komen door hun deelname aan de terechtzitting en door het aanhoren van het debat op tegenspraak dat partijen in hun bijzijn voeren rechtstreeks te weten welke elementen van belang zijn voor de veroordeling of vrijspraak van de verdachte en kunnen aldus hun innerlijke overtuiging vormen over diens schuld of onschuld. |
|
65. |
Dat mechanisme van de innerlijke overtuiging bestaat in talrijke continentale rechtsstelsels en blijkt uit bepaalde instructies aan juryleden, volgens welke zij bij zichzelf dienen na te gaan welke indruk de tegen de verdachte aangevoerde bewijzen en diens verweermiddelen op hen hebben gemaakt. ( 24 ) |
|
66. |
Om na de mondelinge behandeling hun innerlijke overtuiging te kunnen vormen, moeten de rechters en de juryleden de debatten in beginsel kunnen horen, hetgeen volgens de verwijzingsbeslissing het geval is voor VA. |
|
67. |
Derhalve rijst in de onderhavige zaak de vraag of juryleden die de debatten horen, ook moeten kunnen zien om te oordelen overeenkomstig een eerlijk proces dat met name op het onmiddellijkheidsbeginsel en de regel van de innerlijke overtuiging berust, en dus om hun werkzaamheden ten volle uit te oefenen. |
|
68. |
Ik wens te benadrukken dat uit de zonet door mij aangehaalde regels en beginselen niet automatisch blijkt dat het gezichtsvermogen een wezenlijk en bepalend vereiste voor een eerlijk proces in strafzaken vormt, aangezien alle bewijzen mondeling voor de rechters en juryleden worden behandeld. |
|
69. |
Er zijn echter gevallen waarin het gezichtsvermogen absoluut noodzakelijk blijkt te zijn om de functie van jurylid naar behoren uit te oefenen. Het gaat om zaken waarin de voor de uitspraak doorslaggevende bewijzen bestaan uit foto’s, door videobewaking opgenomen filmmateriaal, grafisch materiaal of tekeningen, waarvan de beoordeling volledig of grotendeels afhangt van de visuele indruk die zij wekken. |
|
70. |
Dat is bijvoorbeeld het geval bij moordzaken, bij schending van de lichamelijke integriteit van een persoon, met name bij seksueel geweld, of bij fraude door middel van valsheid in geschrifte, gevallen waarin de bewijzen overwegend op beeldmateriaal berusten. ( 25 ) Aan de hand van de beschrijving van het foto- of filmmateriaal kunnen juryleden zich uiteraard, net zoals bij de behandeling ervan ter terechtzitting, een mening vormen, maar die mening vloeit niet voort uit de indruk die het foto- of filmmateriaal rechtstreeks bij hen wekt. Daar komt nog bij dat zelfs wanneer een blind jurylid persoonlijk de hulp van een onpartijdige derde zou kunnen inroepen, zijn indruk van het foto- of filmmateriaal dreigt te worden beïnvloed door de tussenkomst van die derde. Hij zal zich in ieder geval niet rechtstreeks op basis van die bewijzen, maar slechts indirect via die derde een eigen mening kunnen vormen. |
|
71. |
Blijft nog de vraag of het gezichtsvermogen buiten dergelijke gevallen kan worden geacht een wezenlijk en bepalend beroepsvereiste te vormen om de activiteit van jurylid in strafzaken ten volle te kunnen uitoefenen. |
|
72. |
Dienaangaande moet erop worden gewezen dat het, bij gebreke van regelgeving ter zake in het Unierecht, in beginsel uitsluitend aan het nationale recht staat om de strafprocedureregels vast te stellen. Met name wordt noch in artikel 6 EVRM, noch in artikel 47 van het Handvest geregeld welke bewijzen als zodanig toelaatbaar zijn, een kwestie die in eerste instantie onder het nationale recht van de lidstaten valt. ( 26 ) Dat geldt eveneens voor de regels inzake de beoordeling van bewijzen die in het kader van strafprocedures tegen van strafbare feiten verdachte personen zijn verkregen. ( 27 ) |
|
73. |
Het Unierecht regelt evenmin de voorwaarden waaraan een jurylid moet voldoen, zoals leeftijd, woonplaats, of het ontbreken van veroordelingen wegens strafbare feiten. ( 28 ) Ik merk op dat een geestelijke of lichamelijke handicap of een medische aandoening waardoor iemand de voor de functie van jurylid noodzakelijke taken niet kan uitvoeren, in het rechtsstelsel van heel wat lidstaten een beletsel vormt om die functie uit te oefenen. ( 29 ) Blindheid wordt vaak als een mogelijk beletsel voor de uitoefening van die functie beschouwd. |
|
74. |
