This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 32025L0872
Council Directive (EU) 2025/872 of 14 April 2025 amending Directive 2011/16/EU on administrative cooperation in the field of taxation
Richtlijn (EU) 2025/872 van de Raad van 14 april 2025 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen
Richtlijn (EU) 2025/872 van de Raad van 14 april 2025 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen
ST/6963/2025/INIT
PB L, 2025/872, 6.5.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2025/872/oj (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
In force
|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2025/872 |
6.5.2025 |
RICHTLIJN (EU) 2025/872 VAN DE RAAD
van 14 april 2025
tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 113 en 115,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Parlement (1),
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),
Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad (3) wordt uitvoering gegeven aan de overeenkomst die op 8 oktober 2021 is bereikt door het inclusief kader van de OESO/G20 inzake grondslaguitholling en winstverschuiving (base erosion and profit shifting – BEPS), en volgt nauwgezet de door het inclusief kader van de OESO/G20 op 14 december 2021 overeengekomen modelvoorschriften ter bestrijding van mondiale grondslaguitholling (pijler 2) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) (de “OESO-modelvoorschriften”). Bij Richtlijn (EU) 2022/2523 wordt een gekwalificeerde regel inzake inkomeninclusie (income inclusion rule — IIR) en een gekwalificeerde regel inzake onderbelaste winst (under-taxed profit rule — UTPR) ingevoerd. Richtlijn (EU) 2022/2523 biedt de lidstaten ook de mogelijkheid om hun eigen gekwalificeerde binnenlandse bijheffing in te voeren. |
|
(2) |
In Richtlijn (EU) 2022/2523 zijn reeds de regels voor het indienen van aangiften met informatie betreffende de bijheffing vastgesteld, en zijn ook in grote lijnen de categorieën inlichtingen uiteengezet die moeten worden gerapporteerd door de groepen van multinationale ondernemingen (“MNO-groepen”) en de omvangrijke binnenlandse groepen die onder die richtlijn vallen. De belastingdiensten hebben die Aangiften met informatie betreffende de bijheffing nodig om een passende risicobeoordeling uit te voeren, de juistheid van de belastingverplichting te beoordelen, en te controleren of MNO-groepen en omvangrijke binnenlandse groepen de in Richtlijn (EU) 2022/2523 vastgestelde regels correct toepassen. |
|
(3) |
Daarom is het passend Richtlijn 2011/16/EU van de Raad (4) te wijzigen om nieuwe regels inzake de automatische uitwisseling van inlichtingen vast te stellen, teneinde de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot de Aangifte met informatie betreffende de bijheffing te vergemakkelijken en daarmee het kader voor de operationele uitvoering van de aangifteverplichtingen van Richtlijn (EU) 2022/2523 vast te stellen, in overeenstemming met de Multilaterale Overeenkomst tussen bevoegde autoriteiten over de uitwisseling van GloBE-informatie van het inclusief kader van de OESO/G20 en de toelichting daarop en de GloBE-informatieaangifte, voor zover die nieuwe regels in overeenstemming zijn met de aangifteverplichtingen van Richtlijn (EU) 2022/2523 en met het Unierecht. |
|
(4) |
Hoewel een groepsentiteit in de regel een Aangifte met informatie betreffende de bijheffing bij haar belastingdienst moet indienen (“lokale indiening”), is in Richtlijn (EU) 2022/2523 bepaald dat een groepsentiteit in afwijking daarvan niet is verplicht bij haar belastingdienst een Aangifte met informatie betreffende de bijheffing in te dienen indien een Aangifte met informatie betreffende de bijheffing wordt ingediend door de uiteindelijke moederentiteit of door een aangewezen indienende entiteit die in een jurisdictie is gevestigd die, voor het verslagjaar (“Te rapporteren verslagjaar”), een van kracht zijnde kwalificerende overeenkomst tussen bevoegde autoriteiten heeft met de lidstaat waar de groepsentiteit is gevestigd (“centrale indiening”). Met deze richtlijn wordt die kwalificerende overeenkomst tussen bevoegde autoriteiten tussen de lidstaten tot stand gebracht. |
|
(5) |
De nieuwe regels inzake de automatische uitwisseling van inlichtingen moeten de centrale indiening van de Aangifte met informatie betreffende de bijheffing mogelijk maken, in overeenstemming met Richtlijn (EU) 2022/2523, en kunnen ook dienen voor indieningsdoeleinden in elke jurisdictie dat de OESO-modelvoorschriften uitvoert (“uitvoerende jurisdictie”) (5). De belastingdiensten van elke betrokken lidstaat moeten de benodigde informatie ontvangen in het kader van de gestandaardiseerde informatieaangifte. |
|
(6) |
De lidstaten moeten de nodige maatregelen nemen om van de indienende groepsentiteiten van MNO-groepen te verlangen dat zij het standaardmodel van Richtlijn 2011/16/EU gebruiken om te voldoen aan hun aangifteverplichtingen uit hoofde van Richtlijn (EU) 2022/2523. De lidstaten kunnen zelf bepalen welk model omvangrijke binnenlandse groepen moeten gebruiken om te voldoen aan de aangifteverplichtingen van Richtlijn (EU) 2022/2523, behalve in de beperkte gevallen waarin informatie moet worden uitgewisseld. |
|
(7) |
Wanneer een lidstaat in het kader van een centrale indiening overeenkomstig Richtlijn (EU) 2022/2523 van de uiteindelijke moederentiteit of de aangewezen indienende entiteit van een MNO-groep een Aangifte met informatie betreffende de bijheffing ontvangt, moet die lidstaat andere Uitvoerende lidstaten of Lidstaten die alleen een gekwalificeerde binnenlandse bijheffing toepassen uiterlijk drie maanden na het verstrijken van de indieningstermijn, of – bij ontvangst van een Aangifte met informatie betreffende de bijheffing na het verstrijken van de indieningstermijn – uiterlijk drie maanden na die ontvangst de relevante specifieke delen van de Aangifte met informatie betreffende de bijheffing meedelen overeenkomstig de door het inclusief kader van de OESO/G20 goedgekeurde verspreidingsaanpak (dissemination approach). Voor het eerste Te rapporteren verslagjaar moet de termijn om die relevante specifieke delen van de Aangifte met informatie betreffende de bijheffing mee te delen, worden verlengd tot zes maanden na het verstrijken van de indieningstermijn. Daarnaast vindt in ieder geval (d.w.z. voor het eerste en de volgende Te rapporteren verslagjaren) de eerste uitwisseling niet eerder plaats dan 1 december 2026 om eventuele vertragingen in het nieuwe uitwisselingssysteem te ondervangen. |
