This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 31999D0366
1999/366/EC: Commission Decision of 4 June 1999 terminating the anti-dumping proceeding concerning imports of ferro-silicon originating in Egypt and Poland (notified under document number C(1999) 1466)
1999/366/EG: Besluit van de Commissie van 4 juni 1999 tot beëindiging van de antidumpingprocedure met betrekking tot de invoer van ferrosilicium uit Egypte en Polen (kennisgeving geschied onder nummer C(1999) 1466)
1999/366/EG: Besluit van de Commissie van 4 juni 1999 tot beëindiging van de antidumpingprocedure met betrekking tot de invoer van ferrosilicium uit Egypte en Polen (kennisgeving geschied onder nummer C(1999) 1466)
PB L 142 van 5.6.1999, pp. 36–44
(ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
No longer in force, Date of end of validity: 04/06/1999
1999/366/EG: Besluit van de Commissie van 4 juni 1999 tot beëindiging van de antidumpingprocedure met betrekking tot de invoer van ferrosilicium uit Egypte en Polen (kennisgeving geschied onder nummer C(1999) 1466)
Publicatieblad Nr. L 142 van 05/06/1999 blz. 0036 - 0044
BESLUIT VAN DE COMMISSIE van 4 juni 1999 tot beëindiging van de antidumpingprocedure met betrekking tot de invoer van ferrosilicium uit Egypte en Polen (kennisgeving geschied onder nummer C(1999) 1466) (1999/366/EG) DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap(1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 905/98(2), inzonderheid op de artikelen 9 en 10, Na overleg in het kader van het Raadgevend Comité, Overwegende hetgeen volgt: A. PROCEDURE 1. Van kracht zijnde maatregelen (1) Antidumpingrechten ten belope van 32 % zijn sedert 1992, toen definitieve antidumpingrechten werden ingesteld bij Verordening (EEG) nr. 3642/92 van de Raad(3), van toepassing op de invoer van ferrosilicium uit Egypte en Polen. De rechten zijn niet van toepassing op de uitvoer van één Egyptische en één Poolse exporterende producent; van deze producenten werden prijsverbintenissen aanvaard door de Commissie bij de Besluiten 92/331/EEG(4) en 92/572/EEG(5). (2) Er zijn ook andere definitieve antidumpingmaatregelen van kracht op de invoer van ferrosilicium uit Kazachstan, Rusland, Oekraïne, Noorwegen, IJsland, Brazilië en Venezuela; deze werden in december 1993 ingesteld bij Verordening (EG) nr. 3359/93 van de Raad(6). De maatregelen die van toepassing waren op de invoer uit IJsland en Noorwegen werden opgeschort met de toepassing van Verordening (EG) nr. 5/94 van de Raad van 22 december 1993 over de opschorting van antidumpingmaatregelen ten aanzien van de EVA-landen vanaf 1 januari 1994(7). De maatregelen die van toepassing waren op de invoer uit Brazilië werden ten dele aan een nieuw onderzoek onderworpen en bij Verordening (EG) nr. 351/98 van de Raad(8) werd het recht dat van toepassing was op twee Braziliaanse exporterende producenten verlaagd tot 0 % omdat geen dumping werd vastgesteld. Er werden tevens bij Verordening (EG) nr. 621/94 van de Raad(9) in maart 1994 definitieve antidumpingmaatregelen ingesteld op de invoer uit China en Zuid-Afrika. 2. Verzoek om een nieuw onderzoek (3) Na de publicatie van het bericht dat antidumpingmaatregelen op het punt stonden te vervallen(10), verzocht de klagende partij van het oorspronkelijke onderzoek, het Liaison Committee of the Ferro-Alloy Industry ("Euroalliages", hierna "de indiener van het verzoek" genoemd), om een nieuw onderzoek naar aanleiding van het vervallen van maatregelen ingevolge artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 384/96 (hierna "de basisverordening" genoemd). (4) De Commissie pleegde overleg met het Raadgevend Comité, stelde vast dat er voldoende bewijzen waren voor het inleiden van een nieuw onderzoek naar aanleiding van het vervallen van maatregelen, publiceerde een bericht van inleiding van de procedure in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen(11) en startte een onderzoek. 