Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32019R0280

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/280 van de Commissie van 3 december 2018 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 138/2004 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft verwijzingen naar het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie (Voor de EER relevante tekst.)

C/2018/7910

PB L 47 van 19.2.2019, pp. 7–32 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2019/280/oj

19.2.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 47/7


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2019/280 VAN DE COMMISSIE

van 3 december 2018

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 138/2004 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft verwijzingen naar het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 138/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 5 december 2003 betreffende de landbouwrekeningen in de Gemeenschap (1), en met name artikel 2, lid 2, en artikel 3, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad (2) („ESR 2010”) bevat het referentiekader van gemeenschappelijke normen, definities, classificaties en registratieregels voor het opstellen van de rekeningen van de lidstaten met het oog op de statistische eisen van de Unie.

(2)

De landbouwrekeningen zijn satellietrekeningen van de nationale rekeningen, zoals gedefinieerd in het ESR 2010, met als doel geharmoniseerde en tussen de lidstaten vergelijkbare resultaten te verkrijgen om de rekeningen ten behoeve van de doelstellingen van de Unie op te stellen.

(3)

Aangezien ESR 2010 een herziening is van ESR 1995, moeten in de bijlagen I en II bij Verordening (EG) nr. 138/2004 nieuwe verwijzingen worden ingevoerd.

(4)

De bijlagen I en II bij Verordening (EG) nr. 138/2004 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 138/2004 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening.

Bijlage II bij Verordening (EG) nr. 138/2004 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 3 december 2018

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 33 van 5.2.2004, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie (PB L 174 van 26.6.2013, blz. 1).


BIJLAGE I

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 138/2004 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In de hele bijlage:

a)

wordt „ESR 1995” vervangen door „ESR 2010”;

b)

wordt „SNA 1993” vervangen door „2008 SNA”.

2)

De „Inhoud” wordt als volgt gewijzigd:

a)

in punt III.F.3 wordt „Inkomen uit grond en minerale reserves” vervangen door „Inkomen uit grond en minerale hulpbronnen”;

b)

in punt III.F.4 wordt „Inkomen uit vermogen toegerekend aan polishouders (niet bestreken door de LR)” vervangen door „Inkomen uit investeringen toe te rekenen aan polishouders (niet bestreken door de LR)”;

c)

in punt VI.B.4 wordt „Berekening van de toegevoegde waarde in constante prijzen” vervangen door „Berekening van de toegevoegde waarde in prijzen van een vast jaar”.

3)

Het „Voorwoord” wordt vervangen door:

VOORWOORD

De herziening van het Europees systeem van rekeningen (ESR 2010) (*1) heeft tot enige wijzigingen van de basismethodiek voor de LR geleid om consistentie met de ESR te waarborgen en aldus de LR van de lidstaten niet alleen onderling, maar ook met het centrale kader van de nationale rekeningen op een lijn te brengen en ervoor te zorgen dat de aan te brengen wijzigingen ook uitvoerbaar zijn. De handleiding bevat daarom niet alleen de basisbegrippen, beginselen en regels voor de opstelling van de rekeningen, maar gaat ook in op eventuele aanpassingen aan de specifieke kenmerken van de landbouw.

(*1)  Europees systeem van nationale en regionale rekeningen — ESR 2010, Luxemburg 2013.”."

4)

Hoofdstuk I wordt als volgt gewijzigd:

a)

in punt 1.02 wordt voetnoot 2 vervangen door:

„(2)

System of National Accounts, 2008. Gezamenlijke publicatie van de Verenigde Naties, de Europese Commissie, het Internationaal Monetair Fonds, de OESO en de Wereldbank.”;

b)

in punt 1.03 wordt de laatste zin vervangen door:

„Het ESR 2010 wordt gekenmerkt door het gebruik van twee soorten eenheden en twee overeenkomstige manieren om de nationale economie in te delen.”;

c)

in punt 1.08 wordt de laatste zin vervangen door:

„Aangezien de twee soorten inkomen — inkomen uit landbouwproductie en het inkomen van landbouwhuishoudens — verschillende doeleinden dienen, moet de economie ook op twee manieren worden ingedeeld: enerzijds, voor de LR, naar productie-eenheden, die als economische activiteit worden gedefinieerd; en anderzijds naar huishoudens (d.w.z. institutionele eenheden) waarvan de belangrijkste inkomensbron de zelfstandige uitoefening van landbouwactiviteit is.”;

d)

punt 1.09 wordt vervangen door:

„1.09.

Voor een analyse van de stromen die zich voordoen bij het productieproces en bij het gebruik van goederen en diensten, moeten eenheden worden gekozen die de technisch-economische relaties belichten. Dit betekent dat het doorgaans noodzakelijk is institutionele eenheden te splitsen in kleinere eenheden, die naar aard van de productie homogener zijn. Eenheden van economische activiteit op lokaal niveau (lokale EEA's) zijn bedoeld om hieraan tegemoet te komen als een operationele benadering (ESR 2010, punt 2.147) (*2).

(*2)  Het ESR heeft weliswaar voorkeur voor de lokale EEA, maar voor een analyse van het productieproces is de homogene productie-eenheid het meest geschikt. Deze eenheid wordt gebruikt voor input-outputanalyses omdat zij exact overeenkomt met een soort activiteit. Institutionele eenheden zijn dus onderverdeeld in evenveel HPE's als er activiteiten zijn (m.u.v. hulpactiviteiten). Door deze homogene productie-eenheden samen te voegen, kan een indeling van de economie in „zuivere” (homogene) branches worden verkregen. In het algemeen kan de HPE echter niet rechtstreeks worden waargenomen. Er kunnen dan ook geen rekeningen voor homogene branches worden opgesteld door HPE's samen te voegen. Het ESR beschrijft een methode voor de opstelling van deze rekeningen. Hierbij worden nevenactiviteiten en de kosten hiervoor van de bedrijfstakken toegerekend aan de desbetreffende homogene branches (ESR 2010, punten 2.153-2.156, 9.52-9.63).”;"

e)

punt 1.10 wordt vervangen door:

„1.10.

De eenheid van economische activiteit op lokaal niveau (lokale EEA) is het deel van een EEA dat aansluiting heeft op een lokale eenheid. De lokale EEA wordt in het 2008 SNA en de ISIC Rev.4 „establishment” genoemd. Tot een EEA behoren alle delen van een institutionele eenheid in haar hoedanigheid van producent, die bijdragen tot de uitoefening van een activiteit op vier-digitniveau (klassen) van de NACE Rev.2 (de referentieclassificatie voor de economische activiteiten, zie punt 1.55). Zij valt samen met een of meer operationele onderdelen van de institutionele eenheid. Van de lokale EEA's moeten ten minste de volgende gegevens kunnen worden gegeven of geraamd: productiewaarde, intermediair verbruik, beloning van werknemers, exploitatieoverschot, werkzame personen en bruto-investeringen in vaste activa (ESR 2010, punt 2.148). De lokale eenheid is een goederen of diensten producerende institutionele eenheid of een deel daarvan, gelegen op een geografisch bepaalde plaats.”;

f)

punt 1.11 wordt vervangen door:

„1.11.

Een lokale EEA kan overeenkomen met een institutionele eenheid in haar hoedanigheid van producent of met een gedeelte daarvan; zij kan echter nooit tot twee verschillende institutionele eenheden behoren. Aangezien de meeste institutionele eenheden die goederen en diensten voortbrengen, in de praktijk allerlei economische activiteiten tegelijk uitoefenen (een hoofdactiviteit en een of meer nevenactiviteiten), kunnen ze worden opgesplitst in evenveel lokale EEA's, als de nodige informatie beschikbaar is. Hulpactiviteiten (als inkoop, verkoop, marketing, boekhouding, vervoer, opslag, onderhoud enz.; zie punt 1.27) kunnen evenwel niet leiden tot de vorming van een lokale EEA, tenzij zij worden uitgevoerd op een aparte locatie in een andere regio dan de lokale EEA die zij ondersteunen (ESR 2010, punt 3.13).”;

g)

punt 1.12 wordt vervangen door:

„1.12.

In beginsel moeten er evenveel lokale EEA's worden geregistreerd als er nevenactiviteiten zijn. Het kan evenwel voorkomen dat aan de hand van de statistische (boekhoudkundige) informatie geen onderscheid kan worden gemaakt tussen de nevenactiviteiten (of delen daarvan) en de hoofdactiviteit van de lokale EEA. Indien een goederen of diensten producerende institutionele eenheid een hoofdactiviteit en ook één of meer nevenactiviteiten uitoefent, wordt zij in even zo vele EEA's onderverdeeld, en wel zodanig dat de nevenactiviteiten onderscheiden worden van de hoofdactiviteit. Hulpactiviteiten worden niet van de hoofdactiviteit of de nevenactiviteiten afgesplitst. EEA's die bij een bepaalde activiteit zijn ingedeeld, kunnen evenwel ook producten voortbrengen die niet tot de betrokken homogene productgroep behoren, maar voortvloeien uit nevenactiviteiten waarover uit de beschikbare boekhoudkundige bescheiden geen afzonderlijke gegevens kunnen worden afgeleid. Een EEA kan dus één of meer nevenactiviteiten uitoefenen. (ESR 2010, punt 2.149).”;

h)

punt 1.13 wordt vervangen door:

„1.13.

Er is sprake van een activiteit wanneer het gecombineerde gebruik van middelen (kapitaalgoederen, arbeid, fabricageprocédés, informatienetwerken, producten) leidt tot de voortbrenging van bepaalde goederen of diensten. Een activiteit wordt gekenmerkt door een input van producten (goederen of diensten), een productieproces en een output van producten. De hoofdactiviteit van een lokale EEA is de activiteit waarvan de toegevoegde waarde groter is dan die van enige andere binnen dezelfde eenheid uitgeoefende activiteit. De hoofdactiviteit wordt geclassificeerd aan de hand van de NACE Rev.2, eerst op het hoogste classificatieniveau en vervolgens op meer gedetailleerde niveaus (ESR 2010, punt 3.10).”;

i)

in punt 1.14 wordt de laatste zin vervangen door:

„Op het meest gedetailleerde niveau van de classificatie — zoals gedefinieerd in ESR 2010, punt 2.150 — omvat een bedrijfstak alle lokale EEA's die tot dezelfde klasse (vier digits) van de NACE Rev.2 behoren en dus dezelfde hoofdactiviteit uitoefenen die in de NACE Rev.2 is gedefinieerd.”;

j)

in punt 1.16 wordt punt ii) vervangen door:

„ii)

niet tot de landbouw behorende niet-scheidbare nevenactiviteiten van landbouweenheden.”;

k)

in punt 1.17 wordt de laatste twee zinnen vervangen door:

„Strikte toepassing van de regel van het ESR over eenheden en groepen eenheden zou namelijk tot gevolg hebben dat het landbouwbedrijf in een aantal afzonderlijke lokale EEA's moet worden verdeeld wanneer diverse activiteiten op vierdigitniveau (klasse) van de NACE Rev.2 op hetzelfde bedrijf worden uitgeoefend en de volgens punt 1.10 nodige informatie beschikbaar is. Het gebruik van het landbouwbedrijf als lokale EEA voor de bedrijfstak landbouw in het kader van de nationale rekeningen en de LR is echter op een statistische aanpak gebaseerd.”;

l)

in punt 1.19 wordt de eerste zin vervangen door:

„Omdat het — overeenkomstig ESR 2010 — bij een bedrijfstak gaat om een groep eenheden die als hoofdactiviteit dezelfde of soortgelijke activiteiten uitoefenen, is de definitie van de bedrijfstak landbouw in de LR afhankelijk van de vaststelling van de karakteristieke activiteiten en eenheden van de bedrijfstak.”;

m)

in punt 1.20 wordt de inleidende zijn vervangen door:

„De bedrijfstak landbouw omvat alle lokale EEA's die een van de volgende economische activiteiten als hoofd- of nevenactiviteit uitoefenen (zie de punten 1.60 tot en met 1.66 voor een nauwkeurige afbakening van het waarnemingsgebied):”;

n)

punt 1.24 wordt vervangen door:

„1.24.

