Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31997L0029

Richtlijn 97/29/EG van de Commissie van 11 juni 1997 houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 76/757/EEG van de Raad inzake retroflectoren voor motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (Voor de EER relevante tekst)

PB L 171 van 30.6.1997, pp. 11–24 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

⏵Dit document is verschenen in een speciale editie. (CS, ET, LV, LT, HU, MT, PL, SK, SL, BG, RO, HR)

Legal status of the document No longer in force, Date of end of validity: 31/10/2014; stilzwijgende opheffing door 32009R0661

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1997/29/oj

31997L0029

Richtlijn 97/29/EG van de Commissie van 11 juni 1997 houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 76/757/EEG van de Raad inzake retroflectoren voor motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (Voor de EER relevante tekst)

Publicatieblad Nr. L 171 van 30/06/1997 blz. 0011 - 0024


RICHTLIJN 97/29/EG VAN DE COMMISSIE van 11 juni 1997 houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 76/757/EEG van de Raad inzake retroflectoren voor motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (1), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 96/79/EG van het Europees Parlement en de Raad (2), inzonderheid op artikel 13, lid 2,

Gelet op Richtlijn 76/757/EEG van de Raad van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende retroflectoren voor motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (3), laatstelijk gewijzigd bij de Akte van Toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden, inzonderheid op artikel 10,

Overwegende dat Richtlijn 76/757/EEG één van de bijzondere richtlijnen van de bij Richtlijn 70/156/EEG vastgestelde EG-typegoedkeuringsprocedure vormt; dat derhalve de bepalingen van Richtlijn 70/156/EEG betreffende voertuigsystemen, onderdelen en technische eenheden op de onderhavige richtlijn van toepassing zijn;

Overwegende dat met name in artikel 3, lid 4, en in artikel 4, lid 3, van Richtlijn 70/156/EEG is bepaald dat aan iedere bijzondere richtlijn een inlichtingenformulier en een op bijlage VI gebaseerd typegoedkeuringsformulier wordt toegevoegd met oog op de computerisering van de typegoedkeuring; dat het aan de Richtlijn 76/757/EEG gehechte typegoedkeuringsformulier dienovereenkomstig dient te worden gewijzigd;

Overwegende dat de procedures moeten worden vereenvoudigd om de gelijkwaardigheid van bepaalde bijzondere richtlijnen en de overeenkomstige reglementen van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (UN-ECE), als vastgesteld bij artikel 9, lid 2, van Richtlijn 70/156/EEG, te behouden, wanneer voornoemde reglementen worden gewijzigd; dat als eerste stap de technische bepalingen van Richtlijn 76/757/EEG moeten worden vervangen door die van UN-ECE-reglement nr. 3 door daarnaar te verwijzen;

Overwegende dat wordt verwezen naar Richtlijn 76/756/EEG van de Raad (4), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/28/EG van de Commissie (5);

Overwegende dat een verschil is vastgesteld met betrekking tot de technische term in de Engelse versie en de Zweedse versie van Richtlijn 76/757/EEG en de overige taalversies; dat het bijgevolg dienstig is de Engelse versie en de Zweedse versie recht te zetten;

Overwegende dat de bepalingen van deze richtlijn in overeenstemming zijn met het advies van het bij Richtlijn 70/156/EEG ingestelde Comité voor de aanpassing aan de technische vooruitgang,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 76/757/EEG wordt als volgt gewijzigd:

1. De titel komt te luiden: [betreft alleen de Engelse versie].

2. Artikel 1, lid 1, komt te luiden:

"1. Iedere lidstaat verleent de EEG-onderdeeltypegoedkeuring voor elk type retroflector dat voldoet aan de in de bijlagen opgenomen constructie- en keuringsvoorschriften."

3. Artikel 2, eerste alinea, komt te luiden:

"De lidstaten kennen de fabrikant een EEG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk toe overeenkomstig de in bijlage I, aanhangsel 3, vastgestelde modellen, voor elk type retroflector dat door hen krachtens artikel 1 wordt goedgekeurd."

4. Artikel 4 komt te luiden:

"Artikel 4

De bevoegde instanties van de lidstaten stellen elkaar volgens de in artikel 4, lid 6, van Richtlijn 70/156/EEG aangegeven procedure op de hoogte van elke goedkeuring die zij overeenkomstig deze richtlijn hebben verleend, geweigerd of ingetrokken."

5. Artikel 9 komt te luiden:

"Artikel 9

Onder "voertuig" wordt in deze richtlijn verstaan, ieder voor deelneming aan het wegverkeer bestemd motorvoertuig, met of zonder carrosserie, op ten minste vier wielen en met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 25 km per uur, alsmede aanhangwagens daarvan, met uitzondering van voertuigen die zich over rails bewegen, landbouw- en bosbouwtrekkers, alsmede alle mobiele machines."

6. De bijlagen worden vervangen door de bijlage van de onderhavige richtlijn.

Artikel 2

1. Met ingang van 1 januari 1998, of, indien de publicatie van de in artikel 3 genoemde teksten tot na 1 juli 1997 wordt uitgesteld, zes maanden na de effectieve datum van publicatie van deze teksten, mogen de lidstaten:

- voor een type motorvoertuig of een hieronder genoemd type retroflector, noch de EG-typegoedkeuring, noch de nationale typegoedkeuring weigeren,

- noch de registratie, de verkoop of het in het verkeer brengen van voertuigen, noch de verkoop of het gebruik van retroflectoren verbieden,

om redenen die verband houden met retroflectoren, indien de retroflectoren aan de bepalingen van Richtlijn 76/757/EEG, zoals gewijzigd bij de onderhavige richtlijn, voldoen en, voor wat betreft voertuigen, deze overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 76/756/EEG zijn gemonteerd.

2. Met ingang van 1 oktober 1998 mogen de lidstaten:

- niet langer de EG-typegoedkeuring verlenen en

- de nationale typegoedkeuring weigeren,

voor een type voertuig om redenen die verband houden met retroflectoren en voor een type retroflector, indien niet aan de bepalingen van Richtlijn 76/757/EEG, zoals gewijzigd bij de onderhavige richtlijn, is voldaan.

3. Met ingang van 1 oktober 1999 zijn de bepalingen van Richtlijn 76/757/EEG inzake retroflectoren als onderdeel, zoals gewijzigd bij de onderhavige richtlijn, van toepassing voor de doeleinden van artikel 7, lid 2, van Richtlijn 70/156/EEG.

4. Onverminderd de leden 2 en 3 blijven de lidstaten de EG-typegoedkeuring verlenen en de verkoop of het gebruik van retroflectoren als reserveonderdeel overeenkomstig de voorgaande versies van Richtlijn 76/757/EEG toestaan, op voorwaarde dat dergelijke lichten

- zijn bestemd om op reeds in gebruik zijnde voertuigen te worden gemonteerd, en

- voldoen aan de bepalingen van die richtlijn die golden toen de voertuigen voor het eerst werden geregistreerd.

Artikel 3

De in punt 2.1 van bijlage II aangegeven bepalingen en bijlagen van UN-ECE-reglement nr. 3 zullen vòòr 1 juli 1997 in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen worden gepubliceerd.