|
(8) |
De lidstaat van de uiteindelijke moederentiteit van de MNO-groep moet de volledige Aangifte met informatie betreffende de bijheffing ontvangen. De Uitvoerende lidstaat moet het Algemene deel van de Aangifte met informatie betreffende de bijheffing worden verstrekt, mits er op zijn grondgebied een groepsentiteit van de MNO-groep is gevestigd. Aan de Lidstaat die alleen een gekwalificeerde binnenlandse bijheffing toepast en waar de groepsentiteiten van de MNO-groep zijn gevestigd, moeten de relevante delen van het Algemene deel van de Aangifte met informatie betreffende de bijheffing worden verstrekt, alhoewel geen informatie ten aanzien van de Aangifte met informatie betreffende de bijheffing via de automatische uitwisseling van informatie hoeft te worden verstuurd door Lidstaten die alleen een gekwalificeerde binnenlandse bijheffing toepassen. |
|
(9) |
Aan de lidstaat met heffingsbevoegdheid overeenkomstig Richtlijn (EU) 2022/2523 moeten de specifieke Jurisdictiedelen worden verstrekt, met inbegrip van de gekwalificeerde binnenlandse bijheffing, overeenkomstig de verspreidingsaanpak. |
|
(10) |
Op grond van Richtlijn (EU) 2022/2523 kunnen lidstaten waar niet meer dan twaalf uiteindelijke moederentiteiten van onder de toepassing van deze richtlijn vallende groepen zijn gevestigd, ervoor kiezen de IIR en de UTPR gedurende een beperkte periode niet toe te passen. In die gevallen mag een lidstaat, indien het geen Lidstaat die alleen een gekwalificeerde binnenlandse bijheffing toepast is, de regels voor de uitwisseling van Aangiften met informatie betreffende de bijheffing (d.w.z. met betrekking tot het versturen en ontvangen van informatie) pas toepassen wanneer de uit hoofde van Richtlijn (EU) 2022/2523 gekozen periode afloopt. |
|
(11) |
Teneinde eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze richtlijn en met name voor de automatische uitwisseling van informatie tussen bevoegde autoriteiten te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden overgedragen om de nodige praktische regelingen vast te stellen in het kader van de procedure voor de vaststelling van het geautomatiseerde standaardformulier. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (6). |
|
(12) |
Wanneer de ontvangende bevoegde autoriteit redenen heeft om aan te nemen dat de uitgewisselde informatie in een Aangifte met informatie betreffende de bijheffing moet worden gecorrigeerd, moet zij de verzendende bevoegde autoriteit daarvan in kennis stellen. Aangezien deze kennisgeving gewoonlijk plaatsvindt voordat een grondiger risicobeoordeling of belastingonderzoek wordt uitgevoerd, moet de verzendende bevoegde autoriteit enkel in kennis worden gesteld van kennelijke fouten. De gecorrigeerde informatie moet onverwijld worden gedeeld met alle bevoegde autoriteiten waarmee de betreffende informatie overeenkomstig deze richtlijn wordt uitgewisseld. Deze procedure belet belastingdiensten niet om in vervolgverzoeken de correcties te verlangen die nodig zijn om de naleving van Richtlijn (EU) 2022/2523 te controleren uit hoofde van hun nationale recht. |
|
(13) |
Indien een bevoegde autoriteit een op grond van een kennisgeving van een MNO-groep verwachte uitwisseling niet ontvangt, moet zij de bevoegde autoriteit waarvan werd verwacht dat zij de informatie in de ontbrekende uitwisseling zou verzenden, daarvan in kennis stellen. De bevoegde autoriteit waarvan werd verwacht dat zij de informatie zou verzenden, moet onverwijld vaststellen waarom de betrokken informatie niet is uitgewisseld en de bevoegde autoriteit die melding heeft gemaakt van de ontbrekende uitwisseling binnen één maand daarvan in kennis stellen, in voorkomend geval onder vermelding van de verwachte nieuwe datum voor de uitwisseling. Met het oog op de doeltreffende werking van Richtlijn 2011/16/EU moet de uitwisseling zo snel mogelijk plaatsvinden om extra vertragingen voor de lidstaten te vermijden. De verwachte datum van uitwisseling moet worden vastgesteld op uiterlijk drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving van de ontbrekende uitwisseling. |
|
(14) |
Indien de uiteindelijke moederentiteit of de aangewezen indienende entiteit van een MNO-groep de Aangifte met informatie betreffende de bijheffing niet centraal heeft ingediend en de informatie niet op de nieuwe verwachte datum van uitwisseling is ontvangen, kan de bevoegde autoriteit die melding heeft gemaakt van de ontbrekende uitwisseling een lokale indiening verlangen, aangezien niet is voldaan aan de voorwaarden voor centrale indiening van Richtlijn (EU) 2022/2523. |
|
(15) |
Richtlijn 2011/16/EU, en bijlage VII daarbij, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, moeten worden gelezen in samenhang met Richtlijn (EU) 2022/2523. De termen voor de uitwisseling van inlichtingen in verband met de Aangifte met informatie over de bijheffing in het kader van deze richtlijn moeten dezelfde betekenis hebben als die in Richtlijn (EU) 2022/2523. Daarnaast bevat deze richtlijn aanvullende definities die nodig zijn om rekening te houden met de internationale ontwikkelingen in het kader van de uitwisseling van inlichtingen op het gebied van belastingen. |
|
(16) |
Bij de uitvoering van deze richtlijn moeten de lidstaten de Multilaterale Overeenkomst tussen bevoegde autoriteiten over de uitwisseling van GloBE-informatie van het inclusief kader van de OESO/G20 en de toelichting daarop, de OESO-modelvoorschriften en de toelichtingen en voorbeelden in commentaar bij de modelvoorschriften ter bestrijding van mondiale grondslaguitholling (pijler 2) (“Commentary to the Global Anti-Base Erosion Model Rules (Pillar Two)”), dat is uitgebracht door het inclusief kader van de OESO/G20 inzake BEPS, alsook het GloBE-uitvoeringskader en actualiseringen daarvan, gebruiken als bron van illustratie of interpretatie teneinde een consistente toepassing in alle lidstaten te waarborgen, voor zover die bronnen consistent zijn met deze richtlijn, Richtlijn (EU) 2022/2523 en het Unierecht. Bijgevolg moeten MNO-groepen de instructies van het inclusief kader van de OESO/G20 inzake BEPS voor de indiening van het standaardmodel, zoals de inleiding en de toelichting bij de GloBE-informatieaangifte, met inbegrip van de basis voor informatie die wordt gerapporteerd in de GloBE-informatieaangifte en het vereenvoudigde overgangskader voor de rapportage op basis van jurisdictie (voor de verslagjaren die beginnen op of vóór 31 december 2028, exclusief het verslagjaar dat na 30 juni 2030 afloopt), gebruiken als bron van illustratie en interpretatie voor het indienen van de Aangifte met informatie betreffende de bijheffing, teneinde een consistente toepassing te waarborgen, voor zover die bronnen consistent zijn met deze richtlijn en het Unierecht. Daarom is het passend om Richtlijn 2011/16/EU aan te vullen met een aanvullende bijlage die een standaardmodel bevat, dat in overeenstemming is met het door het inclusief kader van de OESO/G20 inzake BEPS opgestelde standaardmodel, voor het indienen van de Aangifte met informatie betreffende de bijheffing uit hoofde van Richtlijn (EU) 2022/2523, zoals vastgesteld bij deze richtlijn. |
