This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52010PC0378
Proposal for a DIRECTIVE OF THE EUROPEAN PARLIAMENT AND OF THE COUNCIL on conditions of entry and residence of third-country nationals in the framework of an intra-corporate transfer
Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming
Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming
/* COM/2010/0378 def. */
Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming /* COM/2010/0378 def. */
NL || EUROPESE COMMISSIE Brussel, 13.7.2010 COM(2010) 378 definitief 2010/0209 (COD) Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN
DE RAAD betreffende de voorwaarden voor toegang en
verblijf van onderdanen van derde landen in het kader van een overplaatsing
binnen een onderneming {SEC(2010) 884}
{SEC(2010) 885}
TOELICHTING 1) Achtergrond van het voorstel · Motivering en doel van het voorstel Dit voorstel maakt deel uit van de maatregelen
die de EU neemt voor de ontwikkeling van een integraal immigratiebeleid.
"Legale migratie zal een grote rol spelen bij het versterken van de
kenniseconomie in Europa en bij de bevordering van de economische ontwikkeling
en aldus bijdragen aan de uitvoering van de Lissabon-strategie", stelt het
Haags programma van november 2004, waarin de Commissie wordt verzocht met een
beleidsplan over legale migratie te komen "waarin toelatingsprocedures
zijn opgenomen waarmee snel kan worden ingespeeld op wisselingen in de vraag naar
arbeidsmigranten op de arbeidsmarkt". De daaropvolgende mededeling van de Commissie
van december 2005 over het Beleidsplan legale migratie
(COM(2005) 669) stelde in het vooruitzicht dat tussen 2007 en 2009 vijf
wetgevingsvoorstellen over arbeidsmigratie zouden worden goedgekeurd, waaronder
een voorstel voor een richtlijn betreffende binnen een onderneming
overgeplaatste personen. Het Europees Pact inzake immigratie en asiel,
dat op 15 en 16 oktober 2008 door de Europese Raad werd goedgekeurd, geeft
uiting aan het vaste voornemen van de Europese Unie en haar lidstaten om een
rechtvaardig, doeltreffend en samenhangend beleid te voeren bij het omgaan met
de uitdagingen en kansen die uit migratie voortvloeien. In het programma van Stockholm, dat op 10 en
11 december 2009 door de Europese Raad werd aangenomen, wordt erkend dat
arbeidsimmigratie kan bijdragen tot meer concurrentievermogen en economische
vitaliteit en dat een flexibel immigratiebeleid, in de context van de grote
demografische uitdagingen waarvoor de Unie zal komen te staan met een stijgende
vraag naar arbeid, een belangrijke bijdrage zal leveren tot de economische
ontwikkeling en prestaties van de EU op lange termijn. De Commissie en de Raad
wordt bijgevolg verzocht het Beleidsplan legale migratie van 2005 te blijven
uitvoeren. De voorstellen betreffende hooggekwalificeerde
werknemers ("Europese blauwe kaart") en voor een algemene
kaderrichtlijn werden in oktober 2007 ingediend[1].
De Raad keurde het eerste voorstel goed op 25 mei 2009; het tweede wordt momenteel
besproken in het Europees Parlement en de Raad. Gelet op de problemen die ondernemingen
ondervinden als gevolg van de complexiteit en diversiteit van de regelgeving,
heeft deze richtlijn in de eerste plaats ten doel de overdracht van
deskundigheid binnen een onderneming (zowel naar de EU als binnen de EU) te
vergemakkelijken ter versterking van het concurrentievermogen van de
EU-economie en ter aanvulling van de andere maatregelen die de EU neemt om de
doelstellingen van de Europa 2020-strategie te verwezenlijken. Het doel is met
name efficiënt en snel in te spelen op de behoefte aan leidinggevende en
gekwalificeerde werknemers voor filialen en dochterondernemingen van
multinationale ondernemingen door voor deze categorie werknemers transparante
en geharmoniseerde toelatingsvoorwaarden vast te stellen, door meer
aantrekkelijke voorwaarden voor een tijdelijk verblijf van binnen een
onderneming overgeplaatste personen en hun gezinsleden vast te stellen, en door
het efficiënt (opnieuw) inzetten van deze personen in verschillende EU‑entiteiten
te bevorderen. Het bereiken van dit doel zou er ook toe bijdragen dat de
internationale EU‑verbintenissen inzake handel worden in acht genomen,
met inbegrip van specifieke regelingen met betrekking tot binnen een onderneming
overgeplaatste personen. Voor de bevordering van dergelijke
grensoverschrijdende bewegingen zijn eerlijke concurrentie, eerbiediging van de
rechten van werknemers, waaronder een veilige rechtspositie voor binnen een
onderneming overgeplaatste personen, noodzakelijk. · Algemene context Ten gevolge van de globalisering van
ondernemingen, de toenemende internationale handel, de groei en verspreiding
van multinationals en de voortdurende herstructurering en consolidatie van vele
sectoren, is het voor multinationale ondernemingen in de afgelopen jaren steeds
belangrijker geworden om leidinggevende en technische werknemers van hun
filialen en dochterondernemingen voor opdrachten van korte duur tijdelijk over
te plaatsen naar andere eenheden van de onderneming. Het is van essentieel
belang dat ondernemingen in staat zijn sneller te reageren op nieuwe
uitdagingen, knowhow te verschaffen aan toekomstige leidinggevenden en de
kwalificaties te harmoniseren in elk land waar de betrokken ondernemingen actief
zijn. Ook voor nieuwe ontwikkelingen op het gebied van arbeidsorganisatie en
voor personeelsverschuivingen binnen ondernemingen is meer mobiliteit
noodzakelijk. Momenteel ondervinden internationale
ondernemingen echter een aantal belemmeringen die de mobiliteit van binnen een
onderneming overgeplaatste personen beperken. Talrijke multinationals die
werknemers willen overplaatsen krijgen te maken met een gebrek aan
flexibiliteit en barrières, waaronder het ontbreken van duidelijke, specifieke
regelingen in de meeste EU-lidstaten, complexe voorwaarden, kosten,
vertragingen bij de afgifte van visa of arbeidsvergunningen en onzekerheid over
de toepasselijke regels en procedures. Bovendien bestaan er tussen de lidstaten
grote verschillen op het vlak van toelatingsvoorwaarden en de rechten van
gezinsleden. · Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied De resolutie van de Raad van 1994 inzake de
beperking van de toelating van onderdanen van derde landen tot het grondgebied
van de lidstaten met het oog op tewerkstelling[2],
die is aangenomen op grond van artikel K.1 van het EG-Verdrag, is het
EU-instrument met betrekking tot de voorwaarden voor toelating van binnen een
onderneming overgeplaatste personen met het oog op het verrichten van diensten.
Die resolutie bevat definities en beginselen voor de toelating van deze
categorie migranten. Ook Richtlijn 96/71/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling
van werknemers met het oog op het verrichten van diensten heeft gevolgen voor
dit voorstel, aangezien in artikel 1, lid 4, het volgende wordt
bepaald: "Ondernemingen die gevestigd zijn in een land dat geen
lidstaat is, mogen geen gunstiger behandeling krijgen dan in een lidstaat
gevestigde ondernemingen". Dit voorstel zorgt er bijgevolg voor dat
ondernemingen die gevestigd zijn in een land dat geen lidstaat is en die in een
lidstaat werknemers ter beschikking stellen om binnen een onderneming diensten
te verrichten geen concurrentievoordeel hebben. De verbintenissen van de EU-25 in het kader
van de Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten (GATS)[3] maken de overplaatsing van personen binnen
een onderneming mogelijk in de dienstensector en in de context van de
verrichting van diensten, zonder toetsing van de economische behoeften en
doorgaans voor maximaal drie jaar (voor leidinggevenden en specialisten) of een
jaar (voor afgestudeerde stagiairs), op voorwaarde dat zij voldoen aan de in de
desbetreffende lijst omschreven vereisten, zoals reeds een jaar werkzaam zijn
bij de betrokken onderneming. De associatieovereenkomst tussen de EU en Chili
van 2002 en de met de CARIFORUM-landen gesloten economische
partnerschapsovereenkomst (EPO) van 2008, bevatten ook bepalingen inzake
overplaatsingen binnen een onderneming, die zijn gebaseerd op de in het kader
van de GATS vastgestelde voorschriften. Noch de handelsverbintenissen in het
kader van de GATS noch de bilaterale overeenkomsten hebben tot doel de
voorwaarden voor toegang, verblijf en werk in detail te regelen. In Richtlijn 2003/86/EG van de Raad
van 22 september 2003 wordt vastgesteld onder welke voorwaarden het recht op
gezinshereniging kan worden uitgeoefend. Het huidige voorstel bevat gunstiger
voorwaarden inzake gezinshereniging en gaat dus verder dan die richtlijn. Het in Verordening (EG) 1030/2002 vastgestelde
model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen geldt ook in het
kader van dit voorstel. In Richtlijn 2005/71/EG van de Raad van 12
oktober 2005 betreffende een specifieke procedure voor de toelating van
onderdanen van derde landen met het oog op wetenschappelijk onderzoek, zijn de
voorwaarden vastgesteld voor de toelating van onderzoekers van derde landen tot
de lidstaten voor het verrichten van een onderzoeksproject in het kader van een
gastovereenkomst met onderzoeksorganisaties die voor dat doel door de betrokken
lidstaat zijn erkend. Om overlappingen tussen de toepassingsgebieden van beide
rechtsinstrumenten te vermijden en om een samenhangend geheel van voorschriften
voor onderzoekers van derde landen te behouden, is in dit voorstel
uitdrukkelijk bepaald dat het niet van toepassing is op onderdanen van derde
landen die een aanvraag indienen om als onderzoeker in de zin van Richtlijn
2005/71/EG in een lidstaat te mogen verblijven om daar een onderzoeksproject
uit te voeren. Bovendien voorziet het voorstel voor een
kaderrichtlijn[4],
dat op 23 oktober 2007 is ingediend (COM(2007) 638), in twee uitsluitingen:
personen die een lidstaat binnenkomen op grond van verplichtingen uit hoofde
van een internationale overeenkomst die de toegang en het tijdelijke verblijf
van bepaalde categorieën natuurlijke personen in verband met handel en
investeringen gemakkelijker maakt; en onderdanen van derde landen die ter
beschikking worden gesteld, ongeacht of hun onderneming gevestigd is in een
lidstaat of een derde land. Personen die binnen een onderneming worden
overgeplaatst op basis van een arbeidsovereenkomst met een onderneming uit een
derde land en waarbij personen een lidstaat binnenkomen op grond van de hierboven
vermelde verplichtingen, worden derhalve uitgesloten van het toepassingsgebied