Met de LR wordt beoogd de inkomensvorming uit economische activiteiten op het gebied van de landbouw te meten, te beschrijven en te analyseren. In de Europese Unie gaat het hierbij vrijwel uitsluitend om marktactiviteiten. Daarom is overeengekomen eenheden waarvoor de landbouwactiviteit uitsluitend een vrijetijdsbesteding (*3) is, buiten beschouwing te laten. Daarentegen zijn eenheden die met hun landbouw enkel in eigen behoeften voorzien, in de LR inbegrepen. Ook moet de landbouwoutput voor eigen verbruik door landbouwbedrijven in de LR worden geregistreerd.

(*3)  Het gaat om kleine eenheden die voor eigen verbruik — en dus niet voor de verkoop — produceren en landbouwactiviteiten verrichten zonder van die activiteiten economisch afhankelijk te zijn.”;"

o)

punt 1.25 wordt vervangen door:

„1.25.

Het gebruik van de lokale EEA als basiseenheid voor de bedrijfstak landbouw heeft tot gevolg dat niet tot de landbouw behorende nevenactiviteiten worden opgenomen wanneer ze niet van de hoofdactiviteit op landbouwgebied kunnen worden geïsoleerd.”;

p)

punt 1.26 wordt vervangen door:

„1.26.

Bij de niet-scheidbare niet tot de landbouw behorende nevenactiviteiten van de lokale EEA's in de bedrijfstak landbouw gaat het overeenkomstig het ESR om nauw met de landbouwproductie verband houdende activiteiten, waarvoor de informatie over output, intermediair verbruik, beloning van werknemers, aantal arbeidskrachten en bruto-investeringen in vaste activa in de periode van statistische waarneming niet van die voor de hoofdactiviteit op landbouwgebied kan worden gescheiden.”;

q)

in punt 1.27 worden het tweede en het derde streepje vervangen door:

„—

het mag niet om hulpactiviteiten gaan. Hulpactiviteiten mogen niet worden afgezonderd om separate entiteiten te vormen of worden gescheiden van de hoofdactiviteiten of secundaire activiteiten die zij ondersteunen. Zij moeten bijgevolg worden geïntegreerd in de lokale EEA die zij ondersteunen, tenzij zij in gescheiden eenheden worden georganiseerd en in een andere regio gelokaliseerd. Hulpactiviteiten blijven echter tot dezelfde bedrijfstak behoren als de lokale EEA die zij ondersteunen. Hulpactiviteiten zijn ondersteunende activiteiten die binnen een onderneming worden verricht om de hoofd- of nevenactiviteiten te kunnen uitoefenen (verkoop, marketing, opslag, eigen vervoer enz.; zie ESR 2010 (punten 3.12 en 3.13) en 2008 SNA (punten 5.35 tot en met 5.44)). Karakteristiek voor de output van nevenactiviteiten is dat deze als input voor de verschillende soorten productieactiviteiten wordt gebruikt;

volgens afspraak geldt de productie in eigen beheer van bruto-investeringen in vaste activa in de vorm van niet-landbouwproducten (zoals bouwwerken of machines) niet als nevenactiviteit. De productie voor eigen finaal gebruik wordt geacht een scheidbare activiteit te zijn en wordt geregistreerd als productie van een afzonderlijke lokale EEA. Huisvestingsdiensten die bij wijze van beloning in natura aan werknemers worden aangeboden, moeten op soortgelijke wijze worden behandeld (ze worden als beloning in natura in de inkomensvormingsrekening geregistreerd);”;

r)

punt 1.29 wordt vervangen door:

„1.29.

Er kunnen twee belangrijke soorten niet-scheidbare niet tot de landbouw behorende nevenactiviteiten worden onderscheiden:

1.

activiteiten die in het verlengde van de landbouwactiviteit liggen en waarbij landbouwproducten worden gebruikt. Dergelijke activiteiten zijn gemeengoed in de meeste lidstaten van de Europese Unie. Typisch voor deze groep zijn:

 

verwerking van landbouwproducten

melk in boter, room, kaas, yoghurt en andere zuivelproducten;

groente en fruit in vruchtensappen, conserven, alcoholhoudende dranken en andere producten;

druiven, most en wijn in alcoholhoudende producten (schuimwijn zoals champagne, gedistilleerde dranken zoals cognac enz.);

vlechten van plantaardig materiaal, textiel, wol;

productie van paté, foie gras en andere producten van verwerkt vlees;

verwerking van andere landbouwproducten;

 

sorteren en verpakken van landbouwproducten (bv. eieren en aardappelen);

2.

activiteiten waarvoor het landbouwbedrijf en zijn landbouwproductiemiddelen (werktuigen, installaties, bouwwerken, arbeidskrachten) worden gebruikt. Hierbij gaat het voornamelijk om:

agrotoerisme — camping, restaurant, hotel, diverse vormen van logies enz.;

boerderijwinkels — detailhandel in andere producten dan die welke op het bedrijf worden voortgebracht. Rechtstreekse verkoop van al dan niet verwerkte landbouwproducten worden bij de output van de desbetreffende producten geregistreerd;

sport en plattelandsrecreatie — gebruik van de grond voor activiteiten als golf, paardrijden, jacht, visserij enz.;

diensten voor derden — zoals verhuur en reparatie van landbouwmachines, irrigatieprojecten, landbouwadviesdiensten, opslag van producten, onderhoud van bedrijfsgebouwen, handel in of vervoer van landbouwproducten enz. Deze diensten worden alleen als nevenactiviteit geregistreerd wanneer ze voor derden worden verricht. Indien ze voor eigen rekening worden verricht, gaat het om hulpactiviteiten, die niet in de rekeningen worden geregistreerd (punt 1.27);

landschapsonderhoud — maaien, heggen knippen, sneeuwruimen, ontwerpen, beplanten en onderhoud van groenstroken enz.;

visteelt;

andere activiteiten waarvoor wordt gebruikgemaakt van de grond en de landbouwproductiemiddelen. Deze andere activiteiten omvatten O&O, indien ze niet door afzonderlijke lokale EEA's worden uitgevoerd en indien ze geraamd kunnen worden.”;

s)

punt 1.33 wordt vervangen door:

„1.33.

Volgens het ESR 2010 komt de output van een bedrijfstak overeen met de waarde van alle producten die tijdens de verslagperiode zijn voortgebracht door alle eenheden van die bedrijfstak, met uitzondering van goederen en diensten die in dezelfde verslagperiode door dezelfde eenheid zijn voortgebracht en verbruikt. De meting van de landbouwoutput is gebaseerd op een aanpassing van deze ESR-regel: een deel van de output die door de landbouweenheden zelf wordt verbruikt, wordt wel bij de landbouwoutput opgenomen (zie de punten 2.032 tot en met 2.036). In de LR omvat de landbouwoutput dus de totale output van alle eenheden in de bedrijfstak (met uitzondering van de output die door dezelfde eenheid wordt verbruikt) plus de output die als intermediair verbruik door dezelfde eenheid wordt gebruikt, mits deze een andere basisactiviteit betreft (zoals gewassen die als veevoer worden gebruikt) en bovendien een aantal criteria wordt vervuld (zie punt 2.055).”;

t)

punt 1.37 wordt vervangen door:

„1.37.

De LR zijn gebaseerd op een stelsel van onderling verbonden rekeningen. In het ESR 2010 omvat het rekeningenstelsel lopende rekeningen, accumulatierekeningen en balansen (ESR 2010, punten 1.113 tot en met 1.115). Door deze verschillende rekeningen is het mogelijk de registratie van transacties en andere stromen in een geordend kader te koppelen aan specifieke aspecten van de economische cyclus (bv. de productie). Deze transacties lopen uiteen van de inkomensvorming via de secundaire en tertiaire inkomensverdeling tot de accumulatie van inkomen in de vorm van activa. De saldi die hieruit worden afgeleid, worden vervolgens gebruikt om de economische prestatie op geaggregeerd niveau weer te geven.”;

u)

punt 1.38 wordt vervangen door:

„1.38.

De lopende rekeningen betreffen de productie en de daarmee samenhangende inkomensvorming, -verdeling en -herverdeling, en de besteding van het inkomen in de vorm van consumptie. Met behulp van deze rekeningen kunnen de „besparingen” worden berekend als een wezenlijke factor in het kader van de accumulatie. In de accumulatierekeningen worden de verschillende bestanddelen van mutaties in activa en passiva van de diverse eenheden geanalyseerd en kunnen mutaties in het vermogenssaldo (het verschil tussen activa en passiva) worden geregistreerd. Balansen tonen het totaal aan activa en passiva van de verschillende eenheden aan het begin en het eind van de verslagperiode, tezamen met het vermogenssaldo. De stromen van iedere actief- en passiefpost in de accumulatierekeningen komen terug in de rekening voor balansmutaties (ESR 2010, punten 8.02 tot en met 8.09 en tabel 8.1).”;

v)

punt 1.39 wordt vervangen door:

„1.39.

Het rekeningenstelsel, zoals hierboven beschreven, is van toepassing op institutionele eenheden, sectoren en subsectoren en op de hele economie. Het ESR 2010 gaat ervan uit dat het geen zin heeft een volledig rekeningenstelsel op te stellen voor een lokale EEA of een bedrijfstak, omdat dergelijke eenheden zelden zelf eigenaar van goederen of activa zijn of inkomen ontvangen en verdelen.”;

w)

in punt 1.43 worden de tabellen 1 tot en met 4 vervangen door:

„A.   Lopende rekeningen

Tabel 1: Productierekening

Bestedingen

Middelen

P.2

Intermediair verbruik

50

P.1

Output

100

B.1 g

Toegevoegde waarde (bruto)

50

 

P.51c

Verbruik van vaste activa

10

B.1n

Toegevoegde waarde (netto)

40

Tabel 2: Inkomensvormingsrekening

Bestedingen

Middelen

 

 

D.1

Beloning van werknemers

10

B.1n

Toegevoegde waarde (netto)

40

D.29

Niet-productgebonden belastingen op productie

5

 

D.39

Niet-productgebonden subsidies

– 10

B.2n/B.3n

Exploitatieoverschot (netto)/Gemengd inkomen (netto)

35

Tabel 3: Rekening voor inkomen uit bedrijfsuitoefening

Bestedingen

Middelen

D.4

Inkomen uit vermogen

10

B.2n/B.3n

Exploitatieoverschot (netto)/Gemengd inkomen (netto)

35

D.41

Rente

5

 

D.45

Inkomen uit grond en minerale reserves

5

D.4

Inkomen uit vermogen

1

 

D.41

Rente

1

D.42

Winstuitkeringen

 

D.43

Ingehouden winsten op directe buitenlandse investeringen

 

D.44

Overig inkomen uit investeringen

 

D.45

Inkomen uit grond en minerale reserves

 

B.4n

Inkomen uit bedrijfsuitoefening (netto)

26

 

 

 

B.   Accumulatierekeningen

Tabel 4: Kapitaalrekening

Mutaties in activa

Mutaties in passiva en vermogenssaldo

B.101

Mutaties in het vermogenssaldo als gevolg van besparingen en kapitaaloverdrachten

 

B.8n

Besparingen (netto)

 

D.9r

Kapitaaloverdrachten, ontvangen

10

D.92r

Investeringsbijdragen, ontvangen

5

D.99r

Overige kapitaaloverdrachten, ontvangen

5

D.9p

Kapitaaloverdrachten, betaald

D.91p

Vermogensheffingen, betaald

D.99p

Overige kapitaaloverdrachten, betaald

P.51 g

Bruto-investeringen in vaste activa (BIVA)

100

B.101

Mutaties in het vermogenssaldo als gevolg van besparingen en kapitaaloverdrachten

P.511

Saldo aan- en verkopen van vaste activa (BIVA, vaste activa)

89

 

P.511a

BIVA, aanplantingen

10

P.511b

BIVA, vee

15

P.511c

BIVA, machines en werktuigen

20

P.511d

BIVA, vervoermiddelen

20

P.511e

BIVA, bedrijfsgebouwen

20

P.511f

BIVA, andere werken met uitzondering van grondverbeteringen (andere bouwwerken enz.)