|
(17) |
Het standaardmodel voor de Aangifte met informatie betreffende de bijheffing in deze richtlijn zorgt ervoor dat de inlichtingen en belastingberekeningen die een MNO-groep in het kader van de Aangifte met informatie betreffende de bijheffing moet indienen, voldoende omvattend zijn om belastingdiensten in staat te stellen een passende risicobeoordeling uit te voeren en de juistheid van de belastingverplichting van een groepsentiteit uit hoofde van Richtlijn (EU) 2022/2523 te beoordelen. Tegelijkertijd wordt getracht te voorkomen dat aan MNO-groepen onnodige vereisten voor het verzamelen, berekenen en rapporteren van inlichtingen worden opgelegd en dat belastingplichtigen worden blootgesteld aan meerdere, ongecoördineerde verzoeken om nadere inlichtingen in elke uitvoerende jurisdictie. Een gestandaardiseerde Aangifte met informatie betreffende de bijheffing doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van een belastingdienst om een regelmatige binnenlandse belastingaangifte te verlangen of om informatie te verzamelen om een Aangifte betreffende de binnenlandse bijheffing op te stellen. Voor het opstellen van de belastingaangifte, bijvoorbeeld om de bijheffing om te zetten in de nationale munteenheid, moeten de lidstaten daarom in bepaalde gevallen kunnen verlangen dat aanvullende gegevenspunten worden gerapporteerd die verder gaan dan de Aangifte met informatie betreffende de bijheffing. De lidstaten moeten er in het algemeen echter van afzien in het kader van hun regelmatige binnenlandse belastingaangifte- en betalingsvereisten de rapportage van aanvullende gegevenspunten te verlangen die verder gaan dan de Aangifte met informatie betreffende de bijheffing. Die informatie moet betrekking hebben op bijvoorbeeld de belastingschuld, termijnen en de wijze van betaling of op de identificatie en contactgegevens van de belastingplichtige, in plaats van op de berekening van de bijheffing van een groepsentiteit. Deze richtlijn is niet van toepassing op binnenlandse belastingcontroleprocedures en belet belastingdiensten niet om in vervolgverzoeken de ondersteunende inlichtingen te verlangen die nodig zijn om de naleving van bepalingen tot omzetting van Richtlijn (EU) 2022/2523 te controleren uit hoofde van hun nationale recht. |
|
(18) |
Om de uitwisseling van inlichtingen over joint ventures en een gelijke behandeling te waarborgen, moeten de lidstaten in zeldzame gevallen waarin een moederentiteit van een omvangrijke binnenlandse groep een direct of indirect eigendomsbelang heeft in een joint venture of een met een joint venture gelieerde partij die onderworpen is aan een gekwalificeerde binnenlandse bijheffing in een andere lidstaat, verlangen dat een dergelijk omvangrijke binnenlandse groep bij het indienen van de Aangifte met informatie betreffende de bijheffing hetzelfde standaardmodel gebruikt als een MNO-groep, d.w.z. het in deze richtlijn opgenomen standaardmodel voor de Aangifte met informatie betreffende de bijheffing). Bijgevolg moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de bepalingen inzake uitwisseling van inlichtingen in dat geval worden toegepast. |
|
(19) |
Aangezien het noodzakelijk is te voorzien in een volledig rechtskader waaronder ook het de bij Richtlijn (EU) 2023/2226 van de Raad (7) in Richtlijn 2011/16/EU ingevoerde wijzigingen met betrekking tot de verplichte automatische uitwissing van inlichtingen over financiële rekeningen valt, is het voorts van essentieel belang om artikel 8, lid 3 bis, van Richtlijn 2011/16/EU dienovereenkomstig te wijzigen. Bij het bepalen welke inlichtingen moeten worden uitgewisseld, moet rekening worden gehouden met de overgangsmaatregelen in deel XI van bijlage I bij Richtlijn 2011/16/EU. |
|
(20) |
Daar de doelstelling van deze richtlijn, te weten het kader scheppen voor de operationele uitvoering van de aangifteverplichtingen van Richtlijn (EU) 2022/2523 op basis van de gemeenschappelijke aanpak zoals vervat in de OESO-modelvoorschriften en het waarborgen dat de respectieve inlichtingen over financiële rekeningen verplicht automatisch worden uitgewisseld, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, omdat autonoom optreden van de lidstaten het risico van versnippering van de interne markt zou verhogen, maar vanwege de omvang van de hervorming voor mondiale minimumbelastingheffing beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken. |
|
(21) |
Aangezien de lidstaten binnen een zeer korte termijn moeten beginnen met het omzetten van de regels inzake de Aangifte met informatie over bijheffing, moet deze richtlijn met spoed in werking treden. |
|
(22) |
Richtlijn 2011/16/EU moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijzigingen van Richtlijn 2011/16/EU
Richtlijn 2011/16/EU wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
in artikel 3 wordt punt 9 als volgt gewijzigd:
|
|
2) |
in artikel 8 wordt lid 3 bis vervangen door: “3 bis. Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om zijn rapporterende financiële instellingen ertoe te verplichten de in de bijlagen I en II vervatte regels inzake rapportage en due diligence toe te passen en deze, overeenkomstig deel IX van bijlage I, effectief te implementeren en na te leven. Op grond van de in de bijlagen I en II vervatte toepasselijke regels inzake rapportage en due diligence verstrekt de bevoegde autoriteit van elke lidstaat binnen de in lid 6, punt b), vastgestelde termijn aan de bevoegde autoriteit van elke andere lidstaat automatisch de volgende inlichtingen met betrekking tot belastingtijdvakken vanaf 1 januari 2016 betreffende een te rapporteren rekening:
