EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 1.7.2025
COM(2025) 375 final
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, DE EUROPESE CENTRALE BANK, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S
EU-scorebord voor justitie 2025
1.
Inleiding
Doeltreffende rechtsstelsels zijn cruciaal voor de toepassing en handhaving van het EU-recht en voor het handhaven van de rechtsstaat en de waarden waarop de EU is gegrondvest en die de lidstaten gemeen hebben. Bij de toepassing van het EU-recht treden nationale rechterlijke instanties op als EU-instanties. Het zijn in de eerste plaats de nationale rechterlijke instanties die ervoor zorgen dat de rechten en verplichtingen die zijn vastgelegd in het EU-recht daadwerkelijk worden gehandhaafd (artikel 19 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, VEU).
Daarnaast zijn doeltreffende rechtsstelsels ook cruciaal voor het wederzijds vertrouwen en voor het verbeteren van het investeringsklimaat en de duurzaamheid van langdurige groei. De verbetering van de efficiëntie, de kwaliteit en de onafhankelijkheid van de nationale rechtsstelsels is daarom één van de prioriteiten van het Europees Semester, de jaarlijkse cyclus van economische beleidscoördinatie van de EU. In het in 2025 gelanceerde EU-kompas voor concurrentievermogen() en in het bijbehorende jaarverslag over de eengemaakte markt en het concurrentievermogen voor 2025() wordt eraan herinnerd dat het beginsel van de rechtsstaat van cruciaal belang is voor de werking van de eengemaakte markt, aangezien de eerbiediging ervan zorgt voor een stabiel ondernemingsklimaat dat de EU en haar lidstaten een mondiaal concurrentievoordeel geeft. De rechtsstaat garandeert een ondernemingsklimaat waarin het recht doeltreffend en uniform wordt toegepast, waarin bedrijven op gelijke voet met lokale bedrijven in een andere lidstaat kunnen werken, en begrotingsmiddelen op transparante en objectieve wijze worden besteed. Goed functionerende en volledig onafhankelijke rechtsstelsels kunnen een positieve impact hebben op investeringen en zijn cruciaal voor de bescherming ervan. In die zin dragen ze ook bij aan de productiviteit en het concurrentievermogen. Zij zijn ook van belang voor het waarborgen van de effectieve grensoverschrijdende uitvoering van contracten, bestuurlijke besluiten en geschillenbeslechting, wat fundamenteel is voor de werking van de eengemaakte markt(
).
In deze context wordt in het EU-scorebord voor justitie jaarlijks een overzicht opgenomen van indicatoren die de drie wezenlijke parameters voor het bestaan van een effectief rechtsstelsel meten:
-efficiëntie;
-kwaliteit;
-onafhankelijkheid.
De nieuwe en geactualiseerde cijfers omvatten gegevens over de toegang tot justitie voor slachtoffers van strafbare feiten, slachtoffers van geweld tegen vrouwen/huiselijk geweld en personen die het risico lopen op discriminatie, alsook voor ouderen, evenals over de digitalisering van justitie(
). In het scorebord voor 2025 worden ook andere indicatoren verder uitgewerkt, in het licht van de opname van een dimensie van de eengemaakte markt in het verslag over de rechtsstaat, zoals aangekondigd in de politieke beleidslijnen 2024-2029 van voorzitter Von der Leyen. Deze editie van het Scorebord bevat, onder een nieuwe titel “Andere indicatoren die relevant zijn voor de eengemaakte markt”, de indicatoren die van belang zijn voor de werking van de eengemaakte markt, waarvoor doeltreffende rechtssystemen en eerbiediging van de rechtsstaat essentieel zijn. Het versterkt de zakelijke dimensie en de dimensie van de eengemaakte markt door nieuwe indicatoren te presenteren over toetsingsinstanties in eerste aanleg op het gebied van overheidsopdrachten, hoge controle-instanties en nationale mededingingsautoriteiten.
De jaarlijks rechtsstaatcyclus –
In 2020 heeft de Commissie de uitgebreide jaarlijkse rechtsstaatcyclus ingesteld om haar monitoringactiviteiten ten aanzien van de rechtsstaat in de lidstaten te verdiepen. De rechtsstaatcyclus fungeert als een preventief instrument dat de dialoog en het gemeenschappelijk bewustzijn van rechtsstaatkwesties bevordert. Centraal in de cyclus staat het jaarlijkse verslag over de toestand van de rechtsstaat waarin een overzicht wordt gegeven van belangrijke ontwikkelingen — zowel positieve als negatieve — in alle lidstaten en in de EU als geheel. Het verslag, waarvan de meest recente editie is gepubliceerd op 24 juli 2024, is gebaseerd op diverse bronnen, waaronder het EU-scorebord voor justitie(
). Het EU-scorebord voor justitie 2025 is tevens verder ontwikkeld om tegemoet te komen aan de vraag naar aanvullende vergelijkende informatie die tijdens de voorbereiding van het verslag over de rechtsstaat 2024 aan het licht is gekomen, om ondersteuning te bieden voor de toekomstige verslagen over de rechtsstaat.
Wat is het EU-scorebord voor justitie?
Het EU-scorebord voor justitie is een jaarlijks vergelijkend informatie-instrument. Het heeft als doel de lidstaten bij te staan in hun streven naar efficiëntere nationale rechtsstelsels door objectieve, betrouwbare en vergelijkbare gegevens te verstrekken over een aantal indicatoren die betrekking hebben op de beoordeling van de i) efficiëntie, ii) kwaliteit en iii) onafhankelijkheid van rechtsstelsels in alle lidstaten. Het scorebord werkt niet met één overkoepelende rangschikking maar biedt eerder een overzicht van de werking van de rechtsstelsels in alle lidstaten op basis van indicatoren die voor alle lidstaten van belang en relevant zijn.
Uit het scorebord spreekt geen voorkeur voor een bepaald soort rechtsstelsel en alle lidstaten worden op gelijke voet behandeld.
Efficiëntie, kwaliteit en onafhankelijkheid zijn de essentiële parameters van een doeltreffend nationaal rechtsstelsel, ongeacht de vorm ervan of de rechtstraditie waarop het is gebaseerd. Gegevens met betrekking tot deze drie parameters moeten in onderlinge samenhang worden gelezen, aangezien ze de drie vaak met elkaar zijn verweven (initiatieven om een van de parameters te verbeteren, kunnen gevolgen hebben voor een andere parameter).
Het scorebord presenteert indicatoren die voornamelijk betrekking hebben op civiele, handels- en bestuurszaken en, afhankelijk van de beschikbaarheid van gegevens, bepaalde strafzaken (d.w.z. zaken betreffende witwassen en omkoping bij rechtbanken van eerste aanleg). Het doel ervan is de lidstaten te ondersteunen bij hun inspanningen om een efficiënt, investeringsvriendelijk klimaat te creëren dat zowel het bedrijfsleven als het publiek ten goede komt. Het scorebord is een vergelijkend instrument dat verder wordt ontwikkeld in overleg met de lidstaten en het Europees Parlement(). Het doel ervan is de essentiële parameters van een doeltreffend rechtsstelsel te beoordelen en jaarlijks relevante gegevens te verstrekken.
Welke methode wordt gebruikt voor het EU-scorebord voor justitie?
Het scorebord maakt gebruik van een reeks informatiebronnen. De Europese Commissie voor Efficiëntie in Justitie (Cepej) van de Raad van Europa, waarmee de Commissie een overeenkomst heeft gesloten om een specifieke jaarlijkse studie uit te voeren, verstrekt een groot deel van de kwantitatieve gegevens. De gegevens betreffen de periode 2014-2023 en zijn door de lidstaten verstrekt overeenkomstig de Cepej-methodologie. De studie bevat tevens nadere toelichtingen en landspecifieke informatiebladen die een bredere context geven. Zij moeten in samenhang met de cijfers worden gelezen(
).
De gegevens over de duur van procedures die door de Cepej worden verzameld, geven de beslissingstermijn weer, d.i. de geschatte duur van de gerechtelijke procedures (gebaseerd op de verhouding tussen aanhangige en afgehandelde zaken in de loop van een jaar). De gegevens over de efficiëntie van rechterlijke en bestuurlijke instanties bij het toepassen van het EU-recht op specifieke gebieden geven de gemiddelde duur van procedures weer op basis van de werkelijke duur van rechtszaken. Opgemerkt moet worden dat de duur van gerechtelijke procedures aanzienlijk kan verschillen tussen gebieden binnen een lidstaat. Dat is met name het geval in stedelijke centra, waar handelsactiviteiten tot een hogere werkbelasting kunnen leiden.
Andere gegevensbronnen die betrekking hebben op de periode 2014 tot en met 2024 zijn:
·de groep van contactpersonen inzake de nationale rechtsstelsels(
);
·het Europees Netwerk van Raden voor de rechtspraak (ENCJ)(
);
·het netwerk van voorzitters van de Hoge Rechtscolleges van de EU (NPSJC)(
);
·de Vereniging van Raden van State en Hoogste Bestuursrechtelijke Rechtscolleges van de Europese Unie (ACA-Europe)(
);
·de Raad van de balies van Europa (CCBE)();
·het Europees Mededingingsnetwerk (ECN)(
);
·het Netwerk van beroepsinstanties van eerste aanleg inzake overheidsopdrachten();
·het Comité voor communicatie (Cocom)(
);
·het Europees Waarnemingscentrum voor inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten(
);
·het samenwerkingsnetwerk voor consumentenbescherming (CPC)(
);
·de Deskundigengroep witwassen en terrorismefinanciering (EGMLTF)(
);
·Eurostat(
);
·de nationale contactpunten voor corruptiebestrijding();
·het netwerk van openbaar aanklagers of gelijkwaardige autoriteiten bij de hoogste rechterlijke instanties van de lidstaten van de Europese Unie (Nadal-netwerk)(), en
·het Contactcomité van de hoge controle-instanties().
De methode voor het scorebord werd in de loop der jaren verder ontwikkeld en verfijnd in nauwe samenwerking met de groep van contactpersonen inzake nationale rechtsstelsels, met name door het gebruik van een (jaarlijks geactualiseerde) enquête en door gegevens betreffende bepaalde aspecten van de werking van rechtsstelsels te verzamelen.
De beschikbaarheid van gegevens, met name voor indicatoren over de efficiëntie van rechtsstelsels, wordt steeds beter. Dit komt doordat veel lidstaten in de verbetering van hun gerechtelijke statistieken hebben geïnvesteerd. Wanneer bij het verzamelen of verstrekken van gegevens problemen blijven optreden, is dit ofwel te wijten aan ontoereikende statistische capaciteit, ofwel aan het ontbreken van een exacte overeenstemming tussen de nationale categorieën waarvoor gegevens worden verzameld en de categorieën van het scorebord. Slechts in een zeer klein aantal gevallen is de gegevenskloof het gevolg van een gebrek aan bijdragen van nationale autoriteiten. De Commissie blijft de lidstaten aanmoedigen om die gegevenskloof verder te verkleinen.
Hoe levert het EU-scorebord voor justitie informatie voor het Europees Semester en hoe verhoudt het zich tot de herstel- en veerkrachtfaciliteit?
Het scorebord bevat gegevens voor de beoordeling van de efficiëntie, kwaliteit en onafhankelijkheid van nationale rechtsstelsels. Op die manier streeft het ernaar de lidstaten te helpen hun nationale rechtsstelsels doeltreffender te maken. Dankzij het scorebord kunnen beste praktijken en tekortkomingen in de rechtsstelsels van de lidstaten gemakkelijker worden vastgesteld, en uitdagingen en geboekte vooruitgang gemakkelijker worden geïnventariseerd. In het kader van het Europees Semester worden landspecifieke evaluaties uitgevoerd door middel van een bilaterale dialoog met de betrokken nationale autoriteiten en belanghebbenden. Wanneer vastgestelde tekortkomingen van macro-economische betekenis zijn, kan de analyse in het kader van het Europees Semester ertoe leiden dat de Commissie de Raad voorstelt landspecifieke aanbevelingen te doen om de nationale rechtsstelsels in individuele lidstaten te verbeteren(
).
De herstel- en veerkrachtfaciliteit heeft meer dan 650 miljard EUR aan leningen en niet-terugbetaalbare financiële steun beschikbaar gesteld, waarvan elke lidstaat ten minste 20 % aan de digitale transitie en ten minste 37 % aan maatregelen die bijdragen tot klimaatdoelstellingen moet toewijzen. Tot dusver hebben de door de lidstaten voorgestelde hervormingen en investeringen deze doelstellingen overtroffen: de digitale uitgaven worden geraamd op 26 % en de klimaatuitgaven op ongeveer 42 %. De herstel- en veerkrachtfaciliteit biedt een kans om landspecifieke aanbevelingen met betrekking tot nationale rechtsstelsels uit te voeren en de nationale inspanningen voor de voltooiing van de digitale transformatie van de rechtsstelsels te versnellen. Betalingen aan de lidstaten uit hoofde van de op resultaten gebaseerde herstel- en veerkrachtfaciliteit zijn afhankelijk van het realiseren van mijlpalen en streefdoelen. Er zijn ongeveer 7 100 mijlpalen en streefdoelen voorgesteld, waarvan ongeveer twee derde betrekking hebben op investeringen en een derde op hervormingen. In het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit moest de Commissie vóór de goedkeuring ervan beoordelen of de herstel- en veerkrachtplannen van de lidstaten konden bijdragen tot het effectief aanpakken van alle of een aanzienlijk deel van de uitdagingen die in de desbetreffende landspecifieke aanbevelingen of in andere, in de context van het Europees Semester vastgestelde documenten van de Commissie waren geïdentificeerd(
). Na voorfinancieringsbetalingen en betalingsverzoeken van de lidstaten en nadat de Commissie geoordeeld had dat de respectieve mijlpalen en streefcijfers op bevredigende wijze waren verwezenlijkt(), is tot en met mei 2025 in totaal 308,04 miljard EUR aan subsidies en leningen in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit aan de lidstaten uitbetaald. De Commissie moet in hetzelfde tijdsbestek de verwezenlijking van 71 % van de mijlpalen en streefcijfers nog beoordelen.
Waarom zijn doeltreffende rechtsstelsels van belang voor een investeringsvriendelijk ondernemingsklimaat?
Doeltreffende rechtsstelsels die de beginselen van de rechtsstaat handhaven, hebben een positief economisch effect. De eerbiediging van de rechtsstaat garandeert een ondernemingsklimaat waarin het recht doeltreffend en uniform wordt toegepast, waarin bedrijven op gelijke voet met lokale bedrijven in een andere lidstaat actief kunnen zijn. De rechtsstaat is van cruciaal belang voor de werking van de eengemaakte markt en voor het behoud van een stabiele werkomgeving die de EU en haar lidstaten een mondiaal concurrentievoordeel(
) geeft. Doeltreffende rechtssystemen zijn ook bijzonder relevant in het kader van het Europese Semester en de herstel- en veerkrachtfaciliteit. Wanneer rechtsstelsels garanderen dat rechten worden gehandhaafd, zijn kredietverleners eerder geneigd leningen te verstrekken, nemen de transactiekosten af en zijn bedrijven eerder bereid om te investeren, is hun vertrouwen groter en worden zij weerhouden van opportunistisch gedrag. Als dusdanig is een doeltreffend rechtsstelsel van vitaal belang voor duurzame economische groei. Het kan het ondernemingsklimaat verbeteren, innovatie bevorderen, buitenlandse directe investeringen aantrekken, belastinginkomsten veiligstellen en economische groei ondersteunen. De voordelen van goed functionerende nationale rechtsstelsels voor de economie worden bevestigd door een veelheid aan studies(), onder andere door het Internationaal Monetair Fonds (IMF)(
), de Europese Centrale Bank (ECB)(
), het Europees Netwerk van Raden voor de rechtspraak(), de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO)(
), het Economisch Wereldforum(
) en de Wereldbank(
).
Een studie heeft uitgewezen dat er een sterke correlatie bestaat tussen de verlaging van de duur van rechtszaken (gemeten naar de duur van de beslissingstermijn(
)) en de groei van het aantal bedrijven(
). Bovendien volgt uit het onderzoek dat een verhoging van het percentage bedrijven dat het rechtsstelsel als onafhankelijk percipieert, een correlatie vertoont met een verhoging van de omzet en sterkere groei van de productiviteit in bedrijven(
).
Andere enquêtes hebben het belang benadrukt van een doeltreffend nationaal rechtssysteem voor de investeringsbeslissingen van ondernemingen en hun vermogen om geschillen over intellectuele-eigendomsrechten op te lossen. Zo antwoordde in één enquête 93 % van de grote ondernemingen dat zij in de landen waar zij investeren(
), de rechtsstatelijkheid (waaronder de rechterlijke onafhankelijkheid) voortdurend en systematisch beoordelen. In een andere enquête antwoordde meer dan de helft van de kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) dat de hoge kosten en de lange duur van de gerechtelijke procedures de belangrijkste redenen waren om geen gerechtelijke procedure over de inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten te beginnen(
). Het belang van doeltreffende rechtsstelsels voor de werking van de eengemaakte markt, met name voor bedrijven, wordt tevens benadrukt in de mededelingen van de Commissie “In kaart brengen en aanpakken van belemmeringen voor de eengemaakte markt”(
) en “Actieplan voor de handhaving van de eengemaakte markt”(
).
Hoe steunt de Commissie de uitvoering van goede justitiële hervormingen via technische ondersteuning?
De lidstaten kunnen een beroep doen op technische ondersteuning door de Commissie via de taskforce voor hervorming en investering (SG REFORM) in het kader van het instrument voor technische ondersteuning (TSI)(). Het doel van de TSI is de verzoekende lidstaten technische steun te verlenen om hun institutionele en administratieve capaciteit voor het opzetten en uitvoeren van hervormingen te versterken. Van 2021 tot 2025 heeft het TSI 36 projecten gefinancierd, waaronder 43 hervormingen, ter ondersteuning van 20 lidstaten bij de uitvoering van hun hervormingen van het rechtssysteem. Het TSI heeft projecten ondersteund die gericht zijn op het verbeteren van de kwaliteit en doeltreffendheid van justitie, zoals het benutten van technologie voor een beter beheer van processtromen en een gegevensgestuurde aanpak voor de toewijzing van zaken en middelen, het vergemakkelijken van de toegang tot justitie voor kwetsbare groepen en het versterken van de capaciteit van vervolgingsautoriteiten voor een doeltreffende berechting van spraakmakende en grensoverschrijdende corruptiezaken. De oproep tot het indienen van voorstellen in het kader van het instrument voor technische ondersteuning van 2025 bood de lidstaten een platform om steun aan te vragen voor hervormingen op het gebied van digitalisering, zoals het gebruik van technologie voor het aangaan van uitdagingen in het kader van grootschalige processen en het automatiseren van routinetaken teneinde handmatige werkzaamheden en fouten te verminderen, waardoor rechters en administratief personeel zich kunnen concentreren op veeleisender taken. Het instrument voor technische ondersteuning vormt ook een aanvulling op andere instrumenten, namelijk de herstel- en veerkrachtfaciliteit, aangezien het instrument de lidstaten kan ondersteunen bij de uitvoering van hun herstel- en veerkrachtplannen. De herstel- en veerkrachtplannen omvatten maatregelen ter verbetering van de doeltreffendheid van justitie, namelijk door digitalisering, het wegwerken van achterstanden, verbetering van het beheer van rechtbanken en zaken, en hervorming van de justitiële kaart.
Hoe ondersteunt het programma “Justitie” de doeltreffendheid van de rechtsstelsels?
Met een totale begroting van 305 miljoen EUR voor 2021-2027 ondersteunt het programma “Justitie” de verdere ontwikkeling van een Europese rechtsruimte die stoelt op de rechtsstaat, met inbegrip van de onafhankelijkheid, kwaliteit en efficiëntie van het rechtsstelsel, op wederzijdse erkenning en wederzijds vertrouwen en op justitiële samenwerking. In 2024 werd ongeveer 41,2 miljoen EUR uitgetrokken voor de financiering van projecten en andere activiteiten in het kader van de drie specifieke doelstellingen van het programma:
·11,1 miljoen EUR werd uitgetrokken om de justitiële samenwerking in civielrechtelijke en strafrechtelijke zaken te bevorderen; en bij te dragen tot een doeltreffende en samenhangende toepassing en handhaving van EU-instrumenten; alsook om de lidstaten te ondersteunen bij hun aansluiting op het Europees Strafregister Informatiesysteem — Onderdanen van derde landen (Ecris-TCN);
·15,9 miljoen EUR werd uitgetrokken voor de opleiding van rechtsbeoefenaren voor wat betreft het Europees burgerlijk recht, het Europees strafrecht, de Europese grondrechten, de rechtsstelsels van de lidstaten en de rechtsstaat;
·14,2 miljoen EUR werd uitgetrokken om de toegang tot de rechter (inclusief e-justitie) te bevorderen; de rechten van slachtoffers en de rechten van verdachten en beklaagden te beschermen, en de ontwikkeling en het gebruik van digitale instrumenten en het onderhoud en de uitbreiding van het e-justitieportaal te ondersteunen (in aanvulling op het programma Digitaal Europa).
Waarom monitort de Commissie de digitalisering van nationale rechtsstelsels?
De digitalisering van justitie is de sleutel tot het vergroten van de doeltreffendheid van de rechtsstelsels en een bijzonder efficiënt instrument om de toegang tot de rechter te vergemakkelijken, en de kwaliteit ervan te verhogen. Digitale instrumenten bevorderen ook de justitiële samenwerking. Na de COVID-19-pandemie hebben de lidstaten hun hervormingen ten behoeve van de modernisering op dit gebied versneld. Ook op het vlak van justitie wordt steeds vaker gebruikgemaakt van AI.
Sinds 2013 bevat het EU-scorebord voor justitie vergelijkende informatie over de digitalisering van justitie in de lidstaten, bijvoorbeeld op het gebied van de onlinetoegang tot rechterlijke beslissingen of het online indienen van en een vervolg geven aan vorderingen.
Verordening (EU) 2023/2844 betreffende de digitalisering van de justitiële samenwerking en de toegang tot de rechter in grensoverschrijdende burgerlijke, handels- en strafzaken(
) biedt natuurlijke en rechtspersonen het recht om elektronisch te communiceren met de bevoegde rechterlijke instanties in het kader van grensoverschrijdende procedures, evenals om gerechtskosten elektronisch te betalen. Met de verordening wordt tevens een rechtsgrondslag gecreëerd waarop in het kader van grensoverschrijdende burgerlijke, handels- en strafzaken videoconferenties kunnen worden gehouden. Daarnaast wordt een digitaal communicatiekanaal voor de uitwisseling van gegevens tussen de bevoegde rechterlijke instanties opgezet. Het EU-scorebord voor justitie monitort in dit kader de vorderingen van de lidstaten bij de uitvoering van de verordening en bij het gebruik van videoconferentie.
Daarnaast zullen de gegevens die afkomstig zijn van het EU-scorebord voor justitie 2025 dienen als input voor de komende strategie voor het gebruik van digitale technologieën om de civiele en strafrechtstelsels van de EU efficiënter, veerkrachtiger en veiliger te maken
.
2.
Belangrijkste bevindingen van het EU-scorebord voor justitie 2025
Efficiëntie, kwaliteit en onafhankelijkheid zijn de belangrijkste parameters voor een doeltreffend justitieel stelsel. Het scorebord bevat indicatoren voor elk van deze parameters.
2.1. Efficiëntie van rechtsstelsels
Het scorebord bevat indicatoren voor de efficiëntie van de procedures op het brede gebied van civielrechtelijke, handelsrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken en op specifieke gebieden waarop bestuurlijke en rechterlijke instanties uitvoering geven aan het EU-recht(
).
2.1.1. Ontwikkelingen in werkbelasting
De werkbelasting van de nationale rechtsstelsels is in vijf lidstaten afgenomen en in twee lidstaten aanzienlijk afgenomen ten opzichte van het voorgaande jaar. In 20 lidstaten is de werkbelasting toegenomen of gelijk gebleven. Het niveau tussen de lidstaten blijft aanzienlijk variëren (figuur 1).
Figuur : aantal binnenkomende civielrechtelijke, handelsrechtelijke, bestuursrechtelijke en andere zaken in 2014, 2021-2023 (*) (eerste aanleg/per 100 inwoners) (bron: Cepej-onderzoek (
))
(*) Volgens de Cepej-methodologie heeft deze figuur betrekking op alle litigieuze en niet-litigieuze civielrechtelijke en handelsrechtelijke zaken, niet-litigieuze kadastrale en handelsregisterzaken, andere register- en andere niet-litigieuze zaken, bestuursrechtelijke zaken en andere niet-strafrechtelijke zaken.
Figuur : aantal binnenkomende litigieuze civielrechtelijke en handelsrechtelijke zaken in 2014, 2021-2023 (*) (eerste aanleg/per 100 inwoners) (bron: Cepej-onderzoek)
(*) Litigieuze civielrechtelijke en handelsrechtelijke zaken betreffen volgens de Cepej-methodologie geschillen tussen partijen, bijvoorbeeld geschillen over overeenkomsten. Niet-litigieuze civielrechtelijke en handelsrechtelijke zaken betreffen niet-contentieuze procedures, bijvoorbeeld onbetwiste betalingsopdrachten.
Figuur : aantal binnenkomende bestuursrechtelijke zaken in 2014, 2021-2023 (*) (eerste aanleg/per 100 inwoners) (bron: Cepej-onderzoek)
(*) Bestuursrechtelijke zaken betreffen volgens de Cepej-methodologie geschillen tussen individuen en lokale, regionale of nationale autoriteiten. DK en IE registreren bestuursrechtelijke zaken niet afzonderlijk. Methodologische veranderingen in EL, SK en SE.
2.1.2. Algemene gegevens over efficiëntie
De indicatoren voor de efficiëntie van de procedure op het brede gebied van civielrechtelijke, handelsrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken zijn: i) de geschatte duur van de procedure (beslissingstermijn), ii) het afhandelingspercentage en iii) het aantal aanhangige zaken.