0

P.511 g

Belangrijke grondverbeteringen

4

P.511h

Onderzoek en ontwikkeling

0

P.511i

Andere BIVA (bijvoorbeeld computerprogramma's, productierechten)

0

P.512

Kosten eigendomsoverdracht voor niet-geproduceerde activa (grond enz.)

1

P.51c

Verbruik van vaste activa

10

P.52

Veranderingen in voorraden

5

P.53

Saldo aan- en verkopen van kostbaarheden

 

NP

Saldo aan- en verkopen van niet-geproduceerde activa (grond enz.)

 

B.9

Vorderingenoverschot (+) c.q. -tekort (–)

 

K.1

Economisch ontstaan van activa

 

K.2

Economisch verlies van niet-geproduceerde activa

 

x)

punt 1.44 wordt vervangen door:

„1.44.

Hierbij moet worden aangetekend dat het bij de cursief gedrukte transacties en voorraden in de tabellen 3 en 4 gaat om posten die:

niet van belang zijn voor de landbouwrekeningen omdat wordt uitgegaan van de bedrijfstak en het rekeningenstelsel daarom onvolledig is. Bij de middelen in tabel 3 gaat het om de rubrieken D.42 (Winstuitkeringen), D.43 (Ingehouden winsten op directe buitenlandse investeringen), D.44 (Overig inkomen uit investeringen) en D.45 (Inkomen uit grond en minerale reserves) en in tabel 4 om de rubrieken B.8n (Besparingen (netto)), B.101 (Mutaties in het vermogenssaldo als gevolg van besparingen en kapitaaloverdrachten) en B.9 (Vorderingenoverschot (+) c.q. -tekort (–));

niet worden geregistreerd wegens gebrek aan betrouwbare informatie of omdat ze nu van beperkt belang zijn voor de LR. Het gaat in tabel 4 om de rubrieken D.9p (Kapitaaloverdrachten, betaald), D.91p (Vermogensheffingen, betaald) en D.99p (Overige kapitaaloverdrachten), P.53 (Saldo aan- en verkopen van kostbaarheden), NP (Saldo aan- en verkopen van niet-geproduceerde activa (grond en andere niet-geproduceerde activa)), K.1 (Economisch ontstaan van activa)) en K.2 (Economisch verlies van niet-geproduceerde activa). Een aantal van deze rubrieken (bijvoorbeeld D.91, K.1 en K.2) kunnen op een later tijdstip wellicht wel in de LR worden geregistreerd.”;

y)

in punt 1.46 wordt de laatste twee zinnen vervangen door:

„Voor ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid in de sector huishoudens omvat het saldo van deze rekening impliciet een element dat overeenkomt met de beloning voor door de eigenaar of door leden van het gezin verricht werk. Dit inkomen uit zelfstandige activiteiten heeft kenmerken van lonen en salarissen en kenmerken van winst uit werkzaamheden als ondernemer. Daarom wordt dit inkomen — dat noch uitsluitend uit loon, noch uitsluitend uit winst bestaat — „gemengd inkomen” genoemd (ESR 2010, punt 8.19).”;

z)

punt 1.59 wordt vervangen door:

„1.59.

Overeenkomstig het ESR 2010 bestaat de bedrijfstak uit een groep eenheden van economische activiteit op lokaal niveau die dezelfde of soortgelijke hoofdactiviteiten uitoefenen. Op het meest gedetailleerde niveau bestaat een bedrijfstak uit alle lokale EEA's die tot hetzelfde vierdigitniveau (klasse) van de NACE Rev.2 behoren en die derhalve dezelfde activiteit, zoals omschreven in de NACE Rev.2, uitoefenen (ESR 2010, punt 2.150). Om het waarnemingsgebied van de bedrijfstak landbouw te kunnen afbakenen, moet nauwkeurig worden vastgesteld:

wat de karakteristieke activiteiten zijn,

wat de karakteristieke eenheden van de LR zijn.”;

aa)

punt 1.60 wordt vervangen door:

„1.60.

De bedrijfstak landbouw, zoals deze in de LR is gedefinieerd, komt in principe overeen met afdeling 01 van de NACE Rev.2. De verschillen worden vermeld in de volgende punten 1.62 tot en met 1.66.”;

bb)

punt 1.63 wordt vervangen door:

„1.63.

De lijst van karakteristieke landbouwactiviteiten voor de LR omvat deze zeven groepen activiteiten (groepen 01.1 tot en met 01.7), maar met de volgende afwijkingen:

toevoeging van de productie van wijn en olijfolie (uitsluitend van druiven en olijven die op hetzelfde bedrijf zijn geteeld);

uitsluiting van bepaalde activiteiten die in de NACE Rev.2 tot de landbouw worden gerekend (bv. exploitatie van irrigatiesystemen — alleen loonwerk in de landbouw wordt in dit verband in aanmerking genomen).”;

cc)

in punt 1.78 wordt de derde zin vervangen door:

„stromen die toekomen aan landbouwers in het kader van deze activiteiten, vallen dus niet onder de LR.”;

dd)

punt 1.93 wordt vervangen door:

„1.93.

De bedrijfstak landbouw in de LR, zoals deze is gedefinieerd in de punten 1.62 tot en met 1.66, wijkt op bepaalde punten af van die in de nationale rekeningen. Het betreft zowel de definitie van de karakteristieke activiteiten als die van de eenheden. Ze kunnen als volgt worden samengevat:

Bedrijfstak landbouw in de LR = Bedrijfstak landbouw in de nationale rekeningen (NACE Rev.2-afdeling 01)

Productie van eenheden die andere diensten in verband met de landbouw verlenen dan loonwerk (bv. exploitatie van irrigatiesystemen)

Eenheden waarvoor de landbouwactiviteit uitsluitend een vrijetijdsbesteding en die zijn opgenomen in de nationale rekeningen, vgl. ESR 2010, punt 3.08

+

Productie van eenheden die wijn en olijfolie produceren (uitsluitend van druiven en olijven die door dezelfde eenheid (groepering van producenten, coöperatieven enz.) zijn geteeld)

+

Scheidbare secundaire landbouwactiviteiten van eenheden waarvan de hoofdactiviteit buiten de landbouw ligt (vgl. punt 1.18)”.

5)

Hoofdstuk II wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 2.008 wordt vervangen door:

„2.008.

In het ESR 2010 (punten 1.101 tot en met 1.105) worden stromen (in het bijzonder de transacties in producten en de verdelingstransacties) op transactiebasis geregistreerd, d.w.z. op het moment dat de economische waarde tot stand komt, wordt gewijzigd of verloren gaat, dan wel op het moment dat aanspraken en verplichtingen tot stand komen, worden gewijzigd of worden geannuleerd, en niet op het moment dat de betaling werkelijk wordt verricht.”;

b)

punt 2.010 wordt vervangen door:

„2.010.

Productie wordt in het ESR 2010 behandeld als een continu proces waarbij goederen en diensten worden verwerkt tot andere goederen en diensten. Naargelang van het product kan dit proces korter of langer duren, eventueel zelfs langer dan een verslagperiode. Deze karakterisering van productie in combinatie met de registratie op transactiebasis leidt daarom tot registratie van de output in de vorm van onderhanden werk. Het ESR 2010 zegt dan ook (punt 3.54) dat de output van landbouwproducten wordt geregistreerd alsof deze gestaag over de gehele productieperiode tot stand komt (en niet alleen wanneer de gewassen geoogst of de dieren geslacht worden). Gewassen te velde, hout op stam en de teelt van vis en andere dieren voor de productie van levensmiddelen worden gedurende het productieproces behandeld als voorraden onderhanden werk; ze worden omgezet in voorraden gereed product wanneer het proces voltooid is. De output omvat geen veranderingen van niet gecultiveerde biologische hulpbronnen (bijvoorbeeld de groei van in het wild levende dieren, vogels en vis of de niet gecultiveerde groei van bossen), maar omvat vangsten van in het wild levende dieren, vogels en vis.”;

c)

punt 2.011 wordt vervangen door:

„2.011.

Voor economische analyses is registratie van output in de vorm van onderhanden werk wenselijk en noodzakelijk wanneer het productieproces langer duurt dan de verslagperiode. Hierdoor kan de samenhang in de registratie van de kosten en de output worden gewaarborgd, zodat significante gegevens over de toegevoegde waarde worden verkregen. Aangezien de LR voor het kalenderjaar worden opgesteld, mag men ervan uitgaan dat registratie van onderhanden werk alleen noodzakelijk is voor producten waarvan het productieproces aan het eind van het kalenderjaar nog niet voltooid is (maar ook wanneer het algemene prijspeil zich gedurende de verslagperiode zeer snel ontwikkelt).”;

d)

in punt 2.014 wordt de laatste zin vervangen door:

„Tijdens het productieproces kan de waarde die ieder jaar als output van onderhanden werk moet worden geregistreerd, worden berekend door de verwachte waarde van het gereed product, op basis van de tijdens iedere periode gemaakte kosten, evenredig te verdelen (2008 SNA, punt 6.112).”;

e)

in punt 2.017 wordt de tweede zin vervangen door:

„Wanneer het mogelijk is de jonge dieren te verdelen naar het gebruik dat er later van wordt gemaakt, moeten dieren die zijn bestemd om als productiefactor te worden gebruikt, al vanaf hun geboorte als bruto-investeringen in vaste activa worden geregistreerd (het gaat om BIVA in eigen beheer, die worden geregistreerd wanneer ze worden geproduceerd), zodat deze dieren als onderhanden werk worden beschouwd en de groei ervan als output moet worden geregistreerd, zie ESR 2010, punt 3.134).”;

f)

in de titel van deel B wordt „(Zie ESR 1995, punten 3.07-3.58)” vervangen door:

„(Zie ESR 2010, punten 3.07-3.54)”;

g)

punt 2.032 wordt vervangen door:

„2.032.

Output omvat alle producten die tijdens de verslagperiode zijn voortgebracht (ESR 2010, punt 3.14). Het is belangrijk te onderscheiden tussen de term „output” en de term „productie”: productie duidt op het proces, terwijl output verwijst naar de resulterende goederen en diensten.”;

h)

in punt 2.033 wordt de laatste zin vervangen door:

„Ze worden dan ook niet geregistreerd als deel van de output of als het intermediair verbruik van die lokale EEA.”;

i)

in punt 2.036 wordt de eerste zin vervangen door:

„Deze LR-regel wordt weliswaar niet door het ESR 2010 voorgeschreven, maar, wegens het specifieke karakter van de landbouw, wel door het SNA en door het handboek van de FAO (1).”;

j)

punt 2.041 wordt vervangen door:

„2.041.

Het ESR 2010 kent drie soorten verliezen bij de producent: periodieke voorraadverliezen (ESR 2010, punt 3.147), uitzonderlijke voorraadverliezen (ESR 2010, punt 6.13, onder e)) en verlies door rampen (ESR 2010, punten 6.08 en 6.09).”;

k)

punt 2.059 wordt vervangen door:

„2.059.