van dit instrument en zijn bijgevolg onderworpen aan specifieke regelingen. De "blauwekaartrichtlijn" voorziet
in dezelfde uitsluiting als de kaderrichtlijn wat de personen betreft die onder
handelsovereenkomsten vallen. Bovendien moeten aanvragers een
arbeidsovereenkomst overleggen. Binnen een onderneming overgeplaatste personen
vallen derhalve buiten het toepassingsgebied van die richtlijn. · Samenhang met andere EU-beleidsgebieden en -doelstellingen Maatregelen om hooggekwalificeerde onderdanen
van derde landen (zoals personeelsleden met een sleutelpositie van
multinationals) aan te trekken, maken deel uit van het bredere kader dat wordt
geschetst in de Europa 2020-strategie, die als doel heeft in de Unie een op
kennis en innovatie gebaseerde economie tot stand te brengen, de
administratieve lasten voor ondernemingen te verminderen, en vraag en aanbod op
de arbeidsmarkt beter op elkaar af te stemmen. Het vergemakkelijken van overplaatsingen
binnen een onderneming is ook een doelstelling van het EU-handelsbeleid. Dit voorstel strookt met de grondrechten, met
name met de artikelen 15, 21 en 31 (rechtvaardige en gelijke behandeling),
artikel 12 (vrijheid van vereniging en vergadering), artikel 34 (sociale
zekerheid) en artikel 7 (eerbiediging van het privéleven en van het familie- en
gezinsleven) van het Handvest van de grondrechten, aangezien het voorstel het
beginsel van gelijke behandeling van binnen een onderneming overgeplaatste
personen erkent en waarborgt en voorziet in procedurele waarborgen en het recht
op een gezinsleven. Persoonsgegevens die de autoriteiten bij de
tenuitvoerlegging van dit voorstel moeten behandelen, moeten worden verwerkt
overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG betreffende de bescherming van
natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens. 2)
Raadpleging van belanghebbende partijen en effectbeoordeling ·
Raadpleging van belanghebbende partijen Wijze van raadpleging, belangrijkste geraadpleegde sectoren en algemeen profiel van de respondenten In het kader van het groenboek "over het beheer van de economische migratie: een EU‑aanpak" is een openbare raadpleging gehouden, met onder meer een openbare hoorzitting op 14 juni 2005. Verder zijn raadplegingen gehouden door middel van studiebijeenkomsten en workshops. De lidstaten zijn geraadpleegd in het Comité voor immigratie en asiel van de Commissie. In het kader van de externe studie waartoe opdracht werd gegeven ter ondersteuning van de effectbeoordeling, werden de belangrijkste belanghebbenden verder geraadpleegd door middel van vragenlijsten en interviews. Samenvatting van de reacties en hoe daarmee rekening is gehouden Uit de analyse van de 130 bijdragen die tijdens de openbare raadplegingen werden ingediend, is naar voren gekomen dat er algemene steun bestaat voor een gemeenschappelijk EU-beleid inzake economische immigratie, maar dat de meningen over de te volgen aanpak en het te verwachten eindresultaat sterk uiteenlopen. Een ander punt dat duidelijk naar voren kwam was de vraag naar eenvoudige, niet-bureaucratische en flexibele oplossingen. Omdat een groot aantal lidstaten gekant was tegen een horizontale aanpak, was de Commissie van mening dat een sectorale benadering realistischer was en beter zou beantwoorden aan de vraag naar flexibiliteit. · Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid Er behoefde geen beroep te worden gedaan op
externe deskundigheid. · Effectbeoordeling De volgende opties zijn overwogen: Optie 1: status quo. De huidige ontwikkelingen in de lidstaten worden voortgezet, binnen
het bestaande rechtskader. Dit zou evenwel betekenen dat de EU als geheel
weinig aantrekkelijk zou zijn voor ondernemingen, die nog steeds moeilijkheden
zouden ondervinden om hun personeel op de meest efficiënte manier in te zetten,
terwijl de behoefte aan hooggekwalificeerde interne werknemers stijgt. Optie 2: richtlijn betreffende de
voorwaarden voor toegang en verblijf van binnen een onderneming overgeplaatste
personen. De EU-wetgeving zou voorzien in een
gemeenschappelijke definitie van het begrip binnen een onderneming
overgeplaatste persoon, door zich te richten op een aantal specifieke functies
binnen transnationale ondernemingen (cfr. de aan de GATS gehechte lijsten), of
door de omschrijving van personeel met een sleutelpositie op basis van salaris-
en getuigschriftvereisten (cfr. de blauwekaartrichtlijn). In de richtlijn
zouden ook geharmoniseerde criteria voor toegang, een gemeenschappelijk pakket
rechten, de maximale verblijfsduur en bepalingen met betrekking tot bepaalde
sociale en economische rechten worden vastgesteld. Deze optie zou een
transparanter juridisch kader tot stand brengen. De procedureregels zouden
echter nog steeds verschillen van lidstaat tot lidstaat en de gezinsrechten en
de mobiliteit binnen de EU zouden niet worden geregeld. Optie 3: richtlijn die voorziet in
mobiliteit binnen de EU voor binnen een onderneming overgeplaatste personen. Naast de in optie 2 vermelde punten zouden bepalingen worden opgenomen
om binnen een onderneming overgeplaatste personen de mogelijkheid te geven zich
binnen de EU te verplaatsen en in verschillende vestigingen in diverse
lidstaten te werken. Een snelle en eenvoudige overplaatsing vanuit
ondernemingen in derde landen naar EU‑ondernemingen zou evenwel niet
worden gewaarborgd en gezinskwesties zouden niet worden geregeld. Optie 4: richtlijn ter vergemakkelijking
van gezinshereniging en van de toegang tot werk voor echtgenoten. In afwijking van Richtlijn 2003/86/EG zou aan gezinshereniging
niet de voorwaarde worden verbonden dat de binnen een onderneming
overgeplaatste persoon een permanent verblijfsrecht krijgt en dat hij of zij al
gedurende een bepaalde minimumperiode in de lidstaat verblijft.
Verblijfsvergunningen voor gezinsleden zouden sneller worden verleend en
lidstaten zouden met betrekking tot de toegang tot de arbeidsmarkt de termijn
van twaalf maanden niet mogen toepassen. Bijgevolg zouden ondernemingen
gemakkelijker binnen een onderneming overgeplaatste personen kunnen aantrekken.
Het recht op werk voor echtgenoten zou evenwel in strijd kunnen zijn met het in
de toetredingsakten neergelegde beginsel van EU-preferentie. Optie 5: richtlijn waarin
gemeenschappelijke toelatingsprocedures worden vastgesteld. Een enkel document zou worden afgegeven, op grond waarvan de houder
als een binnen een onderneming overgeplaatste persoon mag werken en op het
grondgebied van de betrokken lidstaat mag verblijven. Daarnaast zou een
maximumtermijn voor de behandeling van aanvragen worden vastgesteld (bijvoorbeeld
een maand). Deze optie zou de overplaatsing van personeelsleden met een
sleutelpositie aanzienlijk vergemakkelijken en versnellen, en zou de
wachttijden en de kosten voor het overplaatsen van personen binnen een
onderneming terugdringen. Optie 6: communicatie, coördinatie en
samenwerking tussen de lidstaten. Deze optie zou de
nationale praktijken inzake onderdanen van derde landen die binnen een
onderneming worden overgeplaatst in de gehele EU, in een zekere mate beter op
elkaar afstemmen en zou een meer geharmoniseerd rechtskader tot stand brengen.
Doch indien de maatregelen niet-bindend zijn, zal het effect waarschijnlijk
zeer gering zijn. Bij de
vergelijking van de opties en hun impact komt naar voren dat de voorkeursoptie
een combinatie is van de opties 2, 3, 4 en 5. Een
geharmoniseerde definitie van binnen een onderneming overgeplaatste personen,
geharmoniseerde voorwaarden voor toegang en verblijf, bepalingen die sociale en
economische rechten garanderen (optie 2), mobiliteit binnen de EU
(optie 3), betere gezinsrechten (optie 4, zonder dat de echtgenoten
toegang krijgen tot de arbeidsmarkt) en versnelde procedures (optie 5)
zouden de verdeling van personeel tussen ondernemingsentiteiten uit derde
landen en EU‑ondernemingsentiteiten vergemakkelijken en zouden de EU
aantrekkelijker maken voor personeelsleden uit derde landen die in
multinationale ondernemingen een sleutelpositie hebben, en zouden
tegelijkertijd waarborgen bieden tegen oneerlijke concurrentie. 3) Juridische elementen van het voorstel · Samenvatting van de voorgestelde maatregel Met dit voorstel
wordt een transparante en vereenvoudigde procedure voor de toelating van binnen
een onderneming overgeplaatste personen vastgesteld, op basis van een
gemeenschappelijke definitie en geharmoniseerde criteria: de overgeplaatste
persoon moet conform de EU-verbintenissen in het kader van de GATS een functie
hebben van leidinggevende, specialist of afgestudeerde stagiair; indien de betrokken
lidstaat dit voorschrijft, moet hij of zij op het ogenblik van de overplaatsing
reeds minstens twaalf maanden in dienst zijn bij hetzelfde concern; een
opdrachtbrief moet worden opgesteld waarin wordt bevestigd dat de onderdaan van
een derde land wordt overgeplaatst naar de gastentiteit en waarin de
bezoldiging staat vermeld. Tenzij dit in strijd is met het in de desbetreffende
bepalingen van de toetredingsakten geformuleerde beginsel van EU-preferentie,
zou geen arbeidsmarkttoets worden uitgevoerd. Voor afgestudeerde stagiairs
wordt een specifieke regeling voorgesteld. Binnen een onderneming
overgeplaatste personen die zijn toegelaten, krijgen een specifieke
verblijfsvergunning (met de vermelding "binnen een onderneming
overgeplaatste persoon"), op grond waarvan zij hun opdracht in
verschillende entiteiten van dezelfde transnationale onderneming en onder
bepaalde voorwaarden ook in entiteiten in andere lidstaten mogen uitvoeren. Op
grond van deze vergunning zouden voor hen in de eerste lidstaat ook gunstige
voorwaarden voor gezinshereniging gelden. 4) Rechtsgrondslag Dit voorstel heeft
betrekking op de voorwaarden voor toegang en verblijf voor onderdanen van derde
landen en op procedures voor de afgifte van de nodige vergunningen. Het bepaalt
ook onder welke voorwaarden onderdanen van derde landen in een tweede lidstaat
mogen verblijven. Bijgevolg is de correcte rechtsgrondslag artikel 79,
lid 2, onder a) en b), van het Verdrag betreffende de werking van de
Europese Unie (VWEU). 5) Subsidiariteitsbeginsel Het
subsidiariteitsbeginsel is van toepassing voor zover het voorstel niet onder de
exclusieve bevoegdheid van de Unie valt. De doelstellingen van het voorstel
kunnen om de volgende redenen niet voldoende door de lidstaten worden
verwezenlijkt: - De behandeling
van binnen een onderneming overgeplaatste personen op EU-niveau en de
