Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52019PC0345

Gewijzigd voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD betreffende het namens de Europese Unie in de door de brede en versterkte partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Armenië, anderzijds, ingestelde Partnerschapsraad in te nemen standpunt met betrekking tot de vaststelling van de besluiten inzake de reglementen van orde van de Partnerschapsraad, het Partnerschapscomité, de gespecialiseerde subcomités of elk ander orgaan

COM/2019/345 final

Brussel, 19.7.2019

COM(2019) 345 final

2018/0395(NLE)

Gewijzigd voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het namens de Europese Unie in de door de brede en versterkte partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Armenië, anderzijds, ingestelde Partnerschapsraad in te nemen standpunt met betrekking tot de vaststelling van de besluiten inzake de reglementen van orde van de Partnerschapsraad, het Partnerschapscomité, de gespecialiseerde subcomités of elk ander orgaan


TOELICHTING

1    ONDERWERP VAN HET VOORSTEL

Dit voorstel betreft een besluit betreffende het namens de Unie in de door de brede en versterkte partnerschapsovereenkomst tussen de EU en Armenië (hierna "CEPA" of "de overeenkomst" genoemd) ingestelde Partnerschapsraad in te nemen standpunt over de vaststelling van de reglementen van orde van de Partnerschapsraad en het Partnerschapscomité en de oprichting van subcomités en andere organen.

2    ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

2.1.    De brede en versterkte partnerschapsovereenkomst tussen de EU en Armenië

De CEPA beoogt het brede politieke en economische partnerschap en de samenwerking tussen de EU en Armenië te bevorderen, gebaseerd op gemeenschappelijke waarden en nauwe banden, onder meer door een grotere participatie van de Republiek Armenië aan het beleid, de programma's en de agentschappen van de Europese Unie. Hierbij komt een robuust kader tot stand dat zorgt voor een versterkte politieke dialoog op alle terreinen van wederzijds belang en wordt de totstandkoming van nauwe politieke betrekkingen bevorderd.

In de CEPA worden de algemene beginselen en doelstellingen voor de betrekkingen tussen de EU en Armenië omschreven en wordt een institutionele structuur voor de uitvoering van de overeenkomst ingesteld.

De overeenkomst is met ingang van 1 juni 2018 voorlopig toegepast.

2.2.    De Partnerschapsraad

De Partnerschapsraad is opgericht bij artikel 362 van de overeenkomst. De Partnerschapsraad houdt toezicht op en toetst regelmatig de uitvoering van de overeenkomst.

De Partnerschapsraad is samengesteld uit vertegenwoordigers van de partijen op ministerieel niveau en komt regelmatig bijeen, ten minste eenmaal per jaar en verder wanneer de omstandigheden zulks vereisen. De Partnerschapsraad komt bijeen in een samenstelling die in onderling overleg wordt bepaald. Hij stelt zijn eigen reglement van orde vast.

De Partnerschapsraad neemt besluiten binnen het toepassingsgebied van de overeenkomst in de gevallen waarin de overeenkomst voorziet. De besluiten zijn bindend voor de partijen, die de nodige maatregelen treffen voor de uitvoering ervan. De Partnerschapsraad kan tevens aanbevelingen doen. De Partnerschapsraad stelt zijn besluiten en aanbevelingen vast in overeenstemming tussen de partijen, onder voorbehoud van de voltooiing van hun respectieve interne procedures.

2.3.    Het Partnerschapscomité

Het Partnerschapscomité is opgericht bij artikel 363 van de overeenkomst. Het Partnerschapscomité ondersteunt de Partnerschapsraad bij de vervulling van zijn taken en bereidt de bijeenkomsten van de Partnerschapsraad voor.

Het Partnerschapscomité kan besluiten vaststellen op gebieden waar de Partnerschapsraad bevoegdheden aan het comité heeft gedelegeerd en in de gevallen waarin de overeenkomst voorziet. Deze besluiten zijn bindend voor de partijen, die de nodige maatregelen treffen voor de uitvoering ervan. Het Partnerschapscomité stelt zijn besluiten vast in overleg tussen de partijen, mits deze hun respectieve interne procedures hebben voltooid.

Het Partnerschapscomité is samengesteld uit vertegenwoordigers van de partijen, gewoonlijk op het niveau van hoge ambtenaren. Het wordt beurtgewijs afwisselend voorgezeten door een vertegenwoordiger van de EU of de Republiek Armenië. Het komt gewoonlijk eenmaal per jaar bijeen. Het reglement van orde van het Partnerschapscomité wordt vastgesteld door de Partnerschapsraad.

2.4.    De beoogde handeling van de Partnerschapsraad

De Partnerschapsraad dient een besluit vast te stellen met betrekking tot zijn eigen reglement van orde en dit van het Partnerschapscomité, alsook met betrekking tot de oprichting van subcomités en andere organen.