3. Onderzoek (5) Het dumpingonderzoek had betrekking op de periode van 1 juli 1996 tot en met 30 juni 1997 (hierna "het onderzoektijdvak" genoemd). Het onderzoek naar de schade had betrekking op de periode van 1993 tot aan het eind van het onderzoektijdvak. (6) Ten tijde van het oorspronkelijke onderzoek bestond de bedrijfstak van de Gemeenschap namens welke de klacht werd ingediend, uit zes producenten: Pechiney Electrometallurgie, Frankrijk; SKW Trostberg AG, Duitsland; Ferrolegierungswerk Lippendorf GmbH, Duitsland; Carburos Metálicos, Spanje; Industria Elettrica Indel Spa, Italië; en Utilizzazzioni Elettro Industriali UEI, Italië. (7) Na het instellen van de maatregelen die nu aan een nieuw onderzoek worden onderworpen, werd de structuur van de bedrijfstak van de Gemeenschap gewijzigd ten gevolge van enerzijds de toetreding van nieuwe lidstaten en anderzijds economische wijzigingen binnen de bedrijfstak. Het gevolg hiervan was dat vier producenten van de Gemeenschap het betrokken product vervaardigen voor verkoop op de markt van de Gemeenschap. Het onderhavige nieuwe onderzoek naar aanleiding van het vervallen van maatregelen werd aangevraagd namens deze vier producenten die de gehele niet contractueel geregelde productie van het betrokken product van de Gemeenschap voor hun rekening nemen. (8) Drie van de vier producenten van de Gemeenschap (Vargön Alloys AB in Zweden, Ferroatlantica in Spanje, voorheen Carburos Metálicos, en Pechiney Electrometallurgie in Frankrijk) die samen 96 % en bijgevolg het grootste gedeelte van de productie van de Gemeenschap voor hun rekening nemen, werkten actief mede aan het onderzoek en beantwoordden de vragenlijst van de Commissie. De vierde producent, Industria Elettrica Indel Spa (Italië), kon geen medewerking verlenen omdat zijn bedrijf werd geherstructureerd. Hierna worden met "de bedrijfstak van de Gemeenschap" de drie bovenvermelde producenten van de Gemeenschap bedoeld die medewerking aan het onderzoek verleenden. (9) De Commissie bracht de producenten van de Gemeenschap die het verzoek hadden ingediend, de exporterende producenten en de importeurs waarvan de betrokkenheid bekend was en de vertegenwoordigers van de betrokken exporterende landen, alsmede de indiener van het verzoek officieel op de hoogte van de inleiding van het nieuwe onderzoek en stelde de belanghebbende partijen in de gelegenheid om hun standpunt bekend te maken en om te verzoeken te worden gehoord binnen de in het bericht van inleiding van de procedure vastgestelde termijn. De Commissie stuurde alle bekende partijen vragenlijsten en ontving antwoorden van de producenten van de Gemeenschap en van de importeurs alsmede van de exporterende producenten in Egypte en Polen. Een aantal exporterende producenten in de betrokken landen, producenten van de Gemeenschap, verwerkende bedrijven in de Gemeenschap en importeurs maakten hun standpunten schriftelijk bekend. Alle partijen die hierom verzochten binnen de hierboven vastgestelde termijn en aangaven dat er bijzondere redenen waren om te worden gehoord, werden inderdaad gehoord. (10) De Commissie verzamelde en verifieerde alle gegevens die zij noodzakelijk achtte voor haar onderzoek en verrichtte