Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32022R1214

Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/1214 van de Commissie van 9 maart 2022 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 wat betreft economische activiteiten in bepaalde energiesectoren en Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2178 wat betreft specifieke openbaarmakingen voor die economische activiteiten (Voor de EER relevante tekst)

C/2022/631

PB L 188 van 15.7.2022, pp. 1–45 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2022/1214/oj

15.7.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 188/1


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2022/1214 VAN DE COMMISSIE

van 9 maart 2022

tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 wat betreft economische activiteiten in bepaalde energiesectoren en Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2178 wat betreft specifieke openbaarmakingen voor die economische activiteiten

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (1), en met name artikel 8, lid 4, artikel 10, lid 3, en artikel 11, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De in Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 van de Commissie (2) opgenomen technische screeningcriteria hebben betrekking op verschillende economische sectoren en activiteiten die een bijdrage kunnen leveren aan de doelstellingen van de Unie inzake mitigatie van en adaptatie aan klimaatverandering. Die economische sectoren en activiteiten zijn gekozen vanwege hun aandeel in de totale broeikasgasemissies en hun bewezen potentieel om bij te dragen aan de voorkoming van broeikasgasemissies, de vermindering van dergelijke emissies of de verwijdering van broeikasgassen. Bovendien hebben die economische sectoren en activiteiten een bewezen potentieel om een dergelijke voorkoming, vermindering en verwijdering ook voor andere economische sectoren en activiteiten mogelijk te maken, of om te zorgen voor langetermijnopslag van dergelijke emissies voor andere sectoren en activiteiten.

(2)

Het totale energieverbruik is goed voor ongeveer 75 % van de directe broeikasgasemissies in de Unie. De energiesector speelt dus een cruciale rol bij de verdere vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. De in gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 vastgestelde technische screeningcriteria bestrijken derhalve een breed scala van economische sectoren en activiteiten die betrekking hebben op de energievoorzieningsketen, van elektriciteits- of warmteopwekking uit verschillende bronnen, over transmissie- en distributienetwerken tot opslag, warmtepompen en de productie van biogas en biobrandstoffen. Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 bevat echter geen technische screeningcriteria voor economische activiteiten in de sectoren fossiel gas en kernenergie, ondanks hun potentieel om bij te dragen aan de decarbonisatie van de economie van de Unie.

(3)

Zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie van 21 april 2021 (“EU-taxonomie, duurzaamheidsrapportage door bedrijven, duurzaamheidsvoorkeuren en fiduciaire verplichtingen: Financiering sturen in de richting van de Europese Green Deal”) en in de mededeling van de Commissie van 6 juli 2021 (“Strategie voor de financiering van de transitie naar een duurzame economie”), is de vaststelling van technische screeningcriteria voor de energieopwekking uit fossiel gas uitgesteld gezien de noodzaak van een verdere technische beoordeling, met name wat betreft de overgangsrol van fossiel gas bij de decarbonisatie van de economie (3). De vaststelling van technische screeningcriteria voor kernenergieopwekkingsactiviteiten is ook uitgesteld in afwachting van een grondige beoordeling door deskundigen, die in 2020 van start is gegaan, van de vraag of de nucleaire levenscyclus, en met name kernafval, verenigbaar kan worden geacht met de in artikel 17 van Verordening (EU) 2020/852 vastgestelde vereiste dat een activiteit geen ernstige afbreuk mag doen aan andere milieudoelstellingen. In het licht van die beoordelingen moet worden erkend dat de activiteiten op het gebied van energieopwekking met fossiel gas en kernenergie kunnen bijdragen tot de decarbonisatie van de economie van de Unie.

(4)

Overeenkomstig artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 met betrekking tot economische transitieactiviteiten moeten technische screeningcriteria worden vastgesteld voor elektriciteitsopwekking, hoogrenderende warmte-/koudekrachtkoppeling en de productie van warmte/koude uit fossiel gas in efficiënte systemen voor stadsverwarming en -koeling, waarbij de broeikasgasemissies uit fossiel gas onder een passende drempel liggen. Daarnaast moeten technische screeningcriteria worden vastgesteld voor het gebruik van fossiel gas voor elektriciteitsopwekking, hoogrenderende warmte-/koudekrachtkoppeling en de productie van warmte/koude in efficiënte systemen voor stadsverwarming en -koeling, waarbij die elektriciteitsopwekking, hoogrenderende warmte-/koudekrachtkoppeling en productie van warmte/koude in efficiënte systemen voor stadsverwarming en -koeling nog niet aan die passende drempel voldoen, aangezien de transitie naast het gebruik van klimaatneutrale energie en meer investeringen in al koolstofarme economische activiteiten en sectoren aanzienlijke reducties van broeikasgasemissies vergt in andere economische activiteiten en sectoren waarvoor er geen technologisch en economisch haalbare koolstofarme alternatieven zijn. Al die economische activiteiten moeten op grond van artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 als transitieactiviteiten worden aangemerkt, aangezien technologisch en economisch haalbare koolstofarme alternatieven wellicht nog niet op voldoende schaal commercieel beschikbaar zijn om op continue en betrouwbare wijze de energievraag te dekken. Met name voor elektriciteitsopwekking is het passend een alternatieve aanpak te hanteren om de broeikasgasemissies rechtstreeks te beperken. Volgens deze alternatieve aanpak, die vergelijkbare resultaten moet opleveren over een periode van twintig jaar, mogen installaties dergelijke resultaten behalen door het aantal bedrijfsuren te beperken of door op een eerdere datum over te schakelen op hernieuwbare of koolstofarme gassen. De technische screeningcriteria moeten een versnelde uitfasering van emissie-intensievere energiebronnen, waaronder vaste fossiele brandstoffen, mogelijk maken. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 10, lid 2, eerste alinea, punten a), b), en c), van Verordening (EU) 2020/852, moeten de technische screeningcriteria voor het gebruik van fossiel gas er bovendien voor zorgen dat er degelijk bewijs beschikbaar is om aan te tonen dat dezelfde energiecapaciteit niet kan worden opgewekt met hernieuwbare bronnen, en dat er doeltreffende plannen worden opgesteld voor elke installatie, in overeenstemming met de beste prestaties in de sector, om uiterlijk op een bepaalde datum volledig over te schakelen op hernieuwbare energie of koolstofarme gassen. Tot slot moeten de technische screeningcriteria voorzien in een tijdelijke erkenning van de bijdrage van die activiteiten aan de decarbonisatie.

(5)

Hernieuwbare energiebronnen zullen een fundamentele rol spelen bij de verwezenlijking van de klimaat- en milieudoelstellingen van de Unie. In dat licht moeten de investeringen in hernieuwbare energie worden opgeschaald om tegemoet te komen aan de behoeften van de energiemarkt van de Unie aan meer hernieuwbare en schone energie.

(6)

Activiteiten in verband met kernenergie zijn koolstofarme activiteiten, zij vormen geen energie uit hernieuwbare bronnen als gedefinieerd in artikel 2, tweede alinea, punt 1, van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad (4) en als bedoeld in artikel 10, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2020/852 en vallen niet onder de andere categorieën economische activiteiten die in de punten b) tot en met i) van die bepaling zijn genoemd. Dergelijke economische activiteiten in verband met kernenergie moeten op grond van artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 in aanmerking komen gezien het ontbreken van een technologisch en economisch haalbaar koolstofarm alternatief op voldoende schaal om op continue en betrouwbare wijze de energievraag te dekken. Voorts is in het eindverslag van de technische deskundigengroep inzake duurzame financiering van maart 2020 (5) gesteld dat de opwekking van kernenergie in de energieopwekkingsfase vrijwel geen broeikasgasemissies heeft en dat er uitgebreide en duidelijke bewijzen waren voor de potentiële substantiële bijdrage van kernenergie aan de doelstellingen inzake mitigatie van klimaatverandering. Bovendien omvatten de plannen van een aantal lidstaten kernenergie en hernieuwbare energie als energiebronnen die moeten worden gebruikt om de klimaatdoelstellingen te halen, inclusief de decarbonisatiedoelstelling voor 2050 die is vastgesteld in Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad (6). Tot slot vergemakkelijkt kernenergie, door te zorgen voor een stabiele levering van basislast, de inzet van intermitterende hernieuwbare bronnen en staat het de ontwikkeling daarvan niet in de weg, zoals vereist op grond van artikel 10, lid 2, punt b), van Verordening (EU) 2020/852. Activiteiten in verband met kernenergie moeten dan ook worden geacht in overeenstemming te zijn met artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852.

(7)

Uit een wetenschappelijke evaluatie door deskundigen (7) is gebleken dat technische screeningcriteria voor economische activiteiten in verband met kernenergie ervoor moeten zorgen dat er geen ernstige afbreuk wordt gedaan aan andere milieudoelstellingen vanwege potentiële risico’s die voortvloeien uit de langdurige opslag en eindberging van kernafval. Die technische screeningcriteria moeten dus de hoogste normen voor nucleaire veiligheid, stralingsbescherming en beheer van radioactief afval weerspiegelen, voortbouwend op de eisen die zijn vastgelegd in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (“Euratom-Verdrag”) en in de wetgeving die krachtens dat verdrag is aangenomen, en met name Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad (8). Die richtlijn bevat een doelstelling van hoog niveau inzake nucleaire veiligheid die alle stadia van de levenscyclus van elke kerninstallatie omvat, inclusief de vestigingsplaats, het ontwerp, de bouw, de inbedrijfstelling, de bedrijfsvoering en de buitenbedrijfstelling van dergelijke installaties. Die richtlijn roept met name op tot aanzienlijke veiligheidsverbeteringen in het ontwerp van nieuwe reactoren, inclusief de zogenaamde generatie III+-reactoren, waarvoor geavanceerde kennis en technologie moeten worden gebruikt, rekening houdend met de meest recente internationale veiligheidsvoorschriften. Die voorschriften voorzien in een doeltreffende uitvoering van de nucleaireveiligheidsdoelstelling, inclusief de toepassing van het beginsel van verdediging in de diepte en een effectieve veiligheidscultuur. Die voorschriften zorgen ervoor dat de gevolgen van extreme door de mens veroorzaakte gevaren en natuurrampen, waaronder aardbevingen en overstromingen, tot een minimum worden beperkt en dat ongevallen, abnormale werking en defecten of verlies van beheersingssystemen worden voorkomen, onder meer door beschermingsstructuren of back-upsystemen voor koeling en elektriciteitsvoorziening.

(8)

Ongevaltolerante splijtstof voor kerncentrales, die extra bescherming biedt tegen ongevallen als gevolg van structurele schade aan splijtstof- of reactorbestanddelen, is op de markt beschikbaar gekomen. Om rekening te houden met deze recente technologische ontwikkelingen, moet het gebruik van dat type brandstof in de technische screeningcriteria worden voorgeschreven, rekening houdend met de vergunningverlening daarvoor in de Unie.

(9)

Wereldwijd worden onderzoeks- en ontwikkelingsinspanningen verricht om nieuwe kernreactortechnologieën te ontwikkelen die onder meer gebruikmaken van gesloten splijtstofcycli of kweekreactoren (fuel self-breeding concepts) en die de productie van hoogradioactief afval tot een minimum beperken (“generatie IV-reactoren”). Hoewel die generatie IV-reactoren nog niet commercieel levensvatbaar zijn, moeten voor dergelijke reactoren technische screeningcriteria worden vastgesteld in het licht van hun potentiële bijdrage aan de doelstelling van decarbonisatie en minimalisering van radioactief afval.

(10)

Kernenergie maakt deel uit van de toekomstige energiebronnen in een aantal lidstaten, als onderdeel van hun decarbonisatie-inspanningen. De door de Commissie beoordeelde scenario’s leiden tot een koolstofvrij energiesysteem dat in zeer grote mate is gebaseerd op hernieuwbare energiebronnen, maar ook op kernenergie met een stabiel geïnstalleerd vermogen in vergelijking met de huidige niveaus. Aangezien de momenteel geëxploiteerde nucleaire installaties ouder worden, moet de veiligheid ervan worden verbeterd om de operationele levensduur te verlengen en moeten er nieuwe nucleaire installaties worden gebouwd om verouderde installaties te vervangen. Dit is een continu proces dat ervoor moet zorgen dat de nodige capaciteit beschikbaar is om het energiesysteem voor 2050, en als dat nodig is daarna, koolstofvrij te maken. Gedurende de hele periode tot 2050 en daarna zijn derhalve aanzienlijke investeringen in kernenergie nodig. Er moet voor worden gezorgd dat nieuwe kerncentrales gebruikmaken van de meest geavanceerde oplossingen die voortvloeien uit de technologische vooruitgang. De technische screeningcriteria voor dergelijke nieuwe kerncentrales moeten daarom voorzien in regelmatige evaluaties van elk investeringsproject en in technische parameters die overeenkomen met de beste beschikbare technologie in het licht van de resultaten van duurzame onderzoeks- en ontwikkelingsinspanningen en de voortdurende verbeteringen van technologieën. Er moeten specifieke data worden vastgesteld om te zorgen voor de geleidelijke invoering van nieuwe technologieën die verenigbaar zijn met duurzame decarbonisatie zodra deze beschikbaar komen.

(11)

In bijlage II bij het Euratom-Verdrag en Verordening (Euratom) nr. 2587/1999 van de Raad (9) zijn drempels en andere eisen vastgesteld voor de kennisgeving aan de Commissie van investeringen in kernenergie. Om met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van de taxonomie te zorgen voor een zo goed mogelijke inachtneming van de beginselen en vereisten van de Euratom-wetgeving, waaronder de doelstelling inzake nucleaire veiligheid, moet over dergelijke investeringen een advies worden uitgebracht door de Commissie, ongeacht of een kennisgeving vereist is op grond van bijlage II bij het Euratom-Verdrag en Verordening (Euratom) nr. 2587/1999. Om dezelfde reden moeten alle door de Commissie in haar advies aan de orde gestelde kwesties in verband met de toepassing van artikel 10, lid 2, en artikel 17 van Verordening (EU) 2020/852 en de technische screeningcriteria op bevredigende wijze worden aangepakt.

(12)

Gezien de lange aanlooptijd voor investeringen in nieuwe nucleaire opwekkingscapaciteit kan een verlenging van de levensduur van geselecteerde bestaande nucleaire installaties de decarbonisatie van het energiesysteem op de korte tot middellange termijn ondersteunen. De technische screeningcriteria voor dergelijke verlengingen moeten echter wijzigingen en veiligheidsverbeteringen voorschrijven om ervoor te zorgen dat die nucleaire installaties voldoen aan de hoogst haalbare veiligheidsnormen en aan alle vereisten inzake de veiligheidsdoelstelling die zijn vastgelegd in krachtens het Euratom-Verdrag aangenomen wetgeving.

(13)

In het licht van de verwachte technologische en wetenschappelijke ontwikkelingen moeten investeringen in de bouw en veilige exploitatie van nieuwe nucleaire installaties die gebruikmaken van de beste beschikbare technologieën en die uiterlijk op een passende datum door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten zijn goedgekeurd overeenkomstig de toepasselijke nationale wetgeving, worden onderworpen aan technische screeningcriteria en termijnen die de ontwikkeling en het toekomstige gebruik van generatie IV-reactoren met gesloten splijtstofcyclus of splijtstofkweek stimuleren zodra zij commercieel beschikbaar worden. Deze termijnen moeten op passende wijze worden herzien in het licht van de vooruitgang bij de ontwikkeling van dergelijke technologieën.

(14)

De technische screeningcriteria in verband met doelstellingen inzake mitigatie van klimaatverandering of adaptatie aan klimaatverandering moeten ervoor zorgen dat economische activiteiten geen ernstige afbreuk doen aan de andere milieudoelstellingen. Specifiek voor economische activiteiten in verband met kernenergie is het noodzakelijk ervoor te zorgen dat de verwijdering van afval op lange termijn niet leidt tot aanzienlijke en langdurige schade aan het milieu, zoals bedoeld in artikel 17, lid 1, punt d), iii), van Verordening (EU) 2020/852. Daarom is het passend om in de technische screeningcriteria specifieke eisen vast te stellen voor een fonds voor het beheer van radioactief afval en een fonds voor nucleaire ontmanteling, die kunnen worden gecombineerd, in overeenstemming met het beginsel dat afvalproducenten verantwoordelijk zijn voor de kosten van het beheer ervan, en operationele eindbergingsfaciliteiten voor al het radioactief afval voor te schrijven, zodat uitvoer van radioactief afval voor berging in derde landen wordt voorkomen. In verschillende lidstaten wordt laag- en middelradioactief afval momenteel al geborgen in faciliteiten voor ondiepe berging, en gedurende de decennialange exploitatie van die faciliteiten voor ondiepe berging is aanzienlijke ervaring en knowhow opgedaan op het gebied van afvalbeheer. Voor hoogradioactief afval en verbruikte splijtstof is diepe geologische berging de meest geavanceerde oplossing die in de deskundigengemeenschap wereldwijd algemeen wordt aanvaard als de veiligste en meest duurzame optie voor het eindpunt van het beheer van hoogradioactief afval en als afval beschouwde verbruikte splijtstof. De lidstaten moeten, ook al blijven zij verantwoordelijk voor hun beleid inzake het beheer van hun verbruikte splijtstof en laag-, middel- of hoogradioactief afval, in hun nationale beleid de planning en uitvoering van bergingsopties opnemen, met name in het kader van de nationale programma’s voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval, voor alle soorten verbruikte splijtstof en radioactief afval en alle stadia van het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval van opwekking tot berging. De inhoud van de nationale programma’s is gespecificeerd in Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad (10) en bevat essentiële prestatie-indicatoren om de voortgang op transparante wijze te monitoren. De lidstaten moeten regelmatig verslag uitbrengen aan de Commissie over de voortgang van de uitvoering van de nationale programma’s. Uit de verslagen van de lidstaten uit 2021 blijkt dat aanzienlijke vooruitgang is geboekt bij de verwezenlijking van de eerste diepe geologische bergingsfaciliteiten op het grondgebied van de Unie. Voor de lidstaten komen realistische oplossingen beschikbaar om dergelijke faciliteiten tegen 2050 te ontwikkelen en te exploiteren. De opname van een overeenkomstige eis in de technische screeningcriteria zorgt er dan ook voor dat geen ernstige schade wordt toegebracht aan het milieu.