In deze rubriek worden alle hoeveelheden geregistreerd die worden geproduceerd voor verdere verwerking door de landbouwproducent (bv. melk verwerkt tot boter en kaas, appelen verwerkt tot appelmost en cider), maar alleen voor zover dit gebeurt bij verwerkingsactiviteiten die scheidbaar zijn van de hoofdactiviteit landbouw (op basis van boekhoudkundige informatie (zie punt 1.26)). Alleen de onbewerkte producten (bv. rauwe melk, appelen) moeten worden geregistreerd en niet de hiermee vervaardigde producten (bv. boter, appelmost en cider). Arbeid die bij de verwerking van de landbouwproducten wordt verricht, wordt hier dus niet in aanmerking genomen.”;

l)

in punt 2.065 wordt de tweede zin vervangen door:

„Verkopen van als vaste activa ingedeeld vee uit de investeringsveestapel (slacht of uitvoer) worden hier niet geregistreerd als verkopen.”;

m)

punt 2.077 wordt vervangen door:

„2.077.

Bij het begrip „totale output” voor het meten van de landbouwoutput wordt rekening gehouden met de handel in landbouwgoederen en -diensten tussen landbouweenheden en met het verbruik binnen de eenheid van al dan niet verhandelbare veevoeders.”;

n)

er wordt een nieuw punt 2.080.1 ingevoegd:

„2.080.1

Volgens ESR 2010, punt 3.82 is onderzoek en ontwikkeling (O&O) systematisch creatief werk om het kennisbestand te vergroten, evenals het gebruik van dit kennisbestand om nieuwe producten te ontdekken of te ontwikkelen — met inbegrip van verbeterde versies of kwaliteiten van bestaande producten — of om nieuwe of efficiëntere productieprocessen te ontdekken en te ontwikkelen. O&O van significante omvang in verhouding tot de hoofdactiviteit wordt als nevenactiviteit van een lokale EEA geregistreerd. Waar mogelijk wordt een afzonderlijke EEA voor O&O onderscheiden, die niet wordt toegewezen aan de bedrijfstak landbouw. Voor eenheden die ook O&O-activiteiten uitoefenen, maar niet aan een afzonderlijke lokale EEA kunnen worden toegewezen, moeten — als het mogelijk is de O&O-uitgaven voor landbouwactiviteiten te ramen — deze ramingen als landbouwoutput worden geregistreerd als „andere niet-scheidbare niet tot de landbouw behorende nevenactiviteiten” (productie in eigen beheer) en als BIVA.”;

o)

punt 2.081 wordt vervangen door:

„2.081.

Overeenkomstig de definitie van de output van de bedrijfstak landbouw (zie punt 1.16) bestaat deze output uit de som van de output van landbouwproducten (zie de punten 2.076 en 2.077) en de goederen en diensten die in het kader van niet-scheidbare niet tot de landbouw behorende nevenactiviteiten zijn voortgebracht (zie de punten 2.078 tot en met 2.080.1).”;

p)

punt 2.082 wordt vervangen door:

„2.082.

De output moet worden gewaardeerd tegen basisprijzen. De basisprijs is de prijs die de producent van de koper voor een eenheid van de geproduceerde goederen of diensten ontvangt, verminderd met de voor het produceren of verkopen van die eenheid verschuldigde belasting (d.w.z. productgebonden belastingen) en vermeerderd met de daarvoor ontvangen subsidie (d.w.z. productgebonden subsidies). Door de producent afzonderlijk in rekening gebrachte vervoerkosten zijn niet inbegrepen. Ook waarderingsverschillen op financiële en niet-financiële activa zijn niet inbegrepen (ESR 2010, punt 3.44).”;

q)

in punt 2.085 wordt de eerste zin vervangen door:

„De door de producent ontvangen prijs is de producentenprijs (exclusief in rekening gebrachte btw) zoals gedefinieerd in het 2008 SNA, punten 6.51 tot en met 6.54 (d.w.z. de prijs af-boerderij).”;

r)

in de titel van deel C wordt „(Zie ESR 1995, punten 3.07 tot en met 3.73)” vervangen door:

„(Zie ESR 2010, punten 3.88 tot en met 3.92)”;

s)

punt 2.089 wordt vervangen door:

„2.089.

Het intermediair verbruik bestaat uit de waarde van de goederen en diensten die als input in het productieproces worden gebruikt, met uitzondering van de vaste activa, waarvan het verbruik als verbruik van vaste activa wordt geregistreerd. De goederen en diensten kunnen tijdens het productieproces worden verwerkt in andere producten of volledig worden verbruikt (ESR 2010, punt 3.88). Uit een gedetailleerde indeling in soorten intermediair verbruik blijkt de verwevenheid van de inputzijde van de landbouw met andere sectoren van de economie. Ook wordt het intermediair verbruik gebruikt voor de berekening van de factorintensiteit (d.w.z. de verhouding tussen twee productiefactoren, bijvoorbeeld het intermediair verbruik en de input van arbeid).”;

t)

punt 2.090 wordt vervangen door:

„2.090.

Door deze definitie van het intermediair verbruik vallen hieronder geen gekochte, nieuwe of bestaande, vaste activa die in de nationale economie zijn geproduceerd of zijn ingevoerd: deze worden geregistreerd als bruto-investeringen in vaste activa (zie punt 2.109, onder c) tot en met f)). Dit betreft behalve niet tot de landbouw behorende vaste activa, zoals bouwwerken, machines en werktuigen, ook vaste activa die wel tot de landbouw behoren, zoals aanplantingen en productievee. De aankoop van niet-geproduceerde activa, zoals grond, maakt evenmin deel uit van het intermediair verbruik. Goedkoop gereedschap voor algemeen gebruik (bijvoorbeeld zagen, hamers, schroevendraaiers, moersleutels, steeksleutels en ander handgereedschap) en kleine apparaten (bijvoorbeeld zakrekenmachines) worden als intermediair verbruik geregistreerd.”;

u)

punt 2.094 wordt vervangen door:

„2.094.

De handel tussen landbouweenheden in dieren wordt, als het gaat om dieren die als voorraden onderhanden werk worden aangemerkt (zoals biggen en broedeieren), evenmin als de invoer ervan, als intermediair verbruik geregistreerd (en ook niet als output) (zie de punten 2.066 tot en met 2.070).”;

v)

punt 2.107.1 wordt vervangen door:

„2.107.1.

In overeenstemming met de afspraak in het ESR 2010 wordt de waarde van de door de landbouw gebruikte indirect gemeten diensten van financiële intermediairs (IGDFI) geregistreerd als intermediair verbruik van de landbouw (ESR 2010, hoofdstuk 14).”;

w)

punt 2.108 wordt als volgt gewijzigd:

i)

punt a) wordt vervangen door:

„a)

de huur die hetzij rechtstreeks hetzij als element van een pachtovereenkomst wordt betaald voor het gebruik van bedrijfsgebouwen en andere (materiële en immateriële) vaste activa, zoals de huur van machines en werktuigen zonder bedienend personeel (zie punt 1.23) en van software. Indien het niet mogelijk is de huur van bedrijfsgebouwen door een lokale landbouw-EEA te scheiden van de pacht voor de grond, moet het geheel als pacht voor de grond worden geboekt in de rekening voor inkomen uit bedrijfsuitoefening (zie punt 3.082);”;

ii)

punt d) wordt vervangen door:

„d)

aankopen van diensten van marktonderzoek en reclame, uitgaven voor de opleiding van het personeel en dergelijke diensten;”;

iii)

punt o) wordt vervangen door:

„o)

betalingen aan de overheid voor vergunningen om handels- of beroepsactiviteiten uit te oefenen indien de vergunning wordt gebruikt om via een nauwkeurige controle regelend op te treden (tenzij het bedrag buitensporig hoog is in vergelijking met de kosten van de verleende diensten) (zie punt 3.048, onder e), en ESR 2010, punt 4.80, onder d));”;

iv)

punt p) wordt vervangen door:

„p)

aankoop van goedkoop klein gereedschap, werkkleding, reserveonderdelen en duurzaam materiaal om relatief eenvoudige werkzaamheden uit te voeren (ESR 2010, punt 3.89, onder f), punt 1), en 2008 SNA, punt 6.225);”;

v)

punt q) wordt vervangen door:

„q)

vergoedingen voor kortlopende contracten, leases en vergunningen die als niet-geproduceerde activa worden geregistreerd; dit omvat niet de rechtstreekse aankoop van dergelijke niet-geproduceerde activa.”;

x)

punt 2.109 wordt als volgt gewijzigd:

i)

in punt b) wordt de laatste zin vervangen door:

„Toch gaat men ervan uit dat werkgevers behoefte aan dergelijke diensten hebben om werknemers aan te trekken en te behouden (diensten die zij in ieder geval zelf zouden moeten betalen) en niet voor de productie zelf (zie 2008 SNA, punt 7.51);”;

ii)

in punt f) wordt de eerste zin vervangen door:

„betalingen voor diensten in verband met de aankoop van grond, gebouwen en andere bestaande vaste activa, zoals honoraria voor makelaars, notarissen, landmeters enz. en voor inschrijving in het kadaster (ESR 2010, punt 3.133).”;

y)

in punt 2.111 wordt de laatste zin vervangen door:

„inclusief eventuele vervoerkosten die door de koper apart worden betaald voor levering op een bepaalde plaats en tijd, na aftrek van eventuele kortingen op de normale prijzen of kosten bij aankopen in het groot of buiten een piekperiode, exclusief rente of vergoedingen voor verleende diensten in verband met een kredietregeling en exclusief eventuele extra kosten in verband met wanbetaling (ESR 2010, punt 3.06).”;

aa)

in de titel van deel D wordt „(Zie ESR 1995, punten 3.100-3.116)” vervangen door:

„(Zie ESR 2010, punten 3.122-3.157)”;

bb)

punt 2.115 wordt vervangen door:

„2.115.

De bruto-investeringen omvatten:

bruto-investeringen in vaste activa (P.51 g);

veranderingen in voorraden (P.52);

saldo aan- en verkopen van kostbaarheden (P.53).”;

cc)

punt 2.117 wordt vervangen door:

„2.117.

Bruto-investeringen worden gemeten zonder aftrek voor verbruik van vaste activa (P.51c).

Netto-investeringen (P.51n) worden berekend door het verbruik van vaste activa van de bruto-investeringen af te trekken. Het verbruik van vaste activa betreft de waardevermindering van de vaste activa als gevolg van normale slijtage door hun gebruik in het productieproces (zie punt 3.099).”;

dd)

in deel D wordt de ondertitel „1. Investeringen in vaste activa (bruto)” vervangen door:

„1.    Bruto-investeringen in vaste activa (BIVA)”;

ee)

punt 2.118 wordt vervangen door:

„2.118.

De bruto-investeringen in vaste activa (BIVA) bestaan uit het saldo van de gedurende een bepaalde periode door ingezeten producenten verrichte aan- en verkopen van vaste activa. Tevens omvatten zij bepaalde toevoegingen aan de waarde van niet-geproduceerde activa die zijn gerealiseerd door de productieve activiteit van producerende of institutionele eenheden (ESR 2010, punten 3.125 tot en met 3.129). Vaste activa zijn geproduceerde activa die langer dan een jaar in de productie worden gebruikt (ESR 2010, punt 3.124 en bijlage 7.1).”;

ff)

punt 2.122 wordt vervangen door:

„2.122.

Uitgangspunt bij de vaststelling van de bruto-investeringen in vaste activa van sectoren of bedrijfstakken is het eigendomscriterium (aan- of verkoop) en niet dat van het gebruik van de goederen. Bij financiële lease (anders dan bij gewone huur) worden vaste activa gelijkgesteld met de activa van de lessee (indien de lessee producent is) en niet met die van de lessor. Deze heeft een vordering die overeenkomt met een fictief krediet (zie punt 2.109, onder d), en hoofdstuk 15 van het ESR 2010 over het onderscheid tussen de verschillende vormen van huur van duurzame goederen) (1).”;

gg)

in punt 2.123 wordt de eerste zin vervangen door:

„De toepassing van het eigendomscriterium is afhankelijk van het statistische systeem op grond waarvan de BIVA worden berekend.”;

hh)

punt 2.124 wordt vervangen door:

„2.124.

