Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32024R1349

Verordening (EU) 2024/1349 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van een terugkeergrensprocedure en tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1148

PE/17/2024/REV/1

PB L, 2024/1349, 22.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1349/oj (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1349/oj

European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2024/1349

22.5.2024

VERORDENING (EU) 2024/1349 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 14 mei 2024

tot vaststelling van een terugkeergrensprocedure en tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1148

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 77, lid 2, en artikel 79, lid 2, punt c),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien de adviezen van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien de adviezen van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht moet de Unie ervoor zorgen dat er geen personencontroles aan de binnengrenzen plaatsvinden, een gemeenschappelijk beleid inzake asiel en migratie, controle aan de buitengrenzen en terugkeer uitstippelen, en niet-toegestane verplaatsingen tussen de lidstaten voorkomen, op basis van solidariteit en een billijke verdeling van de verantwoordelijkheid tussen de lidstaten, op een wijze die ook billijk is ten aanzien van onderdanen van derde landen en staatlozen en die in volledige overeenstemming is met de grondrechten.

(2)

Deze verordening heeft tot doel de procedurele regelingen van de lidstaten te stroomlijnen, te vereenvoudigen en te harmoniseren door de vaststelling van een terugkeergrensprocedure. Die procedure moet van toepassing zijn op onderdanen van derde landen en staatlozen van wie het verzoek is afgewezen in het kader van de asielgrensprocedure zoals vastgelegd in Verordening (EU) 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad (4) (de “asielgrensprocedure”).

(3)

Voor lidstaten die niet gebonden zijn door Verordening (EU) 2024/1348, moeten verwijzingen in onderhavige verordening naar bepalingen van Verordening (EU) 2024/1348 worden begrepen als verwijzingen naar gelijkwaardige bepalingen die zij mogelijk in hun nationale recht hebben opgenomen.

(4)

Wat betreft de behandeling van personen die onder deze verordening vallen, zijn de lidstaten gebonden aan hun verplichtingen op grond van instrumenten van internationaal recht waarbij zij partij zijn.

(5)

Het belang van het kind moet bij de lidstaten vooropstaan wanneer zij uitvoering geven aan de bepalingen van deze verordening die mogelijk van invloed zijn op minderjarigen.

(6)

Veel verzoeken om internationale bescherming worden gedaan aan de buitengrens of in een transitzone van een lidstaat, onder meer door personen die zijn aangehouden wegens het onrechtmatig overschrijden van de buitengrens, met andere woorden op het moment van de irreguliere overschrijding van de buitengrens of na de overschrijding in de nabijheid van die buitengrens, of door personen die zijn ontscheept na een opsporings- en reddingsoperatie. Om aan de buitengrens identiteits-, veiligheids- en medische controles te kunnen uitvoeren en de betrokken onderdanen van derde landen en staatlozen naar de geschikte procedure te kunnen doorverwijzen, is een screening nodig. Na de screening moeten onderdanen van derde landen en staatlozen naar de passende asiel- of terugkeerprocedure worden doorverwezen, of moet hun de toegang worden geweigerd. Daartoe moet een fase vóór binnenkomst worden ingevoerd, die naargelang het geval bestaat uit een screening en uit grensprocedures voor asiel en terugkeer. Er moeten naadloze en efficiënte koppelingen tussen alle fasen van de desbetreffende procedures voor alle irreguliere binnenkomsten tot stand worden gebracht.

(7)

Toegang tot het grondgebied is niet toegelaten indien een verzoeker geen recht heeft om te blijven, indien hij of zij niet heeft verzocht om te mogen blijven ten behoeve van de beroepsprocedure zoals vastgesteld in Verordening (EU) 2024/1348, of indien een rechterlijke instantie heeft besloten dat zij niet mogen blijven in afwachting van de uitkomst van die beroepsprocedure. In dergelijke gevallen moet, om de continuïteit tussen de asielprocedure en de terugkeerprocedure te waarborgen, de terugkeerprocedure ook worden uitgevoerd in het kader van een grensprocedure die ten hoogste twaalf weken duurt. Die termijn moet van start gaan op het moment waarop de verzoeker, de onderdaan van een derde land of de staatloze niet langer het recht heeft om te blijven of geen toestemming meer heeft om te blijven.