verificaties ten kantore van de volgende bedrijven: a) Producenten van de Gemeenschap: - Vargön Alloys AB, Zweden; - Ferroatlantica, Spanje; - Pechiney Electrometallurgie, Frankrijk. b) Importeurs: Deutsche Erz- und Metall-Union GmbH, Duitsland. c) Exporterende producenten in Egypte: EFACO, KIMA. d) Exporterende producenten in Polen: Huta Laziska. B. ONDERZOCHT PRODUCT 1. Product (11) Het product waarop dit onderzoek betrekking heeft, is hetzelfde als dat waarop het oorspronkelijke onderzoek betrekking had, namelijk ferrosilicium. De productie van ferrosilicium vindt plaats in elektrische boogovens door reductie van kwarts waarbij gebruik wordt gemaakt van koolstofhoudende producten. Het product wordt gebruikt om te deoxideren en als een legeringscomponent in de ijzer- en staalindustrie. Ferrosilicium wordt verkocht in de vorm van brokken, korrels of poeder en bestaat in verschillende kwaliteiten die afhankelijk zijn van het gehalte aan silicium en aan onzuiverheden (zoals aluminium, koolstof enz). (12) Er werd vastgesteld dat de verschillende vormen en kwaliteiten van ferrosilicium die uit de betrokken landen worden uitgevoerd dezelfde fundamentele fysische en chemische eigenschappen vertoonden en fundamenteel ook hetzelfde eindgebruik kenden. Derhalve werden zij beschouwd als één enkel product. Het onderzochte product wordt momenteel ingedeeld onder de GN-codes 7202 21 10, 7202 21 90 en 7202 29 90. 2. Soortgelijk product (13) Er werd vastgesteld dat het ferrosilicium dat in Egypte en Polen werd vervaardigd en op deze markten werd verkocht, een soortgelijk product was in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening, vergeleken met het ferrosilicium dat uit Egypte en Polen naar de Gemeenschap werd uitgevoerd want beide producten waren identiek of sterk gelijkend, wat de fysische kenmerken en het eindgebruik betreft. Bovendien werd vastgesteld dat het ferrosilicium dat door de bedrijfstak van de Gemeenschap werd vervaardigd en op de markt van de Gemeenschap verkocht werd, eveneens vergelijkbaar was in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening met het ferrosilicium dat uit Egypte en Polen werd uitgevoerd. C. DUMPING (14) Het onderzoek naar dumping werd niet voortgezet, gezien de bevindingen met betrekking tot de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap en het opnieuw optreden van schade die hierna worden uiteengezet. D. SITUATIE OP DE MARKT VOOR FERROSILICIUM VAN DE GEMEENSCHAP 1. Markt voor ferrosilicium van de Gemeenschap (15) Indien de productie van de producenten van de Gemeenschap die de klagende partij vormen en een raming van de productie van de producent die niet aan het onderzoek medewerkte, alsmede de totale invoer van het betrokken product in de Gemeenschap in aanmerking worden genomen, ziet de ontwikkeling van het zichtbare verbruik van het betrokken product in de Gemeenschap na aftrek van de uitvoer uit de Gemeenschap er als volgt uit: >RUIMTE VOOR DE TABEL> 2. Ingevoerde hoeveelheden en marktaandeel (16) Op basis van de gegevens van Eurostat ziet de ontwikkeling van de uit de twee betrokken exporterende landen ingevoerde hoeveelheden er als volgt uit: >RUIMTE VOOR DE TABEL> (17) De verschillen in de ontwikkeling van de invoer uit respectievelijk Egypte en Polen wordt weerspiegeld in de marktaandelen van de betrokken landen. Het aandeel van de Poolse invoer op de markt voor ferrosilicium van de Gemeenschap bedroeg: >RUIMTE VOOR DE TABEL> Er zij op gewezen dat het marktaandeel van Polen ten tijde van het vorige onderzoek ongeveer 5 % bedroeg. Het marktaandeel van Egypte anderzijds bereikte een piek in 1995 maar was op het ogenblik dat het onderzoektijdvak aanbrak gedaald tot op het niveau van 1993. Het marktaandeel van Egypte zag er als volgt uit: >RUIMTE VOOR DE TABEL> Het marktaandeel van Egypte bedroeg ten tijde van het vorige onderzoek ongeveer 4 %. 