In dat verband wijs ik erop dat het Bundesverfassungsgericht (grondwettelijk hof, Duitsland) aangaande een jurylid in Duitsland dat niet aan strafzaken mocht deelnemen omdat het blind was en beroep had ingesteld wegens schending van het verbod van discriminatie op grond van handicap, heeft geoordeeld dat de uitsluiting van dat jurylid op grond van het in het strafrecht opgenomen onmiddellijkheidsbeginsel niet in strijd was met het Grundgesetz (Duitse grondwet). ( 30 ) Mijns inziens kunnen de strafprocedureregels, en met name beginselen als het onmiddellijkheidsbeginsel, er op een volstrekt legitieme manier toe leiden dat blinde juryleden van deelname aan bepaalde strafzaken worden uitgesloten. Ik merk trouwens op dat een dergelijke handicap ook krachtens specifieke bepalingen van het nationale strafrecht een grond kan uitmaken om de betrokken persoon uit te sluiten van de lijst met juryleden die in strafzaken kunnen worden aangewezen. ( 31 ) |
|
75. |
De vraag rijst of een blind jurylid op grond van algemene strafrechtelijke beginselen als die welke in het hoofdgeding zijn aangevoerd, kan worden geacht in alle strafzaken ongeschikt te zijn om zijn taken uit te voeren. |
|
76. |
Voor het antwoord op die vraag moet rekening worden gehouden met de bepalingen van richtlijn 2000/78 betreffende het verbod van discriminatie op grond van handicap in het beroepsleven en de bescherming van personen met een handicap met het oog op hun integratie in het arbeidsproces, gelezen in samenhang met het VN-verdrag. In deze context moet worden onderzocht of die bepalingen gevolgen kunnen hebben voor de ruime beoordelingsmarge die de lidstaten bij de aanwijzing van juryleden in strafzaken wordt gelaten, en voor de eventuele uitsluiting van blinde juryleden. |
2. Grondrecht van personen met een handicap om niet te worden gediscrimineerd in arbeid en beroep
|
77. |
Zoals met name uit de considerans van richtlijn 2000/78 blijkt, heeft de Unie zich ertoe verbonden om discriminatie op grond van handicap te bestrijden door ernaar te streven de daarop gebaseerde ongelijkheden op te heffen. Zij heeft met name gewezen op het belang om middels passende maatregelen de integratie van personen met een handicap in het beroepsleven te bevorderen ( 32 ), teneinde bij te dragen aan hun volledige deelname aan het economische, culturele en sociale leven, alsook aan hun persoonlijke ontplooiing. ( 33 ) |
|
78. |
Die integratie wordt verzekerd doordat werkgevers, zowel in de publieke als in de particuliere sector, overeenkomstig artikel 5 van richtlijn 2000/78 „redelijke aanpassingen” voor personen met een handicap doorvoeren, met andere woorden doordat zij, naargelang de behoefte, in een concrete situatie passende maatregelen nemen om een persoon met een handicap in staat te stellen een beroep uit te oefenen, tenzij die maatregelen voor de werkgever een onevenredige belasting vormen. |
|
79. |
In overweging 20 van richtlijn 2000/78 wordt gepreciseerd dat onder passende maatregelen doeltreffende en praktische maatregelen vallen die erop gericht zijn de werkplek aan te passen aan de behoeften van de werknemer met een handicap, zoals de aanpassing van gebouwen, uitrusting en taakverdeling. ( 34 ) |
|
80. |
Om vast te stellen welk soort maatregelen passend zijn in een geval als dat van het hoofdgeding, waarin een blinde persoon als jurylid in strafprocedures werkzaam wenst te zijn, dient te worden gekeken naar het VN-verdrag. |
|
81. |
Zoals het Hof in het arrest Glatzel ( 35 ) heeft geoordeeld, volgt uit de voorrang van de door de Unie gesloten internationale overeenkomsten op teksten van afgeleid recht immers dat deze teksten zoveel mogelijk in overeenstemming met die overeenkomsten moeten worden uitgelegd. Aldus dient te worden verwezen naar artikel 13 van het VN-verdrag, dat de toegang van personen met een handicap tot rechterlijke instanties betreft. Volgens die bepaling waarborgen de staten die partij zijn bij dat verdrag personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen de toegang tot een rechterlijke instantie, met inbegrip van procedurele voorzieningen, teneinde hun effectieve rol als directe en indirecte partij, waaronder als getuige, in alle juridische procedures, te faciliteren. |
|
82. |
