Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52024DC0055

Voorstel voor een AANBEVELING VAN DE RAAD betreffende rook- en aerosolenvrije omgevingen, ter vervanging van Aanbeveling 2009/C 296/02 van de Raad

COM/2024/55 final

Straatsburg, 17.9.2024

COM(2024) 55 final

2024/0230(NLE)

Voorstel voor een

AANBEVELING VAN DE RAAD

betreffende rook- en aerosolenvrije omgevingen, ter vervanging van Aanbeveling 2009/C 296/02 van de Raad

{SWD(2024) 55 final} - {SWD(2024) 56 final}


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

Inleiding

In het Europees kankerbestrijdingsplan kondigde de Commissie haar voornemen aan om de aanbeveling van de Raad betreffende rookvrije ruimten 1 te actualiseren. Een van de tabaksgerelateerde doelstellingen van het plan is bij te dragen tot de totstandbrenging van een “tabaksvrije generatie”, dat wil zeggen ervoor te zorgen dat tegen 2040 minder dan 5 % van de bevolking tabak gebruikt, tegenover zo’n 25 % op dit moment. De herziening van de aanbeveling van de Raad betreffende rookvrije ruimten is een initiatief dat als doelen heeft een positieve bijdrage hiertoe te leveren, de doelstelling te verwezenlijken om mensen in de Unie beter te beschermen tegen secundaire rook van brandbare tabaksproducten en secundaire aerosolen die ontstaan bij het gebruik van nieuwe producten, en te bevorderen dat er wordt gestopt met roken en dat roken en nicotinegebruik niet langer als normaal worden beschouwd.

De huidige aanbeveling van de Raad (2009/C 296/02) bevat aanbevelingen voor de uitvoering door de lidstaten van de Kaderovereenkomst van de WHO voor de bestrijding van tabaksgebruik en biedt ze in dat kader richtsnoeren om hun wettelijke verplichtingen na te komen om mensen te beschermen tegen secundaire rook in alle overdekte (afgesloten) werkplekken, in het openbaar vervoer en in overdekte openbare ruimten. De aanbeveling heeft alleen betrekking op traditionele tabaksproducten, die destijds als het belangrijkste probleem werden gezien, en betreft slechts enkele openbare ruimten, waarvoor de gevaren alleen per geval werden beoordeeld.

Op dit moment kan de huidige aanbeveling van de Raad haar beschermingsdoel echter niet volledig verwezenlijken, omdat erin onvoldoende wordt ingegaan op buitenruimten, en vanwege marktontwikkelingen in verband met nieuwe producten waarvan rook en/of aerosolen kunnen vrijkomen, zoals verhitte tabaksproducten, elektronische sigaretten die al dan niet nicotine bevatten, tabakssurrogaten en alle andere producten waarvan rook en/of aerosolen vrijkomen, die in de aanbeveling niet aan bod komen. De voorgestelde herziening van de aanbeveling van de Raad heeft dus een tweeledig doel, te weten nieuwe producten en specifieke buitenruimten in het toepassingsgebied van de aanbeveling op te nemen. Hierdoor zal de aanbeveling de risico’s van secundaire blootstelling aan aerosolen van nieuwe producten en het risico van secundaire blootstelling aan rook en aerosolen in bepaalde buitenruimten beter afdekken. Een herziening van de aanbeveling op deze twee aspecten is dus nodig om de doelstelling van een betere bescherming van mensen, en met name kinderen en jongeren, in de Unie tegen blootstelling aan secundaire rook en aerosolen te kunnen verwezenlijken. Het voorstel voor een herziene aanbeveling van de Raad heeft bovendien tot doel indirect de denormalisering van het gebruik van zowel tabak als nieuwe producten te bevorderen en op die manier bij te dragen tot het streven naar een tabaksvrije generatie.

De voorgestelde herziening van de aanbeveling van de Raad omvat een uitbreiding van het toepassingsgebied tot bepaalde nieuwe producten en buitenruimten. Een belangrijke reden voor deze uitbreiding is de snelle groei van de markt en de aantrekkingskracht van de nieuwe producten, met name onder jongeren, sinds 2009 en de momenteel aanzienlijke blootstelling aan secundaire rook en aerosolen in bepaalde buitenruimten. In 2009 waren verhitte tabaksproducten nog niet op de EU-markt gebracht en elektronische sigaretten slechts in geringe mate; de huidige aanbeveling is daarom alleen gericht op traditionele tabaksproducten en heeft het over “tabaksrook”, wat betekent dat niet alle nieuwe producten zijn afgedekt. Sinds 2009 is het marktaandeel van nieuwe producten zoals elektronische sigaretten en verhitte tabaksproducten echter gegroeid. Van de respondenten van de Eurobarometer van 2023 over de houding van Europeanen ten aanzien van tabaks- en aanverwante producten is 3 % huidige gebruiker van elektronische sigaretten, tegenover 2 % in 2020. Een bijzonder zorgwekkend aspect van het gebruik van de nieuwe producten in de afgelopen jaren is hun aantrekkingskracht voor kinderen en jongeren; 54 % van de huidige en vroegere rokers begon zelfs vóór de leeftijd van 19 jaar met roken en 14 % vóór de leeftijd van 15 jaar 2 .

Uit onderzoek blijkt dat secundaire emissies van nieuwe producten mogelijk schadelijke gevolgen voor de gezondheid kunnen hebben. In zijn advies over elektronische sigaretten concludeerde het raadgevende wetenschappelijke comité van de Europese Commissie voor gezondheids-, milieu- en opkomende risico’s (Scientific Committee on Health, Environment and Emerging Risks, SCHEER) dat er weinig tot geringe aanwijzingen zijn voor risico’s op schade aan het ademhalingsstelsel en het hartvaatstelsel en op schade die tot het ontstaan van kanker kan leiden als gevolg van secundaire blootstelling aan aerosolen van elektronische sigaretten 3 . In het kader van het door de EU gefinancierde TackSHS-project kwam naar voren dat de last van secundaire rook nog steeds aanzienlijk is, werden het gezondheidsrisico en de economische kosten voor verschillende lidstaten gekwantificeerd en werden maatregelen voorgesteld om de blootstelling aan secundaire rook te verminderen om de ziektelast bij kinderen en volwassenen te verkleinen 4 . De Wereldgezondheidsorganisatie 5 , 6 , 7 , 8 heeft onlangs in verband met nieuwe producten gewezen op de negatieve gezondheidseffecten van blootstelling aan secundaire aerosolen, naast andere zorgwekkende punten op dit gebied. Er zijn bijvoorbeeld aanwijzingen dat blootstelling aan secundaire emissies van verhitte tabaksproducten samenhangt met significante afwijkingen aan het ademhalingsstelsel en het hartvaatstelsel van omstanders 9 , 10 , 11 , 12 , 13 , 14 . Bovendien stellen secundaire aerosolen uit elektronische sigaretten, zowel die met als zonder nicotine, omstanders bloot aan kwantificeerbare concentraties van zwevende deeltjes en belangrijke giftige en verontreinigende stoffen 15 , 16 , 17 , 18 , 19 , 20 , 21 . In dit verband beschouwt de Wereldgezondheidsorganisatie elektronische sigaretten met nicotine als zeer verslavend en schadelijk voor de gezondheid6,7. Zij stelt ook dat geen enkel niveau van secundaire blootstelling veilig of aanvaardbaar is en dat een voorzichtige aanpak moet worden gevolgd4. Om tot hogere beschermingsniveaus ten aanzien van secundaire rook en aerosolen te komen, moet de rookvrij-wetgeving bovendien breed worden opgezet en ook betrekking hebben op nieuwe producten5. Verschillende lidstaten hebben al beschermende maatregelen genomen, waaronder het verbieden van roken in binnen- en buitenruimten en het verbieden van het gebruik van nieuwe producten in openbare gelegenheden 22 .

Gezien het bovenstaande, en hoewel de empirische onderbouwing voortdurend zal worden aangevuld, is een herziening van de aanbeveling van de Raad om nieuwe producten erin op te nemen, gerechtvaardigd en passend om het risico van blootstelling aan secundaire rook en aerosolen aan te pakken om zo een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid te waarborgen. Deze aanpak is ook afgestemd op de mededeling van de Commissie over het voorzorgsbeginsel 23 .

De voorgestelde uitbreiding van de reikwijdte van de aanbeveling is een belangrijke stap in de richting van de denormalisering van roken en van het gebruik van nieuwe producten die roken zouden kunnen nabootsen, wat cruciaal is voor het streven van een tabaksvrije generatie tegen 2040 in de Unie. Deze uitbreiding van de reikwijdte is bijzonder belangrijk omdat het gebruik, met name door jongeren, van nieuwe producten, en dan vooral producten die nicotine bevatten, een opstapje kan vormen naar later gebruik van traditionele brandbare tabaksproducten. Dit kan leiden tot “duaal gebruik”: dat gebruikers tegelijkertijd conventionele tabak en nieuwe producten consumeren en vaak afwisselen tussen het ene en het andere, afhankelijk van waar wel of niet gerookt mag worden 24 , 25 , 26 , 27 , 28 .

Wat betreft de buitenruimten die niet uitdrukkelijk onder de huidige aanbeveling vallen, is de blootstelling aan secundaire rook en aerosolen momenteel aanzienlijk op plaatsen zoals de buitenruimten bij horecagelegenheden en buitenruimten die bestemd zijn voor gebruik door kinderen en adolescenten. Van de Eurobarometer-respondenten geeft zelfs 74 % aan dat zij de afgelopen 6 maanden te maken hebben gehad met roken op buitenterrassen en zegt 71 % van de respondenten dat op dezelfde plaatsen gebruik van elektronische sigaretten en verhitte tabaksproducten plaatsvond. 42 % van de respondenten zegt dat er werd gerookt in buitenruimten die ook bestemd waren voor gebruik door kinderen en adolescenten, en 49 % van de respondenten zegt dat op diezelfde plaatsen mensen elektronische sigaretten en verhitte tabaksproducten gebruikten2. Het voorstel om het toepassingsgebied van de huidige aanbeveling van de Raad uit te breiden tot specifieke buitenruimten heeft tot doel mensen, en met name kinderen en jongeren, beter te beschermen tegen blootstelling aan secundaire rook en aerosolen.

Ondersteunende acties van de Commissie

De voorgestelde aanbeveling van de Raad bevat aanbevelingen aan de lidstaten ten aanzien van de risico’s van blootstelling aan secundaire rook en aerosolen in bepaalde buitenruimten. De Commissie is van plan een reeks maatregelen uit te voeren om landen bij de uitvoering van de aanbevelingen te ondersteunen.

Ten eerste wil de Commissie de samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van de uitwisseling van beste praktijken voor het versterken en/of ontwikkelen van alomvattende beleidsmaatregelen, programma’s en strategieën voor een rook- en aerosolenvrije omgeving aanmoedigen en/of bevorderen, en steun verlenen voor het ontwerpen en testen van ambitieuze en efficiënte methoden om tot rook- en aerosolenvrije omgevingen te komen. Ten tweede ziet de Commissie mogelijkheden om via bestaande EU-programma’s, discussiefora en samenwerkingsinstrumenten steun te verlenen voor de uitvoering van de aanbeveling door de lidstaten en voor de handhaving van maatregelen ter bestrijding van tabaks- en nicotinegebruik.