3. Prijzen van de ingevoerde producten (18) In het kader van het onderzoek werd vastgesteld dat de prijzen van de exporterende producenten in zowel Egypte als Polen, bij uitvoer naar de Gemeenschap, tijdens het onderzoektijdvak, boven de niet schadelijke prijzen lagen van de prijsverbintenissen die voor Egypte en Polen waren aanvaard (Besluiten 92/331/EEG en 92/572/EEG). (19) Voor de ontwikkeling van de prijzen van de bij het onderzoek betrokken ingevoerde producten tijdens de onderzochte periode in haar geheel baseerde de Commissie zich op de cijfers van Eurostat. Uitgaande van de basis 1993 = 100 zagen deze invoerprijzen in beide gevallen er als volgt uit: >RUIMTE VOOR DE TABEL> (20) De prijsonderbieding werd vastgesteld in hetzelfde handelsstadium, op basis van een vergelijking van de prijzen af fabriek van producenten van de Gemeenschap met de prijzen cif, grens Gemeenschap, na inklaring, van de uit de betrokken landen ingevoerde producten. (21) De Poolse exporterende producent verzocht om een correctie voor kwaliteitsverschillen en voor de kosten voor verpakking met het oog op de berekening van de onderbiedingsmarge. In verband met de kwaliteitsverschillen werd aangevoerd dat het siliciumgehalte van de uit Polen ingevoerde producten vaak lager lag dan dat van het ferrosilicium dat in de Gemeenschap werd vervaardigd. Voorts werd aangevoerd dat de soorten ferrosilicium die in Polen werden geproduceerd en naar de Gemeenschap werden uitgevoerd van lagere kwaliteit waren dan de karakteristieke soorten die door de bedrijfstak van de Gemeenschap werden vervaardigd; één en ander zou het gevolg zijn van het feit dat het Poolse ferrosilicium een hoog gehalte aan onzuiverheden had waardoor het voor bepaalde doeleinden ongeschikt was. (22) Het onderzoek bevestigde de ontvankelijkheid van deze verzoeken. Uit de lijst van transacties die door het bedrijf werd overgelegd, bleek dat het ferrosilicium dat uit Polen tijdens het onderzoektijdvak werd uitgevoerd, in ongeveer één derde van de gevallen een siliciumgehalte had dat lager lag dan 75 %, hetgeen voor de productie in de Gemeenschap de norm is. Bovendien werd vastgesteld dat het gehalte aan onzuiverheden, in dit geval aluminium en koolstof, in het ferrosilicium dat werd uitgevoerd, hoger was dan in het ferrosilicium dat door de producenten van de Gemeenschap werd verkocht. Voor de verschillen met betrekking tot de verpakking van het product verzocht de exporterende producent om een correctie zodat rekening kon worden gehouden met de verschillen in kosten tussen de goederen die bulk waren geleverd en de goederen die werden geleverd in vaten of zakken. Dit verzoek werd ook gerechtvaardigd geacht, en met de correctie werd ingestemd. Aangezien deze correcties voor verschillen in het siliciumgehalte, het gehalte aan onzuiverheden en de verpakking reeds waren verwerkt in de bestaande prijsverbintenis, werd besloten het prijspeil te bevestigen dat in de prijsverbintenis was vastgesteld. (23) Dezelfde correcties werden aangebracht bij de uit Egypte ingevoerde producten, aangezien dezelfde verschillen werden vastgesteld bij de Egyptische exporterende producent. (24) Derhalve werden de verkoopprijzen van alle soorten ferrosilicium die op de markt van de Gemeenschap tijdens het