voorwaarden en procedures voor dergelijke overplaatsingen hebben gevolgen voor
de aantrekkelijkheid van de EU als geheel en beïnvloeden beslissingen van
multinationale ondernemingen om in een bepaald gebied zaken te doen of te
investeren. - Het gebrek aan
flexibiliteit bij overplaatsingen van buitenlanders van een Europees
hoofdkantoor naar een andere vestiging, is een zeer belangrijk probleem voor
multinationale ondernemingen. Maatregelen op Europees niveau zijn de enige
manier om dit probleem aan te pakken. - Door een
gemeenschappelijk rechtskader met gemeenschappelijke voorwaarden voor toelating
van binnen een onderneming overgeplaatste personen, waaronder sociale en
economische rechten, zou het risico op oneerlijke concurrentie worden vermeden. - De grote
verschillen tussen de lidstaten wat de toegangsprocedures en het tijdelijke
verblijfsrecht betreft, kunnen een belemmering vormen voor de uniforme
toepassing van de internationale verbintenissen die door de EU en haar
lidstaten zijn aangegaan tijdens de WTO-onderhandelingen. Het voorstel is
derhalve in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel. 6) Evenredigheidsbeginsel Het voorstel is om
de volgende redenen in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel: Er is gekozen voor
een richtlijn, een instrument dat de lidstaten een hoge mate van flexibiliteit
bij de uitvoering verleent. Een richtlijn is voor deze maatregel het
geschikte instrument: er worden bindende minimumnormen vastgesteld, maar de
lidstaten behouden veel speelruimte ten aanzien van de vorm en methode voor de
tenuitvoerlegging van deze beginselen in hun eigen nationale rechtsstelsel en
algemene situatie. Niet-bindende maatregelen hebben een te beperkt effect,
aangezien potentiële kandidaten voor een overplaatsing binnen een onderneming
en hun EU‑gastondernemingen nog steeds zouden worden geconfronteerd met
verschillende regelingen inzake toelating. De maatregel wordt beperkt tot hetgeen
noodzakelijk is om de bovenvermelde doelstelling te bereiken. De voorgestelde
voorschriften hebben betrekking op toelatingsvoorwaarden, procedures en
vergunningen, alsook op de rechten van binnen een onderneming overgeplaatste
personen, waaronder mobiliteit binnen de EU, met andere woorden op de gebieden
die deel uitmaken van een gemeenschappelijk immigratiebeleid overeenkomstig
artikel 79 van het Verdrag. De administratieve lasten voor de lidstaten in
verband met de wijziging van hun wetgeving (het opstellen van specifieke
voorschriften voor overplaatsingen binnen een onderneming) en samenwerking
zouden beperkt blijven, aangezien handelsinstrumenten reeds een specifieke
regeling bevatten voor binnen een onderneming overgeplaatste personen;
bovendien zouden deze lasten worden gecompenseerd door de aanzienlijke
voordelen die voortvloeien uit het feit dat het binnen ondernemingen
gemakkelijker wordt personeel over te plaatsen van de ene lidstaat naar de
andere. 7) Gevolgen voor de begroting Het voorstel heeft
geen gevolgen voor de begroting van de Unie. 8) Aanvullende informatie · Evaluatie-/herzienings-/vervalbepaling Het voorstel bevat
een evaluatiebepaling. · Transponeringstabel De lidstaten delen
de Commissie de tekst van hun nationale bepalingen tot omzetting van de
richtlijn mee, alsmede een transponeringstabel ter weergave van het verband tussen
die bepalingen en de richtlijn. 9) Nadere uitleg van het voorstel Artikel 1 Dit voorstel maakt
deel uit van de maatregelen die de EU neemt voor de ontwikkeling van een
integraal immigratiebeleid, met gemeenschappelijke regels voor economische
migratie. Het heeft een tweeledig doel. Ten eerste moet een speciale procedure
voor toegang en verblijf worden ingevoerd alsook normen voor de afgifte door de
lidstaten van verblijfsvergunningen voor onderdanen van derde landen die een
aanvraag tot verblijf in de EU indienen met het oog op een overplaatsing binnen
een onderneming (artikel 79, lid 2, onder a), VWEU). Ten tweede moet
uitvoering worden gegeven aan artikel 79, lid 2, onder b), VWEU
en moeten de rechten worden omschreven van onderdanen van derde landen die
conform dit voorstel legaal in een lidstaat verblijven en moeten de voorwaarden
worden bepaald ter regeling van het verblijf in andere lidstaten. Artikel 2 EU-burgers en hun
gezinsleden vallen niet onder het voorstel, ook niet die van wie de arbeidsmogelijkheden
in een bepaalde lidstaat door overgangsregelingen zijn beperkt. Deze richtlijn
is uitsluitend van toepassing op onderdanen van derde landen die buiten het
grondgebied van een lidstaat verblijven en een aanvraag indienen om in het
kader van een overplaatsing binnen een onderneming tot het grondgebied van een
lidstaat te worden toegelaten. Om overlappingen tussen de toepassingsgebieden
van Richtlijn 2005/71/EG van 12 oktober 2005 betreffende onderzoekers
van derde landen en dit instrument te vermijden, wordt in dit artikel
uitdrukkelijk bepaald dat de richtlijn niet van toepassing is op onderdanen van
derde landen die een aanvraag indienen om als onderzoeker in de zin van
Richtlijn 2005/71/EG in een lidstaat te mogen verblijven om daar een onderzoeksproject
uit te voeren. Eveneens uitgesloten zijn personen die op het gebied van het
vrij verkeer rechten genieten die gelijkwaardig zijn aan die van EU-burgers of
die in dienst zijn van in bepaalde derde landen gevestigde ondernemingen,
alsook onderdanen van derde landen die door in een lidstaat gevestigde
ondernemingen ter beschikking worden gesteld met het oog op het verrichten van
diensten in de zin van artikel 56 van het Verdrag en Richtlijn 96/71/EG
van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de
terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van
diensten. Artikelen 3 en
4 In het voorstel
wordt het begrip "binnen een onderneming overgeplaatste persoon"
omschreven. Deze definitie is gebaseerd op specifieke verbintenissen van de
EU-25 in het kader van de GATS en bilaterale handelsovereenkomsten, en gaat uit
van: - het bestaan van
een transnationale onderneming, met een of meer entiteiten die buiten het
grondgebied van een lidstaat zijn gevestigd en een of meer entiteiten die in de
lidstaten zijn gevestigd ("gastentiteiten"); - de tijdelijke
detachering van een onderdaan van een derde land van de in het derde land
gevestigde onderneming waarmee deze onderdaan een arbeidsovereenkomst heeft
gesloten, naar een EU-entiteit die tot hetzelfde concern behoort. Deze
overplaatsing vindt niet noodzakelijkerwijs plaats binnen de dienstensector of
in de context van een dienstverrichting en kan plaatsvinden vanuit een derde
land dat geen partij is bij een handelsovereenkomst: het toepassingsgebied van
dit voorstel is derhalve ruimer dan dat van verbintenissen inzake handel. In dit artikel
worden ook de begrippen "leidinggevende", "specialist" en
"afgestudeerde stagiair" omschreven. De bestaande definities zijn
gebaseerd op de lijst van EU-verbintenissen in het kader van de GATS, aangezien
de lidstaten reeds vertrouwd zijn met deze definities. Daarnaast is er een
nadere definitie van het begrip "afgestudeerde stagiair" gegeven om
duidelijk te maken dat de stage erop gericht moet zijn de overgeplaatste
persoon voor te bereiden op leidinggevende functies. Andere definities
verwijzen naar bestaande EU-instrumenten, zoals Richtlijn 2003/86/EG van
de Raad of Richtlijn 2009/38/EG van de Raad. Krachtens deze
artikelen mogen de lidstaten bepalingen die gunstiger zijn voor onderdanen van
derde landen handhaven of vaststellen, mits deze bepalingen gunstiger zijn voor
de personen op wie zij van toepassing zijn. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat
lidstaten gunstiger procedures of bepalingen willen toepassen met betrekking
tot gezinsleden. Artikel 5 In dit artikel
zijn de voorwaarden neergelegd waaraan de aanvragers moet voldoen. De volgende
voorwaarden zijn specifiek voor dit voorstel. Er moet worden
aangetoond dat de overplaatsing daadwerkelijk plaatsvindt tussen entiteiten van
hetzelfde concern. Omdat de toegang
wordt gestuurd door de vraag, moet een document worden opgesteld waarin de
taken worden omschreven en de bezoldiging wordt vermeld, die in overeenstemming
moeten zijn met de arbeidsvoorwaarden en –verplichtingen in de zin van artikel 3
van Richtlijn 96/71/EG. Dat document neemt in de regel de vorm aan van een
opdrachtbrief. In dit document moeten de plaats(en) en de duur van de opdracht worden
vermeld en moet worden bevestigd dat de overgeplaatste persoon in de
gastentiteit een functie als leidinggevende, specialist of afgestudeerde
stagiair zal uitoefenen. Deze regeling is gericht op personeel met een
sleutelpositie, zoals dat doorgaans wordt omschreven in de EU‑verbintenissen
inzake handel, aangezien dergelijke personeelsleden het gebruik van nieuwe
technologieën en innovatie stimuleren, een bedrijfscultuur in diverse locaties verspreiden
en activiteiten in opkomende markten bevorderen, wat uiteindelijk leidt tot een
versterking van het concurrentievermogen van EU‑ondernemingen. Om ervoor
te zorgen dat de vaardigheden van de binnen een onderneming overgeplaatste
persoon specifiek zijn voor de gastentiteit en overeenkomstig de EU‑verbintenissen
inzake handel, hebben de lidstaten de mogelijkheid te eisen dat de betrokkene op
het ogenblik van de overplaatsing reeds twaalf maanden in dienst is bij het betrokken
concern. Omdat de regeling specifiek betrekking heeft op tijdelijke migratie,
moet de aanvrager bewijzen dat de onderdaan van een derde land na de
beëindiging van de opdracht terug zal kunnen worden overgeplaatst naar een
entiteit die tot hetzelfde concern behoort en in een derde land is gevestigd. De onderdaan van
een derde land moet aan de voorwaarden voldoen die voor EU‑burgers in de
nationale wetgeving zijn vastgesteld voor de uitoefening van het in de
opdrachtbrief vermelde gereglementeerde beroep, en in het geval van
niet-gereglementeerde beroepen, documenten voorleggen met nadere gegevens over
zijn of haar beroepskwalificaties (in de regel het curriculum vitae). In het
geval van een afgestudeerde stagiair moet de aanvrager bewijzen dat de
betrokkene het vereiste getuigschrift van hoger onderwijs bezit, conform de
EU-verbintenissen inzake handel. Bovendien moeten
onderdanen van derde landen die een aanvraag indienen om als afgestudeerde
stagiair te worden toegelaten, documenten voorleggen die bewijzen dat zij een
echte stage zullen volgen en niet als normale werknemers zullen worden ingezet.