Ten behoeve van de uitwisseling van inlichtingen uit hoofde van dit lid worden, het bedrag en de aard van betalingen verricht ter zake van een te rapporteren rekening vastgesteld in overeenstemming met de nationale wetgeving van de lidstaat die de inlichtingen verstrekt, tenzij in dit lid of in bijlage I of II anderszins is bepaald. De eerste en de tweede alinea van dit lid hebben voorrang op lid 1, punt c), en andere rechtsinstrumenten van de Unie, voor zover de betreffende uitwisseling van inlichtingen onder het toepassingsgebied van lid 1, punt c), of van enig ander rechtsinstrument van de Unie, zou vallen. De bevoegde autoriteit van elke lidstaat verstrekt de in de punten h) tot en met k) van de tweede alinea bedoelde inlichtingen met betrekking tot belastingtijdvakken vanaf 1 januari 2026.” |
|
3) |
het volgende artikel wordt ingevoegd: “Artikel 8 bis sexies Formaat van indiening en uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot Aangiften met informatie betreffende de bijheffing uit hoofde van artikel 44 van Richtlijn (EU) 2022/2523 1. Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om van de indienende groepsentiteit van een MNO-groep te verlangen dat zij het standaardmodel in deel IV van bijlage VII bij deze richtlijn gebruiken om te voldoen aan de aangifteverplichtingen uit hoofde van artikel 44 van Richtlijn (EU) 2022/2523. 2. De bevoegde autoriteit van een lidstaat die de door de uiteindelijke moederentiteit of aangewezen indienende entiteit, zoals bedoeld in artikel 44, lid 3, punten a) en b), van Richtlijn (EU) 2022/2523, ingediende Aangifte met informatie betreffende de bijheffing heeft ontvangen, deelt, door middel van automatische uitwisseling en overeenkomstig de volgende verspreidingsaanpak, het volgende mee:
Niettegenstaande de eerste alinea, punt c), wordt aan UTPR-jurisdicties met een UTPR-percentage van nul alleen het deel van de Aangifte met informatie betreffende de bijheffing verstrekt dat informatie bevat over de toerekening van de bijheffing uit hoofde van de UTPR voor die jurisdictie, waarbij die informatie in overeenstemming is met een uittreksel van punt 3.4.3 van de Aangifte met informatie betreffende de bijheffing; aan de Uitvoerende lidstaat waar de uiteindelijke moederentiteit is gevestigd, worden alle Jurisdictiedelen verstrekt. 3. De bevoegde autoriteit van een lidstaat deelt de op grond van lid 2 ontvangen Aangifte met informatie betreffende de bijheffing mee uiterlijk drie maanden na het verstrijken van de indieningstermijn voor het Te rapporteren verslagjaar. 4. De bevoegde autoriteit van een lidstaat deelt de Aangifte met informatie betreffende de bijheffing die na het verstrijken van de indieningstermijn is ontvangen mee uiterlijk drie maanden na de datum van ontvangst. 5. De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen de noodzakelijke praktische regelingen vast om de in lid 2 van dit artikel bedoelde mededeling te vergemakkelijken. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 26, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld. 6. De Commissie heeft geen toegang tot de in lid 2, punten a), b) en c), bedoelde inlichtingen. 7. De in de leden 2, 3 en 4 van dit artikel bedoelde mededeling van inlichtingen geschiedt door middel van het in artikel 20, lid 4, bedoeld geautomatiseerde standaardformaat.” |
|
4) |
artikel 8 ter wordt vervangen door: “Artikel 8 ter Statistieken over de automatische uitwisseling De lidstaten verstrekken de Commissie jaarlijks statistieken over de omvang van de automatische uitwisseling van inlichtingen uit hoofde van de artikelen 8, lid 1, artikel 8, lid 3 bis, artikel 8 bis bis, artikel 8 bis quater en artikel 8 bis sexies, alsmede, voor zover mogelijk, gegevens betreffende administratieve en andere relevante kosten en baten voor belastingdiensten en derden die betrekking hebben op de verrichte uitwisselingen, en mogelijke veranderingen.” |
|
5) |
het volgende artikel wordt ingevoegd: “Artikel 9 bis Samenwerking op het gebied van correctie, naleving en handhaving van Aangiften met informatie betreffende de bijheffing 1. Indien de bevoegde autoriteit van een lidstaat redenen heeft om aan te nemen dat in de informatie in een Aangifte met informatie betreffende de bijheffing die door een uiteindelijke moederentiteit of aangewezen indienende autoriteit die in de jurisdictie van de andere lidstaat is gevestigd, is ingediend en is meegedeeld op grond van artikel 8 bis sexies, kennelijke fouten moeten worden gecorrigeerd, stelt zij onverwijld de bevoegde autoriteit van de andere lidstaat daarvan in kennis. Indien de in kennis gestelde bevoegde autoriteit ermee instemt dat de informatie in de Aangifte met informatie betreffende de bijheffing moet worden gecorrigeerd, neemt zij onverwijld passende maatregelen om van de betrokken uiteindelijke moederentiteit of aangewezen indienende entiteit een gecorrigeerde Aangifte met informatie betreffende de bijheffing te verkrijgen. Zij deelt onverwijld de gecorrigeerde Aangifte met informatie betreffende de bijheffing mee aan alle bevoegde autoriteiten waarmee deze inlichtingen overeenkomstig deze richtlijn moeten worden uitgewisseld. 2. Wanneer de bevoegde autoriteit van een lidstaat van een of meer in haar lidstaat gevestigde groepsentiteiten een kennisgeving heeft ontvangen dat de Aangifte met informatie betreffende de bijheffing voor die groepsentiteiten zou worden ingediend door de uiteindelijke moederentiteit of de aangewezen indienende entiteit die in een andere lidstaat is gevestigd, maar de in de Aangifte met informatie betreffende de bijheffing opgenomen informatie niet binnen de in artikel 8 bis sexies, lid 3, of artikel 27 quinquies, leden 3 en 4, vastgestelde termijnen is meegedeeld, stelt zij onverwijld de andere bevoegde autoriteit in kennis van het feit dat de informatie niet is ontvangen. De in kennis gestelde bevoegde autoriteit stelt onverwijld vast waarom de betrokken Aangifte met informatie betreffende de bijheffing niet is meegedeeld en stelt de bevoegde autoriteit van die reden in kennis binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving, met inbegrip van de verwachte datum waarop de Aangifte met informatie betreffende de bijheffing zal worden ingewisseld, indien van toepassing. De verwachte uitwisselingsdatum valt uiterlijk drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving van de ontbrekende uitwisseling.” |