onderzoektijdvak werden verkocht, in de gevallen waarin dat nodig was, gecorrigeerd om te komen tot een prijs voor één enkele referentiesoort ferrosilicium voor de verkoop van beide betrokken exporterende producenten en de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap. De onderbieding werd vervolgens berekend door de verkoopprijs af fabriek van deze standaardsoort ferrosilicium die als referentie diende en door de bedrijfstak van de Gemeenschap werd verkocht, te vergelijken met de cif prijs, grens Gemeenschap, na inklaring, van hetzelfde product maar verkocht door de betrokken exporterende producenten. Op deze basis bedroeg de vastgestelde gewogen gemiddelde prijsonderbieding 4,6 % voor de Poolse uitvoer en 4,5 % voor de Egyptische uitvoer. 4. Situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap (25) De volgende hoeveelheden werden door de bedrijfstak van de Gemeenschap verkocht: >RUIMTE VOOR DE TABEL> (26) Het hiermee overeenstemmende marktaandeel tijdens deze periode bedroeg: >RUIMTE VOOR DE TABEL> (27) De prijzen van de bedrijven van de bedrijfstak van de Gemeenschap die aan het onderzoek medewerkten evalueerden als volgt (1993 = 100): >RUIMTE VOOR DE TABEL> (28) Onderstaande cijfers geven de omzet aan van de bedrijfstak van de Gemeenschap: >RUIMTE VOOR DE TABEL> Tijdens de onderzochte periode steeg de omzet met 53 %. (29) Uit het onderzoek is gebleken dat de gewogen gemiddelde rentabiliteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap, berekend als de opbrengst uit de verkoop, met bijna 18 procentpunten steeg zoals blijkt uit de volgende tabel: >RUIMTE VOOR DE TABEL> (30) De productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap bedroeg: >RUIMTE VOOR DE TABEL> Uit bovenstaande tabel blijkt dat de productie met 25 % steeg tijdens de onderzochte periode. (31) In onderstaande kolom is de ontwikkeling van de productiecapaciteit aangegeven: >RUIMTE VOOR DE TABEL> Hieruit blijkt dat de capaciteit tijdens de onderzochte periode met 5 % is gestegen. (32) De gewogen gemiddelde bezettingsgraad van de productiecapaciteit bedroeg derhalve: >RUIMTE VOOR DE TABEL> Tijdens de betrokken periode steeg de bezettingsgraad van de productiecapaciteit met 19 % of 11 procentpunten. Er zij op gewezen dat het normaal is dat een gedeelte van de bedrijfstak die ferrosilicium produceert zijn productie-installaties tijdens de wintermaanden sluit. De vervaardiging van ferrosilicium is uiterst energie-intensief en om de kosten te beperken wordt de productie stopgezet in de periode dat de elektriciteitskosten stijgen, d.w.z. tijdens de winter. Deze organisatie van de productie blijkt niet uit bovenstaande tabel met betrekking tot de productiecapaciteit; in de tabel is er sprake van de maximale productiecapaciteit gedurende een periode van twaalf maanden. Dit verklaart ook de betrekkelijk lage bezettingsgraad van de productiecapaciteit. Voor de winter begint wordt een zekere voorraad aangelegd zodat de leveringen verder kunnen plaatsvinden. (33) De werkgelegenheid die rechtstreeks in verband stond met de productie van ferrosilicium was vrij stabiel zoals blijkt uit de volgende tabel: >RUIMTE VOOR DE TABEL> 5. Conclusie (34) Sommige van de belangrijke economische indicatoren brachten duidelijk een positieve ontwikkeling tijdens deze periode aan het licht; vooral de financiële prestaties verbeterden: de verliezen van meer dan 5 % over de omzet van 1993 werden winsten van meer dan 12 % tijdens het onderzoektijdvak. Andere indicatoren, met name het marktaandeel wijzen op een minder gunstige ontwikkeling. Er werd