Artikel 4

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 januari 1998 aan deze richtlijn te voldoen; indien de publicatie van de in artikel 3 genoemde teksten echter tot na 1 juli 1997 wordt uitgesteld, voldoen de lidstaten aan deze verplichting zes maanden na de effectieve datum van publicatie van deze teksten. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

De lidstaten passen deze bepalingen toe met ingang van 1 januari 1998 of dat geschiedt, indien de publicatie van de in artikel 3 genoemde teksten tot na 1 juli 1997 wordt uitgesteld, zes maanden na de effectieve datum van publicatie van deze teksten.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede, die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 5

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 6

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 11 juni 1997.

Voor de Commissie

Martin BANGEMANN

Lid van de Commissie

(1) PB nr. L 42 van 23. 2. 1970, blz. 1.

(2) PB nr. L 18 van 21. 1. 1997, blz. 7.

(3) PB nr. L 262 van 27. 9. 1976, blz. 32.

(4) PB nr. L 262 van 27. 9. 1976, blz. 1.

(5) Zie bladzijde 1 van dit Publikatieblad.

BIJLAGE

"LIJST VAN BIJLAGEN

BIJLAGE I: Administratieve bepalingen voor de typegoedkeuring

Aanhangsel 1: Inlichtingenformulier

Aanhangsel 2: Typegoedkeuringsformulier

Aanhangsel 3: Model van het EG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk

BIJLAGE II: Toepassingsgebied en technische voorschriften

BIJLAGE I

ADMINISTRATIEVE BEPALINGEN VOOR DE TYPEGOEDKEURING

1. AANVRAAG VAN EG-ONDERDEELTYPEGOEDKEURING

1.1. De aanvraag van EG-onderdeeltypegoedkeuring overeenkomstig artikel 3, lid 4, van Richtlijn 70/156/EEG voor een type retroflector wordt ingediend door de fabrikant.

1.2. Een model van het inlichtingenformulier is in aanhangsel 1 opgenomen.

1.3. Het volgende moet aan de voor de uitvoering van de typegoedkeuringsproeven verantwoordelijke technische dienst worden vertrekt:

1.3.1. voor retroflectoren van klasse I A of III A,

1.3.1.1. tien (10) monsters in de door de fabrikant aan te geven kleur;

1.3.1.2. indien nodig, twee monsters van een andere kleur i.v.m. de gelijktijdige of toekomstige uitbreiding van de goedkeuring van retroflectoren van een andere kleur;

1.3.2. voor retroflectoren van klasse IV A, tien (10) monsters en, indien nodig, de bevestigingsmiddelen.

2. MERKTEKENS

2.1. De inrichtingen die voor EG-onderdeeltypegoedkeuring worden aangeboden moeten voorzien zijn van:

2.1.1. het merk of de handelsnaam van de fabrikant;

2.1.2. het merkteken "TOP", dat zich horizontaal aan de bovenkant van het lichtdoorlatende gedeelte moet bevinden, indien dit nodig is om ondubbelzinnig de door de fabrikant opgegeven draaiingshoek of -hoeken te bepalen;

2.2. Deze merktekens moeten duidelijk leesbaar en onuitwisbaar op het lichtdoorlatende gedeelte of een van de lichtdoorlatende gedeelten van de inrichting zijn aangebracht. Zij moeten van buitenaf zichtbaar zijn wanneer de inrichting op het voertuig is gemonteerd.

2.3. Elke inrichting moet voldoende ruimte bieden voor het goedkeuringsmerk. Deze ruimte moet op de in aanhangsel 1 genoemde tekeningen worden aangegeven.

3. VERLENING VAN EG-ONDERDEELTYPEGOEDKEURING

3.1. Indien aan de terzake dienende voorschriften is voldaan, wordt EG-typegoedkeuring overeenkomstig artikel 4, lid 3, en, in voorkomend geval, artikel 4, lid 4, van Richtlijn 70/156/EEG verleend.

3.2. Een model van het EG-typegoedkeuringsformulier is in aanhangsel 2 opgenomen.

3.3. Er dient een goedkeuringsnummer overeenkomstig bijlage VII van Richtlijn 70/156/EEG aan elk goedgekeurd type retroflector te worden toegekend. Dezelfde lidstaat mag datzelfde nummer niet aan een ander type retroflector toekennen.

3.4. Wanneer EG-onderdeeltypegoedkeuring wordt aangevraagd voor een type verlichtings- en lichtsignaalinrichting bestaande uit een retroflector en andere lichten, mag één EG-onderdeeltypegoedkeuringsnummer worden toegekend, op voorwaarde dat de retroflector voldoet aan de voorschriften van deze richtlijn en dat alle andere lichten die deel uitmaken van de verlichtings- en lichtsignaalinrichting waarvoor EG-onderdeeltypegoedkeuring is aangevraagd, voldoen aan de daarop van toepassing zijnde bijzondere richtlijnen.

4. EG-ONDERDEELTYPEGOEDKEURINGSMERK

4.1. Behalve de in punt 2.1 genoemde merktekens moet iedere retroflector, die overeenkomt met een overeenkomstig deze richtlijn goedgekeurd type, voorzien zijn van een EG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk.

4.2. Dit merk bestaat uit:

4.2.1. een rechthoek met daarin de letter "e", gevolgd door het kengetal of de kenletter van de lidstaat die de goedkeuring heeft verleend:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

4.2.2. nabij de rechthoek, het "basisgoedkeuringsnummer", opgenomen in deel 4 van het in bijlage VII van Richtlijn 70/156/EEG bedoelde typegoedkeuringsnummer, voorafgegaan door twee cijfers die het volgnummer vormen, dat is toegekend aan de recentste ingrijpende technische wijziging van Richtlijn 76/758/EEG op de datum waarop de EG-typegoedkeuring is verleend. Het volgnummer van de onderhavige richtlijn is 02;

4.2.3. Het volgende aanvullende symbool:

4.2.3.1 "I A", "II A" of "IV A" ter aanduiding van de klasse waarin de retroflector bij de goedkeuring is ingedeeld.

4.3. Het EG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk moet zodanig op het uitvalsvlak van het licht van de retroflector worden aangebracht dat het onuitwisbaar en goed leesbaar is, ook wanneer de lichten op het voertuig zijn gemonteerd.

4.4. Voorbeelden van het EG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk voor een type onderdeel zijn afgebeeld in figuur 1 van aanhangsel 3.

4.5. Wanneer overeenkomstig punt 3.4 één EG-onderdeeltypegoedkeuringsnummer aan een type verlichtings- en lichtsignaalinrichting bestaande uit een retroflector en andere lichten is toegekend, mag één EG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk worden aangebracht, bestaande uit:

4.5.1. een rechthoek met daarin de letter "e", gevolg door het kengetal of de kenletter van de lidstaat die de typegoedkeuring heeft verleend (zie punt 4.2.1);

4.5.2. het basisgoedkeuringsnummer (zie punt 4.2.2, eerste helft van de zin);

4.5.3. indien nodig, de voorgeschreven pijl, voorzover deze betrekking heeft op de gehele lichteenheid.

4.6. Dit merk mag op een willekeurige plaats op het gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde licht worden aangebracht, mits:

4.6.1. het zichtbaar is na montage van de lichten;

4.6.2. geen licht-uitstralende onderdelen van gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten kunnen worden verwijderd zonder tegelijkertijd het goedkeuringsmerk te verwijderen.

