Use quotation marks to search for an "exact phrase". Append an asterisk (*) to a search term to find variations of it (transp*, 32019R*). Use a question mark (?) instead of a single character in your search term to find variations of it (ca?e finds case, cane, care).
Richtlijn 2010/63/EU bevat maatregelen ter bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt, met inbegrip van dieren die voor fundamenteel en toegepast onderzoek worden gebruikt, met name voor de productie van medische producten voor mens en dier en voor het testen van de veiligheid en doeltreffendheid van producten en stoffen.
Met de richtlijn worden ook beschermende maatregelen ingevoerd voor dieren die worden gebruikt in het hoger onderwijs of bij beroepsopleidingen.
De richtlijn is een belangrijke stap in de richting van het uiteindelijke doel van de volledige vervanging van procedures voor levende dieren voor wetenschappelijke en onderwijsdoeleinden, zodra dit wetenschappelijk mogelijk is.
De richtlijn voorziet in de vervanging en intrekking van Richtlijn 86/609/EEG.
KERNPUNTEN
Om proefdieren te beschermen en verdere vooruitgang te kunnen boeken met onderzoek, zijn deze maatregelen erop gericht dierproeven tot een absoluut minimum te beperken en verplichte normen met betrekking tot het gebruik, de huisvesting en de verzorging van proefdieren vast te stellen. Strenge normen op het gebied van dierenwelzijn komen zowel de dieren als de wetenschap ten goede.
Toepassingsgebied
De richtlijn is van toepassing op alle levende niet-menselijke gewervelde dieren en op bepaalde ongewervelden die waarschijnlijk pijn voelen (inktvissen, octopussen enz.).
Er gelden beperkingen voor het gebruik van niet-menselijke primaten voor proeven en het gebruik van mensapen (chimpansees, bonobo’s, gorilla’s en orang-oetangs) is verboden.
Gebieden waarop dierproeven plaatsvinden
Dierproeven zijn uitsluitend toegestaan in procedures met als doel:
fundamenteel onderzoek;
omzettinggericht of toegepast onderzoek gericht op voorkoming, diagnose of behandeling van ziekten bij mensen of dieren;
de ontwikkeling, vervaardiging of beproeving van de kwaliteit, doeltreffendheid en veiligheid van geneesmiddelen, levensmiddelen en diervoeders, chemicaliën enz.;
bescherming van het milieu in het belang van de gezondheid van mens of dier;
onderzoek gericht op het behoud van soorten;
hoger onderwijs of opleiding;
forensisch onderzoek.
Evaluatie van projecten waarin experimenten met dieren plaatsvinden
Het gebruik van dieren voor experimentele doeleinden is toegestaan in gevallen waarin er geen bevredigende alternatieve methode bestaat.
Projecten waarin experimenten met levende dieren plaatsvinden, moeten door de bevoegde instantie worden beoordeeld. Een project mag pas van start gaan als het positief is beoordeeld, waarbij is aangetoond dat het gebruik van dieren is gerechtvaardigd en dat de verwachte voordelen zwaarder wegen dan de schade die de dieren wordt toegebracht, met inachtneming van ethische overwegingen.
Het aantal dieren dat in een project wordt gebruikt, moet tot een minimum worden beperkt, zonder de doelstellingen van het project in het gedrang te brengen.
De leefomstandigheden en de in de procedures gebruikte methoden moeten elke onnodige vorm van pijn, lijden en angst bij de dieren tot het minimum beperken.
Dierenwelzijn
Dieren die voor experimentele doeleinden worden gebruikt, moeten een juiste verzorging en behandeling krijgen.
Inrichtingen dienen ervoor te zorgen:
dat dieren worden gehuisvest in kooien die groot genoeg zijn en in een omgeving die op de betreffende soort is afgestemd, overeenkomstig de normen in bijlage III van de richtlijn.
dat sociale dieren worden samen gehuisvest in kooien en dat “verrijkingstechnieken” worden toegepast om het spectrum van activiteiten van de dieren te vergroten, waardoor met name lichaamsbeweging, exploratief gedrag en cognitieve activiteiten overeenkomstig hun natuurlijke gedrag worden gestimuleerd.
dat een instantie voor dierenwelzijn wordt ingesteld die advies verstrekt over dierenwelzijnskwesties en over nieuwe manieren voor de vervanging, vermindering en verfijning van het gebruik van dieren (bekend als het beginsel van de “drie V”s’). Deze instantie omvat de persoon die verantwoordelijk is voor het welzijn van de dieren en wordt geadviseerd door een officieel aangewezen dierenarts. Het werk van deze instanties wordt ondersteund door de nationale comités die door elke EU-lidstaat zijn ingesteld voor de bescherming van de gebruikte dieren.
De methoden voor het doden moeten pijn, lijden en angst bij de dieren beperken. Dieren mogen uitsluitend worden gedood door een persoon met de vereiste vaardigheden, in de inrichting van de fokker, leverancier of gebruiker en overeenkomstig de in bijlage IV van de richtlijn opgenomen methoden.
Meer in het algemeen moeten alle individuen die met de dieren omgaan over de juiste opleiding en ervaring beschikken. Hun bekwaamheid moet worden beoordeeld voordat ze zonder toezicht mogen werken.
Procedures
De enige toegelaten procedures zijn die welke zijn goedgekeurd als onderdeel van een toegelaten project.
Procedures:
worden ingedeeld naar ernst, op basis van bijlage VIII van de richtlijn;
moeten worden uitgevoerd onder verdoving of met gebruikmaking van een andere methode zoals pijnstilling, behalve als dat niet mogelijk of passend is of als verdoving voor het dier traumatischer wordt geacht dan de procedure zelf.
