EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 1.6.2018
COM(2018) 385 final
2018/0209(COD)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
tot vaststelling van een programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1293/2013
(Voor de EER relevante tekst)
{SEC(2018) 275 final}
{SWD(2018) 292 final}
{SWD(2018) 293 final}
TOELICHTING
1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL
Dit voorstel, dat van toepassing zou moeten worden op 1 januari 2021, wordt voorgelegd voor een Unie van 27 lidstaten, in overeenstemming met de kennisgeving van het voornemen van het Verenigd Koninkrijk om zich terug te trekken uit de Europese Unie en uit Euratom die de Europese Raad op 29 maart 2017 heeft ontvangen uit hoofde van artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.
•Motivering en doel
Milieu- en klimaatproblemen hebben gevolgen voor de gezondheid en levenskwaliteit van EU-burgers, en voor de beschikbaarheid en toestand van natuurlijke hulpbronnen, hetgeen sociale en economische kosten met zich meebrengt. De overgang naar een koolstofarme en circulaire economie is een project voor de economische modernisering van Europa en vormt een prioriteit voor de Commissie-Juncker. De overgang naar een moderne, schone en meer circulaire economie vergt belangrijke verschuivingen van investeringen ten behoeve van nieuwe infrastructuur, nieuwe technologieën, nieuwe ondernemingsmodellen en nieuwe vormen van productie en verbruik van alle soorten goederen en diensten, waaronder levensmiddelen en natuurlijke hulpbronnen. De EU is een wereldleider op het gebied van milieubescherming en klimaatactie. Gedurende de afgelopen veertig jaar heeft zij een breed scala aan beleidsmaatregelen, fondsen en instrumenten op milieugebied ingevoerd, en beschikt daarmee over de modernste normen ter wereld. De EU streeft ernaar deze voortrekkersrol te blijven spelen en nog te versterken.
Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet is een noodzaak en een prioriteit. LIFE fungeert als katalysator voor het omvormen van de Unie tot een schone, circulaire, energie-efficiënte, koolstofarme en klimaatbestendige samenleving. Door middel van gerichte steun aan acties op het gebied van beleid en marktintroductie behoudt, beschermt, en verbetert het LIFE-programma de kwaliteit van het milieu, beschermt het de gezondheid van de mens en streeft het naar een behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen.
Bovendien levert LIFE ook een bijdrage aan de verbintenissen van de EU in het kader van de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering, aan de energie-unie en het beleidskader voor klimaat en energie 2030, en aan de langetermijndoelstellingen voor het koolstofvrij maken van de economie. Ook is het in overeenstemming met de ambitie van de EU om wereldleider te worden op het gebied van hernieuwbare energie.
Zoals in de mededeling "Volgende stappen voor een duurzame Europese toekomst" werd bepleit, vormen de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de 17 duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties een essentieel richtinggevend kader voor alle beleidsmaatregelen van de EU, dat als zodanig in het hele toekomstig meerjarig financieel kader moet worden geïntegreerd ("gemainstreamd").
Hoewel activiteiten in het kader van het LIFE-programma voor de periode van 2014 tot en met 2020 bepaalde problemen direct in de praktijk aanpakken, levert het programma vooral indirecte effecten op via de rol die het speelt als katalysator, ter ondersteuning van kleinschalige acties die tot doel hebben duurzame productie-, distributie- en consumptiepraktijken op te starten, uit te breiden of te versnellen, en ter bescherming van natuurlijk kapitaal, door:
–de ontwikkeling en uitwisseling van beste praktijken en kennis te vergemakkelijken;
–voor capaciteitsopbouw en versnelling te zorgen bij de tenuitvoerlegging van wetgeving en beleid inzake het milieu en het klimaat en de overgang naar schone energie te vergemakkelijken;
–belanghebbenden te helpen kleinschalige technologieën en oplossingen te testen, en
–financiering uit andere bronnen te mobiliseren.
Deze aanpak moet worden voortgezet in het kader van het meerjarig financieel kader voor de periode van 2021 tot en met 2027.
Door mainstreaming van klimaatactie in alle instrumenten van het volgende meerjarig financieel kader zullen meer middelen beschikbaar komen om te zorgen voor de benodigde innovatie en sociale aanpassing, en om bedrijven, werknemers en burgers in staat te stellen capaciteiten en vaardigheden te ontwikkelen om de klimaatverandering te kunnen helpen aanpakken. Het LIFE-programma zal bijdragen tot kleinschalige innovatie en burgers helpen actie te ondernemen voor het klimaat en voor hun gemeenschap.
•Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie
Het LIFE-programma is het enige EU-fonds dat zich uitsluitend op milieu- en klimaatdoelstellingen richt. Het beschikt over een relatief bescheiden budget en richt zich daarmee op een niche tussen EU-programma's ter ondersteuning van onderzoek en innovatie enerzijds en EU-programma's ter financiering van de grootschalige invoering van maatregelen anderzijds. Het programma helpt daarmee de kloof tussen de ontwikkeling van nieuwe kennis en het in praktijk brengen daarvan te dichten.
Op EU-niveau worden grote investeringen in milieu- en klimaatacties hoofdzakelijk gefinancierd door de belangrijkste financieringsprogramma's, waarbij milieu- en klimaatdoelen in de doelstellingen van die programma's worden geïntegreerd ("mainstreaming"); het gaat hierbij onder meer om de fondsen voor regionale ontwikkeling, de fondsen voor landbouw en plattelandsontwikkeling, de fondsen voor maritieme zaken en visserij, het onderzoeks- en innovatieprogramma Horizon Europa, de Connecting Europe Facility, alsmede externe beleidsinstrumenten en financiële instrumenten van de EU. LIFE daarentegen levert vooral indirecte effecten via de rol die het speelt als katalysator, ter ondersteuning van kleinschalige acties die tot doel hebben schone en duurzame productie-, distributie- en consumptiepraktijken op te starten, ter verbetering van de kwaliteit van het milieu en ter ondersteuning van de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen van de Unie.
Er wordt gestreefd naar synergie tussen de subsidies die door LIFE enerzijds en door andere EU-programma's anderzijds (bv. demonstratieprojecten in het kader van Horizon Europa) worden gefinancierd, aangezien de programma's weliswaar onderscheiden doelstellingen hebben en qua omvang en aard van elkaar verschillen, maar de activiteiten ervan toch onderling verband houden. Horizon Europa zal helpen, op basis van in het kader van de strategische planning vastgestelde richtsnoeren, de uitdagingen en prioriteiten van de EU op het gebied van milieu aan te pakken door middel van onderzoeks- en innovatieactiviteiten, en wel in specifieke "clusters". Horizon Europa heeft in beginsel betrekking op activiteiten ter ondersteuning van de ontwikkeling, demonstratie en marktintroductie van innovatieve oplossingen die een transnationale dimensie hebben en die voor de EU van baanbrekende aard zijn en potentieel bieden voor duplicatie in de Unie. Het katalysatoreffect van de traditionele LIFE-projecten bestaat in het in specifieke situaties ontwikkelen, testen of onder de aandacht brengen van geschikte technologieën of methoden voor de tenuitvoerlegging van het milieu- en klimaatbeleid van de EU in de praktijk, die vervolgens met financiering uit andere bronnen op grote schaal kunnen worden ingezet. Het potentieel van InvestEU kan worden benut ter financiering van strategische natuur- en geïntegreerde projecten en ter ondersteuning van de deelname aan het programma.
Op bepaalde gebieden (d.w.z. natuur en biodiversiteit, met inbegrip van mariene ecosystemen) vervult het LIFE-programma een unieke en cruciale rol. Er is gebleken dat er vooral ten aanzien van de programma's voor plattelandsontwikkeling sprake is van synergie en complementariteit, maar dit geldt bijvoorbeeld ook tussen projecten voor aanpassing aan klimaatverandering enerzijds en rampenrisicobeheer anderzijds. Die synergie en complementariteit moet in het kader van het nieuwe LIFE-programma voor de periode van 2021 tot en met 2027 worden versterkt, onder meer door het toepassingsgebied van het onderzoeksprogramma aan te passen met betrekking tot bepaalde activiteiten ter ondersteuning van de overgang naar schone energie die bijdragen aan mitigatie van klimaatverandering.
De integratie van het subprogramma Overgang naar schone energie in het LIFE-programma vergroot de algemene samenhang van de EU-financiering en biedt tegelijk heel wat mogelijkheden voor synergieën met acties rond milieu en het klimaat.
Er is duidelijk sprake van complementariteit ten aanzien van de financiering van onderzoeks- en innovatieactiviteiten op het gebied van schone energie in het kader van Horizon Europa. De in het kader van Horizon Europa ontwikkelde onderzoeks- en innovatieoplossingen zullen met behulp van de steun van koplopers de volgende generatie van technologieën en goede praktijken opleveren die in een later stadium kan worden gedupliceerd dankzij de steun voor capaciteitsopbouw in het kader van het subprogramma Overgang naar schone energie.
Het subprogramma Overgang naar schone energie en de Connecting Europe Facility (CEF) vullen elkaar aan wat betreft hun karakteristieken en de onderliggende interventielogica. Met name staat de grensoverschrijdende dimensie centraal in de interventielogica van de CEF.
2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID
•Rechtsgrondslag en subsidiariteit
Artikel 192 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) vormt de basis voor het optreden van de EU op het gebied van milieu en klimaatverandering. Deze rechtsgrondslag dekt ook de activiteiten ter ondersteuning van de overgang naar schone energie, aangezien zij rechtstreeks bijdragen aan mitigatie van klimaatverandering. In het kader van het huidige LIFE-programma worden reeds bepaalde activiteiten ter verbetering van de energie-efficiëntie en het gebruik van hernieuwbare energie gefinancierd omdat zij een wezenlijke bijdrage leveren aan mitigatie van de klimaatverandering en daarnaast ook vaak positieve neveneffecten opleveren voor het milieu (zoals verbetering van de luchtkwaliteit).
De meeste milieuproblemen zijn van grensoverschrijdende of transnationale aard en kunnen niet afdoende worden opgelost door de afzonderlijke lidstaten. Een EU-optreden is vereist om adequate mechanismen in te stellen voor een doelmatige omgang met dergelijke problemen en gebreken in de coördinatie te vermijden.
Bovendien zijn natuurlijke rijkdommen Europese publieke goederen en is een goed beheer ervan van essentieel belang voor de goede werking van de interne markt.
3.EVALUATIE ACHTERAF, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING
•Evaluaties achteraf
Hoewel de recente evaluatie halverwege van LIFE voor de periode 2014 tot en met 2020 in een vroeg stadium van de tenuitvoerlegging van het programma plaatsvond, toen slechts de projecten voor 2014 en 2015 reeds van start waren gegaan, bleek eruit dat het programma op koers ligt om doeltreffend, doelmatig en relevant te zijn en een bijdrage levert aan de Europa 2020-strategie. Bovendien zien de meeste belanghebbenden LIFE als een zeer belangrijk instrument voor de aanpak van milieu- en klimaatprioriteiten.
•Raadpleging van belanghebbenden
Als onderdeel van de evaluatie halverwege van LIFE is een breed scala aan raadplegingsactiviteiten ondernomen, waaronder i) een 12 weken durende openbare raadpleging die meer dan 250 reacties opleverde, ii) 6 specifieke enquêtes waarop meer dan 200 reacties kwamen, en iii) meer dan 150 interviews (en in voorkomend geval bezoeken ter plaatse) onder de belangrijkste groepen belanghebbenden, waaronder projectbegunstigden, projectcoördinatoren, diensten van de Commissie, functionarissen van het Easme, externe monitoringdeskundigen en belanghebbenden bij financieringsinstrumenten.
Het advies van het Comité van de Regio's en het Europees Economisch en Sociaal Comité over de resultaten van de evaluatie halverwege zijn eveneens in aanmerking genomen, aangezien daarin mogelijke opties voor het LIFE-programma voor de periode na 2020 aan de orde werden gesteld.
Ten behoeve van dit voorstel is de brede raadpleging van belanghebbenden aangevuld met adviezen van niet-gouvernementele organisaties en verdere raadplegingsactiviteiten met belanghebbenden in de lidstaten.
De raadplegingen bevestigden de relevantie van het programma voor de aanpak van de behoeften en problemen op het gebied van klimaat en milieu en het belang van de voortzetting ervan, met inbegrip van alle belangrijke soorten interventies. Er werd echter wel benadrukt dat het nodig is de administratie ervan te vereenvoudigen. Voorgesteld werd de katalysatoreffecten en de mogelijkheden voor geïntegreerde projecten te versterken.
•Effectbeoordeling
Met het oog op verbetering van de prestaties en de katalysatorfunctie van het programma werden twee mogelijkheden verkend met het oog op verbetering van de toegankelijkheid van het programma voor kandidaten uit alle lidstaten van de EU. De optie om gecentraliseerde ondersteuning te bieden aan het gehele netwerk van nationale contactpunten (NCP's) in plaats van de huidige nationale projecten voor capaciteitsopbouw (alleen toegankelijk voor bepaalde lidstaten) is positief beoordeeld en moet worden uitgevoerd. De optie om het niveau van medefinanciering te verhogen kan op een later tijdstip worden overwogen en eventueel worden aangepast in de loop van de tenuitvoerlegging van het programma.
Er zijn meerdere aanvullende opties overwogen ter verbetering van de prestaties en de katalysatorfunctie van het programma. Deze werden positief beoordeeld. De uitbreiding van het gebruik van geïntegreerde projecten, in de toekomstige strategische geïntegreerde projecten (SGP's) wordt, op basis van de ervaring die is opgedaan met de als proefprojecten dienende geïntegreerde projecten in het huidige LIFE-programma, beschouwd als het mechanisme met de grootste impact . Een grotere reikwijdte en een groter volume voor strategische geïntegreerde projecten wordt als een topprioriteit beschouwd. Dit zou een hoger budget vereisen ten opzichte van het huidige LIFE-programma.
Uit de effectbeoordeling volgt dat de momenteel in het kader van Horizon 2020 voor de periode 2014 tot en met 2020 gefinancierde steun voor capaciteitsopbouw voor de overgang naar schone energie, die bijdraagt aan mitigatie van de klimaatverandering, in het volgende MFK naar LIFE moet worden verschoven. De reden hiervoor was de grotere geschiktheid van het LIFE-programma wat betreft interventielogica, doelstellingen en uitvoeringsmechanismen, alsmede een gerichte doelgroep van begunstigden in vergelijking met het onderzoeks- en innovatiekader dat beter geschikt is voor de ontwikkeling van baanbrekende technologieën dan voor ondersteuning van de duplicatie en opschaling ervan. Integratie van een subprogramma Overgang naar schone energie in LIFE zou deze tekortkomingen aanpakken en de algemene samenhang van de financiering van de Unie vergroten en tegelijkertijd mogelijkheden bieden voor synergieën met andere acties op het gebied van milieu en klimaat. Op het gebied van klimaatactie zal het LIFE-programma, in het verlengde van het LIFE-programma voor de periode 2014 tot en met 2020, ook een subprogramma Mitigatie van en aanpassing aan klimaatverandering omvatten.
In de effectbeoordeling werd ook nagegaan hoe het programma een grotere rol zou kunnen spelen bij de tenuitvoerlegging van het beleid van de Unie inzake natuur en biodiversiteit. Hoewel de optie van een groot fonds onder gedeeld beheer voor LIFE als ondoeltreffend werd beschouwd, zou LIFE een grotere rol kunnen spelen bij de mainstreaming van natuur- en biodiversiteitsbeleid in ander beleid en andere financieringsprogramma's van de EU, op basis van een evenwichtigere budgettaire aanvulling die middelen uit deze andere financieringsprogramma's zou aantrekken.
Ook werd geconcludeerd dat het programma kleine subsidies voor biodiversiteit moet blijven financieren via de vrijwillige regeling ten behoeve van biodiversiteit en ecosysteemdiensten in de Europese landen en gebieden overzee en gebieden overzee (BEST).