(8)

Om de gelijke behandeling te waarborgen van alle onderdanen van derde landen en staatlozen van wie het verzoek in de grensprocedure is afgewezen, moet, indien een lidstaat heeft besloten de bepalingen van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad (5) krachtens de desbetreffende daarin opgenomen afwijking niet toe te passen jegens onderdanen van derde landen en staatlozen en tegen de onderdaan van een derde land geen terugkeerbesluit uitvaardigt, de behandeling en het beschermingsniveau van de betrokken verzoeker, onderdaan van een derde land of staatloze in overeenstemming zijn met de bepaling van Richtlijn 2008/115/EG betreffende gunstiger bepalingen wat betreft onderdanen van derde landen die buiten het toepassingsgebied van die richtlijn vallen en gelijkwaardig zijn aan die welke van toepassing zijn op personen jegens wie een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd.

(9)

Bij de uitvoering van de terugkeergrensprocedure moeten sommige bepalingen van Richtlijn 2008/115/EG van toepassing zijn, aangezien daarin elementen van de terugkeergrensprocedure worden geregeld die niet in deze verordening zijn vastgesteld, met name die met betrekking tot definities, gunstigere bepalingen, non-refoulement, het belang van het kind, het familie- en gezinsleven en de gezondheidstoestand, het risico op onderduiken, de verplichting tot medewerking, de termijn voor vrijwillig vertrek, het terugkeerbesluit, de verwijdering, het uitstel van verwijdering, de terugkeer en de verwijdering van niet-begeleide minderjarigen, inreisverboden, waarborgen in afwachting van terugkeer, bewaring, de voorwaarden met betrekking tot bewaring, de bewaring van minderjarigen en gezinnen en noodsituaties. Om het risico op onrechtmatige binnenkomsten en verplaatsingen van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen en staatlozen die worden onderworpen aan de terugkeergrensprocedure te beperken, moet een termijn voor vrijwillig vertrek worden toegekend. Die termijn voor vrijwillig vertrek mag alleen op verzoek worden toegekend en moet ten hoogste 15 dagen bedragen, zonder het recht te verlenen om het grondgebied van de betrokken lidstaat binnen te komen. De betrokkenen overhandigen, zo lang als nodig is om onderduiken te voorkomen, alle geldige reisdocumenten die zij bezitten aan de bevoegde autoriteiten. De bepalingen inzake terugkeer in deze verordening doen geen afbreuk aan de discretionaire bevoegdheid van de lidstaten om te allen tijde te besluiten een autonome verblijfsvergunning of een andere vorm van toestemming tot verblijf te verlenen aan een onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft, in schrijnende gevallen, om humanitaire of om andere redenen.

(10)

Indien de illegaal verblijvende onderdaan van een derde land of staatloze binnen de maximumtermijn van de terugkeergrensprocedure niet is teruggekeerd of verwijderd, moet de terugkeerprocedure worden voortgezet als voorzien in Richtlijn 2008/115/EG.

(11)

Indien een verzoeker, een onderdaan van een derde land of een staatloze die tijdens de in Verordening (EU) 2024/1348 vastgestelde asielgrensprocedure in bewaring is gesteld, niet langer het recht heeft om te blijven en geen toestemming heeft gekregen om te blijven, moeten de lidstaten de bewaring kunnen blijven toepassen om een binnenkomst op het grondgebied te beletten en om een terugkeerprocedure uit te voeren, met nakoming van de waarborgen en voorwaarden voor bewaring van Richtlijn 2008/115/EG. Het moet ook mogelijk zijn een verzoeker, een onderdaan van een derde land of een staatloze die tijdens een asielgrensprocedure niet in bewaring is gesteld, die niet langer het recht heeft om te blijven en geen toestemming heeft om te blijven, in bewaring te nemen indien er een risico op onderduiken bestaat, de betrokkene terugkeer vermijdt of belemmert of een risico vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. De duur van die bewaring moet zo kort mogelijk zijn en mag niet langer zijn dan de maximale duur van de terugkeergrensprocedure. Als de illegaal verblijvende onderdaan van een derde land of de staatloze binnen die termijn niet is teruggekeerd of verwijderd en de terugkeergrensprocedure niet langer van toepassing is, moet Richtlijn 2008/115/EG van toepassing zijn. De periode van bewaring tijdens de terugkeergrensprocedure moet worden meegerekend in de in die richtlijn vastgestelde maximale bewaringstermijn.