De aankopen van vaste activa bestrijken behalve nieuwe of gebruikte vaste activa die zijn aangeschaft (gekocht, geruild, ontvangen als kapitaaloverdracht in natura, dan wel verworven door financiële lease) ook voor eigen gebruik geproduceerde vaste activa, belangrijke verbeteringen aan vaste activa en aan niet-geproduceerde materiële activa, de natuurlijke aanwas van in cultuur gebrachte activa als vee en aanplantingen en de kosten van eigendomsoverdracht voor niet-geproduceerde activa (ESR 2010, punt 3.125, onder a)).”;

ii)

punt 2.125 wordt geschrapt;

jj)

in punt 2.126 wordt de eerste zin vervangen door:

„De aankoop of de productie in eigen beheer van duurzame goederen die voor een eerste uitrusting nodig zijn, is een investering in vaste activa.”;

kk)

punt 2.129 wordt vervangen door:

„2.129.

Volgens het 2008 SNA moet aan de hand van hetzij de omvang van de wijzigingen aan de kenmerken van de vaste activa — d.w.z. omvangrijke veranderingen van de omvang, vorm, effectiviteit, capaciteit of verwachte levensduur — hetzij het feit dat het al dan niet om het soort werkzaamheden gaat die bij dit type vaste activa regelmatig als lopend onderhoud of reparatie wordt uitgevoerd, worden bepaald of er sprake is van verbeteringen (zie 2008 SNA, punten 10.43 en 10.46).”;

ll)

punt 2.130 wordt vervangen door:

„2.130.

Dit betreft niet alleen de eigenlijke verkoop van gebruikte vaste activa, maar ook activa die door hun eigenaar worden afgebroken, afgedankt of vernietigd, dan wel activa die bij een ruil worden afgestaan of die worden geleverd bij een kapitaaloverdracht in natura (ESR 2010, punt 3.125, onder b), en punt 3.126). Normaliter moeten verkopen leiden tot een eigendomsoverdracht en direct economisch nut hebben (zodat vaste activa die zonder enig ander economisch nut door de eigenaar worden afgebroken, afgedankt of vernietigd, geen deel uitmaken van de verkopen) (zie 2008 SNA, punt 10.38). Sommige van de hierboven gedefinieerde verkopen kunnen binnen dezelfde institutionele eenheid blijven, zoals wanneer door de landbouwer geslachte dieren door zijn gezin worden geconsumeerd.”;

mm)

in punt 2.134 wordt de tweede zin vervangen door:

„Overeenkomstig de definitie in de balansen (ESR 2010, punten 7.12 en 7.13) kan de verandering van de waarde van de activa tussen het begin en het eind van het verslagjaar als volgt worden omschreven:”;

nn)

in punt 2.136 wordt het laatste streepje vervangen door:

„—

wijzigingen in classificatie of structuur van de vaste activa: bijvoorbeeld veranderingen in de economische bestemming van grond, melkvee dat bestemd wordt voor de vleesproductie (zie punt 2.149, voetnoot 2), of bedrijfsgebouwen die omgebouwd worden voor particulier gebruik of voor een andere economische bestemming.”;

oo)

punt 2.138 wordt vervangen door:

„2.138.

Het ESR 2010 onderscheidt verschillende elementen die als BIVA moeten worden geregistreerd (ESR 2010, punt 3.127):

woningen;

andere bouwwerken, waaronder belangrijke grondverbeteringen,

machines en apparatuur, zoals schepen, auto's en computers;

wapensystemen;

in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen (bijvoorbeeld bomen en vee);

kosten van eigendomsoverdracht van niet-geproduceerde activa, zoals grond, contracten, leases en vergunningen;

O&O, inclusief de productie van vrij beschikbaar O & O;

exploratie en evaluatie van minerale reserves;

computerprogrammatuur en databanken;

originelen op het gebied van woord, beeld en geluid;

overige intellectuele-eigendomsrechten.”;

pp)

punt 2.139 wordt vervangen door:

„2.139.

Voor de LR onderscheidt men bij de bruto-investeringen in vaste activa de volgende soorten elementen:

aanplantingen die herhaaldelijk producten opleveren;

investeringsvee;

vaste activa, met uitzondering van in cultuur gebrachte activa:

machines en werktuigen,

vervoermiddelen,

bedrijfsgebouwen,

overige werken, met uitzondering van grondverbetering (overige bouwwerken enz.),

overige (computerprogrammatuur enz.);

belangrijke grondverbeteringen;

kosten in verband met de eigendomsoverdracht van niet-geproduceerde activa, zoals grond en productierechten;

O&O, waaronder onderzoek en ontwikkeling door gespecialiseerde eenheden en onderzoek en ontwikkeling voor eigen productie.”;

qq)

punt j) wordt vervangen door:

„j)

Aanplantingen die herhaaldelijk producten opleveren”;

rr)

punt 2.141 wordt vervangen door:

„2.141.

In het ESR 2010 (punt 3.125) worden de bruto-investeringen in vaste activa voor aanplantingen gedefinieerd als het saldo van aan- en verkopen van tot volle wasdom gekomen bomen die herhaaldelijk producten opleveren (zoals fruitbomen) plus de natuurlijke groei van de aanplant (onvolgroeide bomen) gedurende het verslagjaar, tot het moment dat deze tot wasdom komen (d.w.z. een product voortbrengen).”;

ss)

punt 2.144 wordt vervangen door:

„2.144.

Verkopen van aanplantingen (geregistreerd als negatieve BIVA) kunnen in twee vormen voorkomen. Enerzijds kan het gaan om aanplantingen die op stam aan een andere (landbouw)eenheid worden verkocht. In dat geval worden alleen de kosten in verband met de eigendomsoverdracht in de LR opgenomen. Ook kan de aanplant worden gekapt. In dat geval moeten de gekapte aanplantingen volgens de algemene definitie van verkopen een directe economische bestemming hebben, d.w.z. een tegenboeking in de vorm van een besteding van goederen en diensten (zoals de verkoop aan een bedrijf dat is gespecialiseerd in de houtverkoop (1)). In dit tweede geval zullen de als negatieve bruto-investeringen in vaste activa te registreren verkopen van de aanplant waarschijnlijk een bescheiden bedrag betreffen.”;

tt)

punt 2.148 wordt vervangen door:

„2.148.

Werkzaamheden in in cultuur gebrachte plantaardige activa (aanplantingen) worden geregistreerd in de vorm van een verkoop door gespecialiseerde loonbedrijven in de landbouw (met grondbewerking, levering van machines, planten, arbeid enz.), dan wel een output van in eigen beheer geproduceerde vaste activa (zie punt 1.75).”;

uu)

punt 2.151 wordt vervangen door:

„2.151.

De berekening van de BIVA voor vee vormt slechts één element van de waardeverandering van de activa. Zo kunnen de BIVA voor vee alleen worden berekend als de verandering in het aantal dieren per categorie tegen de gemiddelde prijs voor het kalenderjaar (kwantitatief) indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

afwezigheid van nominale waarderingsverschillen (d.w.z. een regelmatige ontwikkeling van de prijzen en de veestapel);

afwezigheid van overige volumemutaties (d.w.z. geen verliezen als gevolg van natuurrampen, wijzigingen in de classificatie enz.).

Een andere wijze van berekening (direct) betreft de meting van de stromen toevoegingen en onttrekkingen aan de veestapel per categorie tegen de desbetreffende prijzen: bij deze methode moet behalve met de aan- en verkopen ook rekening worden gehouden met toevoegingen (vooral geboorten) en onttrekkingen op de bedrijven.”;

vv)

in punt 2.152 wordt de volgende zin aan het eind van het punt toegevoegd:

„Dit is een afwijking van het ESR 2010.”;

ww)

punt 2.153 wordt vervangen door:

„2.153.

In het SNA moet theoretisch het verbruik van vaste activa worden berekend voor vee (*4). Voor vee komt dit overeen met de raming van de verwachte vermindering van de productiviteit van de dieren wanneer deze voor productiedoeleinden zijn gebruikt. Deze vermindering komt tot uiting in de geactualiseerde waarde van de toekomstige inkomsten uit deze dieren. Gezien de praktische moeilijkheden bij de waardering van het verbruik van vaste activa (de definitie van de parameters voor de berekening is uiterst complex, zie de punten 3.105 en 3.106) moet evenwel voor investeringsvee geen verbruik van vaste activa worden berekend.

(*4)  Anders dan het ESR 2010 (punt 3.140) stelt het 2008 SNA (punt 10.94) dat voor vee het verbruik van vaste activa moet worden berekend.”;"

xx)

punt l) wordt vervangen door:

„l)

Vaste activa, met uitzondering van in cultuur gebrachte activa”;

yy)

punt 2.162 wordt vervangen door:

„2.162.

De vaste activa, met uitzondering van in cultuur gebrachte activa (aanplantingen en vee), omvatten de volgende elementen:

machines en werktuigen;

vervoermiddelen;

bedrijfsgebouwen;

overige (andere bouwwerken, computersoftware enz.).”;

zz)

punt m) wordt vervangen door:

„m)

Belangrijke grondverbeteringen”;

aaa)

punt 2.166 wordt vervangen door:

„2.166.

Omvangrijke verbeteringen aan materiële niet-geproduceerde activa hebben doorgaans betrekking op grondverbeteringen (kwaliteit, grotere opbrengst door irrigatie, drainage, voorkoming van overstromingen enz.) en moeten als alle andere BIVA worden behandeld (ESR 2010, punt 3.128).”;

bbb)

in punt 2.167 wordt de laatste zin vervangen door:

„Het gaat vooral om uitgaven voor infrastructurele werkzaamheden voor ontginning, egalisering, drooglegging, irrigatie en verkaveling (ESR 2010, punt 3.128 en 2008 SNA, punten 10.79 tot en met 10.81).”;

ccc)

het volgende punt 2.168.1 wordt ingevoegd:

„o)   Onderzoek en ontwikkeling

2.168.1.

Onderzoek en ontwikkeling omvat de waarde van de uitgaven voor creatief werk dat systematisch wordt ondernomen om de hoeveelheid kennis te vergroten, en het gebruik van deze kennis om nieuwe toepassingen te ontwikkelen. Tenzij de waarde redelijk goed kan worden geraamd, wordt de waarde volgens afspraak vastgesteld als de som van de kosten, met inbegrip van de kosten van niet-geslaagd onderzoeks- en ontwikkelingswerk (ESR 2010 bijlage 7.1).”;

ddd)

punt 2.169 wordt als volgt gewijzigd:

i)

punt a) wordt vervangen door:

„a)

klein gereedschap, arbeidskleding, reserveonderdelen en materiaal, ook al hebben deze goederen een normale levensduur van meer dan een jaar; omdat deze goederen herhaaldelijk moeten worden vernieuwd, worden ze volgens de gangbare praktijk in de bedrijfsboekhouding als intermediair verbruik beschouwd (zie de punten 2.105 en 2.106);”;

ii)

punt c) wordt vervangen door:

„c)

reclame, marktonderzoek enz. Aankopen van deze diensten worden als intermediair verbruik beschouwd (zie punt 2.108, onder d));”;

eee)

in punt 2.176 wordt de laatste zin vervangen door:

„De waarde van de toevoegingen van onderhanden werk kan ook worden geschat aan de hand van de waarde van de productiekosten vermeerderd met een toeslag voor het verwachte exploitatieoverschot of het (geraamde) gemengd inkomen (ESR 2010, punten 3.47 en 3.48).”;

fff)

in punt 2.178 wordt de laatste zin vervangen door:

„Dit specifieke „landbouwprobleem” wordt in het ESR 2010 ook genoemd (zie punt 3.153, onder c)).”;

ggg)

punt 2.186 wordt vervangen door:

„2.186.