ook aangetoond dat de gecumuleerde invoer uit Egypte en Polen aanzienlijk bleef en dat de invoer uit Polen weliswaar aanvankelijk laag was maar later steeg en plaatsvond tegen prijzen die de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap enigszins onderboden. Er zij evenwel ook op gewezen dat de betrekkelijke verbetering van de positie ten aanzien van de invoer uit Polen plaatsvond na de instelling van definitieve antidumpingmaatregelen door de Gemeenschap op de invoer uit andere derde landen zoals werd medegedeeld in overweging 2 en dat de uitvoer door de exporterende producenten plaatsvond in het kader van verbintenissen die ten volle werden nageleefd, i.e. de uitvoerprijzen lagen boven de in de verbintenissen vastgestelde prijzen. Derhalve werd geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Gemeenschap had geprofiteerd van de geldende antidumpingmaatregelen en dat deze hun doel hadden bereikt; zij hadden met name de schade die was teweeggebracht door de invoer uit de twee betrokken exporterende landen opgeheven. E. EVENTUELE VERDERE OF NIEUWE SCHADE 1. Egypte (35) De ontwikkeling van de invoer uit Egypte is beschreven in overweging 20 hierboven. Na een piek in 1995 daalden de invoer en het marktaandeel aanzienlijk tot op het niveau van 1993. Tijdens het onderzoektijdvak lag het marktaandeel (1,8 %) duidelijk onder het marktaandeel dat werd vastgesteld in het kader van het vorige onderzoek. (36) De prijzen van de producten die naar de markt van de Gemeenschap werden uitgevoerd onderboden nog steeds de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap hoewel zij na de invoering van de antidumpingmaatregelen voortdurend stegen; ze lagen ook boven de prijs die in de verbintenis was vastgesteld. Bovendien waren de prijzen van de goederen die werden uitgevoerd naar de markten buiten de Gemeenschap hoger dan de prijzen van de goederen die tijdens het onderzoektijdvak naar de Gemeenschap werden uitgevoerd, hetgeen er op wijst dat het vanuit economisch oogpunt weinig waarschijnlijk is dat deze uitvoer naar de markt van de Gemeenschap zal worden omgeschakeld. (37) De bezettingsgraad van de productiecapaciteit is wat de Egyptische bedrijfstak betreft momenteel zeer hoog: 94 % van de capaciteit wordt werkelijk ten volle benut en er waren geen plannen om de capaciteit in 1998 te verhogen. Bovendien bedroeg de uitvoer naar de Gemeenschap in 1995 68 % van de totale verkoop; dit aandeel daalde evenwel tot 45 % tijdens het onderzoektijdvak; deze daling werd gecompenseerd door uitvoer naar markten buiten de Gemeenschap die bijna verdubbelde gedurende dezelfde periode (van 15 tot 35 % van de totale verkoop) terwijl het percentage van de verkoop op de binnenlandse markt ook enigszins steeg (van 17 tot 20 %). 2. Polen (38) De invoer in de Gemeenschap uit Polen steeg, uitgedrukt in hoeveelheden, in belangrijke mate tussen 1993 en het onderzoektijdvak. De Poolse exporterende producent wees er evenwel op dat het bedrijf in 1993 met een belangrijk defect te kampen had hetgeen tot gevolg had dat gedurende dat jaar vrijwel geen ferrosilicium werd geproduceerd. De productie werd pas hervat in 1994 maar lag behoorlijk onder het niveau dat vóór 1993 werd bereikt. De Poolse producent voerde derhalve aan dat 1993 ongeschikt was als referentiejaar en dat vergelijkingen gemaakt moesten worden op basis van de cijfers voor 1995 toen de productie opnieuw een normaal niveau had bereikt. (39) Op basis van bovenstaande gegevens onderzocht de Commissie de ontwikkeling van de uitgevoerde hoeveelheden en van de uitvoerprijzen