4.7. Het identificatiesymbool voor elk licht overeenkomstig elke richtlijn krachtens welke de EG-onderdeeltypegoedkeuring werd verleend, tezamen met het volgnummer (zie punt 4.2.2, tweede helft van de zin) en, in voorkomend geval de letter "D" en de voorgeschreven pijl moeten worden aangebracht:

4.7.1. hetzij op het desbetreffende uitvalsvlak van het licht;

4.7.2. hetzij op zodanige wijze gegroepeerd dat de gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten duidelijk kunnen worden geïdentificeerd.

4.8. De afmetingen van de onderdelen van dit merk mogen niet kleiner zijn dan de minimumafmetingen die zijn aangegeven voor de afzonderlijke merken in de verschillende richtlijnen krachtens welke de EG-onderdeeltypegoedkeuring werd verleend.

4.9. Voorbeelden van het EG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk voor een met andere lichten gegroepeerd, gecombineerd of samengebouwd licht zijn afgebeeld in figuur 2 van aanhangsel 3.

5. WIJZIGING VAN HET TYPE EN WIJZIGING VAN DE GOEDKEURING

5.1. Bij wijziging van het overeenkomstig deze richtlijn goedgekeurde type zijn de bepalingen van artikel 5 van Richtlijn 70/156/EEG van toepassing.

5.2. Wanneer de typegoedkeuring wordt uitgebreid voor een type retroflector waarvan alleen de kleur anders is, behoeven de overeenkomstig punt 1.3.1.2 verstrekte monsters van alle andere kleuren slechts te voldoen aan de colorimetrische specificaties; de andere proeven behoeven niet te worden herhaald.

Dit punt is niet van toepassing op retroflectoren van klasse IV A.

6. OVEREENSTEMMING VAN DE PRODUCTIE

6.1. Normaal dienen maatregelen te worden genomen overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 70/156/EEG om de overeenstemming van de productie te waarborgen.

6.2. Vanuit mechanisch en geometrisch oogpunt wordt de overeenstemming als voldoende beschouwd indien de verschillen niet groter zijn dan de aan het fabricageproces inherente verschillen.

6.3. De overeenstemming van de productie wordt niet ongeldig indien bij alle fotometrische metingen op een willekeurig gekozen exemplaar minstens 80 % van de voorschreven waarden wordt gehaald.

6.4. Indien niet aan de in punt 6.3 genoemde voorwaarden wordt voldaan, moet een nieuw monster van vijf exemplaren willekeurig worden geselecteerd. Het gemiddelde van alle soortgelijke metingen mag niet beneden de voorschreven waarden liggen en bij geen enkele meting mag het resultaat lager dan 50 % van de voorschreven waarde zijn.

Aanhangsel 1

Inlichtingenformulier nr. . . . betreffende de EG-onderdeeltypegoedkeuring van retroflectoren

>

BEGIN VAN DE GRAFIEK>

(Richtlijn 76/757/EEG, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn . . ./. . ./EG)

De onderstaande gegevens moeten in voorkomend geval in drievoud worden verstrekt en van een inhoudsopgave vergezeld gaan. Eventuele tekeningen worden op een passende schaal met voldoende details in formaat A4 of tot dat formaat gevouwen verstrekt. Op eventuele foto's zijn voldoende details te zien.

Indien de systemen, onderdelen of afzonderlijke technische eenheden elektronisch gestuurde functies hebben, worden gegevens over de prestaties ervan verstrekt.

0. ALGEMENE GEGEVENS

0.1. Merk (firmanaam): .

0.2. Type en algemene handelsbenaming(en): .

0.5. Naam en adres van de fabrikant: .

0.7. In geval van onderdelen en afzonderlijke technische eenheden, plaats en wijze van aanbrenging van het EG-goedkeuringsmerk: .

0.8. Adres(sen) van de assemblagefabriek(en): .

1. BESCHRIJVING VAN DE INRICHTING

1.1. Type inrichting: .

1.1.1. Functie(s) van de inrichting: .

1.1.2. Categorie of klasse waartoe de inrichting behoort: .

1.1.3. Kleur van het uitgestraalde of gereflecteerde licht: .

1.2. Tekening(en) met voldoende details zodat het type inrichting kan worden geïdentificeerd en waaruit blijkt:

1.2.1. op welke geometrische plaats de inrichting op het voertuig moet worden gemonteerd (niet van toepassing op de achterkentekenplaatverlichting): .

1.2.2. de waarnemingsas die bij de proeven wordt gekozen als referentieas (horizontale hoek H = 0°, verticale hoek V = 0°) en het punt dat dient als referentiepunt bij voornoemende proeven (niet van toepassing op retroflectoren en de achterkentekenplaatverlichting): .

1.2.3. de voor het EG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk bestemde ruimte: .

1.2.4. voor de achterkentekenplaatverlichting, de geometrische plaats waar de inrichting wordt gemonteerd ten opzichte van de ruimte die wordt ingenomen door de kentekenplaat, en de omtrek van het oppervlak dat voldoende wordt verlicht: .

1.2.5. voor koplichten en voormistlichten, een vooraanzicht van de lichten met bijzonderheden over eventuele glasribbels en de dwarsdoorsnede: .

1.3. Een korte technische beschrijving, met, behalve voor lichten met niet-vervangbare lichtbronnen, in het bijzonder vermelding van de categorie of categorieën waartoe de voorgeschreven gloeilampen (een of meer van de in Richtlijn 76/761/EEG genoemde) behoren (niet van toepassing op retroflectoren): .

1.4. Specifieke gegevens:

1.4.1. voor de achterkentekenplaatverlichting, een verklaring of de inrichting bestemd is om een lange/brede/lange en brede plaat te verlichten: .

1.4.2. voor koplichten:

1.4.2.1. gegevens waaruit blijkt of de lichten bestemd zijn om zowel te zorgen voor het gedimd licht als het grootlicht of alleen een van deze lichten: .

1.4.2.2. voor het geval het koplicht bestemd is om te zorgen voor het gedimd licht, een indicatie of het licht ontworpen is voor zowel rechts als links verkeer of alleen voor rechts of links verkeer: .

.

1.4.2.3. indien het koplicht is uitgerust met een verstelbare reflector, een indicatie van de montagestand(en) van het koplicht ten opzichte van het wegdek en het middenlangsvlak van het voertuig, indien het koplicht uitsluitend bestemd is om in die stand(en) te worden gebruikt: .

1.4.3. voor breedtelichten, achterlichten, stoplichten en richtingaanwijzers: .

1.4.3.1. of de inrichting ook in een samenstel van twee lichten van dezelfde categorie mag worden gebruikt: .

1.4.3.2. in het geval van een inrichting met twee verschillende lichtintensiteitniveaus (stoplichten en richtingaanwijzers van categorie 2b), een plaatsingsdiagram en vermelding van de eigenschappen van het systeem dat de twee lichtintensiteitniveaus bewerkstelligt: .

1.4.4. voor retroflectoren, een korte beschrijving met technische gegevens over de materialen van de retroflecterende optische eenheid: .

1.4.5. voor achteruitrijlichten, een verklaring waaruit blijkt of de inrichting is bedoeld om uitsluitend paarsgewijs op een voertuig te worden gemonteerd: .