|
6) |
in artikel 18 wordt lid 4 vervangen door: “4. De bevoegde autoriteit van elke lidstaat voert een doeltreffend mechanisme in om het gebruik van inlichtingen die zijn verkregen door rapportage of uitwisseling van inlichtingen uit hoofde van de artikelen 8 tot en met 8 bis sexies te waarborgen.” |
|
7) |
in artikel 20 wordt lid 4 vervangen door: “4. Bij de automatische uitwisseling van inlichtingen op grond van de artikelen 8, 8 bis quater en 8 bis sexies wordt gebruikgemaakt van het door de Commissie volgens de procedure van artikel 26, lid 2, vastgestelde geautomatiseerde standaardformaat, dat dergelijke automatische uitwisseling moet vergemakkelijken.” |
|
8) |
in artikel 22 worden de leden 3 en 4 vervangen door: “3. De lidstaten bewaren de gegevens die zij via automatische uitwisseling van inlichtingen op grond van de artikelen 8 tot en met 8 bis sexies hebben ontvangen niet langer dan nodig is, maar in geen geval korter dan vijf jaar na de datum van ontvangst ervan om de doelstellingen van deze richtlijn te verwezenlijken. 4. De lidstaten streven ernaar ervoor te zorgen dat een rapporterende entiteit langs elektronische weg bevestiging mag verkrijgen van de geldigheid van de inlichtingen met betrekking tot het fiscaal identificatienummer van elke belastingplichtige die op grond van de artikelen 8 tot en met 8 bis sexies onder uitwisseling van inlichtingen vallen. De bevestiging van inlichtingen met betrekking tot het fiscaal identificatienummer kan alleen worden gevraagd met het oog op de validering van de juistheid van de inlichtingen bedoeld in artikel 8, leden 1 en 3 bis, artikel 8 bis, lid 6, artikel 8 bis bis, lid 3, artikel 8 bis ter, lid 14, artikel 8 bis quater, lid 2, artikel 8 bis quinquies, lid 3, en artikel 8 bis sexies, lid 2.” |
|
9) |
artikel 25 bis wordt vervangen door: “Artikel 25 bis Sancties De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op krachtens deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen ter uitvoering van de artikelen 8 bis bis tot en met 8 bis sexies en treffen alle maatregelen om ervoor te zorgen dat zij worden toegepast. De sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend.” |
|
10) |
het volgende artikel wordt ingevoegd: “Artikel 27 quinquies Eerste Te rapporteren verslagjaar en mededeling van inlichtingen uit hoofde van artikel 8 bis sexies 1. Het eerste Te rapporteren verslagjaar waarvoor de inlichtingen uit hoofde van artikel 8 bis sexies moeten worden meegedeeld, is het eerste verslagjaar dat aanvangt vanaf 31 december 2023. 2. Voor de lidstaten die ervoor hebben gekozen om de IIR en de UTPR niet toe te passen op grond van artikel 50, lid 1, van Richtlijn (EU) 2022/2523, is het eerste Te rapporteren verslagjaar waarvoor de inlichtingen uit hoofde van artikel 8 bis sexies moeten worden meegedeeld, het eerste te rapporteren verslagjaar nadat die keuze afloopt. Onverminderd de eerste alinea van dit lid is voor de lidstaten die op grond van artikel 50, lid 1, van Richtlijn (EU) 2022/2523 ervoor hebben gekozen de IIR en de UTPR niet toe te passen en op grond van artikel 11, lid 1, van die richtlijn ervoor hebben gekozen een gekwalificeerde binnenlandse bijheffing toe te passen, het eerste Te rapporteren verslagjaar waarvoor de inlichtingen uit hoofde van artikel 8 bis sexies moeten worden meegedeeld, het eerste Te rapporteren verslagjaar waarin de gekwalificeerde binnenlandse bijheffing van toepassing is. 3. De bevoegde autoriteit van de lidstaat deelt de inlichtingen uit hoofde van artikel 8 bis sexies met betrekking tot het eerste Te rapporteren verslagjaar mee uiterlijk zes maanden na het verstrijken van de indieningstermijn. 4. In ieder geval delen de lidstaten de inlichtingen uit hoofde van artikel 8 bis sexies niet eerder dan 1 december 2026 voor het eerst mee.” |
|
11) |
de tekst in de bijlage bij deze richtlijn wordt toegevoegd als bijlage VII. |
Artikel 2
Omzetting
1. De lidstaten stellen uiterlijk op 31 december 2025 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen en maken deze uiterlijk op die datum bekend. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onmiddellijk mee.
Zij passen die bepalingen toe met ingang van 1 januari 2026.
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2. Niettegenstaande lid 1 van dit artikel stellen de lidstaten die op grond van artikel 50, lid 1, van Richtlijn (EU) 2022/2523 ervoor hebben gekozen de IIR en de UTPR niet toe te passen, uiterlijk op de dag voor die waarop die keuze afloopt de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast die nodig zijn om aan artikel 1, punt 1 en punten 3 tot en met 11, van deze richtlijn te voldoen en maken deze uiterlijk op die datum bekend.
Zij passen die bepalingen toe vanaf de dag na die waarop die keuze afloopt.
Niettegenstaande de eerste alinea van dit lid stellen de lidstaten die op grond van artikel 50, lid 1, van Richtlijn (EU) 2022/2523 ervoor hebben gekozen de IIR en de UTPR niet toe te passen en op grond van artikel 11, lid 1, van die richtlijn ervoor hebben gekozen een gekwalificeerde binnenlandse bijheffing toe te passen, uiterlijk op de dag vóór het begin van het eerste Te rapporteren verslagjaar waarin de keuze voor toepassing van een gekwalificeerde binnenlandse bijheffing geldt, de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen en maken deze uiterlijk op die datum bekend. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onmiddellijk mee.
Zij passen die bepalingen toe vanaf het begin van het eerste Te rapporteren verslagjaar waarin de keuze voor toepassing van een gekwalificeerde binnenlandse bijheffing geldt.
Indien het in de derde alinea van dit lid bedoelde eerste Te rapporteren verslagjaar begint voor of op de dag waarop deze richtlijn in werking treedt, stellen de lidstaten die op grond van artikel 50, lid 1, van Richtlijn (EU) 2022/2523 ervoor hebben gekozen de IIR en de UTPR niet toe te passen en op grond van artikel 11, lid 1, van die richtlijn ervoor hebben gekozen een gekwalificeerde binnenlandse bijheffing toe te passen, uiterlijk op 31 december 2025 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen en maken zij die uiterlijk op die datum bekend. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onmiddellijk mee.
Zij passen die bepalingen toe met ingang van 1 januari 2026.