Derhalve is een stage-overeenkomst vereist met een beschrijving van het
stageprogramma, de duur ervan en de wijze waarop toezicht zal worden
uitgeoefend op de stagiairs. Indien de
overplaatsing betrekking heeft op meerdere locaties in verschillende lidstaten,
moet de aanvrager de bevoegde instanties van de lidstaten waar de
neven-gastentiteiten zijn gevestigd, daarvan op de hoogte brengen, zodat deze
gemakkelijker controles kunnen uitvoeren. Er hoeft geen
arbeidsmarkttoets te worden uitgevoerd, aangezien dit criterium in strijd zou
zijn met de doelstelling om een transparante en vereenvoudigde regeling in te
voeren voor de toelating van gekwalificeerde personen die binnen een
onderneming worden overgeplaatst. Bovendien zou deze voorwaarde indruisen tegen
de verbintenissen die de EU is aangegaan in het kader van de GATS en bilaterale
handelsovereenkomsten, voor wat betreft de binnen een onderneming
overgeplaatste personen die onder deze verbintenissen vallen. Daar het primaire
recht voorrang heeft, moet voor de lidstaten die een overgangsperiode toepassen
voor nieuwe lidstaten, echter het beginsel van EU-preferentie worden toegepast.
Artikelen 6, 7
en 8 Het voorstel
creëert geen recht op toelating, aangezien deze richtlijn geen afbreuk doet aan
het recht van de lidstaten om zelf te bepalen hoeveel onderdanen van derde
landen zij op hun grondgebied toelaten in het kader van overplaatsingen binnen
ondernemingen. Dit recht dient evenwel te worden toegepast overeenkomstig de
verplichtingen uit hoofde van internationale overeenkomsten die de toegang en
het tijdelijke verblijf van bepaalde categorieën natuurlijke personen in
verband met handel en investeringen gemakkelijker maken. Deze bepalingen
stellen de verplichte en mogelijke weigeringsgronden vast (en de gronden voor
intrekking of niet-verlenging): het niet voldoen aan de betrokken criteria en
de bestraffing van werkgevers voor zwartwerk of illegale arbeid, overeenkomstig
Richtlijn 2009/52/EG van 18 juni 2009 inzake sancties, en het bestaan van
quota. Ingeval niet aan de in artikel 5 neergelegde voorwaarden wordt voldaan,
moeten de lidstaten passende sancties, zoals financiële sancties, opleggen aan
de gastentiteit die aansprakelijk kan worden gesteld. Artikelen 9,
10, 11 en 12 Aanvragers die aan
de toelatingscriteria voldoen, krijgen een specifieke verblijfsvergunning die
de houder ervan het recht geeft om als een binnen een onderneming
overgeplaatste persoon te werken onder de in artikel 14 vastgestelde
voorwaarden. Er mag geen bijkomende arbeidsvergunning worden vereist. De
lidstaten moeten een instantie aanwijzen die bevoegd is om aanvragen in
ontvangst te nemen en vergunningen af te geven. De aanwijzing van een
dergelijke instantie doet geen afbreuk aan de rol en de verantwoordelijkheden
van andere nationale instanties wat de behandeling van aanvragen en de
beslissing daarover betreft. Voorts belet zij de lidstaten niet andere
instanties (bv. consulaten) aan te wijzen waarbij de onderdaan van een derde
land of diens gastentiteit een aanvraag kan indienen en die de vergunning kunnen
afgeven. De geldigheidsduur
van de verblijfsvergunning is beperkt tot drie jaar voor leidinggevenden en
specialisten en tot een jaar voor afgestudeerde stagiairs. Aanvragen moeten
binnen een korte periode (dertig dagen) worden behandeld. Er is een aantal
procedurele waarborgen vastgesteld, zoals de mogelijkheid besluiten tot
afwijzing van een aanvraag juridisch aan te vechten en de verplichting voor de
autoriteiten om dergelijke besluiten met redenen te omkleden. Er moet
informatie over de toegangs- en arbeidsvoorwaarden beschikbaar zijn. Er kan een
spoedprocedure worden ingevoerd voor concerns die met het oog daarop zijn
erkend. Artikelen 13 en 14 Teneinde een
gelijke behandeling met ter beschikking gestelde werknemers in de zin van Richtlijn
96/71 te waarborgen, worden de aan binnen een onderneming overgeplaatste
personen verleende rechten inzake arbeidsvoorwaarden in overeenstemming
gebracht met de rechten die ter beschikking gestelde werknemers reeds genieten.
In dit artikel wordt ook bepaald op welke gebieden gelijke behandeling moet
worden gewaarborgd. Wegens het tijdelijke karakter van de overplaatsing binnen
een onderneming, werd het niet nodig geacht gelijke behandeling te waarborgen
met betrekking tot onderwijs en beroepsopleiding, sociale huisvesting en voorlichting
en advies van arbeidsbureaus. Bestaande bilaterale overeenkomsten blijven van
kracht, in het bijzonder op het gebied van sociale zekerheid. In het geval van
mobiliteit tussen de lidstaten is in de regel Verordening (EG) nr. 859/2003 van
toepassing. De verblijfsvergunning die aan binnen een onderneming
overgeplaatste personen wordt afgegeven, stelt hen in staat om onder bepaalde
voorwaarden te werken in alle entiteiten van hetzelfde concern. Artikel 15 Dit artikel bevat
de afwijkingen van Richtlijn 2003/86 die nodig worden geacht voor de invoering
van een aantrekkelijke regeling voor binnen een onderneming overgeplaatste
personen, en is gebaseerd op een andere logica dan die van de richtlijn inzake gezinshereniging,
die een instrument is voor de bevordering van de integratie van onderdanen van
derde landen van wie kan worden verwacht dat zij een permanent verblijfsrecht
zullen krijgen. Net als vergelijkbare regelingen die al in de lidstaten en in
andere landen bestaan, biedt deze regeling de mogelijkheid tot onmiddellijke
gezinshereniging in de eerste lidstaat van verblijf. Om dit doel te
verwezenlijken, wordt ook bepaald dat eventuele nationale integratiemaatregelen
pas mogen worden toegepast als de gezinsleden zich op het grondgebied van de EU
bevinden. Artikel 16 Dit artikel
voorziet in geografische mobiliteit voor binnen een onderneming overgeplaatste
personen en stelt hen in staat te werken in verschillende entiteiten van
dezelfde transnationale onderneming die in verschillende lidstaten zijn gevestigd
alsook in de gebouwen van klanten van de onderneming. Derhalve mag een
onderdaan van een derde land die als een binnen een onderneming overgeplaatste
persoon is toegelaten, op basis van de eerste verblijfsvergunning en een extra
document met een lijst van de entiteiten van het concern waarin hij of zij mag
werken, een deel van zijn of haar opdracht uitvoeren in een in een andere
lidstaat gevestigde entiteit van hetzelfde concern. De tweede lidstaat moet in
kennis worden gesteld van de belangrijkste voorwaarden die aan deze mobiliteit
verbonden zijn. Deze lidstaat kan een verblijfsvergunning verlangen wanneer de
duur van het werk meer dan twaalf maanden bedraagt; hij kan echter niet
verlangen dat de binnen een onderneming overgeplaatste persoon zijn grondgebied
verlaat om een aanvraag in te dienen. Artikelen 17,
18, 19, 20, 21 en 22 Deze artikelen
bevatten de gebruikelijke bepalingen inzake tenuitvoerlegging, jaarstatistieken
en nationale contactpunten. 2010/0209 (COD) Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN
DE RAAD betreffende de voorwaarden voor toegang en
verblijf van onderdanen van derde landen in het kader van een overplaatsing
binnen een onderneming HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN
DE EUROPESE UNIE, Gelet op het
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op
artikel 79, lid 2, onder a) en b), Gezien het
voorstel van de Europese Commissie, Na toezending van het ontwerp van
wetgevingshandeling aan de nationale parlementen, Gezien het advies
van het Europees Economisch en Sociaal Comité[5], Gezien het advies
van het Comité van de Regio's[6], Handelend volgens
de gewone wetgevingsprocedure, Overwegende
hetgeen volgt: (1) Met het oog op de
geleidelijke totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht is
in het Verdrag bepaald dat maatregelen moeten worden aangenomen op het gebied
van immigratie die billijk zijn ten aanzien van onderdanen van derde landen. (2) Het Verdrag bepaalt dat de
Unie een gemeenschappelijk immigratiebeleid ontwikkelt, dat erop gericht is in
alle stadia te zorgen voor een efficiënt beheer van de migratiestromen en een
billijke behandeling van onderdanen van derde landen die legaal op het
grondgebied van de lidstaten verblijven. Daartoe moeten het Europees Parlement
en de Raad maatregelen vaststellen inzake de voorwaarden voor toegang en
verblijf, en normen bepalen betreffende de afgifte door de lidstaten van
langlopende visa en verblijfstitels, alsook de rechten omschrijven van
onderdanen van derde landen die legaal in een lidstaat verblijven, met inbegrip
van de voorwaarden ter regeling van het vrije verkeer en het vrije verblijf in
andere lidstaten. (3) De in de mededeling van de
Commissie "Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve
groei"[7]
geschetste strategie heeft als doel in de Unie een op kennis en innovatie
gebaseerde economie tot stand te brengen, de administratieve lasten voor
ondernemingen te verminderen, en vraag en aanbod op de arbeidsmarkt beter op
elkaar af te stemmen. Maatregelen om leidinggevenden, specialisten en
afgestudeerde stagiairs uit derde landen gemakkelijker toegang te verlenen tot
de Unie in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming, moeten in
deze ruimere context worden gezien. (4) Het programma van Stockholm,
dat door de Europese Raad van 10 en 11 december 2009 is vastgesteld, erkent dat
arbeidsimmigratie kan bijdragen tot meer concurrentievermogen en economische
vitaliteit en dat een flexibel immigratiebeleid, in de context van de grote
demografische uitdagingen waarvoor de Unie zal komen te staan met een stijgende
vraag naar arbeid, een belangrijke bijdrage zal leveren tot de economische
ontwikkeling en prestaties van de EU op lange termijn. De Commissie en de Raad
wordt derhalve verzocht het Beleidsplan legale migratie van 2005[8] te blijven uitvoeren. (5) Ten gevolge van de
globalisering van ondernemingen, de toenemende handel, de groei en verspreiding
van multinationale ondernemingen, is het voor multinationale ondernemingen in
de afgelopen jaren steeds belangrijker geworden om leidinggevende en technische
werknemers van hun filialen en dochterondernemingen voor opdrachten van korte
duur tijdelijk over te plaatsen naar andere eenheden van de onderneming. (6) Deze overplaatsingen binnen
een onderneming van personeelsleden met een sleutelpositie zorgen voor nieuwe
vaardigheden en kennis, innovatie en meer economische mogelijkheden voor de
gastondernemingen, en bevorderen derhalve de kenniseconomie in Europa en de
investeringsstromen in de Unie. Door goed beheerde overplaatsingen vanuit derde
landen kunnen ook overplaatsingen vanuit de Unie naar ondernemingen in derde
landen worden vergemakkelijkt en kan de positie van de Unie in haar
betrekkingen met internationale partners worden versterkt. De vergemakkelijking
van overplaatsingen binnen ondernemingen stelt multinationale concerns in staat
hun personeel optimaal in te zetten. (7) De in deze richtlijn
vastgestelde regels zijn ook gunstig voor de landen van herkomst van de
migranten, aangezien deze tijdelijke migratie de overdracht van vaardigheden,
kennis, technologie en knowhow bevordert. (8) Deze richtlijn moet het
beginsel van EU-preferentie op het vlak van toegang tot de arbeidsmarkt van de
lidstaten, dat is neergelegd in de desbetreffende bepalingen van de
toetredingsakten, onverlet laten. Overeenkomstig dat beginsel moeten de
lidstaten, wat de toegang tot hun arbeidsmarkt betreft, gedurende eender welke
periode tijdens welke nationale of uit bilaterale overeenkomsten voortvloeiende
maatregelen worden toegepast, voorrang geven aan werknemers die onderdaan van
de lidstaten zijn boven werknemers die onderdaan van een derde land zijn. (9) In deze richtlijn wordt een
transparante en vereenvoudigde procedure vastgesteld voor de toelating van
binnen een onderneming overgeplaatste personen, die is gebaseerd op
gemeenschappelijke definities en geharmoniseerde criteria. (10) In deze richtlijn wordt
verstaan onder 'binnen een onderneming overgeplaatste personen'
leidinggevenden, specialisten en afgestudeerde stagiairs met een getuigschrift
van hoger onderwijs. Deze definitie is gebaseerd op specifieke verbintenissen
van de Unie in het kader van de Algemene Overeenkomst betreffende de handel in
diensten[9]
(GATS) en bilaterale handelsovereenkomsten. Deze verbintenissen uit hoofde van
de Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten hebben geen
betrekking op de voorwaarden voor toegang, verblijf en werk. Deze richtlijn
vormt derhalve een aanvulling op deze verbintenissen en vergemakkelijkt de
toepassing ervan. Het toepassingsgebied van de onder deze richtlijn vallende
overplaatsingen binnen een onderneming is echter ruimer dan de reikwijdte van
de verbintenissen inzake handel, aangezien dergelijke overplaatsingen niet
noodzakelijkerwijs plaatsvinden binnen de dienstensector en kunnen plaatsvinden
vanuit een derde land dat geen partij is bij een handelsovereenkomst. (11) Voor binnen een onderneming
overgeplaatste personen moeten dezelfde arbeidsvoorwaarden gelden als voor ter
beschikking gestelde werknemers van wie de werkgever is gevestigd op het
grondgebied van de Europese Unie, zoals omschreven in Richtlijn 96/71/EG van
het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de
terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van
diensten[10].