Met het oog op consolidatie van de natuur- en biodiversiteitselementen van het programma is een specifiek subprogramma op het gebied Milieu ingesteld, namelijk Natuur en biodiversiteit. Het gebied Milieu omvat tevens een subprogramma Circulaire economie en levenskwaliteit, dat tot doel heeft de andere aspecten van het milieubeleid van de Unie te ondersteunen, met name de overgang naar een circulaire economie, een goed en doelmatig beheer van de ecologische hulpbronnen, zoals lucht, water en bodem, en de bevordering van goede milieugovernance.
De mogelijkheden om duplicatie te bevorderen en zowel de flexibiliteit van het programma te vergroten en de mogelijkheid gericht in te gaan op belangrijke en opkomende kwesties te versterken door een vereenvoudiging van de verordening en het meerjarig werkprogramma hebben geen serieuze negatieve gevolgen; beide moeten worden ingevoerd.
De effectbeoordeling heeft op 13 april 2018 van de Raad voor regelgevingstoetsing een positief advies met voorbehoud gekregen.
In zijn advies over de ontwerp-effectbeoordeling heeft de Raad voor regelgevingstoetsing verzocht om verdere verduidelijking van het monitoringsysteem en de voor dit initiatief voorgestelde indicatoren. De Raad vroeg tevens rekening te houden met de gevolgen voor de filosofie, de structuur en het uitvoeringsmechanisme van LIFE van de voorgestelde uitbreidingen van het toepassingsgebied van LIFE met betrekking tot natuur. De aanbevelingen van het advies zijn in het verslag meegenomen. Met name is de effectbeoordeling uitgebreid om na te gaan hoe de geconstateerde tekortkomingen in verband met het monitoringsysteem voor de huidige programmeringsperiode zullen worden aangepakt. Bovendien is de lijst van indicatoren voor de beoordeling van het programma herzien om deze beter af te stemmen op de doelstellingen van het programma. Een meer diepgaande analyse van de opties voor de uitbreiding van het toepassingsgebied van het LIFE-programma met betrekking tot natuur en biodiversiteit is opgenomen in bijlage 8 en de beschrijving van de optie is opnieuw geformuleerd in de effectbeoordeling.
De samenvatting en het positieve advies van de Raad voor regelgevingstoetsing zijn beschikbaar op: http://ec.europa.eu/transparency/regdoc/?fuseaction=ia&year=2018&serviceId=11&s=Search.
•Vereenvoudiging
In overeenstemming met het nieuwe Financieel Reglement worden de programmering en gedetailleerde besluiten over het beheer van het programma uitgesteld tot de meerjarige werkprogramma's. In dit stadium worden passende maatregelen getroffen voor de vereenvoudiging van de beheersprocedures, zoals aangegeven in de effectbeoordeling.
4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING
De gevolgen voor de begroting en de benodigde personele en administratieve middelen voor de tenuitvoerlegging van het programma zijn opgenomen in het financieel memorandum dat aan dit voorstel is gehecht.
5.OVERIGE ELEMENTEN
•Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage
Het LIFE-programma wordt direct beheerd door de Europese Commissie. De tenuitvoerlegging van sommige onderdelen is gedelegeerd aan het uitvoerend agentschap Easme, zoals bepaald voor de tenuitvoerlegging van het LIFE-programma voor de periode 2014 tot en met 2020. Gezien de over het geheel genomen positieve beoordeling van de tenuitvoerlegging van het huidige programma, zou de tenuitvoerlegging van het LIFE-programma voor de periode 2021 tot en met 2027 ook aan een uitvoerend agentschap kunnen worden gedelegeerd, met inachtneming van het resultaat van de kosten-batenanalyse en de bijkomende te nemen beslissingen.
Er zullen evaluaties worden verricht conform de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016, waarin de drie instellingen hebben bevestigd dat evaluaties van bestaande wetgeving en bestaand beleid de basis moeten vormen voor effectbeoordelingen van opties voor verdere acties. De evaluaties zullen de effecten van het programma in de praktijk beoordelen op basis van de indicatoren/streefdoelen van het programma en van een gedetailleerde analyse van de mate waarin het programma kan worden geacht relevant, doeltreffend en doelmatig te zijn, voldoende toegevoegde waarde voor de EU te bieden en voldoende coherent te zijn met andere beleidsmaatregelen van de EU. Zij zullen lessen trekken teneinde eventuele lacunes/problemen of mogelijkheden voor verdere verbetering van de acties of de resultaten ervan in kaart te brengen en de exploitatie/impact ervan te helpen maximaliseren.
Het voorstel van de Commissie voor het meerjarig financieel kader 2021-2027 is ambitieuzer wat de mainstreaming van klimaatactie in andere EU-programma's betreft, en stelt als algemeen doel dat 25 % van de uitgaven op de EU-begroting klimaatdoelstellingen ondersteunen. De bijdrage van dit programma aan de verwezenlijking van dat doel zal worden gevolgd via een EU-systeem van klimaatindicatoren op een passend uitsplitsingsniveau, inclusief het gebruik van nauwkeuriger methoden als die beschikbaar zijn. De Commissie zal de informatie jaarlijks blijven voorstellen in de vorm van vastleggingskredieten in het kader van de jaarlijkse ontwerpbegroting.
De EU moet tevens haar biodiversiteitsgerelateerde uitgaven traceren om te voldoen aan haar verslagleggingsverplichtingen uit hoofde van het Verdrag inzake biologische diversiteit. Aan traceringvoorschriften in andere toepasselijke wetgeving van de Unie moet eveneens worden voldaan.
Teneinde het volledige gebruik van het potentieel van het programma om bij te dragen aan de klimaatdoestellingen te ondersteunen, zal de Commissie ernaar streven relevante acties in kaart te brengen tijdens het proces van voorbereiding, toepassing, beoordeling en evaluatie van het programma.
2018/0209 (COD)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
tot vaststelling van een programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1293/2013
(Voor de EER relevante tekst)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,
Gezien het advies van het Comité van de Regio's,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)Door het beleid en de wetgeving van de Unie inzake milieu, klimaat en, waar relevant, de overgang naar schone energie is de toestand van het milieu aanzienlijk verbeterd. Er blijven evenwel grote milieu- en klimaatuitdagingen bestaan, die, indien er niets wordt ondernomen, aanzienlijke negatieve gevolgen voor de Unie en het welzijn van haar burgers zullen hebben.
(2)Het programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE), vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1293/2013 van het Europees Parlement en de Raad voor de periode 2014 tot en met 2020, is het recentste van een reeks programma's van de Unie waarmee over een periode van 25 jaar de tenuitvoerlegging van wetgeving en beleidsprioriteiten inzake milieu en klimaat is ondersteund. Bij een recente evaluatie halverwege is het positief beoordeeld, waarbij is opgemerkt dat het goed op koers ligt om doeltreffend, doelmatig en relevant te zijn. Het LIFE-programma voor 2014-2020 moet derhalve worden voortgezet, met inachtneming van bepaalde aanpassingen zoals vastgesteld bij de evaluatie halverwege en daaropvolgende beoordelingen. Voor de periode vanaf 2021 moet daarom een programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) ("programma") worden vastgesteld.
(3)In het streven naar verwezenlijking van de doelstellingen en streefdoelen van de Unie zoals vastgelegd in wetgeving, beleid, plannen en internationale verplichtingen inzake milieu, klimaat en, waar relevant, schone energie, moet het programma bijdragen aan de overgang naar een schone, circulaire, energie-efficiënte, koolstofarme en klimaatbestendige economie, aan de bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu en aan het tot staan brengen en ombuigen van biodiversiteitsverlies, hetzij door rechtstreekse interventies, hetzij door ondersteuning van de integratie van die doelstellingen in ander beleid.
(4)De Unie is vastberaden te komen tot een alomvattend antwoord op de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties, die het intrinsieke verband tussen het beheer van natuurlijke hulpbronnen om de beschikbaarheid daarvan op de lange termijn te waarborgen, ecosysteemdiensten, de koppeling daarvan met de menselijke gezondheid, en duurzame en sociaal inclusieve economische groei benadrukken. In deze geest moet het programma een substantiële bijdrage leveren aan zowel de economische ontwikkeling als de sociale cohesie.
(5)Het programma moet bijdragen aan duurzame ontwikkeling en aan de verwezenlijking van de doelstellingen en streefdoelen van wetgeving, strategieën, plannen en internationale verplichtingen van de Unie inzake milieu, klimaat en, waar relevant, schone energie, met name van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties, het Verdrag inzake biologische diversiteit en de Overeenkomst van Parijs, die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering ("Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering").
(6)Om de overkoepelende doelstellingen te verwezenlijken, is de tenuitvoerlegging van het pakket circulaire economie, van het beleidskader voor klimaat en energie 2030,,, van de natuurwetgeving van de Unie, en van aanverwant beleid,,,, van bijzonder belang.
(7)Om de verplichtingen van de Unie in het kader van de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering na te komen, is het nodig de Unie om te vormen tot een energie-efficiënte, koolstofarme en klimaatbestendige samenleving. Dit vereist op zijn beurt acties, in het bijzondere gericht op de sectoren die het meest bijdragen tot het huidige niveau van CO2-uitstoot en verontreiniging, die bijdragen tot de tenuitvoerlegging van het beleidskader voor klimaat en energie 2030 en de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen van de lidstaten, alsmede tot de voorbereidingen voor de klimaat- en energiestrategie van de Unie voor het midden van deze eeuw en voor de lange termijn. Het programma moet ook maatregelen omvatten die bijdragen tot de tenuitvoerlegging van het beleid van de Unie voor aanpassing aan de klimaatverandering om de kwetsbaarheid voor de negatieve gevolgen van klimaatverandering te verminderen.
(8)De overgang naar schone energie levert een essentiële bijdrage aan de klimaatmitigatie, met positieve neveneffecten voor het milieu. Acties voor capaciteitsopbouw ter ondersteuning van de overgang naar schone energie, die tot en met 2020 uit Horizon 2020 worden gefinancierd, moeten in het programma worden opgenomen, aangezien zij niet tot doel hebben excellentie te financieren en innovatie te genereren, maar om ervoor te zorgen dat reeds beschikbare technologie die zal bijdragen aan klimaatmitigatie, gemakkelijker wordt overgenomen. De opname in het programma van deze activiteiten voor capaciteitsopbouw biedt mogelijkheden voor synergieën tussen de subprogramma's en vergroot de algehele samenhang van de financiering door de Unie. Daarom moeten gegevens worden verzameld en verspreid met betrekking tot het overnemen van bestaande onderzoeks- en innovatieresultaten in de LIFE-projecten, met inbegrip van die uit het programma Horizon Europa en de programma's die daaraan voorafgingen.
(9)Volgens ramingen in de effectbeoordelingen van de wetgeving inzake schone energie zullen voor de verwezenlijking van de energiedoelstellingen van de Unie voor 2030 in de periode 2021-2030 aanvullende investeringen van 177 miljard EUR per jaar nodig zijn. De grootste tekortkomingen betreffen de investeringen in het koolstofvrij maken van gebouwen (energie-efficiëntie en kleinschalige hernieuwbare energiebronnen), waar kapitaal naar projecten met een sterk gedistribueerd karakter moet worden geleid. Een van de doelstellingen van het subprogramma Overgang naar schone energie is om capaciteit op te bouwen voor het ontwikkelen en bundelen van projecten, hetgeen ook bijdraagt tot het opnemen van middelen uit de Europese structuur- en investeringsfondsen en het katalyseren van investeringen in schone energie, ook met behulp van de financiële instrumenten van InvestEU.
(10)Synergieën met Horizon Europa moeten ervoor zorgen dat de onderzoeks- en innovatiebehoeften die moeten worden vervuld om binnen de EU het hoofd te kunnen bieden aan de uitdagingen op het vlak van milieu, klimaat en energie, in het kader van het strategische onderzoeks- en planningsproces van Horizon Europa worden bepaald en vastgelegd. LIFE moet blijven fungeren als katalysator voor de tenuitvoerlegging van beleid en wetgeving van de EU inzake milieu, klimaat en schone energie, onder meer door de resultaten van onderzoek en innovatie uit Horizon Europa over te nemen en toe te passen, en te helpen deze op grotere schaal in te zetten wanneer dit kan helpen bij de aanpak van kwesties op het vlak van milieu, klimaat of de overgang naar schone energie. De Europese Innovatieraad van Horizon Europa kan ondersteuning bieden bij het opschalen en commercialiseren van nieuwe, baanbrekende ideeën die kunnen voortkomen uit de tenuitvoerlegging van LIFE-projecten.
(11)Aan een actie waaraan een bijdrage is toegekend uit het programma, kan ook een bijdrage worden toegekend uit enig ander programma van de Unie, op voorwaarde dat de bijdragen niet dezelfde kosten dekken. Acties die cumulatieve financiering uit verschillende programma's van de Unie ontvangen, worden slechts één keer gecontroleerd, waarbij alle betrokken programma's en hun respectieve toepasselijke regels worden bestreken.
(12)Uit het recentste evaluatiepakket inzake de tenuitvoerlegging van het milieubeleid blijkt dat er aanzienlijke vooruitgang moet worden geboekt om vaart te zetten achter de tenuitvoerlegging van het milieuacquis van de Unie en ervoor te zorgen dat milieu- en klimaatdoelstellingen beter in ander beleid worden opgenomen. Het programma moet dan ook als katalysator fungeren om de vereiste vooruitgang te kunnen ontwikkelen door nieuwe benaderingen te ontwikkelen, testen en dupliceren; beleidsontwikkeling, toezicht en beoordeling te ondersteunen; de betrokkenheid van belanghebbenden te versterken; investeringen te mobiliseren binnen het geheel aan investeringsprogramma's van de Unie of andere financieringsbronnen en acties te ondersteunen om de verschillende belemmeringen voor de doeltreffende tenuitvoerlegging van de belangrijkste in de milieuwetgeving voorgeschreven plannen weg te nemen.
(13)Om het biodiversiteitsverlies, ook in mariene ecosystemen, tot staan te brengen en om te buigen, moet de ontwikkeling, tenuitvoerlegging, handhaving en beoordeling van wetgeving en beleid van de Unie ter zake, waaronder de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020, Richtlijn 92/43/EEG van de Raad en Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad, en Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad, worden ondersteund, met name door de kennisbasis voor de ontwikkeling en uitvoering van beleid uit te bouwen en door beste praktijken en oplossingen, op kleine schaal of toegesneden op de specifieke lokale, regionale of nationale situatie, te ontwikkelen, te testen, te demonstreren en toe te passen, met inbegrip van geïntegreerde benaderingen voor de tenuitvoerlegging van de op basis van Richtlijn 92/43/EEG opgestelde prioritaire actiekaders. De Unie moet haar biodiversiteitsgerelateerde uitgaven traceren om te voldoen aan haar verslagleggingsverplichtingen uit hoofde van het Verdrag inzake biologische diversiteit. Aan traceringvoorschriften in andere toepasselijke wetgeving van de Unie moet eveneens worden voldaan.
(14)Uit recente evaluaties en beoordelingen, met inbegrip van de evaluatie halverwege van de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020 en de geschiktheidscontrole van de natuurwetgeving, blijkt gebrek aan adequate financiering een van de belangrijkste oorzaken van de ontoereikende tenuitvoerlegging van de natuurwetgeving van de Unie en de biodiversiteitsstrategie te zijn. De voornaamste financieringsinstrumenten van de Unie, waaronder het [Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij], kunnen een aanzienlijke bijdrage leveren bij het vervullen van deze behoeften. Het programma kan de doelmatigheid van deze mainstreaming nog verder verbeteren door middel van strategische natuurprojecten die tot doel hebben als katalysator te fungeren voor de tenuitvoerlegging van wetgeving en beleid van de Unie inzake natuur en biodiversiteit, met inbegrip van de acties van de overeenkomstig Richtlijn 92/43/EEG ontwikkelde prioritaire actiekaders. De strategische natuurprojecten moeten actieprogramma's in de lidstaten voor de mainstreaming van relevante doelstellingen op het gebied van natuur en biodiversiteit in ander beleid en andere financieringsprogramma's ondersteunen en er zo voor zorgen dat passende middelen voor de tenuitvoerlegging van dat beleid worden gemobiliseerd. De lidstaten kunnen er binnen het kader van hun strategisch plan voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor kiezen een bepaald deel van de toewijzing uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling te gebruiken om financiële steun aan te trekken voor acties die een aanvulling vormen op de strategische natuurprojecten zoals in deze verordening gedefinieerd.