(12)

De terugkeergrensprocedure moet, in crisissituaties zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2024/1359 van het Europees Parlement en de Raad (6), de terugkeer vergemakkelijken van irregulier verblijvende onderdanen van derde landen of staatlozen van wie het verzoek is afgewezen in het kader van een crisis op het gebied van de asielgrensprocedure en die geen recht en geen toestemming hebben om te blijven, door de bevoegde nationale autoriteiten de nodige instrumenten en voldoende tijd te bieden om terugkeerprocedures met de nodige zorgvuldigheid uit te voeren. Om doeltreffend op crisissituaties te kunnen reageren, moet het ook mogelijk zijn om de terugkeergrensprocedure in een crisissituatie toe te passen op verzoekers, onderdanen van derde landen en staatlozen op wie de terugkeergrensprocedure van toepassing is en van wie het verzoek is afgewezen vóór de vaststelling van een uitvoeringsbesluit van de Raad als bedoeld in Verordening (EU) 2024/1359 waarin wordt verklaard dat een lidstaat met een crisissituatie wordt geconfronteerd, en die geen recht en geen toestemming hebben om te blijven na de vaststelling van een dergelijk besluit.

(13)

Overeenkomstig artikel 72 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) laat deze verordening de uitoefening van de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse veiligheid onverlet.

(14)

Met het oog op een coherente uitvoering van de bepalingen inzake de terugkeergrensprocedure van deze verordening zodra deze van toepassing wordt, moeten op het niveau van de Unie en op nationaal niveau uitvoeringsplannen worden ontwikkeld en uitgevoerd waarin lacunes en operationele stappen voor elke lidstaat worden vastgesteld.

(15)

De toepassing van deze verordening moet regelmatig worden geëvalueerd.

(16)

De beleidsdoelstelling van het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (BMVI), dat als onderdeel van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer is opgericht bij Verordening (EU) 2021/1148 van het Europees Parlement en de Raad (7), is te zorgen voor een krachtig en doeltreffend Europees geïntegreerd grensbeheer aan de buitengrenzen, onder meer door illegale immigratie te voorkomen en op te sporen en migratiestromen doeltreffend te beheren. Het toestaan van de financiering van steun uit hoofde van dat instrument voor solidariteitsacties in het kader van Verordening (EU) 2024/1351 van het Europees Parlement en de Raad (8) zou bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van Verordening (EU) 2021/1148. Verordening (EU) 2021/1148 moet derhalve worden gewijzigd.

(17)

Het moet mogelijk zijn de middelen van het BMVI en van andere relevante fondsen van de Unie (de “fondsen”) beschikbaar te maken om de lidstaten te ondersteunen bij hun inspanningen om Verordening (EU) 2024/1351 toe te passen, overeenkomstig de toepasselijke regels voor het gebruik van de fondsen en onverminderd andere prioriteiten die door de fondsen worden ondersteund. In dat verband moeten de lidstaten kunnen gebruikmaken van de toewijzingen in het kader van hun respectieve programma’s, met inbegrip van de bedragen die beschikbaar worden gesteld na de tussentijdse evaluatie. Het moet mogelijk zijn aanvullende steun in het kader van de relevante thematische faciliteiten beschikbaar te stellen, met name voor die lidstaten die hun capaciteit aan de grenzen mogelijk moeten vergroten.

(18)

Verordening (EU) 2021/1148 moet worden gewijzigd om te waarborgen dat de Uniebegroting volledig bijdraagt aan de totale subsidiabele uitgaven voor solidariteitsacties, en om specifieke rapportageverplichtingen met betrekking tot deze acties in te voeren, als onderdeel van de bestaande rapportageverplichtingen met betrekking tot de uitvoering van de fondsen. Die verordening moet ook worden gewijzigd om de lidstaten in staat te stellen financiële bijdragen aan het BMVI te leveren in de vorm van externe bestemmingsontvangsten.

(19)

Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk het vaststellen van een terugkeergrensprocedure, het voorzien in specifieke tijdelijke regels om ervoor te zorgen dat de lidstaten in staat zijn crisissituaties aan te pakken, en het mogelijk maken van de financiering van steun uit hoofde van Verordening (EU) 2021/1148 voor solidariteitsacties in het kader van Verordening (EU) 2024/1351, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van deze verordening beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.