Dat vereiste beschermt werknemers en waarborgt een eerlijke concurrentie tussen
ondernemingen die zijn gevestigd in een lidstaat en die welke zijn gevestigd in
een derde land, aangezien dit vereiste ervoor zorgt dat deze laatste geen
concurrentievoordeel zullen kunnen halen uit slechtere arbeidsvoorwaarden. (12) Om ervoor te zorgen dat de
vaardigheden van de binnen een onderneming overgeplaatste persoon specifiek
zijn voor de gastentiteit, kunnen lidstaten verlangen dat deze persoon op het
ogenblik van de overplaatsing reeds ten minste twaalf maanden in dienst is bij hetzelfde
concern. (13) Aangezien het bij
overplaatsingen binnen een onderneming om tijdelijke migratie gaat, moet de
aanvrager bewijzen dat de onderdaan van een derde land na de beëindiging van de
opdracht terug zal kunnen worden overgeplaatst naar een entiteit die tot
hetzelfde concern behoort en in een derde land is gevestigd. Dit bewijs kan
worden geleverd aan de hand van de relevante bepalingen uit de
arbeidsovereenkomst. Er moet een opdrachtbrief worden opgesteld, waaruit moet
blijken dat de leidinggevende of de specialist uit een derde land de
beroepskwalificaties bezit die in de lidstaat die hem of haar heeft toegelaten,
zijn vereist om een functie of een gereglementeerd beroep uit te oefenen. (14) De onderdanen van derde landen
die een aanvraag indienen om als afgestudeerde stagiair te worden toegelaten,
moeten bewijzen dat zij het vereiste getuigschrift van hoger onderwijs
bezitten, meer bepaald een diploma, certificaat of andere opleidingstitel, waaruit
blijkt dat de houder met succes een postsecundair hogeronderwijsprogramma van
ten minste drie jaar heeft gevolgd. Bovendien moeten zij een stage-overeenkomst
overleggen met een beschrijving van het stageprogramma, de duur ervan en de
wijze waarop toezicht zal worden uitgeoefend op de stagiairs; uit deze
overeenkomst moet blijken dat zij een echte stage zullen volgen en niet als
normale werknemers zullen worden ingezet. (15) Tenzij dit in strijd is met
het in de desbetreffende bepalingen van de toetredingsakten geformuleerde
beginsel van EU-preferentie, mag er geen arbeidsmarkttoets worden vereist,
aangezien dit criterium zou indruisen tegen de doelstelling om een transparante
en vereenvoudigde regeling in te voeren voor de toelating van binnen een onderneming
overgeplaatste personen. (16) Indien de overplaatsing
betrekking heeft op meerdere locaties in verschillende lidstaten, moet de
aanvrager de bevoegde instanties van de lidstaten waar de neven‑gastentiteiten
zijn gevestigd, daarover de nodige informatie verstrekken, zodat deze
gemakkelijker controles kunnen uitvoeren. (17) Deze richtlijn mag geen
afbreuk doen aan het recht van de lidstaten om een maximum vast te stellen voor
het aantal onderdanen van derde landen dat zij op hun grondgebied toelaten in
het kader van overplaatsingen binnen een onderneming en evenmin aan het recht om
geen verblijfsvergunningen af te geven voor het verrichten van werk in het
algemeen of voor bepaalde beroepen, economische sectoren of regio's. (18) De lidstaten moeten passende
sancties, zoals financiële sancties, vaststellen die moeten worden opgelegd
wanneer niet wordt voldaan aan de in deze richtlijn neergelegde voorwaarden. De
sancties kunnen worden opgelegd aan de gastentiteit. (19) Invoering van een enkele
procedure die leidt tot een gecombineerde titel die zowel verblijfs- als
arbeidsvergunning omvat, moet de thans in de lidstaten geldende regels helpen
vereenvoudigen. (20) Er kan een spoedprocedure
worden ingevoerd voor concerns die met het oog daarop zijn erkend. De erkenning
moet worden verleend op grond van objectieve criteria die door de lidstaten
openbaar worden gemaakt en die een gelijke behandeling van de aanvragers
waarborgen. De erkenning mag worden verleend voor een maximumperiode van drie
jaar, aangezien de criteria regelmatig opnieuw moeten worden beoordeeld. Zulke
erkenning moet worden beperkt tot transnationale ondernemingen die bewijzen
overleggen waaruit blijkt dat zij aan hun verplichtingen kunnen voldoen en die
informatie verstrekken over de te verwachten overplaatsingen binnen een
onderneming. Elke belangrijke aantasting van het vermogen van de onderneming om
aan deze verplichtingen te voldoen en alle aanvullende informatie over
toekomstige overplaatsingen, moeten onverwijld aan de bevoegde instantie worden
meegedeeld. Er moet worden voorzien in passende sancties, zoals financiële
sancties, en in de mogelijkheid de erkenning in te trekken en toekomstige
vergunningsaanvragen af te wijzen. (21) Wanneer een lidstaat heeft
besloten een onderdaan van een derde land die aan de in deze richtlijn
neergelegde criteria voldoet, toe te laten, moet aan de betrokken onderdaan van
een derde land een specifieke verblijfsvergunning (een vergunning voor een
binnen een onderneming overgeplaatste persoon) worden afgegeven, op grond
waarvan de houder onder bepaalde voorwaarden zijn of haar opdracht mag
uitoefenen in verschillende entiteiten van dezelfde transnationale onderneming,
met inbegrip van in een andere lidstaat gevestigde entiteiten. (22) Deze richtlijn mag geen
afbreuk doen aan de voorwaarden voor het verrichten van diensten in het kader
van artikel 56 van het Verdrag. Zij mag met name geen afbreuk doen aan de
arbeidsvoorwaarden en -verplichtingen die overeenkomstig Richtlijn 96/71/EG
gelden voor werknemers die door een in een lidstaat gevestigde onderneming ter
beschikking zijn gesteld met het oog op het verrichten van een dienst op het
grondgebied van een andere lidstaat. Deze richtlijn is niet van toepassing op
onderdanen van derde landen die door in een lidstaat gevestigde ondernemingen
ter beschikking zijn gesteld met het oog op het verrichten van diensten in de
zin van Richtlijn 96/71/EG. Bijgevolg kunnen onderdanen van derde landen
die houder zijn van een vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste
persoon zich niet beroepen op de bepalingen van Richtlijn 96/71/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de
terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van
diensten. In deze richtlijn wordt conform artikel 1, lid 4, van Richtlijn
96/71/EG bepaald dat in een derde land gevestigde ondernemingen geen gunstiger
behandeling mogen krijgen dan in een lidstaat gevestigde ondernemingen. (23) Gelijke behandeling moet
overeenkomstig het nationale recht worden gewaarborgd met betrekking tot de
takken van sociale zekerheid in de zin van artikel 3 van Verordening
(EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april
2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels[11]. Aangezien deze richtlijn bepalingen van
bilaterale overeenkomsten onverlet laat, kunnen de socialezekerheidsrechten die
binnen een onderneming overgeplaatste onderdanen van derde landen ontlenen aan
een bilaterale overeenkomst die is gesloten tussen de lidstaat die de persoon
heeft toegelaten en zijn of haar land van herkomst, uitgebreider zijn dan de
socialezekerheidsrechten die aan de overgeplaatste persoon zouden worden
verleend op grond van het nationale recht. Deze richtlijn mag niet meer rechten
verlenen dan die welke reeds zijn vastgesteld in de bestaande EU-wetgeving op
het gebied van de sociale zekerheid voor onderdanen van derde landen die belangen
in meerdere lidstaten hebben. (24) Teneinde de in deze richtlijn
opgenomen specifieke voorschriften aantrekkelijker te maken en alle verwachte
voordelen voor het concurrentievermogen van ondernemingen in de Unie te
realiseren, moeten voor binnen een onderneming overgeplaatste onderdanen van
derde landen gunstige voorwaarden voor gezinshereniging gelden in de eerste lidstaat
die hen een verblijfsvergunning op basis van deze richtlijn afgeeft. Door dit
recht toe te kennen, zou voor potentiële kandidaten voor een overplaatsing
binnen een onderneming een belangrijke belemmering voor de aanvaarding van een
opdracht uit de weg worden geruimd. Met het oog op de eenheid van het gezin
moeten de gezinsleden zich in een andere lidstaat bij de binnen een onderneming
overgeplaatste persoon kunnen voegen, onder de in de nationale wetgeving van
die lidstaat vastgestelde voorwaarden. (25) Deze richtlijn mag niet van
toepassing zijn op onderdanen van derde landen die een aanvraag indienen om als
onderzoeker in een lidstaat te mogen verblijven met het oog op de uitvoering
van een onderzoeksproject; voor hen geldt immers Richtlijn 2005/71/EG van
de Raad van 12 oktober 2005 betreffende een specifieke procedure voor de
toelating van onderdanen van derde landen met het oog op wetenschappelijk
onderzoek[12]. (26) Daar de doelstellingen van een
bijzondere toelatingsprocedure en de vaststelling van de voorwaarden voor
toegang en verblijf in het kader van overplaatsingen binnen een onderneming van
onderdanen van derde landen niet voldoende door de lidstaten kunnen worden
verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang of de gevolgen van het optreden beter
door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in
artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde
subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde
artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan
nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken. (27) Deze richtlijn eerbiedigt de
grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. (28) [Overeenkomstig de artikelen 1
en 2 van het aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie gehechte Protocol nr. 21
betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de
ruimte van vrijheid, veiligheid en recht en onverminderd artikel 4 van dat
protocol, nemen deze lidstaten niet deel aan de aanneming van deze richtlijn,
die niet bindend is voor, noch van toepassing is in deze lidstaten.] (29) Overeenkomstig de artikelen 1
en 2 van het aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie gehechte Protocol nr. 22
betreffende de positie van Denemarken, neemt Denemarken niet deel aan de
aanneming van deze richtlijn, die niet bindend is voor, noch van toepassing is
in deze lidstaat, HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN
VASTGESTELD: HOOFDSTUK
I ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1
Voorwerp Deze richtlijn is
bedoeld ter bepaling van: a) de voorwaarden voor toegang
en verblijf voor langer dan drie maanden op het grondgebied van de lidstaten,
van onderdanen van derde landen en hun gezinsleden in het kader van een
overplaatsing binnen een onderneming; b) de voorwaarden voor toegang
en verblijf voor langer dan drie maanden van de onder a) bedoelde
onderdanen van derde landen in een andere lidstaat dan de eerste lidstaat die
deze onderdanen een verblijfsvergunning op basis van deze richtlijn afgeeft. Artikel 2
Toepassingsgebied 1. Deze richtlijn is van
toepassing op onderdanen van derde landen die buiten het grondgebied van een