De Commissie wil daarnaast de bestrijding van tabaks- en nicotinegebruik en de preventie van verslaving ondersteunen door verder onderzoek te bevorderen. Bij deze onderzoeksinspanningen is men ook van plan in te gaan op nieuwe producten waarvan rook of aerosolen vrijkomen, waaronder verhitte tabaksproducten, elektronische sigaretten die al dan niet nicotine bevatten, en tabakssurrogaten waarvan rook en aerosolen vrijkomen 29 , en alle andere producten waarvan rook en/of aerosolen vrijkomen, evenals producten die nicotine afgeven en producten die in hun gebruik lijken op producten die nicotine afgeven. De Commissie wil ook de internationale samenwerking met betrekking tot de onderwerpen die onder deze aanbeveling vallen versterken, onder meer op het gebied van onderzoek.

Tot slot is de Commissie van plan een preventietoolkit te ontwikkelen ter ondersteuning van een betere bescherming van de gezondheid van kinderen en jongeren in de meest kwetsbare en vormende jaren van hun leven, met aandacht voor de preventie van roken en nicotineverslaving en de onderlinge verbanden tussen geestelijke en lichamelijke gezondheid en belangrijke gezondheidsdeterminanten.

De Commissie is voornemens alle ondersteunende acties uit te voeren in nauwe samenwerking met de lidstaten.

Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Dit voorstel vormt een aanvulling op Richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van Richtlijn 2001/37/EG 30 . In deze richtlijn zijn regels voor tabaks- en aanverwante producten op de EU-markt vastgesteld. Hiermee wordt voorzien in een regelgevingskader voor onder meer verhitte tabaksproducten en elektronische sigaretten. De richtlijn heeft tot doel de werking van de interne markt voor tabaks- en aanverwante producten te verbeteren en tegelijkertijd een hoog niveau van gezondheidsbescherming voor mensen in de Unie te waarborgen.

Dit voorstel zal ook bijdragen tot de verwezenlijking van de tabaksgerelateerde doelstellingen van het Europees kankerbestrijdingsplan, met name de doelstelling om een tabaksvrije generatie tot stand te brengen. In nauwe synergie met het plan ondersteunt de EU-missie inzake kanker 31 deze doelstelling door nieuwe gegevens te verzamelen over preventie en gedragsveranderingen, voortbouwend op onderzoek naar tabak dat is ondersteund door de programmas Horizon 2020 en Horizon Europa 32 .

Dit voorstel vormt een aanvulling op het EU-initiatief “Samen gezonder” betreffende niet-overdraagbare ziekten, dat gericht is op het aanpakken van veelvoorkomende risicofactoren voor kanker en andere niet-overdraagbare ziekten, waaronder tabaksgebruik. Dit voorstel heeft onder meer betrekking op gezondheidsdeterminanten. In de vorm van diverse maatregelen in het kader van het EU4Health-programma voorziet het voorstel in financiering van de Unie voor maatregelen met betrekking tot gezondheidsdeterminanten, gericht op risicofactoren in verband met verschillende niet-overdraagbare ziekten en het ontwikkelen van interventies voor belangrijke horizontale thema’s zoals de bestrijding van tabaksgebruik.

Dit voorstel vormt een aanvulling op, maar heeft een bredere reikwijdte dan, de wereldwijde maatregelen ter bestrijding van tabaksgebruik die zijn vastgelegd in de Kaderovereenkomst van de WHO voor de bestrijding van tabaksgebruik (Framework Convention on Tobacco Control, FCTC), een internationaal verdrag waarbij de Europese Unie en haar lidstaten partij zijn en dat als voornaamste doel heeft de internationale samenwerking te bevorderen met het oog op een doeltreffende, passende en brede internationale aanpak van de verspreiding van de wereldwijde tabaksepidemie. Meer in het bijzonder vormt deze herziening een aanvulling op artikel 8 van de kaderovereenkomst, dat betrekking heeft op de bescherming tegen blootstelling aan tabaksrook.

Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

Dit initiatief is in overeenstemming met het actieplan om de verontreiniging tot nul terug te brengen 33 , waarin, in het kader van de Europese Green Deal, de doelstelling is vastgesteld om de lucht-, water- en bodemverontreiniging tegen 2050 te verminderen tot niveaus die niet langer schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid en de natuurlijke ecosystemen, en waarbij de grenzen van onze planeet in acht worden genomen en zo een gifvrij milieu tot stand wordt gebracht. De herziening van de aanbeveling van de Raad betreffende rookvrije ruimten kan positieve milieueffecten hebben door vermindering van de rook en aerosolen die ontstaan bij het gebruik van nieuwe producten en door vermindering van afval en zwerfafval in de vorm van sigarettenpeuken, kunststof filters en apparaten, met name wegwerpapparaten, die in combinatie met de nieuwe producten worden gebruikt. Bovendien kan de consumptie van traditionele tabak en nieuwe producten een gevaar vormen voor de veiligheid in het milieu, bijvoorbeeld door brand.

Dit voorstel is ook in overeenstemming met de EU-strategie voor de rechten van het kind 34 , waarin wordt benadrukt dat de EU en de lidstaten de rechten van het kind moeten eerbiedigen, beschermen, bevorderen en verwezenlijken. Op een van de thematische gebieden van de strategie wordt verwezen naar het recht op goed leven, onderwijs en gezondheid voor alle kinderen in de EU. De herziening van de aanbeveling van de Raad betreffende rookvrije ruimten heeft met name als doel kinderen en jongeren te beschermen tegen blootstelling aan secundaire rook en aerosolen.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

Dit voorstel is gebaseerd op artikel 168, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), volgens hetwelk de Raad op voorstel van de Commissie aanbevelingen kan aannemen voor de in artikel 168 genoemde doeleinden ter verbetering van de volksgezondheid. Het belangrijkste doel van dit voorstel is mensen in de Unie, en met name kinderen en jongeren, beter te beschermen tegen blootstelling aan secundaire rook en aerosolen. Dit voorstel voor een aanbeveling van de Raad kan dan ook worden vastgesteld op basis van artikel 168, lid 6, VWEU.

Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

Dit voorstel zal bijdragen tot een betere bescherming van de menselijke gezondheid tegen blootstelling aan secundaire rook en aerosolen, zowel binnen de lidstaten als over de grenzen van de lidstaten heen. Optreden van de Unie, in aanvulling op het nationale beleid, zou een duidelijke meerwaarde opleveren bovenop de nationale inspanningen doordat de lidstaten die nog geen uitgebreide wetgeving betreffende een rookvrije omgeving hebben ingevoerd, aanbevelingen daarvoor zouden krijgen. De voorgestelde aanbeveling van de Raad eerbiedigt de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de bepaling van hun gezondheidsbeleid.

Evenredigheid

In dit voorstel voor een aanbeveling van de Raad op grond van artikel 168, lid 6, VWEU is ermee rekening gehouden dat het optreden van de EU, dat overeenkomstig artikel 168, lid 1, VWEU een aanvulling vormt op het nationale beleid, gericht moet zijn op de verbetering van de volksgezondheid. Het doel van dit voorstel is mensen in de Unie beter te beschermen tegen secundaire rook en aerosolen, met bijzondere aandacht voor het opnemen van nieuwe producten en specifieke buitenruimten in de reikwijdte van de aanbeveling. De voorgestelde herziening van de huidige aanbeveling van de Raad1 is geschikt om het beoogde doel te bereiken en gaat niet verder dan wat noodzakelijk en evenredig is, aangezien het tot grotere positieve effecten voor de gezondheid zou leiden. Bovendien worden de economische gevolgen tenietgedaan door de voordelen voor de volksgezondheid en de verwachte besparingen voor de gezondheidszorgstelsels en lagere milieugerelateerde kosten.

Keuze van het instrument

Het gekozen beleidsinstrument voor deze herziening, een voorstel voor een aanbeveling van de Raad, blijft ongewijzigd en is volledig in overeenstemming met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid op het gebied van de volksgezondheid. Het is een niet-bindend instrument dat de lidstaten in staat stelt hun aanpak aan hun nationale behoeften aan te passen.

3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan

n.v.t.

Raadpleging van belanghebbenden

Input en feedback voor dit initiatief werden verzameld via een verzoek om input 35 en diverse gerichte raadplegingsactiviteiten (gerichte enquêtes, gerichte interviews en focusgroepen). Daarbij werden de volgende groepen belanghebbenden geraadpleegd: 1) vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten; 2) maatschappelijke organisaties; 3) vertegenwoordigers van de tabaksindustrie en de industrie voor aanverwante producten; 4) vertegenwoordigers van de horecasector; 5) andere relevante belanghebbenden, bijvoorbeeld in het onderwijs en in sportorganen. Daarnaast werd input over de wijzigingen van de tekst verzameld in een vergadering van de deskundigengroep voor het tabaksbeleid op 3 mei 2023. Tot slot werd schriftelijke feedback over de voorgestelde wijzigingen van de tekst van de aanbeveling ontvangen van het gemeenschappelijk optreden voor de bestrijding van tabaksgebruik (JATC-2).

Op het verzoek om input kon worden gereageerd van 22 juni tot en met 20 juli 2022 en werden 207 reacties ingediend 36 . De meeste niet-gouvernementele organisaties, academische/onderzoeksinstellingen en vertegenwoordigers van nationale bevoegde autoriteiten stonden grotendeels achter de voorgestelde aanpassingen van de aanbeveling van 2009. Enkele van de punten die werden uitgelicht, betroffen het belang van het toevoegen van nieuwe producten (waaronder nicotinevrije producten) en het positieve effect dat de aanpassingen van de aanbeveling zouden hebben voor het aanpakken van de toenemende populariteit, de aanprijzing en het gebruik van nieuwe producten, met name onder kinderen en jongeren. Bovendien werd gewezen op het belang van harmonisatie van de wetgeving betreffende een rook- en aerosolenvrije omgeving in de lidstaten. Bedrijven waren in hun reacties veelal tegen aanpassingen van de aanbeveling gekant.

Bij de gerichte raadplegingsactiviteiten benadrukten de meeste vertegenwoordigers van de nationale bevoegde autoriteiten dat de voorgestelde wijzigingen van de aanbeveling zouden helpen om het publiek te beschermen tegen blootstelling aan secundaire rook en aerosolen. Zij stelden dat het initiatief een positief effect zou hebben op de harmonisatie van rookvrij-beleid in en tussen de lidstaten en dat de daaruit voortvloeiende economische effecten en administratieve lasten gering zouden zijn en niet zouden opwegen tegen de voordelen voor de gezondheid. Er werd gewezen op mogelijke uitdagingen op het gebied van handhaving en naleving.