Geschatte duur van de procedure –
De geschatte duur van de procedure is de tijd (in dagen) die naar schatting nodig is om een zaak voor de rechter te behandelen, met andere woorden de tijd die de rechter nodig heeft om een uitspraak in eerste aanleg te doen. De beslissingstermijn duidt de geschatte minimumtijd aan die een rechter nodig zou hebben om een zaak te behandelen, waarbij zijn huidige arbeidsomstandigheden gehandhaafd blijven. Deze indicator wordt berekend als het aantal niet-afgehandelde zaken gedeeld door het aantal afgehandelde zaken aan het einde van een jaar, vermenigvuldigd met 365 (dagen)(). Hoe hoger de waarde, hoe waarschijnlijker het is dat de rechter meer tijd nodig heeft om een uitspraak te doen. De gegevens hebben vooral betrekking op procedures in eerste aanleg en vergelijken, voor zover beschikbaar, gegevens van 2014, 2021, 2022 en 2023(
). Figuur 6 geeft de beslissingstermijn in 2023 weer in litigieuze burgerlijke en handelszaken in alle rechterlijke instanties, en figuur 8 in bestuurszaken in alle rechterlijke instanties.
Figuur : geschatte tijd voor het afhandelen van civielrechtelijke, handelsrechtelijke, bestuursrechtelijke en andere zaken in 2014, 2021-2023 (*) (eerste aanleg/in dagen) (bron: Cepej-onderzoek)
(*) Volgens de Cepej-methodologie heeft deze figuur betrekking op alle litigieuze en niet-litigieuze civielrechtelijke en handelsrechtelijke zaken, niet-litigieuze kadastrale en handelsregisterzaken, andere register- en andere niet-litigieuze zaken, bestuursrechtelijke zaken en andere niet-strafrechtelijke zaken. Methodologische veranderingen in SK. Aanhangige zaken omvatten alle instanties in CZ en, tot 2016, in SK. Voor LV is de sterke afname het gevolg van een hervorming van het rechtsstelsel, foutencontroles en het opschonen van gegevens in het informatiesysteem. In PT is op 1 september 2013 een nieuw Wetboek van burgerlijke rechtsvordering in werking getreden, waarbij een nieuwe handhavingsregeling is ingesteld. Dit is gebaseerd op een nieuw paradigma, waarin wordt gesteld dat er een duidelijk onderscheid moet bestaan tussen gerechtelijke en buitengerechtelijke procedures. Tot dusver is het echter niet mogelijk geweest de gegevensverzameling dienovereenkomstig aan te passen en de nodige gegevens voor deze figuur te verstrekken.
Figuur : geschatte tijd voor het afhandelen van litigieuze civielrechtelijke en handelsrechtelijke zaken in eerste aanleg in 2014, 2021-2023 (*) (eerste aanleg/in dagen) (bron: Cepej-onderzoek)
(*) Litigieuze civielrechtelijke en handelsrechtelijke zaken betreffen volgens de Cepej-methodologie geschillen tussen partijen, bijvoorbeeld geschillen over overeenkomsten. Niet-litigieuze civielrechtelijke en handelsrechtelijke zaken betreffen niet-contentieuze procedures, bijvoorbeeld onbetwiste betalingsopdrachten. Methodologische veranderingen in EL en SK. Aanhangige zaken omvatten alle instanties in CZ en, tot en met 2016, in SK. Voor IT heeft de tijdelijke vertraging van de gerechtelijke activiteit als gevolg van de strenge beperkende maatregelen om de COVID-19-pandemie aan te pakken, een invloed gehad op de beslissingstermijn. De gegevens voor NL omvatten niet-litigieuze zaken.
Figuur : geschatte tijd voor het afhandelen van litigieuze civielrechtelijke en handelsrechtelijke zaken in alle rechterlijke instanties in 2023 (*) (eerste, tweede en derde aanleg/in dagen) (bron: Cepej-onderzoek)
(*) De volgorde van de lidstaten in de figuur wordt bepaald door de rechterlijke instantie met de langste procedures in elke lidstaat. Er zijn geen gegevens beschikbaar voor rechtbanken van eerste en tweede aanleg in CY, NL en IE, rechtbanken van tweede aanleg in HR en ES, en voor rechtbanken van derde aanleg in EL en SK. Er bestaat geen rechtbank van derde aanleg in DE en MT. De toegang tot de rechtbank van derde aanleg kan in sommige lidstaten beperkt zijn.
Figuur : geschatte tijd voor het afhandelen van bestuursrechtelijke zaken in eerste aanleg 2014, 2021-2023 (eerste aanleg/in dagen) (bron: Cepej-onderzoek)
(*) Bestuursrechtelijke zaken betreffen volgens de Cepej-methodologie geschillen tussen individuen en lokale, regionale of nationale autoriteiten. Methodologische veranderingen in EL en SK. Aanhangige zaken omvatten zaken voor rechtbanken van alle graden van aanleg in CZ en, tot 2016, in SK. DK en IE registreren bestuursrechtelijke zaken niet afzonderlijk.
Figuur : geschatte tijd voor het afhandelen van bestuursrechtelijke zaken in alle rechterlijke instanties in 2023 (*) (eerste, tweede en, waar van toepassing, derde aanleg/in dagen) (bron: Cepej-onderzoek)
(*) De waarden voor sommige lidstaten zijn verlaagd voor presentatiedoeleinden (CY in tweede aanleg = 5 429). De volgorde van de lidstaten in de figuur wordt bepaald door de rechterlijke instantie met de langste procedures in elke lidstaat. Geen gegevens beschikbaar voor rechtbanken van tweede aanleg in BE, CZ, HU, MT, AT, PL, RO, SI, SK en FI, rechtbanken van derde aanleg in LT, LU en MT. Het hooggerechtshof of een ander hoogste rechtscollege is de enige beroepsinstantie in CZ, IT, AT, SI en FI. Er bestaat geen rechtbank van derde aanleg voor dit soort zaken in LT, LU en MT. De hoogste bestuursrechtelijke rechtbank is de eerste en enige instantie voor bepaalde zaken in BE. De toegang tot rechtbanken van derde aanleg kan in sommige lidstaten beperkt zijn. DK en IE registreren bestuursrechtelijke zaken niet afzonderlijk. In juli 2023 heeft het rechtsstelsel in CY een ingrijpende hervorming ondergaan, waarbij onder meer een hof van beroep en een rechtbank van derde aanleg zijn ingesteld.
Afhandelingspercentage –
Het afhandelingspercentage is de verhouding tussen het aantal afgehandelde zaken en het aantal binnenkomende zaken. Dit percentage geeft aan of een rechterlijke instantie het aantal binnenkomende zaken kan verwerken. Wanneer het afhandelingspercentage ongeveer 100 % of meer bedraagt, betekent dit dat het rechtsstelsel ten minste evenveel zaken kan afhandelen als er binnenkomen. Ligt het afhandelingspercentage onder de 100 %, dan komen er meer zaken binnen dan er door de rechtbanken worden afgehandeld.
Figuur : afhandelingspercentage civielrechtelijke, handelsrechtelijke, bestuursrechtelijke en andere zaken in 2014, 2021-2023 (*)(eerste aanleg/in % — waarden boven 100 % geven aan dat er meer zaken worden afgehandeld dan er binnenkomen, terwijl waarden onder 100 % aangeven dat er minder zaken worden afgehandeld dan er binnenkomen) (bron: Cepej-onderzoek)
(*) Volgens de Cepej-methodologie heeft deze figuur betrekking op alle litigieuze en niet-litigieuze civielrechtelijke en handelsrechtelijke zaken, niet-litigieuze kadastrale en handelsregisterzaken, andere register- en andere niet-litigieuze zaken, bestuursrechtelijke zaken en andere niet-strafrechtelijke zaken. Methodologische veranderingen in SK. In IE zou het aantal afgehandelde zaken als gevolg van de methodologie een onderschatting zijn.
Figuur : afhandelingspercentage voor litigieuze civielrechtelijke en handelsrechtelijke zaken in 2014, 2021-2023 (*) (eerste aanleg/in %) (bron: Cepej-onderzoek)
(*) Methodologische veranderingen in EL en SK. In IE zou het aantal afgehandelde zaken als gevolg van de methodologie een onderschatting zijn. De gegevens voor NL omvatten niet-litigieuze zaken.
Figuur : afhandelingspercentagebestuursrechtelijke zaken in 2014, 2021-2023 (*) (eerste aanleg/in %) (bron: Cepej-onderzoek)
(*) Methodologische veranderingen in EL en SK. DK en IE registreren bestuursrechtelijke zaken niet afzonderlijk. In CY is het aantal afgehandelde zaken toegenomen als gevolg van bij elkaar gevoegde zaken, de intrekking van 2 724 geconsolideerde zaken en de oprichting van een bestuursrechtelijke rechtbank in 2015.
Aanhangige zaken –
Het aantal aanhangige zaken is het aantal zaken waarin nog uitspraak moet worden gedaan aan het eind van het betreffende jaar. Dit is ook van invloed op de beslissingstermijn.
Figuur : aantal aanhangige civielrechtelijke, handelsrechtelijke, bestuursrechtelijke en andere zaken in 2014, 2021-2023 (*) (eerste aanleg/per 100 inwoners) (bron: Cepej-onderzoek)
(*) Volgens de Cepej-methodologie heeft deze figuur betrekking op alle litigieuze en niet-litigieuze civielrechtelijke en handelsrechtelijke zaken, niet-litigieuze kadastrale en handelsregisterzaken, andere register- en andere niet-litigieuze zaken, bestuursrechtelijke zaken en andere niet-strafrechtelijke zaken. Methodologische veranderingen in SK. Aanhangige zaken omvatten zaken voor rechtbanken van alle graden van aanleg in CZ en, tot 2016, in SK.
Figuur : aantal aanhangige litigieuze civielrechtelijke en handelsrechtelijke zaken in 2014, 2021-2023 (*) (eerste aanleg/per 100 inwoners) (bron: Cepej-onderzoek)
(*) Methodologische veranderingen in EL en SK. Aanhangige zaken omvatten zaken voor rechtbanken van alle graden van aanleg in CZ en, tot 2016, in SK. De gegevens voor NL omvatten niet-litigieuze zaken.
Figuur : aantal aanhangige bestuursrechtelijke zaken in 2014, 2021-2023 (*) (eerste aanleg/per 100 inwoners) (bron: Cepej-onderzoek)
Methodologische veranderingen in EL en SK. Aanhangige zaken omvatten zaken voor rechtbanken van alle graden van aanleg in CZ en, tot 2016, in SK. DK en IE registreren bestuursrechtelijke zaken niet afzonderlijk.
2.1.3. Efficiëntie op specifieke gebieden van het EU-recht
De gegevens in dit deel vormen een aanvulling op de algemene gegevens over de efficiëntie van de rechtsstelsels. Ze geven de gemiddelde duur weer van procedures(
) op specifieke gebieden van het EU-recht. Het scorebord 2025 is gebaseerd op eerdere gegevens over mededinging, elektronische communicatie, Uniemerken, consumentenrecht, het witwassen van geld en de bestrijding van corruptie.
De zes gebieden van het Unierecht zijn geselecteerd vanwege hun relevantie voor de eengemaakte markt en het ondernemingsklimaat. Deze editie van het scorebord vervolgt met een overzicht van de efficiëntie van bestuurlijke instanties met geactualiseerde cijfers over de gebieden mededinging en consumentenbescherming. Langdurige gerechtelijke en bestuurlijke procedures kunnen in het algemeen negatieve effecten hebben op de uit het EU-recht voortvloeiende rechten, bijvoorbeeld indien er niet langer passende rechtsmiddelen beschikbaar zijn of ernstige financiële schade niet meer kan worden verhaald. Met name voor ondernemingen kunnen administratieve vertragingen en onzekerheid in sommige gevallen leiden tot aanzienlijke kosten, en geplande of bestaande investeringen ondermijnen(
).
– Mededinging –
Een doeltreffende handhaving van het mededingingsrecht is van essentieel belang voor een aantrekkelijk ondernemingsklimaat en brengt een gelijk speelveld voor bedrijven tot stand. Daardoor worden economisch initiatief en efficiëntie bevorderd, krijgen de consumenten een bredere keuze aangereikt, gaan de prijzen omlaag en gaat de kwaliteit omhoog. Figuur 15 geeft de gemiddelde duur weer van zaken die zijn aangespannen tegen besluiten van nationale mededingingsautoriteiten op grond van de artikelen 101 en 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)(
). Figuur 16 geeft de gemiddelde duur weer van zaken voor de nationale mededingingsautoriteiten op grond van de artikelen 101 en 102 VWEU.
Figuur : Mededinging: gemiddelde duur van rechterlijke toetsing in 2014, 2021-2023 (*) (eerste aanleg/in dagen) (bron: Europese Commissie in samenwerking met het Europees Mededingingsnetwerk)
(*) Het gemiddelde wordt gewogen op basis van het aantal zaken in het betreffende jaar. AT: de gegevens voor 2014 en 2021 omvatten beslissingen van het kartelrecht over de inhoud, niet de rechterlijke toetsing van deze beslissingen door het Hooggerechtshof. Sinds de vaststelling van het EU-scorebord voor justitie 2024 worden de beslissingen van het kartelgerecht meegeteld in de duur van de procedures voor de nationale mededingingsautoriteiten (zie hieronder). IT: voor 2014, 2021 en 2022 is uitgegaan van een schatting van de duur. Een lege kolom kan erop wijzen dat de lidstaat geen zaken voor dat jaar in kwestie heeft gemeld. Het aantal zaken is in veel lidstaten beperkt (minder dan vijf per jaar). Hierdoor kunnen de jaargegevens sterk beïnvloed zijn door één uitzonderlijk lange of korte zaak (zoals in LU, bijvoorbeeld, waar er slechts één zaak was). ES: het aantal beroepen komt overeen met het aantal ondernemingen dat beroep heeft ingesteld tegen elk besluit van de Comisión Nacional de los Mercados y la Competencia (CNMC). IE: niet van toepassing voor 2020, 2021 en 2022, aangezien de Competition and Consumer Protection Commission (CCPC) vóór 2023 niet bevoegd was om beslissingen van het relevante type te nemen die voor rechterlijke toetsing vatbaar zijn.
Figuur : Mededinging: gemiddelde duur van procedures voor de nationale mededingingsautoriteiten in 2021-2023 (*) (in dagen) (bron: Europese Commissie in samenwerking met het Europees Mededingingsnetwerk)
(*) Het gemiddelde wordt gewogen op basis van het aantal zaken in het betreffende jaar. In het kader van het EU-scorebord voor justitie 2024 is de gemiddelde duur van de procedures voor de nationale mededingingsautoriteiten als volgt berekend: het aantal dagen tussen de eerste formele onderzoeksmaatregel en de vaststelling van een definitief besluit door de nationale mededingingsautoriteit (door de administratieve autoriteit of, in de lidstaten met een rechtsstelsel, door de rechtbank die bevoegd is een verbodsbesluit vast te stellen en/of boetes op te leggen of te bevestigen). De sinds de editie van 2024 beschikbare gegevens in bovenstaande figuur kunnen derhalve niet worden vergeleken met de gegevens die in eerdere edities zijn gepubliceerd. Deze berekeningsmethode maakt het mogelijk om, uitsluitend voor de doeleinden van het EU-scorebord voor justitie, op Unieniveau vergelijkbare gegevens vast te stellen. De methode kan ten aanzien van bepaalde lidstaten afwijken van de nationale verslaglegging. CZ en SK hebben een tweeledig stelsel met een primaire en een secundaire bestuurlijke procedure. Indien bezwaar wordt gemaakt, worden primaire besluiten herzien bij een besluit van de bezwaarinstantie, waardoor de procedure kan worden verlengd. DK: In 2021 is Denemarken, na de omzetting van de ECN+-richtlijn, overgestapt van een zuiver strafrechtelijk handhavingsstelsel naar een systeem waarbij de Deense mededingingsautoriteit nu rechtstreeks bij een burgerlijke rechtbank een boete kan aanvragen en in haar eigen administratieve procedures schikkingsbesluiten kan nemen. Dit heeft ertoe geleid dat het aantal besluiten sinds 2022 is toegenomen. Voor AT, DK en FI omvat de duur van de procedures de gecombineerde duur van de procedures voor de administratieve en gerechtelijke nationale mededingingsautoriteiten. AT: De gegevens betreffen ook procedures in verband met een grootschalig kartel in de bouwsector. Vanwege de omvang van deze zaak werden (en worden) procedures die het gevolg zijn van dezelfde eerste onderzoeksmaatregel, achtereenvolgens ingeleid en afgesloten, waardoor de gemiddelde duur van de procedure geleidelijk wordt verstoord. ES en IT: de gegevens geen betrekking hebben op door de nationale mededingingsautoriteit vastgestelde vastleggingsbesluiten. IE: niet van toepassing voor 2020, 2021 en 2022, aangezien de CCPC tot september 2023 niet bevoegd was om zelf bindende bestuurlijke besluiten vast te stellen in antitrustzaken (vóór die datum kon zij in dergelijke zaken alleen handhavingsmaatregelen treffen via de rechter).
– Elektronische communicatie –
De EU-wetgeving inzake elektronische communicatie heeft tot doel de concurrentie te bevorderen, aan de ontwikkeling van de eengemaakte markt bij te dragen en investeringen, innovatie en groei te genereren. De positieve effecten voor de consument kunnen worden bereikt door middel van een doeltreffende handhaving van deze wetgeving, die kan leiden tot lagere prijzen voor eindgebruikers en een betere kwaliteit van de dienstverlening. Figuur 17 geeft de gemiddelde tijd weer die nodig is voor rechterlijke toetsing van de besluiten van nationale regelgevende instanties op grond van de EU-wetgeving inzake elektronische communicatie(
). Onder deze categorie valt een grote verscheidenheid van zaken, van complexe evaluaties van “marktanalyses” tot eenvoudigere consumentgerichte vraagstukken.
Figuur : Elektronische communicatie: gemiddelde duur van rechterlijke toetsing in 2014, 2021-2023 (*) (eerste aanleg/in dagen) (bron: Europese Commissie in samenwerking met het Comité voor communicatie)
(*) Waarden voor sommige lidstaten zijn verlaagd voor presentatiedoeleinden (PT in 2023 = 2 830; CY in 2023 = 3 285). Het gemiddelde wordt gewogen op basis van het aantal zaken in het betreffende jaar. Het aantal zaken verschilt per lidstaat. Een lege kolom wil zeggen dat de lidstaat geen zaken voor dat jaar heeft gemeld. Soms kan het beperkte aantal relevante zaken (CZ, DK, IE, ES, LV, AT, PT) ertoe leiden dat de jaargegevens sterk beïnvloed zijn door één uitzonderlijk lange of korte zaak; dit kan aanleiding geven tot grote verschillen van jaar tot jaar. In DK is een semi-rechterlijke instantie bevoegd ten aanzien van verzoeken in eerste aanleg. In ES, AT en PL zijn verschillende rechtbanken bevoegd, afhankelijk van het onderwerp.
– Uniemerk–
Een doeltreffende handhaving van intellectuele-eigendomsrechten is van essentieel belang om investeringen in innovatie te stimuleren. De EU-wetgeving inzake Uniemerken(
) kent een belangrijke rol toe aan de nationale rechterlijke instanties, door hen de bevoegdheid te verlenen om namens de Unie op te treden en beslissingen te nemen die de hele eengemaakte markt raken. Figuur 18 geeft de gemiddelde tijd weer die nodig is voor de afhandeling van zaken tussen particulieren met betrekking tot inbreuken op een Uniemerk.
Figuur : Uniemerk: gemiddelde duur van zaken met betrekking tot inbreuk op een Uniemerk in 2014, 2021-2023 (*) (eerste aanleg/in dagen) (bron: Europese Commissie in samenwerking met het Europees Waarnemingscentrum voor inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten)
(*) Het gemiddelde wordt gewogen op basis van het aantal zaken in het betreffende jaar. FR, IT, LT, LU: op basis van een steekproef van zaken voor gegevens over bepaalde jaren. DK: gegevens van alle zaken met betrekking tot handelsmerken (niet alleen Uniemerken) bij hooggerechtshoven voor maritieme en handelsrechtelijke zaken; in 2023 zijn 372 zaken op het gebied van intellectuele-eigendomsrecht afgesloten. 53 waren gewone burgerlijke zaken, 275 werden behandeld als procedures voor geringe vorderingen en 44 waren (voorlopige) verbodsprocedures. Informatie over de behandelingstermijnen is niet beschikbaar. EL: gegevens gebaseerd op de gewogen gemiddelde duur van twee rechterlijke instanties. ES: zaken betreffende andere Europese intellectuele-eigendomsrechten zijn opgenomen in de berekening van de gemiddelde duur. PL: voor 2023 is het gewogen gemiddelde berekend op basis van het aantal afgehandelde zaken. FI: voor 2023 is het Hof van Justitie in één van de twee zaken verzocht om een prejudiciële beslissing. De periode waarin de zaak bij het Hof aanhangig was, is meegeteld in de berekening van het gemiddelde aantal dagen.
– Consumentenbescherming –
De doeltreffende handhaving van wetgeving inzake consumentenbescherming garandeert dat de consumentrechten worden beschermd en dat ondernemingen die inbreuk maken op consumentenwetgeving geen oneerlijk voordeel verkrijgen. De consumentenbeschermingsautoriteiten en rechterlijke instanties spelen een centrale rol bij de handhaving van EU-wetgeving inzake consumentenbescherming(
) binnen de verschillende nationale handhavingssystemen. Figuur 19 geeft de gemiddelde tijd weer die nodig is voor rechterlijke toetsing van besluiten van consumentenbeschermingsautoriteiten op grond van de EU-wetgeving.
Voor consumenten en ondernemingen kan een keten van actoren bij de doeltreffende handhaving zijn betrokken, niet alleen rechterlijke maar ook bestuurlijke instanties. Om meer licht te werpen op deze handhavingsketen wordt de duur van de procedure bij consumentenbeschermingsautoriteiten weergegeven. Uit figuur 20 blijkt de gemiddelde duur die nationale consumentenbeschermingsautoriteiten in 2014 en 2021-2023 nodig hadden om tot een bestuurlijk besluit te komen. Besluiten omvatten: de vaststelling van inbreuken op wezenlijke regels, tussentijdse maatregelen, administratieve verboden, inleiding van gerechtelijke procedures en het sluiten van een zaak.
Figuur : Consumentenbescherming: gemiddelde duur van rechterlijke toetsing in 2014, 2021-2023 (*) (eerste aanleg/in dagen) (bron: Europese Commissie in samenwerking met het samenwerkingsnetwerk voor consumentenbescherming)
(*) Het gemiddelde wordt gewogen op basis van het aantal zaken in het betreffende jaar. DE, LU, AT: scenario is niet van toepassing, aangezien consumentenbeschermingsautoriteiten niet bevoegd zijn voor het nemen van besluiten betreffende inbreuken op de desbetreffende consumentenvoorschriften. EL en RO hebben een raming van de gemiddelde duur gegeven.
Figuur : Consumentenbescherming: gemiddelde duur van bestuurlijke besluiten door consumentenbeschermingsautoriteiten in 2014, 2021-2023 (*) (eerste aanleg/in dagen (bron: Europese Commissie in samenwerking met het samenwerkingsnetwerk voor consumentenbescherming)
(*) Het gemiddelde wordt gewogen op basis van het aantal zaken in het betreffende jaar. DE, LU, AT: niet van toepassing, aangezien consumentenbeschermingsautoriteiten niet bevoegd zijn voor het nemen van besluiten betreffende inbreuken op de desbetreffende consumentenvoorschriften. DK, EL, FR, RO en FI hebben voor bepaalde jaren een raming van de gemiddelde duur gegeven.
– Witwassen –
De preventie en de bestrijding van witwaspraktijken ontneemt criminelen niet alleen middelen om hun illegale praktijken voort te zetten en zorgt niet alleen voor de doeltreffende ontmanteling van georganiseerde criminele netwerken(), maar is ook belangrijk voor de soliditeit, integriteit en stabiliteit van de financiële sector, het vertrouwen in het financiële stelsel en een eerlijke mededinging in de eengemaakte markt(
). Witwaspraktijken kunnen buitenlandse investeringen ontmoedigen, internationale kapitaalstromen verstoren en de macro-economische prestaties van een land negatief beïnvloeden. Als gevolg hiervan kan de welvaart dalen en kunnen er middelen aan de meer productieve economische activiteiten worden onttrokken(
). Lidstaten zijn op grond van de witwasrichtlijn verplicht om statistieken bij te houden over de doeltreffendheid van hun regelingen ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering(
). In samenwerking met de lidstaten is een bijgewerkte enquête gebruikt om gegevens te verzamelen over de gerechtelijke aspecten van de nationale regelingen ter bestrijding van het witwassen van geld. Figuur 21 toont de gemiddelde duur van de behandeling in eerste aanleg van zaken betreffende witwasmisdrijven.
Figuur : Witwassen: gemiddelde duur van rechtszaken in 2014, 2021-2023 (*) (eerste aanleg/in dagen) (bron: Europese Commissie in samenwerking met de Deskundigengroep witwassen en terrorismefinanciering)
(*) Het gemiddelde wordt gewogen op basis van het aantal zaken in het betreffende jaar. Voor PT: de databank werd voor elk gerechtelijk arrondissement gefilterd op de desbetreffende criteria om de informatie over witwasdossiers te verkrijgen; voor het gemiddelde aantal dagen werden de datum van de inbreuk en de datum van definitieve beslissing of afsluiting in aanmerking genomen. CY: ernstige zaken komen gemiddeld binnen een jaar voor het Hof van Assisen. Minder ernstige strafbare feiten komen voor de districtsrechtbanken, op een langere termijn. SK: de gegevens komen overeen met de gemiddelde duur van de volledige procedure, met inbegrip van de procedure bij het hof van beroep.
– Corruptiebestrijding –
Corruptie vormt een belemmering voor duurzame economische groei, doordat middelen worden onttrokken aan productieve resultaten, de efficiëntie van overheidsuitgaven wordt ondermijnd en de sociale ongelijkheid wordt vergroot. Zij belemmert de doeltreffende en soepele werking van de eengemaakte markt, veroorzaakt onzekerheden bij het zakendoen en werkt remmend op investeringen. Corruptie is met name bijzonder complex om aan te pakken omdat, in tegenstelling tot de meeste misdrijven, beide bij een corruptiezaak betrokken partijen er doorgaans belang bij hebben de zaak geheim te houden. Hierdoor valt ook de daadwerkelijke omvang van de mate van corruptie in de hele EU moeilijk te kwantificeren. Corruptie is een bijzonder ernstig strafbaar feit met een grensoverschrijdende dimensie, zoals bedoeld in artikel 83, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en kan alleen effectief worden aangepakt met gemeenschappelijke minimumvoorschriften die gelden in de gehele Unie. Op 3 mei 2023 heeft de Commissie een voorstel voor een richtlijn betreffende de strafrechtelijke bestrijding van corruptie ingediend, vergezeld van een Gezamenlijke mededeling over corruptiebestrijding(). In het voorstel voor een richtlijn worden EU-regels voor de definities van en straffen voor corruptiemisdrijven geactualiseerd en geharmoniseerd, om hoge normen in de strijd tegen het volledige scala aan corruptiemisdrijven (namelijk omkoping, maar ook wederrechtelijke toe-eigening, ongeoorloofde beïnvloeding, misbruik van functie, belemmering van de rechtsgang en de illegale verrijking die verband houdt met corruptiemisdrijven) te waarborgen, zodat corruptie beter kan worden voorkomen en de handhaving kan worden verbeterd. In samenwerking met de lidstaten is in 2022 een nieuwe enquête ontwikkeld om gegevens te verzamelen over de duur van rechtszaken in eerste aanleg over omkoping, die is weergegeven in figuur 22 hieronder().