>EIND VAN DE GRAFIEK>

Aanhangsel 2

MODEL (maximumformaat: A4 (210 × 297 mm)) EG-TYPEGOEDKEURINGSFORMULIER

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

Dienststempel

Mededeling betreffende:

- typegoedkeuring (1),

- uitbreiding van de typegoedkeuring (1),

- weigering van de typegoedkeuring (1),

- intrekking van de typegoedkeuring (1),

van een type voertuig/onderdeel/afzonderlijke technische eenheid (1) met betrekking tot Richtlijn . . ./. . ./EEG, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn . . ./. . ./EG.

Goedkeuringsnummer: .

Reden voor uitbreiding: .

DEEL I

0.1. Merk (firmanaam): .

0.2 Type en algemene handelsbenaming(en): .

0.3 Middel tot identificatie van het type, indien het op het voertuig/onderdeel/afzonderlijke technische eenheid is aangegeven (1) (2): .

0.3.1. Plaats van het merkteken: .

0.4. Categorie waartoe het voertuig behoort (1) (3): .

0.5. Naam en adres van de fabrikant: .

0.7. In het geval van onderdelen en afzonderlijke technische eenheden, plaats en wijze van aanbrenging van het EEG-goedkeuringsmerk: .

0.8. Adres(sen) van de assemblagefabriek(en): .

DEEL II

1. Eventuele aanvullende inlichtingen: zie addendum.

2. Met de keuring belaste technische dienst: .

3. Datum van het keuringsrapport: .

4. Nummer van het keuringsrapport: .

5. Eventuele opmerkingen: zie addendum.

6. Plaats: .

7. Datum: .

8. Handtekening: .

9. Bijgaand is een lijst aangehecht van de documenten waaruit het informatiepakket bestaat dat door de goedkeuringsinstantie wordt bewaard. De documenten zijn op aanvraag verkrijgbaar.

(1) Doorhalen wat niet van toepassing is.

(2) Indien de middelen tot identificatie van het type tekens bevatten die niet van betekenis zijn voor de beschrijving van het type voertuig, technische eenheid of onderdeel waarop dit typegoedkeuringsformulier betrekking heeft, moeten dergelijke tekens op het formulier worden weergegeven door het symbool "?" (bijvoorbeeld ABC??123??).(3) Als gedefinieerd in bijlage II, deel A, bij Richtlijn 70/156/EEG.Addendum bij EG-typegoedkeuringsformulier nr. . . .

betreffende de onderdeeltypegoedkeuring van een verlichtings- en/of lichtsignaalinrichting met betrekking tot (de) Richtlijn(en) 76/757/EEG, 76/758/EEG, 76/759/EEG, 76/760/EEG, 76/761/EEG, 76/762/EEG, 77/538/EEG, 77/539/EEG und 77/540/EEG (1), laatstelijk gewijzigd bij (de) Richtlijn(en) . . .

1. AANVULLENDE GEGEVENS

1.1. In voorkomend geval, voor elk licht het volgende aangeven:

1.1.1. de categorie(ën) waartoe de inrichting(en) behoort (behoren): .

1.1.2. het aantal lichtbronnen en de categorie daarvan (niet van toepassing op retroflectoren) (2). .

1.1.3. de kleur van het uitgestraalde of gereflecteerde licht: .

1.1.4. is de goedkeuring uitsluitend verleend voor het gebruik als reserveonderdeel voor reeds in het verkeer gebrachte voertuigen: ja/nee (1).

1.2. Specifieke gegevens voor bepaalde typen verlichtings- of lichtsignaalinrichtingen: .

1.2.1. retroflectoren: afzonderlijk/deel van een samenstel van inrichtingen (1)

1.2.2. achterkentekenplaatverlichting: inrichting bestemd voor de verlichting van een brede/een lange plaat (1).

1.2.3. koplichten: indien het koplicht is uitgerust met een verstelbare reflector, de montagestand(en) van het koplicht ten opzichte van het wegdek en het middenlangsvlak van het voertuig, indien het koplicht uitsluitend bestemd is om in die stand(en) te worden gebruikt: .

1.2.4. achteruitrijlichten: deze inrichting is bedoeld om uitsluitend paarsgewijs te worden op een voertuig gemonteerd: ja/neen (1).

5. OPMERKINGEN

5.1. Tekeningen:

5.1.1. voor de achterkentekenplaatverlichting: op de aangehechte tekening nr. . . . is de geometrische plaats aangegeven waar de inrichting moet worden gemonteerd ten opzichte van de ruimte voor de achterkentekenplaat, alsmede de omtrek van het voldoende verlichte vlak.

5.1.2. voor retroflectoren: op de aangehechte tekening nr. . . . is de geometrische plaats aangegeven waar de inrichting op het voertuig moet worden gemonteerd.

5.1.3. voor alle andere verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen: op de aangehechte tekening nr. . . . is de geometrische plaats aangegeven waar de inrichting op het voertuig moet worden gemonteerd, alsmede de referentieas en het referentiepunt van de inrichting.

5.2. voor koplichten: de tijdens de test ingestelde standen (zie punt 5.2.3.9 van bijlage I van Richtlijn 76/761/EEG): .

(1) Doorhalen wat niet van toepassing is.

(2) Bij lichten met niet-vervangbare lichtbronnen, het aantal en het totale vermogen van de lichtbronnen aangeven.

>EIND VAN DE GRAFIEK>

Aanhangsel 3

VOORBEELDEN VAN HET EG-ONDERDEELTYPEGOEDKEURINGSMERK Figuur 1

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

De inrichting met het hierboven afgebeelde EG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk is een retroflector van klasse IA, die in Duitsland een typegoedkeuring heeft verkregen (e 1) overeenkomstig deze richtlijn (02) met als basisgoedkeuringsnummer 1471.

Figuur 2

Vereenvoudigd merk van gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten wanneer twee of meer lichten deel uitmaken van dezelfde eenheid

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

MODEL B

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

MODEL C

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

NB: De drie voorbeelden van de goedkeuringsmerken, de modellen A, B en C, zijn drie mogelijke varianten van de merktekens voor een verlichtings- en lichtsignaalinrichting, waarbij twee of meer lichten deel uitmaken van dezelfde gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde inrichting. Dit merkteken geeft aan dat de inrichting in Duitsland (e 1) werd goedgekeurd met als basisgoedkeuringsnummer 1712 en bestaat uit:

Een retroflector van klasse IA, goedgekeurd overeenkomstig Richtlijn 76/757/EEG, volgnummer 02.

Een achterrichtingaanwijzer van categorie 2a, goedgekeurd overeenkomstig Richtlijn 76/759/EEG van de Raad (PB nr. L 262 van 27. 9. 1976, blz. 71), volgnummer 01.

Een rood achterlicht (R), goedgekeurd overeenkomstig bijlage II van Richtlijn 76/758/EEG van de Raad (PB nr. L 262 van 27. 9. 1976, blz. 54), volgnummer 02.

Een achtermistlicht (F), goedgekeurd overeenkomstig Richtlijn 77/538/EEG van de Raad (PB nr. L 220 van 29. 8. 1977, blz. 60), volgnummer 00.

Een achteruitrijlicht (AR), goedgekeurd overeenkomstig Richtlijn 77/539/EEG van de Raad (PB nr. L 220 van 29. 8. 1977, blz. 12) volgnummer 00.

Een stoplicht met twee intensiteitsniveaus (S2), goedgekeurd overeenkomstig bijlage II van Richtlijn 76/758/EEG, volgnummer 02.