Voor zover mogelijk moet het leven van het dier worden gespaard. De procedures zijn zo opgezet dat zo weinig mogelijk dieren sterven en de duur en intensiteit van het lijden wordt beperkt.
Hergebruik van een dier is een manier om het totale aantal proefdieren te verminderen. Voordat een dier wordt hergebruikt, moet rekening worden gehouden met de werkelijke ernst van de procedures tezamen, de gezondheid van het dier en de mening van de dierenarts.
Aan het einde van een procedure moet de dierenarts of een bevoegd persoon beslissen of het dier in leven kan worden gehouden. Dieren die in leven worden gehouden, moeten passende verzorging en huisvesting krijgen zoals omschreven in bijlage III.
Machtiging
Fokkers, leveranciers en gebruikers en hun respectieve inrichtingen moeten over een vergunning van een bevoegde instantie beschikken en bij die instantie zijn geregistreerd.
Inrichtingen met een vergunning moeten beschikken over installaties en voorzieningen die geschikt zijn voor de daar gehuisveste diersoorten en, indien er procedures plaatsvinden, voor de uitvoering van de procedures.
Zij moeten beschikken over registers waarin zij alle nieuwe kennis bijhouden over de dieren, hun herkomst en waarvoor zij worden gehouden. Deze gegevens worden vijf jaar lang bewaard en openbaar gemaakt.
Daarnaast moet voor elke hond, kat en niet-menselijke primaat een individueel identificatie- en levensloopdossier worden bijgehouden dat alle relevante gegevens bevat over de voortplantingsactiviteit, de diergeneeskundige toestand en het sociaal gedrag van het dier in kwestie en over de projecten waarin het is gebruikt.
Inspecties
De bevoegde instanties voeren bij alle fokkers, leveranciers en gebruikers en hun respectieve inrichtingen regelmatige inspecties uit, om ervoor te zorgen dat aan de voorschriften van deze richtlijn wordt voldaan.
De frequentie van de inspecties wordt bepaald aan de hand van het specifieke risico van elke inrichting. Ten minste een derde van de inrichtingen van gebruikers wordt evenwel elk jaar geïnspecteerd en een deel van deze inspecties wordt uitgevoerd zonder waarschuwing.
Fokkers, leveranciers en gebruikers van niet-menselijke primaten worden ten minste eenmaal per jaar geïnspecteerd.
Transparantie
EU-lidstaten moeten elk jaar statistische gegevens over het gebruik van dieren in procedures verzamelen en openbaar maken, met inbegrip van gegevens over de werkelijke ernst van de procedures en over de herkomst van de in procedures gebruikte niet-menselijke primaten en de soorten waartoe deze behoren.
Daarnaast moet lidstaten, binnen zes maanden na toelating, niet-technische samenvattingen (NTS) van toegelaten projecten bekendmaken. Niet-technische samenvattingen mogen de anonimiteit van de gebruikers niet in het gedrang brengen.
Lidstaten kunnen eisen dat in deze samenvattingen wordt vermeld of een project aan een beoordeling achteraf zal worden onderworpen en binnen welke termijn. De lidstaten dragen er in dat geval zorg voor dat de samenvatting wordt bijgewerkt met de resultaten van die beoordeling.
De lidstaten moeten de Commissie uiterlijk op en vervolgens iedere vijf jaar, de informatie toezenden over de uitvoering van deze richtlijn. Deze informatie moet worden ingediend en gepubliceerd in het format zoals vastgesteld in Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/569. Uiterlijk zes maanden later moet de Commissie, op basis van de gegevens, een EU-breed overzicht publiceren en dit vervolgens regelmatig actualiseren.
Lidstaten moeten jaarlijks statistische informatie verzamelen en openbaar maken over het gebruik van dieren in procedures, met inbegrip van informatie over de werkelijke ernst van de procedures en over de herkomst van de in procedures gebruikte niet-menselijke primaten en de soorten waartoe deze behoren. De lidstaten moeten deze statistische gegevens uiterlijk op 10 november van het volgende jaar bij de Commissie indienen in een door de Commissie vastgesteld format. De Commissie publiceert een jaarlijks samenvattend verslag over de door de lidstaten ingediende statistische gegevens.
Wijzigingen
De bijlagen III en IV zijn gewijzigd door Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2024/1262. De wijzigingen betreffen voornamelijk zebravissen, zangvogels en koppotigen.
VANAF WANNEER TREDEN DE REGELS IN WERKING?
Richtlijn 2010/63/EU moest per in nationaal recht zijn omgezet. Deze regels zijn sinds van toepassing.
Gedelegeerde Wijzigingsrichtlijn (EU) 2024/1262 moet per in nationaal recht zijn omgezet. De regels zijn van kracht vanaf .
Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad van betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PB L 276 van , blz. 33-79).
Achtereenvolgende wijzigingen aan Richtlijn 2010/63/EG werden in de basistekst opgenomen. Deze geconsolideerde versie is enkel van documentaire waarde.
GERELATEERDE DOCUMENTEN
Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2024/1262 van de Commissie van tot wijziging van Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de voorschriften voor inrichtingen en voor de verzorging en de huisvesting van dieren, en wat betreft de methoden voor het doden van dieren (PB L 2024/1262 van ).
Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/569 van de Commissie van tot vaststelling van een gemeenschappelijk format en gemeenschappelijke inhoud voor de indiening van de informatie die door de lidstaten moet worden gerapporteerd overeenkomstig Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt en tot intrekking van Uitvoeringsbesluit 2012/707/EU van de Commissie (PB L 129 van , blz. 16-50).
Aanbeveling 2007/526/EG van de Commissie van betreffende richtsnoeren voor de huisvesting en verzorging van dieren die voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PB L 197 van , blz. 1-89).