De beoogde handeling strekt ertoe overeenkomstig artikel 362, lid 4, en artikel 363, lid 4, van de overeenkomst, de reglementen van orde vast te stellen betreffende de werking van de Partnerschapsraad en het Partnerschapscomité en subcomités en andere organen op te richten met het oog op de uitvoering van de CEPA.

3.    NAMENS DE UNIE IN TE NEMEN STANDPUNT

Het namens de Unie in te nemen standpunt moet de vaststelling mogelijk maken van de reglementen van orde van de Partnerschapsraad en het Partnerschapscomité.

4.    RECHTSGRONDSLAG

4.1.    Procedurele rechtsgrondslag

4.1.1.    Beginselen

Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van "de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst".

Het begrip "handelingen met rechtsgevolgen" omvat tevens handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen tevens instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die "beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt" 1 .

4.1.2.    Toepassing op het onderhavige geval

De Partnerschapsraad en het Partnerschapscomité zijn organen die krachtens de CEPA zijn opgericht.

De in de bijlage bij dit besluit opgenomen handelingen zijn handelingen met rechtsgevolgen, omdat overeenkomstig artikel 362, lid 6, van de overeenkomst de Partnerschapsraad besluiten kan vaststellen die bindend zijn voor de partijen. De handelingen strekken niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst.

De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU.

4.2.     Materiële rechtsgrondslag

4.2.1 Redenen voor het gewijzigde voorstel

Op 29 november 2018 hebben de hoge vertegenwoordiger en de Commissie het gezamenlijke voorstel vastgesteld voor een besluit van de Raad betreffende het namens de Europese Unie in de door de brede en versterkte partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Armenië, anderzijds, ingestelde Partnerschapsraad in te nemen standpunt met betrekking tot de vaststelling van de besluiten inzake de reglementen van orde van de Partnerschapsraad, het Partnerschapscomité, de gespecialiseerde subcomités of elk ander orgaan (hierna “het gezamenlijke voorstel” genoemd). Het gezamenlijke voorstel was gebaseerd op artikel 37, VEU, en de artikelen 91, 100, lid 2, 207, en 209, VWEU, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU. In het licht van het arrest van het Hof in zaak C-244/17, Commissie/Raad (Kazachstan), dat onlangs de zwaartepunttest voor de vaststelling van de rechtsgrondslag van handelingen van de Unie inzake internationale overeenkomsten heeft uitgevoerd, en om de hieronder uiteengezette redenen, moet de rechtsgrondslag van het voorgestelde besluit worden gewijzigd en moeten de artikelen 91, 100, lid 2, 207, en 209, VWEU, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU, worden opgenomen.

4.2.2. Beginselen

De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de geplande handeling ten aanzien waarvan namens de Unie een standpunt moet worden ingenomen. Als de geplande handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of overwegende component, terwijl de andere doelstelling of de andere component slechts ondergeschikt is, moet het overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is gelet op de hoofddoelstelling of de overwegende component.

Wanneer de beoogde handeling tegelijkertijd een aantal doelstellingen heeft, of meerdere componenten, die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, zonder dat de ene ondergeschikt is aan de andere, moet de materiële rechtsgrondslag waarop een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU, te nemen besluit wordt gebaseerd, uitzonderlijk de verschillende rechtsgrondslagen omvatten.

Eveneens wordt opgemerkt dat het niet de procedures zijn die de rechtsgrondslag van een handeling bepalen, maar de rechtsgrondslag van een handeling die de procedures bepaalt die voor de vaststelling van die handeling moeten worden gevolgd.

4.2.3. Toepassing op het onderhavige geval

Het reglement van orde van de Partnerschapsraad en het Partnerschapscomité betreft de algemene werking van een op basis van een overeenkomst opgericht orgaan. Daarom moet de werkingssfeer waarbinnen het beoogde besluit valt, worden bepaald in het licht van de strategische partnerschapsovereenkomst als geheel.

De belangrijkste doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling hebben in de eerste plaats betrekking op ontwikkelingssamenwerking (artikel 209, VWEU) en handel (artikel 207, VWEU). Aangezien sommige bepalingen met betrekking tot de handel in vervoersdiensten in het handelsgedeelte van de CEPA niet onder artikel 207 vallen, moeten ook de artikelen 91 en 100, lid 2, VWEU, worden toegevoegd.