Die bepaling wordt nader toegelicht in een recent door de VN gepubliceerd document, getiteld „Internationale beginselen en richtsnoeren inzake de toegang tot de rechter voor personen met een handicap”. ( 36 ) Met dat document worden uitgebreide aanwijzingen en praktische instructies aangereikt over de manier waarop die toegang dient te worden gewaarborgd ( 37 ), die evenwel niet bindend zijn. |
|
83. |
Volgens die beginselen en richtsnoeren houdt het recht op gelijke toegang tot rechterlijke instanties in dat personen met een handicap onder meer als jurylid rechtstreeks aan de rechtspraak kunnen deelnemen. Met het oog daarop worden de staten verzocht om alle hinderpalen die verband houden met de handicap, waaronder wetten, die eraan in de weg staan dat personen met een handicap rechter of jurylid worden, weg te nemen en om de gelijke deelname van die personen aan de juryrechtspraak te verzekeren met alle nodige hulp, waaronder redelijke aanpassingen en procedurele voorzieningen. ( 38 ) Die aanpassingen en voorzieningen omvatten de aanwijzing van onafhankelijke tussenpersonen of facilitators die zijn opgeleid om de partijen communicatiehulp te bieden, zoals tolken, die hun taken op een doeltreffende, nauwgezette en onpartijdige manier moeten uitvoeren. Daaronder valt eveneens technische ondersteuning in de vorm van spraaktelecommunicatieproducten. ( 39 ) |
|
84. |
Aldus kunnen die voorzieningen en aanpassingen voor blinde personen de vorm aannemen van materiële ondersteuning, zoals de terbeschikkingstelling van documenten in braille, persoonlijke ondersteuning, zoals de bijstand van een onpartijdige en beëdigde derde, of organisatorische ondersteuning, waarbij de blinde persoon enkel als jurylid wordt aangewezen in zaken waarvoor geen visuele beoordeling van het bewijsmateriaal is vereist. |
|
85. |
Volgens de Commissie dienen dergelijke aanpassingen en voorzieningen te worden overwogen voor juryleden als VA en is de totale uitsluiting van blinde personen van deelname als jurylid aan strafzaken buitensporig en in strijd met het verbod van discriminatie op grond van handicap. |
|
86. |
Ofschoon ik het voor zaken als die in het hoofdgeding grotendeels met dat standpunt eens ben, zal ik in de hiernavolgende onderafdeling 3 aantonen dat het antwoord op de voorgelegde vragen gedeeltelijk afhangt van de keuzen die de lidstaten hebben gemaakt om het belang van de verdachte in het kader van een eerlijk proces te beschermen, en bijgevolg van de door de betrokken lidstaat vastgestelde nationaalrechtelijke bepalingen. |
3. Gevolgen van de twee grondrechten voor de onderhavige zaak
|
87. |
Uit voorgaande analyse blijkt dat de lidstaten in belangrijke mate vrij zijn om de strafprocedureregels van hun keuze vast te stellen met het oog op de waarborging van een eerlijk proces, en dus de bescherming van de belangen van de verdachte. |
|
88. |
Ik merk op dat de lidstaten daarnaast weliswaar redelijke aanpassingen voor personen met een handicap dienen door te voeren, maar dat bepaalde strafprocedureregels tot gevolg kunnen hebben dat voor blinde juryleden moeilijk dergelijke aanpassingen kunnen worden gevonden en dat hun deelname aan strafzaken wordt beperkt. |
|
89. |
Dat is het geval bij regels op grond waarvan juryleden ook als taak hebben om eventueel mee de plaats van het misdrijf te bezoeken met het oog op een wedersamenstelling van de feiten. Net zoals in zaken waarin de bewijzen voornamelijk op beeldmateriaal zoals foto’s gebaseerd zijn, ( 40 ) kan in dat scenario worden aangenomen dat het gezichtsvermogen voor die juryleden cruciaal is om zich een eigen mening te vormen over de in hun bijzijn gereconstrueerde feiten, zonder dat er aanpassingen kunnen worden gevonden om hun handicap te compenseren. |
|
90. |
Voorts is dat het geval bij nationaalrechtelijke bewijsregels op grond waarvan de aanwezigheid van een derde aan de zijde van het jurylid kan worden geweigerd omdat anders het maximumaantal tot de beraadslaging toegelaten personen wordt overschreden of afbreuk wordt gedaan aan het onmiddellijkheidsbeginsel in de strikte betekenis, aangezien een tussenpersoon, ook al is die onpartijdig, niet tussen het jurylid en het door dat jurylid te beoordelen bewijselement in mag staan. ( 41 ) |
|
91. |