De meeste van de geraadpleegde maatschappelijke organisaties waren het ermee eens dat de voorgestelde uitbreiding tot nieuwe producten en buitenruimten een positief effect zou hebben op het verminderen van de blootstelling aan secundaire rook/aerosolen en dat dit bijgevolg zou bijdragen tot de bescherming van mensen, en met name kinderen, adolescenten en andere kwetsbare personen, bijvoorbeeld burgers met chronische ziekten of andere reeds bestaande aandoeningen of zwangere vrouwen. Zij merkten ook op dat de herziening van de aanbeveling zou bijdragen tot de denormalisering van roken en van het gebruik van nieuwe producten. Sommige organisaties wezen op het belang van het toekomstbestendig maken van de herziene aanbeveling in het licht van mogelijke ontwikkelingen en trends op het gebied van nieuwe tabaksproducten. Daarnaast lichtten verscheidene organisaties milieuvoordelen eruit, dit tegen een achtergrond van aanzienlijke zorgen over de negatieve milieueffecten van roken en het gebruik van nieuwe producten, bijvoorbeeld door sigarettenpeuken die als zwerfvuil worden weggegooid, de wegwerpproducten onder de vapes en afgedankte batterijen. Tot slot zagen de meeste maatschappelijke organisaties inmenging en lobbywerk door de industrie en de handhaving en naleving als uitdagingen in verband met de herziening.

De geraadpleegde vertegenwoordigers van de tabaksindustrie en de industrie voor aanverwante producten waren het grotendeels oneens met de wijzigingen van de huidige aanbeveling om nieuwe producten en buitenruimten daarin op te nemen. Zij benadrukten dat in het kader van regels voor een rookvrije omgeving, voor nieuwe producten niet dezelfde beperkingen zouden moeten gelden als voor traditionele brandbare tabaksproducten. Sommige vertegenwoordigers van de tabaksindustrie vonden echter wel dat uitbreiding van de regels tot buitenruimten waar kinderen en adolescenten aanwezig zijn, hen zou kunnen helpen beschermen tegen secundaire rook en aerosolen.

Vertegenwoordigers uit de horecasector hadden uiteenlopende standpunten. Sommigen stonden grotendeels achter de voorgestelde wijzigingen van de reikwijdte, zowel wat de producten als de ruimten betreft; zij merkten op dat dit een positief effect zou hebben op de gezondheid van de werknemers in de sector, aangezien het hen zou helpen beschermen tegen blootstelling aan secundaire rook en aerosolen. Anderen stelden zich wat gereserveerder op ten aanzien van de voorgestelde herziening van de aanbeveling, met name wat betreft de maatregel om de buitenruimten van horecagelegenheden erin op te nemen. Vertegenwoordigers van horecabedrijven uitten hun zorgen over het verlies van klanten, hun vrees dat aanpassingen aan nieuwe maatregelen extra geld zouden kosten en dat, in het geval van de hotelsector, klanten zouden kunnen overstappen naar de sector kortetermijnverhuur, wat zou leiden tot oneerlijke concurrentie. Er werden geen kwantitatieve gegevens of schattingen verstrekt om de vermeende negatieve economische effecten te onderbouwen. Vertegenwoordigers van werknemers in de horecasector waren daarentegen van mening dat de economische effecten neutraal en verwaarloosbaar zouden zijn.

Vertegenwoordigers van de tabaksindustrie stelden dat het initiatief de vraag naar zowel traditionele tabaksproducten als nieuwe producten zoals elektronische sigaretten zou doen afnemen, wat ook negatieve gevolgen zou hebben voor de werkgelegenheid in de tabaksindustrie en de industrie voor nieuwe producten.

De deskundigengroep voor het tabaksbeleid en het gemeenschappelijk optreden voor de bestrijding van tabaksgebruik (JATC-2) waren er voorstander van, nieuwe producten en buitenruimten in de aanbeveling op te nemen.

De input, suggesties en aanbevelingen van de lidstaten en andere belanghebbenden zijn geanalyseerd en zoveel mogelijk in aanmerking genomen voor zover in overeenstemming met de relevante en beschikbare wetenschappelijke gegevens. In het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie is een gedetailleerde uiteenzetting van de resultaten van alle raadplegingsactiviteiten opgenomen en staat beschreven en wat daarmee is gedaan.

Bijeenbrengen en gebruik van expertise

Zoals hierboven is vermeld, zijn ter ondersteuning van deze aanbeveling verschillende raadplegingsactiviteiten georganiseerd om relevante belanghebbenden te bereiken en standpunten en ondersteunende informatie in te winnen.

Effectbeoordeling

Een effectbeoordeling werd niet nodig geacht, omdat het voorgestelde initiatief een niet-bindende aanbeveling voor de lidstaten is en ruimte laat voor verschillende nationale benaderingen. Dit initiatief heeft tot doel de eerdere aanbeveling van 2009 bij te werken naar aanleiding van technologische ontwikkelingen sinds 2009 met betrekking tot nieuwe producten, en te voorkomen dat bij de toepassing van de rookvrij-regels in buitenruimten ad hoc wordt besloten en verschillen ontstaan. De studie van 2021 37 over rookvrije omgevingen en reclame voor tabaks- en aanverwante producten liet zien dat de herziening naar verwachting positieve gevolgen voor de gezondheid en de samenleving zou hebben en dat de schaal van de negatieve economische gevolgen die marktdeelnemers kunnen ondervinden, beperkt en/of onbeduidend zou zijn. Het ondersteunende bewijsmateriaal en de conclusies van die studie zijn opgenomen in het begeleidende werkdocument van de diensten van de Commissie.

Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging

n.v.t.

Grondrechten

[…]

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

n.v.t.

5.OVERIGE ELEMENTEN

Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage

De Commissie is voornemens binnen vijf jaar na de vaststelling van deze aanbeveling verslag uit te brengen over de vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering van deze aanbeveling, op basis van de door de lidstaten verstrekte informatie.

Toelichtende stukken (bij richtlijnen)

n.v.t.

Artikelsgewijze toelichting

n.v.t.

2024/0230 (NLE)

Voorstel voor een

AANBEVELING VAN DE RAAD

betreffende rook- en aerosolenvrije omgevingen, ter vervanging van Aanbeveling 2009/C 296/02 van de Raad

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 168, lid 6,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie is blootstelling aan secundaire tabaksrook een belangrijke oorzaak van mortaliteit, morbiditeit en arbeidsongeschiktheid in de hele EU. Deze blootstelling houdt verband met tabaksgebruik, dat nog steeds de belangrijkste oorzaak van vermijdbare vormen van kanker is: 27 % van alle vormen van kanker wordt toegeschreven aan tabaksgebruik.

(2)Tabaksgebruik blijft wereldwijd en in de hele Unie wijdverbreid. In 2023 was naar schatting 24 % van de bevolking van de Europese Unie roker 38 .

(3)De totale jaarlijkse economische kosten van roken werden in 2012 geraamd op 1,4 biljoen USD, wat overeenkomt met 1,8 % van het mondiale bruto binnenlands product (bbp). In de EU kostte het roken van tabak al in 2009 544 miljard EUR, ongeveer 4,6 % van het gecombineerde bbp van de EU27 39 .

(4)Het is passend bij te dragen tot de vermindering van het roken in de Unie, in overeenstemming met de doelstelling van het Europees kankerbestrijdingsplan 40 om een tabaksvrije generatie tot stand te brengen, dat wil zeggen ervoor te zorgen dat slechts 5 % van de bevolking van de Unie tabaksproducten gebruikt, tegenover de huidige 24 %.

(5)De Kaderovereenkomst van de Wereldgezondheidsorganisatie voor de bestrijding van tabaksgebruik is ontwikkeld ter bevordering van een doeltreffende en brede internationale aanpak ten aanzien van de verspreiding van de wereldwijde tabaksepidemie. Artikel 8 van de kaderovereenkomst verplicht de partijen doeltreffende bescherming te bieden tegen tabaksrook in werkruimten, het openbaar vervoer en overdekte ruimten; de bijgevoegde richtsnoeren zijn bedoeld om de partijen te helpen hun verplichtingen uit hoofde van artikel 8 van de kaderovereenkomst na te komen.

(6)In de Europese strategie voor de bestrijding van tabaksgebruik, die in september 2002 door het Regionale Comité voor Europa van de Wereldgezondheidsorganisatie is goedgekeurd, werd aanbevolen dat de lidstaten van de WHO het recht van burgers op een rookvrije omgeving waarborgen door onder andere openbare ruimten, werkplekken en openbare vervoermiddelen rookvrij te maken, en ook buiten roken te verbieden bij alle onderwijsinstellingen voor minderjarigen, plaatsen waar gezondheidszorg wordt geboden en openbare evenementen, en werd verder aanbevolen omgevingstabaksrook als een kankerverwekkende stof in te delen 41 .

(7)De secundaire emissies van nieuwe producten kunnen mogelijk schadelijke gevolgen hebben voor de gezondheid. De Wereldgezondheidsorganisatie benadrukt dat secundaire emissies van nieuwe producten mensen kunnen blootstellen aan mogelijk schadelijke hoeveelheden zwevende deeltjes en belangrijke giftige stoffen.

(8)De Wereldgezondheidsorganisatie 42 , 43 , 44 heeft in verband met nieuwe producten gewezen op de negatieve gezondheidseffecten van blootstelling aan secundaire aerosolen, naast andere zorgwekkende punten op dit gebied. Er zijn bijvoorbeeld recente aanwijzingen dat blootstelling aan secundaire emissies van verhitte tabaksproducten samenhangt met significante afwijkingen aan het ademhalingsstelsel en hartvaatstelsel van omstanders 45 , 46 , 47 , 48 , 49 , 50 . Bovendien stellen secundaire aerosolen uit elektronische sigaretten, zowel die met als zonder nicotine, omstanders bloot aan kwantificeerbare concentraties van zwevende deeltjes en belangrijke giftige en verontreinigende stoffen 51 , 52 , 53 , 54 , 55 , 56 , 57 .

(9)De Wereldgezondheidsorganisatie stelt dat geen enkel niveau van secundaire blootstelling veilig of aanvaardbaar is4 en dat daarom een voorzichtige aanpak moet worden gevolgd. De Wereldgezondheidsorganisatie beveelt aan om maatregelen ter bestrijding van het tabaksgebruik toe te passen, onder meer ter bescherming tegen blootstelling aan elektronische sigaretten 58 4,5.

(10)In zijn advies over elektronische sigaretten uit 2021 59 concludeerde het Wetenschappelijk Comité voor gezondheids-, milieu- en opkomende risico’s (SCHEER) dat er weinig tot geringe aanwijzingen zijn voor risico’s op schade aan het ademhalingsstelsel en het hartvaatstelsel en op schade die tot het ontstaan van kanker kan leiden als gevolg van secundaire blootstelling aan aerosolen van elektronische sigaretten.

(11)Rook- en aerosolenvrije omgevingen zijn een wereldwijd erkende en beproefde aanpak om de gezondheid van mensen adequaat te beschermen tegen de gevolgen van secundaire tabaksrook en aerosolen.