De voorraden seizoenproducten kunnen ook worden gewaardeerd door de ontwikkeling van de prijzen voor opgeslagen goederen te analyseren. Om ten minste drie redenen kan de prijs van een goed gedurende de opslag ervan veranderen (2008 SNA, punt 6.143):

het productieproces is lang genoeg om disconteringsfactoren toe te passen op werk dat significant lang voor levering is uitgevoerd;

de fysieke kwaliteiten van een goed kunnen in de loop van de tijd beter of slechter worden;

er kan sprake zijn van seizoenfactoren die vraag of aanbod beïnvloeden, waardoor de prijs ervan in de loop van het jaar regelmatig en voorspelbaar varieert zonder dat de fysieke kwaliteiten ervan hoeven te veranderen.”;

hhh)

punt 2.187 wordt vervangen door:

„2.187.

Het verschil tussen de prijs van het goed bij de opslag en dat waarbij het goed weer aan de voorraden wordt onttrokken, moet de waarde weergeven van een tijdens de opslag ontstane extra output (2008 SNA, punt 6.143). De producten die verscheidene maanden na de oogst aan de voorraden worden onttrokken, zijn namelijk vanuit economisch standpunt niet gelijk aan de producten die werden opgeslagen. Deze toegenomen waarde van de producten mag niet als nominaal waarderingsverschil worden aangemerkt.”.

6)

Hoofdstuk III wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 3.009 wordt vervangen door:

„3.009.

De brutolonen en werkelijke sociale premies (ten laste van werkgevers) worden geregistreerd in het tijdvak waarin de arbeid is verricht. Incidentele premies of andere bijzondere uitkeringen worden echter geregistreerd op het moment dat ze verschuldigd zijn (ESR 2010, punt 4.12).”;

b)

punt 3.010 wordt vervangen door:

„3.010.

Belastingen op productie worden geregistreerd op het moment dat zich activiteiten, transacties of andere gebeurtenissen voordoen die verplichten tot het betalen van belasting (ESR 2010, punt 4.26). Evenzo worden subsidies geregistreerd op het moment dat de transactie of de gebeurtenis (productieproces, verkoop, invoer enz.) die aanleiding geeft tot subsidie, plaatsvindt (ESR 2010, punt 4.39).”;

c)

punt 3.011 wordt vervangen door:

„3.011.

Rente wordt geregistreerd gedurende de verslagperiode waarin deze verschuldigd is, ongeacht of de rente ook werkelijk is uitbetaald (ESR 2010, punt 4.50 e.v.), en naar rato van de periode waarin de hoofdsom heeft uitgestaan. Ook inkomen uit grond wordt geregistreerd in de periode waarin deze verschuldigd is (ESR 2010, punt 4.75).”;

d)

punt 3.012 wordt vervangen door:

„3.012.

Kapitaaloverdrachten (investeringsbijdragen of andere kapitaaloverdrachten) worden geregistreerd op het moment dat de betaling verschuldigd is (of op het moment dat de eigendom van de activa wordt overgedragen of dat de schuld wordt kwijtgescholden, indien het gaat om overdrachten in natura) (ESR 2010, punten 4.162 en 4.163).”;

e)

in de titel van deel C wordt „(Zie ESR 1995, punten 4.02-4.13)” vervangen door:

„(Zie ESR 2010, punten 4.02-4.13)”;

f)

in punt 3.015 wordt de eerste zin vervangen door:

„De beloning van werknemers omvat de totale vergoeding, in geld of in natura, die door een werkgever aan een werknemer verschuldigd is voor de arbeid die tijdens de verslagperiode is verricht (ESR 2010, punt 4.02).”;

g)

in punt 3.018 wordt punt c) vervangen door:

„c)

door werkgevers gekochte goederen en diensten, mits deze beantwoorden aan de definitie van loon in natura (het gaat dus niet om intermediair verbruik). Vooral het vervoer van werknemers van en naar het werk maakt deel uit van het loon in natura, behalve wanneer dit tijdens werktijd plaatsvindt. Deze categorie omvat ook gekochte woondiensten, kinderopvangverblijven enz. (ESR 2010, punt 4.05).”;

h)

in punt 3.020 wordt de laatste zin vervangen door:

„Al deze uitgaven vallen onder het intermediair verbruik van de werkgever (ESR 2010, punt 4.07).”;

i)

punt 3.023 wordt vervangen door:

„3.023.

De toegerekende sociale premies ten laste van de werkgevers vertegenwoordigen de tegenwaarde van de andere socialezekerheidsuitkeringen die rechtstreeks door de werkgevers aan hun werknemers of voormalige werknemers en andere in aanmerking komende personen worden verstrekt zonder tussenkomst van enige verzekeringsmaatschappij of zelfstandig pensioenfonds (*5) (ESR 2010, punt 4.10). Deze premies worden geregistreerd in het tijdvak dat de arbeid is verricht (als tegenwaarde voor verplichte sociale uitkeringen) of wanneer de uitkeringen zijn verstrekt (als tegenwaarde voor vrijwillige sociale uitkeringen). De toegerekende sociale premies ten laste van de werkgevers zijn onderverdeeld in twee categorieën: a) toegerekende pensioenpremies ten laste van de werkgevers en b) toegerekende niet-pensioenpremies ten laste van de werkgevers (ESR 2010, punten 4.10 en 4.97).

(*5)  Ze komen overeen met de lonen die de werkgevers tijdelijk doorbetalen bij ziekte, zwangerschap, arbeidsongeval, invaliditeit, ontslag enz. van hun werknemers, indien dat bedrag afzonderlijk kan worden vastgesteld.”;"

j)

in de titel van deel D wordt „(Zie ESR 1995, punten 4.14-4.29)” vervangen door:

„(Zie ESR 2010, punten 4.14-4.29)”;

k)

in punt 3.025 wordt de laatste zin vervangen door:

„Deze belastingen zijn verschuldigd ongeacht of er winst wordt gemaakt (ESR 2010, punt 4.14).”;

l)

punt 3.026 wordt vervangen door:

„3.026.

De belastingen op productie en invoer kunnen worden ingedeeld in:

productgebonden belastingen (D.21):

belasting over de toegevoegde waarde (btw) (D.211);

belastingen op invoer (exclusief btw) (D.212), en

overige productgebonden belastingen (D.214);

niet-productgebonden belastingen op productie (D.29).”;

m)

in punt 3.027 wordt de laatste zin vervangen door:

„De belasting kan een bepaald bedrag per kwantitatieve eenheid van een goed of een dienst zijn, of worden berekend als een bepaald percentage van de prijs per eenheid of van de waarde van de geproduceerde of verhandelde goederen en diensten (ESR 2010, punt 4.16).”;

n)

in punt 3.028 wordt de eerste zin vervangen door:

„De belasting over de toegevoegde waarde (btw) is een belasting op goederen en diensten, die op de verschillende momenten van levering door ondernemingen wordt geïnd en uiteindelijk volledig ten laste komt van de eindgebruikers (ESR 2010, punt 4.17).”;

o)

punt 3.029 wordt vervangen door:

„3.029.

De belastingen op invoer (exclusief btw) omvatten de verplichte betalingen die door de overheid of door de instellingen van de Europese Unie worden geheven op ingevoerde goederen, exclusief de btw, teneinde deze goederen vrij te maken voor het verkeer in het economisch gebied, alsmede op diensten aan ingezeten eenheden die worden geleverd door niet-ingezeten eenheden (ESR 2010, punt 4.18).”;

p)

in punt 3.030 wordt de eerste zin vervangen door:

„Hiertoe behoren invoerrechten en andere belastingen op invoer zoals heffingen op ingevoerde landbouwproducten, monetaire compenserende bedragen geheven op ingevoerde producten, accijnzen enz.”;

q)

punt 3.031 wordt vervangen door:

„3.031.

De overige productgebonden belastingen zijn de belastingen op door ingezeten ondernemingen geproduceerde goederen en diensten, die verschuldigd zijn als gevolg van de productie, uitvoer, verkoop, overdracht, lease of levering van die goederen en diensten, of als gevolg van het gebruik ervan voor eigen consumptie of investeringen in eigen beheer (ESR 2010, punten 4.19 en 4.20).”;

r)

in punt 3.035 wordt de eerste zin vervangen door:

„De in het ESR 2010 (punt 4.17) gegeven beschrijving is die van het normale btw-stelsel, waarbij iedere onderneming van het bedrag dat zij uit hoofde van de btw over haar verkopen verschuldigd is, het bedrag aan belastingen mag aftrekken dat zij op haar aankopen van intermediaire producten of kapitaalgoederen heeft betaald.”;

s)

in punt 3.038 wordt de eerste zin vervangen door:

„Het ESR 2010 (punt 4.17) schrijft nettoregistratie van de btw voor.”;

t)

punt 3.044 wordt vervangen door:

„3.044.

De niet-productgebonden belastingen op productie omvatten alle belastingen die ondernemingen moeten betalen voor hun productieactiviteit, ongeacht de hoeveelheid of de waarde van de geproduceerde of verkochte goederen en diensten (ESR 2010, punt 4.22). Het betreft belastingen op grond, vaste activa of werknemers die bij het productieproces zijn betrokken, dan wel belastingen op bepaalde activiteiten of transacties.”;

u)

in punt 3.050 wordt punt b) vervangen door:

„b)

boeterente voor te late betaling of door de belasting opgelegde boeten, alsmede de kosten van inning. Deze bedragen mogen niet worden geregistreerd bij de belastingen waarop ze betrekking hebben, tenzij ze hiervan niet kunnen worden onderscheiden (ESR 2010, punt 4.133);”;

v)

in de titel van deel E wordt „(Zie ESR 1995, punten 4.30-4.40)” vervangen door:

„(Zie ESR 2010, punten 4.30-4.40)”;

w)

in punt 3.051 wordt de laatste zin vervangen door:

„Volgens afspraak worden geen productgebonden subsidies toegerekend aan niet-marktoutput (P.13) (ESR 2010, punt 4.30).”;

x)

punt 3.052 wordt vervangen door:

„3.052.

Subsidies zijn ingedeeld in:

productgebonden subsidies (D.31):

subsidies op invoer (D.311);

overige productgebonden subsidies (D.319), en

niet-productgebonden subsidies (D.39).”;

y)

in punt 3.053 wordt de laatste zin vervangen door:

„Volgens afspraak kunnen productgebonden subsidies alleen betrekking hebben op marktoutput (P.11) of op output voor eigen finaal gebruik (P.12) (ESR 2010, punt 4.33).”;

z)

in punt 3.054 wordt de laatste zin vervangen door:

„Hiertoe behoren ook verliezen van handelsorganisaties in handen van de overheid die, in het kader van een gericht overheidsbeleid, tot taak hebben producten van niet-ingezetenen te kopen om deze vervolgens tegen lagere prijzen te verkopen aan ingezetenen (ESR 2010, punt 4.34).”;

aa)

punt 3.058 wordt vervangen door:

„3.058.

Niet-productgebonden subsidies zijn subsidies, met uitzondering van productgebonden subsidies, die ingezeten productie-eenheden kunnen ontvangen in het kader van hun productieactiviteiten. Overige niet-marktproducenten kunnen voor hun overige niet-marktoutput alleen niet-productgebonden subsidies ontvangen indien deze betalingen door de overheid gebaseerd zijn op algemene regelingen die zowel voor markt- als voor niet-marktproducenten gelden (ESR 2010, punt 4.36). Het ESR 2010 noemt vier niet-productgebonden subsidies (ESR 2010, punt 4.37): subsidies op de loonsom of het aantal werknemers, milieusubsidies, rentesubsidies en overcompensatie van de btw. Deze betalingen betreffen hoofdzakelijk de overname van productiekosten of steun bij een verandering van productiemethode.”;

bb)

in punt 3.064 wordt de eerste zin achter het tweede streepje vervangen door:

„—

rentesubsidies (ESR 2010, punt 4.37, onder c)) aan ingezeten productie-eenheden, ook al hebben zij de stimulering van investeringen ten doel (*6).