Het beperkte aantal GBVB-bepalingen is niet van dien aard dat zij een afzonderlijk doel of een afzonderlijk onderdeel vormen. Zij zijn eerder ondergeschikt aan de voornaamste component van de CEPA. Daarom is er geen aparte rechtsgrondslag nodig. Dit is het geval ondanks het feit dat het besluit van de Raad betreffende de ondertekening van de overeenkomst ook gebaseerd was op artikel 37 van het VEU (zie Besluit 2018/104 van de Raad van 20 november 2017). De beoordeling is veranderd in het licht van de rechterlijke uitspraak in zaak C-244/17 Commissie/Raad (Kazachstan).

Opgemerkt moet worden dat het aantal en de aard van de GBVB-bepalingen in de CEPA vergelijkbaar is met die van de overeenkomst met Kazachstan en met andere overeenkomsten waarover na het vonnis inzake Kazachstan besluiten werden genomen op basis van niet-GBVB-rechtsgrondslagen.

5.    CONCLUSIE

Gelet op het bovenstaande is de rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit artikel 37, VEU, en artikel 91, artikel 100, lid 2, artikel 207, en artikel 209, VWEU, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU, en moet het voorstel alleen door de Commissie worden gedaan. De hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid is geraadpleegd en is het hiermee eens.

2018/0395 (NLE)

Gewijzigd voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het namens de Europese Unie in de door de brede en versterkte partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Armenië, anderzijds, ingestelde Partnerschapsraad in te nemen standpunt met betrekking tot de vaststelling van de besluiten inzake de reglementen van orde van de Partnerschapsraad, het Partnerschapscomité, de gespecialiseerde subcomités of elk ander orgaan

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 37,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91, artikel 100, lid 2, artikel 207, en artikel 209, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie en van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)De brede en versterkte partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Armenië, anderzijds (hierna "de overeenkomst" genoemd) 2 , is op 24 november 2017 in Brussel ondertekend en wordt vanaf 1 juni 2018 voorlopig toegepast.

(2)Uit hoofde van de artikelen 362 en 363 van de overeenkomst worden een Partnerschapsraad en een Partnerschapscomité opgericht om de uitvoering van de overeenkomst te faciliteren.

(3)Overeenkomstig artikel 362, lid 4, van de overeenkomst, dient de Partnerschapsraad zijn eigen reglement van orde vast te stellen en overeenkomstig artikel 363, lid 4, van de overeenkomst stelt de Partnerschapsraad in zijn reglement van orde de taken en de werking van het Partnerschapscomité vast.

(4)Met het oog op de daadwerkelijke uitvoering van de overeenkomst dienen de reglementen van orde van de Partnerschapsraad en het Partnerschapscomité te worden vastgesteld.

(5)Volgens artikel 364, lid 2, van de overeenkomst kan de Partnerschapsraad besluiten subcomités of andere organen in te stellen om hem bij de uitvoering van zijn taken bij te staan. Voorts wordt in dit artikel bepaald dat de Partnerschapsraad in zijn reglement van orde de samenstelling, de taken en de werking van dergelijke comités en organen vaststelt.

(6)De Partnerschapsraad zal op zijn [...] zitting/vergadering van [datum] de reglementen van orde vaststellen van de Partnerschapsraad, het Partnerschapscomité, de gespecialiseerde subcomités of elk ander orgaan.

(7)Het is passend het standpunt vast te stellen dat namens de Unie in de Partnerschapsraad moet worden ingenomen, aangezien de besluiten van de Partnerschapsraad met betrekking tot de reglementen van orde van de Partnerschapsraad, het Partnerschapscomité en die van gespecialiseerde subcomités of elk ander orgaan, bindend zullen zijn voor de Unie.

(8)Het standpunt van de Unie in de Partnerschapsraad moet derhalve gebaseerd zijn op de bijgaande ontwerpteksten van de reglementen van orde van de Partnerschapsraad en het Partnerschapscomité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Unie in de Partnerschapsraad EU-Armenië in te nemen standpunt met betrekking tot de reglementen van orde van de Partnerschapsraad, het Partnerschapscomité en die van gespecialiseerde subcomités, met inbegrip van het Subcomité geografische aanduidingen 3 of elk ander orgaan, en met betrekking tot de oprichting van subcomités is gebaseerd op de aan dit besluit gehechte ontwerpbesluiten van de Partnerschapsraad. Kleinere wijzigingen van dit ontwerpbesluit kunnen zonder verder besluit van de Raad worden aanvaard.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de Commissie en tot de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op [...].

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1)    Arrest van het Hof van 7 oktober 2014, Duitsland/Raad (OIV), C-399/12, ECLI:EU:C:2014:2258, punten 61-64.
(2)     https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?qid=1532441113638&uri=CELEX:22018A0126(01)
(3)    Het Subcomité geografische aanduidingen dat is ingesteld bij artikel 240 van de overeenkomst is verantwoordelijk voor de vaststelling van zijn eigen reglement van orde.
Top