(20)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het VEU en het VWEU, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze verordening; deze is bijgevolg niet bindend voor, noch van toepassing op Denemarken. Aangezien deze verordening voortbouwt op het Schengenacquis, beslist Denemarken overeenkomstig artikel 4 van het bovengenoemde protocol binnen een termijn van zes maanden nadat de Raad heeft beslist over deze verordening of het deze in zijn interne recht zal omzetten.

(21)

Deze verordening vormt een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis waaraan Ierland niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2002/192/EG van de Raad (9). Ierland neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van deze verordening en deze is niet bindend voor, noch van toepassing op Ierland.

(22)

Wat IJsland en Noorwegen betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de Overeenkomst tussen de Raad van de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen inzake de wijze waarop IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (10) die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, punt A, van Besluit 1999/437/EG van de Raad (11).

(23)

Wat Zwitserland betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (12) die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, punt A, van Besluit 1999/437/EG van de Raad, in samenhang met artikel 3 van Besluit 2008/146/EG van de Raad (13).

(24)

Wat Liechtenstein betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (14) die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, punten A en B, van Besluit 1999/437/EG van de Raad, in samenhang met artikel 3 van Besluit 2011/350/EU van de Raad (15).

(25)

Deze verordening is in overeenstemming met de grondrechten en de beginselen die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het “Handvest”). Deze verordening beoogt met name te waarborgen dat de menselijke waardigheid ten volle wordt geëerbiedigd, en te bevorderen dat de artikelen 1, 4, 8, 18, 19, 21, 23, 24 en 47 van het Handvest worden toegepast,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Bij deze verordening wordt een terugkeergrensprocedure vastgesteld. De verordening is van toepassing op onderdanen van derde landen en staatlozen van wie het verzoek is afgewezen in het kader van de asielgrensprocedure die is bepaald in de artikelen 43 tot en met 54 van Verordening (EU) 2024/1348 (de “asielgrensprocedure”). Zij voorziet ook in tijdelijke specifieke regels voor de terugkeergrensprocedure in crisissituaties zoals gedefinieerd in artikel 1, lid 4, van Verordening (EU) 2024/1359.

Deze verordening wijzigt ook Verordening (EU) 2021/1148, met als doel de financiering van steun uit hoofde van die verordening voor solidariteitsacties in het kader van Verordening (EU) 2024/1351 mogelijk te maken.

2.   Tijdelijke maatregelen die op grond van hoofdstuk III van deze verordening worden vastgesteld, voldoen aan de vereisten van noodzakelijkheid en evenredigheid, zijn geschikt om de gestelde doelstellingen te verwezenlijken en de bescherming van de rechten van de verzoekers te waarborgen, en zijn in overeenstemming met de verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van het Handvest en het internationale recht.

3.   De maatregelen in hoofdstuk III van deze verordening worden slechts toegepast voor zover dat strikt vereist is door de ernst van de situatie, op tijdelijke en beperkte wijze, en uitsluitend in uitzonderlijke omstandigheden. De lidstaten kunnen de in hoofdstuk III vastgestelde maatregelen alleen toepassen op verzoek en voor zover daarin is voorzien in het in artikel 4, lid 3, van Verordening (EU) 2024/1359 bedoelde besluit.

Artikel 2

Verwijzingen naar Verordening (EU) 2024/1348

Voor lidstaten die niet gebonden zijn door Verordening (EU) 2024/1348, worden verwijzingen in deze verordening naar bepalingen van Verordening (EU) 2024/1348 begrepen als verwijzingen naar gelijkwaardige bepalingen die zij eventueel in hun nationale recht hebben opgenomen.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)

“verzoek om internationale bescherming” of “verzoek”: verzoek om internationale bescherming of verzoek als gedefinieerd in artikel 3, punt 12, van Verordening (EU) 2024/1348;

b)

“verzoeker”: verzoeker als gedefinieerd in artikel 4, punt 13, van Verordening (EU) 2024/1348.

HOOFDSTUK II

TERUGKEERGRENSPROCEDURE

Artikel 4

Terugkeergrensprocedure

1.   Onderdanen van derde landen en staatlozen van wie het verzoek is afgewezen in het kader van de asielgrensprocedure, worden niet toegelaten tot het grondgebied van de betrokken lidstaat.