Een achterkentekenplaatverlichting (L), goedgekeurd overeenkomstig Richtlijn 76/760/EEG van de Raad (PB nr. L 262 van 27. 9. 1976, blz. 85) volgnummer 00.

BIJLAGE II

TOEPASSINGSGEBIED EN TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN

1. TOEPASSINGSGEBIED

Deze richtlijn is van toepassing op retroflectoren voor motorvoertuigen en voor de aanhangwagens daarvan.

2. TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN

2.1. De technische voorschriften zijn die welke zijn opgenomen in de punten 2, 6 en 7 en de bijlagen 1 en 4 t/m 15 van UN-ECE reglement nr. 3 dat uit de volgende geconsolideerde documenten bestaat:

- de 01- en 02-serie amendementen (1);

- supplement 1 op 02-serie amendementen (2);

- supplement 2 op 02-serie amendementen (3);

- supplement 3 op 02-serie amendementen (4),

met dien verstande dat:

2.1.1. wanneer naar "Reglement nr. 48" wordt verwezen, dit dient te worden gelezen als "Richtlijn 76/756/EEG".

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Technische voorschriften van Reglement nr. 3 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties als bedoeld in artikel 3 en in bijlage II, punt 2.1 van Richtlijn 97/29/EG van de Commissie (1) houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 76/757/EEG van de Raad betreffende retroflectoren van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan

2. DEFINITIES (2)

In dit reglement,

2.1 gelden de definities van Reglement nr. 48 en van alle wijzigingen daarvan die ten tijde van het verzoek om typegoedkeuring van kracht zijn.

2.2 Onder "lichtweerkaatsing" door een retroflector verstaat men lichtweerkaatsing die wordt gekenmerkt door weerkaatsing van het licht in de richtingen die om en nabij dezelfde zijn als de richting waaruit het licht afkomstig is. Deze eigenschap blijft behouden bij grote veranderingen van de lichtinvalshoek.

2.3 Onder "retroflectoroptiek" verstaat men een combinatie van optische elementen met behulp waarvan de lichtweerkaatsing door retroflectie wordt verkregen.

2.4 Onder een "retroflectorinrichting" (3) verstaat men een gebruiksklaar geheel dat bestaat uit één of meer retroflectoroptieken.

Opmerking:

2.5 Onder "divergentiehoek" verstaat men de hoek tussen de rechten die het referentiepunt verbinden met het middelpunt van de ontvanger en met het middelpunt van de lichtbron.

2.6 Onder "lichtinvalshoek" verstaat men de hoek tussen de referentieas en de rechte die het referentiepunt verbindt met het middelpunt van de lichtbron.

2.7 Onder "draaiingshoek" verstaat men de hoek waarover de retroflectorinrichting om de referentieas vanuit een bepaalde stand moet worden verdraaid.

2.8 Onder "openingshoek van de retroflectorinrichting" verstaat men de hoek van waaruit het grootste gedeelte van het zichtbare oppervlak van het lichtdoorlatende gedeelte waarneembaar is, hetzij vanuit het middelpunt van de lichtbron, hetzij vanuit het middelpunt van de ontvanger.

2.9 "Verlichtingssterkte van de retroflectorinrichting" is de conventioneel gebruikte verkorte aanduiding van de verlichtingssterkte gemeten in een vlak loodrecht op de invallende stralen, dat loopt door het referentiepunt.

2.10 Onder "lichtsterktecoëfficiënt (LSC)" verstaat men de in de betrokken richting weerkaatste lichtsterkte gedeeld door de verlichtingssterkte van de retroflectorinrichting voor bepaalde lichtinvals-, divergentie- en draaiingshoeken.

2.11 De in dit reglement gebruikte symbolen en eenheden staan vermeld in bijlage I bij dit reglement.

2.12 Een type retroflectorinrichting wordt bepaald door de modellen en de beschrijvende documenten die bij het verzoek om goedkeuring zijn overgelegd. Retroflectorinrichtingen kunnen worden geacht tot hetzelfde type te behoren, wanneer een of meer retroflectoroptieken identiek zijn aan die van het standaardmodel of niet identiek maar symmetrisch zijn en respectievelijk op de linker en rechterkant van het voertuig kunnen worden gemonteerd, en waarvan de bijbehorende delen uitsluitend verschillen vertonen met die van de type-inrichting die niet van invloed zijn op de in dit reglement bedoelde eigenschappen.

2.13 Retroflectorinrichtingen zijn naar gelang van hun fotometrische kenmerken in drie categorieën ingedeeld: klasse 1 A, klasse III A en klasse IV A.

6. ALGEMENE BEPALINGEN

6.1 Retroflectorinrichtingen moeten zodanig zijn geconstrueerd dat de goede werking ervan verzekerd is en blijft, wanneer zij normaal worden gebruikt. Bovendien mogen zij geen enkele constructie- of fabricagefout vertonen die schadelijk is voor de goede werking of voor de duurzaamheid ervan.

6.2 De verschillende samenstellende delen mogen niet met behulp van eenvoudige middelen gedemonteerd kunnen worden.

6.3 Retroflectorinrichtingen mogen niet vervangbaar zijn.

6.4 Het buitenoppervlak van retroflectorinrichtingen moet gemakkelijk kunnen worden gereinigd. Het mag dus geen ruw oppervlak zijn; eventuele uitstekende delen mogen het reinigen niet bemoeilijken.

6.5 Voor inrichtingen van klasse IV A moeten de bevestigingsmiddelen zodanig zijn dat zij een stevige en duurzame verbinding tussen de inrichting en het voertuig mogelijk maken.

7. BIJZONDERE BEPALINGEN (PROEVEN)

7.1 Retroflectorinrichtingen moeten bovendien voldoen aan voorwaarden wat afmetingen en vorm betreft, alsmede aan de in de bijlagen 5 tot en met 11 van dit reglement omschreven colorimetrische, fotometrische, fysische en mechanische eisen.

De beproevingsmethode staat beschreven in de bijlagen 4 (klassen I A en III A) en 14 (klasse IV A).

7.2 Naar gelang van de aard van de in de retroflectorinrichtingen en in het bijzonder in de retroflectoroptieken verwerkte materialen kunnen de bevoegde instanties de laboratoria toestemming verlenen om bepaalde niet noodzakelijke proeven niet uit te voeren, onder uitdrukkelijk voorbehoud dat zulks op het goedkeuringsformulier wordt vermeld onder de rubriek "Opmerkingen".

(1) Ook wel "retroflector(en)" genoemd.

(2) PB nr. L 171 van 30. 6. 1997, blz. 11.

(3) De definities van de technische termen (met uitzondering van deze van Reglement nr. 48) zijn die van de Internationale Commissie voor Verlichtingskunde (CIE)

BIJLAGE 1

Retroflectorinrichtingen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Retroflectoren Symbolen

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

Bovenaanzicht

>EIND VAN DE GRAFIEK>

BIJLAGE 4

Beproevingsmethoden voor de klassen I A en III A

1. De aanvrager moet voor de goedkeuring tien monsters overleggen die beproefd worden in de chronologische volgorde van bijlage 12.