(15)De vrijwillige regeling ten behoeve van biodiversiteit en ecosysteemdiensten in de Europese landen en gebieden overzee en gebieden overzee (BEST) bevordert de instandhouding van biodiversiteit, met inbegrip van mariene biodiversiteit, en het duurzame gebruik van ecosysteemdiensten, met inbegrip van op ecosystemen gebaseerde benaderingen van de mitigatie van en aanpassing aan klimaatverandering, in de ultraperifere gebieden van de Unie en de landen en gebieden overzee. BEST heeft bijgedragen aan bewustmaking met betrekking tot het ecologische belang van de ultraperifere gebieden en de landen en gebieden overzee voor het behoud van de wereldwijde biodiversiteit. In hun ministeriële verklaringen van 2017 en 2018 hebben de landen en gebieden overzee hun waardering geuit voor dit programma voor kleine subsidies ten behoeve van de biodiversiteit. Het is passend ervoor te zorgen dat het programma de financiering van kleine subsidies voor de biodiversiteit in zowel de ultraperifere gebieden als de landen en gebieden overzee voort kan zetten.
(16)De bevordering van de circulaire economie vergt een mentaliteitswijziging wat betreft de wijze waarop materialen en producten, met inbegrip van kunststoffen, worden ontworpen, geproduceerd, geconsumeerd en verwijderd. Het programma moet bijdragen aan de overgang naar een circulaire economie door middel van financiële steun die gericht is op een veelheid van actoren (ondernemingen, overheden en consumenten), met name door de beste, op de specifieke lokale, regionale of nationale situatie toegesneden, technologieën, praktijken en oplossingen, met inbegrip van geïntegreerde benaderingen voor de tenuitvoerlegging van plannen voor afvalbeheer en -preventie, toe te passen, te ontwikkelen en te dupliceren. Door de tenuitvoerlegging van de strategie voor kunststoffen kunnen maatregelen worden genomen om met name het probleem van zwerfvuil op zee aan te pakken.
(17)De langetermijndoelstelling van de Unie voor het beleid inzake luchtkwaliteit is om luchtkwaliteitsniveaus te behalen die geen significante negatieve effecten en risico's voor de menselijke gezondheid met zich meebrengen. Het publieke bewustzijn over luchtvervuiling is sterk ontwikkeld en burgers verwachten dat de overheid optreedt. In Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad wordt de rol benadrukt die financiering door de Unie kan spelen bij de verwezenlijking van de doelstellingen op het gebied van schone lucht kan spelen. Het programma moet daarom projecten, waaronder strategische geïntegreerde projecten, ondersteunen die het potentieel hebben om publieke en particuliere middelen aan te trekken, om voorbeelden van goede praktijken onder de aandacht te brengen en om als katalysator te fungeren voor de tenuitvoerlegging van plannen en wetgeving inzake luchtkwaliteit op lokaal, regionaal, multiregionaal, nationaal en transnationaal niveau.
(18)Bij Richtlijn 2000/60/EG is een kader vastgesteld voor de bescherming van de oppervlaktewateren, kustwateren en overgangswateren en het grondwater in de Unie. De doelstellingen van de richtlijn worden ondersteund door de blauwdruk voor het behoud van de Europese wateren, waarin wordt opgeroepen tot een betere tenuitvoerlegging en een sterkere integratie van de doelstellingen van het waterbeleid in andere beleidsgebieden. Het programma moet daarom projecten ondersteunen die bijdragen aan de doeltreffende tenuitvoerlegging van Richtlijn 2000/60/EG en andere waterwetgeving van de Unie die bijdraagt tot het bereiken van een goede toestand van de waterlichamen van de Unie, door beste praktijken toe te passen, te ontwikkelen en te dupliceren en door aanvullende acties in het kader van andere programma's of financieringsbronnen van de Unie te mobiliseren.
(19)De bescherming en het herstel van het mariene milieu is een van de algemene doelstellingen van het milieubeleid van de Unie. Het programma moet ten dienste staan van het volgende: het beheer, de instandhouding, het herstel en de monitoring van de biodiversiteit en mariene ecosystemen, met name de mariene gebieden van Natura 2000, en de bescherming van soorten overeenkomstig de krachtens Richtlijn 92/43/EEG ontwikkelde prioritaire actiekaders; het bereiken van een goede milieutoestand in de zin van Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad; de bevordering van schone en gezonde zeeën; de tenuitvoerlegging van de Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie, met name om het probleem van verloren vistuig en zwerfvuil op zee aan te pakken; en de bevordering van de rol van de Unie in de internationale oceaangovernance, die van essentieel belang is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties en voor het veiligstellen van gezonde oceanen voor toekomstige generaties. De strategische geïntegreerde projecten en strategische natuurprojecten van het programma moeten relevante acties omvatten die gericht zijn op de bescherming van het mariene milieu.
(20)Verbetering van de governance op het gebied van milieu en klimaatverandering en van daarmee verband houdende kwesties met betrekking tot de overgang naar schone energie, vereist betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld dankzij bewustmaking van het publiek, consumentenparticipatie, en een bredere betrokkenheid van belanghebbenden, met inbegrip van niet-gouvernementele organisaties, bij het overleg over en de tenuitvoerlegging van aanverwant beleid.
(21)Hoewel verbetering van de governance op alle niveaus een horizontale doelstelling voor alle subprogramma's van het programma moet zijn, moet het programma specifiek ook de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van de horizontale wetgeving inzake milieugovernance ondersteunen, met inbegrip van de wetgeving tot tenuitvoerlegging van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden van de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa (VN/ECE).
(22)Het programma moet marktdeelnemers voorbereiden op en ondersteunen bij de overgang naar een schone, circulaire, energie-efficiënte, koolstofarme en klimaatbestendige economie door nieuwe zakelijke kansen te toetsen, beroepsvaardigheden te verbeteren, de toegang van consumenten tot duurzame producten en diensten te vergemakkelijken, opinie- en smaakmakers over te halen zich voor dit doel in te zetten en hen daartoe de gelegenheid te bieden, en nieuwe methoden te testen voor aanpassing van de bestaande processen en het ondernemingslandschap. Ter ondersteuning van een bredere marktintroductie van duurzame oplossingen moeten maatschappelijk draagvlak en consumentenparticipatie worden gecultiveerd.
(23)Op het niveau van de Unie worden grote investeringen in milieu- en klimaatacties hoofdzakelijk gefinancierd door de belangrijkste financieringsprogramma's van de Unie (mainstreaming). In het kader van hun rol als katalysator moeten de krachtens het programma te ontwikkelen strategische geïntegreerde projecten en strategische natuurprojecten als hefboom dienen voor financieringsmogelijkheden die worden geboden door die financieringsprogramma's en andere financieringsbronnen, zoals nationale fondsen, en synergieën creëren.
(24)Wegens het belang van de strijd tegen klimaatverandering overeenkomstig de verbintenissen van de Unie tot uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties, zal dit programma bijdragen aan de mainstreaming van klimaatacties en aan het algemene streven dat 25 % van de uitgaven op de begroting van de EU klimaatdoelstellingen ondersteunen. Met de acties in het kader van dit programma zal naar verwachting een bedrag ter waarde van 61 % van de totale financiële middelen van het programma worden bijgedragen aan de verwezenlijking van klimaatdoelstellingen. De desbetreffende acties zullen worden vastgesteld tijdens de voorbereiding en uitvoering van het programma en zullen opnieuw worden bekeken in het kader van de desbetreffende beoordelingen en evaluatieprocessen.
(25)Bij de tenuitvoerlegging van het programma moet terdege rekening worden gehouden met de strategie voor ultraperifere gebieden in het licht van artikel 349 VWEU en de specifieke behoeften en kwetsbaarheden van deze gebieden. Ander beleid van de Unie dan dat op het gebied van het milieu, het klimaat en, waar relevant, de overgang naar schone energie moet ook in aanmerking worden genomen.
(26)Ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van het programma moet de Commissie samenwerken met de nationale contactpunten van het programma, seminars en workshops organiseren, lijsten van in het kader van het programma gefinancierde projecten publiceren of andere activiteiten ondernemen om de projectresultaten te verspreiden en de uitwisseling van ervaring, kennis en beste praktijken en de duplicatie van projectresultaten in de hele Unie te vergemakkelijken. Dergelijke activiteiten moeten met name gericht zijn op lidstaten die de middelen slechts in beperkte mate benutten en moeten de communicatie en samenwerking tussen projectbegunstigden, aanvragers of belanghebbenden van voltooide en lopende projecten op hetzelfde gebied vergemakkelijken.
(27)Het netwerk van de Europese Unie voor de implementatie en handhaving van de milieuwetgeving (Impel), het Europees netwerk van openbaar aanklagers voor het milieu (ENPE) en het forum van de Europese Unie van milieurechters (Eufje) zijn opgericht om de samenwerking tussen de lidstaten te vergemakkelijken en spelen een unieke rol in de handhaving van de milieuwetgeving van de Unie. Zij dragen in aanzienlijke mate bij tot een consistentere tenuitvoerlegging en handhaving van de milieuwetgeving van de Unie in de verschillende lidstaten, waardoor concurrentieverstoringen worden voorkomen, helpen door middel van een netwerksysteem op zowel het niveau van de Unie als dat van de lidstaten de kwaliteit van milieu-inspecties en de mechanismen voor wetshandhaving te verbeteren, en zorgen voor uitwisseling van informatie en ervaring op verschillende bestuurlijke niveaus, ook door middel van opleidingen en diepgaande discussies over milieukwesties en handhavingsaspecten, met inbegrip van monitoring- en vergunningsprocedures. Gezien hun bijdrage aan de verwezenlijking van de doelstellingen van programma is het passend toe te staan dat subsidies zonder oproep tot het indienen van voorstellen worden toegekend aan het Impel, het ENPE en het Eufje, zodat de activiteiten van deze organisaties kunnen blijven worden ondersteund. Daarnaast kan het ook in andere gevallen zo zijn dat er geen oproep nodig is op grond van de algemene vereisten van het Financieel Reglement, bv. voor organen die door de lidstaten zijn aangewezen en die onder hun verantwoordelijkheid vallen, indien in een wetgevingshandeling van de Unie is vastgesteld dat die lidstaten begunstigden van een subsidie zijn.
(28)Het is passend de financiële middelen vast te leggen die voor het Europees Parlement en de Raad in de loop van de jaarlijkse begrotingsprocedure het voornaamste referentiebedrag vormen in de zin van punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer.
(29)De horizontale financiële regels die het Europees Parlement en de Raad op grond van artikel 322 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie hebben vastgesteld, zijn op deze verordening van toepassing. Deze regels zijn neergelegd in het Financieel Reglement en bepalen met name de procedure voor het opstellen en uitvoeren van de begroting door middel van subsidies, aanbestedingen, prijzen, indirecte uitvoering, en voorzien in controles op de verantwoordelijkheid van financiële actoren. De op grond van artikel 322 VWEU vastgestelde regels hebben ook betrekking op de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene tekortkomingen ten aanzien van de rechtsstaat in de lidstaten, aangezien de eerbiediging van de rechtsstaat een essentiële basisvoorwaarde is voor een goed financieel beheer en effectieve EU-financiering.
(30)Overeenkomstig het Financieel Reglement, Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad, en de Verordeningen (EG, Euratom) nr. 2988/95, (Euratom, EG) nr. 2185/96 en (EU) 2017/1939 van de Raad moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd door evenredige maatregelen, daaronder begrepen voorkoming, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden en fraude, terugvordering van verloren gegane, onverschuldigd betaalde of onjuist bestede financiële middelen alsmede, in voorkomend geval, oplegging van administratieve sancties. In het bijzonder kan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig de Verordeningen (EU, Euratom) nr. 883/2013 en (Euratom, EG) nr. 2185/96 onderzoeken, daaronder begrepen controles en verificaties ter plaatse, uitvoeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 kan het Europees Openbaar Ministerie (EOM) overgaan tot onderzoek en vervolging van fraude en andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad. Personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement ten volle meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie en de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF, het Europees Openbaar Ministerie (EOM) en de Europese Rekenkamer alsmede ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen.
(31)De financieringsvormen en de uitvoeringsmethoden moeten worden gekozen op basis van de mogelijkheden die zij bieden voor het vervullen van de specifieke doelstellingen van de acties en voor het behalen van resultaten, waarbij met name rekening wordt gehouden met de kosten van controles, de administratieve lasten en het te verwachten risico op niet-naleving. Wat subsidies betreft, moet dit mede inhouden dat het gebruik van vaste bedragen, forfaits en schalen van eenheidskosten wordt overwogen.
(32)De beleidsdoelstellingen van het programma moeten ook worden gerealiseerd via financiële instrumenten en begrotingsgarantie in het kader van de beleidscomponent(en) […] van het InvestEU-fonds.
(33)Volgens artikel 94 van Besluit 2013/755/EU van de Raad komen in landen en gebieden overzee gevestigde entiteiten in aanmerking voor financiering, overeenkomstig de voorschriften en doelstellingen van het programma en eventuele regelingen die van toepassing zijn op de lidstaat waarmee het desbetreffende land of gebied overzee banden heeft. De deelname van deze entiteiten aan dit programma moet vooral gericht zijn op projecten in het kader van het subprogramma Natuur en biodiversiteit.
(34)Het programma moet openstaan voor derde landen in overeenstemming met de overeenkomsten tussen de Unie en die landen waarin de specifieke voorwaarden voor hun deelname zijn vastgesteld.
(35)Derde landen die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER) kunnen aan programma's van de Unie deelnemen in het kader van de samenwerking waarin wordt voorzien door de EER-Overeenkomst, die bepaalt dat programma's van de Unie worden uitgevoerd bij een op grond van die overeenkomst genomen besluit. Derde landen kunnen ook op grond van andere rechtsinstrumenten deelnemen. Er moet een specifieke bepaling in deze verordening worden opgenomen om de verantwoordelijke ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer de nodige rechten en toegang te verlenen om hun bevoegdheden ten volle te kunnen uitoefenen.
(36)Krachtens de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven moet dit programma worden geëvalueerd op basis van gegevens die uit hoofde van specifieke voorschriften voor toezicht worden verzameld, waarbij echter overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, worden vermeden. Die voorschriften kunnen, in voorkomend geval, meetbare indicatoren omvatten als een basis voor de evaluatie van het effect van het programma op het terrein. Het volledige effect van het LIFE-programma ontvouwt zich via indirecte, zich over de lange termijn uitstrekkende en moeilijk meetbare bijdragen aan de verwezenlijking van de volledige reeks milieu- en klimaatdoelstellingen van de Unie. Voor het toezicht op het programma moeten de in deze verordening vastgestelde directe outputindicatoren en traceringsvoorschriften worden aangevuld door bundeling van specifieke indicatoren op projectniveau, die in de werkprogramma's en oproepen tot het indienen van voorstellen moeten worden beschreven, onder meer met betrekking tot Natura 2000 en emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen.
(37)Teneinde een herziening van de indicatoren mogelijk te maken, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen om de indicatoren te herzien die moeten worden gebruikt om verslag uit te brengen over de door het programma geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de algemene en specifieke doelstellingen ervan, met name met het oog op de afstemming daarvan op de voor andere programma's van de Unie vastgestelde indicatoren. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
(38)Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk bijdragen aan duurzame ontwikkeling en aan de verwezenlijking van de doelstellingen en streefdoelen van wetgeving, strategieën, plannen en internationale verplichtingen van de Unie inzake milieu, klimaat en, waar relevant, schone energie, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van deze verordening beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.