(15)

Niet-financiële en financiële ondernemingen moeten beleggers een hoge mate van transparantie bieden met betrekking tot hun beleggingen in activiteiten op het gebied van energieopwekking met behulp van fossiel gas en kernenergie waarvoor technische screeningcriteria moeten worden vastgesteld. Om die transparantie te bieden, moeten specifieke openbaarmakingsvereisten voor niet-financiële en financiële ondernemingen worden vastgesteld. Om de vergelijkbaarheid van de aan beleggers verstrekte informatie te waarborgen, moet die informatie worden gepresenteerd in de vorm van een template waarin het aandeel van de activiteiten op het gebied van fossiel gas en kernenergie in de noemer en, in voorkomend geval, de teller van de kritische prestatie-indicatoren van die ondernemingen duidelijk wordt vermeld. Om beleggers in financiële producten als bedoeld in de artikelen 5 en 6 van Verordening (EU) 2020/852 een hoge mate van transparantie te bieden met betrekking tot blootstellingen aan activiteiten op het gebied van fossiel gas en kernenergie, waarvoor technische screeningcriteria zijn vastgesteld, zal de Commissie het openbaarmakingskader met betrekking tot die financiële producten wijzigen of voorstellen het te wijzigen, naargelang van het geval, om te zorgen voor volledige transparantie over de gehele levensduur van die financiële producten. Om ervoor te zorgen dat deze informatie voor eindbeleggers duidelijk te herkennen is, zal de Commissie overwegen de vereisten inzake door distributeurs verstrekt financieel en verzekeringsadvies te wijzigen.

(16)

Om het beleggersvertrouwen te vergroten, moet de naleving van de technische screeningcriteria met betrekking tot activiteiten op het gebied van fossiel gas worden gecontroleerd door een onafhankelijke partij. Om een onpartijdige en zorgvuldige controle op de naleving te waarborgen, moet de onafhankelijke derde over de middelen en deskundigheid beschikken om die controle uit te voeren, onafhankelijk zijn om belangenconflicten met de eigenaar of de financier te voorkomen, en niet betrokken zijn bij de ontwikkeling of exploitatie van dergelijke activiteiten op het gebied van fossiel gas. Naast het controlemechanisme kunnen financiële en niet-financiële ondernemingen worden onderworpen aan specifieke controlevereisten in het kader van andere Uniewetgeving inzake duurzame financiering die betrekking hebben op de naleving van de technische screeningcriteria. Overeenkomstig artikel 26, lid 1, punt c), van Verordening (EU) 2020/852 moet de Commissie een evaluatie verrichten van de vereiste bepalingen voor het opzetten van mechanismen om te controleren of de in die verordening vermelde criteria worden nageleefd.

(17)

De sectoren fossiel gas en kernenergie worden gekenmerkt door snelle technologische ontwikkelingen. De technische screeningcriteria met betrekking tot de energieopwekkingsactiviteiten in die sectoren moeten dan ook regelmatig worden geëvalueerd overeenkomstig artikel 19, lid 5, van Verordening (EU) 2020/852. Voorts moet die evaluatie, op basis van de voorwaarden van artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852, betrekking hebben op de geschiktheid van de in de technische screeningcriteria opgenomen perioden.

(18)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 en Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2178 (11) moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. De wijzigingen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 en Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2178 schrijven geen investeringen voor, maar zijn bedoeld om financiële markten en beleggers te helpen om, op strikte voorwaarden, relevante gas- en nucleaire activiteiten te identificeren die nodig zijn voor de transitie van de energiesystemen van de lidstaten naar klimaatneutraliteit in overeenstemming met de klimaatdoelstellingen en -verbintenissen van de Unie.

(19)

De in deze gedelegeerde verordening vastgestelde wijzigingen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 en Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2178 houden nauw verband met elkaar. Om te zorgen voor samenhang tussen die bepalingen, die tegelijkertijd in werking moeten treden, om een volledig overzicht van het rechtskader voor belanghebbenden mogelijk te maken en om de toepassing van Verordening (EU) 2020/852 te vergemakkelijken, moeten deze bepalingen worden opgenomen in één enkele verordening.

(20)

Niet-financiële en financiële ondernemingen moeten voldoende tijd krijgen om te beoordelen of hun economische activiteiten in verband met fossiel gas en kernenergie voldoen aan de in deze verordening vastgestelde technische screeningcriteria, en om op basis van die beoordeling verslag uit te brengen overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2178. De datum van toepassing van deze verordening moet daarom worden uitgesteld tot 1 januari 2023,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139

Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Het volgende artikel 2 bis wordt ingevoegd:

“Artikel 2 bis

Evaluatie

Wanneer zij de in artikel 19, lid 5, van Verordening (EU) 2020/852 bedoelde evaluatie uitvoert, evalueert en beoordeelt de Commissie ook of de in bijlage I, afdeling 4.27, afdeling 4.28, afdeling 4.29, punt 1, b), afdeling 4.30, punt 1, b), en afdeling 4.31 punt 1, b), bedoelde data moeten worden gewijzigd.

Bij de herziening van de in punt 2 van de afdelingen 4.27 en 4.28 van bijlage I bedoelde datum wordt rekening gehouden met de technische vooruitgang op het gebied van het in de handel brengen van ongevaltolerante splijtstof in de Unie en wereldwijd.”.

2)

Bijlage I wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening.

3)

Bijlage II wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.

Artikel 2

Wijzigingen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2178

Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2178 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 8 worden de volgende leden 6, 7 en 8 toegevoegd:

“6.   Niet-financiële ondernemingen en financiële ondernemingen rapporteren het bedrag en het aandeel van:

a)

de op de taxonomie afgestemde economische activiteiten als bedoeld in de afdelingen 4.26, 4.27 en 4.28 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer en de teller van hun kritische prestatie-indicatoren;

b)

de voor de taxonomie in aanmerking komende, maar niet op de taxonomie afgestemde economische activiteiten als bedoeld in de afdelingen 4.26, 4.27 en 4.28 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van hun kritische prestatie-indicatoren;

c)

de niet voor de taxonomie in aanmerking komende activiteiten in verband met kernenergie in de noemer van hun kritische prestatie-indicatoren.

7.   Niet-financiële ondernemingen en financiële ondernemingen rapporteren het bedrag en het aandeel van:

a)

de op de taxonomie afgestemde economische activiteiten als bedoeld in de afdelingen 4.29, 4.30 en 4.31 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer en de teller van hun kritische prestatie-indicatoren;

b)

de voor de taxonomie in aanmerking komende, maar niet op de taxonomie afgestemde economische activiteiten als bedoeld in de afdelingen 4.29, 4.30 en 4.31 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van hun kritische prestatie-indicatoren;

c)

de niet voor de taxonomie in aanmerking komende activiteiten in verband met fossiel gas in de noemer van hun kritische prestatie-indicatoren.

8.   De in de leden 6 en 7 bedoelde informatie wordt gepresenteerd in een tabel aan de hand van de templates in bijlage XII bij deze verordening.”.

2)

De tekst in bijlage III bij deze verordening wordt toegevoegd als bijlage XII.

Artikel 3

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2023.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 9 maart 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 van de Commissie van 4 juni 2021 tot aanvulling van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad door technische screeningcriteria vast te stellen om de voorwaarden te bepalen waaronder een specifieke economische activiteit kan worden aangemerkt als substantieel bijdragend aan de mitigatie van klimaatverandering of de adaptatie aan klimaatverandering, en om uit te maken of die economische activiteit niet ernstig afbreuk doet aan een van de andere milieudoelstellingen (PB L 442 van 9.12.2021, blz. 1).

(3)  Mededeling van de Commissie van 21 april 2021 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, EU-Taxonomie, duurzaamheidsrapportage door bedrijven, duurzaamheidsvoorkeuren en fiduciaire verplichtingen: Financiering sturen in de richting van de Europese Green Deal (COM(2021) 188 final) en mededeling van de Commissie van dinsdag 6 juli 2021 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, Strategie voor de financiering van de transitie naar een duurzame economie (COM(2021) 390 final).

(4)  Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82).

(5)  Het verslag van de TEG is beschikbaar op: https://ec.europa.eu/info/sites/default/files/business_economy_euro/banking_and_finance/documents/200309-sustainable-finance-teg-final-report-taxonomy_en.pdf

(6)  Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1).

(7)  JRC-verslag: Technical assessment of nuclear energy with respect to the “do no significant harm” criteria of Regulation (EU) 2020/852 (“Taxonomy Regulation”), beschikbaar op: https://ec.europa.eu/info/file/210329-jrc-report-nuclear-energy-assessment_en

(8)  Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad van 25 juni 2009 tot vaststelling van een communautair kader voor de nucleaire veiligheid van kerninstallaties (PB L 172 van 2.7.2009, blz. 18).

(9)  Verordening (Euratom) nr. 2587/1999 van de Raad van 2 december 1999 tot vaststelling van de investeringsprojecten die krachtens artikel 41 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie aan de Commissie moeten worden meegedeeld (PB L 315 van 9.12.1999, blz. 1).

(10)  Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad van 19 juli 2011 tot vaststelling van een communautair kader voor een verantwoord en veilig beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval (PB L 199 van 2.8.2011, blz. 48).

(11)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2178 van de Commissie van 6 juli 2021 tot aanvulling van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad door vaststelling van de inhoud en de presentatie van door niet aan artikel 19 bis of artikel 29 bis van Richtlijn 2013/34/EU onderworpen ondernemingen te rapporteren informatie betreffende ecologisch duurzame economische activiteiten en door vaststelling van de methode om aan deze rapportageverplichting te voldoen (PB L 443 van 10.12.2021, blz. 9).


BIJLAGE I

In bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 worden de volgende afdelingen 4.26, 4.27, 4.28, 4.29, 4.30 en 4.31 ingevoegd:

“4.26.   Precommerciële fasen van geavanceerde technologieën voor de productie van energie uit nucleaire processen met een minimum aan afval van de splijtstofcyclus

Beschrijving van de activiteit

Onderzoek, ontwikkeling, demonstratie en uitrol van innovatieve installaties voor elektriciteitsopwekking die overeenkomstig het toepasselijke nationale recht een vergunning hebben gekregen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en die energie produceren uit nucleaire processen met een minimum aan afval van de splijtstofcyclus.

De activiteit is ingedeeld in NACE-codes M72 en M72.1 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

De economische activiteit in deze categorie is een activiteit als bedoeld in artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 wanneer zij voldoet aan alle in deze afdeling vastgestelde technische screeningcriteria.

Technische screeningcriteria

Algemene criteria met betrekking tot een substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering en geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

1.

Het project met betrekking tot de economische activiteit (“het project”) bevindt zich in een lidstaat die voldoet aan alle volgende voorwaarden:

a)

de lidstaat heeft Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad (*1) en Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad (*2) volledig omgezet;

b)

de lidstaat voldoet aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (“Euratom-Verdrag”) en de op grond daarvan aangenomen wetgeving, met name Richtlijn 2009/71/Euratom, Richtlijn 2011/70/Euratom en Richtlijn 2013/59/Euratom van de Raad (*3), alsook aan de toepasselijke milieuwetgeving van de Unie die is aangenomen op grond van artikel 192 VWEU, met name Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad (*4) en Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (*5);

c)

de lidstaat beschikt vanaf de datum van goedkeuring van het project over een fonds voor het beheer van radioactief afval en een fonds voor nucleaire ontmanteling, die kunnen worden gecombineerd;

d)

de lidstaat heeft aangetoond dat hij aan het einde van de geschatte levensduur van de kerncentrale zal beschikken over middelen die overeenkomen met de geraamde kosten van het beheer van radioactief afval en de ontmanteling overeenkomstig Aanbeveling 2006/851/Euratom van de Commissie (*6);

e)

de lidstaat beschikt over operationele eindbergingsfaciliteiten voor al het zeer laag-, laag- en middelradioactief afval, waarvan de Commissie overeenkomstig artikel 41 van het Euratom-Verdrag of artikel 1, lid 4, van Verordening (Euratom) nr. 2587/1999 van de Raad in kennis is gesteld en die zijn opgenomen in het overeenkomstig Richtlijn 2011/70/Euratom bijgewerkte nationale programma;

f)

de lidstaat beschikt over een gedocumenteerd plan met gedetailleerde stappen om uiterlijk in 2050 een bergingsfaciliteit voor hoogradioactief afval in bedrijf te hebben, waarin al het volgende wordt beschreven:

i)

concepten, plannen en technische oplossingen voor het beheer van radioactief afval en verbruikte splijtstof, van productie tot berging;

ii)

concepten of plannen voor de periode na de sluiting van een bergingsfaciliteit, met nadere bepalingen over de termijn waarin passende controles worden aangehouden en over de in te zetten middelen om de kennis over deze faciliteit op lange termijn te behouden;

iii)

de verantwoordelijkheden voor de uitvoering van het plan en de essentiële prestatie-indicatoren om de vooruitgang te monitoren;

iv)

kostenramingen en financieringsregelingen.

Voor de toepassing van punt f) kunnen de lidstaten gebruikmaken van plannen die zijn opgesteld in het kader van het door de artikelen 11 en 12 van Richtlijn 2011/70/Euratom voorgeschreven nationale programma.

2.

Het project maakt deel uit van een door de Unie gefinancierd onderzoeksprogramma of het project is ter kennis van de Commissie gebracht overeenkomstig artikel 41 van het Euratom-Verdrag of artikel 1, lid 4, van Verordening (Euratom) nr. 2587/1999 van de Raad, wanneer een van deze bepalingen van toepassing is, de Commissie heeft daarover advies uitgebracht overeenkomstig artikel 43 van het Euratom-Verdrag, en alle in het advies aan de orde gestelde kwesties die relevant zijn voor de toepassing van artikel 10, lid 2, en artikel 17 van Verordening (EU) 2020/852 en van de in deze afdeling vastgestelde technische screeningcriteria, zijn op bevredigende wijze aangepakt.

3.

De betrokken lidstaat heeft zich ertoe verbonden om de vijf jaar voor elk project aan de Commissie verslag uit te brengen over al het volgende:

a)

de toereikendheid van de in punt 1, c), bedoelde geaccumuleerde middelen;

b)

de werkelijke vooruitgang bij de uitvoering van het in punt 1, f), bedoelde plan.

Op basis van de verslagen evalueert de Commissie de toereikendheid van de geaccumuleerde middelen van het fonds voor het beheer van radioactief afval en het fonds voor nucleaire ontmanteling als bedoeld in punt 1, c), en de vooruitgang bij de uitvoering van het in punt 1, f), bedoelde gedocumenteerde plan en kan zij een advies tot de betrokken lidstaat richten.

4.

De activiteit voldoet aan de nationale wetgeving ter omzetting van de in de punten 1, a), en 1, b), bedoelde wetgeving, ook wat betreft de evaluatie, met name door middel van stresstests, van de veerkracht van de kerncentrales op het grondgebied van de Unie tegen extreme natuurrampen, waaronder aardbevingen. De activiteit vindt dus plaats op het grondgebied van een lidstaat waar de exploitant van een kerninstallatie:

a)

de nucleaire veiligheid heeft aangetoond, waarbij de reikwijdte en het niveau van detail evenredig zijn met de potentiële omvang en aard van het gestelde risico voor de kerninstallatie en de vestigingsplaats ervan (artikel 6, punt b), van Richtlijn 2009/71/Euratom);

b)

diepteverdedigingsmaatregelen heeft genomen om er onder meer voor te zorgen dat de impact van extreme externe natuurrampen en onopzettelijk door de mens veroorzaakte gevaren tot een minimum wordt beperkt (artikel 8 ter, lid 1, punt a), van Richtlijn 2009/71/Euratom);

c)

een passende locatie- en installatiespecifieke beoordeling heeft uitgevoerd wanneer de betrokken exploitant een vergunning aanvraagt voor de bouw of exploitatie van een kerncentrale (artikel 8 quater, punt a), van Richtlijn 2009/71/Euratom).

5.

De activiteit voldoet aan de eisen van Richtlijn 2009/71/Euratom, ondersteund door de meest recente internationale richtsnoeren van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (“IAEA”) en de Vereniging van West-Europese regelgevers op nucleair gebied (“WENRA”), die bijdragen tot vergroting van het vermogen van nieuwe en bestaande kerncentrales om extreme natuurrampen, waaronder overstromingen en extreme weersomstandigheden, te weerstaan.

6.

Radioactief afval als bedoeld in de punten 1, e), en 1, f), wordt geborgen in de lidstaat waar het is geproduceerd, tenzij er een overeenkomst is tussen de betrokken lidstaat en de lidstaat van bestemming, zoals bepaald in Richtlijn 2011/70/Euratom. In dat geval beschikt de lidstaat van bestemming over programma’s inzake beheer en berging van radioactief afval en over een geschikte operationele bergingsfaciliteit overeenkomstig de vereisten van Richtlijn 2011/70/Euratom.

Aanvullende criteria met betrekking tot een substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

De activiteit beoogt of bestaat in de opwekking van elektriciteit uit kernenergie. De broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van de elektriciteitsopwekking uit kernenergie zijn lager dan de drempel van 100 g CO2e/kWh.

De broeikasgasemissiereducties gedurende de levenscyclus worden berekend volgens Aanbeveling 2013/179/EU van de Commissie dan wel volgens ISO 14067:2018 of ISO 14064-1:2018.

De gekwantificeerde broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus worden gecontroleerd door een onafhankelijke derde.

Aanvullende criteria met betrekking tot geen ernstige afbreuk doen aan (DNSH)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

De activiteit voldoet aan de eisen van artikel 6, punt b), artikel 8 ter, lid 1, punt a), en artikel 8 quater, punt a), van Richtlijn 2009/71/Euratom.

De activiteit voldoet aan de eisen van Richtlijn 2009/71/Euratom, uitgevoerd overeenkomstig de internationale richtsnoeren van de IAEA en de WENRA met betrekking tot extreme natuurrampen, waaronder overstromingen en extreme weersomstandigheden.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

De risico’s van milieudegradatie in verband met het behoud van de waterkwaliteit en het voorkomen van waterstress worden bepaald en aangepakt overeenkomstig een in overleg met de betrokken belanghebbenden opgesteld beheerplan voor het gebruik en de bescherming van water.

Om thermische anomalieën in verband met de lozing van afvalwarmte te beperken, controleren exploitanten van landinwaarts gelegen kerncentrales die gebruikmaken van natte koeling met één doorloop door water uit een rivier of meer in te nemen:

(a)

de maximumtemperatuur van het ontvangende zoetwaterlichaam na vermenging, en

(b)

het maximale temperatuurverschil tussen het geloosde koelwater en het ontvangende zoetwaterlichaam.

De temperatuurcontrole wordt uitgevoerd in overeenstemming met de individuele vergunningsvoorwaarden voor de specifieke activiteiten, indien van toepassing, of de drempelwaarden overeenkomstig het Unierecht.

De activiteit voldoet aan de normen van de Industry Foundation Classes (IFC).

Nucleaire activiteiten worden verricht overeenkomstig de voorschriften inzake voor menselijke consumptie bestemd water van Richtlijn 2000/60/EG en Richtlijn 2013/51/Euratom tot vaststelling van voorschriften voor de bescherming van de volksgezondheid tegen radioactieve stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

Er is een plan voor het beheer van zowel niet-radioactief als radioactief afval voorhanden dat een maximaal hergebruik of maximale recycling van dergelijk afval aan het einde van de levensduur waarborgt overeenkomstig de afvalhiërarchie, inclusief via contractuele overeenkomsten met afvalbeheerpartners, de financiële prognoses of de officiële projectdocumentatie.