Figuur : Corruptie (omkoping): gemiddelde duur van rechtszaken in de periode van 2021 tot en met 2023 (*) (eerste aanleg/in dagen) (bron: Europese Commissie in samenwerking met de nationale contactpunten voor corruptiebestrijding)
(*) Het gemiddelde wordt gewogen op basis van het aantal zaken in het betreffende jaar. Geen antwoord op deze vraag van DE, IE, ES, IT, CY, MT en NL. Bij deze berekening voor 2022 begint de termijn te lopen op de datum waarop het openbaar ministerie de verweerder dagvaart om voor de rechter te verschijnen; de termijn eindigt op de dag waarop de rechter in eerste aanleg de definitieve uitspraak doet. Voor de voornoemde 35 zaken bedraagt de gemiddelde behandelingsduur 645 dagen. Er moet echter rekening worden gehouden met het feit dat een zaak vaak niet gereed is voor de terechtzitting op het moment dat de termijn ingaat. Bijgevolg duurt het enige tijd voordat de zaak ter zitting wordt behandeld. De gemiddelde duur vanaf de eerste hoorzitting tot het eindvonnis bedraagt 194 dagen.
2.1.4. Samenvatting inzake de efficiëntie van rechtsstelsels
|
In een efficiënt rechtsstelsel worden de werkbelasting en de achterstand bij de behandeling van zaken goed beheerd en worden beslissingen zonder onnodig uitstel genomen. De belangrijkste indicatoren die het EU-scorebord voor justitie hanteert om de efficiëntie van rechtsstelsels te volgen, zijn daarom de duur van de procedure (beslissingstermijn of gemiddelde tijd in dagen die nodig is om een zaak af te handelen), het afhandelingspercentage (de verhouding tussen het aantal afgehandelde zaken en het aantal binnenkomende zaken) en het aantal aanhangige zaken (zaken die aan het einde van het jaar nog moeten worden behandeld).
Algemene gegevens over efficiëntie
Het EU-scorebord voor justitie 2025 bevat efficiëntiegegevens over een periode van negen jaar (2014-2023). Deze periode werd bijgewerkt van 2012 naar 2014 om een betere beschikbaarheid van gegevens mogelijk te maken, terwijl een vergelijkbare duur werd behouden om trends zichtbaar te maken. Deze periode biedt voldoende ruimte om rekening te houden met het feit dat het vaak enige tijd duurt voordat het effect van de justitiële hervormingen merkbaar wordt.
Uit de gegevens van 2014 tot 2023 over civielrechtelijke, handelsrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken komt in de meeste gevallen een positieve trend naar voren. Na de afname van de efficiëntie in 2020, mogelijk als gevolg van de COVID-19-pandemie, is er in 2021 en met name in 2022 een terugkeer te zien naar de efficiëntieniveaus van 2019. In 2023 hebben sommige lidstaten die gegevens rapporteren hun efficiëntie verder verbeterd, terwijl het efficiëntieniveau in andere lidstaten gelijk is gebleven. Dit toont het effect van de maatregelen die de lidstaten hebben getroffen om hun stelsels beter bestand te maken tegen toekomstige verstoringen.
Er zijn enkele positieve ontwikkelingen waar te nemen in de lidstaten die in de afgelopen jaren in het kader van het Europees Semester zijn aangewezen als lidstaten met specifieke problemen (
).
·In 16 lidstaten is sinds 2014, afgaande op de beschikbare gegevens voor deze lidstaten, de duur van de procedures in eerste aanleg in de brede categorie “alle zaken” (figuur 4) verder afgenomen of stabiel gebleven. Voor de categorie “litigieuze civielrechtelijke en handelsrechtelijke zaken” (figuur 5) is de duur van de procedures in eerste aanleg in 13 lidstaten verder afgenomen of stabiel gebleven. Uit de figuren 4 en 5 blijkt dat de duur van de procedures in acht lidstaten in elke categorie is afgenomen ten opzichte van het voorgaande jaar, in sommige gevallen tot onder het niveau van 2020. In bestuursrechtelijke zaken (figuur 7) is de duur van de procedures sinds 2012 in ongeveer 15 lidstaten afgenomen of stabiel gebleven. De duur van de procedures in bestuursrechtelijke zaken is in 2023 in 12 lidstaten afgenomen ten opzichte van het voorgaande jaar.
·Het scorebord bevat gegevens over de duur van de procedures in alle rechterlijke instanties voor litigieuze civielrechtelijke en handelsrechtelijke zaken (figuur 6) en bestuursrechtelijke zaken (figuur 8). Uit de gegevens blijkt dat in vijf van de lidstaten die zijn aangewezen als lidstaten met problemen in verband met de duur van de procedures bij rechtbanken van eerste aanleg, hogere rechtbanken efficiënter hebben gewerkt. In vijf andere lidstaten met problemen is de gemiddelde duur van procedures bij hogere rechtbanken echter nog langer dan bij rechtbanken van eerste aanleg.
·In de brede categorie “alle zaken” en de categorie “litigieuze civielrechtelijke en handelsrechtelijke zaken” (figuren 9 en 10) is het totale aantal lidstaten met een afhandelingspercentage van meer dan 100 % hetzelfde gebleven als in 2022. In 2023 meldden achttien lidstaten, waaronder ook lidstaten met problemen, een hoog afhandelingspercentage (meer dan 97 %). Dit betekent dat de rechtbanken in het algemeen in staat zijn om de binnenkomende zaken in deze categorieën af te handelen. In bestuursrechtelijke zaken (figuur 11) bleef het afhandelingspercentage in 2023 in 14 lidstaten nagenoeg gelijk aan dat van 2022. Hoewel het afhandelingspercentage in bestuursrechtelijke zaken in het algemeen lager blijft dan in andere categorieën zaken, blijven 15 lidstaten goede vorderingen maken. Meer in het bijzonder maakten zeven lidstaten met problemen melding van een toename van het afhandelingspercentage in bestuursrechtelijke zaken sinds 2014.
·Sinds 2014 is de situatie stabiel gebleven of verder verbeterd in vier lidstaten die met de grootste problemen te kampen hebben ten aanzien van hun achterstand, ongeacht de categorie zaken (figuur 12). Terwijl in 2023 het aantal aanhangige zaken is gestegen, is het aantal aanhangige zaken, zowel litigieuze civielrechtelijke en handelsrechtelijke zaken (figuur 13) als bestuursrechtelijke zaken (figuur 14), in tien lidstaten stabiel gebleven. Toch blijven er significante verschillen bestaan tussen lidstaten met relatief weinig aanhangige zaken en lidstaten met een groot aantal aanhangige zaken.
Efficiëntie op specifieke gebieden van het EU-recht
De gegevens over de gemiddelde duur van de procedures op specifieke gebieden van het EU-recht (figuren 15-22) verschaffen inzicht in de werking van rechtsstelsels in specifieke soorten bedrijfsgerelateerde geschillen.
De gegevens over de efficiëntie op specifieke EU-rechtsgebieden worden verzameld op basis van nauw gedefinieerde scenario’s, waardoor het aantal relevante zaken gering kan zijn. In vergelijking met de berekende duur van de procedures die in de algemene gegevens over efficiëntie zijn opgenomen, geven deze cijfers echter de werkelijke gemiddelde duur van alle relevante zaken op specifieke gebieden in een jaar weer. Opgemerkt moet worden dat lidstaten die in de algemene gegevens over efficiëntie niet als lidstaten met problemen naar voren lijken te komen, desalniettemin een aanzienlijk langere gemiddelde duur van zaken op specifieke gebieden van het EU-recht melden. Tegelijkertijd kan ook de duur van procedures op verschillende specifieke gebieden binnen dezelfde lidstaat aanzienlijk variëren.
Een ander cijfer dat vorig jaar is ingevoerd, heeft betrekking op de duur van strafrechtelijke procedures, met name in verband met omkoping, en toont de mate van efficiëntie op dat gebied van het EU-recht.
Tot slot blijft het scorebord 2025 inzicht verschaffen in de efficiëntie van de gehele handhavingsketen, die belangrijk is voor een positief bedrijfs- en investeringsklimaat. Voor rechtszaken in verband met mededinging is er bijvoorbeeld een figuur over de duur van procedures bij de nationale mededingingsautoriteit en de duur van de rechterlijke toetsing van de besluiten van die autoriteit.
·Wat rechterlijke toetsing van mededingingszaken (figuur 15) betreft, is de totale werkbelasting van rechtbanken in de EU toegenomen, en is de duur van de rechterlijke toetsing in vijf lidstaten afgenomen of stabiel gebleven, terwijl deze in zeven andere lidstaten is toegenomen. Ondanks de matig positieve trend meldden zeven lidstaten in 2023 een gemiddelde duur van meer dan 1 000 dagen. Wat de procedures bij de nationale mededingingsautoriteiten betreft (figuur 16), meldden 11 lidstaten dat deze minder dan 1 000 dagen in beslag namen. Van de lidstaten waarvan is gemeld dat zij problemen ondervinden met de efficiëntie van de rechterlijke toetsing van mededingingszaken, behoren er drie tot de meest efficiënte lidstaten wanneer het gaat om procedures bij de nationale mededingingsautoriteiten.
·Op het gebied van elektronische communicatie (figuur 17) is de werkbelasting van de rechtbanken ten opzichte van de vorige jaren afgenomen, waardoor de in 2022 waargenomen positieve trend van kortere procedures werd voortgezet. In 2023 tekenden negen lidstaten een daling van de gemiddelde duur van de procedures op of bleven de cijfers gelijk in vergelijking met 2022 en was er in zeven lidstaten sprake van een stijging.
·Ten aanzien van zaken met betrekking tot inbreuk op een Uniemerk (figuur 18) is de algemene werkbelasting in 2023 afgenomen in vergelijking met 2022. Hoewel vier lidstaten erin zijn geslaagd om hun werkbelasting efficiënter aan te pakken en een kortere of gelijkblijvende duur van de procedures optekenden, is de gemiddelde duur van de procedures in zes lidstaten duidelijk toegenomen.
·Op het gebied van de Uniewetgeving inzake consumentenbescherming wordt het mogelijke gecombineerde effect van de handhavingsketen getoond, dat zowel bestuurlijke procedures als de rechterlijke toetsing omvat (figuren 19 en 20). In 2023 hebben zes lidstaten gemeld dat hun consumentenbeschermingsautoriteiten gemiddeld minder dan drie maanden nodig hadden om een besluit vast te stellen in het kader van een zaak die onder het consumentenrecht van de Unie valt. In negen andere lidstaten duurde dit maximaal een jaar. Als de besluiten van de consumentenbeschermingsautoriteiten voor de rechter werden betwist, liepen de trends met betrekking tot de duur van de rechterlijke toetsing van bestuurlijke besluiten in 2023 uiteen, met een stijging in vijf lidstaten en een daling in vijf overige lidstaten ten opzichte van 2022. In twee lidstaten bedraagt de gemiddelde duur van de rechterlijke toetsing nog steeds meer dan 1 000 dagen.
·Doeltreffende maatregelen ter bestrijding van witwaspraktijken zijn van groot belang voor de bescherming van het financiële stelsel, voor het waarborgen van een eerlijke mededinging en om negatieve gevolgen voor de economie te voorkomen. Buitensporig lange rechtszaken kunnen de Unie belemmeren bij het bestrijden van witwaspraktijken of kunnen de effectiviteit van de inspanningen op dit gebied verminderen. Figuur 21 bevat bijgewerkte gegevens over de duur van gerechtelijke procedures met betrekking tot onrechtmatige witwaspraktijken. Hieruit volgt dat in zeven lidstaten gerechtelijke procedures in eerste aanleg weliswaar gemiddeld één jaar duren maar dat deze in zeven lidstaten gemiddeld twee jaar en in vijf lidstaten gemiddeld drieënhalf jaar duren (
).
·Corruptie is een bijzonder ernstige vorm van criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie. Corruptie heeft negatieve economische gevolgen en kan alleen effectief worden aangepakt door gemeenschappelijke minimumvoorschriften die gelden in de gehele Unie. Het scorebord bevat cijfers over de duur van gerechtelijke procedures in omkopingszaken. Uit figuur 22 volgt dat de beschikbaarheid van gegevens per lidstaat verschilt en dat ook de gemiddelde duur van procedures bij de strafrechterlijke instanties van eerste aanleg varieert. Wat betreft de gegevens uit 2023 wordt de procedure in acht lidstaten binnen ongeveer een jaar afgerond, terwijl de procedure in de overige zeven lidstaten waarvoor er gegevens beschikbaar zijn tot twee jaar kan duren. De complexiteit van de vervolging en berechting van omkoping weerspiegelt de ernst van het misdrijf. Dit komt ook tot uiting in de duur van de procedures.
|
2.2. Kwaliteit van de rechtsstelsels
Er bestaat geen algemeen aanvaard stelsel om de kwaliteit van rechtsstelsels te meten. In het EU-scorebord voor justitie 2025 wordt het onderzoek naar factoren die over het algemeen worden geacht relevant te zijn voor de verbetering van de kwaliteit van de rechtspleging voortgezet. Deze factoren worden in vier categorieën ingedeeld:
1) toegang tot de rechter voor het grote publiek en voor bedrijven;
2) toereikende financiële en personele middelen;
3) invoering van evaluatie-instrumenten;
4) digitalisering.
2.2.1. Toegang tot de rechter
In de gehele justitiële keten is toegankelijkheid een vereiste opdat elkeen, daaronder begrepen personen die het risico lopen te worden gediscrimineerd, ouderen en slachtoffers van strafbare feiten, relevante informatie kan verkrijgen over het rechtsstelsel, over de wijze waarop een vordering kan worden ingesteld en over de financiële aspecten daarvan alsook over de stand van zaken totdat de procedure is afgerond, en de beslissing online kan raadplegen.
– Rechtsbijstand, gerechtskosten en juridische kosten –
De kosten in verband met rechtszaken zijn een belangrijke factor bij de toegang tot de rechter. Hoge proceskosten, waaronder gerechtskosten (
) en juridische kosten (
), kunnen de toegang tot de rechter belemmeren. Proceskosten in civiel- en handelsrechtelijke zaken zijn niet geharmoniseerd op Unieniveau. Zij worden beheerst door de nationale wetgeving en verschillen tussen de lidstaten.
Toegang tot rechtsbijstand is een grondrecht dat is verankerd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (
). Door het verlenen van rechtsbijstand krijgen mensen die normaliter niet bij machte zijn om de verschuldigde proceskosten te dragen of om deze voor te schieten alsnog toegang tot de rechter. De meeste lidstaten verlenen rechtsbijstand op basis van het inkomen van de aanvrager (
).
Figuur 23 toont de beschikbaarheid van volledige of gedeeltelijke rechtsbijstand in een specifieke consumentenzaak met een vordering ten bedrage van 6 000 EUR. De figuur vergelijkt de inkomensgrenzen voor de toekenning van rechtsbijstand, uitgedrukt als een percentage van de Eurostat-armoedegrens in elke lidstaat (
). Indien de grens om voor rechtsbijstand in aanmerking te komen op 20 % ligt, betekent dat bijvoorbeeld dat aanvragers met een inkomen van 20 % boven de Eurostat-armoedegrens in hun lidstaat alsnog rechtsbijstand kunnen krijgen. Blijkt de grens voor rechtsbijstand lager dan 0 te zijn, dan betekent dit evenwel dat iemand met een inkomen onder de armoedegrens geen rechtsbijstand kan krijgen.
Negen lidstaten hanteren een rechtsbijstandsstelsel dat de kosten in verband met rechtszaken voor 100 % dekt (volledige rechtsbijstand), aangevuld met een stelsel dat een deel van de kosten dekt (gedeeltelijke rechtsbijstand), waarbij andere criteria voor toekenning van rechtsbijstand worden gehanteerd. Tien lidstaten werken hetzij met volledige hetzij met gedeeltelijke rechtsbijstand maar niet met beide. In vier lidstaten ligt de besluitvormingsbevoegdheid ten aanzien van het verlenen van rechtsbijstand bij de rechterlijke instanties.
Figuur : inkomensgrens voor het verlenen van rechtsbijstand in een specifieke consumentenzaak, 2024 (*) (verschillen in % ten opzichte van de Eurostat-armoedegrens) (bron: Europese Commissie in samenwerking met de Raad van de balies van Europa (CCBE) (
))
(*) Berekeningen zijn gebaseerd op de Eurostat-armoederisicodrempel van 2023. BE, DE, ES, FR, IE, IT, LT, LU, NL, SI, SK en FI: bij rechtsbijstand moet tevens rekening worden gehouden met het beschikbare vermogen van de aanvrager. EL: de begunstigde van rechtsbijstand is een persoon van wie de jaarlijkse inkomsten uit vermogen niet meer bedragen dan twee derde van het laagste jaarsalaris dat is vastgesteld in de thans geldende wetgeving. LU: er werd een regeling voor gedeeltelijke rechtsbijstand ingevoerd. Er is geen sprake van een specifieke drempel. De toekenning van rechtsbijstand hangt af van de algehele financiële en gezinssituatie van de aanvrager. BG, HR, LV, MT en RO: geen gegevens verstrekt.
Ontvangers van rechtsbijstand zijn vaak vrijgesteld van het betalen van gerechtskosten. Slechts in zes lidstaten (Bulgarije, Tsjechië, Griekenland, Oostenrijk, Malta en Polen) worden ontvangers van rechtsbijstand niet automatisch vrijgesteld van het betalen van gerechtskosten. In Tsjechië beslist de rechterlijke instantie per geval of een persoon die rechtsbijstand ontvangt al dan niet wordt vrijgesteld van het betalen van gerechtskosten. In Luxemburg hoeven partijen die rechtsbijstand genieten geen deurwaarderskosten te betalen. In figuur 24 wordt voor de twee scenario’s een vergelijking gemaakt ten aanzien van het bedrag van de gerechtskosten, namelijk als percentage van de waarde van de betreffende vordering. Indien de gerechtskosten in onderstaande figuur 10 % van een vordering ten bedrage van 6 000 EUR belopen, moet de consument bijvoorbeeld 600 EUR aan gerechtskosten betalen om een gerechtelijke procedure aanhangig te maken. De vordering met een lage waarde is gebaseerd op de Eurostat-armoederisicodrempel voor elke lidstaat.
Figuur : gerechtskosten om een gerechtelijke procedure aanhangig te maken in een specifieke consumentenzaak, 2024 (*) (bedrag van de gerechtskosten als percentage van de waarde van de vordering) (bron: Europese Commissie in samenwerking met de Raad van de balies van Europa (CCBE) (
))
(*) Berekeningen zijn gebaseerd op de Eurostat-armoederisicodrempel van 2023. Een “vordering met lage waarde” is een vordering die overeenkomt met de Eurostat-armoedegrens per persoon voor elke lidstaat, uitgedrukt in het maandinkomen (deze waarde varieerde bijvoorbeeld in 2022 van 326 EUR in BG tot 2 381 EUR in LU). BE: 24 EUR aan het Fonds voor juridische tweedelijnsbijstand; Griffierechten: 50 EUR of 165 EUR. Nadien, indien vrijgelaten/veroordeeld: mogelijkerwijs 1 350 EUR voor de rechtsplegingsvergoeding. NL: de gerechtskosten gelden voor een procespartij met een jaarinkomen van minder dan 30 000 EUR. SE: de gerechtskosten zijn van toepassing indien meer dan 2 329 EUR in het geding is.
Op basis van een casestudy wordt in figuur 25 het bedrag aan rechtsbijstand getoond dat in een specifieke strafzaak aan strafrechtadvocaten is betaald() . De respondenten hebben aangegeven welke bedragen in het beschreven fictieve scenario uit de overheidsbegroting aan advocaten zouden worden betaald.
Figuur : bedrag aan rechtsbijstand dat aan strafrechtadvocaten is betaald in een specifieke strafzaak, 2024 (*) (bron: Europese Commissie in samenwerking met de Raad van de balies van Europa (CCBE) (
))
(*) De gegevens zijn verzameld op basis van een specifieke casestudy. De bedragen zijn stuk voor stuk aangegeven in EUR en zijn waar nodig omgerekend vanuit de nationale valuta. Om rekening te houden met de economische verschillen tussen de lidstaten is de toegevoegde waarde van de vergoedingen en de uitgaven gedeeld door de vergelijkende prijsindexcijfers, uitgedrukt in percentages, waarbij het gemiddelde van de EU 100 % bedraagt, dat van DK 149 % en dat van BG 59 %. Daardoor zijn de vergoedingen van en de uitgaven voor advocaten aangepast. AT: het Oostenrijkse rechtsbijstandsstelsel wordt gefinancierd door de overheid en berust op de solidariteit van alle Oostenrijkse advocaten, die via een rotatiesysteem allemaal bijdragen aan het stelsel van rechtsbijstand. Doorgaans wordt een advocaat niet rechtstreeks vergoed voor het verrichten van rechtsbijstandsdiensten. In de plaats daarvan betaalt de Oostenrijkse overheid de Oostenrijkse balie jaarlijks een forfaitair bedrag voor de totale rechtsbijstandsdiensten die zijn verleend door alle advocaten tezamen. De Oostenrijkse balie verdeelt dat bedrag onder de regionale balies op basis van het aantal geregistreerde advocaten dat rechtsbijstandsdiensten heeft verleend en op grond van het aantal rechtsbijstandszaken die door de regionale balies zijn behandeld. Het geld wordt gebruikt voor het socialezekerheids- en pensioenstelsel, dat niet wordt gefinancierd door de overheid. IE: de advocatuur is onderverdeeld in “barristers” en “solicitors”. De rechtsbijstand verschilt voor elk van deze beroepsgroepen. Bovenstaande figuur toont het maximumbedrag dat in het betreffende scenario in het kader van de rechtsbijstandregeling in rekening kan worden gebracht.
– Toegang tot methoden van alternatieve geschillenbeslechting –
Figuur 26 toont de met specifieke stimuleringsmaatregelen verrichte inspanningen van de lidstaten ter bevordering van het vrijwillige gebruik van methoden voor alternatieve geschillenbeslechting (“Alternative Dispute Resolution”, ADR). Die methoden kunnen verschillen naargelang van het betreffende rechtsgebied (
).
Figuur : aanmoediging en stimulering van het gebruik van ADR-methoden, 2024 (*) (bron: Europese Commissie (
))
(*) Maximale score: 68 punten. Geaggregeerde indicatoren gebaseerd op de volgende indicatoren: 1) websites met informatie over ADR; 2) voorlichtingscampagnes in de media; 3) brochures voor het bredere publiek; 4) door de gerechten op verzoek georganiseerde specifieke voorlichtingsbijeenkomsten over ADR; 5) aanwezigheid van een ADR-coördinator/bemiddelingscoördinator; 6) publicatie van evaluaties over het gebruik van ADR; 7) publicatie van statistieken over het gebruik van ADR; 8) volledige of gedeeltelijke dekking van de ADR-kosten door middel van rechtsbijstand; 9) bij succesvolle ADR, volledige of gedeeltelijke terugbetaling van gerechtskosten, met inbegrip van zegelrechten; 10) geen advocaat vereist voor de ADR-procedure; 11) de rechter kan als bemiddelaar optreden; 12) door de partijen bereikte overeenkomsten worden in rechte afdwingbaar; 13) mogelijkheid om online een procedure aanhangig te maken/een vordering in te stellen en bewijsstukken over te leggen; 14) partijen kunnen elektronisch in kennis worden gesteld van de aanhangigmaking en van de verschillende stappen van de procedure; 15) mogelijkheid om verschuldigde vergoedingen online te voldoen; 16) gebruik van technologieën (artificiële intelligentie, chatbots) om de aanhangigmaking en de beslechting van geschillen te vergemakkelijken; en 17) overige middelen. Voor elk van deze 17 indicatoren is aan elk rechtsgebied één punt toegekend. IE: bestuursrechtelijke zaken vallen onder de categorie van civiel- en handelsrechtelijke zaken. EL: ADR wordt voor bestuursrechtelijke hoven van beroep toegepast in het geval van procedures inzake openbare aanbestedingen. ES: ADR is verplicht in arbeidsrechtelijke zaken. PT: de gerechtskosten voor civiel- en handelsrechtelijke geschillen worden slechts terugbetaald indien het betreffende geschil wordt beslecht door een vrederechter. SK: het gebruik van ADR voor bestuursrechtelijke doeleinden wordt door de Slowaakse rechtsorde niet ondersteund. FI: consumenten- en arbeidsgeschillen worden geacht civielrechtelijke zaken te zijn. SE: rechters hebben een procedurele beslissingsbevoegdheid op het gebied van ADR. De rechter is gehouden om ernaar te streven dat een minnelijke schikking wordt bereikt, tenzij dit wegens de aard van de zaak niet gepast is.
– Specifieke regelingen inzake de toegang tot de rechter –
Het EU-scorebord voor justitie 2022 bevatte aparte figuren inzake specifieke regelingen om voor personen met een handicap een gelijke toegang tot de rechter te vergemakkelijken. In het kader van het EU-scorebord voor justitie 2023 is verder ingegaan op specifieke regelingen die gelijke toegang tot de rechter vergemakkelijken voor personen die het risico lopen te worden gediscrimineerd, alsook voor twee andere specifieke groepen, namelijk: ouderen en slachtoffers van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Twee jaar nadat deze gegevens voor het laatst zijn gepresenteerd wordt in het kader van het EU-scorebord voor justitie 2025 opnieuw de balans van de geselecteerde specifieke regelingen opgemaakt.
In onderstaande grafiek worden de maatregelen weergegeven die elke lidstaat heeft getroffen om belemmeringen inzake de toegang tot de rechter voor personen die het risico lopen te worden gediscrimineerd, waaronder ouderen, weg te nemen. In dat verband gaat het ook om de fysieke toegankelijkheid van gerechtsgebouwen, de toegang tot juridische informatie, het verlenen van bijstand of rechtsbijstand en de vorm waarin online-informatie beschikbaar wordt gesteld.