(39)Verordening (EU) nr. 1293/2013 moet derhalve worden ingetrokken,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Onderwerp
Bij deze verordening wordt het programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) ("programma") vastgesteld.
In deze verordening worden de doelstellingen van het programma, de begroting voor de periode 2021-2027, de vormen van financiering door de Unie alsmede de regels voor de verstrekking van die financiering vastgelegd.
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
(1)"strategische natuurprojecten": projecten ter ondersteuning van de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie op het gebied van natuur en biodiversiteit door samenhangende actieprogramma's in de lidstaten ten uitvoer te leggen om deze doelstellingen en prioriteiten in ander beleid en in andere financieringsinstrumenten te mainstreamen, onder meer door middel van een gecoördineerde tenuitvoerlegging van de krachtens Richtlijn 92/43/EEG vastgestelde prioritaire actiekaders;
(2)"strategische geïntegreerde projecten": projecten waarbij, op regionale, multiregionale, nationale of transnationale schaal, door de autoriteiten van de lidstaten ontwikkelde en door specifieke wetgeving en beleidsmaatregelen van de Unie inzake het milieu, het klimaat en, waar relevant, schone energie van de Unie voorgeschreven strategieën of actieplannen inzake milieu of klimaat worden uitgevoerd, waarbij wordt gezorgd voor betrokkenheid van de belanghebbenden en waarbij de coördinatie met en het mobiliseren van financiële middelen uit ten minste één andere uniale, nationale of particuliere financieringsbron wordt bevorderd;
(3)"projecten voor technische bijstand": projecten ter ondersteuning van de ontwikkeling van capaciteit voor deelname aan standaardactieprojecten, de voorbereiding van strategische geïntegreerde projecten, de voorbereiding voor het verkrijgen van toegang tot andere financieringsinstrumenten van de Unie of andere maatregelen die nodig zijn voor de voorbereiding van het opschalen of dupliceren van de resultaten van andere door het programma, door de programma's die eraan voorafgingen, of door andere programma's van de Unie gefinancierde projecten, met het oog op de verwezenlijking van de in artikel 3 genoemde doelstellingen;
(4)"standaardactieprojecten": projecten, anders dan strategische geïntegreerde projecten, strategische natuurprojecten of projecten voor technische bijstand, ter verwezenlijking van de specifieke doelstellingen van het programma, als vastgesteld in artikel 3, lid 2;
(5)"blendingverrichtingen": door de begroting van de Unie ondersteunde acties, onder meer in het kader van blendingfaciliteiten overeenkomstig artikel 2, lid 6, van Verordening (EU, Euratom) 2018/... (het "Financieel Reglement"), waarbij niet-terugbetaalbare vormen van steun en/of financieringsinstrumenten uit de begroting van de Unie worden gecombineerd met terugbetaalbare vormen van steun van instellingen voor ontwikkelingsfinanciering of andere openbare financiële instellingen, alsmede van commerciële financiële instellingen en investeerders;
(6)"juridische entiteit": elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die is opgericht krachtens en als dusdanig wordt erkend in het nationale recht, het recht van de Unie of het internationale recht, die rechtspersoonlijkheid bezit en die, in eigen naam handelend, rechten en verplichtingen kan hebben, dan wel een entiteit zonder rechtspersoonlijkheid als bedoeld in artikel 190, lid 2, onder c), van het Financieel Reglement.
Artikel 3
Doelstellingen van het programma
1.De algemene doelstelling van het programma is bij te dragen aan de overgang naar een schone, circulaire, energie-efficiënte, koolstofarme en klimaatbestendige economie, onder meer door de overgang naar schone energie, alsmede aan de bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu en aan tot staan brengen en ombuigen van biodiversiteitsverlies, en aldus bij te dragen tot duurzame ontwikkeling.
2.De specifieke doelstellingen van het programma zijn:
(a)ontwikkelen, demonstreren en bevorderen van innovatieve technieken en benaderingen ter verwezenlijking van de doelstellingen van de wetgeving en het beleid van de Unie inzake milieu en klimaat, met inbegrip van de overgang naar schone energie, en bijdragen tot de toepassing van de beste praktijken op het vlak van natuur en biodiversiteit;
(b)ondersteunen van de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van, het toezicht op en de handhaving van de wetgeving en het beleid van de Unie ter zake, onder meer door de governance te verbeteren door middel van capaciteitsopbouw onder publieke en private actoren en betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld;
(c)als katalysator fungeren voor de grootschalige invoering van succesvolle technische en beleidsmatige oplossingen voor de tenuitvoerlegging van de wetgeving en het beleid van de Unie ter zake, door resultaten te dupliceren, verwante doelstellingen te integreren in andere beleidsgebieden en in de praktijken in de publieke en private sector, investeringen te mobiliseren en de toegang tot financiering te verbeteren.
Artikel 4
Structuur van het programma
Het programma heeft de volgende structuur:
(1)het gebied Milieu, waaronder vallen:
(a)het subprogramma Natuur en biodiversiteit;
(b)het subprogramma Circulaire economie en levenskwaliteit;
(2)het gebied Klimaatactie, waaronder vallen:
(a)het subprogramma Mitigatie van en aanpassing aan klimaatverandering;
(b)het subprogramma Overgang naar schone energie.
Artikel 5
Begroting
1.De financiële middelen voor de uitvoering van het programma voor de periode 2021 – 2027 bedragen 5 450 000 000 EUR in lopende prijzen.
2.De indicatieve verdeling van het in lid 1 bedoelde bedrag is als volgt:
(a)3 500 000 000 EUR voor het gebied Milieu, waarvan
(1)2 150 000 000 EUR voor het subprogramma Natuur en biodiversiteit en
(2)1 350 000 000 EUR voor het subprogramma Circulaire economie en levenskwaliteit;
(b)1 950 000 000 EUR voor het gebied Klimaatactie, waarvan
(1)950 000 000 EUR voor het subprogramma Mitigatie van en aanpassing aan klimaatverandering en
(2)1 000 000 000 EUR voor het subprogramma Overgang naar schone energie.
3.De in de leden 1 en 2 bedoelde bedragen gelden onverminderd de toepassing van de bepalingen betreffende flexibiliteit die zijn neergelegd in Verordening (EU) ... van het Europees Parlement en de Raad [de nieuwe Verordening betreffende het meerjarig financieel kader ] en in het Financieel Reglement.
4.Het in lid 1 bedoelde bedrag kan worden gebruikt voor technische en administratieve bijstand voor het uitvoeren van het programma, zoals werkzaamheden op het gebied van voorbereiding, monitoring, controle, audit en evaluatie, daaronder begrepen institutionele informatietechnologiesystemen.
5.Ter verwezenlijking van de in artikel 3 bepaalde doelstellingen kan het programma door de Commissie uitgevoerde activiteiten ter ondersteuning van de voorbereiding, tenuitvoerlegging en mainstreaming van wetgeving en beleidsmaatregelen van de Unie inzake het milieu, het klimaat en, waar relevant, de overgang naar schone energie financieren. Zulke activiteiten zijn onder meer:
(a)informatie en communicatie, met inbegrip van bewustmakingscampagnes. Financiële middelen die in het kader van deze verordening worden toegewezen aan communicatieactiviteiten hebben ook betrekking op institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, evenals over de uitvoerings- en omzettingsstatus van wetgeving van de Unie inzake het milieu, het klimaat en, waar relevant, schone energie;
(b)studies, onderzoeken, modellering en het uitwerken van scenario's;
(c)de voorbereiding, tenuitvoerlegging, monitoring, controle en evaluatie van niet door het programma gefinancierde projecten, beleidsmaatregelen, programma's en wetgeving;
(d)workshops, conferenties en vergaderingen;
(e)netwerkvorming en platforms voor beste praktijken;
(f)overige activiteiten.
Artikel 6
Met het programma geassocieerde derde landen
1.Het programma staat open voor deelname van de volgende derde landen:
(a)landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER), in overeenstemming met de in de EER-overeenkomst vastgestelde voorwaarden;
(b)toetredingslanden, kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;
(c)landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;
(d)andere derde landen, in overeenstemming met de voorwaarden die zijn vastgesteld in een specifieke overeenkomst betreffende de deelname van het derde land aan programma's van de Unie, op voorwaarde dat de overeenkomst
–een billijk evenwicht waarborgt tussen de bijdragen van en de voordelen voor het derde land dat aan programma's van de Unie deelneemt;
–de voorwaarden voor deelname aan de programma's vaststelt, met inbegrip van de berekening van de financiële bijdragen aan afzonderlijke programma's en de administratieve kosten ervan. Deze bijdragen worden aangemerkt als bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel [21, lid 5,] van het Financieel Reglement;
–het derde land geen beslissingsbevoegdheid ten aanzien van het programma verleent;
–de rechten van de Unie om naar een goed financieel beheer te streven en haar financiële belangen te beschermen, waarborgt.
2.Wanneer een derde land deelneemt aan het programma uit hoofde van een besluit in het kader van een internationale overeenkomst of op grond van enig ander rechtsinstrument, verleent dat derde land de nodige rechten en toegang aan de bevoegde ordonnateur, aan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en aan de Europese Rekenkamer, zodat zij hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen.. In het geval van OLAF omvatten deze rechten het recht om onderzoeken, waaronder controles en verificaties ter plaatse, uit te voeren, zoals neergelegd in Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF).
Artikel 7
Synergieën met andere programma's van de Unie
Het programma wordt op dusdanige wijze uitgevoerd dat gezorgd wordt voor samenhang met het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, Horizon Europa, de Connecting Europe Facility en InvestEU, teneinde synergieën tot stand te brengen, in het bijzonder wat betreft strategische natuurprojecten en strategische geïntegreerde projecten, en het overnemen en dupliceren van in het kader van het programma ontwikkelde oplossingen te ondersteunen.
Artikel 8
Uitvoering en vormen van financiering door de Unie
1.Het programma wordt uitgevoerd in direct beheer in overeenstemming met het Financieel Reglement of in indirect beheer met organen als bedoeld in artikel 61, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement.
2.In het kader van het programma kan financiering worden verstrekt in een van de vormen als vastgesteld in het Financieel Reglement, met name subsidies, prijzen en aanbestedingen. Er kan eveneens financiering worden verstrekt in de vorm van financieringsinstrumenten in het kader van blendingverrichtingen.
HOOFDSTUK II
SUBSIDIABILITEIT
Artikel 9
Subsidies
Subsidies in het kader van het programma worden toegekend en beheerd in overeenstemming met titel VIII van het Financieel Reglement.
Artikel 10
In aanmerking komende acties
1.Alleen acties voor de verwezenlijking van de doelstellingen als bedoeld in artikel 3 komen in aanmerking voor financiering.
2.De volgende soorten maatregelen kunnen worden gefinancierd met subsidies:
(a)strategische natuurprojecten in het kader van het in artikel 4, punt 1), onder a), bedoelde subprogramma;
(b)strategische geïntegreerde projecten in het kader van de in artikel 4, punt 1), onder b), en artikel 4, punt 2), onder a) en b) bedoelde subprogramma's;
(c)projecten voor technische bijstand;
(d)standaardactieprojecten;
(e)andere acties die nodig zijn ter verwezenlijking van de in artikel 3, lid 1, bepaalde algemene doelstelling.
3.Projecten in het kader van het subprogramma Natuur en biodiversiteit die verband houden met het beheer en herstel van en het toezicht op Natura 2000-gebieden overeenkomstig de Richtlijnen 92/43/EEG en 2009/147/EG worden ondersteund overeenkomstig de krachtens Richtlijn 92/43/EEG vastgestelde prioritaire actiekaders.
4.Activiteiten buiten de Unie kunnen met subsidies worden gefinancierd, voor zover met het project verwezenlijking van milieu- en klimaatdoelstellingen van de Unie wordt nagestreefd en de activiteiten buiten de Unie noodzakelijk zijn om de doeltreffendheid van op het grondgebied van de lidstaten verrichte interventies te waarborgen.
5.Met exploitatiesubsidies wordt steun verleend aan het functioneren van entiteiten zonder winstoogmerk die betrokken zijn bij de ontwikkeling, tenuitvoerlegging en handhaving van beleid en wetgeving van de Unie en die hoofdzakelijk actief zijn op het gebied van milieu of klimaatactie, met inbegrip van de overgang naar schone energie.
Artikel 11
In aanmerking komende entiteiten
1.Naast de in artikel [197] van het Financieel Reglement vermelde criteria zijn de in de leden 2 en 3 vastgestelde criteria om in aanmerking te komen van toepassing:
2.De volgende entiteiten komen in aanmerking:
(a)juridische entiteiten die gevestigd zijn in een van de volgende landen of gebieden:
(1)een lidstaat of een met een lidstaat verbonden land of gebied overzee;
(2)een met het programma geassocieerd derde land;
(3)andere in het werkprogramma opgenomen derde landen, onder de in de leden 4 tot en met 6 vermelde voorwaarden;
(b)elke juridische entiteit die is opgericht krachtens het recht van de Unie of elke internationale organisatie.
3.Natuurlijke personen komen niet in aanmerking.
4.Juridische entiteiten die zijn gevestigd in een niet met het programma geassocieerd derde land komen bij wijze van uitzondering voor deelname in aanmerking voor zover dit noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van een bepaalde actie om de doeltreffendheid van in de Unie verrichte interventies te waarborgen.
5.Juridische entiteiten die deelnemen aan consortia van ten minste drie onafhankelijke entiteiten en die zijn gevestigd in verschillende lidstaten of met die lidstaten verbonden landen of gebieden overzee, in met het programma geassocieerde derde landen of in andere derde landen, komen in aanmerking.
6.Juridische entiteiten die zijn gevestigd in een niet met het programma geassocieerd derde land dragen in beginsel de kosten van hun deelname.
Artikel 12
Oproepen tot het indienen van voorstellen
Onverminderd artikel [188] van het Financieel Reglement, kunnen subsidies zonder oproep tot het indienen van voorstellen worden toegekend aan de in de lijst in bijlage I opgenomen organen.
Artikel 13
Toekenningscriteria
De toekenningscriteria worden vermeld in de oproepen tot het indienen van voorstellen, rekening houdend met het volgende:
(a)door het programma gefinancierde projecten ondermijnen geen doelstellingen van het programma op het gebied van milieu, klimaat of, waar relevant, schone energie en bevorderen, waar mogelijk, het gebruik van groene overheidsopdrachten;
(b)er wordt prioriteit toegekend aan projecten die positieve neveneffecten opleveren en synergieën tussen de in artikel 4 bedoelde subprogramma's bevorderen;
(c)er wordt prioriteit toegekend aan projecten met het grootste potentieel om te worden gedupliceerd en door de publieke of particuliere sector te worden overgenomen, of om de omvangrijkste investeringen of financiële middelen te mobiliseren (katalyserend vermogen);
(d)de dupliceerbaarheid van de resultaten wordt gewaarborgd;
(e)aan projecten die voortbouwen op de resultaten van andere door het programma, door de programma's die eraan voorafgingen, of met andere fondsen van de Unie gefinancierde projecten, of die die resultaten opschalen, wordt bij de evaluatie ervan een bonus toegekend;
(f)in voorkomend geval wordt bijzondere aandacht gegeven aan projecten in geografische gebieden met specifieke behoeften of kwetsbaarheden, zoals gebieden met specifieke milieuproblemen of natuurlijke beperkingen, grensoverschrijdende gebieden of ultraperifere gebieden.