Zoals ik in de punten 73 en 74 van de onderhavige conclusie heb aangegeven, kunnen nog andere regels bepalen dat personen met een fysieke handicap, zoals blindheid, in beginsel niet op de lijsten van juryleden in strafzaken mogen worden opgenomen. De bestaansreden van die regels, als gevolg waarvan mogelijk geen enkel blind jurylid aan strafzaken mag deelnemen, kan met name zijn gelegen in de opvatting dat de lichaamstaal – gelaatsuitdrukkingen of lichaamsbewegingen in het algemeen – in een strafproces cruciaal is bij de beoordeling van het bewijsmateriaal, waardoor het gezichtsvermogen een wezenlijk en bepalend vereiste voor de functie van jurylid vormt. ( 42 ) |
|
92. |
Ik wijs er evenwel op dat de onderhavige zaak niet ziet op dergelijke nationaalrechtelijke voorschriften voor de activiteit van jurylid of op de voorwaarden om als jurylid te worden geselecteerd. Met name vereist de wet inzake het justitiële stelsel, waarbij de selectie van juryleden wordt geregeld, geen minimale lichamelijke gesteldheid en voorziet deze evenmin in een grond voor uitsluiting vanwege een lichamelijk gebrek of een fysieke handicap dan wel een ander probleem op het gebied van lichamelijke gezondheid waardoor deze hun taken niet kunnen uitvoeren. |
|
93. |
Aldus blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat VA ondanks haar blindheid voldeed aan de criteria om jurylid te zijn. Zij is trouwens aanvaard als jurylid bij de Sofiyski gradski sad en toegewezen aan een strafkamer van een rechtbank van Sofia, waarbij zij is beëdigd. |
|
94. |
Dat zij de activiteit van jurylid in de praktijk helemaal niet heeft kunnen uitoefenen, is het gevolg van de beoordeling door twee personen dat zij, gelet op nationale strafrechtelijke beginselen als onmiddellijkheid en innerlijke overtuiging, vanwege haar handicap niet daartoe in staat is. |
|
95. |
De vraag rijst of het in overeenstemming is met artikel 4, lid 1, van richtlijn 2000/78 dat zij op grond van een dergelijke beoordeling de activiteit van jurylid helemaal niet heeft kunnen uitoefenen. |
|
96. |
Ik herinner eraan dat die bepaling, die een uitzondering vormt op het recht op gelijke behandeling van personen met een handicap, strikt moet worden uitgelegd en dat een op een wezenlijk en bepalend beroepsvereiste gebaseerd verschil in behandeling overeenkomstig de bewoordingen ervan door de lidstaat moet worden bepaald. Het staat mijns inziens in eerste instantie aan de nationale wetgever om de grondrechten inzake een eerlijk proces en die inzake de bescherming van personen met een handicap met elkaar in evenwicht te brengen door in zijn nationale recht zo nodig het voorschrift op te nemen dat het gezichtsvermogen een wezenlijk en bepalend beroepsvereiste vormt. Bovendien dient dat vereiste evenredig aan het nagestreefde doel te zijn, met andere woorden geschikt te zijn om een eerlijk proces te waarborgen zonder verder te gaan dan daarvoor noodzakelijk is. |
|
97. |
In een geval als dat van het hoofdgeding, waarin uit het nationale recht niet duidelijk blijkt dat de wetgever het gezichtsvermogen als een dergelijk vereiste heeft aangemerkt, meen ik dat de strafrechtelijke regels en beginselen op grond van richtlijn 2000/78, gelezen in samenhang met het VN-verdrag, aldus dienen te worden uitgelegd dat blinde juryleden zoveel mogelijk aan strafprocedures kunnen deelnemen. |
|
98. |
Zoals ik heb uiteengezet, staat de blindheid van een jurylid in strafproceduresystemen waarin de terechtzitting centraal staat en overeenkomstig het onmiddellijkheidsbeginsel alle beslissende bewijzen ter terechtzitting moeten worden behandeld in het bijzijn van de juryleden, niet automatisch in de weg aan de uitvoering van zijn rechtsprekende taken. Zolang hij de debatten kan horen, moet hij in beginsel in staat zijn om zijn innerlijke overtuiging te vormen op een gelijkwaardige manier als de andere juryleden, althans in zaken waarvoor de bewijzen niet hoeven te worden beoordeeld op grond van de visuele indruk die ze wekken. |
|
99. |
Mijns inziens is dat de bedoeling van richtlijn 2000/78, gelezen in samenhang met het VN-verdrag, die ertoe strekt, zoals ik heb aangegeven, personen met een handicap in het maatschappelijke leven en in het arbeidsproces te integreren. Dat geldt met name voor een activiteit als die van jurylid, die de betrokkene in staat stelt om door zijn deelname aan de rechtsbedeling een fundamentele taak in de maatschappij te vervullen. Die benadering is des te meer gerechtvaardigd doordat juryleden worden geacht de bevolking in al haar verscheidenheid te vertegenwoordigen en het dus belangrijk is om personen met een handicap, zoals blindheid, niet uit te sluiten. |