lidstaat verblijven en een aanvraag indienen om tot het grondgebied van een
lidstaat te worden toegelaten in het kader van een overplaatsing binnen een
onderneming. 2. Deze richtlijn is niet van
toepassing op: a) onderdanen van derde landen die een
aanvraag indienen om als onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71/EG in een
lidstaat te mogen verblijven met als doel een onderzoeksproject uit te voeren; b) onderdanen van derde landen die op grond
van overeenkomsten tussen de Unie en haar lidstaten en derde landen, rechten
inzake vrij verkeer genieten die gelijkwaardig zijn aan die van de burgers van
de Unie of die werkzaam zijn bij in die derde landen gevestigde ondernemingen; c) onderdanen van derde landen die in het
kader van het verrichten van diensten in de zin van artikel 56 van het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie activiteiten uitoefenen namens
ondernemingen die zijn gevestigd in een andere lidstaat, met inbegrip van
onderdanen van derde landen die ter beschikking worden gesteld door
ondernemingen die zijn gevestigd in een lidstaat met het oog op het verrichten
van diensten overeenkomstig Richtlijn 96/71/EG. Artikel 3
Definities In deze richtlijn wordt verstaan onder: a) "onderdaan van een derde
land", eenieder die geen burger van de Unie is in de zin van
artikel 20, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de
Europese Unie; b) "overplaatsing binnen een
onderneming", de tijdelijke detachering van een onderdaan van een derde
land van een buiten het grondgebied van een lidstaat gevestigde onderneming
waarmee deze onderdaan een arbeidsovereenkomst heeft gesloten, naar een
entiteit die behoort tot dezelfde onderneming of tot hetzelfde concern en die
is gevestigd op het grondgebied van een lidstaat; c) "binnen een onderneming
overgeplaatste persoon", een onderdaan van een derde land die het voorwerp
is van een overplaatsing binnen een onderneming; d) "gastentiteit", de
entiteit die, ongeacht haar rechtsvorm, is gevestigd op het grondgebied van een
lidstaat en naar waar de onderdaan van een derde land wordt overgeplaatst; e) "leidinggevende", ieder
lid van het hogere kader dat in de eerste plaats leiding geeft aan de
gastentiteit, onder het algemene toezicht of volgens de instructies van, in
hoofdzaak, de raad van bestuur of de aandeelhouders van de onderneming of
daarmee gelijkgestelde personen; deze functie omvat: het leiding geven aan de
gastentiteit of een afdeling of onderafdeling daarvan, het toezicht houden op
en het controleren van de werkzaamheden van andere toezichthoudende,
hooggespecialiseerde of leidinggevende werknemers, het persoonlijk bevoegd zijn
voor de indienstneming en het ontslag van werknemers of het aanbevelen van de
indienstneming of het ontslag van werknemers of andere maatregelen in het kader
van het personeelsbeleid; f) "specialist", eenieder
die beschikt over bijzondere kennis die van wezenlijk en specifiek belang is
voor de gastentiteit, niet alleen rekening houdend met de voor het functioneren
van de gastentiteit vereiste specifieke kennis, maar ook met de bekwaamheid van
de persoon om bepaalde werkzaamheden uit te voeren of om een bepaald beroep uit
te oefenen waarvoor specifieke technische vaardigheden zijn vereist; g) "afgestudeerde stagiair",
eenieder met een getuigschrift van hoger onderwijs die wordt overgeplaatst om
zijn of haar kennis van en ervaring in een onderneming te ontwikkelen teneinde
hem of haar voor te bereiden op de uitoefening van een leidinggevende functie
in die onderneming; h) "getuigschrift van hoger onderwijs",
een door een bevoegde instantie afgegeven diploma, certificaat of andere
opleidingstitel, waaruit blijkt dat de houder met succes een postsecundair
hogeronderwijsprogramma van ten minste drie jaar heeft gevolgd, bestaande uit
een reeks cursussen die worden aangeboden door een onderwijsinstelling die in
de staat waarin zij is gevestigd, wordt erkend als hogeronderwijsinstelling; i) "gezinsleden", onderdanen
van derde landen in de zin van artikel 4, lid 1, van Richtlijn
2003/86/EG van de Raad[13]; j) "vergunning voor een binnen
een onderneming overgeplaatste persoon", elke titel met de vermelding
"binnen een onderneming overgeplaatste persoon", die de houder het
recht geeft op het grondgebied van een lidstaat te verblijven en te werken volgens
de voorwaarden van deze richtlijn; k) "een enkele
aanvraagprocedure", een procedure die op grond van een aanvraag van een
onderdaan van een derde land tot het verkrijgen van een machtiging om op het
grondgebied van een lidstaat te verblijven en te werken, tot een besluit over
die aanvraag leidt; l) "concern", twee of
meer ondernemingen waarvan wordt erkend dat zij overeenkomstig het nationale
recht verbonden zijn op een van de volgende wijzen: wanneer een onderneming,
direct of indirect, ten opzichte van een andere onderneming: de meerderheid van
het geplaatste kapitaal van de onderneming bezit, of beschikt over de
meerderheid van de stemmen die verbonden zijn aan de door de onderneming
uitgegeven aandelen, of meer dan de helft van de leden van het bestuurs-,
leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de onderneming kan benoemen; m) "eerste lidstaat", de
lidstaat die als eerste op grond van deze richtlijn een verblijfsvergunning afgeeft
aan een onderdaan van een derde land; n) "algemeen verbindende
collectieve arbeidsovereenkomst", een collectieve arbeidsovereenkomst die
moet worden nageleefd door alle ondernemingen in het betrokken geografische
gebied en in de betrokken beroepsgroep of bedrijfstak. Ontbreekt een stelsel
voor het algemeen verbindend verklaren van collectieve arbeidsovereenkomsten,
dan kunnen de lidstaten zich baseren op de collectieve arbeidsovereenkomsten
die algemene rechtsgevolgen hebben voor alle soortgelijke ondernemingen in het
betrokken geografische gebied en in de betrokken beroepsgroep of bedrijfstak,
en/of op de collectieve arbeidsovereenkomsten die zijn gesloten door de op
nationaal niveau meest representatieve organisaties van de sociale partners en
die op het gehele nationale grondgebied worden toegepast. Artikel 4
Gunstiger bepalingen 1. Deze richtlijn doet geen
afbreuk aan gunstiger bepalingen van: a) het recht van de Unie, met inbegrip van
bilaterale en multilaterale overeenkomsten tussen de Unie en haar lidstaten
enerzijds, en een of meer derde landen anderzijds; b) bilaterale of multilaterale
overeenkomsten tussen een of meer lidstaten en een of meer derde landen. 2. Deze richtlijn laat onverlet
dat de lidstaten met betrekking tot artikel 3, onder i), en de
artikelen 12, 14 en 15 bepalingen kunnen invoeren of handhaven die gunstiger
zijn voor de personen die onder het toepassingsgebied ervan vallen. HOOFDSTUK II
TOELATINGSVOORWAARDEN Artikel 5
Toelatingscriteria 1. Onverminderd artikel 10
moeten onderdanen van derde landen die verzoeken om onder de in deze richtlijn
vastgestelde voorwaarden te worden toegelaten: a) bewijzen dat de gastentiteit en de in een
derde land gevestigde onderneming tot dezelfde onderneming of hetzelfde concern
behoren; b) bewijzen dat zij onmiddellijk voorafgaand
aan de datum van de overplaatsing binnen een onderneming ten minste twaalf
maanden in dienst zijn geweest bij hetzelfde concern (voor zover zulks is
voorgeschreven in de betrokken nationale wetgeving) en dat zij na de
beëindiging van de opdracht terug zullen kunnen worden overgeplaatst naar een
entiteit die tot hetzelfde concern behoort en in een derde land is gevestigd; c) een opdrachtbrief van de werkgever
overleggen, waarin: i) de duur van de overplaatsing en de
vestigingsplaats van de gastentiteit of ‑entiteiten in de betrokken
lidstaat zijn vermeld; ii) wordt aangetoond dat zij in de
gastentiteit of ‑entiteiten in de betrokken lidstaat zullen werken als
leidinggevende, specialist of afgestudeerde stagiair; iii) de bezoldiging tijdens de overplaatsing
is vermeld; d) bewijzen dat zij de beroepskwalificaties
bezitten die zijn vereist in de lidstaat waar zij zijn toegelaten om de functie
van leidinggevende of specialist uit te oefenen, of voor afgestudeerde
stagiairs de vereiste getuigschriften van hoger onderwijs; e) documenten overleggen waaruit blijkt dat
zij voldoen aan de voorwaarden die in de nationale wetgeving voor burgers van
de Unie zijn vastgesteld voor de uitoefening van het gereglementeerde beroep
dat door hen zal worden vervuld; f) een naar nationaal recht geldig
reisdocument en, indien vereist, een aanvraag voor een visum of een visum
overleggen; g) onverminderd bestaande bilaterale
overeenkomsten, aantonen dat zij beschikken over of, indien de nationale
wetgeving zulks vereist, een aanvraag hebben ingediend voor een
ziektekostenverzekering die alle risico’s dekt die doorgaans ook voor de
onderdanen van de betrokken lidstaat zijn gedekt, voor de perioden waarin deze
dekking en de bijbehorende rechten niet zijn geregeld in verband met of uit
hoofde van de arbeidsovereenkomst; h) niet worden beschouwd als een bedreiging
voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid. 2. De lidstaten schrijven voor
dat alle voorwaarden die in de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen
en/of algemeen verbindende collectieve arbeidsovereenkomsten zijn vastgesteld
voor ter beschikking gestelde werknemers in een vergelijkbare situatie in de
relevante beroepssectoren in acht worden genomen met betrekking tot de tijdens
de overplaatsing toegekende bezoldiging. Ontbreekt een stelsel voor het algemeen verbindend
verklaren van collectieve arbeidsovereenkomsten, dan kunnen de lidstaten
besluiten zich te baseren op de collectieve arbeidsovereenkomsten die algemene
rechtsgevolgen hebben voor alle soortgelijke ondernemingen in het betrokken
geografische gebied en in de betrokken beroepsgroep of bedrijfstak, en/of op de
collectieve arbeidsovereenkomsten die zijn gesloten door de op nationaal niveau
meest representatieve organisaties van de sociale partners en die op het gehele
nationale grondgebied worden toegepast. 3. Naast de in de leden 1 en 2
genoemde bewijzen legt iedere onderdaan van een derde land die een aanvraag
indient om als afgestudeerde stagiair te worden toegelaten, een stage‑overeenkomst
over met een beschrijving van het stageprogramma, de duur ervan en de wijze
waarop tijdens de stage toezicht zal worden uitgeoefend op de aanvrager. 4. Wanneer bij de overplaatsing
gastentiteiten zijn betrokken die in meerdere lidstaten zijn gevestigd, levert
iedere onderdaan van een derde land die een aanvraag indient om op grond van
deze richtlijn te worden toegelaten, het bewijs dat hij of zij de uit hoofde
van artikel 16, lid 1, onder b), vereiste kennisgeving heeft
gedaan. 5. Elke wijziging die gevolgen
heeft voor de in dit artikel vastgestelde toelatingsvoorwaarden, wordt