Artikel 14
In aanmerking komende kosten in verband met de aankoop van grond
In aanvulling op de criteria van artikel [186] van het Financieel Reglement komen kosten met betrekking tot de aankoop van grond in aanmerking mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
|
(a)
|
(a)de aankoop draagt bij aan het verbeteren, behouden en herstellen van de integriteit van het krachtens artikel 3 van Richtlijn 92/43/EEG opgezette Natura 2000-netwerk, onder meer door verbetering van de verbindingen middels het tot stand brengen van corridors, stapstenen of andere groene infrastructuurelementen;
(b)de grondaankoop is de enige of kostenefficiëntste manier om de beoogde instandhouding te verwezenlijken;
(c)de aangekochte grond is op lange termijn bestemd voor gebruik dat in overeenstemming is met de specifieke doelstellingen van het programma;
(d)de betrokken lidstaat zorgt er door middel van overdracht of op een andere wijze voor dat deze grond langdurig voor natuurbeschermingsdoeleinden bestemd blijft.
|
Artikel 15
Cumulatieve, complementaire en gecombineerde financiering
1.Aan een actie waaraan uit een ander programma van de Unie een bijdrage is toegekend, kan ook in het kader van het programma een bijdrage worden toegekend, op voorwaarde dat de bijdragen niet dezelfde kosten dekken. De regels van elk programma van de Unie dat een bijdrage levert, zijn van toepassing op de respectievelijke bijdrage ervan aan de actie. De cumulatieve financiering bedraagt niet meer dan de totale subsidiabele kosten van de actie, en de ondersteuning vanuit de verschillende programma's van de Unie kan pro rata worden berekend overeenkomstig de documenten waarin de voorwaarden voor ondersteuning zijn vastgelegd.
2.Acties die het certificaat "Excellentiekeur" hebben ontvangen, of die aan de volgende cumulatieve, vergelijkende voorwaarden voldoen:
(a)zij zijn beoordeeld in een oproep tot het indienen van voorstellen in het kader van het programma;
(b)zij voldoen aan de minimale kwaliteitseisen van die oproep tot het indienen van voorstellen;
(c)zij kunnen als gevolg van budgettaire beperkingen niet in het kader van die oproep tot het indienen van voorstellen worden gefinancierd;
kunnen ondersteuning ontvangen uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Cohesiefonds, het Europees Sociaal Fonds+ of Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, overeenkomstig artikel [67], lid 5, van Verordening (EU) XX [verordening gemeenschappelijke bepalingen] en artikel [8] van Verordening (EU) XX [de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid], mits dergelijke acties overeenstemmen met de doelstellingen van desbetreffende programma. De regels van het fonds waaruit ondersteuning wordt verleend, zijn van toepassing.
HOOFDSTUK III
BLENDINGVERRICHTINGEN
Artikel 16
Blendingverrichtingen
Blendingverrichtingen in het kader van dit programma vinden plaats in overeenstemming met de [InvestEU-verordening] en titel X van het Financieel Reglement.
HOOFDSTUK IV
PROGRAMMERING, MONITORING, VERSLAGLEGGING EN EVALUATIE
Artikel 17
Werkprogramma
1.Het programma wordt uitgevoerd door middel van ten minste twee meerjarige werkprogramma's als bedoeld in artikel 110 van het Financieel Reglement. In de werkprogramma's wordt in voorkomend geval het voor blendingverrichtingen gereserveerde totaalbedrag opgenomen.
2.Elk meerjarig werkprogramma omvat, in overeenstemming met de in artikel 3 vermelde doelstellingen, het volgende:
(a)de toewijzing van middelen binnen elk subprogramma tussen de verschillende door dat subprogramma bestreken behoeften en tussen de verschillende soorten financiering;
(b)de projectthema's of specifieke behoeften waarvoor voorlopige toewijzing van financiering geldt voor de in artikel 10, lid 2, onder c) en d), bedoelde projecten;
(c)de doelplannen waarvoor financiering kan worden gevraagd voor projecten zoals bedoeld in artikel 10, lid 2, onder b);
(d)de maximale subsidiabiliteitsperiode voor de tenuitvoerlegging van het project.
Artikel 18
Monitoring en verslaglegging
1.Indicatoren om verslag uit te brengen over de door het programma geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de in artikel 3 vermelde doelstellingen zijn vastgesteld in bijlage II.
2.Om een doeltreffende beoordeling van de voortgang van het programma op weg naar de verwezenlijking van de doelstellingen ervan te waarborgen, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 21 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot wijziging van bijlage II om indien nodig de indicatoren te herzien of aan te vullen en om deze verordening aan te vullen met bepalingen inzake de vaststelling van een kader voor toezicht en evaluatie.
3.Het prestatieverslagleggingssysteem waarborgt dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering en de resultaten van het programma op efficiënte en doeltreffende wijze en tijdig worden verzameld. Daartoe worden evenredige verslagleggingsvereisten opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Unie die het mogelijk maken aggregeerbare output- en impactindicatoren op projectniveau te verzamelen voor alle relevante specifieke doelstellingen op het gebied van milieu en klimaatbeleid, ook met betrekking tot Natura 2000 en de emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen waaronder CO2.
4.De Commissie houdt op regelmatige basis toezicht op de mainstreaming van klimaat- en biodiversiteitsdoelstellingen, met inbegrip van het uitgavenbedrag, en brengt er op regelmatige basis verslag over uit. De mate waarin deze verordening helpt de doelstelling om 25 % van de gehele begroting te laten bijdragen aan klimaatdoelstellingen te verwezenlijken, wordt opgevolgd aan de hand van het systeem van klimaatindicatoren van de Unie. De biodiversiteitsgerelateerde uitgaven worden opgevolgd met behulp van een specifieke reeks indicatoren. Deze opvolgingsmethoden worden gebruikt om, op het passende niveau van uitsplitsing, de vastleggingskredieten te berekenen die naar verwachting zullen bijdragen tot de verwezenlijking van respectievelijk de klimaat- en de biodiversiteitsdoelstellingen over het meerjarig financieel kader voor 2021-2027. De uitgaven worden jaarlijks opgegeven in de programmaverklaring bij de begroting. In het kader van evaluaties en het jaarverslag wordt regelmatig verslag uitgebracht over de bijdrage van dit programma tot de verwezenlijking van de klimaat- en biodiversiteitsdoelstellingen van de Unie.
5.De Commissie beoordeelt synergieën tussen het programma en andere complementaire programma's van de Unie en tussen de subprogramma's.
Artikel 19
Evaluatie
1.Evaluaties worden tijdig uitgevoerd zodat zij in de besluitvorming kunnen worden meegenomen.
2.De evaluatie halverwege van het programma wordt uitgevoerd zodra voldoende informatie over de uitvoering van het programma beschikbaar is, doch uiterlijk vier jaar nadat met de uitvoering van het programma is begonnen.
3.Aan het einde van de uitvoering van het programma, doch uiterlijk vier jaar na afloop van de in artikel 1, tweede alinea, genoemde periode, voert de Commissie een eindevaluatie van het programma uit.
4.De Commissie deelt de conclusies van de evaluaties tezamen met haar opmerkingen mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.
HOOFDSTUK V
OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 20
Informatie, communicatie en publiciteit
1.De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de projecten en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren.
2.De Commissie voert informatie- en communicatieacties uit met betrekking tot het programma alsmede de acties en de resultaten ervan. De aan het programma toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover zij verband houden met de in artikel 3 bedoelde doelstellingen.
Artikel 21
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1.De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2.De in artikel 18, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend tot en met 31 december 2028.
3.Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 18, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4.Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
5.Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6.Een overeenkomstig artikel 18, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
Artikel 22
Intrekking
Verordening (EU) nr. 1293/2013 wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2021.
Artikel 23
Overgangsbepalingen
1.Deze verordening doet geen afbreuk aan de voortzetting of de wijziging van de betrokken acties tot de afsluiting ervan op grond van Verordening (EG) nr. 614/2007 van het Europees Parlement en de Raad en op grond van Verordening (EU) nr. 1293/2013, die op de betrokken projecten van toepassing blijven totdat zij worden afgesloten.
2.De financiële middelen voor het programma kunnen eveneens de uitgaven dekken voor noodzakelijke technische en administratieve bijstand om de overgang te waarborgen tussen het programma en de maatregelen die zijn vastgesteld in het kader van de Verordeningen (EG) nr. 614/2007 en (EU) nr. 1293/2013.
3.Zo nodig kunnen voor het beheer van projecten die op 31 december 2027 nog niet zijn voltooid, ook na die datum kredieten ter dekking van de in artikel 5, lid 4, bedoelde uitgaven in de begroting worden opgenomen.
4.Terugvloeiende middelen uit financieringsinstrumenten die zijn ingesteld op grond van Verordening (EU) nr. 1293/2013, kunnen worden geïnvesteerd in de in het kader van [InvestEU-fonds] ingestelde financieringsinstrumenten.
5.De kredieten die overeenkomen met bestemmingsontvangsten uit terugbetalingen van krachtens Verordening (EG) nr. 614/2007 of Verordening (EU) nr. 1293/2013 onverschuldigd betaalde bedragen, worden, overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad, gebruikt voor de financiering van het programma.
Artikel 24
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel,
Voor het Europees Parlement
Voor de Raad
De voorzitter
De voorzitter
FINANCIEEL MEMORANDUM
1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
1.1.Benaming van het voorstel/initiatief
Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de vaststelling van een programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1293/2013
1.2.Betrokken beleidsterrein(en) (programmacluster)
III. Natuurlijke hulpbronnen en milieu
1.3.Het voorstel/initiatief betreft:
◻ een nieuwe actie;
◻ een nieuwe actie na een proefproject/een voorbereidende actie;
☑ de verlenging van een bestaande actie;
◻ de samenvoeging of ombuiging van een of meer acties naar een andere/een nieuwe actie.
1.4.Motivering van het voorstel/initiatief
1.4.1.Behoefte(n) waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief
De verordening zal naar verwachting op 1 januari 2021 in werking treden.
De tenuitvoerlegging ervan zal worden voorafgegaan door
- een aantal voorbereidende activiteiten in het kader van het huidige programma, die met name nodig zijn voor de snelle start van de tenuitvoerlegging van het subprogramma Natuur en biodiversiteit;
- de vaststelling van het meerjarig werkprogramma, waarin de toewijzing van middelen binnen elk subprogramma uitgesplitst naar de verschillende soorten financiering, de projectthema's of specifieke behoeften waarvoor voorlopige toewijzing van financiering vereist is, de soorten doelplannen waarvoor financiering kan worden aangevraagd voor strategische geïntegreerde projecten, alsmede de maximale subsidiabiliteitsperiode voor de tenuitvoerlegging van de projecten zullen worden omschreven.
1.4.2.Toegevoegde waarde van de deelname van de Unie (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijv. coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder "toegevoegde waarde van de deelname van de Unie" verstaan de waarde die een optreden van de Unie oplevert bovenop de waarde die door een optreden van alleen de lidstaat zou zijn gecreëerd.
Redenen voor maatregelen op EU-niveau (ex ante)
De toegevoegde waarde van het programma ligt in de rol die het speelt als katalysator ter ondersteuning van de ontwikkeling van het milieu- en klimaatbeleid van de Unie, alsmede van activiteiten ten behoeve van de verwezenlijking van de milieu- en klimaatdoelstellingen van de Unie, waar relevant met inbegrip van de overgang naar schone energie in de gehele Unie.
Milieuproblemen, met inbegrip van klimaatverandering, zijn van dien aard dat zij politieke, juridische en door de mens vastgestelde grenzen overstijgen en niet afdoend kunnen worden opgelost door de afzonderlijke lidstaten. Interventie op het niveau van de Unie in de vorm van een specifiek instrument voor milieu en klimaat, met inbegrip van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, is noodzakelijk om dergelijke problemen efficiënt aan te pakken, gebrekkige coördinatie te vermijden en een gecoördineerde milieu- en klimaatmainstreaming in de gehele begroting van de Unie met gerichte acties te vergemakkelijken.
De tenuitvoerlegging is doeltreffender doordat LIFE bijdraagt tot de ontwikkeling, tenuitvoerlegging en handhaving van beleid en wetgeving van de Unie op het gebied van milieu en klimaatactie, waarbij het de coördinatie op het niveau van de Unie waarborgt en een platform biedt voor de uitwisseling van beste praktijken op het niveau van de Unie en voor het demonstreren van doelmatigere oplossingen, ook voor de overgang naar schone energie, die op grotere schaal in de Unie kunnen worden gedupliceerd.
LIFE maakt een betere verdeling van de verantwoordelijkheid mogelijk en bevordert tegelijkertijd solidariteit bij het beheer/de instandhouding van de natuurlijke rijkdommen van de Unie, die doorgaans publieke goederen zijn en die niet gelijk over de hele Unie zijn verdeeld. De daaraan verbonden kosten en baten komen normaliter niet tot uiting in de markt en het is bijgevolg nodig ervoor te zorgen dat de bijbehorende lasten worden gedeeld ten behoeve van de goede werking van de eengemaakte markt.
LIFE richt zich op relatief kleinschalige projecten die eenmalige investeringen verstrekken die nodig zijn op specifieke gebieden, eerste barrières uit de weg ruimen en nieuwe benaderingen testen die op hun beurt als katalysator fungeren voor bredere acties en de mainstreaming van milieu- en klimaatbeleid in de belangrijkste uitgaveninstrumenten van de Unie.
Via strategische geïntegreerde projecten en strategische natuurprojecten creëert het programma synergieën tussen fondsen van de Unie en nationale fondsen, ter vergemakkelijking van de tenuitvoerlegging van de wetgeving van de Unie.
Bovendien financiert LIFE acties en maatregelen die anders onvoldoende door de lidstaten alleen zouden worden gefinancierd. Bepaalde onderdelen van de milieuwetgeving van de Unie, zoals de habitatrichtlijn en de richtlijn nationale emissieplafonds (NEC-richtlijn) onderkennen specifiek de noodzaak van financiering van de Unie voor het bereiken van hun doelstellingen.
De verwachte gegeneerde toegevoegde waarde van de Unie (ex post) is gekoppeld aan het katalysatoreffect ervan en dus aan de effecten van
- nieuwe/gewijzigde wetgeving en beleidsmaatregelen die op internationaal niveau (bijvoorbeeld de Overeenkomst van Parijs) en op het niveau van de Unie worden overeengekomen en ten uitvoer worden gelegd,
- toepassing van nieuwe innovatieve technieken, benaderingen en beste praktijken, en
- toepassing van succesvolle technische en beleidsmatige oplossingen voor de integratie van doelstellingen op het vlak van milieu, klimaatactie en schone energie in ander beleid en in praktijken in de publieke en private sector.
1.4.3.Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan
Bij de eindevaluatie van het LIFE+-programma (2007-2013) werd geconcludeerd dat het programma succesvol is geweest bij de bevordering van de tenuitvoerlegging van het milieubeleid en de milieuwetgeving van de Unie met aanzienlijke toegevoegde waarde van de Unie. Er werd echter ook een aantal tekortkomingen vastgesteld. De overgrote meerderheid daarvan zijn aangepakt door wijzigingen in het ontwerp van het huidige LIFE-programma (2014-2020) door te voeren.
De doeltreffendheid van deze veranderingen is onderzocht in de recente evaluatie halverwege van LIFE. Hoewel de evaluatie in een vroeg stadium van de tenuitvoerlegging van het programma plaatsvond, toen slechts de projecten voor 2014 en 2015 reeds van start waren gegaan, bleek eruit dat het programma op koers ligt om doeltreffend, doelmatig en relevant te zijn en een bijdrage levert aan de Europa 2020-strategie. Bovendien ziet de overgrote meerderheid van de belanghebbenden die deelnamen aan de openbare raadpleging LIFE als een zeer belangrijk instrument voor de aanpak van milieu- en klimaatprioriteiten.
De lessen die kunnen worden getrokken uit de evaluatie halverwege en, in voorkomend geval, aanbevelingen van andere evaluaties van het LIFE-programma, worden hieronder samengevat. Deze hebben betrekking op drie aspecten: relevantie, samenhang en dekking van het programma; doeltreffendheid en katalysatoreffect; en doelmatigheid en vereenvoudiging. Met sommige van de conclusies is al rekening gehouden bij de tenuitvoerlegging van het huidige programma.
1. Relevantie, samenhang en dekking van het programma
•
Het LIFE-programma en de algemene doelstellingen ervan zijn relevant en gericht op de bestaande prioriteiten van het milieu- en klimaatbeleid van de Unie. Tevens voldoen de zes in de bestaande LIFE-verordening omschreven prioritaire gebieden aan de behoeften.