De grafiek laat een aantal positieve trends zien, onder meer met betrekking tot de fysieke toegankelijkheid van gerechtsgebouwen en rechtszalen, de toegankelijkheid van rechtsbijstand en oplossingen om ouderen te helpen bij het deelnemen aan gerechtelijke procedures. Daarnaast blijkt dat informatie online beter beschikbaar is in een voor ouderen gemakkelijk toegankelijk formaat en dat ngo's of organen voor gelijke behandeling in meer lidstaten het recht hebben om gerechtelijke procedures aanhangig te maken of om eraan deel te nemen. Sommige lidstaten blijven evenwel met uitdagingen kampen. Er zijn nog steeds lidstaten waar de vooruitgang langzaam verloopt en waar de situatie stagneert of zelfs verslechtert.
Figuur : specifieke regelingen voor toegang tot de rechter voor personen die het risico lopen te worden gediscrimineerd en ouderen (bron: Europese Commissie (
))
(*) BE: Unia is een onafhankelijke openbare instelling die gelijkheid bevordert en discriminatie bestrijdt. Er zijn ook speciale websites, waaronder Just-on-web en e-deposit. DK: personen kunnen worden vrijgesteld van het gebruik van digitale overheidsoplossingen, bijvoorbeeld als zij thuis geen toegang hebben tot een computer, smartphone of tablet. In bijzondere gevallen kan de rechter beslissen dat iemand kan worden vrijgesteld van het gebruik van minretssag.dk als hij of zij niet over de nodige digitale vaardigheden beschikt of een specifieke handicap heeft. IE: het Ierse Commissie voor Mensenrechten en Gelijkheid is bevoegd om in procedures met betrekking tot mensenrechten en/of gelijkheid bij de rechter in eerste aanleg (High Court), het Hof van Beroep (Court of Appeals) of het Hooggerechtshof (Supreme Court) te verzoeken om als amicus curiae voor de rechtbank te mogen verschijnen; digitale indiening vervangt de traditionele vormen van indiening en betekening niet. ES: artikel 7 bis van de Spaanse wet tot vaststelling van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering introduceert verschillende nieuwe bepalingen die ertoe strekken dat ouderen gemakkelijk toegang krijgen tot de rechter. HR: de laatste dergelijke enquête is uitgevoerd in 2017 . In een nieuwe enquête in 2025 zullen de vragen worden ingedeeld naar de leeftijdsgroepen van de deelnemers. IT: niet alle gerechtsgebouwen zijn toegankelijk voor ouderen. FI: rechtsbijstandverleners kunnen ouderen bezoeken om hun probleem op te lossen. LT: volgens de Letse wet inzake door de staat gewaarborgde rechtsbijstand kunnen slachtoffers van strafbare feiten die zijn gepleegd met de bedoeling om haat jegens hen te uiten, onder meer op grond van leeftijd, een beroep doen op rechtsbijstand, ongeacht hun inkomen en vermogen. MT: in 2023 heeft “Legal Aid Malta” een memorandum van overeenstemming ondertekend met het departement voor actief ouder worden en gemeenschapszorg om kosteloze rechtsbijstand te verlenen aan oudere cliënten (cliënten die ouder zijn dan 60 jaar) in zowel burgerlijke als strafzaken, daaronder begrepen zaken waarin ouderen het slachtoffer zijn geworden van criminaliteit of gendergerelateerd geweld hebben ondervonden. NL: de rechterlijke macht stelt het publiek in kennis van de instantie waar zij terecht kunnen voor juridisch advies (Juridisch Loket, advocaten, enz.). Deze informatie moet voor elkeen gebruiksvriendelijk en begrijpelijk zijn, ook voor ouderen. Er is gebruikersonderzoek uitgevoerd om dit te controleren. AT: op enkele uitzonderingen na zijn de gerechtsgebouwen drempelvrij en fysiek gemakkelijk toegankelijk voor ouderen. PL: ngo’s waarvan de wettelijke taak onder meer inhoudt dat zij geen bedrijfsactiviteiten mogen verrichten, kunnen ter bescherming van de rechten van de burgers een procedure aanhangig maken en deelnemen aan lopende procedures indien de wet daarin voorziet. PT: wanneer een kwetsbare persoon het slachtoffer is van een openbaar strafbaar feit (voor openbare strafbare feiten wordt de procedure ambtshalve ingeleid door de openbare aanklager), kan de procedure aanhangig worden gemaakt door ngo's of organen voor gelijke behandeling. SI: speciale websites verstrekken op een informatieve en gebruiksvriendelijke wijze informatie over procedures. SK: het grondwettelijke recht van burgers op rechtsbijstand kan voornamelijk worden uitgeoefend via rechtsbijstandcentra en openbare verdedigers van rechten.
Figuur 28 vult de figuren 19 en 20 over de efficiëntie van procedures op het gebied van het consumentenrecht aan op grond van specifieke geselecteerde maatregelen van de lidstaten die erop gericht zijn om meer bekendheid te geven aan het nieuwe Europese model voor collectief verhaal (
), dat is uitgewerkt voor de doeleinden van een betere toegang van consumenten tot de rechter in het geval dat zij hun rechten collectief moeten kunnen doen gelden.
Figuur : specifieke regelingen voor representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten, 2024 (*) (bron: Europese Commissie (
))
(*) Representatieve vorderingen in de zin van Richtlijn (EU) 2020/1828. Het betreft vorderingen die door gekwalificeerde entiteiten namens groepen consumenten worden ingesteld bij nationale rechterlijke instanties of bestuurlijke autoriteiten met de bedoeling om voorlopige maatregelen te verkrijgen (d.w.z. om onrechtmatige praktijken van een handelaar te doen staken, vergelijkbaar met wat is bepaald in de Richtlijn betreffende het doen staken van inbreuken 2009/22/EG), herstelmaatregelen (zoals terugbetaling, vervanging, herstel) of zowel voorlopige als herstelmaatregelen. Deze vraag is bedoeld om informatie te verzamelen over specifieke praktijken die niet noodzakelijkerwijs rechtstreeks verband houden met de omzetting van de richtlijn. Voor HR, LU, HU en RO zijn geen gegevens gerapporteerd. NL: alle in Nederland gevestigde rechterlijke instanties (de civiele afdelingen ervan) zijn bevoegd om zaken betreffende collectieve vorderingen in behandeling te nemen. In de praktijk worden deze zaken behandeld door een nationale pool van rechters die gespecialiseerd/ervaren zijn in dergelijke procedures. Het betreft een opt-outsysteem, wat betekent dat consumenten alleen actie hoeven te ondernemen als zij in de procedure niet vertegenwoordigd willen worden. Dit moet schriftelijk aan de rechterlijke instantie worden meegedeeld. BE: er is geen register, maar bepaalde beslissingen moeten worden gepubliceerd op de website van het ministerie van Economische Zaken en in het Belgische Staatsblad. DK: thans zijn de bevoegde instanties de Deense consumentenombudsman (Forbrugerombudsmanden) en het Deense geneesmiddelenagentschap (Lægemiddelstyrelsen), die beide worden gefinancierd met overheidsmiddelen. EE: consumentengeschillen worden behandeld door de Estse Commissie voor consumentengeschillen, een onafhankelijke en onpartijdige instantie die consumentengeschillen beslecht. IE: de website Citizens Information heeft een artikel over representatieve vorderingen gepubliceerd die onderdeel uitmaakt van de voor consumenten opgezette informatiepagina over het indienen van klachten. EL: bij wet 5019/2023 wordt een nieuw stelsel van representatieve vorderingen ingevoerd. LV: in Letland is één grensoverschrijdende gekwalificeerde entiteit aangewezen. Er zijn nog geen representatieve vorderingen ingesteld. LT: maatregelen om het publiek bewust te maken van collectieve vorderingen van consumenten worden voornamelijk getroffen doordat de relevante informatie wordt verstrekt op de websites van de nationale autoriteit voor de bescherming van de consumentenrechten en consumentenorganisaties (bijvoorbeeld een memo op de website van de nationale autoriteit voor de bescherming van de consumentenrechten).
https://vvtat.lrv.lt/media/viesa/saugykla/2024/2/o2moBOazC4c.pdf
). PT: de lijst van representatieve vorderingen die bij de rechterlijke instanties in PT zijn ingesteld, is beschikbaar op de website van het directoraat-generaal Consumenten. Ook de contactgegevens van de instantie en alle relevante documenten voor consumenten zijn daarop beschikbaar:
https://www.consumidor.gov.pt/consumidor_4/acoes-coletivas/informacoes-sobre-acoes-coletivas
. SK: consumenten kunnen zich bij een collectieve vordering aansluiten via om het even welke notaris. Het aanvraagformulier is beschikbaar via de volgende link
https://static.slov-lex.sk/pdf/prilohy/SK/ZZ/2023/289/20230725_5563264-2.pdf
.
In het EU-scorebord voor justitie 2025 wordt ook de analyse ten aanzien van een kindvriendelijke justitie uitgebreid. Figuur 29 geeft een bredere waaier aan specifieke regelingen voor een kindvriendelijke justitie weer (zowel civiele procedure als strafprocedures/jeugdrechtprocedures). Figuur 30 ziet op een breder scala aan specifieke regelingen die beschikbaar zijn wanneer een kind als slachtoffer of verdachte/beklaagde betrokken is bij een gerechtelijke procedure.
Figuur : specifieke regelingen voor een kindvriendelijke justitie/kindvriendelijke procedures (zowel civiele procedures als strafprocedures/jeugdrechtprocedures), 2024 (*) (bron: Europese Commissie (
).
Kinderen: personen tot 18 jaar.
Figuur : specifieke regelingen voor kinderen die als slachtoffer, verdachte of beklaagde betrokken zijn bij een strafprocedure (kinderen: personen tot 18 jaar), 2024 (*) (bron: Europese Commissie (
))
(*) Kinderen: personen tot 18 jaar.
Het EU-scorebord voor justitie 2025 breidt de analyse ten aanzien van de toegang tot de rechter uit tot slachtoffers van strafbare feiten en slachtoffers van geweld tegen vrouwen/huiselijk geweld.
Figuur : rechtsmiddelen voor slachtoffers van strafbare feiten, 2024 (bron: Europese Commissie ( ))
Figuur : wettelijke regelingen voor slachtoffers van geweld tegen vrouwen/huiselijk geweld, 2024 (bron: Europese Commissie ( ))
2.2.2. Middelen
Er zijn voldoende middelen nodig om het rechtstelsel goed te laten functioneren. Dit omvat de nodige investeringen in fysieke en technische infrastructuur en gekwalificeerd, opgeleid en goed betaald personeel van allerlei aard. Zonder voldoende faciliteiten, instrumenten en personeel met de vereiste kwalificaties, vaardigheden en toegang tot permanente opleiding wordt de kwaliteit van de procedures en beslissingen ondermijnd.
– Financiële middelen–
De onderstaande figuren tonen de daadwerkelijke overheidsuitgaven met betrekking tot de werking van het rechtsstelsel (uitgezonderd gevangenissen), zowel per inwoner (figuur 33) als uitgedrukt in een percentage van het bruto binnenlands product (bbp) (figuur 34).
Figuur : totale algemene overheidsuitgaven voor de rechtspleging in EUR per inwoner, 2013, 2021-2023 (*) (bron: Eurostat)
(*) De lidstaten zijn gerangschikt op basis van hun uitgaven in 2023 (van hoog tot laag). De gegevens voor 2022 voor DE, ES, FR en SK zijn voorlopig van aard. De gegevens voor BE, DE, ES, FR, PT en SK voor 2023 zijn voorlopig van aard. De gegevens voor PL vertonen een onderbreking in de reeks in 2022. Bron: Eurostat, Gov_10a_exp
Figuur : totale algemene overheidsuitgaven voor de rechtspleging als percentage van het bbp, 2013, 2021-2023(*) (bron: Eurostat)
(*) De lidstaten zijn gerangschikt op basis van hun uitgaven in 2023 (van hoog tot laag). De gegevens voor 2022 voor DE, ES, FR en SK zijn voorlopig van aard. De gegevens voor BE, DE, ES, FR, PT en SK voor 2023 zijn voorlopig van aard. De gegevens voor PL vertonen een onderbreking in de reeks in 2022. Bron: Eurostat, Gov_10a_exp
Figuur 35 toont de verhouding tussen het jaarsalaris van enerzijds de rechters en de openbaar aanklagers en anderzijds het gemiddelde jaarsalaris in het betreffende land. Voor elk land tonen de balken deze verhoudingen voor respectievelijk rechters en openbaar aanklagers aan het begin van hun loopbaan en op het hoogtepunt ervan. Krachtens artikel 19, lid 1, VEU moeten de lidstaten er zorg voor dragen dat zowel hun rechterlijke instanties als geheel als de individuele rechters onafhankelijk zijn op de onder het Unierecht vallende gebieden. Hoewel een tijdelijke verlaging van de bezoldiging in het kader van bezuinigingsmaatregelen volgens het Hof van Justitie niet is aangemerkt als een inbreuk op deze bepaling, heeft het verklaard dat de ontvangst door de leden van de rechterlijke macht van een bezoldiging die evenredig is aan het belang van de functies die zij uitoefenen een wezenlijke waarborg voor de rechterlijke onafhankelijkheid is() .
Figuur : verhouding tussen het jaarsalaris van rechters en openbaar aanklagers en het gemiddelde bruto jaarsalaris in het betreffende land in 2023 (*) (bron: onderzoek van de Europese Commissie voor Efficiëntie in Justitie (Cepej) van de Raad van Europa)
(*) De specifieke opmerkingen van de lidstaten over de gegevens zijn beschikbaar in het Cepej-onderzoek() .
Figuur 36 toont de verhouding tussen enerzijds het jaarsalaris van leidinggevend justitieel personeel en leidinggevend personeel binnen het openbaar ministerie en anderzijds het gemiddelde jaarsalaris in het betreffende land. Voor elk land geven de eerste twee balken de verhouding weer van het leidinggevend justitieel personeel aan het begin van hun loopbaan en na tien dienstjaren, terwijl de derde en de vierde balk de verhouding van het leidinggevende personeel binnen het openbaar ministerie aan het begin van hun loopbaan en na tien dienstjaren tonen.
Figuur : verhouding tussen het jaarsalaris van leidinggevend justitieel personeel en leidinggevend personeel binnen het openbaar ministerie, en het aangepaste gemiddelde bruto jaarsalaris bij een voltijdbaan in het betreffende land in 2023 (*) (bron: Europese Commissie en Eurostat (
))
(*) De indicator is ontwikkeld in samenwerking met de groep van contactpersonen inzake de nationale rechtsstelsels. De gegevens over de salarissen zien op het minimum jaarlijkse bruto startsalaris, in 2023, in euro, en het minimum bruto jaarsalaris na tien jaar ervaring, in 2023, in euro. Op het bruto salaris zijn eventuele sociale premies en belastingen nog niet ingehouden. Bonussen die op gezette tijden worden uitgekeerd aan alle personeelsleden, ongeacht hun persoonlijke situatie, zijn inbegrepen (bijvoorbeeld de dertiende maand, die zonder uitzondering wordt uitbetaald aan personeel van de rechterlijke instanties/het openbaar ministerie). Bonussen in verband met persoonlijke omstandigheden (bijvoorbeeld gezinstoelagen die afhankelijk zijn van het aantal kinderen) zijn van het bedrag uitgesloten. Tenzij anders vermeld, wordt gebruikgemaakt van het minimumsalaris voor de personeelscategorieën die tot de respectieve groep van medewerkers behoren. De verhouding is berekend aan de hand van de Eurostat-indicator “Average full time adjusted salary per employee” (aangepast gemiddeld bruto jaarsalaris bij een voltijdsbaan), nama_10_fte, voor 2023. Onder justitieel personeel wordt verstaan deskundig personeel bij rechterlijke instanties van eerste aanleg dat bijdraagt aan de gerechtelijke procedure/betrokken is bij de rechtspleging, zoals assistent-rechters, Rechtspfleger, gerechtsmedewerkers en griffiers. Onder personeel binnen het openbaar ministerie wordt verstaan deskundig personeel op het laagste niveau van het openbaar ministerie dat bijdraagt aan de procedures/betrokken is bij de rechtspleging, zoals assistent-aanklagers en openbaar aanklagers in opleiding. De specifieke categorieën waarnaar de afzonderlijke lidstaten binnen deze twee bredere groepen verwijzen en die in de figuur zijn weergegeven, zijn respectievelijk: J: verwijst naar justitieel personeel, P: verwijst naar personeel binnen het openbaar ministerie. BE: griffier/greffier (J), secretaris/secrétaire (P). De verstrekte gegevens omvatten het vakantiegeld en de eindejaarspremie. BG: assistent-rechter (J), assistent-aanklager (P). CZ: hoger justitieel ambtenaar (J), personeel binnen het openbaar ministerie (P). DK: assistent-rechter (J), openbaar aanklager in opleiding (P). Het salaris van de assistent-rechter na tien jaar ervaring is gebaseerd op het gemiddelde salaris. DE: niet vermeld. EE: referendaris (J), assistent-aanklager (P). IE: assistent-rechter (J), juridisch hoofdambtenaar (P). EL: griffier (J). ES: gerechtelijke ambtenaren (J), corps van gerechtelijke assistenten (P). FR : juridisch medewerker/griffier (J), juridisch medewerker/griffier (P). HR: assistent-rechter (J), assistent-aanklager (P). IT: rechtbankpersoneel behorend tot gebied III en economisch segment F1 (J), rechtbankpersoneel behorend tot gebied III en economisch segment F2 (J), personeel binnen het openbaar ministerie behorend tot gebied III en economisch segment F1 (P), personeel binnen het openbaar ministerie behorend tot gebied III en economisch segment F2 (P). CY: griffier (J). LV: assistent-rechter (J), raadsman, strafrechtadvocaat, jurist-analist (P). Justitieel personeel bestaat uitsluitend uit assistent-rechters. Binnen deze categorie worden geen verschillende salarissen gehanteerd. Met betrekking tot de categorie “assistent-rechter” betreffen de vermelde gegevens het maximumsalaris in 2022. Alle assistent-rechters in rechterlijke instanties van eerste aanleg krijgen hetzelfde salaris. Als een assistent-rechter in het kader van de jaarlijkse evaluatieprocedure de hoogste evaluatiescore krijgt, kan hij het maximumsalaris bijvoorbeeld reeds in het eerste werkjaar ontvangen. Wat betreft het personeel van het openbaar ministerie, zijn de gegevens een gemiddelde van het salaris voor de aangegeven functies. Het personeel op beide niveaus van het openbaar ministerie ontvangt een vast salaris dat niet afhankelijk is van het aantal gewerkte jaren. LT: assistent-rechters (hooggeplaatste assistent-rechters) (J), assistent-aanklagers en assistenten van de hoofdaanklagers (P). Het salaris van assistent-rechters, assistent-aanklagers en bestuurlijk personeel is een gemiddelde van de specifieke salarissen binnen een bepaalde categorie. LU: referendarissen: medewerker A1 (J), referendarissen: medewerker A1 (J). HU: functionaris van het openbaar ministerie (P). MT: assistent-rechter (J), stagiair-advocaat (P). NL: niet beschikbaar vanwege het ontbreken van de Eurostat-indicator voor het aangepaste gemiddelde bruto jaarsalaris bij een voltijdsbaan. AT: rechters in opleiding/juridisch medewerkers/auditors/rechterlijke ambtenaren (Rechtspfleger) (J), aanklager in opleiding (P). De gegevens geven de wettelijke salarissen weer. Personeelsleden of verschillende salarisgroepen worden gegroepeerd in één personeelscategorie, waarbij een gemiddelde waarde wordt opgegeven op basis van de wettelijke salarissen en vergoedingen. PL: assistent-rechter (J). De gegevens zijn een gemiddelde van specifieke salarissen binnen een bepaalde categorie. RO: openbaar aanklager in opleiding (P). RO heeft alleen de categorie “openbaar aanklager in opleiding” — niet “assistent-aanklagers” of andere categorieën leidinggevend personeel dat bijdraagt aan de procedures/betrokken is bij de besluitvorming. Bijgevolg is alleen het startsalaris voor aanklagers in opleiding verstrekt. De categorie justitieel personeel bij de rechterlijke instanties van eerste aanleg bestond in Roemenië niet in 2022, zodat voor deze categorie geen gegevens zijn verstrekt. SI: assistent-rechter (J), hooggeplaatst juridisch adviseur (P). SK: assistent (J), juridisch stagiair (P). FI: rechter in opleiding (J), assistent-aanklager (P). SE: referendaris salarisschaal 1 (J), openbaar aanklager in opleiding (P).
– Personele middelen –
Adequate personele middelen zijn van wezenlijk belang voor de kwaliteit van een rechtsstelsel. Diversiteit onder rechters, met inbegrip van gendergelijkheid, zorgt voor complementaire kennis, vaardigheden en ervaring, en geeft een afspiegeling van de samenleving.
Figuur : aantal rechters, 2014, 2021-2023 (*) (per 100 000 inwoners) (bron: onderzoek van de Europese Commissie voor Efficiëntie in Justitie (Cepej) van de Raad van Europa)
(*) Overeenkomstig de Cepej-methodologie bestaat deze categorie uit voltijds werkende rechters. Rechtspfleger/griffiers, die in enkele lidstaten voorkomen, zijn niet opgenomen. EL: vanaf 2016 worden in de gegevens over het aantal beroepsrechters alle rangen van de strafrechtspraak en de civiele rechtspraak evenals bestuursrechters opgenomen. IT: regionale auditcommissies, lokale belastingcomités en militaire rechterlijke instanties zijn niet in aanmerking genomen. Sinds 2018 wordt rekening gehouden met bestuursrechtelijke rechtspraak. AT: gegevens over bestuursrechtelijke rechtspraak zijn in de cijfers opgenomen sinds 2016.
Figuur : percentage vrouwelijke beroepsrechters bij de hooggerechtshoven 2022-2024 (*) (bron: Europese Commissie (
))
(*) De gegevens zijn gesorteerd op de waarden van 2024, van hoog naar laag.
Figuur : aantal advocaten, 2014, 2021-2023 (*) (per 100 000 inwoners) (bron: onderzoek van de Europese Commissie voor Efficiëntie in Justitie (Cepej) van de Raad van Europa)
(*) Overeenkomstig de Cepej-methodologie is een advocaat een persoon die overeenkomstig het nationale recht gekwalificeerd en bevoegd is om namens zijn of haar cliënt te pleiten en te handelen, het recht te beoefenen, voor rechterlijke instanties op te treden of zijn of haar cliënt te vertegenwoordigen en te adviseren in juridische aangelegenheden (Aanbeveling Rec(2000)21 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa inzake de vrije uitoefening van het beroep van advocaat). DE: in Duitsland wordt geen onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten advocaten. FI: vanaf 2015 bevat het opgegeven aantal advocaten zowel het aantal advocaten dat werkzaam is in de privésector als het aantal advocaten dat werkzaam is in de publieke sector.
2.2.3. Digitalisering
Door gebruik te maken van informatie- en communicatietechnologie (ICT) kunnen de rechtsstelsels van de lidstaten worden versterkt, worden ze toegankelijker, efficiënter en veerkrachtiger en worden ze klaargestoomd voor huidige en toekomstige uitdagingen. De COVID-19-pandemie heeft een aantal uitdagingen aan het licht gebracht die van invloed zijn op de werking van het justitiële apparaat en heeft aangetoond dat de nationale rechtsstelsels hun digitalisering moeten blijven verbeteren.
In eerdere edities van het EU-scorebord voor justitie zijn vergelijkende gegevens over bepaalde aspecten van ICT in de rechtsstelsels opgenomen. Zoals aangekondigd in de mededeling van de Commissie van 2 december 2020 over de digitalisering van justitie in de EU() is het scorebord aanzienlijk uitgebreid met overige gegevens over de digitalisering in de lidstaten. Daardoor kunnen voortgangsgebieden en resterende uitdagingen grondiger worden onderzocht.
Burgervriendelijke rechtspraak vereist dat informatie over nationale rechtsstelsels niet alleen gemakkelijk toegankelijk is, maar ook is aangepast aan specifieke groepen in de samenleving die anders moeite zouden hebben om de informatie te raadplegen, met inbegrip van personen met een handicap. Figuur 40 toont de beschikbaarheid van online-informatie en van specifieke overheidsdiensten die mensen kunnen helpen om toegang te krijgen tot justitie.
Figuur : beschikbaarheid van online-informatie over het rechtsstelsel voor het grote publiek, 2024 (*) (bron: Europese Commissie (
))
(*) DE: in elke deelstaat en op federaal niveau wordt op individuele basis vastgesteld welke informatie online wordt verstrekt.
– Regels die gereed zijn voor het digitale tijdperk –
Vaak vereist het gebruik van digitale oplossingen in civiel- en handelsrechtelijke zaken, bestuursrechtelijke zaken en strafzaken dat in het nationale procedurerecht passende regels wordt vastgesteld. Figuur 41 illustreert de door de wet geboden mogelijkheden voor verschillende betrokkenen om gebruik te maken van technologie voor communicatie op afstand (zoals videoconferenties) in zowel rechtszaken als de ermee verband houdende procedures en weerspiegelt de huidige situatie wat betreft de toelaatbaarheid van digitaal bewijsmateriaal.
Figuur : procedureregels die ruimte bieden voor digitale technologie in de rechterlijke instanties in civiel- en handelsrechtelijke, bestuursrechtelijke zaken en strafzaken, 2024 (*) (bron: Europese Commissie (
)
(*) Maximale score: 12 punten. Voor elk criterium zijn twee punten toegekend indien de mogelijkheid van het gebruik van digitale technologie bestaat in alle civiel- en handelsrechtelijke zaken, bestuursrechtelijke zaken en strafzaken (in strafzaken is de mogelijkheid om de partijen te horen opgesplitst naar zowel beklaagden als slachtoffers). De punten worden door twee gedeeld als de betreffende mogelijkheid niet in alle gevallen bestaat. Ten aanzien van lidstaten die geen onderscheid maken tussen enerzijds civiel- en handelsrechtelijke en anderzijds bestuursrechtelijke zaken is voor beide gebieden hetzelfde aantal punten toegekend. EL en LU: geen voor bestuursrechtelijke zaken.