2. Na controle van de algemene bepalingen (punt 6 van het reglement) en van de bepalingen inzake vorm en afmetingen (bijlage 5) worden de tien monsters onderworpen aan de warmtevastheidsproef die in bijlage 10 van dit reglement wordt beschreven en minstens een uur na beëindiging van deze proef aan de controle van de colorimetrische kenmerken (bijlage 6) en van de LSC (bijlage 7) bij een divergentiehoek van 20' en bij een lichtinvalshoek V = H = 0° of indien zulks noodzakelijk is, in de stand als omschreven onder de punten 4 en 4.1 van bijlage 7. De beide retroflectorinrichtingen die de minimale en maximale waarden hebben opgeleverd worden vervolgens volledig beproefd overeenkomstig de aanwijzingen van bijlage 7. Deze beide monsters worden door de laboratoria bewaard voor eventuele latere controles die noodzakelijk mochten blijken. De overige acht monsters worden in vier groepen van twee verdeeld:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

3. De retroflectorinrichtingen van de verschillende groepen moeten na het ondergaan van de onder bovenstaand punt genoemde proeven:

3.1 Een kleur hebben die voldoet aan de bepalingen van bijlage 6. De controle wordt verricht met behulp van een kwalitatieve methode en, in geval van twijfel, bevestigd door middel van een kwantitatieve methode;

3.2 Een LSC hebben die voldoet aan de bepalingen van bijlage 7. De controle vindt uitsluitend plaats bij een divergentiehoek van 20' en bij een lichtinvalshoek V = H = 0° of indien zulks noodzakelijk is in de stand als omschreven in de punten 4 en 4.1 van bijlage 7.

BIJLAGE 5

Bepalingen inzake vorm en afmetingen

1. VORM EN AFMETINGEN VAN RETROFLECTORINRICHTINGEN VAN KLASSE IA

1.1 De vorm van de lichtdoorlatende gedeelten moet eenvoudig zijn en op de gebruikelijke waarnemingsafstand niet kunnen worden verward met een letter, een cijfer of een driehoek.

1.2 Onverminderd het voorgaande punt is een vorm die lijkt op een eenvoudige vorm van de letters en cijfers O, I, U en 8 toegestaan.

2. VORM EN AFMETINGEN VAN RETROFLECTORINRICHTINGEN VAN KLASSE IA (zie het aanhangsel van deze bijlage)

2.1 De lichtdoorlatende gedeelten van retroflectorinrichtingen van klasse III A moeten de vorm hebben van een gelijkzijdige driehoek. Indien in een hoek het opschrift "TOP" is aangebracht, moet de top van die hoek naar boven zijn gericht.

2.2 Het lichtdoorlatend gedeelte mag in het midden een niet-retroflecterend driehoekig gedeelte hebben, waarvan de zijden evenwijdig zijn aan die van de buitendriehoek.

2.3 Het lichtdoorlatende gedeelte kan al dan niet continu zijn. In ieder geval mag de kortste afstand tussen twee naast elkaar geplaatste retroflectoroptieken niet meer dan 15 mm bedragen.

2.4 Het lichtdoorlatende gedeelte van een retroflectorinrichting wordt als continu beschouwd, wanneer de randen van de lichtdoorlatende gedeelten van naburige onafhankelijke retroflectoroptieken evenwijdig zijn en deze optieken gelijkmatig verdeeld zijn over het gehele niet-uitgesneden oppervlak van de driehoek.

2.5 Wanneer het lichtdoorlatende gedeelte niet continu is, mag het aantal onafhankelijke retroflectoroptieken niet minder bedragen dan 4 voor elke zijde van de driehoek met inbegrip van de op de hoeken geplaatste retroflectoroptieken.

2.5.1 De onafhankelijke retroflectoroptieken mogen niet vervangbaar zijn, behalve wanneer zij bestaan uit goedgekeurde retroflectorinrichtingen van klasse I A.

2.6 De lengte van de buitenzijde van het lichtdoorlatende gedeelte van driehoekige retroflectorinrichtingen van klasse III A moet 150 à 200 mm bedragen. Voor inrichtingen van het uitgesneden type moet de breedte van de zijden, loodrecht daarop gemeten gelijk zijn aan ten minste 20 % van de nuttige afstand tussen de uiteinden van het lichtdoorlatende gedeelte.

3. VORM EN AFMETINGEN VAN RETROFLECTORINRICHTINGEN VAN KLASSE IV A

3.1 De vorm van de lichtdoorlatende gedeelten moet eenvoudig zijn en bij de gebruikelijke waarnemingsafstand niet kunnen worden verward met een letter, een cijfer of een driehoek. Een vorm die lijkt op een eenvoudige vorm van de letters en cijfers O, I, U en 8 is evenwel toegestaan.

3.2 Het lichtdoorlatend oppervlak van de retroflectorinrichting moet minstens 25 cm² bedragen.

4. De controle met betrekking tot bovenstaande voorschriften wordt visueel gedaan.

Aanhangsel

RETROFLECTOREN VOOR AANHANGWAGENS - KLASSE III A

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

150 mm ≤ A ≤ 200 mm

B ≥ A 5

C ≤ 15 mm>EIND VAN DE GRAFIEK>

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

Nota: Deze tekeningen zijn uitsluitend ter illustratie gegeven.

BIJLAGE 6

Colorimetrische bepalingen

1. Voor de toepassing van deze bepalingen komen uitsluitend heldere, rode of ambergele retroflectorinrichtingen in aanmerking.

1.1 De retroflectorinrichtingen mogen bestaan uit een combinatie van een retroflectoroptiek en een filter die zo moeten zijn geconstrueerd dat zij onder normale gebruiksomstandigheden onverbrekelijk verbonden zijn.

1.2 Retroflectoroptieken en filters mogen niet met behulp van verf of vernis worden gekleurd.

2. Voor de retroflectorinrichting die wordt verlicht door standaard A van de ICI onder een divergentiehoek van ° en een lichtinvalshoek V = H = 0° of, indien een weerkaatsing op het niet-gekleurde invalsvlak plaatsvindt bij V = ±5°, H = 0°, moeten de trichromatische coördinaten van de teruggekaatste lichtbundel binnen de volgende grenswaarden liggen:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2.1 Voor de kleuren rood en ambergeel wordt aan de hand van een vergelijkende visuele proef nagegaan of aan de colorimetrische bepalingen is voldaan.

2.2 Indien na deze proef twijfel blijft bestaan, wordt nagegaan of aan de colorimetrische bepalingen is voldaan door de trichromatische coördinaten vast te stellen van het monster ten aanzien waarvan de meeste twijfel bestaat.

3. Bij heldere retroflectorinrichtingen mag geen sprake zijn van selectieve weerkaatsing, d.w.z. dat de trichromatische coördinaten "x" en "y" van standaard A die wordt gebruikt voor de verlichting van de retroflectorinrichting geen wijziging mogen ondergaan van meer dan 0,01 na weerkaatsing door de retroflectorinrichting.

3.1 Dit wordt nagegaan aan de hand van de hiervoor aangegeven vergelijkende visuele proef waarbij het vergelijkingsvlak wordt verlicht door middel van lichtbronnen waarvan de trichromatische coördinaten 0,01 afwijken ten opzichte van die van standaard A.

3.2 In geval van twijfel worden de trichromatische coördinaten voor het meest selectieve monster vastgesteld.

BIJLAGE 7

Fotometrische bepalingen

1. Bij de aanvraag van goedkeuring moet de aanvrager de referentieas aanduiden. Deze komt overeen met de lichtinvalshoek V = H = 0° van de tabel van lichtsterktecoëfficiënten (LSC).