tussen 1995 en het onderzoektijdvak en stelde voor beide parameters een stijging vast. Er zij evenwel op gewezen dat het marktaandeel van Polen aan het eind van de onderzochte periode nog steeds onder het marktaandeel lag dat in het kader van het vorige onderzoek werd vastgesteld. Deze stijging van de Poolse uitvoer naar de Gemeenschap viel tevens samen met de instelling van definitieve antidumpingmaatregelen op de invoer uit Rusland, Oekraïne en Kazachstan en met de hieruit voortvloeiende daling van de invoer uit deze landen. (40) De bezettingsgraad van de productiecapaciteit van de Poolse exporterende producent bedroeg 93 % tijdens het onderzoektijdvak waardoor het onwaarschijnlijk wordt dat de geproduceerde hoeveelheden op korte termijn zullen stijgen. Het aandeel van de voor uitvoer naar de Gemeenschap verkochte hoeveelheden in de totale verkoop rees van 39 % in 1995 tot 45 % gedurende het onderzoektijdvak. In het licht van deze ontwikkelingen onderzocht de Commissie of de mogelijkheid bestond dat de verkoop van de Poolse exporterende producent anders werd verdeeld; zij ging m.a.w. na of het aandeel dat bestemd was voor uitvoer naar de Gemeenschap verder kon stijgen. In dit verband werd vooral onderzocht of de herstructurering van de Poolse staalnijverheid, vóór de toetreding van dit land tot de Europese Unie, zou leiden tot een instorting van de binnenlandse vraag naar ferrosilicium en bijgevolg tot een stijging van de uitvoer naar o.a. de Gemeenschap. Aangezien de binnenlandse verkoop tijdens het onderzoektijdvak 37 % bedroeg van de verkoop van de Poolse exporterende producent bleken de mogelijke gevolgen van een daling van de binnenlandse vraag niet te mogen worden onderschat. Uit de statistieken met betrekking tot de staalmarkt in Polen blijkt evenwel dat de staalproductie steeg met 31 % gedurende de periode 1992-1996 en de ramingen voor 1997 wijzen op een verdere stijging. Wat de mogelijkheid betreft om de uitvoer naar derde landen buiten de Gemeenschap te beperken werd vastgesteld dat de gemiddelde prijzen voor standaardferrosilicium (75 %) hoger liggen op markten buiten de Gemeenschap dan op de markt van de Gemeenschap zodat geen omvangrijke wijzigingen in het patroon van de uitvoer uit Polen naar de Gemeenschap en naar andere landen wordt verwacht. (41) Gezien bovenstaande gegevens wordt niet verwacht dat de Poolse uitvoer naar de Gemeenschap verder aanzienlijk zal stijgen noch dat de prijzen van de uitgevoerde producten zullen dalen indien de antidumpingmaatregelen worden opgeheven. Ondanks de geldende maatregelen en prijzen die hoger lagen dan de prijzen die in de verbintenis waren vastgelegd kon de Poolse exporterende producent na het defect van 1993/1994 in zijn bedrijf een stevige positie op de markt van de Gemeenschap heroveren en terzelfdertijd een sterke binnenlandse verkoop handhaven; het bedrijf heeft dus bewezen dat het in de Gemeenschap kan concurreren met prijzen die geen schade berokkenen. De prijs in de verbintenis die door de Poolse producent was aangeboden was immers vastgesteld op basis van de schadedrempel die weer was vastgesteld in het kader van het onderzoek dat ertoe leidde dat de maatregelen aan een nieuw onderzoek werden onderworpen. Het zou vanuit economisch oogpunt niet rationeel zijn bij het vervallen van de antidumpingmaatregelen te trachten een groter marktaandeel op de markt van de Gemeenschap te veroveren door de uitvoerprijzen te verlagen. Aangezien bovendien de productiecapaciteit volledig is bezet zou de uitvoer naar de Gemeenschap slechts kunnen stijgen ten koste van de binnenlandse verkoop of de uitvoer naar andere derde landen, hetgeen een dergelijke strategie zelfs nog onwaarschijnlijker maakt. 