– Gebruik van digitale hulpmiddelen –
Naast procedureregels die klaar zijn voor het digitale tijdperk moeten de rechterlijke instanties en de openbaar ministeries tevens beschikken over passende hulpmiddelen en passende infrastructuur voor communicatie op afstand en een veilige toegang op afstand tot de werkplek (figuur 42). Adequate infrastructuur en apparatuur zijn tevens vereist voor de beveiligde elektronische communicatie tussen rechterlijke instanties/openbaar ministeries en rechtsbeoefenaren en instellingen (figuren 43 en 44).
ICT, daaronder begrepen innovatieve technologie, vervult een belangrijke rol bij de ondersteuning van de werkzaamheden van de justitiële autoriteiten en draagt aldus in aanzienlijke mate bij tot de kwaliteit van de rechtsstelsels. Wanneer verschillende digitale instrumenten beschikbaar zijn voor rechters, aanklagers en het justitiële personeel, kunnen werkprocessen worden gestroomlijnd, kan zorg worden gedragen voor een eerlijke verdeling van de werkbelasting en kan veel tijd worden bespaard.
Figuur : gebruik van digitale technologie door de rechterlijke instanties en de openbaar ministeries, 2024 (*) (bron: Europese Commissie (
))
(*) Maximale score: 7 punten. Voor elk criterium is één punt toegekend indien de rechterlijke instanties en de openbaar ministeries gebruikmaken van bepaalde technologie en is een half punt toegekend wanneer zij de betreffende technologie niet altijd gebruiken.
Veilige elektronische communicatie kan bijdragen tot de verbetering van de kwaliteit van de rechtsstelsels. Door aan de rechterlijke instanties de mogelijkheid te bieden om onderling alsook met rechtsbeoefenaren en andere instellingen te communiceren langs elektronische weg kunnen de processen worden gestroomlijnd en kan de behoefte aan communicatie op papier en fysieke aanwezigheid worden verminderd. Dat kan ertoe leiden dat de duur van handelingen in de precontentieuze procedures alsook die van de gerechtelijke procedures wordt verkort.
Figuur : rechterlijke instanties: elektronische communicatiemiddelen, 2024 (*) (bron: Europese Commissie (
))
(*) Maximale score: 5 punten. Voor elk criterium is één punt toegekend indien voor de rechterlijke instanties beveiligde elektronische communicatiemiddelen beschikbaar zijn. Wanneer de mogelijkheid niet in alle gevallen bestaat, is een half punt toegekend. FI: de taken van notarissen houden geen verband met de rechterlijke instanties. Derhalve is er geen reden om hun een beveiligde verbinding te geven.
Openbaar ministeries zijn van wezenlijk belang voor de werking van het strafrechtstelsel. Toegang tot een beveiligd elektronisch communicatiekanaal kan de werkzaamheden van de openbaar ministeries vergemakkelijken en kan aldus de kwaliteit van de gerechtelijke procedures verbeteren. De mogelijkheid van beveiligde elektronische communicatie tussen de openbaar ministeries en de onderzoeksinstanties, de advocaten van de verdediging en de rechterlijke instanties maakt een vlottere en efficiëntere voorbereiding van de procedure voor de rechter mogelijk.
Figuur : openbaar ministerie: elektronische communicatiemiddelen, 2024 (*) (bron: Europese Commissie (
))
(*) Maximale score: 5 punten. Voor elk criterium is één punt toegekend indien voor het openbaar ministerie beveiligde elektronische communicatiemiddelen beschikbaar zijn. Wanneer de mogelijkheid niet in alle gevallen bestaat, is een half punt toegekend. De beschikbaarheid van elektronische communicatiemiddelen bij het openbaar ministerie omvat ook de communicatie met de juristen die bij het openbaar ministerie in dienst zijn.
– Onlinetoegang tot de rechter –
De mogelijkheid om specifieke stappen van de gerechtelijke procedure langs elektronische weg te verrichten is een belangrijk aspect van de kwaliteit van een rechtsstelsel. De elektronische indiening van vorderingen, de mogelijkheid om een procedure online te volgen en vooruit te helpen en de elektronische betekening of kennisgeving van stukken kunnen de toegang tot justitie voor burgers en bedrijven (of hun wettelijke vertegenwoordigers) merkbaar vergemakkelijken, kunnen vertragingen beperken en kunnen de kosten doen dalen. De beschikbaarheid van dergelijke digitale overheidsdiensten draagt ertoe bij dat de rechterlijke instanties een stap dichter bij de burgers en de ondernemingen komen te staan en leidt bijgevolg tot een groter vertrouwen in het rechtsstelsel.
Figuur : digitale oplossingen voor het inleiden en volgen van procedures in civiel-/handelsrechtelijke zaken en bestuursrechtelijke zaken, 2024 (*) (bron: Europese Commissie (
))
(*) Maximale score: 9 punten. Voor elk criterium is een punt toegekend indien de mogelijkheid van digitale oplossingen bestaat in alle civielrechtelijke/handelsrechtelijke zaken en bestuursrechtelijke zaken. Wanneer de mogelijkheid niet in alle gevallen bestaat, is een half punt toegekend. Bij lidstaten die geen onderscheid maken tussen civielrechtelijke/handelsrechtelijke zaken en bestuursrechtelijke zaken, is voor beide gebieden hetzelfde aantal punten toegekend.
Ook het gebruik van digitale hulpmiddelen voor het voeren en volgen van gerechtelijke procedures in strafzaken kan ertoe bijdragen de rechten van slachtoffers en verweerders te waarborgen. Digitale oplossingen kunnen bijvoorbeeld vertrouwelijke communicatie op afstand tussen verweerders en hun advocaten mogelijk maken, verweerders in hechtenis in staat stellen om zich voor te bereiden op hun hoorzitting en slachtoffers van strafbare feiten helpen om secundaire victimisatie te voorkomen.
Figuur : digitale oplossingen voor het voeren en volgen van gerechtelijke procedures in strafzaken, 2024 (*) (bron: Europese Commissie (
))
(*) Maximale score: 6 punten. Voor elk criterium is een punt gegeven indien de mogelijkheid van digitale oplossingen bestaat in alle strafzaken. Wanneer de mogelijkheid niet in alle gevallen bestaat, is een half punt toegekend.
– Toegang tot rechterlijke beslissingen –
De onlinetoegankelijkheid van rechterlijke beslissingen vergroot de transparantie van de rechtsstelsels, helpt burgers en bedrijven om te begrijpen wat hun rechten zijn en kan bijdragen tot de consistentie in de rechtspraak/jurisprudentie. Passende regelingen ten aanzien van de onlinepublicatie van rechterlijke beslissingen zijn van wezenlijk belang voor de totstandbrenging van gebruikersvriendelijke zoekfaciliteiten (
) die de rechtspraak toegankelijker maken voor rechtsbeoefenaren en het grote publiek, daaronder begrepen personen met een handicap. Vlotte toegang tot jurisprudentie/rechtspraak en eenvoudig hergebruik ervan maakt het rechtsstelsel algoritmevriendelijk, zodat innovatieve “legal tech”-toepassingen ter ondersteuning van beroepsbeoefenaren mogelijk worden.
Bij onlinepublicatie van rechterlijke beslissingen moeten binnen de grenzen van de wettelijke kaders en de beleidskaders verschillende belangen tegen elkaar worden afgewogen. De algemene verordening gegevensbescherming() is volledig van toepassing wanneer de rechterlijke instanties persoonsgegevens verwerken. Bij de beoordeling welke gegevens openbaar moeten worden gemaakt, moet voor de doeleinden van het waarborgen van de transparantie van het rechtsstelsel een billijk evenwicht worden gevonden tussen enerzijds het recht op gegevensbescherming en anderzijds de verplichting tot openbaarmaking van rechterlijke beslissingen. Dat is met name het geval als er een zwaarwegend openbaar belang is waardoor de openbaarmaking van dergelijke gegevens wordt gerechtvaardigd. In tal van landen vereist het recht of de gangbare praktijk dat rechterlijke beslissingen stelselmatig of op verzoek worden geanonimiseerd of gepseudonimiseerd (
) alvorens te worden gepubliceerd. Door de rechterlijke macht opgestelde gegevens worden tevens beheerst door de Uniewetgeving inzake open data en het hergebruik van overheidsinformatie (
).
De beschikbaarheid van rechterlijke beslissingen in een voor computers leesbaar formaat, (
), zoals getoond in figuur 47, maakt een algoritmevriendelijk rechtsstelsel mogelijk (
).
Figuur : onlinetoegang tot gepubliceerde rechterlijke beslissingen voor het grote publiek, 2023 (*) (civiel- en handelsrechtelijke zaken, bestuursrechtelijke zaken en strafzaken, alle graden van aanleg) (bron: Europese Commissie (
))
(*) Maximale score: 9 punten. Voor elke graad van aanleg is één punt toegekend indien alle beslissingen beschikbaar zijn voor civiel- en handelsrechtelijke zaken, bestuursrechtelijke zaken en strafzaken, 0,75 punten indien dat het geval is voor de meeste beslissingen (meer dan 50 % beschikbaar) en 0,5 punten indien sommige beslissingen (minder dan 50 %) beschikbaar zijn. Indien een lidstaat slechts twee graden van aanleg heeft, zijn punten voor drie graden van aanleg toegekend door de puntentelling voor de niet-bestaande aanleg te weerspiegelen in die van de respectieve hogere aanleg. Bij lidstaten die geen onderscheid maken tussen de twee rechtsgebieden (civiel- en handelsrechtelijke zaken en bestuursrechtelijke zaken), is voor beide gebieden hetzelfde aantal punten toegekend. BE: voor civielrechtelijke en strafrechtelijke zaken mag elke rechterlijke instantie zelf beslissen of zij haar beslissingen al dan niet publiceert. DE: elke deelstaat beslist over de online beschikbaarheid van beslissingen in eerste aanleg. AT: bij zaken in eerste en tweede aanleg beslist de rechter welke beslissingen worden gepubliceerd. Beslissingen van het hooggerechtshof waarbij een beroep zonder uitvoerige motivering wordt afgewezen, worden niet gepubliceerd. Beslissingen van het bestuursrechtelijke hooggerechtshof die door één rechter worden vastgesteld worden gepubliceerd indien de betrokken rechter daartoe besluit. Voorts worden beslissingen die uitsluitend zien op rechtskwesties waarvoor bij het bestuursrechtelijke hooggerechtshof reeds een doorlopende jurisprudentie bestaat evenals niet-gecompliceerde beslissingen betreffende het staken van procedures niet gepubliceerd. NL: rechterlijke instanties beslissen op basis van bekendgemaakte criteria zelf of beslissingen al dan niet worden gepubliceerd. PT: een bij de rechterlijke instantie werkzame commissie beslist over de vraag of beslissingen al dan niet worden gepubliceerd. SI: procedurele beslissingen die voor de rechtspraak van weinig of geen belang zijn, worden niet gepubliceerd; van beslissingen in zaken die inhoudelijk identiek zijn (bv. bulkzaken) wordt alleen de beginseluitspraak gepubliceerd (vergezeld van een lijst van dossiers met dezelfde inhoud). Individuele hogere rechterlijke instanties beslissen zelf welke rechterlijke beslissingen mogen worden gepubliceerd. SK: beslissingen in verscheidene soorten civielrechtelijke zaken, zoals in erfrechtzaken of bij de vaststelling van vaderschap, worden niet gepubliceerd. FI: de rechterlijke instanties beslissen zelf welke rechtelijke beslissingen worden gepubliceerd.
Figuur : regelingen voor het tot stand brengen van rechterlijke beslissingen die leesbaar zijn voor computers, 2024 (*) (civiel- en handelsrechtelijke zaken, bestuursrechtelijke zaken en strafzaken, alle graden van aanleg) (bron: Europese Commissie (
))
(*) Maximale score: 24 punten per soort zaak. Voor elk van de drie graden van aanleg (eerste, tweede en derde aanleg) kan één punt worden toegekend als alle rechterlijke beslissingen eronder vallen. Als slechts sommige rechterlijke beslissingen eronder vallen, wordt maar een half punt toegekend. Indien een lidstaat slechts twee graden van aanleg heeft, zijn punten toegekend voor drie graden van aanleg door de betrokken hogere aanleg als de niet-bestaande aanleg te weerspiegelen. In het geval van lidstaten die geen onderscheid maken tussen enerzijds bestuursrechtelijke zaken en anderzijds civiel- en handelsrechtelijke zaken is aan beide rechtsgebieden hetzelfde aantal punten toegekend. ES: het gebruik van de databank is niet toegestaan voor de algemene raad voor de rechterlijke macht voor handelsdoeleinden of voor het massaal downloaden van informatie. Deze informatie mag voor de ontwikkeling van databanken of voor handelsdoeleinden worden gebruikt mits wordt voldaan aan de procedure en de voorwaarden die zijn vastgesteld door het centrum voor justitiële documentatie van de algemene raad voor de rechterlijke macht. IE: rechterlijke beslissingen worden geanonimiseerd in het familierecht, op het gebied van de kinderbescherming en op andere gebieden waarop de wet vereist of een rechter beveelt dat de identiteit van partijen of personen niet mag worden bekendgemaakt.
– Tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen –
In een rechtsstaat moeten de overheidsinstanties zich houden aan de rechterlijke uitspraken en moeten zij deze tijdig ten uitvoer leggen. De effectieve tenuitvoerlegging van bindende rechterlijke beslissingen is ook van wezenlijk belang om er zorg voor te dragen dat het publiek vertrouwen heeft in de onafhankelijkheid en in het gezag van de rechterlijke macht() . Figuur 49 geeft voor het eerst een overzicht van de mechanismen die zijn ingesteld om de tenuitvoerlegging van uitspraken van de hoogste bestuursrechtelijke instanties te ondersteunen. In de figuur wordt aangegeven welke mechanismen in elke lidstaat bestaan maar wordt niet beoordeeld hoe effectief deze zijn of hoe vaak ze in de praktijk worden toegepast.
Figuur : bestaande justitiële mechanismen om te verzekeren dat de beslissingen van de bestuursrechtelijke instanties ten uitvoer worden gelegd, 2024 (*) (bron: Europese Commissie in samenwerking met de ACA Europa (
))
2.2.4. Samenvatting inzake de kwaliteit van de rechtsstelsels
|
Eenvoudige toegang, toereikende middelen, effectieve beoordelingsinstrumenten en inspanningen op het gebied van de digitalisering dragen er stuk voor stuk toe bij dat een hoogwaardig rechtsstelsel tot stand komt. Burgers en bedrijven verwachten dat de effectiviteit van het rechtsstelsel zich vertaalt in hoogwaardige rechterlijke beslissingen. Het EU-scorebord voor justitie 2025 bevat ten aanzien van voornoemde factoren een vergelijkende analyse.
Toegankelijkheid
In het scorebord 2025 wordt opnieuw gekeken naar een aantal aspecten die bijdragen aan de totstandkoming van een burgervriendelijk rechtsstelsel:
1)De beschikbaarheid van rechtsbijstand en het bedrag van de gerechtskosten hebben een grote invloed op de toegang tot de rechter, met name voor mensen die in armoede leven of die in armoede dreigen terecht te komen. Uit figuur 23 volgt dat mensen met een inkomen dat onder de armoededrempel van Eurostat ligt in drie lidstaten geen rechtsbijstand kunnen krijgen. Het bedrag van de gerechtskosten (figuur 24) is sinds 2016 grotendeels ongewijzigd gebleven, hoewel in vier lidstaten de gerechtskosten hoger waren dan in 2023, met name ten aanzien van vorderingen met een lage waarde. De gerechtskosten liggen naar verhouding nog steeds hoger voor vorderingen met een lage waarde. Moeilijkheden bij het aanvragen van rechtsbijstand, in combinatie met hoge gerechtskosten, kunnen mensen die in armoede leven er in drie lidstaten van weerhouden een beroep op de rechter te doen. Het EU-scorebord voor justitie 2025 toont voor de tweede keer het bedrag dat in een specifieke strafzaak aan rechtsbijstand is betaald aan strafrechtadvocaten, waaruit volgt dat er grote verschillen bestaan tussen de lidstaten met betrekking tot de bedragen die uit de overheidsbegroting aan advocaten worden betaald (figuur 25).
2)In het EU-scorebord voor justitie 2025 wordt opnieuw een analyse verstrekt ten aanzien van de wijzen waarop de lidstaten het vrijwillige gebruik van alternatieve geschillenbeslechting (ADR) (figuur 26) bevorderen, daaronder begrepen de mogelijkheid om gebruik te maken van digitale technologieën. In 2024 zijn de inspanningen voor die bevordering over het algemeen toegenomen, waarbij zes lidstaten melden dat er meer middelen voor bevordering beschikbaar zijn, met name voor de doeleinden van de toepassing van ADR-methoden in het geval van consumentengeschillen. Het aantal manieren om ADR-methoden te bevorderen ligt ten aanzien van bestuursrechtelijke geschillen nog steeds lager dan voor andere geschillen, maar is sinds 2023 eveneens gestegen.
3)Het EU-scorebord voor justitie 2025 maakt opnieuw de balans op van specifieke regelingen inzake toegang tot de rechter voor personen die het risico lopen te worden gediscrimineerd en ouderen. Uit figuur 27 volgt dat 18 lidstaten maatregelen hebben getroffen om personen die het risico lopen te worden gediscrimineerd beter te informeren over de instanties waar zij juridische informatie en bijstand kunnen krijgen. In 16 lidstaten zijn maatregelen getroffen om rechtsbijstand toegankelijker te maken voor ouderen, en in 17 lidstaten hebben ngo’s of organen voor gelijke behandeling het recht om namens of ter ondersteuning van een of meer slachtoffers een gerechtelijke procedure aanhangig te maken of eraan deel te nemen. In 20 lidstaten zijn er oplossingen om ouderen te helpen bij hun deelneming aan gerechtelijke procedures, waaronder het ontvangen van gerechtelijke mededelingen per post.
4)Ook voor het eerst toont het EU-scorebord voor justitie 2025 specifiek geselecteerde maatregelen ter zake van representatieve vorderingen om de collectieve belangen van consumenten te beschermen. Uit grafiek 28 volgt dat 23 lidstaten ten minste één maatregel hebben getroffen. Van de geselecteerde maatregelen komen het vaakst specifieke regelingen voor om consumenten in kennis te stellen van de vorderingen en de resultaten ervan, alsook maatregelen om rechters op te leiden ten aanzien van het effectieve beheer van representatieve vorderingen, waarbij twaalf lidstaten dergelijke regelingen daadwerkelijk hebben ingevoerd.
5)Figuur 29 laat zien dat alle lidstaten wat betreft civiel- en strafrechtelijke procedures specifieke regelingen hanteren ten behoeve van een kindvriendelijke justitie en kindvriendelijke procedures. Elf lidstaten hanteren alle negen de gemonitorde specifieke regelingen, waaronder bijvoorbeeld een specifieke kindvriendelijke website en hulplijnen voor informatie over het rechtsstelsel, of maatregelen om kinderen gescheiden te houden van volwassenen wanneer zij van hun vrijheid worden beroofd. In alle lidstaten worden de privacy en persoonsgegevens van kinderen die betrokken zijn bij gerechtelijke of buitengerechtelijke procedures beschermd in overeenstemming met het nationale recht. Daarnaast beschikken alle lidstaten over speciale kindvriendelijke omgevingen/verhoorkamers waarin kinderen kunnen worden gehoord. Uit een overzicht van specifieke regelingen voor kinderen die als slachtoffer, verdachte of beklaagde betrokken zijn bij strafzaken (figuur 30), volgt bijvoorbeeld dat 26 lidstaten op kindvriendelijke wijze informatie verstrekken over de rechten van het slachtoffer of de verdachte en over de procedures, en dat in 15 lidstaten elke vorm van vrijheidsbeneming van kinderen als laatste redmiddel en voor de kortst mogelijke passende periode wordt toegepast.
6)Uit figuur 31 volgt dat alle lidstaten specifieke regelingen voor slachtoffers van strafbare feiten hebben getroffen. De meeste lidstaten hebben de meeste van de gecontroleerde specifieke regelingen ingevoerd, waaronder bijvoorbeeld financiële bijstand in gevallen waarin de dader verzuimt om de toegewezen schadevergoeding te betalen, of de mogelijkheid voor slachtoffers om te verzoeken om herziening van beslissingen over beschermingsmaatregelen of om vertolking of vertaling. In het geval van schending van hun rechten in het kader van de strafprocedure hebben slachtoffers in de meeste lidstaten recht op beschermingsmaatregelen, recht op rechtsbijstand of het recht om te worden gehoord. Uit figuur 32 volgt dat in alle lidstaten voorzien in specifieke regelingen voor slachtoffers van geweld tegen vrouwen/huiselijk geweld. In vrijwel alle lidstaten zijn maatregelen getroffen om de rechten en belangen van slachtoffers en getuigen te beschermen en om er zorg voor te dragen dat contact tussen slachtoffers en daders indien nodig wordt vermeden. In vrijwel alle lidstaten kunnen ngo’s en/of organen voor gelijke behandeling slachtoffers bijstaan en/of ondersteunen.
Middelen
Hoogwaardige rechtsstelsels kunnen niet functioneren zonder voldoende financiële en personele middelen. Dit vereist adequate investeringen in de fysieke en technische infrastructuur, passende initiële en permanente opleiding en bijscholing en diversiteit onder de rechters, ook wat betreft het genderevenwicht. Uit het EU-scorebord voor justitie 2025 blijkt het volgende.
7)Wat betreft de financiële middelen zijn de totale overheidsuitgaven voor rechterlijke instanties in 2023 in alle lidstaten gestegen, rekening houdend met het aantal inwoners, terwijl deze in zes lidstaten zijn gedaald in verhouding tot het bbp. Tussen de lidstaten blijven aanzienlijke verschillen bestaan wat betreft de uitgavenniveaus, zowel per inwoner als in verhouding tot het bbp (figuren 33 en 34).
8)In het kader van het EU-scorebord voor justitie 2025 wordt blijvend aandacht besteed aan de situatie in de lidstaten met betrekking tot de in het rechtsstelsel gehanteerde salarissen. Het toont voor de derde keer de verhouding tussen enerzijds de jaarsalarissen van de rechters en openbaar aanklagers en anderzijds het gemiddelde jaarsalaris in het betreffende land (figuur 35). Voor de tweede keer toont het ook de verhouding tussen enerzijds de jaarsalarissen van het leidinggevende justitiële personeel en het leidinggevende personeel binnen het openbaar ministerie en anderzijds het gemiddelde jaarsalaris in het betreffende land (figuur 36). Beide figuren brengen grote verschillen tussen de lidstaten aan het licht. Bovendien volgt uit figuur 36 dat leden van het leidinggevende justitiële personeel in 16 lidstaten aan het begin van hun loopbaan minder verdienen dan het gemiddelde nationale salaris. In 13 lidstaten is dat ook het geval voor het leidinggevende personeel binnen het openbaar ministerie.
9)Vrouwen maken in 19 lidstaten nog steeds minder dan 50 % van de rechters bij de hoogste rechterlijke instanties uit (figuur 38), terwijl in 8 lidstaten minstens de helft van de rechters bij de hoogste rechterlijke instanties vrouwen zijn. De cijfers voor de driejarige periode van 2021 tot 2024 brengen uiteenlopende niveaus en trends tussen de lidstaten aan het licht.
Digitalisering
Sinds 2021 bevat het EU-scorebord voor justitie een uitgebreid hoofdstuk over aspecten in verband met de digitalisering van justitie. Hoewel de lidstaten in verschillende contexten en in verschillende mate reeds gebruikmaken van digitale oplossingen, is er nog veel ruimte voor verbetering.
10)Alle 27 de lidstaten bieden toegang tot bepaalde online-informatie over hun rechtsstelsel, waaronder websites met duidelijke informatie over toegang tot rechtsbijstand, over gerechtskosten en over criteria om in aanmerking te komen voor verlaagde gerechtskosten (figuur 40). De situatie is in vergelijking met vorig jaar stabiel gebleven, maar er blijven enkele verschillen tussen de lidstaten bestaan met betrekking tot het niveau van de informatie en de mate waarin deze beantwoordt aan de behoeften van de bevolking. Zo voorzien elf lidstaten voor het grote publiek in voorlichting over wettelijke rechten door middel van interactieve online-leerinstrumenten. 26 lidstaten verstrekken duidelijk zichtbare en begrijpelijke informatie over rechtsbijstand.
11)Zes lidstaten beschikken over procedureregels die gereed zijn voor het digitale tijdperk (figuur 41) om het gebruik van communicatie op afstand en de toelaatbaarheid van bewijs in louter digitale vorm volledig of grotendeels mogelijk te maken. In 23 lidstaten is dat slechts mogelijk in een beperkt aantal situaties. Niettemin is er op dit gebied sinds 2020 over het algemeen een gestage vooruitgang geboekt.
12)Figuur 42 laat zien in welke mate de rechterlijke instanties en de openbaar ministeries gebruikmaken van digitale technologieën. Hieruit volgt dat de lidstaten niet ten volle gebruikmaken van de mogelijkheden die de procedureregels aan hen bieden (zie figuur 41). De rechterlijke instanties, openbaar aanklagers en het justitiële personeel van de lidstaten beschikken al over verschillende digitale instrumenten, zoals dossierbeheersystemen, videoconferentiesystemen en regelingen ten aanzien van telewerken. Er zou evenwel nog meer vooruitgang kunnen worden geboekt met behulp van systemen voor de elektronische toewijzing van zaken, waarmee zaken automatisch kunnen worden verdeeld op basis van objectieve criteria.
13)In alle lidstaten beschikken de rechterlijke instanties over een vorm van beveiligde elektronische communicatiemiddelen, hoewel die middelen slechts in 14 lidstaten voorhanden zijn voor alle gemonitorde vormen van communicatie en voor alle zaken (figuur 43). Vijf lidstaten beschikken nog steeds niet over digitale middelen voor communicatie met notarissen, detentiefaciliteiten of deurwaarders/gerechtsdeurwaarders. Alle lidstaten voorzien ook in beveiligde elektronische communicatie binnen het openbaar ministerie (figuur 44). Op één na voorzien alle lidstaten in beveiligde elektronische communicatie tussen de openbaar ministeries en de rechterlijke instanties. Vijf lidstaten beschikken nog steeds niet over instrumenten voor elektronische communicatie tussen het openbaar ministerie en advocaten van de verdediging.
14)In civiel-/handelsrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken bieden 24 lidstaten onlinetoegang aan personen en bedrijven (of de wettelijke vertegenwoordigers ervan) ten aanzien hun lopende of afgesloten zaken (figuur 45), zij het in verschillende mate. Wat betreft de digitale oplossingen voor het voeren en volgen van gerechtelijke procedures in strafzaken laat figuur 46 zien dat slachtoffers in 18 lidstaten schriftelijke verklaringen geheel of gedeeltelijk online kunnen indienen. In elf lidstaten kunnen verweerders en slachtoffers hun zaak evenwel niet volgen of afhandelen langs elektronisch weg.