•
Ongeveer 13 % van de LIFE-projecten heeft een impact op meer dan één thematisch gebied. Deze "overlappingen" zijn synergetisch: rekening houdend met de onderlinge afhankelijkheid van natuurlijke hulpbronnen zijn multifunctionele projecten doeltreffender. De gecombineerde impact ervan wordt in de evaluatie met bonuspunten beloond.
•
Het kleine budget, de breedte van de desbetreffende beleidsdoelstellingen en de nieuwe uitdagingen betekenen dat aan het einde van de programmeringsperiode niet alle gebieden adequaat konden worden bestreken. Om tot een kritische massa te komen die de aanzet zou kunnen geven tot veranderingen met betrekking tot alle milieu- en klimaatkwesties, zou een aanzienlijke verhoging van het budget nodig zijn.
•
• Verkleining van het thematische toepassingsgebied van het programma zou echter kritieke gevolgen hebben voor de aanpak van een of meer van de prioriteiten van het programma (bv. hulpbronnenefficiëntie, de kwaliteit van water en lucht, vermindering van de uitstoot van broeikasgassen, natuur en biodiversiteit met inbegrip van behoud van het mariene milieu enz.).
•
Overlappingen tussen de door LIFE en door andere programma's van de Unie (bv. demonstratieprojecten in het kader van Horizon 2020) gefinancierde subsidies vertonen synergetische effecten, aangezien de programma's onderscheiden doelstellingen en onderling verband houdende activiteiten omvatten, maar qua omvang en aard van elkaar verschillen. Op bepaalde gebieden (d.w.z. natuur en biodiversiteit, met inbegrip van mariene ecosystemen) vervult het programma een unieke en cruciale rol. Synergie en complementariteit werd vooral waargenomen ten aanzien van onderzoek, cohesie en plattelandsontwikkeling. Toch zou de systematische ontwikkeling van synergetische mechanismen ruimte kunnen bieden voor verbetering.
2. Doeltreffendheid en katalysatoreffect
•
In het algemeen lijken de verschillende soorten subsidies (standaardactieprojecten, geïntegreerde projecten, technische bijstand voor geïntegreerde projecten, voorbereidende projecten en NGO-ondersteuning) doeltreffende uitvoeringsmechanismen te zijn.
•
De geïntegreerde projecten, die de tenuitvoerlegging van acties op een grote territoriale schaal coördineren, hebben aangetoond dat zij het katalysatoreffect van LIFE aanzienlijk kunnen versterken. Financiering van geïntegreerde projecten door LIFE ter waarde van 251,7 miljoen EUR in het kader van het huidige programma in de periode van 2014 tot en met 2016 zal naar verwachting leiden tot investeringen in milieu- en klimaatactie van in totaal ongeveer 5,7 miljard EUR. Voor elke bestede LIFE-euro wordt dus naar verwachting nog eens 22 EUR uit andere bronnen op een gecoördineerde manier ingezet voor milieu- en klimaatdoelstellingen.
•
Het financiële proefinstrument "instrument voor de particuliere financiering van energie-efficiëntie (PF4EE)" is gericht op het opbouwen van de capaciteit van financiële instellingen om specifieke leningproducten te ontwikkelen en testen die gericht zijn op investeringen door de private sector op het gebied van energie-efficiëntiemaatregelen. Gebleken is dat het goed is benut en de mogelijkheid biedt, na de proeffase, de in het kader van het proefproject verstrekte energie-efficiëntieleningen op te schalen en te mainstreamen via door programma's van de Unie gemobiliseerde relevante financiële instrumenten, met name in het kader van het toekomstige InvestEU-fonds.
•
Het Comité van de Regio's heeft het LIFE-programma opgeroepen te zorgen voor meer complementariteit tussen het PF4EE en andere relevante financiële instrumenten.
•
Het financiële proefinstrument "faciliteit voor de financiering van natuurlijk kapitaal (NCFF)" verstrekt leningen, aandelenkapitaal en garanties ten behoeve van maatregelen op het vlak van natuur en aanpassing aan de klimaatverandering die inkomsten kunnen genereren of kosten kunnen besparen. De bedoeling is om een pijplijn van reproduceerbare, rendabele operaties op te zetten die als "proof of concept" zullen dienen om potentiële investeerders de aantrekkelijkheid te doen inzien van activiteiten die rechtstreeks gericht zijn op doelstellingen op het vlak van biodiversiteit en aanpassing aan de klimaatverandering. Gebleken is dat de benutting ervan traag verliep als gevolg van de noodzaak van aanpassing van bancaire praktijken om het rendement van dergelijke investeringen te kunnen beoordelen, gecombineerd met de noodzaak de kwaliteit van de projectaanvragen te verbeteren. Naar aanleiding van de evaluatie halverwege van LIFE zijn verschillende aanpassingen gedaan om de zichtbaarheid van het instrument en de faciliteit voor technische bijstand operationeel te maken. De projectpijplijn is als gevolg daarvan verbeterd. Een van de nog op te volgen aanbevelingen is om deze financiële ondersteuning aan te vullen met gerichte subsidies (blending).
•
Aanbestedingsovereenkomst voor overheidsopdrachten worden beschouwd als een waardevol uitvoeringsmechanisme voor het verstrekken van gerichte steun voor de voorbereiding van wetgeving en beleid op het gebied van milieu en klimaat en de uitvoering/handhaving daarvan. Zij hebben een aanzienlijk katalysatoreffect.
3. Doelmatigheid en vereenvoudiging
•
De delegatie van het beheer van de Commissie naar het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen (Easme) heeft kostenbesparingen opgeleverd en de doelmatigheid van het programma verbeterd, doordat het schaalvoordelen heeft gegeneerd bij de uitvoering van het grote aantal gelijksoortige en gestandaardiseerde activiteiten die nodig zijn voor het beheer van subsidies.
•
LIFE is relatief doelmatig in vergelijking met andere programma´s van de Unie. In relatieve termen kost het aanzienlijk minder om LIFE te beheren dan om andere, vergelijkbare programma (bv. Cosme en Horizon 2020) te beheren. De beheerspraktijken, gekenmerkt door het gebruik van externe ondersteuning voor de projectmonitoring, hebben geresulteerd in een uiterst hoog slagingspercentage van projecten en een zeer laag foutenpercentage (0,25 % in 2017 - het laagste van alle programma's van de Unie).
Wat er nog meer kan worden gedaan:
•
Meer gerichte sturing van projecten in de richting van belangrijke prioriteiten zou ten goede kunnen komen aan de focus en de prestaties, met name voor het subprogramma Milieu, waarvoor momenteel thematische prioriteiten voor een periode van zeven jaar in de verordening zijn gedefinieerd. Nieuwe prioriteiten die zich tijdens de programmeringsperiode van zeven jaar hebben aangediend (zoals de circulaire economie en de aanverwante sectoren, bijvoorbeeld kunststoffen), of andere prioriteiten die onvoldoende door projecten (die op basis van een bottom-upbenadering zijn geselecteerd na een oproep tot het indienen van voorstellen) worden bestreken, worden mogelijk niet door een afdoende aantal interventies aangepakt.
•
Begunstigden vinden de administratieve lasten te hoog. Er is dus behoefte aan vereenvoudiging van de verordening en het aanvraag- en verslagleggingsproces. Sommige vereenvoudigingsmaatregelen zijn al ingevoerd, andere worden momenteel getest.
•
Er is een lage participatiegraad van begunstigden uit sommige lidstaten, waardoor het katalysatoreffect van het programma verzwakt dreigt te worden. Het gebruik van nationale toewijzingen is niet doeltreffend gebleken voor het aanpakken van dit probleem: dit resulteerde in een geringe deelname uit de landen met een hogere participatiegraad, zonder de deelname uit de andere landen te vergroten. Het is met ingang van 2018 stopgezet. Hoewel de in 2014 ingevoerde capaciteitsopbouwsubsidies nog lopen en het nog te vroeg is om conclusies te trekken, lijken de resultaten wisselend te zijn. Er moet worden gezocht naar nieuwe manieren om een ongelijke participatie tegen te gaan.
•
Des te meer de projectresultaten worden gedupliceerd, des te groter is het katalysatoreffect van LIFE. In een verslag uit 2016 is vermeld dat er, hoewel ongeveer driekwart van de projecten een goed potentieel bieden voor duplicatie, ruimte is voor verbetering in de daadwerkelijke duplicatie ervan. Als de belangrijkste belemmeringen noemden de begunstigden het gebrek aan: financiële middelen, interesse en een gevoel van urgentie bij beleidsmakers, specifieke informatie en communicatie van overdraagbare oplossingen en capaciteit voor investeringsplanning.
1.4.4.Verenigbaarheid en eventuele synergie met andere passende instrumenten
Het LIFE-programma is het enige fonds van de Unie dat geheel is bestemd voor milieu- en klimaatdoelstellingen, met inbegrip van de overgang naar schone energie. Het richt zich op een niche tussen programma's van de Unie ter ondersteuning van onderzoek en innovatie enerzijds en programma's van de Unie ter financiering van de grootschalige invoering van maatregelen anderzijds (zie figuur 1
hieronder).
Zoals uit figuur 1 blijkt, heeft de eerste fase "onderzoek/innovatie" betrekking op primair onderzoek dat de wetenschappelijke kennis vergroot en op technische demonstratie om de levensvatbaarheid van innovaties aan te tonen. LIFE is niet op dit gebied van toepassing, met uitzondering van kleinschalige onderzoeksactiviteiten ter ondersteuning van andere doelstellingen in projecten. De tweede fase, "demonstratie/beste praktijk", waaronder het testen, demonstreren en op proef toepassen van nieuwe technologieën vallen, benaderingen of beleid als methoden voor de tenuitvoerlegging van beleid. LIFE financiert vooral acties die tot deze fase behoren, met name in het kader van de standaard- ("traditionele") actieprojecten. LIFE financiert ook acties in de derde fase, "vergemakkelijken van benutting/opschaling/bewustmaking", bijvoorbeeld via strategische geïntegreerde projecten en activiteiten ter ondersteuning van de overgang naar schone energie. In het kader van deze fase zorgen projecten voor de voorbereiding van een grootschalige invoering van geschikte technologieën en benaderingen. De vierde fase, "grootschalige invoering van groene oplossingen", heeft betrekking op een situatie waarin een technologie, benadering of beleid aannemelijk is, maar toegang tot financiering de belangrijkste belemmering vormt. LIFE verstrekt geen financiering voor grootschalige invoering.
Hoewel activiteiten in het kader van LIFE bepaalde problemen direct in de praktijk aanpakken, levert het programma vooral indirecte effecten op via de rol die het speelt als katalysator, ter ondersteuning van kleinschalige acties die tot doel hebben duurzame productie-, distributie- en consumptiepraktijken op te starten, uit te breiden of te versnellen, door:
de ontwikkeling en uitwisseling van beste praktijken en kennis te vergemakkelijken;
voor capaciteitsopbouw en versnelling te zorgen bij de tenuitvoerlegging van
wetgeving en beleid inzake het milieu en het klimaat;
belanghebbenden te helpen kleinschalige technologieën en oplossingen te testen; en
financiering uit andere bronnen te mobiliseren.
Figuur 1. Het toepassingsgebied van LIFE en andere belangrijke EU-programma's en -fondsen
Bron: Europese Commissie
De effectbeoordeling bevestigt de conclusies van de evaluatie halverwege van LIFE dat de overlappingen in verband met de financieringsfases met betrekking tot de tenuitvoerlegging en ontwikkeling van milieu- en klimaatbeleid (zie figuur 1 hierboven) synergetisch zijn.
Er zullen voornamelijk synergieën worden ontwikkeld met het [InvestEU-fonds], en met name het luik betreffende duurzame infrastructuur van daarvan, [Horizon Europa, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Cohesiefonds, het Europees Sociaal Fonds+, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij].
LIFE is ontworpen met het oog op het ondersteunen van de demonstratie van technieken, benaderingen en beste praktijken die kunnen worden gedupliceerd en opgeschaald in grotere programma's. In het kader van strategische geïntegreerde projecten van LIFE worden andere Europese, nationale, regionale en particuliere middelen gemobiliseerd voor de uitvoering van belangrijke milieu- en klimaatplannen (bv. stroomgebiedbeheerplannen, plannen voor schone lucht enz.). Met name voor Natuur en biodiversiteit zullen de strategische natuurprojecten samenhangende actieprogramma's ten uitvoer te leggen om de doelstellingen en prioriteiten van de Unie op het gebied van natuur en biodiversiteit in andere beleidsmaatregelen en financieringsinstrumenten te mainstreamen, onder meer door middel van een gecoördineerde tenuitvoerlegging van de krachtens Richtlijn 92/43/EEG vastgestelde prioritaire actiekaders. Deze projecten zullen tot doel hebben de beschikbare middelen voor de ondersteuning van de doelstellingen op het vlak van natuur en biodiversiteit te coördineren, wat voor een betere mainstreaming zorgt.
In de effectbeoordeling zijn ook twee specifieke opties in verband met het toepassingsgebied van het programma onderzocht met de bedoeling om mogelijke synergieën beter tot ontwikkeling te laten komen, door lacunes en overlappingen aan te pakken:
Aan de ene kant zal, gezien de vergelijkbare doelstelling en doelfase van het subprogramma Klimaatactie van LIFE, de integratie van acties ter ondersteuning van de overgang naar schone energie zorgen voor versterking van de algehele samenhang van het programma en de synergie bij de tenuitvoerlegging van het beleid van de Unie inzake milieu, klimaat en schone energie.
Aan de andere kant zal de voortzetting van de financiering van de BEST-regeling in het kader van het subprogramma Natuur en biodiversiteit van LIFE een lacune aanpakken met betrekking tot de financiering voor biodiversiteit in de ultraperifere gebieden (UPR's) en in de landen en gebieden overzee (LGO's) en het mogelijk maken de reeds in het kader van BEST ingezette synergie verder te ontwikkelen.
1.5.Duur en financiële gevolgen
☑ beperkte geldigheidsduur
☑
van kracht vanaf 01/01/2021 tot en met 31/12/2027;
☑
financiële gevolgen vanaf 2021 tot en met 2027 voor vastleggingskredieten en vanaf 2021 tot en met 2036 voor betalingskredieten.
◻ onbeperkte geldigheidsduur
uitvoering met een opstartperiode vanaf JJJJ tot en met JJJJ,
gevolgd door een volledige uitvoering.
1.6.Beheersvorm(en)
☑ direct beheer door de Commissie
☑ door haar diensten, waaronder het personeel in de delegaties van de Unie;
☑
door de uitvoerende agentschappen;
◻ gedeeld beheer met lidstaten
☑ indirect beheer door begrotingsuitvoeringstaken te delegeren aan:
☑ derde landen of de door hen aangewezen organen;
☑ internationale organisaties en hun agentschappen (geef aan welke);
☑ de EIB en het Europees Investeringsfonds;
☑ de in de artikelen 70 en 71 van het Financieel Reglement bedoelde organen;
☑ publiekrechtelijke organen;
☑ privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak, voor zover zij voldoende financiële garanties bieden;
☑ privaatrechtelijke organen van een lidstaat, waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd en die voldoende financiële garanties bieden;
◻ personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen op het gebied van het GBVB in het kader van titel V van het VEU is toevertrouwd en die worden genoemd in de betrokken basishandeling.
Verstrek, indien meer dan een beheersvorm is aangekruist, extra informatie onder "Opmerkingen".
Opmerkingen:
De tenuitvoerlegging van het programma kan aan een uitvoerend agentschap worden gedelegeerd, afhankelijk van het resultaat van een kosten-batenanalyse en de bijkomende te nemen beslissingen.