2.   De in lid 1 bedoelde personen worden door de lidstaten verplicht om gedurende ten hoogste twaalf weken op locaties aan of in de buurt van de buitengrens of in transitzones te verblijven. Indien die personen niet op die locaties kunnen worden opgevangen, mag de lidstaat andere locaties op zijn grondgebied gebruiken. De termijn van twaalf weken vangt aan op de datum waarop de verzoeker, de onderdaan van een derde land of de staatloze niet langer het recht heeft om te blijven en geen toestemming krijgt om te blijven. De verplichting om overeenkomstig dit lid op een bepaalde locatie te verblijven, wordt niet beschouwd als een toestemming om het grondgebied van een lidstaat binnen te komen of er te verblijven. De omstandigheden op die locaties voldoen aan de normen die gelijkwaardig zijn aan die van de materiële opvangvoorzieningen en de gezondheidszorg overeenkomstig de artikelen 19 en 20 van Richtlijn (EU) 2024/1346 van het Europees Parlement en de Raad (16) zoals zij gelden voor personen die nog steeds als verzoekers worden beschouwd.

3.   Artikel 3, artikel 4, lid 1, artikel 5, artikel 6, leden 1 tot en met 5, artikel 7, leden 2 en 3, artikelen 8 tot en met 11, artikel 12, artikel 14, lid 1, artikel 15, leden 2 tot en met 4, en de artikelen 16 tot en met 18 van Richtlijn 2008/115/EG zijn van toepassing ten behoeve van dit artikel.

4.   Indien een terugkeerbesluit niet binnen de in lid 2 bedoelde maximumtermijn kan worden uitgevoerd, zetten de lidstaten de terugkeerprocedures voort overeenkomstig Richtlijn 2008/115/EG.

5.   Onverminderd de mogelijkheid om te allen tijde vrijwillig terug te keren, wordt aan de in lid 1 bedoelde personen een termijn voor vrijwillig vertrek toegekend, tenzij er een risico op onderduiken bestaat, of indien hun verzoek in het kader van de asielgrensprocedure als kennelijk ongegrond is afgewezen, of indien de betrokkene een risico vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid van de lidstaten. De termijn voor vrijwillig vertrek wordt alleen op verzoek toegekend en bedraagt ten hoogste 15 dagen, zonder het recht om het grondgebied van de betrokken lidstaat binnen te komen. Voor de toepassing van dit lid, en zo lang als nodig is om onderduiken te voorkomen, overhandigen de betrokkenen alle geldige reisdocumenten die zij bezitten aan de bevoegde autoriteiten.

6.   De lidstaten die na de afwijzing van een verzoek in het kader van de asielgrensprocedure een weigering van toegang overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad (17) uitvaardigen en die op grond van artikel 2, lid 2, punt a), van Richtlijn 2008/115/EG hebben besloten om die richtlijn in die gevallen niet toe te passen, zorgen ervoor dat de behandeling en het niveau van bescherming van de onderdanen van derde landen en de staatlozen aan wie toegang wordt geweigerd, in overeenstemming zijn met artikel 4, lid 4, van Richtlijn 2008/115/EG en gelijkwaardig aan de behandeling en het niveau van bescherming als bepaald in lid 2 van dit artikel en in artikel 5, lid 4, van deze verordening.

Artikel 5

Bewaring

1.   Bewaring kan slechts als laatste redmiddel worden opgelegd indien dit noodzakelijk blijkt op basis van een individuele beoordeling van elk geval en indien andere, minder dwingende maatregelen niet doeltreffend kunnen worden toegepast.

2.   Personen als bedoeld in artikel 4, lid 1, van deze verordening die tijdens de asielgrensprocedure in bewaring werden gesteld, die niet langer het recht hebben om te blijven en die geen toestemming krijgen om te blijven, kunnen verder in bewaring worden gehouden om hun binnenkomst op het grondgebied van de betrokken lidstaat te beletten, hun terugkeer voor te bereiden of de verwijderingsprocedure uit te voeren.

3.   Personen als bedoeld in artikel 4, lid 1, van deze verordening die tijdens de asielgrensprocedure niet in bewaring werden gesteld, die niet langer het recht hebben om te blijven en die geen toestemming hebben gekregen om te blijven, kunnen in bewaring worden gesteld indien er een risico bestaat op onderduiken in de zin van Richtlijn 2008/115/EG, indien zij de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijken of belemmeren of indien zij een risico vormen voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

4.   De bewaring duurt zo kort mogelijk en alleen zolang er sprake is van een redelijk vooruitzicht van verwijdering en zolang de regelingen daarvoor worden getroffen en met de nodige zorgvuldigheid worden uitgevoerd. De duur van de bewaring mag niet langer zijn dan de in artikel 4, lid 2, van deze verordening bedoelde periode en, indien een bewaring wordt opgelegd die onmiddellijk aansluit op een periode van bewaring als voorgeschreven uit hoofde van dit artikel, wordt die periode van bewaring meegerekend in de in artikel 15, leden 5 en 6, van Richtlijn 2008/115/EG vastgestelde maximale bewaringstermijnen.