15)De onlinetoegang tot rechterlijke beslissingen (figuur 47) is stabiel gebleven ten opzichte van het vorige jaar. Met name beslissingen in de hoogste graden van aanleg zijn online toegankelijk.
16)Net als in voorgaande jaren bevat het EU-scorebord voor justitie 2025 een analyse ten aanzien van regelingen voor het opstellen van rechterlijke beslissingen die leesbaar zijn voor computers (figuur 48). Alle lidstaten beschikken hoe dan ook over een aantal regelingen voor civiel- of handelsrechtelijke zaken, bestuursrechtelijke zaken en strafzaken, hoewel deze onderling aanzienlijk van elkaar verschillen. Over het algemeen is er een tendens om meer regelingen in te voeren, met name voor het kosteloos downloaden van rechterlijke beslissingen (databanken en andere geautomatiseerde oplossingen), voor het modelleren van beslissingen om ze leesbaar te maken voor computers of voor het anonimiseren/pseudonimiseren van beslissingen met behulp van algoritmen. In 2023 hebben negen lidstaten een verbetering ten opzichte van het voorgaande jaar gemeld, terwijl de situatie in tien lidstaten stabiel is gebleven. Rechtsstelsels die beschikken over regelingen voor het modelleren van beslissingen volgens normen om ze leesbaar te maken voor computers lijken in staat te zijn om in de toekomst betere resultaten te behalen.
17)Voor het eerst bevat het EU-scorebord voor justitie 2025 ook gegevens over mechanismen voor de tenuitvoerlegging van bestuursrechtelijke beslissingen (figuur 49) op het niveau van de hoogste bestuurlijke rechtscolleges. De meeste lidstaten (17) beschikken over een of ander mechanisme om beslissingen ten uitvoer te leggen, en in 16 lidstaten zijn de hoogste bestuursrechtelijke instanties bevoegd om sancties op te leggen wanneer hun beslissingen niet ten uitvoer worden gelegd. Rechtstreekse tenuitvoerleggingsmaatregelen, zoals het leggen van beslag op vermogensbestanddelen, zijn slechts in twee lidstaten beschikbaar.
|
2.3. Onafhankelijkheid van de rechtsstelsels
De onafhankelijkheid van de rechterlijke macht is een onlosmakelijk onderdeel van de vaststelling van rechterlijke beslissingen en is een vereiste van het Unierecht dat voortvloeit uit het beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming, dat is neergelegd in artikel 19 VEU, alsook uit het recht op een doeltreffende voorziening in rechte bij een rechterlijke instantie, dat is neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (
). De onafhankelijkheid van de rechterlijke macht veronderstelt:
a) externe onafhankelijkheid, waarbij de betreffende instantie haar functies volstrekt autonoom uitvoert, zonder onder hiërarchische beperkingen te vallen of ondergeschikt te zijn aan andere instanties en zonder bevelen of instructies uit welke andere bron dan ook te hoeven volgen, en derhalve beschermd is tegen externe tussenkomst of druk die het onafhankelijke oordeel van haar leden in gevaar kunnen brengen en een invloed kunnen uitoefenen op de vastgestelde beslissingen; en
b) interne onafhankelijkheid en onpartijdigheid, waarbij een gelijke afstand tussen de partijen in de procedure en hun respectieve belangen ten aanzien van het voorwerp van die procedure wordt gehandhaafd, (
) en waarbij individuele rechters worden beschermd tegen ongepaste interne druk binnen de rechterlijke macht() .
De onafhankelijkheid van de rechterlijke macht is van wezenlijk belang om te waarborgen dat alle rechten die de justitiabelen aan het Unierecht kunnen ontlenen daadwerkelijk worden beschermd en dat de waarden die de lidstaten gemeen hebben en die zijn neergelegd in artikel 2 VEU, met name de waarde van de rechtsstaat, worden geëerbiedigd (
). Het behoud van de rechtsorde op het niveau van de Unie is van fundamenteel belang voor alle particulieren en bedrijven van wie de rechten en vrijheden uit hoofde van het Unierecht worden beschermd.
Wanneer de rechterlijke macht in hoge mate als onafhankelijk wordt gepercipieerd, ontstaat het vertrouwen dat justitie in een rechtsstaat bij de justitiabelen moet wekken. Het draagt ook bij tot een groeivriendelijk ondernemingsklimaat, aangezien een vermeend gebrek aan onafhankelijkheid ervoor kan zorgen dat investeringen worden ontmoedigd. Het scorebord bevat indicatoren voor de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in verband met de effectiviteit van de bescherming van investeringen. Naast uit verschillende bronnen afkomstige informatie over de perceptie van de rechterlijke onafhankelijkheid toont het scorebord manieren waarop de rechtsstelsels zijn georganiseerd om de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te beschermen in situaties waarin deze in het gedrang kan komen. Dit weerspiegelt de bijdrage van het Europese Netwerk van Raden voor de rechtspraak (ENCJ), het netwerk van voorzitters van de Hoge Rechtscolleges in de EU (NPSJC) en het netwerk van openbaar aanklagers of gelijkwaardige autoriteiten bij de hoogste rechterlijke instanties van de lidstaten van de Europese Unie (“Nadal-netwerk”).
2.3.1. Perceptie van rechterlijke onafhankelijkheid en de effectiviteit van de bescherming van investeringen
Figuur : perceptie van de onafhankelijkheid van gerechten en rechters bij het grote publiek (*) (bron: Eurobarometer (
) – van links naar rechts, lichte kleuren: 2016, 2023 en 2024, donkere kleuren: 2025)
(*) De lidstaten worden eerst gerangschikt naar het percentage van de respondenten dat heeft verklaard dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties en de rechters zeer goed of tamelijk goed (over het algemeen goed) is; indien sommige lidstaten hetzelfde percentage “over het algemeen goed” hebben, worden zij vervolgens gerangschikt naar het percentage van de respondenten dat heeft verklaard dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties en de rechters tamelijk slecht of zeer slecht (over het algemeen slecht) is; indien sommige lidstaten hetzelfde percentage “over het algemeen goed” en “over het algemeen slecht” hebben, worden zij vervolgens gerangschikt naar het percentage van de respondenten dat heeft verklaard dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties en de rechters zeer goed is; indien sommige lidstaten hetzelfde percentage “over het algemeen goed”, “over het algemeen slecht” en “zeer goed” hebben, worden zij vervolgens gerangschikt naar het percentage van de respondenten dat heeft verklaard dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties en de rechters zeer slecht is.
Figuur 51 toont de voornaamste redenen voor de perceptie van de respondenten dat de rechterlijke instanties en de rechters niet onafhankelijk zijn. De respondenten onder het grote publiek die de onafhankelijkheid van het rechtsstelsel als “tamelijk slecht” of “zeer slecht” hebben beoordeeld, konden als verklaring voor die beoordeling kiezen uit drie redenen. De lidstaten zijn vermeld in dezelfde volgorde als in figuur 50.
Figuur : voornaamste redenen voor de perceptie bij het grote publiek dat de rechterlijke instanties en de rechter niet onafhankelijk zijn (percentage van alle respondenten - een hogere waarde staat voor op een hogere mate van beïnvloeding) (bron: Eurobarometer (
))
Figuur : perceptie van de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties en de rechters bij ondernemingen (*) (bron: Eurobarometer (
) – van links naar rechts, lichte kleuren: 2016, 2023 en 2024, donkere kleuren: 2025)
(*) De lidstaten worden eerst gerangschikt naar het percentage van de respondenten dat heeft verklaard dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties en de rechters zeer goed of tamelijk goed (over het algemeen goed) is; indien sommige lidstaten hetzelfde percentage "over het algemeen goed” hebben, worden zij vervolgens gerangschikt naar het percentage van de respondenten dat heeft verklaard dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties en de rechters tamelijk slecht of zeer slecht (over het algemeen slecht) is; indien sommige lidstaten hetzelfde percentage “over het algemeen goed” en “over het algemeen slecht” hebben, worden zij vervolgens gerangschikt naar het percentage van de respondenten dat heeft verklaard dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties en de rechters zeer goed is; indien sommige lidstaten hetzelfde percentage “over het algemeen goed”, “over het algemeen slecht” en “zeer goed” hebben, worden zij vervolgens gerangschikt naar het percentage van de respondenten dat heeft verklaard dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties en de rechters zeer slecht is.
Figuur 53 toont de voornaamste redenen voor de perceptie van ondernemingen dat de rechterlijke instanties en de rechters niet onafhankelijk zijn. De respondenten die de onafhankelijkheid van het rechtsstelsel als “tamelijk slecht” of “zeer slecht” hebben beoordeeld, konden als verklaring voor die beoordeling kiezen uit drie redenen. De lidstaten zijn in dezelfde volgorde vermeld als in figuur 52.
Figuur : voornaamste redenen voor de perceptie van ondernemingen dat de rechterlijke instanties en de rechter niet onafhankelijk zijn (percentage van alle respondenten - een hogere waarde staat voor een hogere mate van beïnvloeding) (bron: Eurobarometer (
))
Het bevorderen, vergemakkelijken en beschermen van investeringen zijn topprioriteiten binnen de eengemaakte Uniemarkt. Het Unierecht beoogt een harmonieus evenwicht te bewaren tussen de bescherming van investeringen en het nastreven van andere doelstellingen van algemeen belang die het welzijn van de burgers ten goede komen. Figuur 54 toont voor de vierde keer de indicator ten aanzien van de perceptie van ondernemingen dat investeringen uit hoofde van de wet en door de rechterlijke instanties effectief worden beschermd tegen beslissingen die zij als ongerechtvaardigd beschouwen alsook tegen de inactiviteit van de overheid.
Figuur : perceptie van ondernemingen ten aanzien van de effectiviteit van de bescherming van investeringen uit hoofde van de wet en door de rechterlijke instanties (*) (bron: Eurobarometer (
) – van links naar rechts, lichte kleuren: 2022, 2023 en 2024, donkere kleuren: 2025)
De lidstaten worden eerst gerangschikt naar het gecombineerde percentage van de respondenten dat heeft verklaard er zeer veel of tamelijk veel vertrouwen in te hebben dat hun investeringen uit hoofde van de wet en door de rechterlijke instanties worden beschermd (over het algemeen vertrouwen). indien sommige lidstaten hetzelfde percentage “over het algemeen vertrouwen” hebben, worden zij vervolgens gerangschikt naar het percentage van de respondenten dat heeft verklaard “tamelijk weinig vertrouwen” of “zeer weinig vertrouwen” te hebben in de effectiviteit van de investeringsbescherming (over het algemeen wantrouwen); indien sommige lidstaten hetzelfde percentage “over het algemeen vertrouwen” en “over het algemeen wantrouwen” hebben, worden zij vervolgens gerangschikt naar het percentage van de respondenten dat heeft verklaard “veel vertrouwen” te hebben in de effectiviteit van de investeringsbescherming; indien sommige lidstaten hetzelfde percentage “over het algemeen vertrouwen”, “over het algemeen wantrouwen” en “veel vertrouwen” hebben, worden zij vervolgens gerangschikt naar het percentage van de respondenten dat heeft verklaard “zeer weinig vertrouwen” te hebben in de effectiviteit van de investeringsbescherming.
Figuur 55 toont de voornaamste redenen die door ondernemingen zijn aangevoerd voor hun perceptie dat de investeringsbescherming niet effectief is. De respondenten die hebben geantwoord met “tamelijk weinig vertrouwen” of “zeer weinig vertrouwen” konden als verklaring voor de beoordeling kiezen uit vier redenen (en sommigen kozen voor “andere”). De lidstaten zijn in dezelfde volgorde vermeld als in figuur 54.
Figuur : voornaamste redenen voor de perceptie van ondernemingen dat de investeringsbescherming niet effectief is (percentage van alle respondenten — hogere waarde wijst op een hogere mate van beïnvloeding) (bron: Eurobarometer (
))
.
2.3.2. Structurele onafhankelijkheid van de rechterlijke macht
Om de structurele onafhankelijkheid te waarborgen zijn regels vereist, met name ten aanzien van de samenstelling van de rechterlijke instanties en de benoeming, de ambtstermijn en de gronden voor verschoning, wraking en afzetting van de leden ervan, zodat bij de justitiabelen elke legitieme twijfel wordt weggenomen ten aanzien van de vraag of de betreffende rechterlijke instantie niet gevoelig is voor externe factoren en neutraal blijft ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen (
). Met name moet met dergelijke deze regels niet alleen worden voorkomen dat rechtstreekse invloed in de vorm van instructies wordt voorkomen maar dat ook indirectere vormen van beïnvloeding, die eveneens een effect op de rechterlijke beslissingen kunnen hebben, worden voorkomen (
).
Er zijn Europese normen ontwikkeld, met name door de Raad van Europa, bijvoorbeeld in een aanbeveling van 2010 over de onafhankelijkheid, efficiëntie en verantwoordelijkheden van rechters (
). Het EU-scorebord voor justitie bevat een aantal indicatoren betreffende aangelegenheden die van belang zijn bij de beoordeling van de wijze waarop de rechtsstelsels zijn georganiseerd om de rechterlijke onafhankelijkheid te kunnen waarborgen. Ook de uitvoering van beleid en praktijken ter bevordering van de integriteit en ter voorkoming van corruptie binnen de rechterlijke macht zijn van belang om de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te waarborgen. Uiteindelijk vereist de effectieve bescherming van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht naast de noodzakelijke normen ook een cultuur van integriteit en onpartijdigheid die door de magistraten wordt gedeeld en door de gehele samenleving wordt geëerbiedigd.
Deze editie van het scorebord bevat nieuwe en bijgewerkte indicatoren over: de wraking van rechters en de onttrekking van zaken aan rechters (figuur 56) (
), de autoriteiten die betrokken zijn bij de benoeming en het ontslag van hoofden van openbare ministeries (figuur 57) (
) en de onafhankelijkheid van de balies en de advocaten (figuur 58)() . De cijfers zien op de nationale kaders zoals die in december 2024 bestonden.
De cijfers in het scorebord geven geen beoordeling of verschaffen geen kwantitatieve gegevens over de effectiviteit van de waarborgen. Zij zijn niet bedoeld om de complexiteit en bijzonderheden van de procedures en de bijbehorende waarborgen weer te geven.
– Onttrekking van een zaak aan een rechter en wraking van een rechter –
Figuur 56, die voor het eerst is gepresenteerd in het (thans bijgewerkte) EU-scorebord voor justitie 2016, laat zien of al dan niet sancties aan de rechters kunnen worden opgelegd uit hoofde van de niet-nakoming van hun verplichting om zich aan een zaak te onttrekken wanneer hun onpartijdigheid in vraag wordt gesteld of in het gedrang komt of wanneer sprake is van een redelijke perceptie van vooringenomenheid. In de grafiek wordt ook aangegeven welke autoriteit() bevoegd is om te besluiten om een rechter te wraken() .
Figuur : onttrekking van een zaak aan een rechter en wraking van een rechter (*) (bron: Europees Netwerk van Raden voor de rechtspraak en netwerk van voorzitters van de Hoge Rechtscolleges van de EU (
))
– Waarborgen betreffende het functioneren van de nationale openbaar ministeries in de Europese Unie –
Het openbaar ministerie vervult een cruciale rol in het strafrechtstelsel alsook bij de samenwerking tussen de lidstaten in het kader van strafzaken. Voor de doeltreffende bestrijding van criminaliteit, waaronder economische en financiële criminaliteit, zoals witwaspraktijken en corruptie, is het van belang dat het nationale openbaar ministerie naar behoren functioneert. Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie over het kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel (
) kan het openbaar ministerie worden beschouwd als de rechterlijke autoriteit van een lidstaat die bevoegd is om Europese aanhoudingsbevelen uit te vaardigen en uit te voeren, op voorwaarde dat het onafhankelijk kan optreden, zonder het risico te lopen in een specifieke zaak rechtstreeks of indirect te worden onderworpen aan bevelen of instructies van de uitvoerende macht, zoals de minister van Justitie (
).
De organisatie van de nationale openbaar ministeries kent verschillen binnen de Europese Unie, en er bestaat geen uniform model dat van toepassing is ten aanzien van alle lidstaten. De Raad van Europa heeft evenwel een algemene tendens opgemerkt in de richting van een onafhankelijker openbaar ministerie, veeleer dan een openbaar ministerie dat ondergeschikt of verbonden is aan de uitvoerende macht (
). Volgens de Adviesraad van Europese openbaar aanklagers is een effectief en autonoom openbaar ministerie dat zich inzet voor de handhaving van de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten in het kader van de rechtsbedeling een van de pijlers van een democratische staat (
).
De procedures voor de benoeming van de nationale openbaar aanklagers kunnen van invloed zijn op de mate van onafhankelijkheid van het openbaar ministerie. Ongeacht het model van het nationale rechtsstelsel of de rechtstraditie waarin het openbaar ministerie is verankerd zijn de lidstaten uit hoofde van de Europese normen gehouden om doeltreffende maatregelen te treffen om te waarborgen dat openbaar aanklagers uitvoering kunnen geven aan hun professionele taken en verantwoordelijkheden onder passende wettelijke en organisatorische omstandigheden (
) en zonder ongerechtvaardigde inmenging (
).
Figuur 57 toont de benoemings- en ontslagprocedures voor hoofden van parketten. De figuur laat de verscheidenheid aan organisatiemodellen van het openbaar ministerie in de verschillende lidstaten zien bij de uitvoerende macht en de rechterlijke macht. De figuur toont ook de rol van de procureur-generaal en de raden voor de rechtspraak/raden voor rechtsvervolging als belangrijke actoren bij de benoeming en het ontslag van hoofden van parketten.
Figuur : Hoofden van parketten: benoeming en ontslag (*) (bron: Europese Commissie in samenwerking met de NADAL (
)
BE: De Raad voor de rechtspraak draagt de kandidaten voor aan de minister van Justitie, en de minister van Justitie draagt ze voor aan de koning. Een tuchtgerecht ontslaat ze. BG: De figuren geven de situatie van hoofden administratie weer, niet die van plaatsvervangende hoofden administratie. Voor alle kandidaten kunnen de procureur-generaal voor de hoofden van de parketten bij de hoven van beroep, de hoofden van de parketten van hogere aanleg voor hoofd van een parket in het desbetreffende gerechtelijke arrondissement en de minister van Justitie voordragen, terwijl kandidaten zich ook zelf kunnen nomineren. De raad voor rechtsvervolging benoemt. De raad voor rechtsvervolging, de procureur-generaal en de minister van Justitie kunnen ontslag voorstellen, de hoge justitiële raad ontslaat. De directeur van de nationale onderzoeksdienst wordt ontslagen door de kamer van openbare aanklagers van de hoge justitiële raad op voorstel van ten minste drie leden van de kamer van openbare aanklagers, of de procureur-generaal, of het ministerie van Justitie. CZ: De hoofden van arrondissements-, regionale en hoge parketten worden benoemd door de minister van Justitie op voordracht van het hoofd van het parket van hogere aanleg of op voordracht van de procureur-generaal of het ministerie van Justitie. De procureur-generaal en de hoofden van parketten van hogere aanleg kunnen het ontslag van het hoofd van hoge, regionale of arrondissementsparketten voorstellen. Een tuchtgerecht ontslaat ze. DK: De verantwoordelijkheid voor het benoemen van hoofden van parketten in het lokale openbaar ministerie wordt gedelegeerd van het ministerie van Justitie aan de directeur van het openbaar ministerie (procureur-generaal). DE: Na een openbare oproep benoemt het federale ministerie van Justitie de openbare aanklagers op het niveau van de federale deelstaten. Er is geen voorstel voor een ontslag. Het federale ministerie van Justitie kan de openbare aanklager tijdelijk uit zijn ambt ontheffen of overplaatsen naar een andere post om redenen die verband houden met de dienst, de specifieke tak van de rechterlijke macht van dienstgerechten (gerechten voor ambtenarenzaken) kan ambtenaren ontslaan. EE: De procureur-generaal stelt de benoeming/het ontslag voor en de minister van Justitie benoemt/ontslaat. IE: De directeur van het openbaar ministerie is het enige parket dat verantwoordelijk is voor rechtsvervolging in IE. De voordrachten voor benoeming en ontslag worden gedaan door de commissie voor benoemingen op hoog niveau (TLAC) en de regering is als enige verantwoordelijk voor het definitieve besluit betreffende zowel benoeming als ontslag. EL: Het besluit van de hoogste raad voor de rechtspraak wordt uitgevoerd nadat een besluit van de president van de Republiek is uitgevaardigd. Bij wijze van uitzondering worden de hoofden van de parketten bij de rechtbanken van eerste aanleg van Athene en Thessaloniki en het hoofd van het parket bij het hof van beroep van Athene bij geheime stemming gekozen door de dienstdoende aanklagers bij de desbetreffende parketten. Het hoofd van het parket voor economische misdrijven wordt benoemd door de hoogste raad voor de rechtspraak. De hoogste raad voor de rechtspraak stelt een ontslag voor, en de president ontslaat. ES: De procureur-generaal nomineert de kandidaten voor een bepaalde post binnen het parket, de plaatsvervangende regionale hoofdaanklagers en plaatsvervangende hoofdaanklagers van het bureau van de speciale aanklager, die vervolgens worden benoemd door de regering (de koning benoemt formeel). Op voorhand raadpleegt de procureur-generaal de raad voor openbare rechtsvervolging (een collegiale en representatieve instantie van het openbaar ministerie) evenals de regionale hoofdaanklagers wanneer het posities in hun respectieve regio’s betreft. De procureur-generaal stelt ontslag voor, na raadpleging van de raad voor rechtsvervolging en, waar passend, de regionale hoofdaanklager, en de regering beslist over ontslag. FR: De minister van Justitie doet een voorstel, de raad voor de rechtspraak geeft advies, en de president van de Republiek benoemt bij besluit. Het advies van de raad voor de rechtspraak is niet bindend, maar het is een vaste gewoonte dat het ministerie en de president ongunstige adviezen ter harte nemen. De Conseil supérieur de la magistrature stelt het ontslag voor en de minister van Justitie ontslaat. CY: De procureur-generaal is het enige hoofd van het parket. De benoeming vindt plaats door de president. Het ontslag vindt plaats door het Grondwettelijk Hooggerechtshof dat fungeert als een raad voor de rechtspraak. LV: Na een openbare oproep draagt de commissie getuigschriften van het openbaar ministerie (opgericht door de raad van de procureur-generaal en bestaande uit aanklagers van verschillende niveaus) de kandidaat voor, en zij stelt ontslag voor. LT: De commissie voor de selectie van aanklagers (bestaande uit vier aanklagers en drie niet-aanklagers) draagt de kandidaten voor na een openbare oproep. De commissie getuigschriften (bestaande uit vier aanklagers en drie niet-aanklagers) of de aanklager die intern onderzoek heeft uitgevoerd naar handelingen van de aanklager kan een ontslag voorstellen. LU: De raad voor de rechtspraak benoemt. De raad voor de rechtspraak leidt een tuchtprocedure in, waarna een tuchtgerecht een besluit neemt over ontslag. HU: Na een bekendmaking van een vacature besluit de procureur-generaal over de aanvragen en benoemt aanklagers op de leidinggevende posities. De raad voor rechtsvervolging geeft advies. De procureur-generaal herroept benoemingen op leidinggevende posities te allen tijde zonder rechtvaardiging. Hoofden van parketten kunnen de herroeping voorstellen, maar deze is niet bindend voor de procureur-generaal. MT: De grafiek geeft de situatie met betrekking tot de procureur-generaal weer. Na een openbare oproep benoemt de president in overeenstemming met het advies van de premier. Het ontslag van de procureur-generaal wordt voorgesteld door het parlement dat wordt gesteund door ten minste een tweederdemeerderheid van alle leden, de president ontslaat. NL: De raad van procureurs-generaal als hoofd van het openbaar ministerie legt nominaties voor aan de minister van Justitie en Veiligheid, die besluit of nominaties in aanmerking komen voor benoeming bij koninklijk besluit. De raad van procureurs-generaal ontslaat met de goedkeuring van de minister van Justitie en Veiligheid. AT: Een personeelscommissie binnen het federale ministerie van Justitie, bestaande uit aanklagers, draagt een kandidaat voor de hoofden van de bureaus van hoge openbare aanklagers en het hoofd van het bureau van de procureur-generaal voor. De personeelscommissie binnen een bureau van hoge openbare aanklagers draagt kandidaten voor hoofden van alle bureaus van openbare aanklagers in hun regio/bevoegdheidsgebied voor aan het federale ministerie van Justitie. De federale president benoemt de kandidaten. Een tuchtgerecht ontslaat ze. Het hooggerechtshof fungeert als het tuchtgerecht voor leden van het bureau van de procureur-generaal en het hoofd van het bureau van hoge openbare aanklagers (en hun eerste plaatsvervangers); voor andere aanklagers fungeert de hogere regionale rechtbank (van een andere regio) als tuchtgerecht (van eerste aanleg). PL: De nationale aanklager stelt de benoeming voor na de kandidaat aan het college van aanklagers te hebben gepresenteerd waarvan de kandidaat geacht wordt het voorzitterschap te bekleden. De nationale aanklager is de benoemende autoriteit. Dezelfde procedure is van toepassing op het ontslag. RO: De grafiek geeft de situatie met betrekking tot de hoofden van parketten weer, met uitzondering van de hoofden van gespecialiseerde parketten. Na een openbare oproep worden hoofden van parketten benoemd door de Hoge Raad voor de Magistratuur. Het ontslag van hoofden van parketten wordt voorgesteld door de procureur-generaal of de gerechtelijke inspectie, de Hoge Raad voor de Magistratuur ontslaat. SI: De hoofden van bureaus van openbare aanklagers van de districten worden benoemd door de raad voor rechtsvervolging op basis van een met redenen omkleed voorstel van de minister van Justitie na advies van de procureur-generaal. De raad voor rechtsvervolging ontslaat het hoofd van een districtsbureau van een openbare aanklager op voorstel van de minister na advies van de procureur-generaal. SK: Na een openbare oproep draagt een vijfkoppige selectiecommissie (bestaande uit door de procureur-generaal gekozen aanklagers) de hoofdaanklagers voor na een eerdere stellingname door de raad voor rechtsvervolging. De procureur-generaal benoemt. De uitzonderingen op deze procedure zijn de plaatsvervangers van de procureur-generaal, die hij/zij zelf benoemt, en plaatsvervangende regionale aanklagers/plaatsvervangende districtsaanklagers, die worden benoemd door de procureur-generaal op voorstel van de desbetreffende regionale/districtsaanklager. Ook plaatsvervangers worden beschouwd als hoofdaanklagers. De procureur-generaal ontslaat hoofdaanklagers. De procureur-generaal moet ontslaan indien een tuchtgerecht een beslissing over het ontslag heeft uitgevaardigd. Een verzoek om tuchtrechtelijk ontslag kan worden ingediend tegen de procureur-generaal door drie vijfde van de leden van het parlement, of door de president van de Republiek. In het geval van hoofdaanklagers kan een dergelijk verzoek door de procureur-generaal, de ombudsdienst en de plaatsvervangende procureur-generaal worden ingediend (tegen de aanklagers van het Bureau van de procureur-generaal en leidinggevende aanklagers die onder zijn of haar zeggenschap vallen). FI: Een hoge aanklager binnen het Bureau van de procureur-generaal stelt de benoeming of het ontslag voor, die/dat vervolgens wordt uitgevoerd door de procureur-generaal. Daarnaast kan een gerecht het hoofd van het parket ontslaan in geval van gevangenneming, met een aantal uitzonderingen. SE: De adviesraad arbeidsaangelegenheden voor aanklagers draagt de plaatsvervangende hoofdaanklager (niet-bindend voorstel), de hoofdaanklager evenals hoge openbare aanklagers voor, de procureur-generaal benoemt ze. De procureur-generaal stelt het ontslag voor, de tuchtcommissie van de overheid voor hogere functionarissen neemt een besluit over het ontslag.
