TOELICHTING
1.ACHTERGROND VAN DE GEDELEGEERDE HANDELING
Motivering en doel van het voorstel
Het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) voorziet in de geleidelijke invoering van een aanlandingsverplichting om een einde te maken aan het probleem van de teruggooi van vis. Deze verplichting is vastgesteld in artikel 15, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid (hierna "de basisverordening" genoemd).
Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/98 van de Commissie heeft betrekking op de uitvoering van de internationale verplichtingen van de Europese Unie, als bedoeld in artikel 15, lid 2, van de basisverordening, en voorziet in een aantal afwijkingen van de aanlandingsverplichting. Bedoeling hiervan is ervoor te zorgen dat de desbetreffende regels van de Europese Unie (EU) in overeenstemming zijn met haar internationale verplichtingen en dat de Unie de besluiten naleeft van regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's), zoals de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (ICCAT) en de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan.
Tijdens de jaarlijkse vergadering van de ICCAT van 2016 in Vilamoura (Portugal) hebben de CPC's van de ICCAT een beslissende stap gezet om de alarmerende toestand van zwaardvis in de Middellandse Zee (Xyphias gladius) aan te pakken. In ICCAT-aanbeveling 16-05 werd een 15-jarig herstelplan vastgesteld.
Dit voorstel heeft tot doel Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/98 van de Commissie te wijzigen. De wijziging zal de EU in staat stellen aan ICCAT-aanbeveling 16-05 tot vaststelling van een meerjarenplan voor het herstel van het zwaardvisbestand in de Middellandse Zee te voldoen, in die zin dat de aanlandingsverplichting van artikel 15, lid 1, van de basisverordening niet van toepassing zal zijn op EU-vaartuigen die vissen op zwaardvis in de Middellandse Zee.
Artikelsgewijze toelichting
In artikel 15 van de basisverordening is een aanlandingsverplichting (teruggooiverbod) vastgesteld voor alle vangsten van soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden. Bovendien moeten in de Middellandse Zee vangsten van soorten waarvoor minimummaten gelden en die worden gevangen tijdens visserijactiviteiten in EU-wateren of door EU-vissersvaartuigen in wateren buiten de Unie die niet onder de soevereiniteit of jurisdictie van derde landen vallen, aan boord worden gebracht en gehouden, worden geregistreerd, worden aangeland en in mindering worden gebracht op de quota.
In artikel 15, lid 2, van de basisverordening, is bepaald dat de aanlandingsverplichting de internationale verplichtingen van de EU onverlet laat. De Commissie is bevoegd om gedelegeerde handelingen vast te stellen om die internationale verplichtingen in het EU-recht te implementeren. Het gaat daarbij met name om afwijkingen van de aanlandingsverplichting.
De EU is een CPC bij ICCAT. In aanbeveling 16-05 heeft de ICCAT een meerjarig herstelplan voor mediterrane zwaardvis vastgesteld, dat in juni 2017 in werking is getreden en bindend is voor de EU-lidstaten.
ICCAT-aanbeveling 16-05 verplicht vaartuigen die hun toegewezen quotum en/of het toegestane maximum aan bijvangsten hebben overschreden, ertoe om hun zwaardvisvangsten terug te gooien.
Ook vaartuigen die aan sport en -recreatievisserij doen, vallen onder deze verplichting. Mediterrane zwaardvis die onder de minimummaat wordt gevangen, moet eveneens worden teruggegooid, tenzij daarvoor bijvangstbeperkingen gelden die de lidstaten in hun jaarlijkse visserijplannen hebben vastgesteld.
Artikel 1, punt 1, wijzigt de titel van artikel 5 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/98 als volgt: "Zwaardvis in de Atlantische Oceaan". Op die manier worden het zwaardvisbestand in de Atlantische Oceaan en het zwaardvisbestand in de Middellandse Zee in twee afzonderlijke artikelen behandeld.
Artikel 1, punt 2, voorziet in een vrijstelling van artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, zodat mediterrane zwaardvis mag worden teruggegooid in de in ICCAT-aanbeveling 16-05 omschreven gevallen.
2.RAADPLEGINGEN VOORAFGAAND AAN DE VASTSTELLING VAN DE HANDELING
De lidstaten hebben de Commissie herhaaldelijk verzocht dit voorstel in te dienen om ervoor te zorgen dat er consistentie komt tussen enerzijds het vervullen van de internationale verplichtingen van de EU en anderzijds de inachtneming van de beginselen van het gemeenschappelijk visserijbeleid.
De overheidsdiensten van de lidstaten zijn geraadpleegd tijdens een vergadering van het Comité voor de visserij en de aquacultuur op 8 september 2017.
De adviesraad voor de Middellandse Zee (MEDAC) is van deze wijziging in kennis gesteld tijdens de vergadering op 10 oktober 2017.
Aangezien deze gedelegeerde handeling is gebaseerd op de in artikel 15, lid 2, van de basisverordening verleende machtiging en geen nieuw beleidsinitiatief omvat, was het niet nodig een effectbeoordeling uit te voeren.
3.JURIDISCHE ELEMENTEN VAN DE GEDELEGEERDE HANDELING
Rechtsgrondslag
Artikel 15, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.
Subsidiariteitsbeginsel
Het voorstel valt onder de exclusieve bevoegdheid van de Europese Unie (zie artikel 3, lid 1, onder d), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie). Het subsidiariteitsbeginsel is derhalve niet van toepassing.
Evenredigheidsbeginsel
Het voorstel zal ervoor zorgen dat de EU-wetgeving inzake teruggooi in overeenstemming is met de internationale verplichtingen van de EU en dat de EU de besluiten van ROVB's waarbij zij een verdrag- of overeenkomstsluitende partij is, naleeft. Dit gebeurt zonder verder te gaan dan wat nodig is om het beoogde doel te bereiken.