meegedeeld aan de bevoegde instanties van de betrokken lidstaat. Artikel 6
Weigeringsgronden 1. De lidstaten wijzen een
aanvraag af indien niet aan de in artikel 5 vastgestelde voorwaarden is voldaan
of indien de overgelegde documenten op frauduleuze wijze zijn verkregen, dan
wel vervalst of veranderd zijn. 2. De lidstaten wijzen een
aanvraag af indien tegen de werkgever of de gastentiteit naar nationaal recht
een sanctie is uitgesproken voor zwartwerk en/of illegale arbeid. 3. De lidstaten kunnen een
aanvraag afwijzen op grond van toelatingsquota voor onderdanen van derde
landen. 4. Wanneer bij de overplaatsing
gastentiteiten betrokken zijn die in meerdere lidstaten zijn gevestigd, beperkt
de lidstaat waar de aanvraag is ingediend de geografische geldigheid van de
vergunning tot de lidstaten waarin is voldaan aan de in artikel 5 vastgestelde
voorwaarden. Artikel 7
Intrekking of niet-verlenging van de vergunning 1. De lidstaten trekken een
vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon in of
weigeren deze te verlengen in de volgende gevallen: a) indien de vergunning op frauduleuze wijze
is verkregen, dan wel vervalst of veranderd is,
of b) indien de houder om andere redenen dan
waarvoor hij of zij werd toegelaten, op het grondgebied verblijft. 2. De lidstaten kunnen een
vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon intrekken of
weigeren te verlengen in de volgende gevallen: a) wanneer niet of niet langer is voldaan
aan de voorwaarden van artikel 5,
of b) om redenen die verband houden met de
openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid. Artikel 8
Sancties De lidstaten kunnen de gastentiteit
aansprakelijk stellen, en sancties vaststellen voor het niet in acht nemen van
de toelatingsvoorwaarden. Die sancties zijn doeltreffend, evenredig en
afschrikkend. HOOFDSTUK III
PROCEDURE EN VERGUNNING Artikel 9
Toegang tot informatie De lidstaten nemen de nodige maatregelen om
informatie beschikbaar te stellen over toegang en verblijf, met inbegrip van de
rechten, en over alle voor een aanvraag benodigde bewijsstukken. Artikel 10
Toelatingsaanvragen 1. De lidstaten bepalen of een
aanvraag moet worden ingediend door de onderdaan van een derde land of door de
gastentiteit. 2. De aanvraag wordt alleen
behandeld wanneer de onderdaan van een derde land verblijft buiten het
grondgebied van de lidstaat tot welke hij of zij wenst te worden toegelaten. 3. De aanvraag wordt ingediend
bij de instanties van de lidstaat waar de overplaatsing binnen een onderneming
hoofdzakelijk plaatsvindt. 4. De lidstaten wijzen de
instantie aan die bevoegd is om de aanvragen in ontvangst te nemen en de
vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon af te geven. 5. De aanvraag wordt in het
kader van een enkele aanvraagprocedure ingediend. 6. De betrokken lidstaat biedt
de onderdanen van een derde land van wie de toelatingsaanvraag is goedgekeurd,
alle faciliteiten om de benodigde visa te verkrijgen. 7. Spoedprocedures kunnen
beschikbaar worden gesteld aan concerns die overeenkomstig de nationale
wetgeving of administratieve praktijk met het oog daarop zijn erkend door de
lidstaten. De erkenning wordt verleend voor een
maximumperiode van drie jaar, op basis van de volgende informatie: a) informatie over de financiële draagkracht
van het concern om te waarborgen dat de binnen een onderneming overgeplaatste
persoon de vereiste bezoldiging en de rechten krijgt als bedoeld in
artikel 14; b) het bewijs dat bij eerdere
overplaatsingen aan de toelatingsvoorwaarden is voldaan; c) het bewijs dat in het gastland aan de
belastingwetgeving en –regelingen is voldaan; d) informatie met betrekking tot toekomstige
overplaatsingen. 8. De in lid 7 bedoelde
spoedprocedures houden het volgende in: a) de aanvrager wordt vrijgesteld van de
verplichting om de in artikel 5 bedoelde documenten over te leggen wanneer deze
reeds eerder zijn overgelegd en nog steeds geldig zijn; b) een spoedprocedure voor toelating waarbij
vergunningen voor binnen een onderneming overgeplaatste personen kunnen worden
afgegeven binnen een kortere termijn dan is vastgesteld in artikel 12, lid 1,
of c) specifieke maatregelen ter
vergemakkelijking van de afgifte van visa. 9. Een concern dat
overeenkomstig lid 7 is erkend, stelt de bevoegde instantie in kennis van elke
wijziging die gevolgen heeft voor de erkenningsvoorwaarden. 10. De lidstaten stellen passende
sancties vast, met inbegrip van intrekking van de erkenning, wanneer de in
lid 7 vermelde bewijsstukken en informatie niet zijn verstrekt. Artikel 11
Vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon 1. Binnen een onderneming
overgeplaatste personen die voldoen aan de in artikel 5 vastgestelde
toelatingscriteria en ten aanzien van wie de bevoegde instanties een positief
besluit hebben genomen, krijgen een vergunning voor een binnen een onderneming
overgeplaatste persoon. 2. De geldigheidsduur van de
vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon bedraagt ‑ al
naargelang welke periode korter is ‑ ten minste een jaar of de duur
van de overplaatsing naar het grondgebied van de betrokken lidstaat, en kan
worden verlengd tot maximaal drie jaar voor leidinggevenden en specialisten, en
tot een jaar voor afgestudeerde stagiairs. 3. De vergunning voor een binnen
een onderneming overgeplaatste persoon die wordt afgegeven door de bevoegde
instanties van de lidstaat, beantwoordt aan het uniforme model dat is
vastgelegd in Verordening (EG) nr. 1030/2002 van de Raad[14]. Overeenkomstig punt a) 7.5-9 van de
bijlage bij die verordening vermelden de lidstaten op de verblijfsvergunning
informatie over de arbeidsvergunning conform de voorwaarden van artikel 13. 4. In de rubriek "soort titel" vermelden de
lidstaten "binnen een onderneming overgeplaatste persoon" en de naam
van het betrokken concern. De lidstaten verstrekken de houder van een
vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon, een
aanvullend document met een lijst van de entiteiten die de onderdaan van een
derde land mogen opnemen; het document wordt gewijzigd bij elke verandering van
de lijst. 5. De lidstaten geven in geen
geval aanvullende vergunningen af, in het bijzonder geen arbeidsvergunningen
van welke aard ook. Artikel 12
Procedurele waarborgen 1. De bevoegde instanties van de
betrokken lidstaat nemen een besluit over de aanvraag om als een binnen een
onderneming overgeplaatste persoon te worden toegelaten tot een lidstaat of om
wijziging van het in artikel 11, lid 4, bedoelde aanvullende document
en stellen de aanvrager, overeenkomstig de nationale wettelijke
kennisgevingsprocedures van de betrokken lidstaat, uiterlijk dertig dagen nadat
de volledige aanvraag is ingediend, schriftelijk in kennis van hun besluit. Bij
wijze van uitzondering kan in het geval van complexe aanvragen, waaronder
aanvragen met betrekking tot gastentiteiten in meerdere lidstaten, de termijn
worden verlengd met maximaal zestig dagen. 2. Indien de ter staving van de
aanvraag verstrekte gegevens ontoereikend zijn, delen de bevoegde instanties de
aanvrager binnen een redelijke termijn mee welke aanvullende gegevens vereist
zijn en stellen zij voor de verstrekking hiervan een redelijke termijn vast. 3. Besluiten tot afwijzing van
een aanvraag of tot niet‑verlenging of intrekking van een vergunning voor
een binnen een onderneming overgeplaatste persoon, worden schriftelijk
meegedeeld aan de aanvrager en kunnen juridisch worden aangevochten in de
betrokken lidstaat, overeenkomstig het nationale recht. In de kennisgeving
worden de redenen voor het besluit gegeven, alsmede informatie over de beschikbare
beroepsmogelijkheden en de termijnen die daarvoor gelden. HOOFDSTUK IV
RECHTEN Artikel 13
Rechten op basis van de vergunning voor een binnen een onderneming
overgeplaatste persoon Tijdens de geldigheidsduur van een vergunning
voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon heeft de houder ten
minste de volgende rechten: 1. het recht van toegang tot en
verblijf op het grondgebied van de lidstaat die de vergunning heeft afgegeven; 2. vrije toegang tot het gehele
grondgebied van de lidstaat die de vergunning heeft afgegeven, binnen de
beperkingen die door de nationale wetgeving worden opgelegd; 3. het recht de specifieke arbeid te
verrichten die is toegestaan krachtens de vergunning conform het nationale
recht, in elke andere entiteit die tot hetzelfde concern behoort en is
opgenomen in het in artikel 11, lid 4, bedoelde aanvullende document,
overeenkomstig artikel 16; 4. het recht zijn of haar opdracht uit
te oefenen in de gebouwen van klanten van de entiteiten die tot hetzelfde
concern behoren en zijn opgenomen in het in artikel 11, lid 4,
bedoelde aanvullende document, zolang de arbeidsverhouding met de in een derde
land gevestigde onderneming bestaat. Artikel 14
Rechten Ongeacht het recht
dat op het dienstverband van toepassing is, hebben binnen een onderneming
overgeplaatste personen recht op: 1. De arbeidsvoorwaarden en
–verplichtingen die gelden voor ter beschikking gestelde werknemers in een
vergelijkbare situatie, zoals vastgesteld in de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen en/of algemeen verbindende collectieve
arbeidsovereenkomsten in de lidstaat die hen op grond van deze richtlijn heeft
toegelaten. Ontbreekt een stelsel voor het
algemeen verbindend verklaren van collectieve arbeidsovereenkomsten, dan kunnen
de lidstaten besluiten zich te baseren op de collectieve arbeidsovereenkomsten
die algemene rechtsgevolgen hebben voor alle soortgelijke ondernemingen in het
betrokken geografische gebied en in de betrokken beroepsgroep of bedrijfstak,
en/of op de collectieve arbeidsovereenkomsten die zijn gesloten door de op
nationaal niveau meest representatieve organisaties van de sociale partners en
die op het gehele nationale grondgebied worden toegepast. 2. Gelijke behandeling met eigen
onderdanen van de gastlidstaat, met betrekking tot: a) vrijheid van vereniging en aansluiting
bij of lidmaatschap van een werknemers‑ of werkgeversorganisatie of een
andere organisatie waarvan de leden een bepaald beroep uitoefenen, met inbegrip
van aanspraak op de door dergelijke organisaties verschafte voordelen,
onverminderd de nationale bepalingen inzake openbare orde en openbare
veiligheid; b) erkenning van diploma's, certificaten en
andere beroepskwalificaties, overeenkomstig de desbetreffende nationale
procedures; c) onverminderd de bestaande bilaterale
overeenkomsten, bepalingen in de nationale wetgeving inzake takken van sociale
zekerheid zoals beschreven in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 883/2004. In
het geval van mobiliteit tussen de lidstaten en onverminderd de bestaande
bilaterale overeenkomsten, is Verordening (EG) 859/2003 van de Raad[15] van overeenkomstige toepassing; d) onverminderd Verordening (EG) nr.