|
100. |
Ik wens daaraan toe te voegen dat de vraag of een blinde persoon in staat is de taken van jurylid uit te voeren, niet bij voorbaat en principieel ontkennend mag worden beantwoord. Personen met die handicap moeten weliswaar kunnen worden vrijgesteld van uitoefening van de functie van jurylid als zij dat wensen, maar mogen er omgekeerd niet automatisch van worden uitgesloten. Uit het feit dat VA aan een groot aantal strafzaken heeft deelgenomen ( 43 ) zonder daar blijkbaar moeilijkheden bij te hebben ondervonden – hetgeen de nationale rechterlijke instantie dient te verifiëren – blijkt dat zij in staat is die taken met inachtneming van de strafprocedureregels uit te voeren. Als dat het geval is, en bij gebreke van nationaalrechtelijke bepalingen inzake de minimale lichamelijke gesteldheid of de algemene fysieke gezondheid van juryleden, zou het mijns inziens in strijd zijn met de door artikel 4, lid 1, van richtlijn 2000/78 opgelegde evenredigheidsvoorwaarde om blinde personen volledig van uitoefening van de activiteit van professioneel jurylid te weerhouden omdat op die manier in ieder geval verder zou worden gegaan dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken. |
|
101. |
Ten slotte wens ik erop te wijzen dat de door rechter UB in het hoofdgeding ingeroepen regel dat zij ervoor dient te zorgen dat de aan een zaak verbonden bewijzen ( 44 ) door alle leden van de rechterlijke formatie op dezelfde manier worden behandeld, zich niet ertegen verzet dat met de specifieke situatie van een blind jurylid rekening wordt gehouden, met name door dat jurylid materiële, persoonlijke en organisatorische ondersteuning te bieden. Integendeel, er kan van worden uitgegaan dat die situatie in aanmerking moet worden genomen in het kader van de redelijke aanpassingen die de lidstaat-werkgever personen met een handicap dient te bieden overeenkomstig artikel 5 van richtlijn 2000/78, gelezen in samenhang met overweging 17 ervan. ( 45 ) |
|
102. |
Derhalve ben ik van mening dat een nationale rechterlijke instantie waarbij een zaak als die in het hoofdgeding aanhangig is gemaakt, haar nationale recht zoveel mogelijk in het licht van de bewoordingen en het doel van richtlijn 2000/78 dient uit te leggen, teneinde het door die richtlijn beoogde resultaat te bereiken, te weten personen met een handicap zoals blindheid in het arbeidsproces te integreren – in casu hen te laten deelnemen aan de bezoldigde activiteit van jurylid – en hen er slechts van uit te sluiten wanneer zij niet in staat zijn om de uit hun functie voortvloeiende taken uit te voeren. Ik benadruk hoe belangrijk het is om daarbij te voorkomen dat die personen door vooringenomenheid van meet af aan worden uitgesloten op grond dat zij niet over hun gezichtsvermogen beschikken. Het is van belang om na te gaan of die personen, met of zonder specifieke ondersteuning ( 46 ), in staat zijn om de activiteit van jurylid, waarvoor zij zelf geen vrijstelling hebben gevraagd, uit te oefenen. |
|
103. |
Ik wijs erop dat een dergelijke benadering niet eraan in de weg staat dat een blinde persoon als VA wordt uitgesloten van bepaalde strafzaken waarvoor het gezichtsvermogen wezenlijk en bepalend is ter beoordeling van bewijsmateriaal zoals dat waarnaar in punt 69 van de onderhavige conclusie wordt verwezen. Ik ben evenwel van mening dat, bij gebreke van nationale strafprocedureregels inzake de minimale lichamelijke gesteldheid of de algemene fysieke gezondheid van professionele juryleden, de volledige uitsluiting van een dergelijke persoon van deelname aan die zaken op basis van de veronderstelling dat hij vanwege zijn handicap niet in staat is zijn taken uit te voeren, onevenredig is en een met richtlijn 2000/78, gelezen in samenhang met het VN-verdrag, strijdige discriminerende behandeling inhoudt. |
V. Conclusie
|
104. |
Gelet op de uiteenzetting hierboven geef ik het Hof in overweging om de vragen van de Varhoven administrativen sad te beantwoorden als volgt:
|
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) Richtlijn van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB 2000, L 303, blz. 16).