(12)In de afgelopen jaren heeft het marktaandeel van nieuwe producten zoals elektronische sigaretten en verhitte tabaksproducten zich echter solide gevestigd en neemt het gebruik van deze producten toe. Op basis van Eurobarometer-gegevens is de prevalentie van het gebruik van elektronische sigaretten in de Unie 3 % en die van verhitte tabaksproducten 2 %.

(13)Een specifiek punt van zorg in verband met de marktontwikkelingen voor nieuwe producten zoals elektronische sigaretten en verhitte tabaksproducten, is de toename van het gebruik onder en de aantrekkingskracht ervan voor kinderen en jongeren.

(14)Blootstelling aan secundaire rook en aerosolen zou bijzonder gevaarlijk kunnen zijn voor kinderen en adolescenten en kan de waarschijnlijkheid verhogen dat zij later zelf ook gaan roken4,5,6.

(15)In 2023 is naar schatting 54 % van de huidige en vroegere rokers vóór de leeftijd van 19 jaar begonnen regelmatig te roken; 14 % begint vóór de leeftijd van 15 jaar, tijdens de kindertijd1.

(16)Het gebruik, met name door jongeren, van nieuwe producten die nicotine bevatten, is in verband gebracht met verslaving en kan een opstapje vormen naar later gebruik van traditionele tabaksproducten4.

(17)Het is niet alleen belangrijk om rekening te houden met de recente technologische en marktontwikkelingen in verband met nieuwe producten, maar ook om de nationale regelgevingskaders voor rook- en aerosolen beter onderling af te stemmen en toekomstbestendiger te maken.

(18)De secundaire blootstelling aan rook en aerosolen is momenteel aanzienlijk op plaatsen zoals de buitenruimten bij horecagelegenheden en buitenruimten die ook bestemd zijn voor gebruik door kinderen en adolescenten. In Eurobarometer-gegevens uit 2023 geeft 74 % van de Eurobarometer-respondenten aan dat zij de afgelopen 6 maanden te maken hebben gehad met roken op buitenterrassen en zegt 71 % van de respondenten dat op dezelfde plaatsen gebruik van elektronische sigaretten en verhitte tabaksproducten plaatsvond. 42 % van de respondenten zegt dat er werd gerookt in buitenruimten die ook bestemd waren voor gebruik door kinderen en adolescenten, en 49 % van de respondenten zegt dat op diezelfde plaatsen mensen elektronische sigaretten en verhitte tabaksproducten gebruikten1.

(19)Verschillende lidstaten hebben al beschermende maatregelen genomen, waaronder het verbieden van roken in binnen- en buitenruimten en het verbieden van het gebruik van nieuwe producten in openbare gelegenheden 60 , 61 .

(20)Het is daarom passend de reikwijdte van de aanbeveling uit te breiden tot specifieke buitenruimten om mensen in de Unie, en met name kinderen, jongeren en kwetsbare personen, bijvoorbeeld burgers met chronische ziekten of andere reeds bestaande aandoeningen of zwangere vrouwen, beter te beschermen tegen blootstelling aan secundaire rook en aerosolen van nieuwe producten, bijvoorbeeld verhitte tabaksproducten, elektronische sigaretten die al dan niet nicotine bevatten, tabakssurrogaten en alle andere producten waarvan rook en/of aerosolen vrijkomen.

(21)Ter onderbouwing van de herziening van de aanbeveling werd in juni en juli 2022 een verzoek om input opengesteld en zijn van maart tot en met mei 2023 met gerichte raadplegingsactiviteiten vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, maatschappelijke organisaties, relevante marktdeelnemers en andere relevante belanghebbenden geraadpleegd.

(22)De Commissie wil de lidstaten ondersteunen bij de doeltreffende uitvoering van de aanbeveling middels bestaande EU-programma’s en samenwerkingsinstrumenten.

(23)De Commissie wil met name helpen om het onderzoek op dit gebied op een hoger plan te brengen. Bij deze onderzoeksinspanningen moet worden ingegaan op nieuwe producten (zoals elektronische sigaretten die al dan niet nicotine bevatten, en verhitte tabaksproducten); tabakssurrogaten waarvan rook of aerosolen vrijkomen en alle andere producten waarvan rook en/of aerosolen vrijkomen; producten die nicotine afgeven en producten die in hun gebruik lijken op producten die nicotine afgeven. Het is ook de bedoeling de internationale samenwerking te versterken, onder meer op het gebied van onderzoek, met betrekking tot de onderwerpen die onder deze aanbeveling vallen.

(24)De Commissie is van plan een preventietoolkit te ontwikkelen ter ondersteuning van een betere bescherming van de gezondheid van kinderen en jongeren in de meest kwetsbare en vormende jaren van hun leven, met aandacht voor de preventie van roken en nicotineverslaving en de onderlinge verbanden tussen geestelijke en lichamelijke gezondheid en belangrijke gezondheidsdeterminanten.

(25)De bijgevoegde “Richtsnoeren inzake bescherming tegen blootstelling aan tabaksrook, zoals goedgekeurd door de tweede conferentie van de partijen bij de Kaderovereenkomst van de WHO voor de bestrijding van tabaksgebruik” moeten in aanmerking worden genomen. De lidstaten moeten worden aangemoedigd om verder te gaan dan de maatregelen die in die richtsnoeren beschreven staan.

(26)Deze aanbeveling heeft een bredere reikwijdte dan Aanbeveling 2009/C 296/02 en vervangt deze, met als doel de mensen in de Unie beter te beschermen tegen secundaire rook en aerosolen, een positieve bijdrage te leveren aan de tabakgerelateerde doelstellingen van het Europees kankerbestrijdingsplan en bij te dragen tot de vermindering van de prevalentie en tot de denormalisering van roken en het gebruik van nieuwe producten,

BEVEELT AAN DAT DE LIDSTATEN:

1.Zorgen voor doeltreffende bescherming tegen blootstelling aan tabaksrook in overdekte werkruimten, overdekte openbare ruimten en het openbaar vervoer, zoals bepaald in artikel 8 van het Kaderverdrag van de Wereldgezondheidsorganisatie voor de bestrijding van tabaksgebruik (WHO FCTC) en op basis van de bijgevoegde richtsnoeren inzake bescherming tegen blootstelling aan tabaksrook die door de tweede Conferentie van de partijen bij het FCTC zijn goedgekeurd.

2.Doeltreffende bescherming bieden in overdekte werkruimten, overdekte openbare ruimten en het openbaar vervoer tegen blootstelling aan secundaire emissies die ontstaan bij het gebruik van nieuwe producten waarvan rook of aerosolen vrijkomen, bijvoorbeeld verhitte tabaksproducten, elektronische sigaretten die al dan niet nicotine bevatten, tabakssurrogaten en alle andere producten waarvan rook en/of aerosolen vrijkomen.

3.Doeltreffende bescherming bieden tegen blootstelling aan secundaire rook en aerosolen in bepaalde buitenruimten bestemd voor recreatie, met name wanneer kinderen daar vaak aanwezig kunnen zijn. Deze zouden openbare speelplaatsen, pretparken, zwembaden, dierentuinen en andere soortgelijke buitenruimten moeten omvatten.

4.Doeltreffende bescherming bieden tegen secundaire rook en aerosolen in buitenruimten of semi-buitenruimten (bv. gedeeltelijk overdekte, ommuurde, omheinde of anderszins afgebakende gebieden naast of dicht bij een locatie, met inbegrip van daken, balkons, portieken of binnenplaatsen) die verband houden met dienstverlenende voorzieningen. Deze zouden buitenruimten van restaurants, bars, cafés en buitenruimten van andere soortgelijke locaties moeten omvatten.

5.Doeltreffende bescherming bieden tegen secundaire rook en aerosolen in alle buitenruimten of semi-buitenruimten die verband houden met het openbaar vervoer, met inbegrip van bus-, tram- en treinhaltes en -stations en luchthavens.

6.Doeltreffende bescherming bieden tegen secundaire rook en aerosolen in alle buitenruimten die verband houden met een werkruimte.

7.Doeltreffende bescherming bieden tegen secundaire rook en aerosolen in alle buitenruimten van gebouwen die verband houden met de gezondheidszorg. Deze zouden ziekenhuizen, klinieken, gezondheidscentra, verpleeghuizen en soortgelijke gebouwen moeten omvatten.

8.Doeltreffende bescherming bieden tegen secundaire rook en aerosolen in alle buitenruimten van locaties waar kinderen en jongeren onderwijs en opleidingen volgen. Dit zou ruimten moeten omvatten rondom instellingen voor voorschoolse kinderopvang, basis- en middelbare scholen, instellingen voor beroepsonderwijs en -opleidingen, universiteiten, jeugdcentra en soortgelijke locaties.

9.Overwegen of andere buitenruimten waar naar verwachting burgers, met inbegrip van kinderen, minderjarigen of kwetsbare personen, zullen samenkomen, niet ook onderwerp moeten zijn van aanvullende acties ter preventie van tabaks- en nicotinegebruik en -verslaving en om te komen tot uitgebreide rook- en aerosolenvrije omgevingen. Deze ruimten kunnen onder meer buitenruimten omvatten waar evenementen worden georganiseerd, theateropstellingen en toeschouwerszones bij openbare evenementen, en ruimten bij voor het publiek toegankelijke gebouwen waar waarschijnlijk veel voetgangers voorbijkomen (bv. ingangen van winkelcentra, pleinen en binnenplaatsen bij voor het publiek toegankelijke gebouwen).

10.Overwegen of andere ruimten, zoals particuliere voertuigen waarin kinderen, minderjarigen of kwetsbare personen aanwezig zijn, niet ook onderwerp moeten zijn van aanvullende acties ter preventie van tabaks- en nicotinegebruik en -verslaving en om te komen tot uitgebreide rook- en aerosolenvrije omgevingen.

11.Beleid voor rook- en aerosolenvrije omgevingen ontwikkelen en/of versterken, met name door:

a)de ontwikkeling van nationale strategieën en programma’s om een doeltreffende bescherming tegen blootstelling aan secundaire rook en aerosolen te waarborgen;

b)preventie-, stoppen-met-roken- en bewustmakingscampagnes te voeren en/of te ontwikkelen, zoals voorlichtings- en informatiecampagnes om ervoor te zorgen dat maatregelen voor een rook- en aerosolenvrije omgeving worden nageleefd. Dergelijke campagnes kunnen ook deel uitmaken van initiatieven tegen verslaving. Zij kunnen gebaseerd zijn en/of een aanvulling vormen op preventie-initiatieven die zijn opgenomen in het Europees kankerbestrijdingsplan;

c)te zorgen voor passende structuren en mechanismen om de naleving te bevorderen en beste praktijken toe te passen en/of te ontwikkelen die de uitvoering en handhaving van maatregelen voor rook- en aerosolenvrije omgevingen kunnen verbeteren.

12. Samenwerken op het gebied van de uitwisseling van beste praktijken voor het ontwikkelen van nieuwe of het versterken van bestaande beleidsmaatregelen, programma’s en strategieën op het gebied van rook- en aerosolenvrije omgevingen om ervoor te zorgen dat deze volledig zijn, en van het ontwerpen en testen van ambitieuze en efficiënte methoden om tot rook- en aerosolenvrije omgevingen te komen.