– Onafhankelijkheid van balies en advocaten in de EU –
Advocaten en hun beroepsverenigingen spelen een fundamentele rol bij het waarborgen van de bescherming van de grondrechten en de rechtsstaat (
). Voor een eerlijke rechtsbedeling moeten advocaten vrij zijn om hun cliënten advies te verlenen en te vertegenwoordigen. Het lidmaatschap van advocaten bij een vrij beroep en het gezag dat uit dit lidmaatschap voortvloeit, dragen bij tot de handhaving van hun onafhankelijkheid, en de balies spelen een belangrijke rol bij het helpen waarborgen van de onafhankelijkheid van advocaten. In de Europese normen zijn de vrije uitoefening van het beroep van advocaat en de onafhankelijkheid van de balies vastgelegd. Deze normen leggen ook de basisbeginselen vast voor tuchtprocedures tegen advocaten (
).
Figuur : onafhankelijkheid van balies en advocaten, 2024 (*) (bron: Europese Commissie in samenwerking met de CCBE (
)
(*) Op basis van de enquêteresultaten konden de lidstaten maximaal negen punten scoren. De enquête werd eind 2024 gehouden. Voor de vraag over waarborgen betreffende de vertrouwelijkheid van de relatie tussen advocaat en cliënt werd een half punt toegekend voor elk scenario (huiszoeking en inbeslagneming van e-gegevens in het bezit van de advocaat, huiszoeking in de gebouwen van de advocaat, onderschepping van communicatie tussen advocaat en cliënt, observatie van de advocaat of zijn/haar gebouwen, belastingcontrole van het advocatenkantoor en andere administratieve controles) dat volledig in acht is genomen. Voor alle andere criteria waaraan volledig werd voldaan, werd één punt toegekend. Er werden geen punten toegekend indien niet aan het criterium was voldaan. MT: de antwoorden van 2020, aangepast aan de nieuwe methodologie. EE: het ministerie van Justitie heeft ruime toezichthoudende bevoegdheden in verband met de organisatie van de rechtsbijstand. LT: volgens de wet op de advocatuur kan de raad van de balie tuchtrechtelijke maatregelen ten aanzien van advocaten nemen. De wet bepaalt echter ook dat de minister van Justitie een dergelijk recht heeft. Als de minister van Justitie besluit tuchtrechtelijke maatregelen tegen een advocaat te nemen, heeft de balie daar niets over te zeggen en komt de zaak rechtstreeks voor de tuchtrechter. Het tuchtgerecht bestaat uit vijf advocaten, die lid zijn van de balie. Drie van de vijf worden gekozen door de algemene vergadering van de balie en twee leden worden benoemd door de minister van Justitie. PL: het ministerie van Justitie vervult een toezichthoudende rol, organiseert balie-examens en stelt de minimale advocatenhonoraria vast (op basis van een niet-bindend advies van de hoge raad van de orde van advocaten). SI: tuchtprocedures vinden uitsluitend plaats binnen de balie zelf. Tegen de beslissing van de tuchtcommissie in eerste aanleg is beroep mogelijk, dat wordt behandeld door de tuchtcommissie in tweede aanleg. Tegen de beslissingen van de tuchtcommissie in tweede aanleg is geen beroep mogelijk. Dit is bepaald in artikel 65 van de wet op de advocatuur: “De beslissingen van de tuchtorganen van de balie zijn dwingend.”; SK: in eerste instantie is het de onafhankelijke commissie van toezicht van de Slowaakse balie die een verzoekschrift indient op basis van de klacht. De minister van Justitie kan echter ook een tuchtrechtelijke procedure inleiden in het volgende geval: “als een advocaat een handeling heeft verricht die volgens de tot dan toe geldende rechtsregels als een beroepsfout kan worden beschouwd, kan de voorzitter van de commissie van toezicht of de minister van Justitie (handelend in hun hoedanigheid van verzoeker) een verzoek tot inleiding van de tuchtprocedure uit hoofde van deze wet indienen bij het bevoegde bestuursorgaan van de balie binnen de termijn die gold voor het inleiden van de tuchtprocedure krachtens de tot dan toe geldende rechtsregel.” FI: De orde van advocaten staat onder toezicht van de kanselier van Justitie als overheidsinstantie. De kanselier heeft toezichthoudende bevoegdheid over advocaten, zoals geregeld in de Advocatenwet.
2.3.3. Samenvatting inzake de rechterlijke onafhankelijkheid
Onafhankelijkheid van de rechterlijke macht is een essentieel aspect van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte bij een rechterlijke instantie dat is neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en onontbeerlijk voor het waarborgen van daadwerkelijke rechtsbescherming zoals vereist op grond van artikel 19 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Dit betreft een fundamenteel element van een doeltreffend rechtsstelsel en is van essentieel belang voor de handhaving van de rechtsstaat. Zij is van vitaal belang voor de waarborging van het eerlijk verloop van gerechtelijke procedures en voor het vertrouwen van burgers en bedrijven in het rechtsstelsel. De nationale rechtsstelsels moeten daarom volledig in overeenstemming zijn met de vereisten inzake onafhankelijkheid van de rechterlijke macht die voortvloeien uit het EU-recht, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de EU, en terdege rekening houden met de Europese normen inzake de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Het scorebord van 2025 toont de tendensen in de perceptie van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht bij het grote publiek en het bedrijfsleven. Deze editie presenteert tevens een aantal nieuwe indicatoren over de situatie in verband met de verschoning en wraking van een rechter in alle lidstaten, en de benoeming en het ontslag van hoofden van parketten.
De structurele indicatoren volstaan op zich niet om conclusies te trekken over de onafhankelijkheid van deze instanties, maar kunnen wel als uitgangspunt dienen voor een dergelijke analyse.
a)
Het scorebord 2025 presenteert de ontwikkelingen in de perceptie van onafhankelijkheid op basis van publieksenquêtes (Eurobarometer FL554) en enquêtes onder bedrijven (Eurobarometer FL555):
·Enerzijds laat de Eurobarometer-enquête onder het algemene publiek (figuur 50) zien dat de perceptie van onafhankelijkheid van gerechten en rechters in 17 lidstaten is verbeterd of stabiel is gebleven in vergelijking met 2016, terwijl vijf lidstaten met problemen worden geconfronteerd. Anderzijds, vergeleken met vorig jaar, is de perceptie van onafhankelijkheid bij het grote publiek verbeterd of stabiel gebleven in 21 lidstaten, terwijl deze in zes lidstaten is verslechterd. In drie lidstaten blijft de mate van perceptie van onafhankelijkheid bijzonder laag.
·De Eurobarometer-enquête onder bedrijven (figuur 52) laat zien dat de perceptie van onafhankelijkheid van gerechten en rechters in 18 lidstaten is verbeterd of stabiel is gebleven in vergelijking met 2016, terwijl deze in negen lidstaten is verslechterd. Vergeleken met afgelopen jaar is de perceptie van onafhankelijkheid verbeterd of stabiel gebleven in 18 lidstaten en verslechterd in negen lidstaten. In drie lidstaten blijft de mate van perceptie van onafhankelijkheid bijzonder laag.
·De meest aangehaalde reden voor de perceptie van een gebrek aan onafhankelijkheid van gerechten en rechters is inmenging of druk van regering of politici, gevolgd door druk vanwege economische of andere specifieke belangen. Beide redenen worden nog steeds genoemd in de drie lidstaten waar de perceptie van onafhankelijkheid zeer laag is (figuren 51 en 53).
b)Sinds 2022 worden in het EU-scorebord voor justitie de resultaten getoond van een Eurobarometer-enquête over de perceptie bij bedrijven van de doeltreffendheid van investeringsbescherming door de wet en de rechtbanken, met betrekking tot, volgens hen, ongerechtvaardigde beslissingen of inactiviteit van de overheid (figuur 54). Het bestuurlijk optreden, de stabiliteit en kwaliteit van het wetgeven, evenals de doeltreffendheid van de rechtbanken en de bescherming van eigendom zijn nog steeds belangrijke factoren van vergelijkbaar belang voor het vertrouwen in de bescherming van investeringen (figuur 55). Vergeleken met vorig jaar is het vertrouwen in de investeringsbescherming in 13 lidstaten toegenomen.
c)Figuur 56 toont de situatie in verband met de verschoning en wraking van een rechter in alle lidstaten.
d)Figuur 57 geeft de benoemings- en ontslagprocedures voor hoofden van parketten weer en als zodanig een aantal waarborgen betreffende het functioneren van nationale openbare ministeries in de EU.
e)Figuur 58 laat zien dat de onafhankelijkheid van advocaten in het algemeen is gewaarborgd, zodat advocaten hun activiteiten, te weten het adviseren en vertegenwoordigen van hun cliënten, vrijelijk kunnen uitoefenen.
3.
Overige indicatoren die relevant zijn voor de eengemaakte markt
Afgezien van de gerechten, openbare ministeries en andere gerechtelijke instanties, die van belang zijn voor de onafhankelijke toepassing van het EU-recht, zijn verscheidene andere overheidsinstanties belast met de toepassing van het EU-recht op specifieke gebieden, zoals corruptiebestrijding, openbare aanbestedingen en mededinging. Deze editie van het scorebord bevat aanvullende grafieken die betrekking hebben op instanties die van essentieel belang zijn voor de goede werking van de eengemaakte markt.
Afgezien van de onderwerpen die regelmatig aan bod komen toont het scorebord 2025 voor de eerste keer indicatoren voor de bevoegdheden en onafhankelijkheid van hoge controle-instanties, die een belangrijke rol spelen op het gebied van corruptiebestrijding, en presenteert het gegevens over de perceptie van onafhankelijkheid, alsook over de autoriteiten die betrokken zijn bij de benoeming en het ontslag van leden van nationale mededingingsautoriteiten en beroepsinstanties van eerste aanleg inzake overheidsopdrachten, die tot de belangrijkste autoriteiten voor de werking van de eengemaakte markt behoren.
3.1. Onafhankelijke autoriteiten die relevant zijn voor de werking van de eengemaakte markt
In een rechtsstaat zijn onafhankelijke autoriteiten een belangrijke waarborg voor de werking van de eengemaakte markt. Voor het eerst toont het scorebord bepaalde structurele aspecten van een aantal van deze autoriteiten, zoals de beroepsinstanties van eerste aanleg inzake overheidsopdrachten, nationale mededingingsautoriteiten en de hoge controle-instanties. Ook toont het voor het eerst de perceptie van de onafhankelijkheid van beroepsinstanties van eerste aanleg inzake overheidsopdrachten, en van de nationale mededingingsautoriteiten.
Figuur 59 toont de perceptie bij ondernemingen van de onafhankelijkheid van de beroepsinstanties van eerste aanleg inzake overheidsopdrachten. Deze instanties worden in de lidstaten opgericht op basis van de rechtsmiddelenrichtlijnen (Richtlijn 89/665/EEG en Richtlijn 92/13/EEG, zoals gewijzigd door Richtlijn 2007/66/EG en Richtlijn 2014/23/EU). Volgens de rechtsmiddelenrichtlijnen kunnen contracten die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2014/23/EU, Richtlijn 2014/24/EU en Richtlijn 2014/25 vallen en door de aanbestedende diensten en aanbestedende entiteiten genomen besluiten doeltreffend en met name zo snel mogelijk worden getoetst op grond dat dergelijke besluiten inbreuk hebben gemaakt op het Unierecht op het gebied van overheidsopdrachten of nationale regels tot omzetting van dat recht. De instantie die verantwoordelijk is voor de evaluatie kan gerechtelijk of niet-gerechtelijk zijn. Niet-gerechtelijke instanties nemen de vorm aan van een onafhankelijke administratieve autoriteit. In dat geval voorziet de rechtsmiddelenrichtlijn in nadere procedurele vereisten en de mogelijkheid van nadere rechterlijke toetsing.
Figuur : Perceptie bij ondernemingen van de onafhankelijkheid van de beroepsinstanties van eerste aanleg inzake overheidsopdrachten (*) (bron: Eurobarometer (
) - 2025)
(*) De lidstaten worden eerst gerangschikt naar het percentage van de respondenten dat verklaarde dat de onafhankelijkheid zeer goed” of “tamelijk goed” (totaal goed) is; indien sommige lidstaten hetzelfde percentage totaal goed hebben, worden zij vervolgens gerangschikt naar het percentage van de respondenten dat verklaarde dat de onafhankelijkheid “tamelijk slecht” of “zeer slecht” (totaal slecht) is; indien sommige lidstaten hetzelfde percentage totaal goed en totaal slecht hebben, worden zij vervolgens gerangschikt naar het percentage van de respondenten dat verklaarde dat de onafhankelijkheid “zeer goed” is; indien sommige lidstaten hetzelfde percentage totaal goed, totaal slecht en “zeer goed” hebben, worden zij vervolgens gerangschikt naar het percentage van de respondenten dat verklaarde dat de onafhankelijkheid “zeer slecht” is.
Figuur 60 toont de perceptie bij ondernemingen van de onafhankelijkheid van de nationale mededingingsautoriteiten. Deze autoriteiten maken deel uit van een gedecentraliseerd systeem dat is gebaseerd op de gelijktijdige bevoegdheid van de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten en nationale rechtbanken van de lidstaten om EU-antitrustregels te handhaven. Als zodanig zijn ze een van de belangrijke autoriteiten voor de werking van de eengemaakte markt.
Figuur : perceptie bij ondernemingen van de onafhankelijkheid van de nationale mededingingsautoriteiten (*) (bron: Eurobarometer (
) - 2025)
(*) De lidstaten worden eerst gerangschikt naar het percentage van de respondenten dat verklaarde dat de onafhankelijkheid zeer goed” of “tamelijk goed” (totaal goed) is; indien sommige lidstaten hetzelfde percentage totaal goed hebben, worden zij vervolgens gerangschikt naar het percentage van de respondenten dat verklaarde dat de onafhankelijkheid “tamelijk slecht” of “zeer slecht” (totaal slecht) is; indien sommige lidstaten hetzelfde percentage totaal goed en totaal slecht hebben, worden zij vervolgens gerangschikt naar het percentage van de respondenten dat verklaarde dat de onafhankelijkheid “zeer goed” is; indien sommige lidstaten hetzelfde percentage totaal goed, totaal slecht en “zeer goed” hebben, worden zij vervolgens gerangschikt naar het percentage van de respondenten dat verklaarde dat de onafhankelijkheid “zeer slecht” is.
Figuur 61 toont de autoriteiten die betrokken zijn bij de benoemings- en ontslagprocedures voor beroepsinstanties van eerste aanleg inzake overheidsopdrachten. De figuur geeft de procedures weer die hetzij betrekking hebben de leden van de beroepsinstanties van eerste aanleg inzake overheidsopdrachten (wanneer deze een niet-gerechtelijk karakter hebben of geen deel uitmaken van het reguliere gerechtelijk apparaat en beslissen in commissies) of op de hoofden ervan wanneer de instanties uit overheidsfunctionarissen bestaan.
Figuur : Beroepsinstanties van eerste aanleg inzake overheidsopdrachten: benoeming en ontslag (*) (bron: Europese Commissie in samenwerking met het netwerk van beroepsinstanties van eerste aanleg inzake overheidsopdrachten)
(*) De grafiek verwijst naar de benoemings- en ontslagprocedures van de volgende instanties: BG: Na een openbare procedure draagt elke partij die vertegenwoordigd is in het parlement haar eigen kandidaten voor leden en de voorzitter van de Commissie voor de bescherming van de mededinging voor, en vervolgens kiest het parlement ze met een bepaald quorum. Volgens de wet inzake de bescherming van mededinging worden de bevoegdheden van de voorzitter, plaatsvervangende voorzitter en leden vóór het verstrijken van hun ambtstermijn door het parlement beëindigd om specifieke redenen die in de wet zijn vermeld. CZ: De grafiek geeft de situatie voor de vicevoorzitter voor overheidsopdrachten weer. De beroepsinstantie inzake overheidsopdrachten omvat twee graden van aanleg. De beslissingen in eerste aanleg worden ondertekend door de vicevoorzitter voor overheidsopdrachten en kunnen worden getoetst door de instantie in tweede aanleg, die wordt vertegenwoordigd door de voorzitter van het Bureau voor de bescherming van de mededinging (OPC). De vicevoorzitter voor openbare aanbestedingen wordt benoemd en ontslagen door de voorzitter van het OPC. De voorzitter wordt benoemd en ontslagen door de president van de Republiek op voordracht van de regering. DK: De grafiek toont de situatie van de leden van het voorzitterschap (tien rechters), waaronder het hoofd van de beroepsinstantie, en de twintig deskundigen. Alle leden worden benoemd door de minister van Industrie, Bedrijfsleven en Financiële Aangelegenheden. Leden van het voorzitterschap worden voorgedragen door de voorzitter van de rechtbank waaronder de rechters ressorteren. Het voorstel van de rechtbankpresident wordt altijd opgevolgd. Deskundigen worden deels voorgedragen door ministeries en andere overheidsinstanties, en deels door bepaalde verenigingen en organisaties die in de wet zijn vermeld. De leden en het hoofd van de klachtencommissie kunnen worden ontslagen door de Deense minister van Industrie, Bedrijfsleven en Financiële Aangelegenheden. De minister heeft geen voorstel nodig om een lid of het hoofd van de klachtencommissie te ontslaan. DE: De grafiek toont de situatie betreffende de benoeming en het ontslag van leden van gerechten voor openbare aanbestedingen (een gespecialiseerde afdeling van het federale kartelbureau (Bundeskartellamt) op federaal niveau en Vergabekammern — gerechten voor openbare aanbestedingen op deelstaatniveau). De autoriteit die verantwoordelijk is voor de benoeming van het hoofd van de beroepsinstantie van eerste aanleg is de administratieve autoriteit waartoe de instantie behoort (afwijkende regels op het niveau van de deelstaten mogelijk). De leden van het gerecht worden van rechtswege benoemd voor een ambtstermijn van vijf jaar. Ze nemen hun beslissingen onafhankelijk en worden slechts gebonden door het recht. Zie paragraaf 157, lid 4, GWB (Duitse mededingingswet). Het Duitse aanbestedingsrecht voorziet niet in specifieke regels voor een ontslag. Enkel algemene voorschriften betreffende het ambtenarenapparaat (“Beamtenrecht”) kunnen in uitzonderlijke gevallen een grond vormen voor het ontslag van ambtenaren door het hoofd van de administratieve instantie waartoe het gerecht voor openbare aanbestedingen behoort, bijvoorbeeld in het geval van een ernstige fout of langdurig ziekteverzuim. Het hoofd van de administratieve instantie kan leden overplaatsen naar een andere positie bij wijze van organisatorische beslissing. EE: De grafiek geeft de situatie van het hoofd en van de leden van de Beroepscommissie inzake overheidsopdrachten weer. Het ministerie van Financiën draagt voor en de regering benoemt/ontslaat. EL: De grafiek geeft de situatie van de leden van de commissie van de Helleense Autoriteit voor overheidsopdrachten weer. De selectie van kandidaten voor de posities van leden vindt plaats na een open procedure door de hoge raad voor personeelsselectie (ASEP, onafhankelijke administratieve autoriteit), overeenkomstig de procedure van L. 4765/2021 (A` 6). De leden worden benoemd door een beslissing van de minister van Justitie. De tuchtprocedure voor de leden van de Autoriteit wordt ingeleid door de minister van Justitie, op basis van een aanbeveling door de voorzitter van de Autoriteit. Een tuchtraad wordt ingesteld, die bestaat uit een vicevoorzitter van de raad van state, een vicepresident van het hooggerechtshof (Areios Pagos) en een vicepresident van de rekenkamer. Het hoofd van de beroepsinstantie van eerste aanleg (voorzitter) wordt voorgedragen door de minister van Justitie en wordt benoemd door een handeling van de raad van ministers na een advies van de bijzondere permanente commissie van het parlement inzake instellingen en transparantie. Wat ontslag betreft, wordt de tuchtprocedure voor de leden van de Autoriteit ingeleid door de minister van Justitie, op basis van een aanbeveling door de voorzitter van de Autoriteit. Een tuchtraad wordt ingesteld, die bestaat uit een vicevoorzitter van de raad van state, een vicepresident van het hooggerechtshof en een vicepresident van de rekenkamer. ES: Het ministerie van Financiën en het ministerie van Justitie doen een gezamenlijk voorstel aan de regering (raad van ministers), die benoemt. Er is geen sprake van ontslag, aangezien het hoofd van TACRC voor een termijn van zes jaar wordt benoemd. Niettemin voorziet de wet in een lijst van redenen die beëindiging van deze ambtstermijn rechtvaardigen. CY: De grafiek geeft de situatie van het hoofd en de leden van de Beroepsautoriteit inzake aanbestedingen weer. Wat benoeming betreft, is de voordragende autoriteit het ministerie van Financiën en de benoemende autoriteit is de raad van ministers. Wat ontslagen betreft, is de raad van ministers de voordragende autoriteit en de autoriteit voor ontslagaanzegging. LV: Het Bureau voor toezicht op aanbestedingen (PMB) is een staatsinstelling onder rechtstreeks beheer die onder toezicht van het ministerie van Financiën staat. De beslissingen in het kader van de beroepsprocedures worden genomen door de commissie voor de beoordeling van klachten, die bestaat uit drie leden en speciaal is opgericht binnen het PMB voor elke zaak. Commissies worden opgericht in volgorde van het hoofd van het PMB. Leden van de commissie zijn ambtenaren/overheidsfunctionarissen (waaronder het hoofd van het PMB). Een door het hoofd van het PMB ingestelde commissie voor de beoordeling van kandidaten draagt een kandidaat voor de functie voor. De leden worden benoemd voor de functie door het hoofd van het PMB. De leden worden ontslagen door een beslissing van het hoofd van het PMB. HU: De grafiek geeft de situatie van de voorzitter en vicevoorzitter van de arbitrageraad voor overheidsopdrachten weer. De raad, die actief is binnen de Autoriteit voor overheidsopdrachten, benoemt en/of ontslaat de voorzitter en de vicevoorzitter van de arbitrageraad voor overheidsopdrachten. De Autoriteit voor overheidsopdrachten is een centraal begrotingsorgaan dat opereert als een autonoom staatsorgaan van bestuur onder toezicht van het parlement. De leden van de Raad worden uiteengezet in paragraaf 183 b) van wet nr. CXLIII van 2015 inzake overheidsopdrachten. PL: De voorzitter van de beroepsinstantie van eerste aanleg, de Nationale kamer van beroep (NAC), wordt benoemd voor een termijn van drie jaar en ontslagen, op verzoek van de president van het Bureau voor overheidsopdrachten, door de minister die verantwoordelijk is voor de economie. RO: Het hoofd van de beroepsinstantie van eerste aanleg, de Nationale raad voor de oplossing van klachten, wordt benoemd/ontslagen door het plenum van de leden van de Raad. SI: De grafiek geeft de situatie weer voor zowel de leden van het comité als het hoofd van de nationale beroepscommissie voor de herziening van procedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten (NRC). Wat benoeming betreft, voert de commissie van de raad voor de rechtspraak voor de beoordeling van de geschiktheid van kandidaten sollicitatiegesprekken met kandidaten en geeft een met redenen omkleed advies over de vervulling van de in artikel 61.b van ZPVPJN bedoelde bijzondere voorwaarden en de geschiktheid van de kandidaten. De parlementaire commissie die verantwoordelijk is voor mandaten en verkiezingen via stemming kiest de kandidaat die aan alle voorwaarden voldoet en de voorzitter van de NRC wordt vervolgens benoemd door het parlement. Wat ontslag betreft, stuurt de commissie van het parlement die verantwoordelijk is voor mandaten en verkiezingen een voorstel voor ontslag naar de commissie en vervolgens wordt de voorzitter ontslagen door het parlement. SK: De grafiek geeft de situatie weer van de vicevoorzitter van de beroepsinstantie van eerste aanleg inzake overheidsopdrachten, het Bureau voor overheidsopdrachten (PPO). De toetsing van overheidsopdrachten wordt uitgevoerd door de beroepsafdeling van het PPO, onder leiding van de vicevoorzitter, die wordt voorgedragen door het hoofd van het regeringsbureau en wordt benoemd door de regering. De tweede vicevoorzitter van het PPO, de vicevoorzitter voor de strategische agenda, wordt op voorstel van het hoofd van het regeringsbureau ontslagen door de regering. HR: De grafiek geeft de situatie weer voor zowel de leden van het panel als het hoofd van de beroepsinstantie van eerste aanleg inzake overheidsopdrachten, de staatscommissie voor het toezicht op procedures inzake openbare aanbestedingen. De regering draagt voor, het parlement benoemt en ontslaat.
Figuur 62 toont de autoriteiten die betrokken zijn bij de benoemings- en ontslagprocedures voor leden van de nationale mededingingsautoriteiten.