2. Voor de fotometrische metingen wordt uitsluitend het lichtdoorlatende gedeelte dat zich bevindt binnen een cirkel met een diameter van 200 mm voor klasse I A in aanmerking genomen en dit gedeelte wordt beperkt tot een oppervlak van maximaal 100 cm², zonder dat het oppervlak van de retroflectoroptieken noodzakelijkerwijs even groot moet zijn als dit oppervlak; de fabrikant moet de omtrek van het te gebruiken oppervlak aanduiden. Voor de klassen III A en IV A wordt het geheel van de lichtdoorlatende gedeelten in aanmerking genomen zonder enige beperking van de afmetingen.

3. WAARDEN VAN DE LSC

3.1 Categorieën I A en III A

3.1.1 De waarden van de LSC van rode retroflectorinrichtingen moeten tenminste gelijk zijn aan de in de onderstaande tabel aangegeven waarden, welke zijn uitgedrukt in millicandela per lux voor de aangegeven divergentie- en lichtinvalshoeken.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Lagere waarden van de LSC dan die in de laatste twee kolommen van bovenstaande tabel kunnen niet worden toegestaan binnen de ruimtehoek waarvan het referentiepunt de top vormt en die wordt begrensd door de vlakken die elkaar snijden volgens de volgende ribben:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

3.1.2 De waarden van de LSC van de ambergele retroflectorinrichtingen van klasse I A moeten minstens gelijk zijn aan de waarden van de tabel van punt 3.1.1 vermenigvuldigd met de coëfficiënt 2,5.

3.1.3 De waarden van de LSC van de kleurloze retroflectorinrichtingen van klasse I A moeten minstens gelijk zijn aan de waarden van de tabel van bovenstaand punt 3.1.1. vermenigvuldigd met de coëfficiënt 4.

3.2 De waarden van de LSC van inrichtingen van de klasse IV A moeten tenminste gelijk zijn aan die in de onderstaande tabel, welke zijn uitgedrukt in millicandela per lux voor de genoemde divergentie- en lichtinvalshoeken.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

4. Wanneer de LSC van een retroflectorinrichting wordt gemeten bij â gelijk aan V = H = 0°, moet worden nagegaan of geen spiegeleffect optreedt door de inrichting enigszins te draaien. Indien dit verschijnsel optreedt, moet de meting worden verricht bij â gelijk aan V = ± 5°, H = 0°. De gekozen stand is de stand die overeenkomt met de minimum LSC voor één van deze standen.

4.1 Bij een lichtinvalshoek â gelijk aan V = H = 0°, of bij de in punt 4 omschreven hoek en bij een divergentiehoek van 20' moeten de retroflectorinrichtingen die niet voorzien zijn van de aanduiding "TOP" om hun referentieas worden gedraaid tot de stand met de minimum LSC, die moet voldoen aan de in punt 3 genoemde waarde. Wanneer de LSC wordt gemeten voor de andere lichtinvals- en divergentiehoeken, wordt de retroflectorinrichting in de stand geplaatst die overeenkomt met deze waarde van å. Wanneer de voorgeschreven waarden niet worden bereikt, mag de inrichting vanuit die stand om de referentieas worden gedraaid tot maximaal 5° naar links of naar rechts.

4.2 Bij een lichtinvalshoek â gelijk aan V = H = 0°, of bij de onder punt 4 omschreven hoek en bij een divergentiehoek van 20' moeten de retroflectorinrichtingen die voorzien zijn van de aanduiding "TOP", 5° naar links of naar rechts om hun referentieas worden gedraaid. In geen enkele van de standen die de retroflector tijdens deze draaiing inneemt mag de LSC lager zijn dan de voorgeschreven waarde.

4.3. Indien voor de richting V = H = 0° en voor å = 0° de LSC ten minste 50 % meer bedraagt dan de voorgeschreven waarde, moeten alle metingen voor alle lichtinvals- en divergentiehoeken worden verricht bij å = 0°.

BIJLAGE 8

Bestandheid tegen invloeden van buitenaf

1. WATERDICHTHEID

1.1 De al dan niet met een licht gecombineerde retroflectorinrichtingen, waarvan de afneembare onderdelen zijn verwijderd, worden gedurende tien minuten ondergedompeld in een waterbad van 50° ±5°C, waarbij het hoogste punt van het bovenste gedeelte van het lichtdoorlatende gedeelte zich op ongeveer 20 mm onder het wateroppervlak bevindt. Deze proef wordt herhaald nadat de retroflectorinrichting 180° is gekeerd zodat het lichtdoorlatende gedeelte onderaan komt en de achterzijde door ongeveer 20 mm water wordt bedekt. De optieken worden vervolgens onmiddellijk en onder dezelfde omstandigheden ondergedompeld in een bad van 25° ±5°C.

1.2 Het water mag niet tot aan de lichtweerkaatsende kant van de retroflectoroptiek binnendringen. Indien bij een visueel onderzoek ondubbelzinnig blijkt dat er water aanwezig is, wordt de inrichting geacht niet aan de proef te hebben doorstaan.

1.3 Indien bij het visuele onderzoek geen water is aangetroffen of indien er twijfel bestaat, wordt de LSC gemeten aan de hand van de onder punt 3.2 van bijlage 4 of punt 4.2 van bijlage 14 omschreven methode na de retroflectorinrichting licht te hebben geschud om het overtollige water aan de buitenkant te verwijderen.

2. CORROSIEVASTHEID

2.1 De retroflectorinrichtingen moeten zo zijn geconstrueerd dat ze ondanks de vochtigheid en de corrosie waaraan ze normaal zijn blootgesteld hun voorgeschreven fotometrische en colorimetrische kenmerken behouden. De bestandheid van de voorkant tegen mat worden en de bestandheid van de bescherming aan de achterkant tegen beschadiging moeten worden gecontroleerd, met name wanneer moet worden gevreesd voor aantasting van een essentieel metalen onderdeel.

2.2 De retroflectorinrichting - of het licht waarmee de inrichting is gecombineerd - waarvan de afneembare onderdelen zijn verwijderd, wordt onderworpen aan de inwerking van zoute nevel gedurende een periode van 50 uur, d.w.z. twee perioden van elk 24 uur met een tussenpauze van 2 uur waarin het monster kan drogen.

2.3 De zoute nevel wordt verkregen door bij 35° ±2° C een zoutoplossing te verstuiven die is verkregen door 20 ±2 gewichtsdelen natriumchloride op te lossen in 80 delen gedistilleerd water dat niet meer dan 0,02 % verontreinigingen bevat.

2.4 Onmiddellijk na afloop van de proef mag het monster geen sporen van uitzonderlijke corrosie vertonen die van invloed kunnen zijn op de goede werking van de inrichting.

3. BESTANDHEID TEGEN MOTORBRANDSTOFFEN

De buitenkant van de retroflectorinrichting en in het bijzonder van het lichtdoorlatende gedeelte wordt licht ingewreven met een stuk katoen gedrenkt in een mengsel van 70 vol % n-heptaan en 30 vol % toluol. Na ongeveer 5 minuten wordt genoemd gedeelte met het blote oog beoordeeld. Het oppervlak mag, afgezien van kleine barstjes, geen zichtbare wijzigingen vertonen.