13. Nauw samenwerken, onderling en met de Commissie, om een samenhangend kader van definities, benchmarks en indicatoren te ontwikkelen voor de doeltreffende uitvoering van deze aanbeveling, en de maatregelen ervan waar nodig monitoren, evalueren en bijwerken.

14.Verslag uitbrengen aan de Commissie, met name aan de deskundigengroep inzake volksgezondheid en de deskundigengroep voor het tabaksbeleid, over de uitvoering van en de voortgang bij de maatregelen die worden genomen, aanvankelijk drie jaar na de vaststelling van deze aanbeveling en vervolgens elke vijf jaar.

Aanbeveling 2009/C 296/02 wordt vervangen door deze aanbeveling.

Gedaan te Straatsburg,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1)    Aanbeveling van de Raad van 30 november 2009 betreffende rookvrije ruimten (PB C 296 van 5.12.2009, blz. 4).
(2)    Speciale Eurobarometer 539, 2023, Attitudes of Europeans towards tobacco and related products, ISBN: 978-92-68-07599-9.
(3)    SCHEER (Wetenschappelijk Comité voor gezondheids-, milieu- en opkomende risico’s), Opinion on electronic cigarettes, 16 april 2021.
(4)     https://www.tackshs.eu/wp-content/uploads/2019/10/TackSHS-leaflet_20191023.pdf .
(5)    Wereldgezondheidsorganisatie, Report on the global tobacco epidemic 2021: addressing new and emerging products, 2021, ISBN: 978 92 4 003209 5, blz. 30-38.
(6)    Wereldgezondheidsorganisatie, Report on the global tobacco epidemic 2023: protect people from tobacco smoke, 2023, ISBN: 978-92-4-007716-4, blz. 31-32.
(7)    Wereldgezondheidsorganisatie, “Technical note on the call to action on electronic cigarettes”, 2023, blz. 3-4, https://www.who.int/publications/m/item/technical-note-on-call-to-action-on-electronic-cigarettes .
(8)    Wereldgezondheidsorganisatie, “Electronic cigarettes: call to action”, 2023, https://www.who.int/publications/m/item/electronic-cigarettes---call-to-action .
(9)    Wereldgezondheidsorganisatie, “Heated tobacco products: summary of research and evidence of health impacts”, 2023, blz. 12-13, https://www.who.int/publications/i/item/9789240042490 .
(10)    Wereldgezondheidsorganisatie, WHO study group on tobacco product regulation: report on the scientific basis of tobacco product regulation: eighth report of a WHO study group, 2021, https://www.who.int/publications/i/item/9789240022720 .
(11)    Yoshioka, T., Shinozaki, T., Hori, A., Okawa, S., Nakashima, K., Tabuchi, T., “Association between exposure to secondhand aerosol from heated tobacco products and respiratory symptoms among current non-smokers in Japan: a cross-sectional study”, BMJ Open, 2023;13:e065322, doi: 10.1136/bmjopen-2022-065322.
(12)    Imura, Y., Tabuchi, T., “Exposure to secondhand heated-tobacco-product aerosol may cause similar incidence of asthma attack and chest pain to secondhand cigarette exposure: the JASTIS 2019 study”, International Journal of Environmental Research and Public Health, 2021;18(4):1766, doi: 10.3390/ijerph18041766.
(13)    Uguna, C.N., Snape, C.E., “Should IQOS emissions be considered as smoke and harmful to health? A review of the chemical evidence”, ACS Omega, 2022;7(26):2211124, doi: 10.1021/acsomega.2c01527.
(14)    Auer, R., Concha-Lozano, N., Jacot Sadowski, I., Cornuz, J., Berthet, A., “Heat-not-burn tobacco cigarettes: smoke by any other name”, JAMA Internal Medicine, 2017;177(7):10502, doi: 10.1001/jamainternmed.2017.1419.
(15)    Fernández, E., Ballbè, M., Sureda, X., Fu, M., Saltó, E., Martínez-Sánchez, J.M., “Particulate matter from electronic cigarettes and conventional cigarettes: a systematic review and observational study”, Current Environmental Health Reports, 2015;2(4):4239, doi: 10.1007/s40572- 015-0072-x.
(16)    Li, L., Lin, Y., Xia, T., Zhu, Y., “Effects of electronic cigarettes on indoor air quality and health”, Annual Review of Public Health, 2020;41(1):36380, doi: 10.1146/annurev-publhealth-040119-094043.
(17)    Hess, I., Lachireddy, K., Capon, A., “A systematic review of the health risks from passive exposure to electronic cigarette vapour”, Public Health Research & Practice, 2016;26(2).
(18)    Borgini, A., Veronese, C., De Marco, C., Boffi, R., Tittarelli, A., Bertoldi, M. et al., “Particulate matter in aerosols produced by two last generation electronic cigarettes: a comparison in a real-world environment”, Pulmonology, 2021.
(19)    “Exposure to aerosols from smoking-proxy electronic inhaling systems: a systematic review”, Barcelona: Unita de Control del Tabac, Institut Català d’Oncologia, 2016.
(20)    Lerner, C.A., Sundar, I.K., Yao, H., Gerloff, J., Ossip, D.J., McIntosh, S. et al., “Vapors produced by electronic cigarettes and e-juices with flavorings induce toxicity, oxidative stress, and inflammatory response in lung epithelial cells and in mouse lung”, PLoS One, 2015;10(2):e0116732.
(21)    Glantz, S.A., Nguyen, N. & Oliveira da Silva, A.L., 2024, “Population-Based Disease Odds for E-Cigarettes and Dual Use versus Cigarettes”, NEJM Evidence, 3(3), DOI: 10.1056/EVIDoa2300229.
(22)    Enkele voorbeelden van lidstaten die reeds beschermende maatregelen hebben genomen, zijn Spanje, Letland en Zweden (werkdocument van de diensten van de Commissie bij de aanbeveling van de Raad betreffende rook- en aerosolenvrije omgevingen, ter vervanging van Aanbeveling 2009/C 296/02 van de Raad).
(23)    Mededeling van de Commissie over het voorzorgsbeginsel, COM/2000/0001 definitief.
(24)    Speciale Eurobarometer 506, 2021, “Attitudes of Europeans towards tobacco and electronic cigarettes,” ISBN: 978-92-76-27171-0, blz. 10.
(25)    Wereldgezondheidsorganisatie, Report on the global tobacco epidemic 2021: addressing new and emerging products, 2021, ISBN: 978 92 4 003209 5, blz. 36.
(26)    Kalkhoran, S., Glantz, S.A., “E-cigarettes and smoking cessation in real-world and clinical settings: a systematic review and meta-analysis”, Lancet Respiratory Medicine, 2016;4(2):11628.
(27)    Felicione, N.J., Ozga-Hess, J.E., Ferguson, S.G., Dino, G., Kuhn, S., Haliwa, I. et al., “Cigarette smokers’ concurrent use of smokeless tobacco: dual use patterns and nicotine exposure,” Tobacco Control, 2021;30(1):2429.
(28)    Wang, J.B., Olgin, J.E., Nah, G., Vittinghoff, E., Cataldo, J.K., Pletcher, M.J. et al., “Cigarette and e-cigarette dual use and risk of cardiopulmonary symptoms in the Health eHeart Study”, PLoS One, 2018;13(7):e0198681.
(29)    In het kader van dit voorstel voor een aanbeveling van de Raad zijn tabakssurrogaten niet-tabaksproducten waarvan rook of aerosolen vrijkomen en die tegelijk met tabaksproducten kunnen worden gebruikt of die het gebruik van tabaksproducten kunnen weerspiegelen.
(30)    PB L 127 van 29.4.2014, blz. 1.
(31)     https://research-and-innovation.ec.europa.eu/funding/funding-opportunities/funding-programmes-and-open-calls/horizon-europe/eu-missions-horizon-europe/eu-mission-cancer_en .
(32)    In het kader van de programmas Horizon 2020 en Horizon Europa werden meer dan 55 projecten op het gebied van onderzoek naar tabak gefinancierd, voor in totaal ongeveer 110 miljoen EUR.
(33)    “Route naar een gezonde planeet voor iedereen — EU-actieplan: Verontreiniging van lucht, water en bodem naar nul”, COM(2021400 final.
(34)    “EU-strategie voor de rechten van het kind”, COM(2021142 final.
(35)    Geef uw mening: Rookvrije ruimten — geüpdatete aanbeveling. Verzoek om input , 22 juni 2022  20 juli 2022.
(36)    Er werden reacties ontvangen van EU-burgers (101), bedrijven, consumenten- en handelsorganisaties (47), niet-gouvernementele organisaties (28), academische/onderzoeksinstellingen (6) en overheidsinstanties van de lidstaten (4).
(37)    Directoraat-generaal Gezondheid en Voedselveiligheid van de Europese Commissie, studie over rookvrije omgevingen en reclame voor tabaks- en aanverwante producten , 2021, ISBN: 978-92-76-42343-0.
(38)    Speciale Eurobarometer 539, 2023, Attitudes of Europeans towards tobacco and related products, ISBN: 978-92-68-07599-9.
(39)    Health Promotion (who.int), Tobacco and Smoking | Knowledge for policy (europa.eu).
(40)    Mededeling van de Commissie over het Europees kankerbestrijdingsplan, COM/2021/44 final.
(41)    Wereldgezondheidsorganisatie, 2002, European Strategy for Tobacco Control, https://iris.who.int/handle/10665/107455.
(42)    Wereldgezondheidsorganisatie, Report on the global tobacco epidemic 2023: protect people from tobacco smoke, 2023, ISBN: 978-92-4-007716-4, blz. 31-32.
(43)    Wereldgezondheidsorganisatie, “Technical note on the call to action on electronic cigarettes”, 2023, blz. 3-4, https://www.who.int/publications/m/item/technical-note-on-call-to-action-on-electronic-cigarettes .
(44)    Wereldgezondheidsorganisatie, “Electronic cigarettes: call to action”, 2023, https://www.who.int/publications/m/item/electronic-cigarettes---call-to-action .
(45)    Wereldgezondheidsorganisatie, “Heated tobacco products: summary of research and evidence of health impacts.”, 2023, blz. 12-13, https://www.who.int/publications/i/item/9789240042490.
(46)    Wereldgezondheidsorganisatie, WHO study group on tobacco product regulation: report on the scientific basis of tobacco product regulation: eighth report of a WHO study group, 2021, https://www.who.int/publications/i/item/9789240022720.
(47)    Yoshioka, T., Shinozaki, T., Hori, A., Okawa, S., Nakashima, K., Tabuchi, T., “Association between exposure to secondhand aerosol from heated tobacco products and respiratory symptoms among current non-smokers in Japan: a cross-sectional study”, BMJ Open, 2023;13:e065322, doi: 10.1136/ bmjopen-2022-065322.
(48)    Imura, Y., Tabuchi, T., “Exposure to secondhand heated-tobacco-product aerosol may cause similar incidence of asthma attack and chest pain to secondhand cigarette exposure: the JASTIS 2019 study”, International Journal of Environmental Research and Public Health, 2021;18(4):1766, doi: 10.3390/ijerph18041766.
(49)    Uguna C.N., Snape C.E., “Should IQOS emissions be considered as smoke and harmful to health? A review of the chemical evidence”, ACS Omega, 2022;7(26):2211124, doi: 10.1021/ acsomega.2c01527.
(50)    Auer, R., Concha-Lozano, N., Jacot Sadowski, I., Cornuz, J., Berthet, A., “Heat-not-burn tobacco cigarettes: smoke by any other name”, JAMA Internal Medicine, 2017;177(7):10502, doi: 10.1001/ jamainternmed.2017.1419.
(51)    Fernández, E., Ballbè, M., Sureda, X., Fu, M., Saltó, E., Martínez-Sánchez, J.M., “Particulate matter from electronic cigarettes and conventional cigarettes: a systematic review and observational study”, Current Environmental Health Reports, 2015;2(4):4239, doi: 10.1007/s40572- 015-0072-x.
(52)    Li, L., Lin, Y., Xia, T., Zhu, Y., “Effects of electronic cigarettes on indoor air quality and health”, Annual Review of Public Health, 2020;41(1):36380, doi: 10.1146/annurev-publhealth-040119-094043.
(53)    Hess, I., Lachireddy, K., Capon, A., “A systematic review of the health risks from passive exposure to electronic cigarette vapour”, Public Health Research & Practice, 2016;26(2).
(54)    Borgini, A., Veronese, C., De Marco, C., Boffi, R., Tittarelli, A., Bertoldi, M. et al., “Particulate matter in aerosols produced by two last generation electronic cigarettes: a comparison in a real-world environment”, Pulmonology, 2021.
(55)    “Exposure to aerosols from smoking-proxy electronic inhaling systems: a systematic review”, Barcelona: Unita de Control del Tabac, Institut Català d’Oncologia, 2016.
(56)    Lerner, C.A., Sundar, I.K., Yao, H., Gerloff, J., Ossip, D.J., McIntosh, S. et al., “Vapors produced by electronic cigarettes and e-juices with flavorings induce toxicity, oxidative stress, and inflammatory response in lung epithelial cells and in mouse lung”, PLoS One, 2015;10(2):e0116732.
(57)    Glantz, S.A., Nguyen, N. & Oliveira da Silva, A.L., 2024, “Population-Based Disease Odds for E-Cigarettes and Dual Use versus Cigarettes”, NEJM Evidence, 3(3), DOI: 10.1056/EVIDoa2300229.
(58)    “Applying tobacco control measures to e-cigarettes, including the supply and demand reduction measures of the WHO FCTC” (blz. 3, https://cdn.who.int/media/docs/default-source/tobacco-hq/regulating-tobacco-products/ends-call-to-action.pdf?sfvrsn=ea4c4fdb_12&download=true , m.b.t. de Kaderovereenkomst van de Wereldgezondheidsorganisatie voor de bestrijding van tabaksgebruik (blz. 8, https://iris.who.int/bitstream/handle/10665/42811/9241591013.pdf?sequence=1 ).
(59)    SCHEER (Wetenschappelijk Comité voor gezondheids-, milieu- en opkomende risico’s), Opinion on electronic cigarettes, 16 april 2021.
(60)    Werkdocument van de diensten van de Commissie bij de aanbeveling van de Raad betreffende rook- en aerosolenvrije omgevingen, ter vervanging van Aanbeveling 2009/C 296/02 van de Raad, [reference].
(61)    Studie over rookvrije omgevingen en reclame voor tabaks- en aanverwante producten, 2021.
Top