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
3. In afwijking van lid 1 van dit artikel stellen de lidstaten uiterlijk op 31 december 2027 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan artikel 1, punt 8, van deze richtlijn te voldoen en maken deze uiterlijk op die datum bekend. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onmiddellijk mee.
Zij passen die bepalingen toe met ingang van 1 januari 2028.
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
4. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 3
Deze richtlijn treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 4
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Luxemburg, 14 april 2025.
Voor de Raad
De voorzitter
K. KALLAS
(1) Advies van 12 februari 2025 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
(2) Advies van 26 februari 2025 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
(3) Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 15 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie (PB L 328 van 22.12.2022, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2022/2523/oj).
(4) Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG (PB L 64 van 11.3.2011, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2011/16/oj).
(5) OESO (2021), Tax Challenges Arising from Digitalisation of the Economy — Global Anti-Base Erosion Model Rules (Pillar Two): Inclusive Framework on BEPS, OECD/G20 Base Erosion and Profit Shifting Project, OECD Publishing, Parijs, https://doi.org/10.1787/782bac33-en.
(6) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2011/182/oj).
(7) Richtlijn (EU) 2023/2226 van de Raad van 17 oktober 2023 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen (PB L, 2023/2226, 24.10.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2023/2226/oj).
BIJLAGE
“BIJLAGE VII
Regels en standaardmodel voor de indiening van de Aangifte met informatie betreffende de bijheffing
DEEL I
DEFINITIES
Voor de toepassing van deze bijlage gelden de volgende definities:
|
1) |
“Uitvoerende lidstaat”: een lidstaat die voor het gegeven Te rapporteren verslagjaar een gekwalificeerde regel inzake inkomeninclusie (IIR) of een gekwalificeerde regel inzake onderbelaste winst (UTPR), zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 18) respectievelijk 43), van Richtlijn (EU) 2022/2523, of beide heeft uitgevoerd; |
|
2) |
“Lidstaat die alleen een gekwalificeerde binnenlandse bijheffing toepast”: een lidstaat die voor het gegeven Te rapporteren verslagjaar enkel een gekwalificeerde binnenlandse bijheffing, zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 28), van Richtlijn (EU) 2022/2523 heeft ingevoerd; |
|
3) |
“Aangifte met informatie betreffende de bijheffing”: de informatieaangifte die wordt ingediend door een uiteindelijke moederentiteit, een aangewezen indienende entiteit, een aangewezen lokale entiteit of een groepsentiteit waarvoor een standaardmodel is opgenomen in deel IV van deze bijlage; |
|
4) |
“Algemeen deel”: het deel van de aangifte met informatie betreffende de bijheffing dat algemene informatie bevat over de MNO-groep als geheel, met inbegrip van haar vennootschapsstructuur en een samenvatting op hoog niveau van de toepassing van Richtlijn (EU) 2022/2523, en dat overeenkomt met deel 1 van het standaardmodel voor de Aangifte met informatie betreffende de bijheffing; |
|
5) |
“Jurisdictiedeel”: de delen van de Aangifte met informatie betreffende de bijheffing die informatie bevatten over de gedetailleerde toepassing van de gekwalificeerde IIR, de gekwalificeerde UTPR en de gekwalificeerde binnenlandse bijheffing met betrekking tot elke jurisdictie waar de MNO-groep actief is, en die overeenkomen met de delen 2 en 3 van het standaardmodel voor de Aangifte met informatie betreffende de bijheffing; |
|
6) |
“Te rapporteren verslagjaar”: het verslagjaar waarop de Aangifte met informatie betreffende de bijheffing betrekking heeft. |
DEEL II
INDIENINGSVEREISTEN
De groepsentiteit die de Aangifte met informatie betreffende de bijheffing indient, moet vaststellen welke delen moeten worden verspreid aan welke lidstaten op grond van de in artikel 8 bis sexies bepaalde verspreidingsaanpak.
DEEL III
FORMAAT VOOR INDIENING EN UITWISSELING VAN GEGEVENS VOOR OMVANGRIJKE BINNENLANDSE GROEPEN MET JOINT VENTURES
Wanneer een moederentiteit van een omvangrijke binnenlandse groep een direct of indirect eigendomsbelang heeft in een joint venture of in een met een joint venture gelieerde partij die onderworpen is aan een gekwalificeerde binnenlandse bijheffing in een andere lidstaat dan de lidstaat waar de omvangrijke binnenlandse groep is gevestigd, gebruikt die omvangrijke binnenlandse groep het in afdeling IV van deze bijlage opgenomen standaardmodel voor de Aangifte met informatie betreffende de bijheffing.
In de in de eerste alinea bedoelde gevallen nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat artikel 8 bis sexies, lid 2, en artikel 9 bis van toepassing zijn.