Tijdens de exploitatie en ontmanteling wordt de hoeveelheid radioactief afval tot een minimum beperkt en wordt de hoeveelheid vrij te geven materialen gemaximaliseerd in overeenstemming met Richtlijn 2011/70/Euratom en met inachtneming van de stralingsbeschermingsvoorschriften van Richtlijn 2013/59/Euratom.

Er is een financieringsregeling om te zorgen voor voldoende financiering voor alle ontmantelingsactiviteiten en voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval in overeenstemming met Richtlijn 2011/70/Euratom en Aanbeveling 2006/851/Euratom.

Voorafgaand aan de bouw van een kerncentrale wordt een milieueffectbeoordeling uitgevoerd overeenkomstig Richtlijn 2011/92/EU. De vereiste mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

De desbetreffende elementen in deze afdeling worden behandeld in de verslagen van de lidstaten aan de Commissie overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Richtlijn 2011/70/Euratom.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

De niet-radioactieve emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken (BBT-GEN’s) geassocieerde emissieniveaus die zijn vastgesteld in de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties. Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

Voor de toepassing op kerncentrales met een thermisch ingangsvermogen van meer dan 1 MW maar onder de drempels voor de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties dienen de emissies onder de emissiegrenswaarden te liggen die zijn vastgesteld in deel 2 van bijlage II bij Richtlijn (EU) 2015/2193.

Radioactieve lozingen in de lucht, waterlichamen en de bodem (grond) voldoen aan de individuele vergunningsvoorwaarden voor de specifieke activiteiten, indien van toepassing, of de nationale drempelwaarden overeenkomstig Richtlijn 2013/51/Euratom (*7) en Richtlijn 2013/59/Euratom.

Verbruikte splijtstof en radioactief afval worden op veilige en verantwoorde wijze beheerd overeenkomstig Richtlijn 2011/70/Euratom en Richtlijn 2013/59/Euratom.

Voor het project is voldoende capaciteit voor tijdelijke opslag beschikbaar, terwijl nationale plannen voor berging voorhanden zijn om de duur van de tijdelijke opslag tot een minimum te beperken, overeenkomstig de bepaling van Richtlijn 2011/70/Euratom die de opslag van radioactief afval, inclusief opslag op lange termijn, beschouwt als een tijdelijke oplossing die geen alternatief vormt voor berging.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

Voorafgaand aan de bouw van een kerncentrale wordt een milieueffectbeoordeling uitgevoerd overeenkomstig Richtlijn 2011/92/EU. De vereiste mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

Voor sites/werkzaamheden in of nabij biodiversiteitsgevoelige gebieden met waarschijnlijk aanzienlijke gevolgen voor biodiversiteitsgevoelige gebieden (waaronder het Natura 2000-netwerk van beschermde gebieden, Unesco-werelderfgoedsites en belangrijke biodiversiteitsgebieden, alsmede andere beschermde gebieden) is er, indien nodig, een passende beoordeling uitgevoerd en worden op basis van de conclusies de nodige mitigerende maatregelen genomen.

De sites/werkzaamheden zijn niet schadelijk voor de staat van instandhouding van de habitats of soorten die in beschermde gebieden aanwezig zijn.

4.27.   Bouw en veilige exploitatie van nieuwe kerncentrales voor de opwekking van elektriciteit of warmte, voor onder meer de productie van waterstof, met gebruikmaking van de beste beschikbare technologieën

Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder “beste beschikbare technologieën” verstaan technologieën die volledig voldoen aan de eisen van Richtlijn 2009/71/Euratom en die de meest recente technische parameters van de IAEA-normen en de veiligheidsdoelstellingen en referentieniveaus van de WENRA volledig in acht nemen.

Beschrijving van de activiteit

De bouw en veilige exploitatie van nieuwe nucleaire installaties waarvoor de bouwvergunning uiterlijk in 2045 overeenkomstig het toepasselijke nationale recht door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten wordt afgegeven en die elektriciteit of proceswarmte produceren, inclusief voor stadsverwarming of industriële processen zoals de productie van waterstof (nieuwe nucleaire installaties), alsook verbeteringen van de veiligheid daarvan.

De activiteit is ingedeeld in NACE-codes D35.11 en F42.22 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

De economische activiteit in deze categorie is een activiteit als bedoeld in artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 wanneer zij voldoet aan alle in deze afdeling vastgestelde technische screeningcriteria.

Technische screeningcriteria

Algemene criteria met betrekking tot een substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering en geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

1.

Het project met betrekking tot de economische activiteit (“het project”) bevindt zich in een lidstaat die voldoet aan alle volgende voorwaarden:

a)

de lidstaat heeft Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad en Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad volledig omgezet;

b)

de lidstaat voldoet aan het Euratom-Verdrag en de op grond daarvan aangenomen wetgeving, met name Richtlijn 2009/71/Euratom, Richtlijn 2011/70/Euratom en Richtlijn 2013/59/Euratom, alsook aan de toepasselijke milieuwetgeving van de Unie die is aangenomen op grond van artikel 192 VWEU, met name Richtlijn 2011/92/EU en Richtlijn 2000/60/EG;

c)

de lidstaat beschikt vanaf de datum van goedkeuring van het project over een fonds voor het beheer van radioactief afval en een fonds voor nucleaire ontmanteling, die kunnen worden gecombineerd;

d)

de lidstaat heeft aangetoond dat hij aan het einde van de geschatte levensduur van de kerncentrale zal beschikken over middelen die overeenkomen met de geraamde kosten van het beheer van radioactief afval en de ontmanteling overeenkomstig Aanbeveling 2006/851/Euratom;

e)

de lidstaat beschikt over operationele eindbergingsfaciliteiten voor al het zeer laag-, laag- en middelradioactief afval, waarvan de Commissie overeenkomstig artikel 41 van het Euratom-Verdrag of artikel 1, lid 4, van Verordening (EG) nr. 2587/1999 van de Raad in kennis is gesteld en die zijn opgenomen in het overeenkomstig Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad bijgewerkte nationale programma;

f)

de lidstaat beschikt over een gedocumenteerd plan met gedetailleerde stappen om uiterlijk in 2050 een bergingsfaciliteit voor hoogradioactief afval in bedrijf te hebben, waarin al het volgende wordt beschreven:

i)

concepten, plannen en technische oplossingen voor het beheer van radioactief afval en verbruikte splijtstof, van productie tot berging;

ii)

concepten of plannen voor de periode na de sluiting van een bergingsfaciliteit, met nadere bepalingen over de termijn waarin passende controles worden aangehouden en over de in te zetten middelen om de kennis over deze faciliteit op lange termijn te behouden;

iii)

de verantwoordelijkheden voor de uitvoering van het plan en de kritische prestatie-indicatoren om de vooruitgang te monitoren;

iv)

kostenramingen en financieringsregelingen.

Voor de toepassing van punt f) kunnen de lidstaten gebruikmaken van de plannen die zijn opgesteld in het kader van het door de artikelen 11 en 12 van Richtlijn 2011/70/Euratom voorgeschreven nationale programma.

2.

Het project past volledig de beste beschikbare technologie toe en maakt vanaf 2025 volledig gebruik van ongevaltolerante splijtstof. De technologie is gecertificeerd en goedgekeurd door de nationale veiligheidstoezichthouder.

3.

Het project is ter kennis van de Commissie gebracht overeenkomstig artikel 41 van het Euratom-Verdrag of artikel 1, lid 4, van Verordening 2587/1999 van de Raad, wanneer een van deze bepalingen van toepassing is, de Commissie heeft daarover advies uitgebracht overeenkomstig artikel 43 van het Euratom-Verdrag, en alle in het advies aan de orde gestelde kwesties die relevant zijn voor de toepassing van artikel 10, lid 2, en artikel 17 van Verordening (EU) 2020/852 en van de in deze afdeling vastgestelde technische screeningcriteria, zijn op bevredigende wijze aangepakt.

4.

De betrokken lidstaat heeft zich ertoe verbonden om de vijf jaar voor elk project aan de Commissie verslag uit te brengen over al het volgende:

a)

de toereikendheid van de in punt 1, c), bedoelde geaccumuleerde middelen;

b)

de werkelijke vooruitgang bij de uitvoering van het in punt 1, f), bedoelde plan.

Op basis van de verslagen evalueert de Commissie de toereikendheid van de geaccumuleerde middelen van het fonds voor het beheer van radioactief afval en het fonds voor nucleaire ontmanteling als bedoeld in punt 1, c), en de vooruitgang bij de uitvoering van het in punt 1, f), bedoelde gedocumenteerde plan en kan zij een advies tot de betrokken lidstaat richten.

5.

De Commissie evalueert vanaf 2025 en ten minste om de tien jaar de technische parameters die overeenstemmen met de beste beschikbare technologie op basis van de beoordeling door de Groep Europese regelgevers op het gebied van nucleaire veiligheid (Ensreg).

6.

De activiteit voldoet aan de nationale wetgeving ter omzetting van de in de punten 1, a), en 1, b), bedoelde wetgeving, ook wat betreft de evaluatie, met name door middel van stresstests, van de veerkracht van de kerncentrales op het grondgebied van de Unie tegen extreme natuurrampen, waaronder aardbevingen. De activiteit vindt dus plaats op het grondgebied van een lidstaat waar de exploitant van een kerninstallatie:

a)

de nucleaire veiligheid heeft aangetoond, waarbij de reikwijdte en het niveau van detail evenredig zijn met de potentiële omvang en aard van het gestelde risico voor de kerninstallatie en de vestigingsplaats ervan (artikel 6, punt b), van Richtlijn 2009/71/Euratom);

b)

diepteverdedigingsmaatregelen heeft genomen om er onder meer voor te zorgen dat de impact van extreme externe natuurrampen en onopzettelijk door de mens veroorzaakte gevaren tot een minimum wordt beperkt (artikel 8 ter, lid 1, punt a), van Richtlijn 2009/71/Euratom);

c)

een passende locatie- en installatiespecifieke beoordeling heeft uitgevoerd wanneer de betrokken exploitant een vergunning aanvraagt voor de bouw of exploitatie van een kerncentrale (artikel 8 quater, punt a), van Richtlijn 2009/71/Euratom).

7.

De activiteit voldoet aan de eisen van Richtlijn 2009/71/Euratom, ondersteund door de meest recente internationale richtsnoeren van de IAEA en de WENRA, die bijdragen tot vergroting van het vermogen van nieuwe en bestaande kerncentrales om extreme natuurrampen, waaronder overstromingen en extreme weersomstandigheden, te weerstaan.

8.

Radioactief afval als bedoeld in de punten 1, e), en 1, f), wordt geborgen in de lidstaat waar het is geproduceerd, tenzij er een overeenkomst is tussen de betrokken lidstaat en de lidstaat van bestemming, zoals bepaald in Richtlijn 2011/70/Euratom. In dat geval beschikt de lidstaat van bestemming over programma’s inzake beheer en berging van radioactief afval en over een geschikte operationele bergingsfaciliteit overeenkomstig de vereisten van Richtlijn 2011/70/Euratom.

Aanvullende criteria met betrekking tot een substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

De activiteit bestaat in de opwekking van elektriciteit uit kernenergie. De broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van de elektriciteitsopwekking uit kernenergie zijn lager dan de drempel van 100 g CO2e/kWh.

De broeikasgasemissiereducties gedurende de levenscyclus worden berekend volgens Aanbeveling 2013/179/EU dan wel volgens ISO 14067:2018 of ISO 14064-1:2018.

De gekwantificeerde broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus worden gecontroleerd door een onafhankelijke derde.

Aanvullende criteria met betrekking tot geen ernstige afbreuk doen aan (DNSH)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

De activiteit voldoet aan de eisen van artikel 6, punt b), artikel 8 ter, lid 1, punt a), en artikel 8 quater, punt a), van Richtlijn 2009/71/Euratom.

De activiteit voldoet aan de eisen van Richtlijn 2009/71/Euratom, uitgevoerd overeenkomstig de internationale richtsnoeren van de IAEA en de WENRA met betrekking tot extreme natuurrampen, waaronder overstromingen en extreme weersomstandigheden.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

De risico’s van milieudegradatie in verband met het behoud van de waterkwaliteit en het voorkomen van waterstress worden bepaald en aangepakt overeenkomstig een in overleg met de betrokken belanghebbenden opgesteld beheerplan voor het gebruik en de bescherming van water.

Om thermische anomalieën in verband met de lozing van afvalwarmte te beperken, controleren exploitanten van landinwaarts gelegen kerncentrales die gebruikmaken van natte koeling met één doorloop door water uit een rivier of meer in te nemen:

(a)

de maximumtemperatuur van het ontvangende zoetwaterlichaam na vermenging, en

(b)

het maximale temperatuurverschil tussen het geloosde koelwater en het ontvangende zoetwaterlichaam.

De temperatuurcontrole wordt uitgevoerd in overeenstemming met de individuele vergunningsvoorwaarden voor de specifieke activiteiten, indien van toepassing, of de drempelwaarden overeenkomstig het Unierecht.

De activiteit voldoet aan de normen van de Industry Foundation Classes (IFC).

Nucleaire activiteiten worden verricht overeenkomstig de voorschriften inzake voor menselijke consumptie bestemd water van Richtlijn 2000/60/EG en Richtlijn 2013/51/Euratom tot vaststelling van voorschriften voor de bescherming van de volksgezondheid tegen radioactieve stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

Er is een plan voor het beheer van zowel niet-radioactief als radioactief afval voorhanden dat een maximaal hergebruik of maximale recycling van dergelijk afval aan het einde van de levensduur waarborgt overeenkomstig de afvalhiërarchie, inclusief via contractuele overeenkomsten met afvalbeheerpartners, de financiële prognoses of de officiële projectdocumentatie.

Tijdens de exploitatie en ontmanteling wordt de hoeveelheid radioactief afval tot een minimum beperkt en wordt de hoeveelheid vrij te geven materialen gemaximaliseerd in overeenstemming met Richtlijn 2011/70/Euratom en met inachtneming van de stralingsbeschermingsvoorschriften van Richtlijn 2013/59/Euratom.

Er is een financieringsregeling om te zorgen voor voldoende financiering voor alle ontmantelingsactiviteiten en voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval in overeenstemming met Richtlijn 2011/70/Euratom en Aanbeveling 2006/851/Euratom.

Voorafgaand aan de bouw van een kerncentrale wordt een milieueffectbeoordeling uitgevoerd overeenkomstig Richtlijn 2011/92/EU. De vereiste mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

De desbetreffende elementen in deze afdeling worden behandeld in de verslagen van de lidstaten aan de Commissie overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Richtlijn 2011/70/Euratom.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

De niet-radioactieve emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken (BBT-GEN’s) geassocieerde emissieniveaus die zijn vastgesteld in de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties. Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

Voor de toepassing op kerncentrales met een thermisch ingangsvermogen van meer dan 1 MW maar onder de drempels voor de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties dienen de emissies onder de emissiegrenswaarden te liggen die zijn vastgesteld in deel 2 van bijlage II bij Richtlijn (EU) 2015/2193.

Radioactieve lozingen in de lucht, waterlichamen en de bodem (grond) voldoen aan de individuele vergunningsvoorwaarden voor de specifieke activiteiten, indien van toepassing, of de nationale drempelwaarden overeenkomstig Richtlijn 2013/51/Euratom en Richtlijn 2013/59/Euratom.

Verbruikte splijtstof en radioactief afval worden op veilige en verantwoorde wijze beheerd overeenkomstig Richtlijn 2011/70/Euratom en Richtlijn 2013/59/Euratom.

Voor het project is voldoende capaciteit voor tijdelijke opslag beschikbaar, terwijl nationale plannen voor berging voorhanden zijn om de duur van de tijdelijke opslag tot een minimum te beperken, overeenkomstig Richtlijn 2011/70/Euratom die de opslag van radioactief afval, inclusief opslag op lange termijn, beschouwt als een tijdelijke oplossing die geen alternatief vormt voor berging.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

Voorafgaand aan de bouw van een kerncentrale wordt een milieueffectbeoordeling uitgevoerd overeenkomstig Richtlijn 2011/92/EU. De vereiste mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

Voor sites/werkzaamheden in of nabij biodiversiteitsgevoelige gebieden met waarschijnlijk aanzienlijke gevolgen voor biodiversiteitsgevoelige gebieden (waaronder het Natura 2000-netwerk van beschermde gebieden, Unesco-werelderfgoedsites en belangrijke biodiversiteitsgebieden, alsmede andere beschermde gebieden) is er, indien nodig, een passende beoordeling uitgevoerd en worden op basis van de conclusies de nodige mitigerende maatregelen genomen.

De sites/werkzaamheden zijn niet schadelijk voor de staat van instandhouding van de habitats of soorten die in beschermde gebieden aanwezig zijn.

4.28.   Elektriciteitsopwekking uit kernenergie in bestaande installaties

Beschrijving van de activiteit

Aanpassing van bestaande nucleaire installaties met het oog op de verlenging, waarvoor de bevoegde autoriteiten van de lidstaten uiterlijk in 2040 een vergunning afgeven overeenkomstig het toepasselijke nationale recht, van de bedrijfstijd van veilige exploitatie van nucleaire installaties die elektriciteit of warmte uit kernenergie produceren (“kerncentrales”).

De activiteit is ingedeeld in NACE-codes D35.11 en F42.22 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

De economische activiteit in deze categorie is een activiteit als bedoeld in artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 wanneer zij voldoet aan alle in deze afdeling vastgestelde technische screeningcriteria.

Technische screeningcriteria

Algemene criteria met betrekking tot een substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering en geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

1.

Het project met betrekking tot de economische activiteit (“het project”) bevindt zich in een lidstaat die voldoet aan alle volgende voorwaarden:

a)

de lidstaat heeft Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad en Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad volledig omgezet;

b)

de lidstaat voldoet aan het Euratom-Verdrag en de op grond daarvan aangenomen wetgeving, met name Richtlijn 2009/71/Euratom, Richtlijn 2011/70/Euratom en Richtlijn 2013/59/Euratom, en aan de toepasselijke milieuwetgeving van de Unie die is aangenomen op grond van artikel 192 VWEU, met name Richtlijn 2011/92/EU en Richtlijn 2000/60/EG;

c)

de lidstaat beschikt vanaf de datum van goedkeuring van het project over een fonds voor het beheer van radioactief afval en een fonds voor nucleaire ontmanteling, die kunnen worden gecombineerd;

d)

de lidstaat heeft aangetoond dat hij aan het einde van de geschatte levensduur van de kerncentrale zal beschikken over middelen die overeenkomen met de geraamde kosten van het beheer van radioactief afval en de ontmanteling overeenkomstig Aanbeveling 2006/851/Euratom;

e)

de lidstaat beschikt over operationele eindbergingsfaciliteiten voor al het zeer laag-, laag- en middelradioactief afval, waarvan de Commissie overeenkomstig artikel 41 van het Euratom-Verdrag of artikel 1, lid 4, van Verordening (EG) nr. 2587/1999 van de Raad in kennis is gesteld en die zijn opgenomen in het overeenkomstig Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad bijgewerkte nationale programma;

f)

voor projecten waarvoor na 2025 een vergunning wordt afgegeven, beschikt de lidstaat over een gedocumenteerd plan met gedetailleerde stappen om uiterlijk in 2050 een bergingsfaciliteit voor hoogradioactief afval in bedrijf te hebben, waarin al het volgende wordt beschreven:

i)

concepten, plannen en technische oplossingen voor het beheer van radioactief afval en verbruikte splijtstof, van productie tot berging;

ii)

concepten of plannen voor de periode na de sluiting van een bergingsfaciliteit, met nadere bepalingen over de termijn waarin passende controles worden aangehouden en over de in te zetten middelen om de kennis over deze faciliteit op lange termijn te behouden;

iii)

de verantwoordelijkheden voor de uitvoering van het plan en de essentiële prestatie-indicatoren om de vooruitgang te monitoren;

iv)

kostenramingen en financieringsregelingen.