Indirect beheer zou op ad-hocbasis en voor een beperkt deel van de financiële middelen van het programma kunnen worden gebruikt, door begrotingsuitvoeringstaken te delegeren aan internationale organisaties, de Europese Investeringsbank of het Europees Investeringsfonds of andere organisaties. Dit zal afhangen van de aard van de werkzaamheden in kwestie
2.BEHEERSMAATREGELEN
2.1.Regels inzake het toezicht en de verslagen
Vermeld frequentie en voorwaarden.
Volgens de evaluatie halverwege zijn toezicht en evaluatie momenteel grotendeels doeltreffend en doelmatig.
Wat betreft de aanwending van middelen in de projecten blijkt uit de resultaten van de controles achteraf van LIFE+, alsook van de monitoring ter plaatse van LIFE-projecten, dat een uiterst hoog percentage van de projecten goede resultaten oplevert en het "foutenpercentage" van het programma — namelijk het bedrag dat als risicobedrag wordt beschouwd — duidelijk onder de referentie-materialiteitsdrempel van 2 % ligt en nog verder afneemt: het lag op 2,27 EUR voor elke uitgegeven 100 EUR in 2012, nam af tot 1,24 EUR in 2015 en nog verder tot 0,44 in 2016 en 0,25 in 2017 — het laagste van alle programma's van de Unie.
De monitoring van het programma is gebaseerd op de lering die uit eerdere programma's is getrokken en wordt uitgevoerd:
1. op projectniveau en
2. op het niveau van het programma.
1. In alle voorstellen moeten de verwachte resultaten ervan worden vermeld in termen van resultaten op projectniveau. Deze resultaten worden gedefinieerd aan de hand van een reeks vooraf gedefinieerde kernprestatie-indicatoren. Voor de projecten worden deze indicatoren door het monitoringteam en de projectmedewerker gevalideerd en zij vormen de basis voor de voortgangsmonitoring van de projecten. Zij worden regelmatig bijgewerkt en de verwachte waarden worden vergeleken met de werkelijke waarden in de tussentijdse en eindverslagen.
Voor projecten op het gebied van milieu, natuur en biodiversiteit en klimaatactie vinden ten minste eenmaal per jaar monitoringbezoeken plaats en elk project wordt ten minste eenmaal door personeel van de Commissie bezocht. De begunstigde krijgt feedback om de prestaties te verbeteren. Bij aanvang van elk project wordt een monitoringdossier aangelegd in de vorm van een kort verslag waarin het project wordt beschreven en de acties en verwachte outputs en resultaten worden samengevat. De jaarlijkse bezoeken van het monitoringteam geven een overzicht van de tenuitvoerlegging van het project en maken vroegtijdige opsporing mogelijk van problemen, die vervolgens direct worden aangepakt. Dit draagt bij aan het hoge succespercentage van de projecten en het lage foutenpercentage van het programma.
Samen met het eindverslag moet voor elk project een plan "voor het leven na LIFE" worden ingediend met onder meer een lijst van verwachte effecten die als basis dient voor de beoordeling van de duurzaamheid van de projectresultaten. De bestaande praktijk om monitoringbezoeken achteraf te brengen aan geselecteerde projecten wordt voortgezet. Dit levert informatie op over de dupliceerbaarheid van de projecten na één jaar en zal bijdragen tot de beoordeling van het katalysatoreffect van het programma.
2. Op programmaniveau stellen de meerjarige werkprogramma's specifieke thematische prioriteiten voor hun looptijd en specifieke streefdoelen vast, met inbegrip van verwachte outputs (d.w.z. verwacht aantal strategische geïntegreerde projecten, dekking van Natura 2000 door LIFE-projecten, dekking van stroomgebieddistricten door LIFE-projecten). Aan het einde van elke jaarlijkse oproep tot het indienen van voorstellen analyseert de Commissie of er genoeg projecten voor een bepaald actiegebied zijn gefinancierd en doet zij de nodige aanpassingen om de tussentijdse streefdoelen te verwezenlijken.
De belangrijkste resultaten voor de specifieke prioriteiten worden gepresenteerd tijdens clustervergaderingen en samengevat in thematische verslagen. Deze vormen een hulpmiddel voor het verspreiden van resultaten en het verschaffen van bronmateriaal voor de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van beleid.
Het is bijzonder moeilijk om het katalysatoreffect van het programma te beoordelen, gezien het brede scala aan gefinancierde initiatieven en het feit dat het katalysatoreffect van de projecten zich naar verwachting vooral op de lange termijn, na afloop van de projecten, zal voordoen. Daarom moet het evenwicht worden bewaard tussen enerzijds de noodzaak om gedetailleerde en relevante gegevens te verkrijgen en anderzijds de daarmee gepaard gaande kosten en administratieve lasten voor de begunstigde.
Te dien einde zullen de volgende informatiebronnen worden gebruikt in combinatie met de op projectniveau verzamelde gegevens:
1.
een steekproef van de projectresultaten zal worden beoordeeld op basis van bronnen en instrumenten die onafhankelijk zijn van het project zelf (bv. regionale gegevens over de luchtkwaliteit of gegevens uit het ondernemingsregister). Deze projecten zullen systematisch worden geïdentificeerd;
2.
de door de begunstigden op vrijwillige basis verstrekte gegevens over reeds afgelopen projecten, steekproefsgewijs en met behulp van bezoeken achteraf gecontroleerd;
3.
over het totale bedrag aan door de projecten gemobiliseerde en/of gecoördineerde financiële middelen zullen systematisch gegevens worden verzameld;
4.
inwinnen van inlichtingen bij de belangrijkste actoren op nationaal en EU-niveau.
Op deze wijze zullen de lasten in verband met de verzameling van de gegevens verder worden verlegd van de begunstigden naar de toezichthouders (monitoringteam, externe toezichthouders, het Easme en de Commissie).
Een evaluatie halverwege en een evaluatie achteraf van het programma zullen respectievelijk in 2024 en in 2027 worden uitgevoerd. Zoals bepaald in de effectbeoordeling zullen zij, rekening houdend met de gemiddelde projectduur, een overzicht bieden van het lopende programma, aangevuld met een analyse van de prestaties van het LIFE-programma voor 2014-2020 en de effecten van het LIFE+-programma.
Om de positieve neveneffecten aan te tonen die het programma kan hebben op specifieke prioriteiten zoals klimaatactie en biodiversiteit en om het niveau van de gedurende het programma beschikbare uitgaven voor deze prioriteiten beter te illustreren, omvat het monitoringkader de in de MFK-mededeling vastgestelde methode voor het traceren van klimaat- en biodiversiteitsgerelateerde uitgaven.
Dit zal het mogelijk maken elk jaar de uitgaven met betrekking tot deze twee prioriteiten uit alle onderdelen van het LIFE-programma vast te stellen.
2.2.Beheers- en controlesyste(e)m(en)
2.2.1.Rechtvaardiging van de voorgestelde beheersvorm(en), uitvoeringsmechanisme(n) voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie
De beheersvorm van het LIFE-programma is direct centraal beheer door de Commissie, dat ten dele aan een bestaand uitvoerend agentschap kan worden gedelegeerd. Op incidentele basis kan voor specifieke ad-hocacties indirect beheer worden overwogen.
De Commissie zal worden bijgestaan door een deskundigengroep met vertegenwoordigers van de lidstaten.
Het systeem voor interne controle is gebaseerd op de lessen die uit eerdere ervaringen zijn getrokken. De belangrijkste elementen ervan, die voor alle financiële transacties — subsidies, aanbestedingen en prijzen — gelden, zijn:
–
de financiële procedures, met name op basis van een controle vooraf van elke transactie en specifieke controles op sommige ervan;
–
de vóór de toekenning uitgevoerde controles van de financiële en technische capaciteit van de kandidaten/inschrijvers;
–
de jaarlijkse beheers- en prestatieverslagen en andere verslagen op het gebied van boekhouding en financieel en operationeel beheer.
Voor een vooraf bepaald aantal projecten - ofwel op basis van risico (om de fouten op te sporen en te corrigeren), ofwel op basis van een representatieve steekproef (om de ordonnateur redelijke zekerheid te geven over de wettigheid en regelmatigheid van de transacties) geselecteerd - controles achteraf worden ter plaatse uitgevoerd.
Met het oog op meer doeltreffendheid en Europese meerwaarde van het programma houdt de controlestrategie rekening met de aanbevelingen die voortvloeien uit de evaluaties van het programma, de door de interne auditor uitgebrachte verslagen en de speciale verslagen van de Rekenkamer.
2.2.2.Informatie over de geïdentificeerde risico's en het (de) syste(e)(men) voor interne controle dat is (die zijn) opgezet om die risico's te beperken
Het systeem is grotendeels gebaseerd op de ervaring die in 25 jaar is opgedaan met het beheer van het LIFE-programma.
Tot de begunstigden van de projecten behoren veel verschillende organisaties: van kleine tot grote ondernemingen (ondernemingen ontvangen 44 % van het totaal, waarbij het in 33 % van de gevallen om kleine en middelgrote ondernemingen gaat) tot private niet-commerciële organisaties (24 %) en publiekrechtelijke organen (32 %).
Voorstellen worden geselecteerd op basis van de professionele referenties van de begunstigden en financiële stabiliteit en andere door de rechtsgrondslag opgelegde criteria.
Tijdens de selectieprocedure wordt een systeem van vroegtijdige waarschuwing gebruikt om mogelijke risico's met betrekking tot de potentiële begunstigden van centraal beheerde subsidies vast te stellen. Het risico op dubbele financiering wordt geanalyseerd tijdens de selectie van de projecten en er wordt systematisch informatie uitgewisseld met andere diensten.
Om specifieke behoeften inzake beheer en financiën aan te pakken, worden voor de projectbeheerders ter plaatse opleidingssessies over de verschillende fases van de projectbeheerscyclus georganiseerd. Rechtstreekse contacten met financiële en projectmedewerkers van de Commissie en het Agentschap worden aangemoedigd om specifieke vraagstukken op te lossen.
Tijdens bezoeken ter plaatse en in coördinatievergaderingen worden de belangrijkste vereisten van de subsidieovereenkomsten naar behoren uitgelegd aan de begunstigden. Met name het organiseren van monitoringmissies bij het opstarten van de projecten, gericht op het in een zeer vroeg stadium opsporen en corrigeren van mogelijke problemen, met name op het niveau van de door de begunstigden opgezette controlesystemen, is een waardevol hulpmiddel gebleken voor het verminderen van het aantal gevallen van niet-naleving.
Voor controleurs die controles achteraf verrichten worden informatiesessies georganiseerd over fraude die kan worden opgespoord tijdens controles ter plaatse van financiële memoranda. Voor aanvullende informatie over de fraudebestrijdingsstrategie, zie punt 2.3 hieronder.
De risico's die voor de tenuitvoerlegging van het programma zijn geïdentificeerd vallen hoofdzakelijk in de volgende categorieën:
-
risico op onvoldoende of ondoelmatig gericht gebruik van middelen en het risico op een versnippering van middelen door een groter territoriaal of thematisch toepassingsgebied;
-
fouten en ondoelmatigheden als gevolg van de complexiteit van de regels voor de begunstigden en de Commissie (bv. subsidiabiliteit van kosten, meerdere begrotingsonderdelen).
Indien het programma aan een uitvoerend agentschap wordt gedelegeerd, is er sprake van de volgende risico's:
-
verlies van input uit projecten ten behoeve van beleidsvorming, en vice versa;
-
gebrekkige coördinatie (met het uitvoerend agentschap, met andere donoren of financiële instellingen) indien het programma gedeeltelijk wordt gedelegeerd;
-
risico van het ontbreken van een duidelijke omschrijving van de grenzen van de verantwoordelijkheden bij het beheer en de controle van aan het agentschap gedelegeerde taken, indien het programma gedeeltelijk is gedelegeerd.
Wat betreft de eerste twee risico's: deze zijn gedeeltelijk aangepakt door middel van specifieke opties die in de effectbeoordeling zijn geanalyseerd, namelijk
1. verbetering van de strategische focus van het programma door de verordening en het meerjarig werkprogramma te vereenvoudigen;
2. vermindering van de administratieve lasten voor aanvragers/begunstigden;
3. stroomlijning van de procedures voor de uitvoering van de begroting van de Unie.
Het risico op mogelijke negatieve neveneffecten van de overdracht van het beheer aan het Easme, zoals het gebrek aan continuïteit en het verlies van input uit projecten ten behoeve van beleidsvorming, en vice versa, is in het verleden vermeden door belangrijk personeel van de Commissie aan het Easme over te dragen en door te werken aan een strategie voor beleidsintegratie met terugkerende en eenmalige activiteiten om ervoor te zorgen dat:
-
de tenuitvoerlegging van het programma en de projecten recht doet aan de beleidsbehoeften;
-
relevante outputs en resultaten van projecten de beleidsmakers bereiken en door hen kunnen worden gebruikt.
De strategie omvat activiteiten zoals opleidingen voor het personeel van het agentschap over specifiek beleid, gezamenlijke thematische clustervergaderingen met projecten, gezamenlijke reflectie over beleidsbehoeften in de oproepen tot het indienen van voorstellen, verstrekking van feedback over projectresultaten met relevantie voor beleidsvorming enz.
2.2.3.Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding van de controlekosten tot de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting)
Op dit moment is het LIFE-programma voor 2014-2020 grotendeels gedelegeerd aan een uitvoerend agentschap. Het financieel memorandum is gebaseerd op de veronderstelling dat het programma voor 2020-2027 intern door de diensten van de Commissie zelf zal worden uitgevoerd. De kostenefficiëntie in verband met de uitbesteding aan een uitvoerend agentschap zal worden beoordeeld aan de hand van een kosten-batenanalyse.
Projecten:
-
projectselectie/-evaluatie/-onderhandeling: preventieve controles van alle dossiers, indien passend met bijstand van externe deskundigen;
-
tenuitvoerlegging van projecten door middel van subsidies: monitoring met het oog op preventie en opsporing, ten minste een bezoek ter plaatse gedurende de looptijd van elk project;
-
vóór de slotbetaling: opsporings- en correctiecontroles, administratieve controle van alle dossiers, met inbegrip van veelvuldig gebruik van externecontrolecertificaten.
Elk jaar worden ter plaatse controles achteraf van subsidies verricht. Daarnaast wordt een nieuwe soort controles, "administratieve controles", ingevoerd om beheercontroles te verrichten zonder ter plaatse te gaan.
De controles in het kader van LIFE kunnen niet los worden gezien van het beheer van het programma: het algemeen beheer beliep in 2017 20 miljoen EUR, met inbegrip van alle controles ter plaatse. Dit komt overeen met 4 % van het totale beheerde bedrag voor 2017.
Het bedrag van de controlekosten neemt naar verwachting lichtjes af als gevolg van de geplande vereenvoudigingen van het beheer van het programma en de regels inzake de subsidiabiliteit van kosten:
•
de bij het lopende proefproject opgedane ervaringen in aanmerking nemend, moet worden overwogen verder vrijstelling te verlenen van de verplichting tot indiening van een volledig voorstel bij het begin van de aanvraagprocedure, door het gebruik van een toekenningsprocedure in twee stappen voor standaardprojecten verder uit te breiden. Dit is reeds toegepast voor geïntegreerde projecten en wordt momenteel getest voor bepaalde traditionele projecten. Het zou leiden tot een vermindering van de administratieve lasten voor de aanvragers;
•
aanpassing van de verslagleggingsvereisten in verhouding tot de duur en de complexiteit van projecten en de waarde van de subsidie;
•
vereenvoudiging van de databank met indicatoren, op basis van het aandachtsgebied van het project;
•
gebruik van vereenvoudigde kostenopties, betalingen op basis van output, beperking van subsidiabele kosten voor subsidies;
•
gebruik van doorgifte van subsidies met beperkte verslaglegging, met betrokkenheid van het monitoringteam;
•
vereenvoudiging van de aanvraagprocedure, met inbegrip van gerationaliseerde formulieren en bewijsstukken.
2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden
Vermeld de bestaande en geplande preventie- en beschermingsmaatregelen, bijv. in het kader van de fraudebestrijdingsstrategie.