Straatsburg, 17.9.2024

COM(2024) 55 final

BIJLAGEN

bij

Voorstel voor een
AANBEVELING VAN DE RAAD

betreffende rook- en aerosolenvrije omgevingen, ter vervanging van Aanbeveling 2009/C 296/02 van de Raad

{SWD(2024) 55 final} - {SWD(2024) 56 final}


BIJLAGE

Richtsnoeren inzake bescherming tegen blootstelling aan tabaksrook, zoals goedgekeurd door de tweede conferentie van de partijen bij de Kaderovereenkomst van de WHO voor de bestrijding van tabaksgebruik

DOEL, DOELSTELLINGEN EN CENTRALE OVERWEGINGEN

Doel van de richtsnoeren

1.Deze richtsnoeren zijn, in overeenstemming met andere bepalingen van de WHO-kaderovereenkomst inzake de bestrijding van het tabaksgebruik en de voornemens van de conferentie van de partijen, bedoeld om de partijen bij te staan in het nakomen van hun verplichtingen volgens artikel 8 van de overeenkomst. Zij zijn gebaseerd op de beste beschikbare gegevens en de ervaring van partijen die doeltreffende maatregelen om de blootstelling aan tabaksrook te beperken succesvol hebben geïmplementeerd.

2.In de richtsnoeren worden de beginselen en definities van relevante begrippen vermeld waarover overeenkomst bestaat, alsmede de overeengekomen aanbevelingen voor de te zetten stappen om aan de verplichtingen van de overeenkomst te voldoen. Daarenboven staan in de richtsnoeren de noodzakelijke maatregelen voor het bereiken van een doeltreffende bescherming tegen de gevaren van secundaire tabaksrook. De partijen worden aangemoedigd om deze richtsnoeren te gebruiken, niet alleen om de volgens de overeenkomst bepaalde wettelijke verplichtingen na te komen, maar ook voor de goede praktijk inzake de bescherming van de volksgezondheid.

Doelstellingen van de richtsnoeren

3.Deze richtsnoeren hebben twee samenhangende doelstellingen. De eerste is de partijen bij te staan in het nakomen van hun verplichtingen volgens artikel 8 van de WHO-kaderovereenkomst, op een manier die strookt met het wetenschappelijke bewijsmateriaal inzake blootstelling aan secundaire tabaksrook en de goede praktijk die op wereldvlak in de uitvoering van rookvrij-maatregelen bestaat, teneinde een hoge standaard te stellen voor wat de aansprakelijkheid op het vlak van naleving van de verdragen betreft, en de partijen in het bevorderen van de hoogst haalbare gezondheidsstandaard bij te staan. De tweede doelstelling is het bepalen van de sleutelelementen in de wetgeving, die nodig zijn om de bevolking op een doeltreffende manier tegen blootstelling aan tabaksrook te beschermen, zoals bepaald in artikel 8.

Onderliggende overwegingen

4.De ontwikkeling van deze richtsnoeren werd beïnvloed door volgende fundamentele overwegingen:

a)de plicht om mensen te beschermen tegen tabaksrook, zoals in de tekst van artikel 8 is weergegeven, vindt haar oorsprong in de fundamentele mensenrechten en vrijheden. Gezien de gevaren van het inademen van secundaire tabaksrook vloeit de plicht om te beschermen tegen tabaksrook onder andere voort uit het recht op leven en het recht op de hoogst haalbare gezondheidsstandaard, zoals dat volgens veel internationale wettelijke instrumenten is erkend (inclusief het Statuut van de Wereldgezondheidsorganisatie, het verdrag inzake de rechten van het kind, het verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen en het verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten), zoals formeel opgenomen in de preambule van de WHO-kaderovereenkomst en erkend in de grondwet van vele naties;

b)de plicht om mensen tegen tabaksrook te beschermen houdt in dat een regering verplicht is om wetgeving aan te nemen teneinde de bevolking tegen de bedreiging van haar grondrechten en vrijheden te beschermen. De verplichting geldt voor iedereen, en niet alleen voor bepaalde bevolkingsgroepen;

c)verscheidene gezaghebbende wetenschappelijke instanties hebben vastgesteld dat secundaire tabaksrook kankerverwekkend is. Sommige partijen van de WHO-kaderovereenkomst (bijvoorbeeld Duitsland en Finland) hebben secundaire tabaksrook als een kankerverwekkende stof geclassificeerd en hebben de bescherming tegen blootstelling op het werk in hun wetgeving op het gebied van gezondheid en veiligheid opgenomen. Behalve de bepalingen van artikel 8 kunnen partijen ook worden verplicht het gevaar van blootstelling aan tabaksrook aan te pakken overeenkomstig hun bestaande wetgeving inzake werkruimten en andere wetgeving over blootstelling aan schadelijke stoffen, waaronder kankerverwekkende stoffen.

BEGINSELVERKLARING EN RELEVANTE DEFINITIES INZAKE BESCHERMING TEGEN BLOOTSTELLING AAN TABAKSROOK

Beginselen

5.Zoals bepaald in artikel 4 van de WHO-kaderovereenkomst is sterke politieke betrokkenheid nodig om maatregelen te nemen zodat iedereen tegen blootstelling aan tabaksrook wordt beschermd. De uitvoering van artikel 8 van de overeenkomst moet op volgende overeengekomen beginselen steunen.

Beginsel 1

6.Doeltreffende maatregelen om tegen blootstelling aan tabaksrook bescherming te bieden, zoals bepaald in artikel 8 van de WHO-kaderovereenkomst, vereisen de volledige uitbanning van roken en tabaksrook in een bepaalde ruimte of omgeving teneinde een 100 % rookvrije omgeving te scheppen. Er bestaat geen veilig niveau van blootstelling aan tabaksrook en noties zoals een drempelwaarde voor toxiciteit door secundaire tabaksrook moeten worden verworpen, omdat deze door wetenschappelijk bewijsmateriaal worden tegengesproken. Benaderingen waarbij niet naar een 100 % rookvrije omgeving wordt gestreefd, bijvoorbeeld met ventilatie, luchtfiltering en het gebruik van rookzones (al dan niet met gescheiden ventilatiesystemen) zijn herhaaldelijk ondoeltreffend gebleken en er zijn sluitende bewijzen voor dat technische oplossingen tegen tabaksrook geen bescherming bieden.

Beginsel 2

7.Iedereen moet tegen blootstelling aan tabaksrook worden beschermd. Alle overdekte werk- en openbare ruimten moeten rookvrij zijn.

Beginsel 3

8.Er is wetgeving nodig om mensen tegen blootstelling aan tabaksrook te beschermen. Rookvrij-beleidsmaatregelen op basis van vrijwilligheid zijn bij herhaling ondoeltreffend gebleken en bieden geen passende bescherming. Om doeltreffend te zijn, moet de wetgeving eenvoudig, duidelijk en afdwingbaar zijn.

Beginsel 4

9.Een goede planning en passende middelen zijn essentieel voor een succesvolle uitvoering en handhaving van de rookvrij-wetgeving.

Beginsel 5

10.De maatschappelijke organisaties spelen een centrale rol in de ondersteuning en de handhaving van rookvrij-maatregelen en moeten een actieve partner in de ontwikkeling, uitvoering en handhaving van de wetgeving zijn.