Voor de toepassing van punt f) kunnen de lidstaten gebruikmaken van de plannen die zijn opgesteld in het kader van het door de artikelen 11 en 12 van Richtlijn 2011/70/Euratom voorgeschreven nationale programma.

2.

Het verbeterde project omvat elke redelijkerwijs haalbare verbetering van de veiligheid en maakt vanaf 2025 gebruik van ongevaltolerante splijtstof. De technologie is gecertificeerd en goedgekeurd door de nationale veiligheidstoezichthouder.

3.

Het project is ter kennis van de Commissie gebracht overeenkomstig artikel 41 van het Euratom-Verdrag of artikel 1, lid 4, van Verordening 2587/1999 van de Raad, wanneer een van deze bepalingen van toepassing is, de Commissie heeft daarover advies uitgebracht overeenkomstig artikel 43 van het Euratom-Verdrag, en alle in het advies aan de orde gestelde kwesties die relevant zijn voor de toepassing van artikel 10, lid 2, en artikel 17 van Verordening (EU) 2020/852 en van de in deze afdeling vastgestelde technische screeningcriteria, zijn op bevredigende wijze aangepakt.

4.

De betrokken lidstaat heeft zich ertoe verbonden om de vijf jaar voor elk project aan de Commissie verslag uit te brengen over al het volgende:

a)

de toereikendheid van de in punt 1, c), bedoelde geaccumuleerde middelen;

b)

de werkelijke vooruitgang bij de uitvoering van het in punt 1, f), bedoelde plan.

Op basis van de verslagen evalueert de Commissie de toereikendheid van de geaccumuleerde middelen van het fonds voor het beheer van radioactief afval en het fonds voor nucleaire ontmanteling als bedoeld in punt 1, c), en de vooruitgang bij de uitvoering van het in punt 1, f), bedoelde gedocumenteerde plan en kan zij een advies tot de betrokken lidstaat richten.

5.

De activiteit voldoet aan de nationale wetgeving ter omzetting van de in de punten 1, a), en 1, b), bedoelde wetgeving, ook wat betreft de evaluatie, met name door middel van stresstests, van de veerkracht van de kerncentrales in de Unie tegen extreme natuurrampen, waaronder aardbevingen. De activiteit vindt dus plaats op het grondgebied van een lidstaat waar de exploitant van een kerninstallatie:

a)

de nucleaire veiligheid heeft aangetoond, waarbij de reikwijdte en het niveau van detail evenredig zijn met de potentiële omvang en aard van het gestelde risico voor de kerninstallatie en de vestigingsplaats ervan (artikel 6, punt b), van Richtlijn 2009/71/Euratom);

b)

diepteverdedigingsmaatregelen heeft genomen om er onder meer voor te zorgen dat de impact van extreme externe natuurrampen en onopzettelijk door de mens veroorzaakte gevaren tot een minimum wordt beperkt (artikel 8 ter, lid 1, punt a), van Richtlijn 2009/71/Euratom);

c)

een passende locatie- en installatiespecifieke beoordeling heeft uitgevoerd wanneer de betrokken exploitant een vergunning aanvraagt voor de bouw of exploitatie van een kerncentrale (artikel 8 quater, punt a), van Richtlijn 2009/71/Euratom).

6.

De activiteit voldoet aan de eisen van Richtlijn 2009/71/Euratom, ondersteund door de meest recente internationale richtsnoeren van de IAEA en de WENRA, die bijdragen tot vergroting van het vermogen van nieuwe en bestaande kerncentrales om extreme natuurrampen, waaronder overstromingen en extreme weersomstandigheden, te weerstaan.

7.

Radioactief afval als bedoeld in de punten 1, e), en 1, f), wordt geborgen in de lidstaat waar het is geproduceerd, tenzij er een overeenkomst is tussen de betrokken lidstaat en de lidstaat van bestemming, zoals bepaald in Richtlijn 2011/70/Euratom. In dat geval beschikt de lidstaat van bestemming over programma’s inzake beheer en berging van radioactief afval en over een geschikte operationele bergingsfaciliteit overeenkomstig de vereisten van Richtlijn 2011/70/Euratom.

Aanvullende criteria met betrekking tot een substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

De activiteit bestaat in de opwekking van elektriciteit uit kernenergie. De broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van de elektriciteitsopwekking uit kernenergie zijn lager dan de drempel van 100 g CO2e/kWh.

De broeikasgasemissiereducties gedurende de levenscyclus worden berekend volgens Aanbeveling 2013/179/EU dan wel volgens ISO 14067:2018 of ISO 14064-1:2018.

De gekwantificeerde broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus worden gecontroleerd door een onafhankelijke derde.

Aanvullende criteria met betrekking tot geen ernstige afbreuk doen aan (DNSH)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

De activiteit voldoet aan de eisen van artikel 6, punt b), artikel 8 ter, lid 1, punt a), en artikel 8 quater, punt a), van Richtlijn 2009/71/Euratom.

De activiteit voldoet aan de eisen van Richtlijn 2009/71/Euratom, uitgevoerd overeenkomstig de internationale richtsnoeren van de IAEA en de WENRA met betrekking tot extreme natuurrampen, waaronder overstromingen en extreme weersomstandigheden.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

De risico’s van milieudegradatie in verband met het behoud van de waterkwaliteit en het voorkomen van waterstress worden bepaald en aangepakt overeenkomstig een in overleg met de betrokken belanghebbenden opgesteld beheerplan voor het gebruik en de bescherming van water.

Om thermische anomalieën in verband met de lozing van afvalwarmte te beperken, controleren exploitanten van landinwaarts gelegen kerncentrales die gebruikmaken van natte koeling met één doorloop door water uit een rivier of meer in te nemen:

a)

de maximumtemperatuur van het ontvangende zoetwaterlichaam na vermenging, en

b)

het maximale temperatuurverschil tussen het geloosde koelwater en het ontvangende zoetwaterlichaam.

De temperatuurcontrole wordt uitgevoerd in overeenstemming met de individuele vergunningsvoorwaarden voor de specifieke activiteiten, indien van toepassing, of de drempelwaarden overeenkomstig het Unierecht.

De activiteit voldoet aan de normen van de Industry Foundation Classes (IFC).

Nucleaire activiteiten worden verricht overeenkomstig de voorschriften inzake voor menselijke consumptie bestemd water van Richtlijn 2000/60/EG en Richtlijn 2013/51/Euratom tot vaststelling van voorschriften voor de bescherming van de volksgezondheid tegen radioactieve stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

Er is een plan voor het beheer van zowel niet-radioactief als radioactief afval voorhanden dat een maximaal hergebruik of maximale recycling van dergelijk afval aan het einde van de levensduur waarborgt overeenkomstig de afvalhiërarchie, inclusief via contractuele overeenkomsten met afvalbeheerpartners, de financiële prognoses of de officiële projectdocumentatie.

Tijdens de exploitatie en ontmanteling wordt de hoeveelheid radioactief afval tot een minimum beperkt en wordt de hoeveelheid vrij te geven materialen gemaximaliseerd in overeenstemming met Richtlijn 2011/70/Euratom en met inachtneming van de stralingsbeschermingsvoorschriften van Richtlijn 2013/59/Euratom.

Er is een financieringsregeling om te zorgen voor voldoende financiering voor alle ontmantelingsactiviteiten en voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval in overeenstemming met Richtlijn 2011/70/Euratom en Aanbeveling 2006/851/Euratom.

Voorafgaand aan de bouw van een kerncentrale wordt een milieueffectbeoordeling uitgevoerd overeenkomstig Richtlijn 2011/92/EU. De vereiste mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

De desbetreffende elementen in deze afdeling worden behandeld in de verslagen van de lidstaten aan de Commissie overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Richtlijn 2011/70/Euratom.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

De niet-radioactieve emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken (BBT-GEN’s) geassocieerde emissieniveaus die zijn vastgesteld in de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties. Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

Voor de toepassing op kerncentrales met een thermisch ingangsvermogen van meer dan 1 MW maar onder de drempels voor de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties dienen de emissies onder de emissiegrenswaarden te liggen die zijn vastgesteld in deel 2 van bijlage II bij Richtlijn (EU) 2015/2193.

Radioactieve lozingen in de lucht, waterlichamen en de bodem (grond) voldoen aan de individuele vergunningsvoorwaarden voor de specifieke activiteiten, indien van toepassing, of de nationale drempelwaarden overeenkomstig Richtlijn 2013/51/Euratom en Richtlijn 2013/59/Euratom.

Verbruikte splijtstof en radioactief afval worden op veilige en verantwoorde wijze beheerd overeenkomstig Richtlijn 2011/70/Euratom en Richtlijn 2013/59/Euratom.

Voor het project is voldoende capaciteit voor tijdelijke opslag beschikbaar, terwijl nationale plannen voor berging voorhanden zijn om de duur van de tijdelijke opslag tot een minimum te beperken, overeenkomstig Richtlijn 2011/70/Euratom die de opslag van radioactief afval, inclusief opslag op lange termijn, beschouwt als een tijdelijke oplossing die geen alternatief vormt voor berging.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

Voorafgaand aan de bouw van een kerncentrale wordt een milieueffectbeoordeling uitgevoerd overeenkomstig Richtlijn 2011/92/EU. De vereiste mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

Voor sites/werkzaamheden in of nabij biodiversiteitsgevoelige gebieden met waarschijnlijk aanzienlijke gevolgen voor biodiversiteitsgevoelige gebieden (waaronder het Natura 2000-netwerk van beschermde gebieden, Unesco-werelderfgoedsites en belangrijke biodiversiteitsgebieden, alsmede andere beschermde gebieden) is er, indien nodig, een passende beoordeling uitgevoerd en worden op basis van de conclusies de nodige mitigerende maatregelen genomen.

De sites/werkzaamheden zijn niet schadelijk voor de staat van instandhouding van de habitats of soorten die in beschermde gebieden aanwezig zijn.

4.29.   Elektriciteitsopwekking uit fossiele gasvormige brandstoffen

Beschrijving van de activiteit

De bouw of exploitatie van installaties voor elektriciteitsopwekking die elektriciteit produceren uit fossiele gasvormige brandstoffen. Deze activiteit omvat niet de opwekking van elektriciteit uitsluitend met behulp van hernieuwbare niet-fossiele gasvormige en vloeibare brandstoffen als bedoeld in afdeling 4.7 van deze bijlage en biogas en vloeibare biobrandstoffen als bedoeld in afdeling 4.8 van deze bijlage.

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan verschillende NACE-codes, met name D35.11 en F42.22, overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

De economische activiteit in deze categorie is een transitieactiviteit als bedoeld in artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 wanneer zij voldoet aan de in deze afdeling vastgestelde technische screeningcriteria.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

1.

De activiteit voldoet aan een van de volgende criteria:

a)

de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van de elektriciteitsopwekking uit fossiele gasvormige brandstoffen zijn lager dan 100 g CO2e/kWh.

De broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus worden berekend op basis van projectspecifieke gegevens, voor zover deze beschikbaar zijn, volgens Aanbeveling 2013/179/EU dan wel volgens ISO 14067:2018 of ISO 14064-1:2018.

De gekwantificeerde broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus worden gecontroleerd door een onafhankelijke derde.

Wanneer de installaties enige vorm van reductie, met inbegrip van koolstofafvang of gebruik van hernieuwbare of koolstofarme gassen, omvatten, voldoet die reductieactiviteit aan de criteria die zijn vastgesteld in de desbetreffende afdeling van deze bijlage, indien van toepassing.

Indien de CO2 die anders tijdens het elektriciteitsopwekkingsproces zou worden uitgestoten, met het oog op ondergrondse opslag wordt afgevangen, wordt de CO2 vervoerd en ondergronds opgeslagen in overeenstemming met de in de afdelingen 5.11 en 5.12 van deze bijlage vastgestelde technische screeningcriteria.

b)

faciliteiten waarvoor de bouwvergunning uiterlijk op 31 december 2030 is afgegeven, voldoen aan alle volgende voorwaarden:

i)

de directe broeikasgasemissies van de activiteit zijn lager dan 270 g CO2e/kWh van de uitgangsenergie, of de jaarlijkse directe broeikasgasemissies van de activiteit zijn niet hoger dan een gemiddelde van 550 kg CO2e/kW van de capaciteit van de faciliteit over een periode van 20 jaar;

ii)

de te vervangen energie kan niet worden opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen, op basis van een vergelijkende beoordeling met het meest kosteneffectieve en technisch haalbare hernieuwbare alternatief voor dezelfde capaciteit; het resultaat van deze vergelijkende beoordeling wordt gepubliceerd en wordt onderworpen aan een raadpleging van belanghebbenden;

iii)

de activiteit vervangt een bestaande energieopwekkingsactiviteit met hoge uitstoot die vaste of vloeibare fossiele brandstoffen gebruikt;

iv)

de nieuw geïnstalleerde productiecapaciteit overschrijdt de capaciteit van de vervangen faciliteit niet met meer dan 15 %;

v)

de faciliteit is ontworpen en gebouwd om hernieuwbare en/of koolstofarme gasvormige brandstoffen te gebruiken, en de omschakeling naar volledig gebruik van hernieuwbare en/of koolstofarme gasvormige brandstoffen vindt uiterlijk op 31 december 2035 plaats, met een verbintenis en een verifieerbaar plan die zijn goedgekeurd door het leidinggevend orgaan van de onderneming;

vi)

de vervanging leidt tot een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen met ten minste 55 % gedurende de levensduur van de nieuw geïnstalleerde productiecapaciteit;

vii)

wanneer de activiteit plaatsvindt op het grondgebied van een lidstaat waar steenkool wordt gebruikt voor energieopwekking, heeft die lidstaat zich ertoe verbonden het gebruik van energieopwekking uit steenkool uit te faseren en heeft hij dit gerapporteerd in zijn geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan als bedoeld in artikel 3 van Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad (*8) of in een ander instrument.

De naleving van de in punt 1, b), bedoelde criteria wordt gecontroleerd door een onafhankelijke derde. De onafhankelijke derde controleur beschikt over de nodige middelen en deskundigheid om die controle uit te voeren. Een onafhankelijke derde controleur heeft geen belangenconflicten met de eigenaar of de financier en is niet betrokken bij de ontwikkeling of exploitatie van de activiteit. De onafhankelijke derde controleur controleert zorgvuldig of aan de technische screeningcriteria is voldaan. Elk jaar wordt door de onafhankelijke derde met name een verslag gepubliceerd en aan de Commissie toegezonden waarin:

(a)

het niveau van de directe broeikasgasemissies als bedoeld in punt 1, b), i), wordt gecertificeerd;

(b)

indien van toepassing wordt beoordeeld of de jaarlijkse directe broeikasgasemissies van de activiteit zich op een geloofwaardig traject bevinden om te voldoen aan de in punt 1, b), i), bedoelde gemiddelde drempel over een periode van 20 jaar;

(c)

wordt beoordeeld of de activiteit zich op een geloofwaardig traject bevindt om te voldoen aan punt 1, b), v).

Bij de uitvoering van de in punt 1, b), bedoelde beoordeling houdt de onafhankelijke controleur met name rekening met de geplande jaarlijkse broeikasgasemissies voor elk jaar van het traject, de gerealiseerde jaarlijkse directe broeikasgasemissies, de geplande en gerealiseerde bedrijfsuren en het geplande en gerealiseerde gebruik van hernieuwbare of koolstofarme gassen.

Op basis van de haar toegezonden verslagen kan de Commissie een advies tot de betrokken exploitanten richten. Bij de uitvoering van de in artikel 19, lid 5, van Verordening (EU) 2020/852 bedoelde evaluatie houdt de Commissie rekening met die verslagen.

2.

De activiteit voldoet aan een van de volgende criteria:

a)

bij de bouw wordt meetapparatuur voor de monitoring van de fysieke emissies, zoals die uit methaanlekkage, geïnstalleerd of wordt een programma inzake lekdetectie- en reparatie opgezet;

b)

bij de exploitatie wordt verslag uitgebracht van fysieke emissiemetingen en wordt eventuele lekkage geëlimineerd.

3.

Indien bij de activiteit een mengeling van fossiele gasvormige brandstoffen en gasvormige of vloeibare biobrandstoffen wordt gebruikt, voldoet de agrarische biomassa die voor de productie van de biobrandstoffen wordt gebruikt, aan de criteria van artikel 29, leden 2 tot en met 5, van Richtlijn (EU) 2018/2001, en de bosbiomassa aan de criteria van artikel 29, leden 6 en 7, van die richtlijn.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

n.v.t.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

De emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) die in de recentste BBT-conclusies ter zake zijn vastgesteld, waaronder de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties.

Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

Voor de toepassing op stookinstallaties met een thermisch ingangsvermogen van meer dan 1 MW maar onder de drempels voor de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties liggen de emissies onder de emissiegrenswaarden die zijn vastgesteld in deel 2 van bijlage II bij Richtlijn (EU) 2015/2193.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

4.30.   Hoogrenderende warmte-/koudekrachtkoppeling uit fossiele gasvormige brandstoffen

Beschrijving van de activiteit

De bouw, renovatie en exploitatie van installaties voor warmte-/koudekrachtkoppeling met behulp van fossiele gasvormige brandstoffen. Deze activiteit omvat niet de hoogrenderende warmte-/koudekrachtkoppeling uitsluitend met behulp van hernieuwbare niet-fossiele gasvormige en vloeibare brandstoffen als bedoeld in afdeling 4.19 van deze bijlage en biogas en vloeibare biobrandstoffen als bedoeld in afdeling 4.20 van deze bijlage.

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan de NACE-codes D35.11 en D35.30 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

De economische activiteit in deze categorie is een transitieactiviteit als bedoeld in artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 wanneer zij voldoet aan de in deze afdeling vastgestelde technische screeningcriteria.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

1.

De activiteit voldoet aan een van de volgende criteria:

a)

de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van de warmte-/koudekrachtkoppeling uit gasvormige brandstoffen zijn lager dan 100 g CO2e per 1 kWh energie-output van de warmte-/koudekrachtkoppeling.

De broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus worden berekend op basis van projectspecifieke gegevens, voor zover deze beschikbaar zijn, volgens Aanbeveling 2013/179/EU dan wel volgens ISO 14067:2018 of ISO 14064-1:2018.

De gekwantificeerde broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus worden gecontroleerd door een onafhankelijke derde.

Wanneer de installaties enige vorm van reductie, met inbegrip van koolstofafvang of gebruik van hernieuwbare of koolstofarme gassen, omvatten, voldoet die reductieactiviteit aan de desbetreffende afdelingen van deze bijlage, indien van toepassing. Wanneer de door de elektriciteitsopwekking uitgestoten CO2 wordt afgevangen, voldoet de CO2 aan de in punt 1 van deze afdeling vastgestelde emissiegrenswaarden en geschieden het transport en de ondergrondse opslag ervan op een wijze die voldoet aan de technische screeningcriteria voor transport van CO2 en opslag van CO2 die in afdeling 5.11 respectievelijk afdeling 5.12 van deze bijlage zijn vastgesteld.

b)

faciliteiten waarvoor de bouwvergunning uiterlijk op 31 december 2030 is afgegeven, voldoen aan alle volgende voorwaarden:

i)

de activiteit levert een besparing op primaire energie op van ten minste 10 % ten opzichte van de referenties voor de gescheiden productie van warmte en elektriciteit; de besparing op primaire energie wordt berekend op basis van de formule van Richtlijn 2012/27/EU;

ii)

de directe broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van de activiteit zijn lager dan 270 g CO2e/kWh van de uitgangsenergie;

iii)

de te vervangen energie en/of warmte/koude kan niet worden opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen, op basis van een vergelijkende beoordeling met het meest kosteneffectieve en technisch haalbare hernieuwbare alternatief voor dezelfde capaciteit; het resultaat van deze vergelijkende beoordeling wordt gepubliceerd en wordt onderworpen aan een raadpleging van belanghebbenden;

iv)

de activiteit vervangt een bestaande warmte-/koudekrachtkoppelingsactiviteit met hoge uitstoot, een afzonderlijke warmte-/koudeopwekkingsactiviteit, of een afzonderlijke elektriciteitsopwekkingsactiviteit die vaste of vloeibare fossiele brandstoffen gebruikt;

v)

de nieuw geïnstalleerde productiecapaciteit overschrijdt de capaciteit van de vervangen faciliteit niet;

vi)

de faciliteit is ontworpen en gebouwd om hernieuwbare en/of koolstofarme gasvormige brandstoffen te gebruiken, en de omschakeling naar volledig gebruik van hernieuwbare en/of koolstofarme gasvormige brandstoffen vindt uiterlijk op 31 december 2035 plaats, met een verbintenis en een verifieerbaar plan die zijn goedgekeurd door het leidinggevend orgaan van de onderneming;

vii)

de vervanging leidt tot een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen met ten minste 55 % per kWh uitgangsenergie;

viii)

de renovatie van de faciliteit leidt niet tot een verhoging van de productiecapaciteit van de faciliteit;

ix)

wanneer de activiteit plaatsvindt op het grondgebied van een lidstaat waar steenkool wordt gebruikt voor energieopwekking, heeft die lidstaat zich ertoe verbonden het gebruik van energieopwekking uit steenkool uit te faseren en heeft hij dit gerapporteerd in zijn geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan als bedoeld in artikel 3 van Verordening (EU) 2018/1999 of in een ander instrument.

De naleving van de in punt 1, b), bedoelde criteria wordt gecontroleerd door een onafhankelijke derde. De onafhankelijke derde controleur beschikt over de nodige middelen en deskundigheid om die controle uit te voeren. Een onafhankelijke derde controleur heeft geen belangenconflicten met de eigenaar of de financier en is niet betrokken bij de ontwikkeling of exploitatie van de activiteit. De onafhankelijke derde controleur controleert zorgvuldig of aan de technische screeningcriteria is voldaan. Elk jaar wordt door de onafhankelijke derde met name een verslag gepubliceerd en aan de Commissie toegezonden waarin:

(a)

het niveau van de directe broeikasgasemissies als bedoeld in punt 1, b), ii), wordt gecertificeerd;

(b)

wordt beoordeeld of de activiteit zich op een geloofwaardig traject bevindt om te voldoen aan punt 1, b), vi).

Op basis van de haar toegezonden verslagen kan de Commissie een advies tot de betrokken exploitanten richten. Bij de uitvoering van de in artikel 19, lid 5, van Verordening (EU) 2020/852 bedoelde evaluatie houdt de Commissie rekening met die verslagen.

2.

De activiteit voldoet aan een van de volgende criteria:

a)

bij de bouw wordt meetapparatuur voor de monitoring van de fysieke emissies, waaronder die uit methaanlekkage, geïnstalleerd of wordt een programma inzake lekdetectie- en reparatie opgezet;

b)

bij de exploitatie wordt verslag uitgebracht van fysieke emissiemetingen en wordt eventuele lekkage geëlimineerd.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

n.v.t.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

De emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) die in de recentste BBT-conclusies ter zake zijn vastgesteld, waaronder de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties.

Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

Voor de toepassing op stookinstallaties met een thermisch ingangsvermogen van meer dan 1 MW maar onder de drempels voor de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties liggen de emissies onder de emissiegrenswaarden die zijn vastgesteld in deel 2 van bijlage II bij Richtlijn (EU) 2015/2193.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

4.31.   Productie van warmte/koude uit fossiele gasvormige brandstoffen in een efficiënt systeem voor stadsverwarming en -koeling

Beschrijving van de activiteit

De bouw, renovatie en exploitatie van warmteopwekkingsfaciliteiten die warmte/koude produceren met behulp van fossiele gasvormige brandstoffen en die zijn aangesloten op efficiënte stadsverwarming en -koeling in de zin van artikel 2, punt 41, van Richtlijn 2012/27/EU. Deze activiteit omvat niet de productie van warmte/koude in een efficiënte stadsverwarming uitsluitend met behulp van hernieuwbare niet-fossiele gasvormige en vloeibare brandstoffen als bedoeld in afdeling 4.23 van deze bijlage en biogas en vloeibare biobrandstoffen als bedoeld in afdeling 4.24 van deze bijlage.

De activiteit is ingedeeld in NACE-code D35.30 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

De economische activiteit in deze categorie is een transitieactiviteit als bedoeld in artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 wanneer zij voldoet aan de in deze afdeling vastgestelde technische screeningcriteria.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

1.

De activiteit voldoet aan een van de volgende criteria:

a)

De broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van de productie van warmte/koude uit gasvormige brandstoffen zijn lager dan 100 g CO2e/kWh. De broeikasgasemissiereducties gedurende de levenscyclus worden berekend volgens Aanbeveling 2013/179/EU dan wel volgens ISO 14067:2018 of ISO 14064-1:2018.

De gekwantificeerde broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus worden gecontroleerd door een onafhankelijke derde.

Wanneer de installaties enige vorm van reductie, met inbegrip van koolstofafvang of gebruik van hernieuwbare of koolstofarme gassen, omvatten, voldoet die reductieactiviteit aan de desbetreffende afdelingen van deze bijlage, indien van toepassing. Wanneer de door de elektriciteitsopwekking uitgestoten CO2 wordt afgevangen, voldoet de CO2 aan de in punt 1 van deze afdeling vastgestelde emissiegrenswaarden en geschieden het transport en de ondergrondse opslag ervan op een wijze die voldoet aan de technische screeningcriteria voor transport van CO2 en opslag van CO2 die in afdeling 5.11 respectievelijk afdeling 5.12 van deze bijlage zijn vastgesteld.

b)

faciliteiten waarvoor de bouwvergunning uiterlijk op 31 december 2030 is afgegeven, voldoen aan alle volgende voorwaarden:

i)

de door de activiteit opgewekte thermische energie wordt gebruikt in een efficiënt systeem voor stadsverwarming en -koeling zoals gedefinieerd in Richtlijn 2012/27/EU;

ii)

de directe broeikasgasemissies van de activiteit zijn lager dan 270 g CO2e/kWh van de uitgangsenergie;

iii)

de te vervangen warmte/koude kan niet worden opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen, op basis van een vergelijkende beoordeling met het meest kosteneffectieve en technisch haalbare hernieuwbare alternatief voor dezelfde capaciteit; het resultaat van deze vergelijkende beoordeling wordt gepubliceerd en wordt onderworpen aan een raadpleging van belanghebbenden;

iv)

de activiteit vervangt een bestaande verwarmings-/koelingsactiviteit met hoge uitstoot die vaste of vloeibare fossiele brandstoffen gebruikt;

v)

de nieuw geïnstalleerde productiecapaciteit overschrijdt de capaciteit van de vervangen faciliteit niet;

vi)

de faciliteit is ontworpen en gebouwd om hernieuwbare en/of koolstofarme gasvormige brandstoffen te gebruiken, en de omschakeling naar volledig gebruik van hernieuwbare en/of koolstofarme gasvormige brandstoffen vindt uiterlijk op 31 december 2035 plaats, met een verbintenis en een verifieerbaar plan die zijn goedgekeurd door het leidinggevend orgaan van de onderneming;

vii)

de vervanging leidt tot een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen met ten minste 55 % per kWh uitgangsenergie;

viii)

de renovatie van de faciliteit leidt niet tot een verhoging van de productiecapaciteit van de faciliteit;

ix)

wanneer de activiteit plaatsvindt op het grondgebied van een lidstaat waar steenkool wordt gebruikt voor energieopwekking, heeft die lidstaat zich ertoe verbonden het gebruik van energieopwekking uit steenkool uit te faseren en heeft hij dit gerapporteerd in zijn geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan als bedoeld in artikel 3 van Verordening (EU) 2018/1999 of in een ander instrument.

De naleving van de in punt 1, b), bedoelde criteria wordt gecontroleerd door een onafhankelijke derde. De onafhankelijke derde controleur beschikt over de nodige middelen en deskundigheid om die controle uit te voeren. Een onafhankelijke derde controleur heeft geen belangenconflicten met de eigenaar of de financier en is niet betrokken bij de ontwikkeling of exploitatie van de activiteit. De onafhankelijke derde controleur controleert zorgvuldig of aan de technische screeningcriteria is voldaan. Elk jaar wordt door de onafhankelijke derde met name een verslag gepubliceerd en aan de Commissie toegezonden waarin:

a)

het niveau van de directe broeikasgasemissies als bedoeld in punt 1, b), ii), wordt gecertificeerd;

b)

wordt beoordeeld of de activiteit zich op een geloofwaardig traject bevindt om te voldoen aan punt 1, b), vi).

Op basis van de haar toegezonden verslagen kan de Commissie een advies tot de betrokken exploitanten richten. Bij de uitvoering van de in artikel 19, lid 5, van Verordening (EU) 2020/852 bedoelde evaluatie houdt de Commissie rekening met die verslagen.

2.

De activiteit voldoet aan een van de volgende criteria:

a)

bij de bouw wordt meetapparatuur voor de monitoring van de fysieke emissies, zoals die uit methaanlekkage, geïnstalleerd of wordt een programma inzake lekdetectie- en reparatie opgezet;

b)

bij de exploitatie wordt verslag uitgebracht van fysieke emissiemetingen en wordt eventuele lekkage geëlimineerd.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

n.v.t.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

De emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) die in de recentste BBT-conclusies ter zake zijn vastgesteld, waaronder de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties.

Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

Voor de toepassing op stookinstallaties met een thermisch ingangsvermogen van meer dan 1 MW maar onder de drempels voor de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties liggen de emissies onder de emissiegrenswaarden die zijn vastgesteld in deel 2 van bijlage II bij Richtlijn (EU) 2015/2193.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.”


(*1)  Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad van 25 juni 2009 tot vaststelling van een communautair kader voor de nucleaire veiligheid van kerninstallaties (PB L 172 van 2.7.2009, blz. 18).

(*2)  Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad van 19 juli 2011 tot vaststelling van een communautair kader voor een verantwoord en veilig beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval (PB L 199 van 2.8.2011, blz. 48).

(*3)  Richtlijn 2013/59/Euratom van de Raad van 5 december 2013 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming tegen de gevaren verbonden aan de blootstelling aan ioniserende straling, en houdende intrekking van de Richtlijnen 89/618/Euratom, 90/641/Euratom, 96/29/Euratom, 97/43/Euratom en 2003/122/Euratom (PB L 13 van 17.1.2014, blz. 1).

(*4)  Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1).

(*5)  Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).

(*6)  Aanbeveling 2006/851/Euratom van de Commissie van 24 oktober 2006 betreffende het beheer van de financiële middelen voor de ontmanteling van nucleaire installaties en de verwerking van verbruikte splijtstof en radioactief afval (PB L 330 van 28.11.2006, blz. 31).

(*7)  Richtlijn 2013/51/Euratom van de Raad van 22 oktober 2013 tot vaststelling van voorschriften voor de bescherming van de volksgezondheid tegen radioactieve stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 296 van 7.11.2013, blz. 12).

(*8)  Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1).”.


BIJLAGE II

In bijlage II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 worden de volgende afdelingen 4.26, 4.27, 4.28, 4.29, 4.30 en 4.31 ingevoegd:

“4.26.   Precommerciële fasen van geavanceerde technologieën voor de productie van energie uit nucleaire processen met een minimum aan afval van de splijtstofcyclus

Beschrijving van de activiteit

Onderzoek, ontwikkeling, demonstratie en uitrol van innovatieve installaties voor elektriciteitsopwekking die overeenkomstig het toepasselijke nationale recht een vergunning hebben gekregen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en die energie produceren uit nucleaire processen met een minimum aan afval van de splijtstofcyclus.

De activiteit is ingedeeld in NACE-codes M72 en M72.1 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de adaptatie aan klimaatverandering

1.

De economische activiteit heeft fysieke en niet-fysieke oplossingen (“adaptieoplossingen”) toegepast die de belangrijkste fysieke klimaatrisico’s die voor die activiteit van belang zijn, substantieel verminderen.

2.

De fysieke klimaatrisico’s die voor de activiteit van belang zijn, zijn in kaart gebracht op basis van de lijst van risico’s in aanhangsel A van deze bijlage, aan de hand van een robuuste klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling met de volgende stappen:

a)

screening van de activiteit om te bepalen welke fysieke klimaatrisico’s van de lijst in aanhangsel A van deze bijlage van invloed kunnen zijn op de prestatie van de economische activiteit tijdens haar verwachte levensduur;

b)

indien de activiteit volgens die screening onderhevig kan zijn aan een of meer van de fysieke klimaatrisico’s in aanhangsel A van deze bijlage, een klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling om de materialiteit van de fysieke klimaatrisico’s voor de economische activiteit te beoordelen;

c)

een beoordeling van de adaptatieoplossingen die het vastgestelde fysieke klimaatrisico kunnen verminderen.

De klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling staat in verhouding tot de schaal van de activiteit en de verwachte levensduur ervan, zoals hieronder beschreven:

a)

voor activiteiten met een verwachte levensduur van minder dan 10 jaar wordt de beoordeling ten minste met gebruikmaking van klimaatprojecties op de kleinste passende schaal verricht;

b)

voor alle andere activiteiten wordt de beoordeling verricht met gebruikmaking van geavanceerde klimaatprojecties met de hoogst beschikbare resolutie voor de bestaande reeks toekomstscenario’s (1) die consistent zijn met de verwachte levensduur van de activiteit, waaronder, voor grote investeringen, klimaatprojecties van ten minste 10 tot 30 jaar.

3.

De klimaatprojecties en effectbeoordelingen zijn gebaseerd op beste praktijken en beschikbare richtsnoeren en houden rekening met de laatste wetenschappelijke inzichten op het gebied van kwetsbaarheids- en risicoanalyse en bijbehorende methodologieën in lijn met de recentste verslagen van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (2), collegiaal getoetste wetenschappelijke publicaties en opensource- (3) of betaalde modellen.

4.

De toegepaste adaptatieoplossingen:

a)

werken niet ongunstig uit op de adaptatie-inspanningen of op het niveau van weerbaarheid tegen fysieke klimaatrisico’s van andere mensen, van de natuur, van het culturele erfgoed, van activa en van andere economische activiteiten;

b)

geven zo veel mogelijk de voorkeur aan het gebruik van op de natuur gebaseerde oplossingen (4) of de aanwending van blauwe of groene infrastructuur (5);

c)

sluiten aan bij lokale, sectorale, regionale of landelijke adaptatieplannen en -strategieën;

d)

worden gemonitord en gemeten aan de hand van vooraf vastgestelde indicatoren; ingeval die indicatoren niet worden gehaald, worden corrigerende maatregelen in overweging genomen;

e)

indien de toegepaste oplossing fysiek is en bestaat in een activiteit waarvoor in deze bijlage technische screeningcriteria zijn vastgesteld, voldoet de oplossing aan de technische screeningcriteria voor “geen ernstige afbreuk doen aan” voor die activiteit.

5.

De activiteit voldoet aan de bepalingen van het Euratom-Verdrag en de op grond daarvan aangenomen wetgeving, met name Richtlijn 2013/59/Euratom, Richtlijn 2009/71/Euratom en Richtlijn 2011/70/Euratom, alsook aan de toepasselijke milieuwetgeving van de Unie die is aangenomen op grond van artikel 192 VWEU, met name Richtlijn 2011/92/EU en Richtlijn 2000/60/EG.

6.

De activiteit voldoet aan de nationale wetgeving ter omzetting van Richtlijn 2009/71/Euratom, ook wat betreft de evaluatie, met name door middel van stresstests, van de veerkracht van de kerncentrales in de Unie tegen extreme natuurrampen, waaronder aardbevingen. De activiteit vindt dus plaats op het grondgebied van een lidstaat waar de exploitant van een kerninstallatie:

a)

de nucleaire veiligheid heeft aangetoond, waarbij de reikwijdte en het niveau van detail evenredig zijn met de potentiële omvang en aard van het gestelde risico voor de kerninstallatie en de vestigingsplaats ervan (artikel 6, punt b), van Richtlijn 2009/71/Euratom);

b)

diepteverdedigingsmaatregelen heeft genomen om er onder meer voor te zorgen dat de impact van extreme externe natuurrampen en onopzettelijk door de mens veroorzaakte gevaren tot een minimum wordt beperkt (artikel 8 ter, lid 1, punt a), van Richtlijn 2009/71/Euratom);

c)

een passende locatie- en installatiespecifieke beoordeling heeft uitgevoerd wanneer de betrokken exploitant een vergunning aanvraagt voor de bouw of exploitatie van een kerncentrale (artikel 8 quater, punt a), van Richtlijn 2009/71/Euratom).