(*6)  Wanneer echter een subsidie tegelijkertijd dient voor een schuldaflossing en voor de betaling van rente op het geleende kapitaal en het niet mogelijk is deze twee bestanddelen te scheiden, wordt het gehele bedrag geregistreerd als investeringsbijdrage.”;"

cc)

punt 3.067 wordt als volgt gewijzigd:

i)

achter het tweede streepje worden de eerste twee zinnen vervangen door:

„—

inkomensoverdrachten van marktregulerende instellingen aan landbouwproductie-eenheden. Deze moeten als element van de output van het product waarvoor de overdracht plaatsvindt, worden geregistreerd indien de marktregulerende instelling alleen goederen aankoopt, verkoopt of opslaat.”;

ii)

achter het vijfde streepje worden de tweede en de derde zin vervangen door:

„Ongeacht of de transactie plaatsvindt in geld of in natura, steeds moet een overeenkomstige verandering in de financiële of niet-financiële activa op de balans van een van de bij de transactie betrokken partijen het gevolg zijn (ESR 2010, punt 4.145). Kapitaaloverdrachten omvatten vermogensheffingen, investeringsbijdragen en overige kapitaaloverdrachten (ESR 2010, punt 4.147).”;

dd)

punt d) wordt vervangen door:

„d)

Marktregulerende instellingen”;

ee)

punt 3.068 wordt vervangen door:

„3.068.

In een uitsplitsing van de economie worden marktregulerende instellingen als volgt ingedeeld:

a)

wanneer de activiteiten uitsluitend de aankoop, verkoop of opslag van goederen betreffen:

i)

per bedrijfstak, ingedeeld bij de handel; volgens afspraak wordt deze activiteit geacht niet-financiele marktdiensten voort te brengen;

ii)

per sector, ingedeeld bij de niet-financiële vennootschappen en quasivennootschappen indien ze als institutionele eenheden in de zin van het ESR 2010 kunnen worden beschouwd; indien dit niet het geval is, worden ze ingedeeld bij de sector waartoe de eenheid behoort waaronder zij vallen;

b)

wanneer de activiteiten uitsluitend de uitbetaling van subsidies betreffen:

i)

per bedrijfstak, ingedeeld bij de bedrijfstakken voor de niet-marktoutput van de overheid, aangezien alleen de overheid (afgezien van de instellingen van de Europese Unie) volgens de regels van het ESR 2010 subsidies kan verstrekken;

ii)

per sector, ingedeeld bij de overheid (zie hierboven);

c)

wanneer de activiteiten zowel in de aankoop, verkoop en opslag van goederen als in de uitbetaling van subsidies bestaat:

i)

per bedrijfstak, ingedeeld bij de handel wanneer het gaat om hun productie-eenheden (van het type lokale EEA) die goederen kopen, verkopen of opslaan, en bij de bedrijfstakken voor de niet-marktoutput van de overheid wanneer het gaat om de andere productie-eenheden;

ii)

per sector, ingedeeld bij de overheid aangezien alleen deze subsidies kan verstrekken. Indeling in een andere sector zou betekenen dat de door de marktregulerende instelling verstrekte subsidies niet meer als subsidies in de zin van het ESR 2010 zouden worden beschouwd.”;

ff)

in punt 3.069 wordt de tweede zin vervangen door:

„Als marktregulerende instellingen bij de sector overheid worden ingedeeld, komen de door deze instellingen met het oog op de marktregulering (verkoop, opslag en wederverkoop) verleende subsidies bij de bestedingen en bij de middelen van de sector overheid voor.”;

gg)

in de titel van deel F wordt „(Zie ESR 1995, punten 4.41-4.76)” vervangen door:

„(Zie ESR 2010, punten 4.41-4.76)”;

hh)

punt 3.070 wordt vervangen door:

„3.070.

Inkomen uit vermogen is het inkomen dat de eigenaar van een vordering of van materiële niet-geproduceerde activa ontvangt in ruil voor het verstrekken van financiële middelen of het ter beschikking stellen van materiële niet-geproduceerde activa aan een andere institutionele eenheid (ESR 2010, punt 4.41).”;

ii)

punt 3.071 wordt vervangen door:

„3.071.

Inkomen uit vermogen wordt in het ESR 2010 op onderstaande wijze ingedeeld:

rente (D.41);

winstuitkeringen (dividenden en inkomen onttrokken aan quasivennootschappen) (D.42);

ingehouden winsten op buitenlandse directe investeringen (D.43);

overig inkomen uit investeringen (D.44): inkomen uit investeringen toe te rekenen aan polishouders (D.441), inkomen uit investeringen te betalen i.v.m. pensioenrechten (D.442); inkomen uit investeringen toe te rekenen aan aandeelhouders van collectieve beleggingsfondsen (D.443);

inkomen uit grond en minerale reserves (D.45).”;

jj)

punt 3.073 wordt vervangen door:

„3.073.

Voor de LR zijn slechts drie soorten inkomen uit vermogen interessant:

rente (D.41), inkomen uit grond en minerale reserves (D.45) en inkomen uit investeringen toe te rekenen aan polishouders (D.441).”;

kk)

de ondertitel „2. Rente” wordt vervangen door:

„2.   Rente

(Zie ESR 2010, punten 4.42-4.52)”;

ll)

punt 3.077 wordt vervangen door:

„3.077.

Ook de rente die tot landbouwvennootschappen behorende eenheden uit hoofde van hun landbouwactiviteiten ontvangen, moet hier worden geregistreerd. Voor eenmansbedrijven moet de ontvangen rente bij de berekening van het inkomen uit bedrijfsuitoefening van de bedrijfstak landbouw buiten beschouwing blijven omdat men ervan uitgaat dat de meeste rentedragende activa geen verband houden met de landbouwactiviteit van de eenheden en het zeer moeilijk is de activa van het huishouden te scheiden van die voor de productie (*7).

(*7)  De ontvangen rente komt overeen met de post „Handelskredieten en transitorische posten” (F.8) van de financiële rekening.”;"

mm)

in punt 3.079 wordt de laatste zin vervangen door:

„De kosten worden beschouwd als beloning voor de diensten van de financiële intermediairs aan hun cliënten en niet als rentebetaling (zie de punten 2.107.1 en 2.108, onder i); zie ESR 2010, punt 4.51).”;

nn)

de ondertitel „3. Inkomen uit grond en minerale reserves” wordt vervangen door:

„3.   Inkomen uit grond en minerale hulpbronnen

(Zie ESR 2010, punten 4.72-4.76)”;

oo)

in punt 3.080 wordt de eerste zin vervangen door:

„Dit inkomen komt overeen met de betalingen die de eigenaar van niet-geproduceerde materiële activa (grond en minerale hulpbronnen) ontvangt voor het ter beschikking stellen van de activa aan een andere eenheid.”;

pp)

in punt 3.082 wordt de laatste zin vervangen door:

„Deze regel is een aangepaste versie van de aanbeveling van het ESR (ESR 2010, punt 4.73) (2).”;

qq)

de ondertitel „4. Inkomen uit vermogen toegerekend” wordt vervangen door:

„4.    Inkomen uit investeringen toe te rekenen aan polishouders (niet bestreken door de LR)”;

rr)

in punt 3.086 wordt de eerste zin vervangen door:

„Inkomen uit investeringen die aan polishouders toe te rekenen zijn, is gelijk aan de som van de primaire inkomens ontvangen uit de belegging van de verzekeringstechnische voorzieningen (ESR 2010, punt 4.68).”;

ss)

in punt 3.087 wordt de eerste zin vervangen door:

„Inkomen uit investeringen die aan polishouders toe te rekenen zijn, blijft in de LR buiten beschouwing.”;

tt)

in de titel van deel G wordt „(Zie ESR 1995, punten 4.145-4.167)” vervangen door:

„(Zie ESR 2010, punten 4.145-4.167)”;

uu)

punt 3.089 wordt vervangen door:

„3.089.

Investeringsbijdragen zijn kapitaaloverdrachten in geld of in natura van overheden of het buitenland aan andere ingezeten of niet-ingezeten institutionele eenheden ter volledige of gedeeltelijke financiering van de aankoop van vaste activa (ESR 2010, punt 4.152). Tot de investeringsbijdragen van het buitenland behoren de bijdragen die rechtstreeks door de instellingen van de Europese Unie worden betaald via het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo).”;

vv)

in punt 3.091 wordt de eerste zin vervangen door:

„Afgezien van bepaalde door het ELGF en het Elfpo verstrekte bijdragen omvatten de investeringsbijdragen voor de landbouw onder meer:”;

ww)

punt 3.092 wordt vervangen door:

„3.092.

Investeringsbijdragen in geld moeten worden geregistreerd op het moment dat betaling verschuldigd is. Investeringsbijdragen in natura worden geregistreerd op het moment dat de eigendom van de activa wordt overgedragen (ESR 2010, punt 4.162).”;

xx)

punt 3.093 wordt vervangen door:

„3.093.

De overige kapitaaloverdrachten omvatten — met uitzondering van de investeringsbijdragen en de vermogensheffingen — alle overdrachten die, hoewel zij geen inkomensverdelingstransacties vormen, toch een herverdeling van de besparingen of het vermogen tussen de verschillende sectoren of subsectoren van de economie of ten opzichte van het buitenland tot resultaat hebben. Ze kunnen plaatsvinden in geld of in natura (schuldovername of -kwijtschelding) en komen overeen met vrijwillige vermogensoverdrachten (ESR 2010, punt 4.164).”;

yy)

in punt 3.095 wordt de laatste zin vervangen door:

„Ook behoren hiertoe overdrachten van de overheid ter dekking van gecumuleerde verliezen over verschillende boekjaren of van uitzonderlijke verliezen die aan oorzaken buiten de onderneming zijn toe te schrijven (ESR 2010, punt 4.165).”;

zz)

punt 3.096 wordt vervangen door:

„3.096.

Voor de landbouw omvatten de overige kapitaaloverdrachten voorts:

bijdragen voor het definitief uit productie nemen van boom- of wijngaarden;

bijdragen in verband met de beëindiging of de vermindering van de melkproductie (wanneer ze, al dan niet expliciet, van invloed zijn op de waarde van de quota);

schadeloosstellingen voor uitzonderlijke verliezen en verlies door rampen van vaste activa die voor de productie van landbouwproducten worden gebruikt (bv. dieren en werktuigen) (zie de punten 2.045 en 3.067);

bijdragen aan de oprichting van nieuwe bedrijven door jonge landbouwers, indien ze de financiering van de aankoop van activa ten doel hebben;

bijdragen ter compensatie van verliezen aan vermogenswaarde of ter vermindering van schulden;

omvangrijke betalingen ter vergoeding van niet door verzekeringen gedekte schade of letsels (met uitzondering van de in ESR 2010, punt 4.165, onder a), beschreven betalingen door de overheid of door het buitenland) die voortvloeien uit een gerechtelijke beslissing of een buitengerechtelijke schaderegeling, bijvoorbeeld betalingen ter vergoeding van schade als gevolg van grote explosies, olielekken enz. (ESR 2010, punt 4.165, onder h)).”;

aaa)

in de titel van deel H wordt „(Zie ESR 1995, punten 6.02-6.05)” vervangen door:

„(Zie ESR 2010, punten 3.139-3.145)”;

bbb)

in punt 3.106 wordt de laatste zin vervangen door:

„Bovendien garandeert deze procedure de compatibiliteit van de LR met het ESR 2010 (ESR 2010, punt 3.140) en de micro-economische rekeningen van het informatienet voor de landbouwbedrijfsboekhoudingen, terwijl voorts kan worden vermeden dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen investerings- en voorraadvee.”.

7)

In hoofdstuk IV wordt in punt 4.06 de eerste zin vervangen door:

„Een beschrijving van wat wel of niet tot het totaal aantal gewerkte uren behoort, is te vinden in het ESR 2010 (punten 11.27 en 11.28).”.