5.   Uiterlijk op 12 december 2024 ontwikkelt het bij Verordening (EU) 2021/2303 van het Europees Parlement en de Raad (18) opgerichte Asielagentschap van de Europese Unie overeenkomstig artikel 13, lid 2, van die verordening richtsnoeren over verschillende praktijken als alternatief voor bewaring die in het kader van een grensprocedure zouden kunnen worden gebruikt.

HOOFDSTUK III

AFWIJKINGEN IN GEVAL VAN CRISISSITUATIES

Artikel 6

Maatregelen voor de terugkeergrensprocedure in crisissituaties

1.   In een crisissituatie als gedefinieerd in artikel 1, lid 4, van Verordening (EU) 2024/1359 en in verband met illegaal verblijvende onderdanen van derde landen of staatlozen van wie het verzoek is afgewezen in het kader van de asielgrensprocedure op grond van artikel 11, leden 3, 4 en 6, van Verordening (EU) 2024/1359, die geen recht en geen toestemming hebben om te blijven, kunnen de lidstaten in een afwijking voorzien als volgt:

a)

in afwijking van artikel 4, lid 2, van deze verordening, kunnen de lidstaten de maximumperiode gedurende welke die onderdanen van derde landen of staatlozen op de in dat artikel bedoelde locaties moeten worden gehouden, verlengen met ten hoogste zes weken;

b)

in afwijking van artikel 5, lid 4, van deze verordening is de periode van bewaring niet langer dan de in punt a) van dit lid bedoelde periode, en wordt deze meegerekend in de in artikel 15, leden 5 en 6, van Richtlijn 2008/115/EG vastgestelde maximale bewaringstermijnen.

2.   Lid 1 van dit artikel is tevens van toepassing op verzoekers, onderdanen van derde landen en staatlozen voor wie de asielgrensprocedure geldt en van wie het verzoek is afgewezen vóór de vaststelling van het in artikel 4, lid 3, van Verordening (EU) 2024/1359 bedoelde uitvoeringsbesluit van de Raad, en die na de vaststelling van dat uitvoeringsbesluit geen recht en geen toestemming hebben om te blijven.

3.   Organisaties en personen die krachtens het nationale recht advies en counseling mogen verstrekken, krijgen daadwerkelijke toegang tot verzoekers die worden vastgehouden in detentiecentra of die zich aan grensdoorlaatposten bevinden. De lidstaten kunnen beperkingen opleggen met betrekking tot die handelingen indien de beperkingen, krachtens het nationale recht, objectief noodzakelijk zijn voor de veiligheid, de openbare orde of het administratieve beheer van een detentiecentrum, mits de toegang hierdoor niet ernstig wordt beperkt of onmogelijk wordt gemaakt.

Artikel 7

Procedureregels

Wanneer een lidstaat van oordeel is zich in een crisissituatie als gedefinieerd in artikel 1, lid 4, van Verordening (EU) 2024/1359 te bevinden, kan hij een verzoek indienen om de in artikel 6 van deze verordening bepaalde afwijkingen toe te passen. Wanneer een lidstaat een dergelijk verzoek indient, zijn de artikelen 2 tot en met 6 en artikel 17, leden 3 en 4, van Verordening (EU) 2024/1359 van toepassing, naargelang het geval. Wanneer op grond van artikel 2 van Verordening (EU) 2024/1359 reeds een procedure is ingeleid om een afwijking te verkrijgen, kunnen de lidstaten in het kader van die procedure een verzoek indienen om de in artikel 6 van deze verordening bepaalde afwijkingen toe te passen.

Artikel 8

Specifieke bepalingen en waarborgen

Een lidstaat die de in artikel 6 bepaalde afwijking toepast, informeert de betrokken onderdanen van derde landen of staatlozen naar behoren in een taal die de onderdanen van derde landen of staatlozen begrijpen of redelijkerwijs kunnen worden geacht te begrijpen, over de toegepaste maatregelen en de looptijd van de maatregelen.