De activiteit voldoet aan de eisen van Richtlijn 2009/71/Euratom, ondersteund door de meest recente internationale richtsnoeren van de IAEA en de WENRA, die bijdragen tot vergroting van het vermogen van nieuwe en bestaande kerncentrales om extreme natuurrampen, waaronder overstromingen en extreme weersomstandigheden, te weerstaan.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(1)

Mitigatie van klimaatverandering

De directe broeikasgasemissies van de activiteit zijn lager dan 270 g CO2e/kWh.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

De risico’s van milieudegradatie in verband met het behoud van de waterkwaliteit en het voorkomen van waterstress worden bepaald en aangepakt overeenkomstig een in overleg met de betrokken belanghebbenden opgesteld beheerplan voor het gebruik en de bescherming van water.

Om thermische anomalieën in verband met de lozing van afvalwarmte te beperken, controleren exploitanten van landinwaarts gelegen kerncentrales die gebruikmaken van natte koeling met één doorloop door water uit een rivier of meer in te nemen:

(a)

de maximumtemperatuur van het ontvangende zoetwaterlichaam na vermenging, en

(b)

het maximale temperatuurverschil tussen het geloosde koelwater en het ontvangende zoetwaterlichaam.

De temperatuurcontrole wordt uitgevoerd in overeenstemming met de individuele vergunningsvoorwaarden voor de specifieke activiteiten, indien van toepassing, of de drempelwaarden overeenkomstig het regelgevingskader van de EU.

De activiteit voldoet aan de normen van de Industry Foundation Classes (IFC).

Nucleaire activiteiten worden verricht overeenkomstig de voorschriften inzake voor menselijke consumptie bestemd water van Richtlijn 2000/60/EG en Richtlijn 2013/51/Euratom tot vaststelling van voorschriften voor de bescherming van de volksgezondheid tegen radioactieve stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

Er is een plan voor het beheer van zowel niet-radioactief als radioactief afval voorhanden dat een maximaal hergebruik of maximale recycling van dergelijk afval aan het einde van de levensduur waarborgt overeenkomstig de afvalhiërarchie, inclusief via contractuele overeenkomsten met afvalbeheerpartners, de financiële prognoses of de officiële projectdocumentatie.

Tijdens de exploitatie en ontmanteling wordt de hoeveelheid radioactief afval tot een minimum beperkt en wordt de hoeveelheid vrij te geven materialen gemaximaliseerd in overeenstemming met Richtlijn 2011/70/Euratom en met inachtneming van de stralingsbeschermingsvoorschriften van Richtlijn 2013/59/Euratom.

Er is een financieringsregeling om te zorgen voor voldoende financiering voor alle ontmantelingsactiviteiten en voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval in overeenstemming met Richtlijn 2011/70/Euratom en Aanbeveling 2006/851/Euratom.

Voorafgaand aan de bouw van een kerncentrale wordt een milieueffectbeoordeling uitgevoerd overeenkomstig Richtlijn 2011/92/EU. De vereiste mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

De desbetreffende elementen in deze afdeling worden behandeld in de verslagen van de lidstaten aan de Commissie overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Richtlijn 2011/70/Euratom.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage. De niet-radioactieve emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken (BBT-GEN’s) geassocieerde emissieniveaus die zijn vastgesteld in de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties. Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

Voor de toepassing op kerncentrales met een thermisch ingangsvermogen van meer dan 1 MW maar onder de drempels voor de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties dienen de emissies onder de emissiegrenswaarden te liggen die zijn vastgesteld in deel 2 van bijlage II bij Richtlijn (EU) 2015/2193.

Radioactieve lozingen in de lucht, waterlichamen en de bodem (grond) voldoen aan de individuele vergunningsvoorwaarden voor de specifieke activiteiten, indien van toepassing, en/of de nationale drempelwaarden overeenkomstig Richtlijn 2013/51/Euratom en Richtlijn 2013/59/Euratom.

Verbruikte splijtstof en radioactief afval worden op veilige en verantwoorde wijze beheerd overeenkomstig Richtlijn 2011/70/Euratom en Richtlijn 2013/59/Euratom.

Voor het project is voldoende capaciteit voor tijdelijke opslag beschikbaar, terwijl nationale plannen voor berging voorhanden zijn om de duur van de tijdelijke opslag tot een minimum te beperken, overeenkomstig de bepaling van Richtlijn 2011/70/Euratom die de opslag van radioactief afval, inclusief opslag op lange termijn, beschouwt als een tijdelijke oplossing die geen alternatief vormt voor berging.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

Voorafgaand aan de bouw van een kerncentrale wordt een milieueffectbeoordeling uitgevoerd overeenkomstig Richtlijn 2011/92/EU. De vereiste mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

Voor sites/werkzaamheden in of nabij biodiversiteitsgevoelige gebieden met waarschijnlijk aanzienlijke gevolgen voor biodiversiteitsgevoelige gebieden (waaronder het Natura 2000-netwerk van beschermde gebieden, Unesco-werelderfgoedsites en belangrijke biodiversiteitsgebieden, alsmede andere beschermde gebieden) is er, indien nodig, een passende beoordeling uitgevoerd en worden op basis van de conclusies de nodige mitigerende maatregelen genomen.

De sites/werkzaamheden zijn niet schadelijk voor de staat van instandhouding van de habitats of soorten die in beschermde gebieden aanwezig zijn.

4.27.   Bouw en veilige exploitatie van nieuwe kerncentrales voor de opwekking van elektriciteit en/of warmte, voor onder meer de productie van waterstof, met gebruikmaking van de beste beschikbare technologieën

Beschrijving van de activiteit

De bouw en veilige exploitatie van nieuwe nucleaire installaties waarvoor de bouwvergunning uiterlijk in 2045 overeenkomstig het toepasselijke nationale recht door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten wordt afgegeven en die elektriciteit of proceswarmte produceren, inclusief voor stadsverwarming of industriële processen zoals de productie van waterstof (nieuwe nucleaire installaties), alsook verbeteringen van de veiligheid daarvan.

De activiteit is ingedeeld in NACE-codes D35.11 en F42.22 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de adaptatie aan klimaatverandering

1.

De economische activiteit heeft fysieke en niet-fysieke oplossingen (“adaptieoplossingen”) toegepast die de belangrijkste fysieke klimaatrisico’s die voor die activiteit van belang zijn, substantieel verminderen.

2.

De fysieke klimaatrisico’s die voor de activiteit van belang zijn, zijn in kaart gebracht op basis van de lijst van risico’s in aanhangsel A van deze bijlage, aan de hand van een robuuste klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling met de volgende stappen:

a)

screening van de activiteit om te bepalen welke fysieke klimaatrisico’s van de lijst in aanhangsel A van deze bijlage van invloed kunnen zijn op de prestatie van de economische activiteit tijdens haar verwachte levensduur;

b)

indien de activiteit volgens die screening onderhevig kan zijn aan een of meer van de fysieke klimaatrisico’s in aanhangsel A van deze bijlage, een klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling om de materialiteit van de fysieke klimaatrisico’s voor de economische activiteit te beoordelen;

c)

een beoordeling van de adaptatieoplossingen die het vastgestelde fysieke klimaatrisico kunnen verminderen.

De klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling staat in verhouding tot de schaal van de activiteit en de verwachte levensduur ervan, zoals hieronder beschreven:

a)

voor activiteiten met een verwachte levensduur van minder dan 10 jaar wordt de beoordeling ten minste met gebruikmaking van klimaatprojecties op de kleinste passende schaal verricht;

b)

voor alle andere activiteiten wordt de beoordeling verricht met gebruikmaking van geavanceerde klimaatprojecties met de hoogst beschikbare resolutie voor de bestaande reeks toekomstscenario’s (6) die consistent zijn met de verwachte levensduur van de activiteit, waaronder, voor grote investeringen, klimaatprojecties van ten minste 10 tot 30 jaar.

3.

De klimaatprojecties en effectbeoordelingen zijn gebaseerd op beste praktijken en beschikbare richtsnoeren en houden rekening met de laatste wetenschappelijke inzichten op het gebied van kwetsbaarheids- en risicoanalyse en bijbehorende methodologieën in lijn met de recentste verslagen van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (7), collegiaal getoetste wetenschappelijke publicaties en opensource- (8) of betaalde modellen.

4.

De toegepaste adaptatieoplossingen:

a)

werken niet ongunstig uit op de adaptatie-inspanningen of op het niveau van weerbaarheid tegen fysieke klimaatrisico’s van andere mensen, van de natuur, van het culturele erfgoed, van activa en van andere economische activiteiten;

b)

geven zo veel mogelijk de voorkeur aan het gebruik van op de natuur gebaseerde oplossingen (9) of de aanwending van blauwe of groene infrastructuur (10);

c)

sluiten aan bij lokale, sectorale, regionale of landelijke adaptatieplannen en -strategieën;

d)

worden gemonitord en gemeten aan de hand van vooraf vastgestelde indicatoren; ingeval die indicatoren niet worden gehaald, worden corrigerende maatregelen in overweging genomen;

e)

indien de toegepaste oplossing fysiek is en bestaat in een activiteit waarvoor in deze bijlage technische screeningcriteria zijn vastgesteld, voldoet de oplossing aan de technische screeningcriteria voor “geen ernstige afbreuk doen aan” voor die activiteit.

5.

De activiteit voldoet aan de bepalingen van het Euratom-Verdrag en de op grond daarvan aangenomen wetgeving, met name Richtlijn 2013/59/Euratom, Richtlijn 2009/71/Euratom en Richtlijn 2011/70/Euratom, alsook aan de toepasselijke milieuwetgeving van de Unie die is aangenomen op grond van artikel 192 VWEU, met name Richtlijn 2011/92/EU en Richtlijn 2000/60/EG;

6.

De activiteit voldoet aan de nationale wetgeving ter omzetting van Richtlijn 2009/71/Euratom, ook wat betreft de evaluatie, met name door middel van stresstests, van de veerkracht van de kerncentrales in de Unie tegen extreme natuurrampen, waaronder aardbevingen. De activiteit vindt dus plaats op het grondgebied van een lidstaat waar de exploitant van een kerninstallatie:

a)

de nucleaire veiligheid heeft aangetoond, waarbij de reikwijdte en het niveau van detail evenredig zijn met de potentiële omvang en aard van het gestelde risico voor de kerninstallatie en de vestigingsplaats ervan (artikel 6, punt b), van Richtlijn 2009/71/Euratom);

b)

diepteverdedigingsmaatregelen heeft genomen om er onder meer voor te zorgen dat de impact van extreme externe natuurrampen en onopzettelijk door de mens veroorzaakte gevaren tot een minimum wordt beperkt (artikel 8 ter, lid 1, punt a), van Richtlijn 2009/71/Euratom);

c)

een passende locatie- en installatiespecifieke beoordeling heeft uitgevoerd wanneer de betrokken exploitant een vergunning aanvraagt voor de bouw of exploitatie van een kerncentrale (artikel 8 quater, punt a), van Richtlijn 2009/71/Euratom).

De activiteit voldoet aan de eisen van Richtlijn 2009/71/Euratom, ondersteund door de meest recente internationale richtsnoeren van de IAEA en de WENRA, die bijdragen tot vergroting van het vermogen van nieuwe en bestaande kerncentrales om extreme natuurrampen, waaronder overstromingen en extreme weersomstandigheden, te weerstaan.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(1)

Mitigatie van klimaatverandering

De directe broeikasgasemissies van de activiteit zijn lager dan 270 g CO2e/kWh.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

De risico’s van milieudegradatie in verband met het behoud van de waterkwaliteit en het voorkomen van waterstress worden bepaald en aangepakt overeenkomstig een in overleg met de betrokken belanghebbenden opgesteld beheerplan voor het gebruik en de bescherming van water.

Om thermische anomalieën in verband met de lozing van afvalwarmte te beperken, controleren exploitanten van landinwaarts gelegen kerncentrales die gebruikmaken van natte koeling met één doorloop door water uit een rivier of meer in te nemen:

(a)

de maximumtemperatuur van het ontvangende zoetwaterlichaam na vermenging, en

(b)

het maximale temperatuurverschil tussen het geloosde koelwater en het ontvangende zoetwaterlichaam.

De temperatuurcontrole wordt uitgevoerd in overeenstemming met de individuele vergunningsvoorwaarden voor de specifieke activiteiten, indien van toepassing, en/of de drempelwaarden overeenkomstig het regelgevingskader van de EU.

De activiteit voldoet aan de normen van de Industry Foundation Classes (IFC).

Nucleaire activiteiten worden verricht overeenkomstig de voorschriften inzake voor menselijke consumptie bestemd water van Richtlijn 2000/60/EG en Richtlijn 2013/51/Euratom tot vaststelling van voorschriften voor de bescherming van de volksgezondheid tegen radioactieve stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

Er is een plan voor het beheer van zowel niet-radioactief als radioactief afval voorhanden dat een maximaal hergebruik of maximale recycling van dergelijk afval aan het einde van de levensduur waarborgt overeenkomstig de afvalhiërarchie, inclusief via contractuele overeenkomsten met afvalbeheerpartners, de financiële prognoses of de officiële projectdocumentatie.

Tijdens de exploitatie en ontmanteling wordt de hoeveelheid radioactief afval tot een minimum beperkt en wordt de hoeveelheid vrij te geven materialen gemaximaliseerd in overeenstemming met Richtlijn 2011/70/Euratom en met inachtneming van de stralingsbeschermingsvoorschriften van Richtlijn 2013/59/Euratom.

Er is een financieringsregeling om te zorgen voor voldoende financiering voor alle ontmantelingsactiviteiten en voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval in overeenstemming met Richtlijn 2011/70/Euratom en Aanbeveling 2006/851/Euratom.

Voorafgaand aan de bouw van een kerncentrale wordt een milieueffectbeoordeling uitgevoerd overeenkomstig Richtlijn 2011/92/EU. De vereiste mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

De desbetreffende elementen in deze afdeling worden behandeld in de verslagen van de lidstaten aan de Commissie overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Richtlijn 2011/70/Euratom.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage. De niet-radioactieve emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken (BBT-GEN’s) geassocieerde emissieniveaus die zijn vastgesteld in de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties. Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

Voor de toepassing op kerncentrales met een thermisch ingangsvermogen van meer dan 1 MW maar onder de drempels voor de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties dienen de emissies onder de emissiegrenswaarden te liggen die zijn vastgesteld in deel 2 van bijlage II bij Richtlijn (EU) 2015/2193.

Radioactieve lozingen in de lucht, waterlichamen en de bodem (grond) voldoen aan de individuele vergunningsvoorwaarden voor de specifieke activiteiten, indien van toepassing, en/of de nationale drempelwaarden overeenkomstig Richtlijn 2013/51/Euratom en Richtlijn 2013/59/Euratom.

Verbruikte splijtstof en radioactief afval worden op veilige en verantwoorde wijze beheerd overeenkomstig Richtlijn 2011/70/Euratom en Richtlijn 2013/59/Euratom.

Voor het project is voldoende capaciteit voor tijdelijke opslag beschikbaar, terwijl nationale plannen voor berging voorhanden zijn om de duur van de tijdelijke opslag tot een minimum te beperken, overeenkomstig de bepaling van Richtlijn 2011/70/Euratom die de opslag van radioactief afval, inclusief opslag op lange termijn, beschouwt als een tijdelijke oplossing die geen alternatief vormt voor berging.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

Voorafgaand aan de bouw van een kerncentrale wordt een milieueffectbeoordeling uitgevoerd overeenkomstig Richtlijn 2011/92/EU. De vereiste mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

Voor sites/werkzaamheden in of nabij biodiversiteitsgevoelige gebieden met waarschijnlijk aanzienlijke gevolgen voor biodiversiteitsgevoelige gebieden (waaronder het Natura 2000-netwerk van beschermde gebieden, Unesco-werelderfgoedsites en belangrijke biodiversiteitsgebieden, alsmede andere beschermde gebieden) is er, indien nodig, een passende beoordeling uitgevoerd en worden op basis van de conclusies de nodige mitigerende maatregelen genomen.

De sites/werkzaamheden zijn niet schadelijk voor de staat van instandhouding van de habitats of soorten die in beschermde gebieden aanwezig zijn.

4.28.   Elektriciteitsopwekking uit kernenergie in bestaande installaties

Beschrijving van de activiteit

Aanpassing van bestaande nucleaire installaties met het oog op de verlenging, waarvoor de bevoegde autoriteiten van de lidstaten uiterlijk in 2040 een vergunning afgeven overeenkomstig het toepasselijke nationale recht, van de bedrijfstijd van veilige exploitatie van nucleaire installaties die elektriciteit of warmte uit kernenergie produceren (“kerncentrales”).

De activiteit is ingedeeld in NACE-codes D35.11 en F42.2 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de adaptatie aan klimaatverandering

1.

De economische activiteit heeft fysieke en niet-fysieke oplossingen (“adaptieoplossingen”) toegepast die de belangrijkste fysieke klimaatrisico’s die voor die activiteit van belang zijn, substantieel verminderen.

2.

De fysieke klimaatrisico’s die voor de activiteit van belang zijn, zijn in kaart gebracht op basis van de lijst van risico’s in aanhangsel A van deze bijlage, aan de hand van een robuuste klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling met de volgende stappen:

a)

screening van de activiteit om te bepalen welke fysieke klimaatrisico’s van de lijst in aanhangsel A van deze bijlage van invloed kunnen zijn op de prestatie van de economische activiteit tijdens haar verwachte levensduur;

b)

indien de activiteit volgens die screening onderhevig kan zijn aan een of meer van de fysieke klimaatrisico’s in aanhangsel A van deze bijlage, een klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling om de materialiteit van de fysieke klimaatrisico’s voor de economische activiteit te beoordelen;

c)

een beoordeling van de adaptatieoplossingen die het vastgestelde fysieke klimaatrisico kunnen verminderen.

De klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling staat in verhouding tot de schaal van de activiteit en de verwachte levensduur ervan, zoals hieronder beschreven:

a)

voor activiteiten met een verwachte levensduur van minder dan 10 jaar wordt de beoordeling ten minste met gebruikmaking van klimaatprojecties op de kleinste passende schaal verricht;

b)

voor alle andere activiteiten wordt de beoordeling verricht met gebruikmaking van geavanceerde klimaatprojecties met de hoogst beschikbare resolutie voor de bestaande reeks toekomstscenario’s (11) die consistent zijn met de verwachte levensduur van de activiteit, waaronder, voor grote investeringen, klimaatprojecties van ten minste 10 tot 30 jaar.

3.

De klimaatprojecties en effectbeoordelingen zijn gebaseerd op beste praktijken en beschikbare richtsnoeren en houden rekening met de laatste wetenschappelijke inzichten op het gebied van kwetsbaarheids- en risicoanalyse en bijbehorende methodologieën in lijn met de recentste verslagen van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (12), collegiaal getoetste wetenschappelijke publicaties en opensource- (13) of betaalde modellen.

4.