( 3 ) Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, dat namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 2010/48/EG van de Raad van 26 november 2009 (PB 2010, L 23, blz. 35).
( 4 ) Zie in die zin, betreffende discriminatie op basis van leeftijd, arrest van 13 september 2011, Prigge e.a. (C‑447/09, EU:C:2011:573, punt 39).
( 5 ) Dat is niet het geval in heel wat lidstaten waar de activiteit van jurylid in strafzaken een burgerplicht vormt waarvoor een vergoeding wordt betaald, maar die niet bezoldigd is, die gedurende een bepaalde periode wordt uitgeoefend en geen arbeid of beroep is in de zin van richtlijn 2000/78. Het jurylid dat voor een strafzaak wordt opgeroepen, komt daar in de toekomst opnieuw voor in aanmerking, maar over het algemeen pas na een bepaalde periode.
( 6 ) Zie met name arresten van 11 april 2013, HK Danmark (C‑335/11 en C‑337/11, EU:C:2013:222, punt 38), en 18 maart 2014, Z. (C‑363/12, EU:C:2014:159, punt 77).
( 7 ) Zie punt 18 van de onderhavige conclusie, waarin de voorwaarden om als jurylid te fungeren zijn weergegeven; daarin is geen sprake van een vereiste inzake lichamelijke capaciteiten of gezondheid.
( 8 ) Zie arrest van 13 september 2011, Prigge e.a. (C‑447/09, EU:C:2011:573, punt 67).
( 9 ) Zie arrest van 12 januari 2010, Wolf (C‑229/08, EU:C:2010:3, punt 40).
( 10 ) Ik leid dat af uit het arrest van 22 mei 2014, Glatzel (C‑356/12, EU:C:2014:350, punten 49, 50 en 72).
( 11 ) Het Handvest bevat respectievelijk in artikel 21 en artikel 26 het grondrecht om niet te worden gediscrimineerd op grond van handicap en om met name in het arbeidsproces te worden geïntegreerd. Die rechten zijn ten uitvoer gelegd bij richtlijn 2000/78, voor zover zij zien op het recht op een gelijke behandeling in arbeid en beroep, zoals blijkt uit het opschrift zelf van die richtlijn en uit artikel 3 betreffende de werkingssfeer ervan.
( 12 ) Heel wat lidstaten hebben ervoor gekozen om een beroep te doen op juryleden. Blijkens rechtsvergelijkende gegevens die zijn uiteengezet in het arrest van het EHRM van 16 november 2010, Taxquet tegen België (CE:ECHR:2010:1116JUD000092605, § 43), is dat het geval voor 21 van de 27 lidstaten.
( 13 ) Zie aangaande de bij de wet inzake het justitiële stelsel gestelde voorwaarden, punt 18 van de onderhavige conclusie.
( 14 ) Behalve de Republiek Bulgarije doen de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, Hongarije, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden een beroep op lekenrechters. De lidstaten die voor de traditionele jury hebben gekozen, zijn het Koninkrijk België, Ierland, het Koninkrijk Spanje, de Republiek Malta en de Republiek Oostenrijk.