HOOFDSTUK IV

WIJZIGINGEN VAN VERORDENING (EU) 2021/1148

Artikel 9

Wijzigingen van Verordening (EU) 2021/1148

Verordening (EU) 2021/1148 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Aan artikel 2 wordt het volgende punt toegevoegd:

“11)

“solidariteitsactie”: een actie waarvan het toepassingsgebied wordt omschreven in artikel 56, lid 2, punt b), van Verordening (EU) 2024/1351 van het Europees Parlement en de Raad (*1) en die wordt gefinancierd met de in artikel 64, lid 1, van die verordening bedoelde financiële bijdragen van de lidstaten.

(*1)  Verordening (EU) 2024/1351 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 betreffende asiel- en migratiebeheer, tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2021/1147 en (EU) 2021/1060 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 604/2013 (PB L, 2024/1351, 22.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1351/oj).”."

2)

Aan artikel 10 wordt het volgende lid toegevoegd:

“3.   Steun uit hoofde van deze verordening kan, ten behoeve van solidariteitsacties, worden gefinancierd met bijdragen van de lidstaten en van andere publieke of particuliere donoren als externe bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 21, lid 5, van het Financieel Reglement.”.

3)

In artikel 12 wordt het volgende lid ingevoegd:

“7bis.   Voor solidariteitsacties kan de bijdrage uit de Uniebegroting worden verhoogd tot 100 % van de totale subsidiabele uitgaven.”.

4)

In artikel 29, lid 2, eerste alinea, wordt het volgende punt ingevoegd:

“a bis)

de uitvoering van solidariteitsacties, inclusief een opsplitsing van de financiële bijdragen per actie en een beschrijving van de belangrijkste resultaten die dankzij de financiering zijn bereikt;”.

5)

Aan bijlage II, punt 1, wordt het volgende punt toegevoegd:

“h)

steun voor solidariteitsacties, in overeenstemming met de reikwijdte van de steun die wordt genoemd in bijlage III, punt 1.”.

6)

Bijlage VI wordt als volgt gewijzigd:

a)

in tabel 1, punt I, wordt de volgende code toegevoegd:

“030 Solidariteitsacties”;

b)

tabel 3 wordt als volgt gewijzigd:

i)

de codes 005 en 006 worden vervangen door:

“005 Bijzondere doorreisregeling als bedoeld in artikel 17

006 Acties die onder artikel 85, lid 2, van Verordening (EU) 2018/1240 vallen”;

ii)

de volgende codes worden toegevoegd:

“007 Acties die onder artikel 85, lid 3, van Verordening (EU) 2018/1240 vallen

008 Noodhulp

009 Solidariteitsacties”.

HOOFDSTUK V

SLOTBEPALINGEN

Artikel 10

Aanvechting door overheidsinstanties

Deze verordening doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor overheidsinstanties om bestuursrechtelijke of rechterlijke beslissingen aan te vechten zoals voorzien in het nationale recht.

Artikel 11

Berekening van termijnen

De in deze verordening voorgeschreven termijnen worden als volgt berekend:

a)

indien een in dagen, weken of maanden uitgedrukte termijn ingaat op het tijdstip waarop een gebeurtenis of een handeling plaatsvindt, wordt de dag zelf waarop deze gebeurtenis of handeling plaatsvindt, niet bij de termijn in kwestie inbegrepen;

b)

een in weken of maanden uitgedrukte termijn loopt af bij het einde van de dag die in de laatste week of maand respectievelijk dezelfde naam of dezelfde cijferaanduiding in de maand heeft als de dag waarop de gebeurtenis of de handeling plaatsvindt die de termijn doet ingaan; indien in de laatste maand van een in maanden uitgedrukte termijn de dag die bepalend is voor het aflopen van de termijn ontbreekt, loopt de termijn af om middernacht op de laatste dag van die laatste maand;

c)

zaterdagen, zondagen en in de betrokken lidstaat wettelijk erkende feestdagen zijn bij de termijnen inbegrepen; indien een termijn afloopt op een zaterdag, zondag of officiële feestdag, wordt de volgende werkdag als de laatste dag van die termijn beschouwd.