4. BESTANDHEID TEGEN SMEEROLIËN

De buitenkant van de retroflectorinrichting en in het bijzonder van het lichtdoorlatende gedeelte wordt licht ingewreven met een stuk katoen gedrenkt in detergente smeerolie. Na ongeveer 5 minuten wordt genoemd gedeelte afgeveegd. Vervolgens wordt de LSC gemeten (punt 3.2 van bijlage 4 of punt 4.2 van bijlage 14).

5. BESTANDHEID VAN DE TOEGANKELIJKE ACHTERKANT VAN SPIEGELENDE RETROFLECTORENINRICHTINGEN

5.1 Na de achterzijde van de retroflectorinrichting te hebben afgeborsteld met een harde borstel van nylonhaar, wordt op die achterzijde gedurende 1 minuut een stuk katoen aangebracht gedrenkt in het onder punt 3 genoemde mengsel. Daarna wordt de katoen verwijderd en laat men de retroflectorinrichting drogen.

5.2 Direct na de verdamping wordt een slijtvastheidsproef verricht waarbij de achterkant met bovengenoemde borstel wordt bewerkt.

5.3 Vervolgens wordt de LSC gemeten (punt 3.2 van bijlage 4 of punt 4.2 van bijlage 14) na het gehele spiegelende achteroppervlak met Oostindische inkt te hebben bedekt.

BIJLAGE 9

Duurzaamheid van de optische eigenschappen van retroflectorinrichtingen (1)

1. De instantie die de typegoedkeuring heeft verleend heeft het recht de duurzaamheid van de optische kenmerken van een type van in gebruik zijnde retroflectorinrichtingen te controleren.

2. De bevoegde instanties van de andere lidstaten dan die waar de goedkeuring werd verleend, mogen op hun grondgebied gelijksoortige controles verrichten. Ingeval van systematisch gebrek aan overeenstemming van een bepaald type van in gebruik zijnde retroflector leggen de genoemde instanties de administratie die de goedkeuring heeft verleend eventueel de voor een onderzoek gebruikte onderdelen voor, te zamen met een verzoek om hun oordeel.

3. Bij gebrek aan andere beoordelingsfactoren moet het begrip "systematisch gebrek aan overeenstemming" van een bepaald type van in gebruik zijnde retroflector worden uitgelegd in de zin van punt 6.1 van dit reglement.

Opmerking:

(1) Ondanks het belang van proeven om de duurzaamheid van de optische eigenschappen van retroflectorinrichtingen te controleren, is het bij de huidige stand van de techniek nog niet mogelijk die duurzaamheid vast te stellen aan de hand van laboratoriumproeven van korte duur.

BIJLAGE 10

Warmtevastheid

1. De retroflectorinrichting wordt 48 uur achtereen in een droge atmosfeer op een temperatuur van 65° ±2°C gehouden.

2. Na afloop van de proef mag met het blote oog geen enkele waarneembare vervorming van of barst in de retroflectorinrichting en in het bijzonder van de optische onderdelen worden geconstateerd.

BIJLAGE 11

Kleurvastheid (1)

1. De instantie die de typegoedkeuring heeft verleend heeft het recht de kleurvastheid van een bepaald type van een in gebruik zijnde retroflectorinrichting te controleren.

2. De bevoegde instanties van de andere lidstaten dan die waar de goedkeuring werd verleend, mogen op hun grondgebied gelijksoortige controles verrichten. Ingeval van systematisch gebrek aan overeenstemming van een bepaald type van in gebruik zijnde retroflector leggen de genoemde instanties de administratie die de goedkeuring heeft verleend eventueel de voor een onderzoek gebruikte onderdelen voor, te zamen met een verzoek om hun oordeel.

3. Bij gebrek aan andere beoordelingsfactoren moet het begrip "systematisch gebrek aan overeenstemming" van een bepaald type van in gebruik zijnde retroflector worden uitgelegd in de zin van punt 6.1 van dit reglement.

Opmerking:

(1) Ondanks het belang van proeven om de kleurvastheid van retroflectorinrichtingen te controleren, is het bij de huidige stand van de techniek nog niet mogelijk die kleurvastheid vast te stellen aan de hand van laboratoriumproeven van korte duur.

BIJLAGE 12

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE 13

Slag- en stootvastheid - klasse IV A

1. De retroflectorinrichting wordt op de zelfde manier gemonteerd als op het voertuig maar met de lens horizontaal en naar boven gericht.

2. Laat een gepolijste massieve stalen kogel van 13 mm doorsnede eenmaal loodrecht op het midden van de lens vallen vanaf een hoogte van 0,76 m. Geleiding van de kogel is toegestaan, maar de val moet vrij zijn.

3. Wanneer een retroflector volgens deze methode bij omgevingstemperatuur beproefd wordt mag de lens niet splijten.

BIJLAGE 14

Beproevingsmethoden - klasse IV A

1. De aanvrager moet voor de goedkeuring tien monsters overleggen die beproefd worden in de chronologische volgorde van bijlage 15.

2. Na controle van de algemene eisen (punten 6.1 tot en met 6.5 van het reglement) en van de eisen inzake vorm en afmetingen (bijlage 5) worden de tien monsters onderworpen aan de warmtevastheidsproef (bijlage 10) en minstens een uur na beëindiging van deze proef worden de colorimetrische kenmerken (bijlage 6) en van de LSC (bijlage 7) bij een divergentiehoek van 20' en bij een lichtinvalshoek V = H = 0° of indien zulks noodzakelijk is, in de stand als omschreven in bijlage 7 gecontroleerd. De beide retroflectorinrichtingen die de minimale en maximale waarden hebben opgeleverd worden vervolgens volledig beproefd overeenkomstig de aanwijzingen van bijlage 7. Deze beide monsters worden door de laboratoria bewaard voor eventuele latere controles die noodzakelijk mocht blijken.

3. Vier willekeurig uit de acht overblijvende monsters gekozen monsters worden in twee groepen van twee verdeeld.

Eerste groep:

De twee monsters worden achtereenvolgens onderworpen aan de waterdichtheidsproef (punt 1 van bijlage 8) en vervolgens, indien deze proef een bevredigend resultaat oplevert, aan de proef betreffende de bestandheid tegen motorbrandstoffen en smeeroliën (punten 3 en 4 van bijlage 8)

Tweede groep:

De twee monsters worden in voorkomend geval onderworpen aan de corrosieproef (punt 2 van bijlage 8), daarna wordt overgegaan tot de slijtvastheidsproef voor de achterkant van de retroflectorinrichting (punt 5 van bijlage 8). Beide monsters worden eveneens onderworpen aan de stootproef (bijlage 13)

4. De retroflectorinrichtingen van de verschillende groepen moeten na het ondergaan van de onder bovenstaand punt genoemde proeven:

4.1 Een kleur hebben die voldoet aan de bepalingen van bijlage 6. De controle wordt verricht aan de hand van een kwalitatieve methode en, indien echt twijfel bestaat, bevestigd door middel van een kwantitatieve methode;

4.2 Een LSC hebben die voldoet aan de bepalingen van bijlage 7. De controle vindt uitsluitend plaats bij een divergentiehoek van 20' en bij een lichtinvalshoek V = H = 0° of indien zulks noodzakelijk is in de stand als omschreven in bijlage 7.

5. De vier overige monsters mogen eventueel voor andere doeleinden worden gebruikt.

BIJLAGE 15

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Top