This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62024CN0279
Case C-279/24, Liechtensteinische Landesbank: Request for a preliminary ruling from the Oberster Gerichtshof (Austria), lodged on 22 April 2024 – AY v Liechtensteinische Landesbank (Österreich) AG
Zaak C-279/24, Liechtensteinische Landesbank: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk) op 22 april 2024 – AY / Liechtensteinische Landesbank (Österreich) AG
Zaak C-279/24, Liechtensteinische Landesbank: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk) op 22 april 2024 – AY / Liechtensteinische Landesbank (Österreich) AG
PB C, C/2024/4573, 29.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/4573/oj (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
|
Publicatieblad |
NL C-serie |
|
C/2024/4573 |
29.7.2024 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk) op 22 april 2024 – AY / Liechtensteinische Landesbank (Österreich) AG
(Zaak C-279/24, Liechtensteinische Landesbank)
(C/2024/4573)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Oberster Gerichtshof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: AY
Verwerende partij: Liechtensteinische Landesbank (Österreich) AG
Prejudiciële vragen
|
1. |
Moeten de rechtsgevolgen van aankooporders van financiële producten die een in staat A (in casu Italië) woonachtige consument op grond van een vaste zakelijke relatie verstrekt aan een in staat B (in casu Oostenrijk) gevestigde bank worden beoordeeld volgens het recht dat blijkt uit artikel 6 van verordening (EG) nr. 593/2008 (Rome I-verordening) (1) indien er aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 6 van de Rome I-verordening was voldaan bij het verstrekken van afzonderlijke orders, maar niet al bij het aangaan van de zakelijke relatie en partijen op dat tijdstip voor de gehele zakelijke relatie krachtens artikel 3 van de Rome I-verordening het recht van staat B hadden gekozen? |
|
2. |
Indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord: Is de uitzondering van artikel 6, lid 4, onder a), van de Rome I-verordening toepasselijk wanneer een bank op grond van een overeenkomst rekeningen opent voor een in een andere lidstaat woonachtige consument en vervolgens op grond van orders van de consument voor hem financiële producten aankoopt die worden geregistreerd in de rekeningen, waarbij de consument de orders (ook) door middel van communicatie op afstand kan verstrekken? |
|
3. |
Indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend en de tweede prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord: Moet een rechtskeuze die is gemaakt voordat er aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 6 van de Rome I-verordening is voldaan, worden aangemerkt als oneerlijk in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG (richtlijn oneerlijke bedingen) (2) nadat aan die voorwaarden is voldaan, indien er niet is gewezen op de rechtsgevolgen van artikel 6, lid 2, van de Rome I-verordening? |
(1) Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (PB 2008, L 177, blz. 6).
(2) Richtlijn van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).
ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/4573/oj
ISSN 1977-0995 (electronic edition)