Fraude omvat zowel interne als externe overtredingen. Het begrip dekt met name elke schending van de financiële belangen van de Unie, zoals omschreven in de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen. Opzet is het essentiële element waardoor fraude zich onderscheidt van onregelmatigheid. Fraude kan naast financiële gevolgen ook reputatierisico met zich meebrengen.
In overeenstemming met de methodologie en richtsnoeren van OLAF wordt op DG-niveau een specifieke fraudebestrijdingsstrategie opgesteld op basis van frauderisicobeoordelingen over de belangrijkste financiële en niet-financiële beheersactiviteiten.
De fraudebeoordelingen zijn in de periode van juni tot en met augustus 2015 uitgevoerd en zullen in 2018 worden bijgewerkt. Bij de fraudebeoordeling zijn ook de vervolgaudit door de dienst Interne audit van de door de SIAC uitgevoerde audit van de fraudebestrijdingsstrategie en verslagen van de Rekenkamer in aanmerking genomen. De algemene conclusie van de uitgevoerde frauderisicobeoordelingen is dat het resterende risico van substantiële niet-ontdekte fraude gering is (zowel wat betreft de waarschijnlijkheid als de effecten ervan).
De gebieden waar het resterende risico als gering tot gemiddeld werd beoordeeld, zijn nader bekeken:
1) aanbesteding: op basis van de risicobeoordeling kan redelijkerwijs worden geconcludeerd dat de bestaande controles de belangrijkste frauderisico's in de voorbereidings-, beoordelings-, toekennings- en uitvoeringsfases van het aanbestedingsproces (d.w.z. niet-neutraal bestek, niet openbaar gemaakt belangenconflict, oneerlijke beoordelingsprocedure, heimelijke afspraken tussen contractanten, heimelijke afspraken met de contractant en handel met voorkennis, spookcontractanten, plagiaat, dubbele financiering) doeltreffend verminderen. Op de volgende gebieden wordt het resterende risico als gering tot gemiddeld ingeschat: a) heimelijke afspraken met contractant om ondermaatse prestaties te aanvaarden; b) plagiaat/productvervanging; en het resterende risico werd als gemiddeld ingeschat voor c) dubbele financiering.
Om het hoofd te bieden aan deze geringe tot gemiddelde en gemiddelde resterende frauderisico's, wordt gezorgd voor het regelmatige gebruik van checklists met "red flags" (onderdeel van de herziene fraudebestrijdingsstrategie) en het gebruik van externe databanken (bv. zoals vermeld op de fraudebestrijdingswebsite van OLAF), en worden aanvullende opleidingssessies georganiseerd in coördinatie met OLAF;
2) subsidies: op basis van de risicobeoordeling kan worden geconcludeerd dat de bestaande controles de belangrijkste frauderisico's in de beoordelings-, contractsluitings- en ex-postfases van de subsidieprocedure (d.w.z. niet openbaar gemaakt belangenconflict, oneerlijke beoordelingsprocedure, acties die niet overeenkomstig de technische beschrijving zijn uitgevoerd, buitensporige betaalde bedragen, dubbele financiering en pogingen tot fraude) doeltreffend verminderen. Op de volgende gebieden wordt het resterende risico als gemiddeld ingeschat: 1) dubbele financiering; en het resterende risico werd als gering tot gemiddeld ingeschat voor 2) potentiële niet-ontdekte fraudegevallen.
Deze risico's worden verder verminderd door het organiseren van aanvullende opleidingssessies in coördinatie met OLAF en het regelmatige gebruik van checklists met "red flags" (onderdeel van de herziene fraudebestrijdingsstrategie);
3) administratieve uitgaven: uitgaande van de risicobeoordeling verminderen de bestaande controles de belangrijkste frauderisico's op het gebied van opleiding, publicaties, interne vergaderingen en de kostenelementen met betrekking tot entertainment/representatie van de administratieve uitgaven (d.w.z. potentiële frauduleuze betaling van niet-subsidiabele kosten) doeltreffend.
3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
3.1.Rubriek van het meerjarig financieel kader en voorgesteld(e) nieuw(e) begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven
|
Rubriek van het meerjarig financieel kader
|
Begrotingsonderdeel
|
Soort
krediet
|
Bijdrage
|
|
|
09 02
Programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE)
|
GK/ NGK
|
van EVA-landen
|
van kandidaat-lidstaten
|
van derde landen
|
in de zin van artikel [21, lid 2, onder b),] van het Financieel Reglement
|
|
Rubriek III - Natuurlijke hulpbronnen en milieu
|
09 02 XX Milieu
|
GK
|
JA
|
JA
|
JA
|
NEE
|
|
|
09 02 XX XX Natuur en biodiversiteit
|
GK
|
JA
|
JA
|
JA
|
NEE
|
|
|
09 02 XX XX Circulaire economie en levenskwaliteit
|
GK
|
JA
|
JA
|
JA
|
NEE
|
|
|
09 02 XX Mitigatie van en aanpassing aan klimaatverandering
|
GK
|
JA
|
JA
|
JA
|
NEE
|
|
|
09 02 XX Overgang naar schone energie
|
GK
|
JA
|
JA
|
JA
|
NEE
|
|
|
09 01 XX XX Milieu - uitgaven voor administratief beheer
|
NGK
|
JA
|
JA
|
JA
|
NEE
|
|
|
09 01 XX XX Mitigatie van en aanpassing aan klimaatverandering - uitgaven voor administratief beheer
|
NGK
|
JA
|
JA
|
JA
|
NEE
|
|
|
09 01 XX XX Overgang naar schone energie - uitgaven voor administratief beheer
|
NGK
|
JA
|
JA
|
JA
|
NEE
|
De voorgestelde begrotingsonderdelen stemmen overeen met de actiegebieden in de voorstellen van de Commissie voor een nieuw meerjarig financieel kader (MFK) voor 2021-2027 (COM(2018) 321 final), vastgesteld op 2 mei 2018, en hebben betrekking op de structuur van het programma, zoals opgenomen in het ontwerp van verordening.
De begrotingsnomenclatuur zoals opgenomen in het financieel memorandum kan nog worden gewijzigd en hangt nog af van verder te nemen beslissingen.
3.2.Geraamde gevolgen voor de uitgaven
3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de uitgaven
in miljoenen euro's (tot op drie decimalen)
|
Rubriek van het meerjarig financieel
kader
|
3
|
Natuurlijke hulpbronnen en milieu
|
|
|
2021
|
2022
|
2023
|
2024
|
2025
|
2026
|
2027
|
Na 2027
|
TOTAAL
|
|
09 02 XX XX Natuur en biodiversiteit
|
Vastleggingen
|
(1)
|
261,992
|
268,057
|
277,446
|
290,490
|
307,658
|
329,587
|
355,431
|
0,000
|
2 090,660
|
|
|
Betalingen
|
(2)
|
9,268
|
102,459
|
127,137
|
156,468
|
191,813
|
228,469
|
258,373
|
1 016,672
|
2 090,660
|
|
09 02 XX XX Circulaire economie en levenskwaliteit
|
Vastleggingen
|
(1)
|
164,507
|
168,315
|
174,210
|
182,400
|
193,180
|
206,950
|
223,177
|
0,000
|
1 312,740
|
|
|
Betalingen
|
(2)
|
5,820
|
64,335
|
79,831
|
98,248
|
120,440
|
143,458
|
162,234
|
638,376
|
1 312,740
|
|
09 02 XX Mitigatie van en aanpassing aan klimaatverandering
|
Vastleggingen
|
(1)
|
122,203
|
124,671
|
127,128
|
129,937
|
132,564
|
135,333
|
137,190
|
0,000
|
909,027
|
|
|
Betalingen
|
(2)
|
2,625
|
46,522
|
57,168
|
69,099
|
81,848
|
93,115
|
98,996
|
459,653
|
909,027
|
|
09 02 XX Overgang naar schone energie
|
Vastleggingen
|
(1)
|
132,117
|
134,810
|
137,556
|
140,357
|
143,214
|
146,129
|
148,317
|
0,000
|
982,500
|
|
|
Betalingen
|
(2)
|
6,247
|
52,548
|
63,913
|
76,317
|
89,829
|
101,689
|
108,113
|
483,846
|
982,500
|
|
09 01 XX XX Milieu - uitgaven voor administratief beheer
|
Vastleggingen = betalingen
|
(3)
|
13,500
|
13,600
|
13,700
|
13,800
|
13,900
|
14,000
|
14,100
|
0,000
|
96,600
|
|
09 01 XX XX Mitigatie van en aanpassing aan klimaatverandering - uitgaven voor administratief beheer
|
Vastleggingen = betalingen
|
(3)
|
5,684
|
5,773
|
5,925
|
5,777
|
5,864
|
5,864
|
6,086
|
0,000
|
40,973
|
|
09 01 XX XX Overgang naar schone energie - uitgaven voor administratief beheer
|
Vastleggingen = betalingen
|
(3)
|
2,500
|
2,500
|
2,500
|
2,500
|
2,500
|
2,500
|
2,500
|
0,000
|
17,500
|
|
Milieu
|
Vastleggingen
|
|
439,999
|
449,972
|
465,356
|
486,690
|
514,738
|
550,537
|
592,708
|
0,000
|
3 500,000
|
|
|
Betalingen
|
|
28,588
|
180,394
|
220,668
|
268,516
|
326,153
|
385,927
|
434,707
|
1 655,048
|
3 500,000
|
|
Klimaatactie
|
Vastleggingen
|
|
262,504
|
267,754
|
273,109
|
278,571
|
284,143
|
289,826
|
294,093
|
0,000
|
1 950,000
|
|
|
Betalingen
|
|
17,056
|
107,343
|
129,506
|
153,693
|
180,041
|
203,168
|
215,695
|
943,499
|
1 950,000
|
|
TOTAAL kredieten voor het budget van het programma
|
Vastleggingen
|
=1+3
|
702,503
|
717,726
|
738,465
|
765,261
|
798,881
|
840,363
|
886,801
|
|
5 450,000
|
|
|
Betalingen
|
=2+3
|
45,643
|
287,736
|
350,174
|
422,208
|
506,194
|
589,095
|
650,402
|
2 598,547
|
5 450,000
|
Rubriek van het meerjarig financieel
kader
|
7
|
"Administratieve uitgaven"
|
in miljoenen euro's (tot op drie decimalen)
|
|
2021
|
2022
|
2023
|
2024
|
2025
|
2026
|
2027
|
Na 2027
|
TOTAAL
|
|
Personele middelen
|
17,017
|
21,879
|
28,314
|
30,602
|
35,464
|
38,038
|
40,755
|
|
212,069
|
|
Andere administratieve uitgaven
|
1,061
|
1,312
|
1,920
|
1,620
|
1,646
|
1,746
|
2,396
|
|
11,702
|
|
TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 7 van het meerjarig financieel kader
|
18,078
|
18,078
|
23,191
|
30,234
|
32,222
|
37,110
|
39,784
|
43,151
|
|
223,771
|
in miljoenen euro's (tot op drie decimalen)
|
|
2021
|
2022
|
2023
|
2024
|
2025
|
2026
|
2027
|
Na 2027
|
TOTAAL
|
|
TOTAAL kredieten
voor alle RUBRIEKEN
van het meerjarig financieel kader
|
Vastleggingen
|
720,580
|
740,917
|
768,699
|
797,483
|
835,991
|
880,148
|
929,952
|
0
|
5673,771
|
|
|
Betalingen
|
63,721
|
310,927
|
380,408
|
454,431
|
543,304
|
628,879
|
693,553
|
2 598,547
|
5673,771
|
3.2.2.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten
–◻
Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten nodig.
–☑
Voor het voorstel/initiatief zijn administratieve kredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:
in miljoenen euro's (tot op drie decimalen)
|
Jaren
|
2021
|
2022
|
2023
|
2024
|
2025
|
2026
|
2027
|
TOTAAL
|
|
RUBRIEK 7
van het meerjarig financieel kader
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Personele middelen
|
17,017
|
21,879
|
28,314
|
30,602
|
35,464
|
38,038
|
40,755
|
212,069
|
|
Andere administratieve uitgaven
|
1,061
|
1,312
|
1,920
|
1,620
|
1,646
|
1,746
|
2,396
|
11,702
|
|
Subtotaal RUBRIEK 7
van het meerjarig financieel kader
|
18,078
|
23,191
|
30,234
|
32,222
|
37,110
|
39,784
|
43,151
|
223,771
|
|
Buiten RUBRIEK 7
van het meerjarig financieel kader
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Personele middelen
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
0,000
|
|
Andere administratieve
uitgaven
|
21,684
|
21,873
|
22,125
|
22,077
|
22,264
|
22,364
|
22,686
|
155,073
|
|
Subtotaal
buiten RUBRIEK 7
van het meerjarig financieel kader
|
21,684
|
21,873
|
22,125
|
22,077
|
22,264
|
22,364
|
22,686
|
155,073
|
|
TOTAAL
|
39,761856
|
45,064144
|
52,358484
|
54,298484
|
59,374624
|
62,148624
|
65,837624
|
378,84384
|
De benodigde kredieten voor personeel en andere administratieve uitgaven zullen worden gefinancierd uit de kredieten van het DG die reeds voor het beheer van deze actie zijn toegewezen en/of binnen het DG zijn herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.
3.2.2.1.Geraamde personeelsbehoeften
–◻
Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig.
–☑
Voor het voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:
–
Raming in voltijdequivalenten
|
Jaren
|
2021
|
2022
|
2023
|
2024
|
2025
|
2026
|
2027
|
|
• Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen)
|
|
Zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie
|
119
|
153
|
198
|
214
|
248
|
266
|
285
|
|
Delegaties
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Onderzoek
|
|
|
|
|
|
|
|
|
• Extern personeel (in voltijdequivalenten VTE) – AC, AL, END, INT en JPD
Rubriek 7
|
|
Gefinancierd uit RUBRIEK 7 van het meerjarig financieel kader
|
- zetel
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
- delegaties
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Gefinancierd uit RUBRIEK 7 van het meerjarig financieel kader
|
- zetel
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
- delegaties
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Onderzoek
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Andere (geef aan welke)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
TOTAAL
|
119
|
153
|
198
|
214
|
248
|
266
|
285
|
Voor de benodigde personele middelen zal een beroep worden gedaan op het personeel van het DG dat reeds voor het beheer van deze actie is toegewezen en/of binnen het DG is herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.
Beschrijving van de uit te voeren taken:
|
Ambtenaren en tijdelijk personeel
|
Operationeel en financieel beheer van alle activiteiten van het programma (subsidies, aanbestedingsovereenkomsten, prijzen enz.)
Ontwikkeling van synergie en coördinatie met andere programma's
Monitoring en evaluatie
|
|
|
|
3.2.3.Bijdragen van derden
Het voorstel/initiatief:
–☑
voorziet niet in medefinanciering door derden;
–◻
voorziet in medefinanciering door derden, zoals hieronder wordt geraamd:
Kredieten in miljoenen euro's (tot op drie decimalen)
|
Jaren
|
2021
|
2022
|
2023
|
2024
|
2025
|
2026
|
2027
|
TOTAAL
|
|
Medefinancieringsbron
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
TOTAAL medegefinancierde kredieten
|
|
|
|
|
|
|
|
|
3.3.Geraamde gevolgen voor de ontvangsten
–☑
Het voorstel/initiatief heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten.
–◻
Het voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven financiële gevolgen:
voor de eigen middelen
voor de overige ontvangsten
Geef aan of de ontvangsten worden toegewezen aan de begrotingsonderdelen voor uitgaven ◻
in miljoenen euro's (tot op drie decimalen)
|
Begrotingsonderdeel voor ontvangsten:
|
Gevolgen van het voorstel/initiatief
|
|
|
2021
|
2022
|
2023
|
2024
|
2025
|
2026
|
2027
|
|
Artikel ………….
|
|
|
|
|
|
|
|
Vermeld voor de toegewezen ontvangsten het (de) betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven.
Andere opmerkingen (bijv. over de methode/formule voor de berekening van de gevolgen voor de ontvangsten of andere informatie).