859/2003 en de bestaande bilaterale overeenkomsten, de uitbetaling van
wettelijke pensioenen die zijn gebaseerd op de eerdere arbeidsprestaties van de
werknemer wanneer die verhuist naar een derde land; e) toegang tot goederen en diensten en de
levering van voor het publiek beschikbare goederen en diensten, met
uitzondering van volkshuisvesting en voorlichting en advies door arbeidsbureaus.
Het in punt 2 vastgestelde recht op gelijke
behandeling laat het recht van de lidstaat om de vergunning in te trekken of
niet te verlengen krachtens artikel 7, onverlet. Artikel 15
Gezinsleden 1. Richtlijn 2003/86/EG van
de Raad is van toepassing onder voorbehoud van de in dit artikel neergelegde
afwijkingen. 2. In afwijking van artikel 3,
lid 1, en artikel 8 van Richtlijn 2003/86/EG wordt aan gezinshereniging in de
eerste lidstaat niet de voorwaarde verbonden dat de houder van de op grond van
deze richtlijn afgegeven vergunning reden heeft om te verwachten dat hem of
haar een permanent verblijfsrecht zal worden toegekend en dat hij of zij een
minimumperiode van verblijf heeft gehad. 3. In afwijking van artikel 4,
lid 1, laatste alinea, en artikel 7, lid 2, van Richtlijn 2003/86/EG kunnen de
daarin bedoelde integratievoorwaarden alleen door de eerste lidstaat worden
toegepast nadat de betrokken personen gezinshereniging is toegestaan. 4. In afwijking van artikel 5,
lid 4, eerste alinea, van Richtlijn 2003/86/EG worden uiterlijk twee maanden na
de datum van indiening van een aanvraag de verblijfsvergunningen voor
gezinsleden door de eerste lidstaat afgegeven, mits is voldaan aan de
voorwaarden voor gezinshereniging. 5. In afwijking van artikel 13,
leden 2 en 3, van Richtlijn 2003/86/EG hebben de verblijfsvergunningen van
gezinsleden in de eerste lidstaat dezelfde geldigheidsduur als die van de
vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon, voor zover
de geldigheidsduur van hun reisdocumenten dit toelaat. HOOFDSTUK V
MOBILITEIT TUSSEN LIDSTATEN Artikel 16
Mobiliteit tussen lidstaten 1. Onderdanen van derde landen
aan wie in een eerste lidstaat een vergunning voor een binnen een onderneming
overgeplaatste persoon is afgegeven en die voldoen aan de in artikel 5
vastgestelde toelatingscriteria en die in een andere lidstaat een vergunning
voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon aanvragen, mogen in elke
andere in die lidstaat gevestigde entiteit die tot hetzelfde concern behoort en
in de gebouwen van klanten van die gastentiteit werken, mits is voldaan aan de
voorwaarden van artikel 13, lid 4, en zulks op basis van de verblijfsvergunning
die door de eerste lidstaat is afgegeven en het in artikel 11, lid 4,
bedoelde aanvullende document, op voorwaarde dat: a) de overplaatsing naar de andere lidstaat
of lidstaten niet langer duurt dan twaalf maanden; b) de aanvrager bij de bevoegde instantie
van de andere lidstaat vóór zijn of haar overplaatsing naar die lidstaat de in
artikel 5, leden 1, 2 en 3, bedoelde documenten heeft ingediend met betrekking
tot de overplaatsing naar die lidstaat en aan de eerste lidstaat bewijzen heeft
verstrekt van deze indiening. 2. Indien de overplaatsing naar
de andere lidstaat langer dan twaalf maanden duurt, kan de andere lidstaat de
indiening verlangen van een nieuwe aanvraag om een verblijfsvergunning voor een
binnen een onderneming overgeplaatste persoon in die lidstaat. Wanneer voor mobiliteitsdoeleinden in de
desbetreffende wetgeving een visum of een verblijfsvergunning vereist is, wordt
dit visum of deze verblijfsvergunning tijdig afgegeven binnen een periode die
de voortzetting van de opdracht niet hindert, terwijl aan de bevoegde instanties
voldoende tijd wordt gelaten om de aanvragen te behandelen. De lidstaten eisen niet dat binnen een onderneming
overgeplaatste personen het grondgebied verlaten om een aanvraag voor een visum
of een verblijfsvergunning in te dienen. 3. De overplaatsing naar de
Europese Unie duurt ten hoogste drie jaar voor leidinggevenden en specialisten
en een jaar voor afgestudeerde stagiairs. HOOFDSTUK VI
slotbepalingen Artikel 17
Statistische gegevens 1. De lidstaten delen aan de
Commissie statistische gegevens mee over het aantal verblijfsvergunningen dat
voor het eerst is afgegeven of is verlengd en, voor zover mogelijk, over het
aantal verblijfsvergunningen dat is ingetrokken in het kader van
overplaatsingen binnen een onderneming van onderdanen van derde landen,
uitgesplitst naar staatsburgerschap, leeftijd en geslacht, functie van de
overgeplaatste persoon (leidinggevende, specialist en afgestudeerde stagiair),
geldigheidsduur van de vergunning en economische sector. 2. De in lid 1 bedoelde
statistische gegevens worden meegedeeld overeenkomstig Verordening (EG) nr.
862/2007[16]. 3. De referentieperiode voor de
in lid 1 bedoelde statistische gegevens bedraagt een kalenderjaar en de
statistische gegevens worden binnen zes maanden na het einde van het
referentiejaar bij de Commissie ingediend. Het eerste referentiejaar is […….]. Artikel 18
Rapportering De Commissie brengt uiterlijk [drie jaar na de
omzettingsdatum van deze richtlijn] en vervolgens om de drie jaar aan het
Europees Parlement en de Raad verslag uit over de toepassing van deze richtlijn
in de lidstaten, zo nodig vergezeld van een voorstel. Artikel 19
Contactpunten 1. De
lidstaten wijzen contactpunten aan die verantwoordelijk zijn voor het ontvangen
en doorgeven van de informatie die nodig is voor de tenuitvoerlegging van
artikel 16. 2. De lidstaten stellen zich
coöperatief op bij de in lid 1 bedoelde uitwisseling van informatie en
documentatie. Artikel 20
Omzetting 1. De lidstaten doen de nodige
wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk
[twee jaar na inwerkingtreding] aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de
Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee, alsmede een
transponeringstabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze
richtlijn. Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen,
wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze
richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de
lidstaten. 2. De lidstaten delen de
Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij
op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen. Artikel 21
Inwerkingtreding Deze richtlijn treedt in werking op de […] dag
volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese
Unie. Artikel 22
Adressaten Deze richtlijn
is gericht tot de lidstaten, overeenkomstig het Verdrag betreffende de werking
van de Europese Unie. Gedaan te Brussel, [... ] Voor het Europees Parlement Voor
de Raad De voorzitter De
voorzitter [1] COM(2007) 637 en 638 van 23.10.2007. [2] PB C 274 van 19.9.1996, blz. 3. [3] Zie WTO doc. S/L/286 en S/C/W/273 suppl. 1 van 18
december 2006. [4] Voorstel voor een richtlijn betreffende een enkele
aanvraagprocedure voor onderdanen van derde landen om op het grondgebied van
een lidstaat te verblijven en te werken en betreffende een gemeenschappelijk
pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat
verblijven. [5] PB C […] van […], blz. […]. [6] PB C […] van […], blz. […]. [7] COM(2010) 2020. [8] COM(2005) 669. [9] WTO doc. S/L/286 en S/C/W/273 suppl. 1 van 18 december
2006. [10] PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1. [11] PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1. [12] PB L 289 van 3.11.2005, blz. 15. [13] PB L 251 van 3.10.2003, blz. 12. [14] PB L 157 van 15.6.2002, blz. 1. [15] PB L 124 van 20.5.2003, blz. 1. [16] PB L 199 van 31.7.2007, blz. 23.