Artikel 12

Overgangsmaatregelen

Uiterlijk op 12 september 2024 dient de Commissie, in nauwe samenwerking met de lidstaten en de betrokken organen en instanties van de Unie, een gemeenschappelijk uitvoeringsplan in bij de Raad, waarin vastgestelde lacunes en de vereiste operationele stappen worden beoordeeld, om ervoor te zorgen dat de lidstaten voldoende voorbereid zijn om hoofdstuk II van deze verordening uiterlijk op 1 juli 2026 uit te voeren, en stelt zij het Europees Parlement hiervan in kennis.

Op basis van dat gemeenschappelijk uitvoeringsplan stelt elke lidstaat, met de steun van de Commissie en de betrokken organen en instanties van de Unie, uiterlijk op 12 december 2024 een nationaal uitvoeringsplan op, met de acties en een tijdschema voor de uitvoering daarvan. Elke lidstaat voltooit de uitvoering van zijn plan uiterlijk op 1 juli 2026.

Voor de toepassing van dit artikel kunnen de lidstaten gebruikmaken van de steun van de betrokken organen en instanties van de Unie, en de fondsen van de Unie kunnen de lidstaten financiële steun verlenen, overeenkomstig de op die organen en instanties en fondsen toepasselijke rechtshandelingen.

De Commissie houdt nauwlettend toezicht op de uitvoering van de nationale uitvoeringsplannen.

Artikel 13

Toezicht en evaluatie

De Commissie brengt uiterlijk op 13 juni 2028 en vervolgens om de vijf jaar verslag uit aan het Europees Parlement en aan de Raad over de toepassing van deze verordening in de lidstaten en stelt, zo nodig, wijzigingen voor.

De lidstaten sturen de Commissie op haar verzoek uiterlijk op 12 september 2027 de gegevens die nodig zijn om haar verslag op te stellen.

Artikel 14

Inwerkingtreding en toepassing

1.   Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Deze verordening is van toepassing vanaf 12 juni 2026.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Brussel, 14 mei 2024.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

R. METSOLA

Voor de Raad

De voorzitter

H. LAHBIB


(1)   PB C 75 van 10.3.2017, blz. 97 en PB C 155 van 30.4.2021, blz. 64.

(2)   PB C 207 van 30.6.2017, blz. 67 en PB C 175 van 7.5.2021, blz. 32.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 10 april 2024 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 14 mei 2024.

(4)  Verordening (EU) 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van Richtlijn 2013/32/EU (PB L, 2024/1348, 22.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1348/oj).

(5)  Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 98).

(6)  Verordening (EU) 2024/1359 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 betreffende de aanpak van crisis- en overmachtsituaties op het gebied van migratie en asiel en tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1147 (PB L, 2024/1359, 22.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1359/oj).

(7)  Verordening (EU) 2021/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting, in het kader van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer, van het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PB L 251 van 15.7.2021, blz. 48).

(8)  Verordening (EU) 2024/1351 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 betreffende asiel- en migratiebeheer, tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2021/1147 en (EU) 2021/1060 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 604/2013 (PB L, 2024/1351, 22.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1351/oj).

(9)  Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan bepalingen van het Schengenacquis (PB L 64 van 7.3.2002, blz. 20).

(10)   PB L 176 van 10.7.1999, blz. 36.

(11)  Besluit 1999/437/EG van de Raad van 17 mei 1999 inzake bepaalde toepassingsbepalingen van de door de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen gesloten overeenkomst inzake de wijze waarop deze twee staten worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (PB L 176 van 10.7.1999, blz. 31).

(12)   PB L 53 van 27.2.2008, blz. 52.

(13)  Besluit 2008/146/EG van de Raad van 28 januari 2008 betreffende de sluiting namens de Europese Gemeenschap van de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (PB L 53 van 27.2.2008, blz. 1).

(14)   PB L 160 van 18.6.2011, blz. 21.

(15)  Besluit 2011/350/EU van de Raad van 7 maart 2011 betreffende de sluiting namens de Europese Unie van het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis betreffende de afschaffing van controles aan de binnengrenzen en het verkeer van personen (PB L 160 van 18.6.2011, blz. 19).

(16)  Richtlijn (EU) 2024/1346 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PB L, 2024/1346, 22.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/1346/oj).

(17)  Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PB L 77 van 23.3.2016, blz. 1).

(18)  Verordening (EU) 2021/2303 van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2021 inzake het Asielagentschap van de Europese Unie en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 439/2010 (PB L 468 van 30.12.2021, blz. 1).


ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1349/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)


Top