Beginsel 6

11.De uitvoering van een rookvrij-wetgeving, haar handhaving en impact moeten gecontroleerd en beoordeeld worden. Daarbij hoort het controleren van en reageren op de activiteiten van de tabaksindustrie die de uitvoering en handhaving van de wetgeving ondermijnen, zoals in artikel 20, lid 4, van de WHO-kaderovereenkomst omschreven.

Beginsel 7

12.De bescherming van mensen tegen blootstelling aan tabaksrook moet waar nodig worden verbeterd en uitgebreid; een dergelijke maatregel houdt eventueel een nieuwe of gewijzigde wetgeving in, een verbeterde handhaving en andere maatregelen die nieuw, wetenschappelijk bewijsmateriaal en ervaringen uit casestudy's weergeven.

Definities

13.Bij de ontwikkeling van wetgeving is het belangrijk te zorgen voor een goede definitie van sleutelbegrippen. Verschillende aanbevelingen voor passende definities die op de ervaringen van verschillende landen zijn gebaseerd, worden hier vastgelegd. De definities in deze afdeling zijn een aanvulling bij de definities die al in de WHO-kaderovereenkomst stonden.

“Secundaire tabaksrook” of “omgevingstabaksrook”

14.Verscheidene alternatieve begrippen worden algemeen gebruikt om het soort rook waarvan sprake in artikel 8 van de WHO-kaderovereenkomst te beschrijven. Dat zijn onder andere “secundaire tabaksrook”, “omgevingstabaksrook” en “de rook van anderen”. Begrippen zoals “passief roken” en “onvrijwillige blootstelling aan tabaksrook” moeten worden vermeden, omdat in Frankrijk en elders is ervaren dat de tabaksindustrie deze begrippen kan gebruiken om het idee te ondersteunen dat “vrijwillige” blootstelling aanvaardbaar is. De begrippen “secundaire tabaksrook” en “omgevingstabaksrook”, in het Engels soms afgekort tot respectievelijk “SHS” (second-hand tobacco smoke) en “ETS” (environmental tobacco smoke) krijgen de voorkeur; in deze richtsnoeren wordt “secundaire tabaksrook” gebruikt.

15.Secundaire tabaksrook kan worden gedefinieerd als “de rook afkomstig van het brandende uiteinde van een sigaret of ander tabaksproduct, gewoonlijk in combinatie met de rook die de roker uitademt”.

16.“Rookvrije lucht” is lucht die 100 % rookvrij is. Deze definitie omvat, maar is niet beperkt tot, lucht waarin tabaksrook niet kan worden gezien, geroken, gevoeld of gemeten 1 .

“Roken”

17.Aan de definitie van dit begrip moet het in bezit of onder controle hebben van een aangestoken tabaksproduct, ongeacht of de rook actief wordt ingeademd of uitgeademd, worden toegevoegd.

“Openbare ruimten”

18.Aangezien de precieze definitie van “openbare ruimten” per land zal variëren, is het belangrijk dat dit begrip in wetgeving zo breed mogelijk wordt gedefinieerd. De gebruikte definitie moet alle voor het brede publiek toegankelijke ruimten of ruimten voor collectief gebruik omvatten, ongeacht de eigenaar of de vraag wie er toegang toe heeft.

“Overdekt” of “afgesloten”

19.In artikel 8 wordt bescherming tegen tabaksrook in “overdekte” werkruimten en openbare ruimten voorgeschreven. Wegens de mogelijke valkuilen in het definiëren van “overdekte” ruimten, moet er bijzondere aandacht worden besteed aan de ervaringen van verscheidene landen met de definitie van dit begrip. De definitie moet zo breed en duidelijk mogelijk zijn en er moet de nodige zorg aan worden besteed, zodat wordt vermeden dat er lijsten worden opgesteld die zodanig kunnen worden geïnterpreteerd dat potentieel relevante “overdekte” ruimten worden uitgesloten. Aanbevolen wordt “overdekte” (of “afgesloten”) ruimten zo te definiëren dat het elke ruimte met een dak of afgesloten door een of meerdere wanden of zijden omvat, ongeacht het voor het dak, de wanden of zijden gebruikte materiaal en ongeacht of de structuur blijvend of tijdelijk is.

“Werkruimte”

20.Een “werkruimte” moet breed worden gedefinieerd als “elke door mensen tijdens het werk gebruikte ruimte”. Dit moet niet alleen betaald werk omvatten, maar ook vrijwilligerswerk, als dat het soort werk is dat normaliter wordt vergoed. Daarenboven omvatten “werkruimten” niet alleen de ruimten waarin gewerkt wordt, maar ook alle daaraan verbonden en bijhorende ruimten die gewoonlijk tijdens het werk worden gebruikt, waaronder bijvoorbeeld gangen, liften, traphallen, foyers, gemeenschappelijke voorzieningen, cafetaria's, toiletten, lounges, eetruimten en ook bijgebouwen, zoals een schuur of hut. Voertuigen die tijdens het werk worden gebruikt zijn werkruimten en moeten als dusdanig worden aangeduid.

21.Er moet bijzondere aandacht worden besteed aan werkruimten die ook woon- of verblijfplaats zijn, bijvoorbeeld gevangenissen, psychiatrische instellingen of verzorgingstehuizen. Deze plaatsen zijn ook werkruimten voor anderen, die tegen blootstelling aan tabaksrook moeten worden beschermd.

“Openbaar vervoer”

22.De definitie van openbaar vervoer moet elk voertuig omvatten dat voor het vervoeren, gewoonlijk tegen vergoeding of met commerciële doeleinden, van de bevolking wordt gebruikt. Dit omvat ook taxi’s.

DE REIKWIJDTE VAN DOELTREFFENDE WETGEVING

23.Artikel 8 schrijft de goedkeuring van doeltreffende maatregelen voor om de bevolking te beschermen tegen blootstelling aan tabaksrook in 1. overdekte werkruimten, 2. overdekte openbare ruimten, 3. openbaar vervoer en 4. “voor zover noodzakelijk” in “andere openbare ruimten”.

24.Dit schept de verplichting om volledige bescherming te bieden door ervoor te zorgen dat elke overdekte openbare ruimte, elke overdekte werkruimte, alle openbaar vervoer en mogelijke andere (niet-overdekte of zogenaamd overdekte) openbare ruimten vrij zijn van blootstelling aan secundaire tabaksrook. Vrijstellingen op basis van gezondheids- en rechtsargumenten zijn niet gerechtvaardigd. Als er vrijstellingen moeten worden overwogen op basis van andere argumenten, dan moeten deze minimaal zijn. Als verder een partij geen onmiddellijke, universele dekking kan bereiken, schept artikel 8 de blijvende verplichting om zo snel als mogelijk elke vrijstelling weg te werken en de bescherming volledig te maken. Elke partij moet ernaar streven volledige bescherming te bieden binnen vijf jaar vanaf de inwerkingtreding van de WHO-kaderovereenkomst voor die partij.

25.Er bestaat geen veilig niveau van blootstelling aan secundaire rook en, zoals eerder door de conferentie van de partijen in Besluit FCTC/COP1(15) erkend, technische oplossingen, zoals ventilatie, luchtverversing en het gebruik van rookzones, beschermen niet tegen blootstelling aan tabaksrook.

26.De bescherming geldt voor elke overdekte of afgesloten werkruimte, waaronder als arbeidsplaats dienstdoende motorvoertuigen (bijvoorbeeld taxi’s, ambulances of leveringsvoertuigen).

27.Het verdrag schrijft beschermende maatregelen voor, niet alleen in elke overdekte openbare ruimte, maar zo nodig ook in andere (namelijk niet-overdekte of gedeeltelijk overdekte) openbare ruimten. De partijen moeten bij het identificeren van deze niet-overdekte en gedeeltelijk overdekte openbare ruimten waar wetgeving nodig is rekening houden met de beschikbare gegevens betreffende mogelijke gezondheidsrisico’s in verschillende situaties, en dienen de meest doeltreffende bescherming tegen blootstelling in te voeren op plaatsen waar een gevaar bestaat.

28.Het voorlichten van de bevolking en opiniemakers over de risico’s van blootstelling aan secundaire tabaksrook via informatiecampagnes is een belangrijke taak voor overheidsinstanties in samenwerking met de maatschappelijke organisaties, omdat dat ervoor zorgt dat de bevolking de wetgevende maatregel begrijpt en steunt. De voornaamste belanghebbenden zijn onder andere bedrijven, horecaverenigingen, werkgeversvertegenwoordigers, vakbewegingen, de media, gezondheidswerkers, organisaties voor kinderen en jongeren, onderwijs- of religieuze instellingen, onderzoekers en de bevolking in het algemeen. Wat de bewustmaking betreft, moeten de betrokken bedrijven en andere organisaties en instellingen over het ontwikkelen van de wetgeving worden geraadpleegd.

29.In de kernboodschappen moet de nadruk liggen op de schade die door blootstelling aan secundaire tabaksrook wordt veroorzaakt, het feit dat het rookverbod in overdekte ruimten de enige wetenschappelijk onderbouwde oplossing is om volledige bescherming tegen blootstelling te garanderen, het recht van alle werknemers om op dezelfde manier door de wet te worden beschermd en het feit dat gezondheid en economie niet ten koste van elkaar gaan omdat in een toenemend aantal landen blijkt dat een rookvrije omgeving beide ten goede komt. Voorlichtingscampagnes moeten eveneens worden gericht op situaties waarvoor wetgeving misschien niet mogelijk of passend is, zoals privéwoningen.

30.Breed overleg met de belanghebbenden is ook essentieel om de bevolking voor te lichten en te mobiliseren, en steun te creëren voor nieuwe wetgeving. Zodra de wetgeving is goedgekeurd, moet een voorlichtingscampagne de voorbereiding zijn tot de uitvoering van de wet, het verstrekken van informatie aan bedrijfseigenaren en managers van gebouwen over de wetgeving, hun verantwoordelijkheden en het produceren van hulpmiddelen, zoals informatieborden. Deze maatregelen zullen bijdragen tot een soepele implementatie en een hoge mate van vrijwillige naleving. Boodschappen die niet-rokers een drukmiddel in de hand geven en waarmee rokers worden bedankt omdat zij de wet naleven, zullen de betrokkenheid van de bevolking bij de handhaving en een soepele implementatie bevorderen.

HANDHAVING

Toetsing van de naleving

31.Een doeltreffende wetgeving moet wettelijke verantwoordelijkheid voor de naleving opleggen aan zowel betrokken bedrijven als individuele rokers, en moet overtredingen die door bedrijven en eventueel rokers worden begaan, bestraffen. De handhaving moet zich in de regel richten op bedrijven. De wetgeving moet de verantwoordelijkheid voor de naleving leggen bij de eigenaar, manager of andere leidinggevende, en moet duidelijk bepalen welke acties hij of zij moet ondernemen. Deze taken zijn onder andere:

a)de verplichting om aan de ingang en op andere geschikte locaties duidelijke waarschuwingen aan te brengen die erop wijzen dat roken niet toegelaten is. De afmeting en inhoud van deze waarschuwingen moeten door de gezondheidsautoriteiten of andere overheidsinstanties worden bepaald en er staat eventueel een telefoonnummer of andere informatie op dat of die door de bevolking kan worden gebruikt om overtredingen te melden, en de naam van de verantwoordelijke van de ruimte(n) aan wie de klachten moeten worden gericht;

b)de verplichting om asbakken uit de ruimte(n) te verwijderen;

c)de verplichting om op de naleving van de regels toe te zien;

d)de verplichting om redelijke, nader gespecifieerde maatregelen te nemen om mensen ervan te weerhouden in de ruimte(n) te roken. Deze maatregelen kunnen erin bestaan dat de persoon gevraagd wordt om niet te roken, niet bediend wordt, verzocht wordt de ruimte(n) te verlaten, en dat er contact opgenomen wordt met de politie of een andere wetshandhavingsinstantie.