DEEL IV
GEGEVENSPUNTEN
1. Informatie over de mno-groep
1.1. Identificatie van de indienende groepsentiteit
|
|
|
|
|
|
||||||||||||
|
Ja/nee |
|
|
|
|
|
1.2. Algemene informatie over de MNO-groep
1.2.1. MNO-groep en Te rapporteren verslagjaar
|
|
|
|
||||||||
|
|
|
|
Ja/nee |
1.2.2. Algemene informatie met betrekking tot de financiële verslaglegging van de MNO-groep
|
|
|
||||||
|
|
|
|
1.3. Vennootschapsstructuur
1.3.1. Uiteindelijke moederentiteit
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
1.3.2. Groepsentiteiten (anders dan de UME) en leden van jointventuregroepen
1.3.2.1. Groepsentiteiten en leden van jointventuregroepen
|
Wijzigingen |
|
Ja/nee |
||||||
|
Jurisdictie |
|
|
||||||
|
|
|||||||
|
Identificatie van de groepsentiteit, joint venture of met een joint venture gelieerde partij |
|
|
||||||
|
|
|||||||
|
|
|||||||
|
|
|||||||
|
Eigendomsstructuur van de groepsentiteit, de joint venture of de met een joint venture gelieerde partij |
Voor elke entiteit die eigendomsbelangen heeft in de groepsentiteit, de joint venture of de met een joint venture gelieerde partij:
|
|
||||||
|
Indien de groepsentiteit een partieel gehouden moederentiteit of een tussenliggende moederentiteit is, moet de entiteit een gekwalificeerde IIR toepassen? |
|
|
||||||
|
|
|||||||
|
|
|||||||
|
Is de UTPR van toepassing op de entiteit? |
|
Ja/nee |
||||||
|
|
|||||||
|
Ja/nee |
1.3.2.2. Uitgesloten entiteiten
|
Ja/nee |
||
|
|
||
|
|
1.3.3. Wijzigingen in de vennootschapsstructuur die zich hebben voorgedaan tijdens het Te rapporteren verslagjaar
|
Zijn wijzigingen in de vennootschapsstructuur die zich tijdens het Te rapporteren verslagjaar hebben voorgedaan, niet gerapporteerd omdat ze geen invloed hebben gehad op de berekening van het effectieve belastingtarief of op de berekening of toerekening van de bijheffing? |
Ja/nee |
|||||||||||||||||||||||
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||||||||||||||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||||||||||||||
1.4. Samenvatting op hoog niveau
|
|
|
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||
|
|
|
|
|
[Voeg de relevante optie in] |
[Voeg de relevante optie in] |
Ja/nee |
[Voeg de relevante optie in] |
[Voeg de relevante optie in] |
2. Veilige havens en uitsluitingen voor een jurisdictie
2.1. Kenmerken van de jurisdictie
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
2.2. Uitzonderingen die van toepassing zijn op deze jurisdictie (bijheffing verlaagd tot nul)
2.2.1. Keuze van veilige haven voor een jurisdictie
2.2.1.1. Keuze van veilige haven
|
[Voeg de relevante optie in] |
2.2.1.2. Permanente veilige havens
|
□ |
Vereenvoudigde berekening voor niet-materiële groepsentiteiten |
|
|
|
|
||||
|
|
|
||||
|
|
n.v.t. |
||||
|
|
n.v.t. |
||||
|
|
n.v.t. |
2.2.1.3. Veilige overgangshavens
a) Veilige overgangshavens (rapportage per land)
|
|
||
|
|
||
|
|
b) Veilige UTPR-overgangshaven
|
|
2.2.2. Keuze voor de de-minimisuitzondering
|
□ |
Keuze voor toepassing van de de-minimisuitzondering voor het Te rapporteren verslagjaar |
|
□ |
Vereenvoudigde berekeningen voor niet-materiële groepsentiteiten – groepsentiteiten die geen niet-materiële groepsentiteiten zijn |
|
|
|
|
|
|
||||||||
|
|
|
|
|
||||||||
|
|
|
|
|
||||||||
|
|
|
|
|
||||||||
|
|
|
|
|
2.3. MNO-groep in het beginstadium van de internationale activiteit (indien van toepassing)
|
|
||||
|
|
||||
|
|
||||
|
|
||||
|
|
||||
|
|||||
|
|
||||
|
|
3. Berekeningen
3.1. Kenmerken van de jurisdictie
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
3.2. Berekening van het effectieve belastingtarief
3.2.1. Effectief belastingtarief
|
|
|
|
|
||||||||||
|
|
[A] |
|
[B] |
[C]=[B]/[A] |
3.2.1.1. Berekening van het kwalificerende inkomen of verlies
|
|
||
|
Nettobedrag |
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
3.2.1.2. Berekening van aangepaste betrokken belastingen
a) Totale aangepaste betrokken belastingen
|
|
||
|
Nettobedrag |
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
b) Overdracht van overtollige negatieve belastinglasten
|
[A] |
||
|
[B] |
||
|
[C] |
||
|
[D]=[A]+[B]-[C] |
c) Berekening voor een samengevoegd fiscaal overgangsregime inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen (indien van toepassing)
|
|
|
||||||
|
|
|
|
||||||
|
|
|
|
||||||
|
Totaal |
|
|||||||
3.2.2. Berekeningen op basis van jurisdictie inzake de opname van uitgestelde belastingen
3.2.2.1. Aanpassingen voor uitgestelde belastingen
a) Samenvatting op hoog niveau
|
|
[A] |
||||
|
[B] |
|||||
|
[C] |
|||||
|
[D]=[A]-[B]+[C] |
|||||
|
[E] |
|||||
|
|
[F]=[D]+[E] |
||||
|
[G] |
|||||
|
[H] |
|||||
|
[I]=[F]+[G]-[H] |
|||||
b) Opsplitsing van de aanpassingen
|
Nettobedrag |
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
|
||
|
[E] |
c) Achterwaartse verliesverrekeningen
|
|
|
|
||||
|
|
|
||||
|
|
|
||||
|
|
|
3.2.2.2. Terugneemmechanisme
a) Jaarlijks bedrag aan uitgestelde belastingverplichtingen onderworpen aan de terugneemregel
|
|
||
|
|
||
|
|
b) Terugneemrekeningen voor geaggregeerde uitgestelde belastingverplichtingen
|
|
|
|
||||
|
|
|
||||
|
|
|
||||
|
|
|
3.2.2.3. Overgangsregels
|
|
a) Uitgestelde belastingvorderingen en uitgestelde belastingverplichtingen aan het begin van het overgangsjaar
|
Uitgestelde belastingverplichtingen |
||||||||||||
|
|
|||||||||||
|
|
|
|||||||||||
|
Uitgestelde belastingvorderingen |
||||||||||||
|
|
|
|
|||||||||
|
[A] |
[B] |
[C] |
[D] = [[A] of [B], indien van toepassing] - [C] |
|||||||||
b) Overdracht van activa na 30 november 2021 en voor het begin van een overgangsjaar
|
|
|
|
|
||||||||||
|
|
|
|
|
|
3.2.3. Keuze op basis van jurisdictie(s) (indien van toepassing)
3.2.3.1. Keuze op basis van jurisdictie(s)
a) Keuze
|
|
||||||||||
|
□ |
||||||||||
|
□ |
||||||||||
|
□ |
||||||||||
|
□ |
||||||||||
|
|
|
|||||||||
|
|
|
|||||||||
|
|
|
|||||||||
|
|
|
|||||||||
|
|
|
|||||||||
|
|
|
|||||||||
|
|
|
|||||||||
|
|
|
|||||||||