Keuze van het instrument
Het gekozen instrument is een gedelegeerde verordening van de Commissie, als bedoeld in artikel 15, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) …/... VAN DE COMMISSIE
van 30.11.2017
tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/98 van de Commissie betreffende de uitvoering van de internationale verplichtingen van de Unie, als bedoeld in artikel 15, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad, in het kader van het Internationaal Verdrag voor de instandhouding van Atlantische tonijnen, wat betreft het zwaardvisbestand in de Middellandse Zee
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad, en met name artikel 15, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)Met het oog op de bescherming van jonge zwaardvis voorzien de punten 15 en 17 van aanbeveling 16-05 van de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (ICCAT) in een minimummaat voor in de Middellandse Zee gevangen zwaardvis. Vangsten en bijvangsten van zwaardvis onder deze minimummaat, ook in sport- en recreatievisserij, mogen niet aan boord van het vissersvaartuig worden gehouden of worden overgeladen, vervoerd, opgeslagen, aangeland, verkocht, uitgestald of te koop aangeboden.
(2)Bovendien moeten vaartuigen die actief op zwaardvis vissen, op grond van punt 17 van aanbeveling 16-05 incidentele vangsten van zwaardvis onder de minimummaat teruggooien indien die meer dan 5 % van hun totale zwaardvisvangst uitmaken.
(3)Voor sport- en recreatievisserij leggen de punten 23 en 26 van ICCAT-aanbeveling 16-05 een verbod vast op het vangen, aan boord houden, overladen of aanlanden van meer dan één mediterrane zwaardvis per vaartuig per dag. De nodige maatregelen moeten worden getroffen om mediterrane zwaardvis, en met name jonge zwaardvis, die levend is gevangen in het kader van sport- en recreatievisserij, zoveel mogelijk vrij te laten.
(4)Punt 30 van ICCAT-aanbeveling 16-05 bepaalt dat vaartuigen die niet zijn gemachtigd om in de Middellandse zee actief op zwaardvis te vissen, vangsten van zwaardvis aan boord mogen houden die niet groter zijn dan een bijvangstbeperking per vaartuig en per visserijactiviteit. De lidstaten moeten die bijvangstbeperking vaststellen in hun jaarlijkse visserijplannen en meedelen aan de Commissie. Vaartuigen die niet zijn gemachtigd om in de Middellandse Zee actief op zwaardvis te vissen, mogen geen bijvangsten van mediterrane zwaardvis aan boord houden die de beperkingen in de nationale jaarlijkse visserijplannen overschrijden.
(5)Om de samenhang tussen ICCAT-aanbeveling 16-05 en het EU-recht te waarborgen, mag de in artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde aanlandingsverplichting niet van toepassing zijn op vaartuigen van de Unie die deelnemen aan de visserij op mediterrane zwaardvis.
(6)Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/98 van de Commissie moet worden gewijzigd om er nieuwe bepalingen in op te nemen die de in ICCAT-aanbeveling 16-05 neergelegde visserijvoorwaarden weergeven.
(7)Overeenkomstig het tijdschema in artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 dient deze verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking te treden,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/98 wordt als volgt gewijzigd:
(1)Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:
(a)de titel van artikel 5 wordt vervangen door:
"Zwaardvis in de Atlantische Oceaan";
(b)lid 1 wordt geschrapt;
(c)lid 2 wordt vervangen door:
"2.
In afwijking van artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is het verboden om zwaardvis (Xiphias gladius) onder de minimummaat als bedoeld in bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 520/2007 te bevissen, aan boord te houden, over te laden, aan te landen, te vervoeren, op te slaan, uit te stallen, te verkopen of te koop aan te bieden.".
(2)Het volgende nieuwe artikel 5 bis wordt toegevoegd:
"Artikel 5 bis
Zwaardvis in de Middellandse Zee
(1)In afwijking van artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is het verboden om zwaardvis (Xiphias gladius) te bevissen en vangsten en bijvangsten daarvan aan boord te houden, over te laden, aan te landen, te vervoeren, op te slaan, te verkopen, uit te stallen of te koop aan te bieden, ook in het kader van sport- en recreatievisserij indien:
(a)de vorklengte van de onderkaak minder dan 100 cm bedraagt, of
(b)het levend gewicht minder dan 11,4 kg of het ontkieuwd en ontweid gewicht minder dan 10,2 kg bedraagt.
(2)Onverminderd lid 1 mogen vangstvaartuigen die actief op zwaardvis vissen, incidentele vangsten van zwaardvis onder de minimumgrootte aan boord houden, overladen, overbrengen, aanlanden, vervoeren, opslaan, verkopen, uitstallen of te koop aanbieden zolang die vangsten niet meer dan 5 % van de zwaardvisvangst van die vaartuigen uitmaken, uitgedrukt in gewicht of in aantal exemplaren.
(3)In afwijking van artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 mogen vangstvaartuigen die niet actief vissen op zwaardvis, geen hoeveelheid zwaardvis aan boord houden die, in gewicht of aantal exemplaren, groter is dan de bijvangstbeperking die de lidstaten in hun nationale jaarlijkse visserijplannen voor de totale vangst aan boord hebben vastgesteld.
(4)In afwijking van artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is het in sport- en recreatievisserij verboden om meer dan één zwaardvis per vaartuig per dag te vangen, aan boord te houden, over te laden of aan te landen. De lidstaten treffen de nodige maatregelen om de vrijlating van zwaardvis die levend is gevangen in het kader van sport- en recreatievisserij, te waarborgen en te vergemakkelijken."
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 30.11.2017
Voor de Commissie
De Voorzitter
Jean-Claude JUNCKER