Sancties

32.De wetgeving moet in geval van overtredingen boetes of andere geldelijke straffen vaststellen. Terwijl de hoogte van deze boetes onvermijdelijk een weerspiegeling van de specifieke praktijken en gewoonten van elk land zal zijn, moet de beslissing op verschillende beginselen gebaseerd zijn. De sancties moeten bovenal voldoende zwaar zijn om overtreders af te schrikken, indien niet kunnen zij worden genegeerd of beschouwd als gewone bedrijfskosten. Om bedrijven in overtreding af te schrikken, zijn zwaardere sancties vereist dan voor individuele rokers, die gewoonlijk over minder middelen beschikken. De sancties moeten zwaarder worden voor herhaaldelijke overtredingen en moeten in overeenstemming zijn met de manier waarop het land andere, even ernstige overtredingen behandelt.

33.Naast geldelijke straffen kan de wetgeving ook, in overeenstemming met de praktijken en het wettelijke systeem van het land, administratieve sancties toestaan, zoals de opschorting van bedrijfsvergunningen. Deze “ultieme” sancties worden zelden toegepast, maar zijn zeer belangrijk om de wet te handhaven ten aanzien van bedrijven die ervoor kiezen om herhaaldelijk overtredingen te begaan.

34.Strafrechtelijke sancties voor overtredingen kunnen worden opgenomen, indien dat in het wettelijke en culturele kader van een land past.

Handhavingsstructuur

35.De wetgeving moet de instantie of instanties bepalen die voor de handhaving verantwoordelijk zullen zijn en moet een systeem opzetten voor zowel het controleren van de naleving als het vervolgen van overtreders.

36.Het toezicht dient een proces voor het inspecteren van bedrijven te omvatten. Er is zelden een nieuw inspectiesysteem nodig voor de handhaving van een rookvrij-wetgeving. In plaats daarvan volstaat het gewoonlijk om de naleving te controleren door gebruik te maken van een of meerdere bestaande mechanismen voor de inspectie van bedrijfsruimten en werkruimten. Er zijn doorgaans verscheidene mogelijkheden. In veel landen kunnen de inspecties tegelijk gebeuren met de controle van bedrijfsvergunningen, gezondheid en sanitaire voorzieningen, veiligheid en gezondheid in de werkruimte, brandveiligheid en dergelijke meer. Het kan nuttig zijn om deze verschillende bronnen van gegevensverzameling tegelijk aan te wenden.

37.Indien mogelijk is het aanbevolen op lokaal niveau met inspecteurs of tenuitvoerleggingsfunctionarissen te werken; hierdoor zullen de beschikbare handhavingsmiddelen en het niveau van naleving waarschijnlijk toenemen. Om een consistente nationale aanpak te garanderen, moet er een nationaal coördinatiemechanisme worden opgezet.

38.Ongeacht het gebruikte mechanisme moet de controle op een algemeen handhavingsplan gebaseerd zijn en een procedé voor het doeltreffend opleiden van inspecteurs omvatten. Doeltreffende controle kan bestaan in regelmatige inspecties afgewisseld met onaangekondigde, plus bezoeken naar aanleiding van klachten. Dergelijke bezoeken kunnen in de periode vlak nadat de wet van kracht is ook een educatieve functie hebben, omdat de meeste inbreuken dan wellicht onopzettelijk gebeuren. De wetgeving moet de inspecteurs het recht geven ruimten te betreden en monsters en bewijzen te verzamelen, indien deze bevoegdheid nog niet in de bestaande wetgeving is opgenomen. Op dezelfde manier moet de wetgeving verbieden dat bedrijven de werkzaamheden van de inspecteurs verhinderen.

39.Een doeltreffende controle brengt geen buitensporige kosten met zich mee. Het is niet nodig grote aantallen inspecteurs in te zetten, omdat de inspecties kunnen worden uitgevoerd gebruikmakend van bestaande programma's en personeelsleden, en omdat rookvrij-wetgeving blijkbaar snel zelfhandhavend wordt (daarmee wordt bedoeld dat zij grotendeels door de bevolking zelf wordt afgedwongen). Gerechtelijke vervolging zal hopelijk slechts sporadisch nodig zijn, als de wetgeving op een zorgvuldige manier is geïmplementeerd en er actief aan het onderrichten van de bedrijven en de bevolking is gewerkt.

40.Ook al zijn deze programma’s niet duur, toch zijn er middelen nodig om de bedrijven te onderrichten, inspecteurs op te leiden, het inspectieprocedé te coördineren en de inspecteurs te compenseren voor het bezoeken van de bedrijven buiten de normale werktijden. Hiervoor moet een financieringsmechanisme worden opgezet. Doeltreffende controleprogramma's maakten gebruik van verscheidene financieringsmiddelen, waaronder belastinginkomsten, opbrengsten uit bedrijfsvergunningen en uit boetes die door overtreders zijn betaald.

Handhavingsstrategieën

41.Een strategische aanpak op het vlak van de handhaving kan de naleving maximaliseren, de implementatie van de wetgeving vereenvoudigen en de voor de handhaving noodzakelijke middelen beperken.

42.Met name in de periode onmiddellijk na de bekrachtiging van de wet is het handhaven van cruciaal belang voor het succes ervan en voor het succes van de latere controle en handhaving. Veel landen bevelen een beginperiode van coulante handhaving aan, tijdens dewelke overtreders berispt, maar niet bestraft worden. Deze aanpak moet worden gecombineerd met een actieve campagne om bedrijfseigenaren voor te lichten over hun wettelijke verplichtingen, en bedrijven moeten begrijpen dat de gedoog- of overgangsperiode door een strengere handhaving wordt gevolgd.

43.Wanneer de actieve handhaving begint, adviseren veel landen om veel aandacht op de gerechtelijke vervolgingen te vestigen, zodat het afschrikkingseffect wordt vergroot. Door het identificeren van prominente overtreders die actief de wet overtreden hebben of heel bekend zijn, door een solide en snelle afwikkeling en door te zoeken naar maximale publieke belangstelling kunnen overheden hun vastberadenheid tonen en het belang van de wet duidelijk maken. Dit verhoogt de vrijwillige naleving en beperkt de voor latere controle en handhaving nodige middelen.

44.Ook al wordt rookvrij-wetgeving snel zelfhandhavend, het is niettemin essentieel dat overheden bereid zijn om snel en beslist te reageren op geïsoleerde gevallen van openlijk verzet. Vooral wanneer een wet voor het eerst van kracht wordt, kan er een occasionele overtreder zijn die de wet publiekelijk afwijst. Door in deze gevallen scherp te reageren wordt duidelijk gemaakt dat de wet moet worden nageleefd, en dat zal latere inspanningen vergemakkelijken, terwijl besluiteloosheid snel tot wijdverbreide overtredingen kan leiden.

De bevolking mobiliseren en betrekken

45.De doeltreffendheid van een programma voor controle en handhaving neemt toe als de bevolking erbij betrokken wordt. De steun van de bevolking vragen en mensen aanmoedigen om de naleving van de wet te controleren en overtredingen te rapporteren, vergroot de mogelijkheden van de handhavingsinstanties aanzienlijk en beperkt de daartoe benodigde middelen. In veel landen zijn klachten van de bevolking inderdaad het voornaamste middel om naleving te garanderen. Daarom moet in de rookvrij-wetgeving worden vermeld dat mensen klachten kunnen indienen en moeten particulieren of niet-gouvernementele organisaties naleving kunnen afdwingen van maatregelen die de blootstelling aan secundaire tabaksrook regelen. Het handhavingsprogramma moet onder andere een gratis klachtenlijn omvatten of een gelijkaardig systeem dat de bevolking aanmoedigt om overtredingen te melden.

CONTROLE EN BEOORDELING VAN MAATREGELEN

46.De controle en beoordeling van maatregelen die de blootstelling aan tabaksrook beperken, zijn belangrijk om verschillende redenen, bijvoorbeeld:

a)om de politieke en publieke steun voor het versterken en uitbreiden van wettelijke bepalingen te verhogen;

b)om de successen te boekstaven die andere landen op de hoogte houden en bij hun inspanningen zullen helpen;

c)om vast te stellen en te openbaar te maken welke inspanningen de tabaksindustrie doet om de implementatiemaatregelen te ondermijnen.

47.Het bereik en de complexiteit van controle en beoordeling zal per land anders zijn en afhangen van de beschikbare expertise en middelen. Het is echter van belang het resultaat van de geïmplementeerde maatregelen te beoordelen, met name wat de sleutelindicator van blootstelling aan secundaire tabaksrook in werk- en openbare ruimten betreft. Er bestaan kosteneffectieve manieren om dit te bereiken, bijvoorbeeld door gegevens of informatie te gebruiken die via routineactiviteiten, zoals inspecties van de werkruimten, wordt verzameld.

48.Er zijn voor het procedé en resultaat acht sleutelindicatoren die in acht moeten worden genomen 2 : (2)

Processen

a)kennis, houding en steun ten opzichte van een rookvrij-beleid bij de bevolking in het algemeen en eventueel bij specifieke groepen, zoals barpersoneel bijvoorbeeld;

b)handhaving en naleving van een rookvrij-beleid.

Resultaten

a)beperking van de blootstelling van werknemers aan secundaire tabaksrook in werk- en openbare ruimten;

b)daling van het gehalte aan secundaire tabaksrook in het lucht in werkruimten (met name in restaurants) en openbare ruimten;

c)daling van het sterfte- en ziektecijfer door blootstelling aan secundaire tabaksrook;

d)beperking van blootstelling aan secundaire tabaksrook in privéwoningen;

e)veranderingen in de rookprevalentie en het rookgedrag;

f)economische effecten.

(1)    Het is mogelijk dat bestanddelen van tabaksrook in de lucht kunnen voorkomen in hoeveelheden die te klein zijn om te worden gemeten. Er moet aandacht worden besteed aan de mogelijkheid dat de tabaksindustrie of de horeca gebruik proberen te maken van de beperkingen van deze definitie.
(2)    De publicatie “WHO policy recommendations: protection from exposure to second-hand tobacco smoke” (Genève, Wereldgezondheidsorganisatie, 2007) verstrekt referenties en links naar studies inzake de controlestudies die elders over al deze indicatoren zijn uitgevoerd.
Top