3. Conclusie (42) In het licht van bovenstaande bevindingen en ondanks het feit dat de prijzen van de betrokken ingevoerde goederen de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap nog steeds in lichte mate onderbieden, hoewel deze prijzen sedert 1993 met 30 % stegen, en op basis bovendien van de wezenlijk betere financiële situatie van deze bedrijfstak concludeert de Commissie dat het vervallen van de maatregelen die van toepassing zijn op de invoer uit Egypte en Polen waarschijnlijk niet zal leiden tot verdere of nieuwe schade. Bij deze conclusie hield de Commissie ook rekening met de argumenten van de bedrijfstak van de Gemeenschap dat de exporterende producenten in de betrokken landen, zelfs indien hun uitvoer naar de Gemeenschap niet toenam, toch nog aanmerkelijke schade teweeg konden brengen door hun verkoop en de prijsdruk te concentreren op de contantmarkt waardoor een neerwaartse druk op de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap zou worden uitgeoefend. Volgens de Commissie is dit argument weinig gefundeerd. De prijzen van de exporterende producenten op de markt van de Gemeenschap lagen boven de prijzen die in de aanvaarde verbintenissen voldoende hoog waren vastgesteld om de schade tengevolge van dumping op te heffen. Dit element, gecombineerd met de ten volle bezette productiecapaciteit en de stijgende dan wel stabiele vraag op hun binnenlandse markten en exportmarkten buiten de Gemeenschap maakt het onwaarschijnlijk dat de gevolgen van de uitvoer uit de betrokken landen voor de contantmarkt van de Gemeenschap van dien aard zouden zijn dat opnieuw schade zou optreden. Er zij in dit verband aan herinnerd dat de bedrijfstak van de Gemeenschap overeenkomstig artikel 5 van de basisverordening, een nieuwe antidumpingklacht mag indienen indien zou blijken dat haar situatie verslechtert ten gevolge van invoer met dumping uit de betrokken landen. (43) De Commissie bracht de belanghebbende partijen waaronder de bedrijfstak van de Gemeenschap van haar conclusies op de hoogte. Nadat zij door de Commissie van bovenstaande gegevens en conclusies op de hoogte waren gebracht dienden vertegenwoordigers van de bedrijfstak van de Gemeenschap zowel mondeling als schriftelijk verdere standpunten in met betrekking tot de gevolgen van de invoer in kwestie voor de bedrijfstak van de Gemeenschap. Er werden evenwel geen gegevens of argumenten verstrekt die, na onderzoek, bovenstaande conclusies konden wijzigen. F. BEËINDIGING VAN DE PROCEDURE (44) Derhalve wordt geconcludeerd dat deze procedure moet worden beëindigd en dat de antidumpingmaatregelen die op 14 december 1992 werden aangenomen bij Verordening (EEG) nr. 3642/92 en bij de Besluiten 92/331/EEG en 92/572/EEG mogen vervallen, BESLUIT: Enig artikel De antidumpingprocedure met betrekking tot de invoer van ferrosilicium van de GN-codes 7202 21 10, 7202 21 90 en 7202 29 90 uit Egypte en Polen wordt hierbij beëindigd. Gedaan te Brussel, 4 juni 1999. Voor de Commissie Leon BRITTAN Vice-voorzitter (1) PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. (2) PB L 128 van 30.4.1998, blz. 18. (3) PB L 369 van 18.12.1992, blz. 1. (4) PB L 183 van 3.7.1992, blz. 40. (5) PB L 369 van 18.12.1992, blz. 32. (6) PB L 302 van 9.12.1993, blz. 1. (7) PB L 3 van 5.1.1994, blz. 1. (8) PB L 42 van 14.2.1998, blz. 1. (9) PB L 77 van 19.3.1994, blz. 48. (10) PB C 387 van 21.12.1996, blz. 3. (11) PB C 204 van 4.7.1997, blz. 2.