8)

Hoofdstuk V wordt als volgt gewijzigd:

a)

in punt 5.03 wordt de tabel vervangen door:

„Productierekening

Inkomensvormingsrekening

Rekening voor inkomen uit bedrijfsuitoefening

P.1

 

Output

B.1n

 

Toegevoegde waarde (netto)

B.2n

B.3n

 

Exploitatieoverschot (netto)/gemengd inkomen (netto)

P.2

Intermediair verbruik

D.1

Beloning van werknemers

D.41

+

Rente ontvangen (*8)

P.51c

Verbruik van vaste activa

D.29

Niet-productgebonden belastingen op productie

D.41

Betaalde rente

 

 

 

D.39

+

Niet-productgebonden subsidies

D.45

Betaald inkomen uit grond en minerale reserves

B.1n

=

Toegevoegde waarde (netto)

B.2n

B.3n

=

Exploitatieoverschot (netto)/gemengd inkomen (netto)

B.4n

=

Inkomen uit bedrijfsuitoefening (netto)

D.29

Niet-productgebonden belastingen op productie

 

 

 

 

 

 

D.39

+

Niet-productgebonden subsidies

 

 

 

 

 

 

 

=

Toegevoegde waarde (netto) tegen factorkosten/factorinkomen

 

 

 

 

 

 

b)

punt 5.16 wordt vervangen door:

„5.16.

Voor de analyse van de langetermijnontwikkeling worden de indexcijfers en wijzigingspercentages van de inkomensindicatoren voor de Europese Unie berekend aan de hand van de EU-aggregaten (in euro) tegen vaste wisselkoersen; bij reële waarden (d.w.z. na aftrek van het effect van de gemiddelde prijsverhoging) zijn de gebruikte deflatoren ook gebaseerd op een vast basisjaar.”.

9)

Hoofdstuk VI wordt als volgt gewijzigd:

a)

in de titel van deel A wordt „(Zie ESR 1995, hoofdstuk 10)” vervangen door:

„(zie ESR 2010, hoofdstuk 10)”;

b)

in punt 6.01 wordt de tweede zin vervangen door:

„In het ESR 2010 (punten 10.13 tot en met 10.23) wordt duidelijk gesteld dat voor de prijscomponent alleen prijsveranderingen in aanmerking mogen worden genomen en dat alle andere veranderingen bij de volumecomponent moeten worden meegeteld.”;

c)

in punt 6.02 wordt de laatste zin vervangen door:

„Het andere belangrijke „kwaliteitsverschil” voor de LR vloeit voort uit een verschuiving van de verkoop van een product tussen markten met een verschillend prijsniveau, bijvoorbeeld tussen de interne markt en uitvoer of tussen industrieel gebruik en consumptie (ESR 2010, punten 10.13 tot en met 10.18).”;

d)

in punt 6.04 wordt de laatste zin vervangen door:

„Het ESR 2010 (punt 10.32) zegt hierover dat het voor een schatting van de volumemutaties in dat geval de voorkeur verdient de waarde voor het lopende jaar te defleren met een geschikt prijsindexcijfer (ESR 2010, punt 10.01).”;

e)

in punt 6.06 wordt de laatste zin vervangen door:

„Dit betekent dat iedere verandering van de waarde van een bepaalde stroom hetzij aan een prijsmutatie hetzij aan een volumemutatie of aan een combinatie van beide wordt toegerekend (ESR 2010, punt 10.12).”;

f)

punt 6.08 wordt geschrapt;

g)

in punt 6.09 wordt de eerste zin vervangen door:

„In overeenstemming met het ESR 2010 (punt 10.20) worden ook in de LR Laspeyres-indexcijfers voor volumemutaties en Paasche-indexcijfers voor prijsmutaties gebruikt.”;

h)

punt 6.13 wordt vervangen door:

„6.13.

Het jaar dat wordt gebruikt voor de indiening en presentatie van gegevens in constante prijzen kan verschillen van het basisjaar. Het is het referentiejaar. In een reeks indexcijfers is het referentiejaar het jaar met de waarde 100.”;

i)

punt 6.14 wordt vervangen door:

„6.14.

Reeksen volume-indexcijfers in prijzen van een referentiejaar worden verkregen door middel van kettingindexcijfers die zijn berekend in prijzen van het voorgaande jaar (ESR 2010, punt 10.20).”;

j)

punt 6.16 wordt vervangen door:

„6.16.

Voorbeeld:

 

Stel men heeft twee homogene elementaire producten, A en B. De volgende reeks is gebaseerd op de prijsstructuur van het voorgaande jaar:

 

n P n

n – n + 1

volume-indexcijfer

n + 1 P n

n – n + 1

prijsindexcijfer

n + 1P n + 1

n + 1 – n + 2

volume-indexcijfer

n + 2P n + 1

n + 2 – n + 1

prijsindexcijfer

n + 2 P n + 2

A

100

105,0

105

110,0

115

102,0

117

108,0

126

B

300

110,0

330

95,0

314

90,0

283

105,0

297

Totaal

400

108,8

435

98,6

429

93,2

400

105,8

423

De volume- en prijsindexcijfers voor de producten A en B samen zijn afhankelijk van het gewicht dat elk van beide producten heeft.

 

Indien deze reeks aan een vast referentiejaar (bijvoorbeeld n) wordt gerelateerd, kunnen dezelfde volume-indexcijfers voor jaar n ten opzichte van jaar n–1 alleen worden behouden door de indexcijfers afzonderlijk aan elkaar te koppelen. Dit resulteert in de volgende reeks (n = 100):

 

n

n + 1

n + 2

A

100

105,0

107,1

B

100

110,0

99,0

Totaal

100

108,8

101,4

(101,4 = 108,8*93,2/100)

 

De waarden in constante prijzen in relatie tot het referentiejaar n zijn:

 

n

n + 1

n + 2

A

100

105

107,1

B

300

330

297,0

Totaal

400

435

405,6

(405,6 = 400*101,4/100)

 

Daardoor is de rekening niet langer additief. Wanneer de waarden in constante prijzen voor A en B worden opgeteld, krijgt men de volgende reeks:

 

n

n + 1

n + 2

A + B

400

435

404,1

Anders dan in het jaar na het referentiejaar is de reeks met het nieuwe referentiejaar niet additief.”;

k)

in punt 6.17 wordt de eerste zin vervangen door:

„Overeenkomstig het ESR 2010 (punt 10.23) worden de niet-additieve gegevens in constante prijzen zonder enige correctie gepubliceerd (*9).

(*9)  Dit sluit evenwel de mogelijkheid niet uit dat de samenstellers er onder bepaalde omstandigheden de voorkeur aan kunnen geven de discrepanties uit de weg te ruimen om de algehele consistentie van de gegevens te verbeteren.”;"

l)

in punt 4 van deel B wordt de titel vervangen door:

„4.    Berekening van de toegevoegde waarde in prijzen van een vast jaar”;

m)

in punt 6.18 wordt de laatste zin vervangen door:

„De theoretisch correcte methode voor de berekening van de toegevoegde waarde in prijzen van een vast jaar is die van de „dubbele deflatie” (ESR 2010, punten 10.31 en 10.32).”;

n)

punt 6.20 wordt vervangen door:

„6.20.

Voorbeeld:

 

Hieronder wordt een reeks lopende waarden en waarden in prijzen van het voorgaande jaar (volume) voor de output en het intermediaire verbruik gegeven:

 

n P n

n + 1 P n

n + 1 P n + 1

n + 2 P n + 1

n + 2 P n + 2

Output

150

160

170

180

200

Intermediair verbruik

40

30

35

40

45

 

De toegevoegde waarde (volume) wordt verkregen door het volume van het intermediaire verbruik van het volume van de output af te trekken, zodat de volgende reeks ontstaat:

 

n P n

n + 1 P n

n + 1 P n + 1

n + 2 P n + 1

n + 2 P n + 2

Toegevoegde waarde (bruto)

110

130

135

140

155

 

Zo worden de volgende volume-indexcijfers in prijzen van het voorgaande jaar verkregen:

 

n + 1

n + 2

Toegevoegde waarde (bruto)

118,2

103,7

(118,2 = 130/110*100) (103,7 = 140/135*100)

 

De bruto toegevoegde waarde van een bepaald jaar in prijzen van het jaar n (prijzen in een vast jaar) wordt berekend door de lopende waarde voor n te vermenigvuldigen met het volume-kettingindexcijfer.

TW n+1 (in prijzen in n) = 110*1,182 = 130

TW n+2 (in prijzen in n) = 110*1,182*1,037 = 135”.


(*1)  Europees systeem van nationale en regionale rekeningen — ESR 2010, Luxemburg 2013.”.

(*2)  Het ESR heeft weliswaar voorkeur voor de lokale EEA, maar voor een analyse van het productieproces is de homogene productie-eenheid het meest geschikt. Deze eenheid wordt gebruikt voor input-outputanalyses omdat zij exact overeenkomt met een soort activiteit. Institutionele eenheden zijn dus onderverdeeld in evenveel HPE's als er activiteiten zijn (m.u.v. hulpactiviteiten). Door deze homogene productie-eenheden samen te voegen, kan een indeling van de economie in „zuivere” (homogene) branches worden verkregen. In het algemeen kan de HPE echter niet rechtstreeks worden waargenomen. Er kunnen dan ook geen rekeningen voor homogene branches worden opgesteld door HPE's samen te voegen. Het ESR beschrijft een methode voor de opstelling van deze rekeningen. Hierbij worden nevenactiviteiten en de kosten hiervoor van de bedrijfstakken toegerekend aan de desbetreffende homogene branches (ESR 2010, punten 2.153-2.156, 9.52-9.63).”;

(*3)  Het gaat om kleine eenheden die voor eigen verbruik — en dus niet voor de verkoop — produceren en landbouwactiviteiten verrichten zonder van die activiteiten economisch afhankelijk te zijn.”;

(*4)  Anders dan het ESR 2010 (punt 3.140) stelt het 2008 SNA (punt 10.94) dat voor vee het verbruik van vaste activa moet worden berekend.”;

(*5)  Ze komen overeen met de lonen die de werkgevers tijdelijk doorbetalen bij ziekte, zwangerschap, arbeidsongeval, invaliditeit, ontslag enz. van hun werknemers, indien dat bedrag afzonderlijk kan worden vastgesteld.”;

(*6)  Wanneer echter een subsidie tegelijkertijd dient voor een schuldaflossing en voor de betaling van rente op het geleende kapitaal en het niet mogelijk is deze twee bestanddelen te scheiden, wordt het gehele bedrag geregistreerd als investeringsbijdrage.”;

(*7)  De ontvangen rente komt overeen met de post „Handelskredieten en transitorische posten” (F.8) van de financiële rekening.”;

(*9)  Dit sluit evenwel de mogelijkheid niet uit dat de samenstellers er onder bepaalde omstandigheden de voorkeur aan kunnen geven de discrepanties uit de weg te ruimen om de algehele consistentie van de gegevens te verbeteren.”;”


(*8)  Uitsluitend rente die wordt ontvangen door landbouwvennootschappen.”;


BIJLAGE II

Bijlage II bij Verordening (EG) nr. 138/2004 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Post 32.2 wordt vervangen door:

 

 

„Indiening betreffende referentiejaar n

a

b

c

Post

Lijst van variabelen

November

jaar n

(LR-schatting)

Januari

jaar n + 1

(LR-schatting)

September

jaar n + 1

(definitieve LR-gegevens)

32.2

BIVA, vee

X”

2)

Post 33.3 wordt vervangen door:

 

 

„Indiening betreffende referentiejaar n

a

b

c

Post

Lijst van variabelen

November

jaar n

(LR-schatting)

Januari

jaar n + 1

(LR-schatting)

September

jaar n + 1

(definitieve LR-gegevens)

33.3

Andere BIVA (met inbegrip van belangrijke grondverbeteringen en O&O)

X”


Top