Figuur : nationale mededingingsautoriteiten: benoeming en ontslag (*) (bron: Europese Commissie in samenwerking met het netwerk van nationale mededingingsautoriteiten)
(*) BE: De minister van Economie draagt voor en benoemt. De minister benoemt een commissie voor de selectie van de leden. De minister van Economie stelt het ontslag voor, het staatshoofd (de koning) ontslaat. CZ: De grafiek geeft de situatie van de voorzitter van het Bureau weer. De regering draagt de voorzitter van het Bureau voor, de president van de Republiek benoemt. De regering stelt het ontslag voor, de president van de Republiek ontslaat. De voorzitter van het Bureau wordt vertegenwoordigd door drie vicevoorzitters, die door de voorzitter van het Bureau worden benoemd en ontslagen op zijn/haar eigen voordracht. DK: Het ministerie van Industrie, Bedrijfsleven en Financiële Aangelegenheden draagt voor, de regering benoemt. Er is geen autoriteit die een ontslag voorstelt. De regering ontslaat. DE: De besluitvormingsorganen van het Bundeskartellamt zijn de beslissingsbevoegde afdelingen. De beslissingen van deze afdelingen worden genomen door de leden van de afdeling (de voorzitter en twee geassocieerde leden). Deze voor het leven benoemde ambtenaren moeten gekwalificeerd zijn om dienst te doen als rechters of hoge ambtenaren. De Autoriteit draagt de zaakbehandelaars voor om lid te worden van de afdeling, zij worden benoemd door het federale ministerie van Economische Zaken en Energie. Er is geen uitdrukkelijke bepaling die voorziet in de verwijdering van een lid van een beslissingsbevoegde afdeling uit zijn of haar functie. Een ontslag, op last door het federale ministerie van Economische Zaken en Energie, is alleen mogelijk op grond van algemene voorschriften betreffende het ambtenarenapparaat. De Autoriteit kan afdelingsleden overplaatsen naar een andere afdeling binnen de Autoriteit. IE: De Dienst openbare benoemingen draagt voor, de minister voor Ondernemingen, Handel en Werkgelegenheid benoemt de voorzitter en de twee tot vier commissieleden. De minister voor Ondernemingen, Handel en Werkgelegenheid ontslaat de voorzitter en de twee tot vier commissieleden. EE: De directeur-generaal van de Estse mededingingsautoriteit wordt benoemd en uit zijn of haar functie ontheven door de minister van Justitie op voorstel van de secretaris-generaal van het ministerie van Justitie. EL: De bestuursraad van de Helleense Mededingingscommissie, het besluitvormingsorgaan van de Autoriteit, bestaat uit tien leden, waaronder een voorzitter, een vicevoorzitter, zes rapporteurs en twee gewone leden, met hun plaatsvervangers. De voorzitter en de vicevoorzitter van de commissie worden geselecteerd, op voordracht van de minister van Ontwikkeling, door een beslissing van de raad van ministers, na goedkeuring door de parlementaire commissie inzake instellingen en transparantie. De minister van Ontwikkeling selecteert de rapporteurs en de twee gewone en plaatsvervangende leden van de commissie, na goedkeuring door de parlementaire commissie inzake instellingen en transparantie, op basis van een door de selectiecommissie opgestelde lijst van kandidaten, na een algemeen vergelijkend onderzoek dat indiening van een persoonlijk dossier en een sollicitatiegesprek omvat. De gewone en plaatsvervangende leden van de Mededingingscommissie evenals de rapporteurs worden benoemd bij besluit van de minister van Ontwikkeling en Investeringen, dat wordt gepubliceerd in het Staatsblad. De vijfkoppige selectiecommissie bestaat uit: a) de voorzitter of vicevoorzitter van de raad van state of de voorzitter of vicevoorzitter van de staatsraad voor de rechterlijke macht, als voorzitter, b) de voorzitter of vicevoorzitter van de hoge raad voor personeelsselectie (ASEP), c) een voormalige voorzitter of vicevoorzitter van de Mededingingscommissie, bij loting aangewezen, d) een lid van TSS HEI dat is gespecialiseerd in mededingingsrecht, genomineerd door de minister van Ontwikkeling, en e) een lid van TSS HEI dat is gespecialiseerd in mededingingseconomie, genomineerd door de minister van Ontwikkeling. Tuchtprocedures voor de tuchtraad, met betrekking tot de voorzitter en zijn leden, worden ingeleid door de raad van ministers, op voorstel van de minister van Ontwikkeling en Investeringen. De tuchtraad bestaat uit twee (2) leden van de Staatsraad, één (1) rechter van het hooggerechtshof en twee (2) hoogleraren, actief of emeritus, die zijn gespecialiseerd in mededingingrecht, in handelsrecht, strafrecht of publiekrecht of economie, en hun ambtstermijn is vijf jaar. ES: Het ministerie van Economie en Concurrentievermogen draagt de 10 leden van de bestuursraad van de CNMC voor, waaronder de voorzitter en vicevoorzitter, de regering benoemt ze. Het parlement kan met een absolute meerderheid (50 % +1) zijn veto uitspreken over de voorgedragen kandidaten. De regering stelt het ontslag voor en ontslaat de leden van de bestuursraad. FR: De president van de Republiek benoemt alle vier vicevoorzitters van de bestuursraad (permanente leden) evenals de twaalf niet-permanente leden en de twee gespecialiseerde leden die zitting hebben wanneer de nationale mededingingsautoriteit uitspraak doet over zaken die gereglementeerde juridische beroepen aangaan. De bestuursraad van de nationale mededingingsautoriteit stelt het ontslag voor, de president van de Republiek ontslaat de leden van de bestuursraad. HR: De regering draagt voor, het parlement benoemt de leden van de nationale mededingingsautoriteit. De regering stelt het ontslag voor, het parlement ontslaat de leden van de nationale mededingingsautoriteit. IT: De voorzitters van de Kamer en de Senaat benoemen de voorzitter en leden van de bestuursraad van de Autoriteit. De voorzitters van het parlement nemen de definitieve beslissing over ontslag, wanneer het besluit van de rechter om de bijkomende straf van het verbod op de uitoefening van een openbaar ambt op te leggen eenmaal definitief is. CY: De minister van Energie, Handel en Industrie draagt voor, de regering (raad van ministers) benoemt. De regering (raad van ministers) stelt een ontslag voor en ontslaat. LV: De minister van Economie draagt de voorzitter van de Raad voor de Mededinging en vier leden van de raad voor, het kabinet van ministers benoemt ze. Het ministerie van Economie stelt hun ontslag voor, een door het kabinet van ministers ingestelde commissie ontslaat. LT: De premier draagt de leden in het besluitvormingsorgaan van de Litouwse Raad voor de Mededinging voor, de president benoemt. De premier stelt het ontslag van de leden in het besluitvormingsorgaan van de Litouwse Raad voor de Mededinging voor, de president ontslaat. LU: Er vindt een openbare sollicitatieoproep plaats, de voorzitter van de mededingingsautoriteit benoemt. De regering stelt het ontslag voor, het staatshoofd (groothertog) ontslaat. HU: De voorzitter van de Hongaarse mededingingsautoriteit draagt voor, de president van Hongarije benoemt de leden van de Raad voor de Mededinging, die optreedt als een apart besluitvormingsforum binnen de Hongaarse mededingingsautoriteit. De voorzitter van de Hongaarse mededingingsautoriteit stelt een ontslag voor, de president van Hongarije ontslaat de leden van de Raad voor de Mededinging. MT: Er vindt een openbare sollicitatieoproep plaats. De raad van gouverneurs van de Maltese autoriteit voor mededinging en consumentenzaken benoemt de directeur-generaal van het Bureau voor de mededinging (de nationale administratieve mededingingsautoriteit) na overleg met de minister die verantwoordelijk is voor mededingingszaken. De raad van gouverneurs van de Maltese autoriteit voor mededinging en consumentenzaken ontslaat de directeur-generaal. NL: Een selectiecommissie, die bestaat uit een bestuurslid van de nationale mededingingsautoriteit (ACM), de directeur van het beleidsdirectoraat dat verantwoordelijk is voor de nationale mededingingsautoriteit binnen het ministerie, een directeur van de nationale mededingingsautoriteit, op verzoek een “buitenstaander”, en een adviseur van de Algemene Bestuursdienst (ABD), draagt de voorzitter en de andere twee bestuursleden van de nationale mededingingsautoriteit voor aan de minister van Economische Zaken, die ze vervolgens verder voordraagt. De raad van ministers benoemt ze. Het ministerie van Economische Zaken stelt het ontslag voor en ontslaat de bestuursleden. AT: De regering draagt de directeur-generaal van de federale mededingingsautoriteit voor, de president benoemt. De regering stelt het ontslag van de directeur-generaal van de federale mededingingsautoriteit voor, de president ontslaat. PL: De premier draagt de leden van de nationale mededingingsautoriteit voor en benoemt ze. De premier stelt het ontslag voor en ontslaat de leden van de nationale mededingingsautoriteit. PT: Het ministerie van Economie draagt de leden van het besluitvormingsorgaan van de nationale mededingingsautoriteit voor, het parlement geeft een met redenen omkleed advies, de regering benoemt ze. Het parlement of de raad van ministers stellen een ontslag voor, de raad van ministers ontslaat. RO: Er vindt een openbare sollicitatieoproep plaats voor de negen leden van het plenum van de Raad voor de Mededinging. De vaste bureaus van de kamer van afgevaardigden en de senaat en de juridische en economische commissies van de kamers dragen de kandidaten voor, de kamer van afgevaardigden en de senaat kiezen en benoemen de leden. Het ontslag van de leden vindt van rechtswege plaats, wanneer het hooggerechtshof hiertoe besluit in het geval van een inbreuk. SI: De regering en het ministerie van Economie dragen de leden van de nationale mededingingsautoriteit voor, het parlement kiest ze. De regering stelt het ontslag voor, het parlement ontslaat ze. SK: De besluitvorming van het Bureau voor de bestrijding van monopolies omvat twee graden van aanleg, het bureau en de raad van het Bureau voor de bestrijding van monopolies. In eerste aanleg wordt het besluit vastgesteld door de desbetreffende afdeling van het Bureau. In tweede aanleg besluit de raad van het Bureau voor de bestrijding van monopolies (de “raad”) over verzoeken en toetst hij de besluiten van het Bureau. De grafiek geeft de situatie van de raad van het Bureau voor de bestrijding van monopolies weer. De voorzitter van het bureau draagt de leden van de raad van het Bureau voor de bestrijding van monopolies voor, dat bestaat uit de voorzitter van het bureau zelf en zes leden van de Raad. De regering benoemt ze. De voorzitter van het Bureau stelt het ontslag voor, de regering ontslaat. De voorzitter van de raad wordt benoemd en ontslagen door de president van de Republiek. FI: Het ministerie van Economische Zaken en Werkgelegenheid draagt de directeur-generaal evenals het hoofd van de afdeling Mededinging van de Autoriteit voor mededinging en consumentenzaken voor, de regering benoemt ze. De regering ontslaat de directeuren. SE: De regering draagt de directeur-generaal van de nationale mededingingsautoriteit voor en benoemt deze. De regering stelt zijn ontslag voor, de tuchtcommissie van de overheid voor hogere functionarissen ontslaat de directeur-generaal.
Hoge controle-instanties (HCI’s) zijn overheidsinstanties die toezien op het gebruik van overheidsmiddelen. Hun voornaamste taak is om na te gaan of overheidsmiddelen zuinig, doelmatig en doeltreffend worden uitgegeven in overeenstemming met bestaande regels en voorschriften. Doeltreffende controles helpen om de integriteit van de overheidsfinanciën te bevorderen en corruptie tegen te gaan. Ze leiden tot de opsporing van onrechtmatig gebruik van middelen en corruptie en helpen om de daders voor de rechter te brengen. HCI’s zijn daarnaast onderdeel van de nationale systemen van controles en waarborgen ter bescherming van de rechtsstaat. De samenwerking tussen de HCI’s in de EU en de Europese Rekenkamer (ERK) vindt voornamelijk plaats in het kader van het Contactcomité).
De organisatie van HCI’s kent verschillen binnen de EU en er bestaat geen uniform model voor alle lidstaten. HCI’s kunnen worden onderverdeeld in twee types: instanties met de bevoegdheid om recht te spreken() en instanties zonder die bevoegdheid. HCI’s staan hetzij onder leiding van één persoon() of worden bestuurd door een collegiaal orgaan(). HCI’s moeten operationeel onafhankelijk en financieel autonoom zijn. Internationale normen betreffende de onafhankelijkheid van HCI’s wijzen erop dat het hoofd van de HCI en leden van collegiale instanties benoemd, herbenoemd of uit hun ambt ontheven moeten worden door een proces dat de onafhankelijkheid van de uitvoerende macht waarborgt().
De figuren 63 en 64 tonen de autoriteiten die betrokken zijn bij de benoeming en het ontslag van het hoofd van de HCI of haar leden, afhankelijk van de vraag of de HCI onder leiding staat van één persoon of een collegiaal orgaan is.
Figuur : Hoge controle-instanties: benoeming (*) (bron: Europese Commissie in samenwerking met het Contactcomité van de hoge controle-instanties)
(*) BE: Collegiaal orgaan — De leden van de rekenkamer zijn rechters. Ze worden gekozen door de Kamer van Volksvertegenwoordigers. BG: Collegiaal orgaan — de vicepresidenten en de leden van de rekenkamer worden gekozen door het parlement op voordracht van de president van de rekenkamer. De president wordt gekozen door het parlement. CZ: Collegiaal orgaan — De kamer van afgevaardigden kiest de vijftien leden op voordracht van de president van de HCI. De president en de vicepresident worden benoemd door de president van de Republiek op voordracht van de kamer van afgevaardigden. DK: De auditeur-generaal wordt benoemd door de voorzitter van het Deense parlement, op aanbeveling van de commissie openbare rekeningen van het parlement en na goedkeuring door de vaste commissie van het parlement inzake het reglement van orde. DE: De leden van de HCI worden benoemd door de president van de Bondsrepubliek Duitsland op voordracht van de president van de HCI. De president wordt gekozen door de twee kamers van het parlement op voordracht van de federale regering en wordt benoemd door de president van de Bondsrepubliek Duitsland. EE: voordracht: president van de Republiek (in EE is de president geen onderdeel van de uitvoerende macht), besluit: parlement. IE: De controleur-generaal en de auditeur-generaal wordt benoemd door de Ierse president op voordracht van het parlement. EL: Collegiaal orgaan — de rekenkamer is de hoogste financiële rechtbank. De leden ervan zijn rechters, benoemd bij presidentieel besluit dat is gebaseerd op het besluit van de hoge justitiële raad. De president en vicepresidenten worden benoemd bij presidentieel besluit op voordracht van de raad van ministers, na niet-bindende adviezen van het parlement en het plenum van de rechtbank. Er vindt geen toetsing plaats van besluiten tot benoeming van de president/vicepresidenten. ES: Collegiaal orgaan — De leden van de rekenkamer zijn rechters, benoemd door het Spaanse parlement (zes door het congres en zes door de senaat). De president van de rekenkamer wordt benoemd door de koning van Spanje onder de leden van de raad van de rekenkamer, op voordracht van het plenum van de rekenkamer. FR: Collegiaal orgaan — De eerste president en de kamervoorzitters zijn magistraten, benoemd bij besluit van de president van de Republiek dat wordt uitgevaardigd door de raad van ministers. HR: De auditeur-generaal wordt benoemd door het parlement op basis van een voorstel van de commissie die verantwoordelijk is voor selectie en benoeming, evenals een advies dat wordt uitgebracht door de commissie die verantwoordelijk is voor financiën en de overheidsbegroting. IT: Collegiaal orgaan. De rekenkamer heeft centrale en regionale bureaus. De leden ervan zijn magistraten, aangeworven door middel van een algemeen vergelijkend onderzoek. De regering is bevoegd om een quotum van magistraten voor de rekenkamer te benoemen, na raadpleging van het presidentschap van de rekenkamer. De president van de rekenkamer wordt benoemd bij besluit van de president van de Republiek op voordracht van de raad van ministers (die de raad van het presidentschap van de rekenkamer moet raadplegen). CY: De president van de Republiek benoemt de auditeur-generaal en de plaatsvervangende auditeur-generaal. Er zijn geen andere instanties bij de benoeming betrokken. LV: Collegiaal orgaan. De leden van de HCI worden benoemd door het parlement op aanbeveling van de auditeur-generaal. De auditeur-generaal wordt benoemd door het parlement. LT: voordracht: president van de Republiek; benoeming: parlement. LU: Collegiaal orgaan — de president en leden van de HCI worden benoemd door de groothertog op voordracht van het parlement, dat een lijst met kandidaten opstelt. HU: De president van de rekenkamer wordt gekozen door een tweederdemeerderheid van de leden van het parlement, op voorstel van de vaste parlementaire commissie die zich bezighoudt met zaken die de rekenkamer aangaan. MT: De auditeur-generaal is een functionaris van de kamer van afgevaardigden en wordt benoemd bij besluit van de president van de Republiek, tot uitvoering van het besluit van de kamer van afgevaardigden (tweederdemeerderheid). De president heeft ter zake geen discretionaire bevoegdheid. NL: Collegiaal orgaan. De leden van de rekenkamer worden benoemd bij koninklijk besluit uit een lijst van drie personen die wordt opgesteld door de Tweede Kamer. De president wordt benoemd uit de leden van de rekenkamer door het staatshoofd dat handelt op aanbeveling van de regering. AT: De president van de Oostenrijkse rekenkamer wordt gekozen door een tweederdemeerderheid in het parlement op voordracht van zijn ten principale bevoegde commissie. PL: Collegiaal orgaan. De leden worden benoemd door de voorzitter van de Sejm (tweede kamer) op verzoek van de president van de HCI. De president wordt benoemd door de Sejm na goedkeuring door de senaat, op voordracht van de voorzitter van de Sejm of een groep van ten minste 35 leden. PT: Collegiaal orgaan. De leden van de rekenkamer zijn rechters, aangeworven door middel van een algemeen vergelijkend onderzoek. De president wordt op voordracht van de regering benoemd door de president van de Republiek. RO: Collegiaal orgaan. De leden en de president van de rekenkamer worden voorgedragen en benoemd door de wetgevende macht. SI: Collegiaal orgaan. De leden ervan zijn de president en twee vicepresidenten die worden benoemd door het parlement (met een absolute meerderheid van stemmen) op voordracht van de president van de Republiek. SK: Het hoofd van de HCI wordt gekozen door het parlement. FI: De auditeur-generaal wordt gekozen door het parlement. SE: De auditeur-generaal en de plaatsvervangende auditeur-generaal worden gekozen en benoemd door het parlement.
Figuur : Hoge controle-instanties: ontslag (*) (bron: Europese Commissie in samenwerking met het Contactcomité van de hoge controle-instanties)
(*) CZ: De leden van de HCI kunnen worden ontslagen door de kamer van afgevaardigden ingevolge een besluit van de tuchtkamer van de HCI die het ontslag voorstelt. De president en de vicepresident van de HCI kunnen worden ontslagen door de president van de Republiek op voorstel van de kamer van afgevaardigden. DK: De auditeur-generaal wordt uit zijn ambt ontheven bij besluit van de voorzitter van het parlement, ingevolge een bij de commissie openbare rekeningen ingediende klacht en na raadpleging van de plaatsvervangende voorzitters. DE: Er is geen specifieke ontslagprocedure; doordat herverkiezing niet mogelijk is, wordt het hoofd van de HCI aan het einde van zijn/haar ambtstermijn van twaalf jaar ontslagen. Tegen leden van de HCI kunnen echter tuchtprocedures worden ingeleid die in sommige gevallen tot een ontslag kunnen leiden. Die procedures vinden plaats bij een gespecialiseerde senaat van het federale hooggerechtshof (“Dienstgericht des Bundes”). Het voorstel voor een dergelijke procedure wordt gedaan door de voorzitter van een van beide kamers. EE: De auditeur-generaal kan worden ontslagen bij besluit van het hooggerechtshof ingevolge een verzoek door de kanselier van Justitie met de goedkeuring van de meerderheid van het parlement. IE: De auditeur-generaal kan enkel uit zijn ambt worden ontheven bij besluit van de president na resolutie van door beide kamers waarin om zijn ambtsontheffing wordt verzocht. EL: Leden zijn rechters. Voorstel voor ontslag/nemen van tuchtrechtelijke maatregelen: minister van Justitie; Ontslagbesluit: hoge tuchtraad. ES: Leden van de rekenkamer kunnen enkel wegens ernstig plichtsverzuim uit hun ambt worden ontheven na gerechtelijke procedures. FR: De benoemende autoriteit beslist over ambtsontheffingen op aanbeveling van de hoge raad van de rekenkamer in zijn tuchtrechtelijke formatie. HR: Het ontslagbesluit wordt genomen door het Kroatische parlement.
IT: Magistraten van de rekenkamer kunnen alleen uit hun ambt worden ontheven ingevolge tuchtrechtelijke of strafrechtelijke procedures bij de raad voor de rechtspraak van de rekenkamer. De president van de rekenkamer kan niet uit zijn functie worden gezet, die hij neerlegt vanwege vrijwillig ontslag of pensionering vanwege het bereiken van de leeftijdsgrens. CY: De auditeur-generaal kan alleen worden ontslagen wegens een ernstige fout ingevolge een arrest van het Grondwettelijk Hooggerechtshof. De president van de Republiek en de procureur-generaal kunnen een ontslagverzoek indienen. De president vaardigt formeel het besluit tot ontslag van de auditeur-generaal uit, maar hij is gebonden door de uitspraak. LV: De auditeur-generaal en leden van de raad van de rekenkamer kunnen door het parlement enkel uit hun ambt worden ontheven op basis van een rechterlijke uitspraak in een strafzaak. LT: Het parlement is bevoegd om de auditeur-generaal te ontheffen en te ontslaan. De gronden voor ontheffing en ontslag zijn uitputtend beschreven in de wet. LU: Ambtsontheffing bij groothertogelijk besluit op voorstel van het parlement aan de hand van een advies van de HCI. HU: De president van de rekenkamer kan uit zijn ambt worden ontheven bij besluit van het parlement. De procedure wordt ingeleid door de bevoegde parlementaire commissie. MT: Ambtsontheffing op grond van gebleken onvermogen om de taken van zijn haar Bureau uit te voeren of gebleken wangedrag. Voorstel: Kamer van afgevaardigden (tweederdemeerderheid). Besluit: De president van de Republiek vaardigt formeel het besluit uit maar hij is gebonden door het standpunt van het parlement. NL: De Hoge Raad kan de leden van de HCI ontslaan of schorsen. AT: Een ontslagbesluit vereist een tweederdemeerderheid in de nationale raad. PL: Een ontslagvoorstel kan worden gedaan door de voorzitter van de Sejm of een groep van ten minste 35 leden van de Sejm (de tweede kamer); het ontslagbesluit wordt genomen door de Sejm en door de senaat, die het ontslag door de Sejm moet goedkeuren. PT: De leden van de HCI kunnen niet uit hun ambt worden ontheven, behalve op grond van tuchtprocedures, die plaatsvinden binnen de HCI. Een vaste commissie, onder voorzitterschap van de president en samengesteld uit de vicepresident en een door hun confraters benoemde rechter van elke kamer, is verantwoordelijk voor de uitoefening van tuchtrechtelijk gezag, met de mogelijkheid om beroep in te stellen bij de algemene plenaire vergadering. Het hoofd van de HCI kan uit zijn/haar ambt worden ontheven door het staatshoofd, op voorstel van de regering. In de praktijk is nog nooit van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. RO: De leden van de HCI kunnen enkel worden ontslagen door het parlement, op voorstel van de vaste commissies voor begroting, financiën en banken van de twee kamers. SI: Minimaal vijftien leden van het parlement kunnen het ontslag van de president of de vicepresidenten van de HCI voorstellen. De definitieve beslissing wordt genomen door het parlement. SK: Het parlement kan de president/vicepresidenten uit hun ambt ontheffen onder de door de wet voorgeschreven voorwaarden. FI: Het parlement beslist over ambtsontheffing op voorstel van de commissie van het Bureau van het parlement (voorzitter, de twee plaatsvervangende voorzitters en vier andere leden van het parlement). SE: Het parlement kan een auditeur-generaal alleen ontslaan indien de auditeur-generaal niet langer voldoet aan de taakvereisten of indien de auditeur-generaal zich schuldig heeft gemaakt aan grove nalatigheid (driekwart van de stemmen en meer dan de helft van de leden van de Riksdag).
3.2. Samenvatting van indicatoren die relevant zijn voor de eengemaakte markt
Afgezien van de gerechten, openbare ministeries en andere gerechtelijke instanties presenteert het scorebord voor justitie 2025 voor het eerst kenmerken van verscheidene andere overheidsinstanties die belast zijn met de toepassing van het EU-recht op specifieke gebieden, zoals corruptiebestrijding, openbare aanbestedingen en mededinging.
De figuren 59 en 60 tonen de perceptie bij ondernemingen van de onafhankelijkheid van de beroepsinstanties van eerste aanleg inzake overheidsopdrachten en van de nationale mededingingsautoriteiten.
Het scorebord voor justitie 2025 toont daarnaast kenmerken van onafhankelijke autoriteiten die relevant zijn voor de werking van de eengemaakte markt. Figuur 61 toont hoe leden en/of hoofden van beroepsinstanties van eerste aanleg inzake overheidsopdrachten worden benoemd en ontslagen, terwijl figuur 62 hetzelfde toont voor nationale mededingingsautoriteiten, en de figuren 63 en 64 tonen de autoriteiten die betrokken zijn bij de benoeming en het ontslag van het hoofd van de hoge controle-instanties of de leden ervan, afhankelijk van de vraag of het een door één persoon geleid of een collegiaal orgaan is.
4.
CONCLUSIES
Het EU-scorebord voor justitie 2025 bevordert een grondig inzicht in de doeltreffendheid van de rechtsstelsels in de lidstaten. De indicatoren wijzen op voortdurende inspanningen om de doelmatigheid, kwaliteit en onafhankelijkheid van de rechtsstelsels te verbeteren. Daarnaast tonen ze bepaalde structurele aspecten van andere overheidsinstanties die belast zijn met de toepassing van het EU-recht Het blijft echter een uitdaging om ervoor te zorgen dat het grote publiek het volste vertrouwen heeft in de rechtsstelsels van alle lidstaten. De informatie in het EU-scorebord voor justitie draagt bij aan het toezicht dat wordt uitgeoefend in het kader van de Europees rechtsstaatcyclus en maakt deel uit van het jaarlijkse verslag van de Commissie over de rechtsstaat.