( 15 ) Zie met name arrest van het EHRM van 16 november 2010, Taxquet tegen België (CE:ECHR:2010:1116JUD000092605, § 83).
( 16 ) Zie met name arrest van het EHRM van 15 december 2005, Kyprianou tegen Cyprus (CE:ECHR:2005:1215JUD007379701, § 118).
( 17 ) Zie arrest van 29 juli 2019, Gambino en Hyka (C‑38/18, EU:C:2019:628). Zie ook conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak Gambino en Hyka (C‑38/18, EU:C:2019:208, punten 94 e.v.).
( 18 ) Zie arrest van 29 juli 2019, Gambino en Hyka (C‑38/18, EU:C:2019:628, punt 42).
( 19 ) Zie de in het arrest van 29 juli 2019, Gambino en Hyka (C‑38/18, EU:C:2019:628, punt 43), aangehaalde arresten.
( 20 ) Zie EHRM, 29 juni 2017, Lorefice tegen Italië (CE:ECHR:2017:0629JUD006344613, §§ 36 en 43).
( 21 ) Zie conclusie van advocaat-generaal Léger in de zaak Baustahlgewebe/Commissie (C‑185/95 P, EU:C:1998:37, punten 82 en 83).
( 22 ) Zie EHRM, 2 december 2014, Cutean tegen Roemenië (CE:ECHR:2014:1202JUD005315012, §§ 60‑73).
( 23 ) Zoals is aangegeven in het arrest van het EHRM van 16 november 2010, Taxquet tegen België (CE:ECHR:2010:1116JUD000092605, § 95), dienen de debatten de basis te vormen voor de innerlijke overtuiging.
( 24 ) Zie met name instructies aan juryleden in Frankrijk overeenkomstig artikel 353 van de code de procédure pénale (Frans wetboek van strafvordering). In België waren in artikel 342 van het Wetboek van strafvordering soortgelijke instructies opgenomen. Vaak staat tegenover het begrip „innerlijke overtuiging” het common-lawmechanisme volgens hetwelk het bewijs van de schuld boven elke twijfel verheven moet zijn („beyond reasonable doubt”). Zoals door Dominique Inchauspé wordt aangegeven, „[mag] in beide gevallen [evenwel] slechts rekening worden gehouden met bewijzen die ter terechtzitting zijn aangevoerd” („L’intime conviction”, in Traité de psychiatrie légale, Bruylant, 2017, blz. 603‑617).
( 25 ) Als voorbeeld verwijs ik naar pedopornografische zaken waarin juryleden mogelijkerwijs moeten beoordelen of uit het fotomateriaal duidelijk blijkt dat de afgebeelde personen minderjarig zijn.
( 26 ) Arrest van 2 maart 2021, Prokuratuur (Voorwaarden voor toegang tot gegevens over elektronische communicatie) (C‑746/18, EU:C:2021:152, punten 41 en 42), en EHRM, 10 februari 2005, Graviano tegen Italië (CE:ECHR:2005:0210JUD001007502, § 36).
( 27 ) Zie in die zin met name arrest van 2 maart 2021, Prokuratuur (Voorwaarden voor toegang tot gegevens over elektronische communicatie) (C‑746/18, EU:C:2021:152, punt 41).
( 28 ) Andere criteria zijn onder meer een minimumopleidingsniveau (zie Bulgaars recht in punt 18 van de onderhavige conclusie) of het uitoefenen van bestuurlijke of wetgevende functies, het beschikken over een mandaat als lokaal verkozene of het uitoefenen van rechterlijke functies.
( 29 ) Dat is met name het geval voor Denemarken, Duitsland en Oostenrijk (zie „La place des jurés populaires dans le procès pénal”, Étude de législation comparée, nr. 285, juli 2018, Sénat, Frankrijk). Bulgarije noemt enkel de geestelijke handicap. Spanje daarentegen heeft in zijn hervorming van de wet betreffende de juryleden, die op 14 februari 2018 in werking is getreden, uitdrukkelijk opgenomen dat personen met een handicap niet van de functie van jurylid zijn uitgesloten [Ley Orgánica 1/2017, de 13 de diciembre, de modificación de la Ley Orgánica 5/1995, de 22 de mayo, del Tribunal del Jurado, para garantizar la participación de las personas con discapacidad sin exclusiones (organieke wet 1/2017 van 13 december 2017 tot wijziging van organieke wet 5/1995 van 22 mei 1995 aangaande de juryrechtbank teneinde ervoor te zorgen dat personen met een handicap er zonder uitzondering aan kunnen deelnemen)] (BOE nr. 303 van 14 december 2017, blz. 123527).