b) Informatievereisten in verband met de keuze op basis van jurisdictie()
|
|
||
|
[A] |
||
|
[B] |
||
|
[C] |
||
|
[D]=[A]+[B]-[C] |
3.2.3.2. Keuze voor fictieve inhoudingen
|
□ |
a) Terugneemmechanisme
|
|
|
|
|||||||||||
|
3e voorgaande verslagjaar |
2e voorgaande verslagjaar |
1e voorgaande verslagjaar |
Te rapporteren verslagjaar |
|||||||||||
|
4e voorgaande verslagjaar |
|
|
|
|
|
|
||||||||
|
3e voorgaande verslagjaar |
|
Niet van toepassing |
|
|
|
|
||||||||
|
2e voorgaande verslagjaar |
|
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
|
|
|
||||||||
|
1e voorgaande verslagjaar |
|
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
|
|
||||||||
|
Te rapporteren verslagjaar |
|
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
||||||||
b) Herberekening van het effectieve belastingtarief en de bijheffing
|
|
|
||||||
|
[A] |
[B] |
[C] |
3.2.4. Berekeningen voor groepsentiteiten
a) Keuze voor het vereenvoudigde overgangskader voor rapportage op basis van jurisdictie
|
Ja/nee |
b) Geaggregeerde rapportage voor fiscaal geconsolideerde groepen
|
|
||||
|
|
|
3.2.4.1. Kwalificerend inkomen of verlies
a) Aanpassingen van het netto-inkomen of -verlies uit de financiële verslaglegging
|
|
|||
|
|
|||
|
Vermeerderingen |
Verminderingen |
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|||
b) Grensoverschrijdende toerekening van inkomen of verlies tussen een hoofdentiteit en een vaste inrichting en van een doorstroomentiteit
|
|
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
c) Grensoverschrijdende aanpassingen
|
|
|
|
|
|
||||||||||||
|
|
|
|
|
|
|
d) Aanpassingen van het kwalificerende inkomen van de UME die een doorstroomentiteit is of die is onderworpen aan een aftrekbaardividendregime
|
|
|
|
|
||||||||||
|
|
|
|
|
|
3.2.4.2. Aangepaste betrokken belastingen
a) Aanpassingen van de belastinglasten van het lopende jaar in de financiële rekeningen
|
|
|
||
|
|
|
||
|
Vermeerderingen |
Verminderingen |
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
b) Kruiselingse toerekening van belastingen
|
|
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
c) Uitgestelde belastinglast
|
|
|
||
|
|
|
||
|
Vermeerderingen |
Verminderingen |
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
3.2.4.3. Keuzen voor een groepsentiteit (of keuzen die van toepassing zijn op een lid van een jointventuregroep)
|
|
|||||||||||
|
|
|
||||||||||
|
|
|||||||||||
|
|
|||||||||||
|
|
|
|
|
||||||||
|
|
|
||||||||||
|
|
|
||||||||||
|
|
|
||||||||||
|
|
|
||||||||||
|
|
|
||||||||||
|
|
|
|
|||||||||
|
|
|
|
|
||||||||
|
|
|||||||||||
|
|
|
||||||
|
|
|
|
3.2.4.4. Uitsluiting van inkomen uit internationale scheepvaart
a) Uitsluiting van inkomen uit internationale scheepvaart
|
|
|||
|
Inkomen uit internationale scheepvaart |
|
|
||
|
[A] |
|||
|
[B] |
|||
|
[C]=[A]-[B] |
|||
|
Inkomen uit gekwalificeerde nevenactiviteiten in de internationale scheepvaart |
|
|
||
|
[D] |
|||
|
[E] |
|||
|
[F]=[D]-[E] |
|||
|
Effect op op substance gebaseerde inkomensuitzondering |
|
|
||
|
|
|||
|
Betrokken belastingen |
|
|
||
b) Limiet per jurisdictie voor het uitgesloten inkomen uit gekwalificeerde nevenactiviteiten in de internationale scheepvaart
|
[A] |
||
|
50 %x[A] |
||
|
[B] |
||
|
[B]-50 %x[A] |
3.2.4.5. Informatie met het oog op de keuze om de methode van belastbare uitkering toe te passen (indien van toepassing)
Keuze voor de methode van belastbare uitkering
|
|
|
|
|
||||||||||
|
|
|
|
|
|
3.2.4.6. Andere standaard voor financiële verslaglegging
|
|
||||
|
|
|
3.3. Berekening van de bijheffing
3.3.1. Bijheffing
|
|
|
|
|
|
||||||||||||
|
[A] = 15 % - effectief belastingtarief |
[B] |
[C] = kwalificerend netto-inkomen of -verlies - [B] |
[D] |
[E] |
=[A]x[C]+[D]-[E] |
3.3.2. Berekening van op substance gebaseerde inkomensuitzondering (indien van toepassing)
3.3.2.1. Totaalbedrag van de op substance gebaseerde inkomensuitzondering
|
Uitzondering voor de loonkosten |
Uitzondering voor materiële activa |
Totaal |
||||||||||||
|
|
|
|
|
||||||||||
|
[A] |
[B] |
[C] |
[D] |
[E]=[A]x[B]+[C]x[D] |
||||||||||
3.3.2.2. Toerekening van in aanmerking komende loonkosten en boekwaarde van in aanmerking komende materiële activa aan vaste inrichtingen voor de toepassing van de op substance gebaseerde inkomensuitzondering
|
|
|
|
|
||||||||||
|
|
|
|
|
|
3.3.2.3. Toerekening van in aanmerking komende loonkosten en boekwaarde van in aanmerking komende materiële activa van een doorstroomentiteit voor de toepassing van de op substance gebaseerde inkomensuitzondering
|
|
|
|
|
||||||||||
|
|
|
|
|
|
3.3.3. Aanvullende bijheffing in het lopende jaar
3.3.3.1. Aanvullende bijheffing anders dan in het geval van een kwalificerend nettoverlies in het Te rapporteren verslagjaar
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||
|
|
Voorgaande verslagjaar X |
|
|
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||
|
|
|
|
|
|
|
3.3.3.2. Aanvullende bijheffing in het geval van een kwalificerend nettoverlies voor het Te rapporteren verslagjaar
|
[A] |
||
|
[B] |
||
|
[C]=[B]×15 % |
||
|
[D]=[C]-[A] |
3.3.4. Gekwalificeerde binnenlandse bijheffing
|
|
||||
|
|
||||
|
|
||||
|
|
||||
|
|
||||
|
Valuta |
Keuzejaar |
Jaar van herroeping |
||
|
Ja/nee |
||||
|
Ja/nee |
||||
3.4. Toerekening van de bijheffing (indien van toepassing)
3.4.1. Toepassing van de IIR op deze jurisdictie
|
|
|
|||||
|
[A] |
||||||
|
[C] = [T] x [A]/[A+B+enz.] |
||||||
|
|
[Moederentiteit 1] |
|
||||
|
Jurisdictie B |
|
|||||
|
[D] |
|
|||||
|
[F]=([A]-[D])/[A] |
|
|||||
|
|
[G]=[C]×[F] |
|
||||
|
[H] |
|
|||||
|
[I]=[G]-[H] |
|
|||||
3.4.2. Totaalbedrag van de UTPR-bijheffing voor deze jurisdictie
|
|
||
|
|
||
|
|
3.4.3. Toerekening van de bijheffing uit hoofde van de UTPR
|
|
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||
|
Totaal |
|
|
|
|
|
|
|
”.
ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2025/872/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)