De toegepaste adaptatieoplossingen:

a)

werken niet ongunstig uit op de adaptatie-inspanningen of op het niveau van weerbaarheid tegen fysieke klimaatrisico’s van andere mensen, van de natuur, van het culturele erfgoed, van activa en van andere economische activiteiten;

b)

geven zo veel mogelijk de voorkeur aan het gebruik van op de natuur gebaseerde oplossingen (14) of de aanwending van blauwe of groene infrastructuur (15);

c)

sluiten aan bij lokale, sectorale, regionale of landelijke adaptatieplannen en -strategieën;

d)

worden gemonitord en gemeten aan de hand van vooraf vastgestelde indicatoren; ingeval die indicatoren niet worden gehaald, worden corrigerende maatregelen in overweging genomen;

e)

indien de toegepaste oplossing fysiek is en bestaat in een activiteit waarvoor in deze bijlage technische screeningcriteria zijn vastgesteld, voldoet de oplossing aan de technische screeningcriteria voor “geen ernstige afbreuk doen aan” voor die activiteit.

5.

De activiteit voldoet aan de bepalingen van het Euratom-Verdrag en de op grond daarvan aangenomen wetgeving, met name Richtlijn 2013/59/Euratom, Richtlijn 2009/71/Euratom en Richtlijn 2011/70/Euratom, alsook aan de toepasselijke milieuwetgeving van de Unie die is aangenomen op grond van artikel 192 VWEU, met name Richtlijn 2011/92/EU en Richtlijn 2000/60/EG;

6.

De activiteit voldoet aan de nationale wetgeving ter omzetting van Richtlijn 2009/71/Euratom, ook wat betreft de evaluatie, met name door middel van stresstests, van de veerkracht van de kerncentrales in de Unie tegen extreme natuurrampen, waaronder aardbevingen. De activiteit vindt dus plaats op het grondgebied van een lidstaat waar de exploitant van een kerninstallatie:

a)

de nucleaire veiligheid heeft aangetoond, waarbij de reikwijdte en het niveau van detail evenredig zijn met de potentiële omvang en aard van het gestelde risico voor de kerninstallatie en de vestigingsplaats ervan (artikel 6, punt b), van Richtlijn 2009/71/Euratom);

b)

diepteverdedigingsmaatregelen heeft genomen om er onder meer voor te zorgen dat de impact van extreme externe natuurrampen en onopzettelijk door de mens veroorzaakte gevaren tot een minimum wordt beperkt (artikel 8 ter, lid 1, punt a), van Richtlijn 2009/71/Euratom);

c)

een passende locatie- en installatiespecifieke beoordeling heeft uitgevoerd wanneer de betrokken exploitant een vergunning aanvraagt voor de bouw of exploitatie van een kerncentrale (artikel 8 quater, punt a), van Richtlijn 2009/71/Euratom).

De activiteit voldoet aan de eisen van Richtlijn 2009/71/Euratom, ondersteund door de meest recente internationale richtsnoeren van de IAEA en de WENRA, die bijdragen tot vergroting van het vermogen van nieuwe en bestaande kerncentrales om extreme natuurrampen, waaronder overstromingen en extreme weersomstandigheden, te weerstaan.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(1)

Mitigatie van klimaatverandering

De directe broeikasgasemissies van de activiteit zijn lager dan 270 g CO2e/kWh.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

De risico’s van milieudegradatie in verband met het behoud van de waterkwaliteit en het voorkomen van waterstress worden bepaald en aangepakt overeenkomstig een in overleg met de betrokken belanghebbenden opgesteld beheerplan voor het gebruik en de bescherming van water.

Om thermische anomalieën in verband met de lozing van afvalwarmte te beperken, controleren exploitanten van landinwaarts gelegen kerncentrales die gebruikmaken van natte koeling met één doorloop door water uit een rivier of meer in te nemen:

(a)

de maximumtemperatuur van het ontvangende zoetwaterlichaam na vermenging, en

(b)

het maximale temperatuurverschil tussen het geloosde koelwater en het ontvangende zoetwaterlichaam.

De temperatuurcontrole wordt uitgevoerd in overeenstemming met de individuele vergunningsvoorwaarden voor de specifieke activiteiten, indien van toepassing, of de drempelwaarden overeenkomstig het Unierecht.

De activiteit voldoet aan de normen van de Industry Foundation Classes (IFC).

Nucleaire activiteiten worden verricht overeenkomstig de voorschriften inzake voor menselijke consumptie bestemd water van Richtlijn 2000/60/EG en Richtlijn 2013/51/Euratom tot vaststelling van voorschriften voor de bescherming van de volksgezondheid tegen radioactieve stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

Er is een plan voor het beheer van zowel niet-radioactief als radioactief afval voorhanden dat een maximaal hergebruik of maximale recycling van dergelijk afval aan het einde van de levensduur waarborgt overeenkomstig de afvalhiërarchie, inclusief via contractuele overeenkomsten met afvalbeheerpartners, de financiële prognoses of de officiële projectdocumentatie.

Tijdens de exploitatie en ontmanteling wordt de hoeveelheid radioactief afval tot een minimum beperkt en wordt de hoeveelheid vrij te geven materialen gemaximaliseerd in overeenstemming met Richtlijn 2011/70/Euratom en met inachtneming van de stralingsbeschermingsvoorschriften van Richtlijn 2013/59/Euratom.

Er is een financieringsregeling om te zorgen voor voldoende financiering voor alle ontmantelingsactiviteiten en voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval in overeenstemming met Richtlijn 2011/70/Euratom en Aanbeveling 2006/851/Euratom.

Voorafgaand aan de bouw van een kerncentrale wordt een milieueffectbeoordeling uitgevoerd overeenkomstig Richtlijn 2011/92/EU. De vereiste mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

De desbetreffende elementen in deze afdeling worden behandeld in de verslagen van de lidstaten aan de Commissie overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Richtlijn 2011/70/Euratom.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage. De niet-radioactieve emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken (BBT-GEN’s) geassocieerde emissieniveaus die zijn vastgesteld in de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties. Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

Voor de toepassing op kerncentrales met een thermisch ingangsvermogen van meer dan 1 MW maar onder de drempels voor de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties dienen de emissies onder de emissiegrenswaarden te liggen die zijn vastgesteld in deel 2 van bijlage II bij Richtlijn (EU) 2015/2193.

Radioactieve lozingen in de lucht, waterlichamen en de bodem (grond) voldoen aan de individuele vergunningsvoorwaarden voor de specifieke activiteiten, indien van toepassing, en/of de nationale drempelwaarden overeenkomstig Richtlijn 2013/51/Euratom en Richtlijn 2013/59/Euratom.

Verbruikte splijtstof en radioactief afval worden op veilige en verantwoorde wijze beheerd overeenkomstig Richtlijn 2011/70/Euratom en Richtlijn 2013/59/Euratom.

Voor het project is voldoende capaciteit voor tijdelijke opslag beschikbaar, terwijl nationale plannen voor berging voorhanden zijn om de duur van de tijdelijke opslag tot een minimum te beperken, overeenkomstig de bepaling van Richtlijn 2011/70/Euratom die de opslag van radioactief afval, inclusief opslag op lange termijn, beschouwt als een tijdelijke oplossing die geen alternatief vormt voor berging.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

Voorafgaand aan de bouw van een kerncentrale wordt een milieueffectbeoordeling uitgevoerd overeenkomstig Richtlijn 2011/92/EU. De vereiste mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

Voor sites/werkzaamheden in of nabij biodiversiteitsgevoelige gebieden met waarschijnlijk aanzienlijke gevolgen voor biodiversiteitsgevoelige gebieden (waaronder het Natura 2000-netwerk van beschermde gebieden, Unesco-werelderfgoedsites en belangrijke biodiversiteitsgebieden, alsmede andere beschermde gebieden) is er, indien nodig, een passende beoordeling uitgevoerd en worden op basis van de conclusies de nodige mitigerende maatregelen genomen.

De sites/werkzaamheden zijn niet schadelijk voor de staat van instandhouding van de habitats of soorten die in beschermde gebieden aanwezig zijn.

4.29.   Elektriciteitsopwekking uit fossiele gasvormige brandstoffen

Beschrijving van de activiteit

Bouw of exploitatie van installaties voor elektriciteitsopwekking die elektriciteit produceren uit fossiele gasvormige brandstoffen die voldoen aan de criteria van punt 1, a), van afdeling 4.29 van bijlage I. Deze activiteit omvat niet de opwekking van elektriciteit uitsluitend met behulp van hernieuwbare niet-fossiele gasvormige en vloeibare brandstoffen als bedoeld in afdeling 4.7 van bijlage I en biogas en vloeibare biobrandstoffen als bedoeld in afdeling 4.8 van bijlage I.

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan verschillende NACE-codes, met name D35.11 en F42.22, overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de adaptatie aan klimaatverandering

1.

De economische activiteit heeft fysieke en niet-fysieke oplossingen (“adaptieoplossingen”) toegepast die de belangrijkste fysieke klimaatrisico’s die voor die activiteit van belang zijn, substantieel verminderen.

2.

De fysieke klimaatrisico’s die voor de activiteit van belang zijn, zijn in kaart gebracht op basis van de lijst van risico’s in aanhangsel A van deze bijlage, aan de hand van een robuuste klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling met de volgende stappen:

a)

screening van de activiteit om te bepalen welke fysieke klimaatrisico’s van de lijst in aanhangsel A van deze bijlage van invloed kunnen zijn op de prestatie van de economische activiteit tijdens haar verwachte levensduur;

b)

indien de activiteit volgens die screening onderhevig kan zijn aan een of meer van de fysieke klimaatrisico’s in aanhangsel A van deze bijlage, een klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling om de materialiteit van de fysieke klimaatrisico’s voor de economische activiteit te beoordelen;

c)

een beoordeling van de adaptatieoplossingen die het vastgestelde fysieke klimaatrisico kunnen verminderen.

De klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling staat in verhouding tot de schaal van de activiteit en de verwachte levensduur ervan, zoals hieronder beschreven:

a)

voor activiteiten met een verwachte levensduur van minder dan 10 jaar wordt de beoordeling ten minste met gebruikmaking van klimaatprojecties op de kleinste passende schaal verricht;

b)

voor alle andere activiteiten wordt de beoordeling verricht met gebruikmaking van geavanceerde klimaatprojecties met de hoogst beschikbare resolutie voor de bestaande reeks toekomstscenario’s (16) die consistent zijn met de verwachte levensduur van de activiteit, waaronder, voor grote investeringen, klimaatprojecties van ten minste 10 tot 30 jaar.

3.

De klimaatprojecties en effectbeoordelingen zijn gebaseerd op beste praktijken en beschikbare richtsnoeren en houden rekening met de laatste wetenschappelijke inzichten op het gebied van kwetsbaarheids- en risicoanalyse en bijbehorende methodologieën in lijn met de recentste verslagen van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (17), collegiaal getoetste wetenschappelijke publicaties en opensource- (18) of betaalde modellen.

4.

De toegepaste adaptatieoplossingen:

a)

werken niet ongunstig uit op de adaptatie-inspanningen of op het niveau van weerbaarheid tegen fysieke klimaatrisico’s van andere mensen, van de natuur, van het culturele erfgoed, van activa en van andere economische activiteiten;

b)

geven zo veel mogelijk de voorkeur aan het gebruik van op de natuur gebaseerde oplossingen (19) of de aanwending van blauwe of groene infrastructuur (20);

c)

sluiten aan bij lokale, sectorale, regionale of landelijke adaptatieplannen en -strategieën;

d)

worden gemonitord en gemeten aan de hand van vooraf vastgestelde indicatoren; ingeval die indicatoren niet worden gehaald, worden corrigerende maatregelen in overweging genomen;

e)

indien de toegepaste oplossing fysiek is en bestaat in een activiteit waarvoor in deze bijlage technische screeningcriteria zijn vastgesteld, voldoet de oplossing aan de technische screeningcriteria voor “geen ernstige afbreuk doen aan” voor die activiteit.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(1)

Mitigatie van klimaatverandering

De directe broeikasgasemissies van de activiteit zijn lager dan 270 g CO2e/kWh.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

n.v.t.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

De emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) die in de recentste BBT-conclusies ter zake zijn vastgesteld, waaronder de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties.

Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

Voor de toepassing op stookinstallaties met een thermisch ingangsvermogen van meer dan 1 MW maar onder de drempels voor de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties liggen de emissies onder de emissiegrenswaarden die zijn vastgesteld in deel 2 van bijlage II bij Richtlijn (EU) 2015/2193.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

4.30.   Hoogrenderende warmte-/koudekrachtkoppeling uit fossiele gasvormige brandstoffen

Beschrijving van de activiteit

Bouw, renovatie en exploitatie van installaties voor warmte-/koudekrachtkoppeling met behulp van fossiele gasvormige brandstoffen die voldoen aan de criteria van punt 1, a), van afdeling 4.30 van bijlage I. Deze activiteit omvat niet de hoogrenderende warmte-/koudekrachtkoppeling uitsluitend met behulp van hernieuwbare niet-fossiele gasvormige en vloeibare brandstoffen als bedoeld in afdeling 4.19 van bijlage I en biogas en vloeibare biobrandstoffen als bedoeld in afdeling 4.20 van bijlage I.

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan de NACE-codes D35.11 en D35.30 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de adaptatie aan klimaatverandering

1.

De economische activiteit heeft fysieke en niet-fysieke oplossingen (“adaptieoplossingen”) toegepast die de belangrijkste fysieke klimaatrisico’s die voor die activiteit van belang zijn, substantieel verminderen.

2.

De fysieke klimaatrisico’s die voor de activiteit van belang zijn, zijn in kaart gebracht op basis van de lijst van risico’s in aanhangsel A van deze bijlage, aan de hand van een robuuste klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling met de volgende stappen:

a)

screening van de activiteit om te bepalen welke fysieke klimaatrisico’s van de lijst in aanhangsel A van deze bijlage van invloed kunnen zijn op de prestatie van de economische activiteit tijdens haar verwachte levensduur;

b)

indien de activiteit volgens die screening onderhevig kan zijn aan een of meer van de fysieke klimaatrisico’s in aanhangsel A van deze bijlage, een klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling om de materialiteit van de fysieke klimaatrisico’s voor de economische activiteit te beoordelen;

c)

een beoordeling van de adaptatieoplossingen die het vastgestelde fysieke klimaatrisico kunnen verminderen.

De klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling staat in verhouding tot de schaal van de activiteit en de verwachte levensduur ervan, zoals hieronder beschreven:

a)

voor activiteiten met een verwachte levensduur van minder dan 10 jaar wordt de beoordeling ten minste met gebruikmaking van klimaatprojecties op de kleinste passende schaal verricht;

b)

voor alle andere activiteiten wordt de beoordeling verricht met gebruikmaking van geavanceerde klimaatprojecties met de hoogst beschikbare resolutie voor de bestaande reeks toekomstscenario’s (21) die consistent zijn met de verwachte levensduur van de activiteit, waaronder, voor grote investeringen, klimaatprojecties van ten minste 10 tot 30 jaar.

3.

De klimaatprojecties en effectbeoordelingen zijn gebaseerd op beste praktijken en beschikbare richtsnoeren en houden rekening met de laatste wetenschappelijke inzichten op het gebied van kwetsbaarheids- en risicoanalyse en bijbehorende methodologieën in lijn met de recentste verslagen van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (22), collegiaal getoetste wetenschappelijke publicaties en opensource- (23) of betaalde modellen.

4.

De toegepaste adaptatieoplossingen:

a)

werken niet ongunstig uit op de adaptatie-inspanningen of op het niveau van weerbaarheid tegen fysieke klimaatrisico’s van andere mensen, van de natuur, van het culturele erfgoed, van activa en van andere economische activiteiten;

b)

geven zo veel mogelijk de voorkeur aan het gebruik van op de natuur gebaseerde oplossingen (24) of de aanwending van blauwe of groene infrastructuur (25);

c)

sluiten aan bij lokale, sectorale, regionale of landelijke adaptatieplannen en -strategieën;

d)

worden gemonitord en gemeten aan de hand van vooraf vastgestelde indicatoren; ingeval die indicatoren niet worden gehaald, worden corrigerende maatregelen in overweging genomen;

e)

indien de toegepaste oplossing fysiek is en bestaat in een activiteit waarvoor in deze bijlage technische screeningcriteria zijn vastgesteld, voldoet de oplossing aan de technische screeningcriteria voor “geen ernstige afbreuk doen aan” voor die activiteit.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(1)

Mitigatie van klimaatverandering

De directe broeikasgasemissies van de activiteit zijn lager dan 270 g CO2e/kWh.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

n.v.t.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

De emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) die in de recentste BBT-conclusies ter zake zijn vastgesteld, waaronder de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties.

Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

Voor de toepassing op stookinstallaties met een thermisch ingangsvermogen van meer dan 1 MW maar onder de drempels voor de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties liggen de emissies onder de emissiegrenswaarden die zijn vastgesteld in deel 2 van bijlage II bij Richtlijn (EU) 2015/2193.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

4.31.   Productie van warmte/koude uit fossiele gasvormige brandstoffen in een efficiënt systeem voor stadsverwarming en -koeling

Beschrijving van de activiteit

De bouw, renovatie en exploitatie van warmteopwekkingsfaciliteiten die warmte/koude produceren met behulp van fossiele gasvormige brandstoffen en die zijn aangesloten op efficiënte stadsverwarming en -koeling in de zin van artikel 2, punt 41, van Richtlijn 2012/27/EU en voldoen aan de criteria van punt 1, a), van afdeling 4.31 van bijlage I. Deze activiteit omvat niet de productie van warmte/koude in een efficiënte stadsverwarming uitsluitend met behulp van hernieuwbare niet-fossiele gasvormige en vloeibare brandstoffen als bedoeld in afdeling 4.23 van bijlage I en biogas en vloeibare biobrandstoffen als bedoeld in afdeling 4.24 van bijlage I.

De activiteit is ingedeeld in NACE-code D35.30 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de adaptatie aan klimaatverandering

1.

De economische activiteit heeft fysieke en niet-fysieke oplossingen (“adaptieoplossingen”) toegepast die de belangrijkste fysieke klimaatrisico’s die voor die activiteit van belang zijn, substantieel verminderen.

2.

De fysieke klimaatrisico’s die voor de activiteit van belang zijn, zijn in kaart gebracht op basis van de lijst van risico’s in aanhangsel A van deze bijlage, aan de hand van een robuuste klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling met de volgende stappen:

a)

screening van de activiteit om te bepalen welke fysieke klimaatrisico’s van de lijst in aanhangsel A van deze bijlage van invloed kunnen zijn op de prestatie van de economische activiteit tijdens haar verwachte levensduur;

b)

indien de activiteit volgens die screening onderhevig kan zijn aan een of meer van de fysieke klimaatrisico’s in aanhangsel A van deze bijlage, een klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling om de materialiteit van de fysieke klimaatrisico’s voor de economische activiteit te beoordelen;

c)

een beoordeling van de adaptatieoplossingen die het vastgestelde fysieke klimaatrisico kunnen verminderen.

De klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling staat in verhouding tot de schaal van de activiteit en de verwachte levensduur ervan, zoals hieronder beschreven:

a)

voor activiteiten met een verwachte levensduur van minder dan 10 jaar wordt de beoordeling ten minste met gebruikmaking van klimaatprojecties op de kleinste passende schaal verricht;

b)

voor alle andere activiteiten wordt de beoordeling verricht met gebruikmaking van geavanceerde klimaatprojecties met de hoogst beschikbare resolutie voor de bestaande reeks toekomstscenario’s (26) die consistent zijn met de verwachte levensduur van de activiteit, waaronder, voor grote investeringen, klimaatprojecties van ten minste 10 tot 30 jaar.

3.

De klimaatprojecties en effectbeoordelingen zijn gebaseerd op beste praktijken en beschikbare richtsnoeren en houden rekening met de laatste wetenschappelijke inzichten op het gebied van kwetsbaarheids- en risicoanalyse en bijbehorende methodologieën in lijn met de recentste verslagen van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (27), collegiaal getoetste wetenschappelijke publicaties en opensource- (28) of betaalde modellen.

4.

De toegepaste adaptatieoplossingen:

a)

werken niet ongunstig uit op de adaptatie-inspanningen of op het niveau van weerbaarheid tegen fysieke klimaatrisico’s van andere mensen, van de natuur, van het culturele erfgoed, van activa en van andere economische activiteiten;

b)

geven zo veel mogelijk de voorkeur aan het gebruik van op de natuur gebaseerde oplossingen (29) of de aanwending van blauwe of groene infrastructuur (30);

c)

sluiten aan bij lokale, sectorale, regionale of landelijke adaptatieplannen en -strategieën;

d)

worden gemonitord en gemeten aan de hand van vooraf vastgestelde indicatoren; ingeval die indicatoren niet worden gehaald, worden corrigerende maatregelen in overweging genomen;

e)

indien de toegepaste oplossing fysiek is en bestaat in een activiteit waarvoor in deze bijlage technische screeningcriteria zijn vastgesteld, voldoet de oplossing aan de technische screeningcriteria voor “geen ernstige afbreuk doen aan” voor die activiteit.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(1)

Mitigatie van klimaatverandering

De directe broeikasgasemissies van de activiteit zijn lager dan 270 g CO2e/kWh.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

n.v.t.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

De emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) die in de recentste BBT-conclusies ter zake zijn vastgesteld, waaronder de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties.

Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

Voor de toepassing op stookinstallaties met een thermisch ingangsvermogen van meer dan 1 MW maar onder de drempels voor de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties liggen de emissies onder de emissiegrenswaarden die zijn vastgesteld in deel 2 van bijlage II bij Richtlijn (EU) 2015/2193.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.”


(1)  Toekomstige scenario’s omvatten de trajecten voor representatieve concentratie RCP2.6, RCP4.5, RCP6.0 en RCP8.5 van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering.

(2)  Assessment Reports on Climate Change: Impacts, Adaptation and Vulnerability, die periodiek door de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering, het orgaan van de Verenigde Naties voor de beoordeling van de wetenschap op het gebied van klimaatverandering, worden gepubliceerd (https://www.ipcc.ch/reports/).

(3)  Zoals de Copernicus-diensten die door de Europese Commissie worden beheerd.

(4)  Op de natuur gebaseerde oplossingen worden gedefinieerd als “oplossingen die zijn geïnspireerd en ondersteund door de natuur, die kosteneffectief zijn, die tegelijkertijd milieu-, sociale en economische voordelen bieden en die bijdragen aan het opbouwen van veerkracht. Dergelijke oplossingen brengen meer, en meer diverse, natuur en natuurlijke kenmerken en processen in de steden, landschappen en zeelandschappen aan door middel van lokaal aangepaste, hulpbronnenefficiënte en systemische ingrepen”. Op de natuur gebaseerde oplossingen zijn dus gunstig voor de biodiversiteit en ondersteunen het verrichten van een reeks ecosysteemdiensten (versie van [datum van aanneming]: https://ec.europa.eu/info/research-and-innovation/research-area/environment/nature-based-solutions_en/).

(5)  Zie mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s “Groene Infrastructuur (GI) — Versterking van Europa’s natuurlijke kapitaal” (COM(2013) 249 final).

(6)  Toekomstige scenario’s omvatten de trajecten voor representatieve concentratie RCP2.6, RCP4.5, RCP6.0 en RCP8.5 van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering.

(7)  Assessment Reports on Climate Change: Impacts, Adaptation and Vulnerability, die periodiek door de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering, het orgaan van de Verenigde Naties voor de beoordeling van de wetenschap op het gebied van klimaatverandering, worden gepubliceerd (https://www.ipcc.ch/reports/).

(8)  Zoals de Copernicus-diensten die door de Europese Commissie worden beheerd.

(9)  Op de natuur gebaseerde oplossingen worden gedefinieerd als “oplossingen die zijn geïnspireerd en ondersteund door de natuur, die kosteneffectief zijn, die tegelijkertijd milieu-, sociale en economische voordelen bieden en die bijdragen aan het opbouwen van veerkracht. Dergelijke oplossingen brengen meer, en meer diverse, natuur en natuurlijke kenmerken en processen in de steden, landschappen en zeelandschappen aan door middel van lokaal aangepaste, hulpbronnenefficiënte en systemische ingrepen”. Op de natuur gebaseerde oplossingen zijn dus gunstig voor de biodiversiteit en ondersteunen het verrichten van een reeks ecosysteemdiensten (versie van [datum van aanneming]: https://ec.europa.eu/info/research-and-innovation/research-area/environment/nature-based-solutions_en/).

(10)  Zie mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s “Groene Infrastructuur (GI) — Versterking van Europa’s natuurlijke kapitaal” (COM(2013) 249 final).

(11)  Toekomstige scenario’s omvatten de trajecten voor representatieve concentratie RCP2.6, RCP4.5, RCP6.0 en RCP8.5 van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering.

(12)  Assessment Reports on Climate Change: Impacts, Adaptation and Vulnerability, die periodiek door de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering, het orgaan van de Verenigde Naties voor de beoordeling van de wetenschap op het gebied van klimaatverandering, worden gepubliceerd (https://www.ipcc.ch/reports/).

(13)  Zoals de Copernicus-diensten die door de Europese Commissie worden beheerd.

(14)  Op de natuur gebaseerde oplossingen worden gedefinieerd als “oplossingen die zijn geïnspireerd en ondersteund door de natuur, die kosteneffectief zijn, die tegelijkertijd milieu-, sociale en economische voordelen bieden en die bijdragen aan het opbouwen van veerkracht. Dergelijke oplossingen brengen meer, en meer diverse, natuur en natuurlijke kenmerken en processen in de steden, landschappen en zeelandschappen aan door middel van lokaal aangepaste, hulpbronnenefficiënte en systemische ingrepen”. Op de natuur gebaseerde oplossingen zijn dus gunstig voor de biodiversiteit en ondersteunen het verrichten van een reeks ecosysteemdiensten (versie van [datum van aanneming]: https://ec.europa.eu/info/research-and-innovation/research-area/environment/nature-based-solutions_en/).

(15)  Zie mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s “Groene Infrastructuur (GI) — Versterking van Europa’s natuurlijke kapitaal” (COM(2013) 249 final).

(16)  Toekomstige scenario’s omvatten de trajecten voor representatieve concentratie RCP2.6, RCP4.5, RCP6.0 en RCP8.5 van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering.

(17)  Assessment Reports on Climate Change: Impacts, Adaptation and Vulnerability, die periodiek door de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering, het orgaan van de Verenigde Naties voor de beoordeling van de wetenschap op het gebied van klimaatverandering, worden gepubliceerd (https://www.ipcc.ch/reports/).

(18)  Zoals de Copernicus-diensten die door de Europese Commissie worden beheerd.

(19)  Op de natuur gebaseerde oplossingen worden gedefinieerd als “oplossingen die zijn geïnspireerd en ondersteund door de natuur, die kosteneffectief zijn, die tegelijkertijd milieu-, sociale en economische voordelen bieden en die bijdragen aan het opbouwen van veerkracht. Dergelijke oplossingen brengen meer, en meer diverse, natuur en natuurlijke kenmerken en processen in de steden, landschappen en zeelandschappen aan door middel van lokaal aangepaste, hulpbronnenefficiënte en systemische ingrepen”. Op de natuur gebaseerde oplossingen zijn dus gunstig voor de biodiversiteit en ondersteunen het verrichten van een reeks ecosysteemdiensten (versie van [datum van aanneming]: https://ec.europa.eu/info/research-and-innovation/research-area/environment/nature-based-solutions_en/).

(20)  Zie mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s “Groene Infrastructuur (GI) — Versterking van Europa’s natuurlijke kapitaal” (COM(2013) 249 final).

(21)  Toekomstige scenario’s omvatten de trajecten voor representatieve concentratie RCP2.6, RCP4.5, RCP6.0 en RCP8.5 van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering.

(22)  Assessment Reports on Climate Change: Impacts, Adaptation and Vulnerability, die periodiek door de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering, het orgaan van de Verenigde Naties voor de beoordeling van de wetenschap op het gebied van klimaatverandering, worden gepubliceerd (https://www.ipcc.ch/reports/).

(23)  Zoals de Copernicus-diensten die door de Europese Commissie worden beheerd.

(24)  Op de natuur gebaseerde oplossingen worden gedefinieerd als “oplossingen die zijn geïnspireerd en ondersteund door de natuur, die kosteneffectief zijn, die tegelijkertijd milieu-, sociale en economische voordelen bieden en die bijdragen aan het opbouwen van veerkracht. Dergelijke oplossingen brengen meer, en meer diverse, natuur en natuurlijke kenmerken en processen in de steden, landschappen en zeelandschappen aan door middel van lokaal aangepaste, hulpbronnenefficiënte en systemische ingrepen”. Op de natuur gebaseerde oplossingen zijn dus gunstig voor de biodiversiteit en ondersteunen het verrichten van een reeks ecosysteemdiensten (versie van [datum van aanneming]: https://ec.europa.eu/info/research-and-innovation/research-area/environment/nature-based-solutions_en/).

(25)  Zie mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s “Groene Infrastructuur (GI) — Versterking van Europa’s natuurlijke kapitaal” (COM(2013) 249 final).

(26)  Toekomstige scenario’s omvatten de trajecten voor representatieve concentratie RCP2.6, RCP4.5, RCP6.0 en RCP8.5 van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering.

(27)  Assessment Reports on Climate Change: Impacts, Adaptation and Vulnerability, die periodiek door de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering, het orgaan van de Verenigde Naties voor de beoordeling van de wetenschap op het gebied van klimaatverandering, worden gepubliceerd (https://www.ipcc.ch/reports/).

(28)  Zoals de Copernicus-diensten die door de Europese Commissie worden beheerd.

(29)  Op de natuur gebaseerde oplossingen worden gedefinieerd als “oplossingen die zijn geïnspireerd en ondersteund door de natuur, die kosteneffectief zijn, die tegelijkertijd milieu-, sociale en economische voordelen bieden en die bijdragen aan het opbouwen van veerkracht. Dergelijke oplossingen brengen meer, en meer diverse, natuur en natuurlijke kenmerken en processen in de steden, landschappen en zeelandschappen aan door middel van lokaal aangepaste, hulpbronnenefficiënte en systemische ingrepen”. Op de natuur gebaseerde oplossingen zijn dus gunstig voor de biodiversiteit en ondersteunen het verrichten van een reeks ecosysteemdiensten (versie van [datum van aanneming]: https://ec.europa.eu/info/research-and-innovation/research-area/environment/nature-based-solutions_en/).

(30)  Zie mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s “Groene Infrastructuur (GI) — Versterking van Europa’s natuurlijke kapitaal” (COM(2013) 249 final).


BIJLAGE III

“BIJLAGE XII

Standaardtemplates voor de in artikel 8, leden 6 en 7, bedoelde openbaarmaking

De in artikel 8, leden 6 en 7, bedoelde informatie wordt voor elke toepasselijke kritische prestatie-indicator (KPI) als volgt gepresenteerd.

Template 1 Activiteiten in verband met kernenergie en fossiel gas

Rij

Activiteiten in verband met kernenergie

1.

De onderneming verricht, financiert of heeft blootstellingen aan onderzoek, ontwikkeling, demonstratie en uitrol van innovatieve installaties voor elektriciteitsopwekking die energie produceren uit nucleaire processen met een minimum aan afval van de splijtstofcyclus.

JA/NEE

2.

De onderneming verricht, financiert of heeft blootstellingen aan de bouw en veilige exploitatie van nieuwe nucleaire installaties voor de productie van elektriciteit of proceswarmte, voor onder meer stadsverwarming of industriële processen zoals de productie van waterstof, alsook verbetering van de veiligheid daarvan, met gebruikmaking van de beste beschikbare technologieën.

JA/NEE

3.

De onderneming verricht, financiert of heeft blootstellingen aan de veilige exploitatie van bestaande nucleaire installaties die elektriciteit of proceswarmte produceren, voor onder meer stadsverwarming of industriële processen zoals de productie van waterstof uit kernenergie, alsook verbetering van de veiligheid daarvan.

JA/NEE

 

Activiteiten in verband met fossiel gas

4.

De onderneming verricht, financiert of heeft blootstellingen aan de bouw of exploitatie van installaties voor elektriciteitsopwekking die elektriciteit produceren uit fossiele gasvormige brandstoffen.

JA/NEE

5.

De onderneming verricht, financiert of heeft blootstellingen aan de bouw, renovatie en exploitatie van installaties voor warmte-/koudekrachtkoppeling met behulp van fossiele gasvormige brandstoffen.

JA/NEE

6.

De onderneming verricht, financiert of heeft blootstellingen aan de bouw, renovatie en exploitatie van installaties voor warmteopwekking die warmte/koude produceren met behulp van fossiele gasvormige brandstoffen.

JA/NEE

Template 2 Op de taxonomie afgestemde economische activiteiten (noemer)

Rij

Economische activiteit

Bedrag en aandeel (de informatie moet worden gepresenteerd in geldbedragen en in percentages)

CCM + CCA

Mitigatie van klimaatverandering (CCM)

Adaptatie aan klimaatverandering (CCA)

Bedrag

%

Bedrag

%

Bedrag

%

1.

Bedrag en aandeel van de op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.26 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

 

2.

Bedrag en aandeel van de op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.27 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

 

3.

Bedrag en aandeel van de op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.28 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

 

4.

Bedrag en aandeel van de op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.29 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

 

5.

Bedrag en aandeel van de op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.30 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

 

6.

Bedrag en aandeel van de op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.31 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

 

7.

Bedrag en aandeel van andere op de taxonomie afgestemde economische activiteiten die niet zijn genoemd in de rijen 1 tot en met 6 hierboven in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

 

8.

Totaal toepasselijke KPI

 

 

 

Template 3 Op de taxonomie afgestemde economische activiteiten (teller)

Rij

Economische activiteit

Bedrag en aandeel (de informatie moet worden gepresenteerd in geldbedragen en in percentages)

(CCM+CCA)

Mitigatie van klimaatverandering

Adaptatie aan klimaatverandering

Bedrag

%

Bedrag

%

Bedrag

%

1.

Bedrag en aandeel van de op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.26 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de teller van de toepasselijke KPI

 

 

 

2.

Bedrag en aandeel van de op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.27 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de teller van de toepasselijke KPI

 

 

 

3.

Bedrag en aandeel van de op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.28 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de teller van de toepasselijke KPI

 

 

 

4.

Bedrag en aandeel van de op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.29 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de teller van de toepasselijke KPI

 

 

 

5.

Bedrag en aandeel van de op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.30 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de teller van de toepasselijke KPI

 

 

 

6.

Bedrag en aandeel van de op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.31 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de teller van de toepasselijke KPI

 

 

 

7.

Bedrag en aandeel van andere op de taxonomie afgestemde economische activiteiten die niet zijn genoemd in de rijen 1 tot en met 6 hierboven in de teller van de toepasselijke KPI

 

 

 

8.

Totaal bedrag en aandeel van op de taxonomie afgestemde economische activiteiten in de teller van de toepasselijke kernprestatie-indicatoren

 

100  %

 

 

Template 4 Voor de taxonomie in aanmerking komende, maar niet op de taxonomie afgestemde economische activiteiten

Rij

Economische activiteit

Bedrag en aandeel (de informatie moet worden gepresenteerd in geldbedragen en in percentages)

(CCM+CCA)

Mitigatie van klimaatverandering

Adaptatie aan klimaatverandering

Bedrag

%

Bedrag

%

Bedrag

%

1.

Bedrag en aandeel van de voor de taxonomie in aanmerking komende, maar niet op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.26 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

 

2.

Bedrag en aandeel van de voor de taxonomie in aanmerking komende, maar niet op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.27 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

 

3.

Bedrag en aandeel van de voor de taxonomie in aanmerking komende, maar niet op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.28 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

 

4.

Bedrag en aandeel van de voor de taxonomie in aanmerking komende, maar niet op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.29 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

 

5.

Bedrag en aandeel van de voor de taxonomie in aanmerking komende, maar niet op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.30 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

 

6.

Bedrag en aandeel van de voor de taxonomie in aanmerking komende, maar niet op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.31 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

 

7.

Bedrag en aandeel van andere voor de taxonomie in aanmerking komende, maar niet op de taxonomie afgestemde economische activiteiten die niet zijn genoemd in de rijen 1 tot en met 6 hierboven in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

 

8.

Totaal bedrag en aandeel van voor de taxonomie in aanmerking komende, maar niet op de taxonomie afgestemde economische activiteiten in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

 

Template 5 Niet voor de taxonomie in aanmerking komende activiteiten

Rij

Economische activiteit

Bedrag

Percentage

1.

Bedrag en aandeel van de in rij 1 van template 1 genoemde activiteit die niet voor de taxonomie in aanmerking komt overeenkomstig afdeling 4.26 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

2.

Bedrag en aandeel van de in rij 2 van template 1 genoemde activiteit die niet voor de taxonomie in aanmerking komt overeenkomstig afdeling 4.27 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

3.

Bedrag en aandeel van de in rij 3 van template 1 genoemde activiteit die niet voor de taxonomie in aanmerking komt overeenkomstig afdeling 4.28 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

4.

Bedrag en aandeel van de in rij 4 van template 1 genoemde activiteit die niet voor de taxonomie in aanmerking komt overeenkomstig afdeling 4.29 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

5.

Bedrag en aandeel van de in rij 5 van template 1 genoemde activiteit die niet voor de taxonomie in aanmerking komt overeenkomstig afdeling 4.30 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

6.

Bedrag en aandeel van de in rij 6 van template 1 genoemde activiteit die niet voor de taxonomie in aanmerking komt overeenkomstig afdeling 4.31 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

7.

Bedrag en aandeel van andere niet voor de taxonomie in aanmerking komende economische activiteiten die niet zijn genoemd in de rijen 1 tot en met 6 hierboven in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

8.

Totaal bedrag en aandeel van niet voor de taxonomie in aanmerking komende economische activiteiten in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

”.

Top