( 30 ) Zie arrest van het Duitse Bundesverfassungsgericht van 2004 (DE:BVerfG:2004:rk20040310.2bvr057701). Ik merk evenwel op dat die rechterlijke instantie de vraag of blinde juryleden op grond van het Grundgesetz moeten worden uitgesloten, in haar arrest uitdrukkelijk heeft opengelaten.
( 31 ) Zie met name het Franse strafrecht op grond waarvan blindheid een „gewichtige grond” kan uitmaken om juryleden met die handicap uit te sluiten (artikel 258 van de code de procédure pénal en commentaar van Angevin, H., en Le Gall, H‑C., „Cour d’assises-Composition-Jury”, JurisClasseur Procédure pénale, februari 2021, fasc.20‑20).
( 32 ) Zie in die zin overweging 6 van richtlijn 2000/78 waarin wordt verwezen naar het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden, alsook overweging 8 van die richtlijn.
( 33 ) Zie overweging 9 van richtlijn 2000/78 waarin aldus uitdrukking wordt gegeven aan artikel 26 van het Handvest, met als opschrift „De integratie van personen met een handicap”, op grond waarvan „[d]e Unie [...] het recht van personen met een handicap op maatregelen die beogen hun zelfstandigheid, hun maatschappelijke en beroepsintegratie en hun deelname aan het gemeenschapsleven te bewerkstelligen[, erkent en eerbiedigt]”. Zie ook arrest van 22 mei 2014, Glatzel (C‑356/12, EU:C:2014:350, punten 77 en 78).
( 34 ) De redelijke aanpassingen die in de onderhavige zaak kunnen worden overwogen, leveren meer problemen op dan die welke in de zaak Tartu Vangla (C‑795/19, EU:C:2020:961), betreffende een slechthorende penitentiair beambte, zijn onderzocht. Zoals ik in mijn conclusie in die zaak heb aangegeven, kon de betrokkene zijn taken immers ten volle uitvoeren mits hij een hoortoestel droeg en zijn werkplek werd aangepast.
( 35 ) C‑356/12, EU:C:2014:350, punt 70.
( 36 ) Die beginselen en richtsnoeren, die onder leiding van de speciale rapporteur van de VN over de rechten van personen met een handicap werden opgesteld, zijn gepubliceerd in augustus 2020.
( 37 ) Zie voorwoord bij die beginselen en richtsnoeren van de Hoge Commissaris voor Mensenrechten van de VN.
( 38 ) Zie „Internationale beginselen en richtsnoeren inzake de toegang tot de rechter voor personen met een handicap”, op. cit., richtsnoeren 7.2 (b) en 7.2 (c).
( 39 ) Zie „Internationale beginselen en richtsnoeren inzake de toegang tot de rechter voor personen met een handicap”, op. cit., richtsnoer 3.
( 40 ) Zie de in de punten 69 en 70 van de onderhavige conclusie opgenomen voorbeelden.
( 41 ) Van dergelijke regels is sprake in het common-lawrecht, op grond waarvan ook bewijzen uit de tweede hand, namelijk uitlatingen die niet rechtstreeks door een getuige zijn gehoord maar hem zijn gemeld, niet-ontvankelijk worden verklaard.
( 42 ) Ik wijs erop dat die opvatting niet onomstreden is. Ook wordt aangenomen dat bij blinde personen andere zintuigen, met name het gehoor, vaak beter ontwikkeld zijn waardoor zij in de stem tekenen kunnen herkennen die zij met de ogen niet kunnen waarnemen.
( 43 ) In haar bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen verduidelijkt VA deel te hebben uitgemaakt van 48 rechterlijke formaties en 200 zaken te hebben onderzocht.
( 44 ) Zie punt 29 van de onderhavige conclusie.
( 45 ) Ik wijs erop dat de vraag of een jurylid in staat is om de aan zijn functie verbonden taken uit te voeren, overeenkomstig die overweging dient te worden onderzocht in het licht van de redelijke aanpassingen die de werkgever jegens hem moet doorvoeren.
( 46 ) Volgens haar schriftelijke opmerkingen blijkt VA in casu geen gebruik te hebben gemaakt van ondersteuning om haar taken van jurylid te vervullen.