EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32017R0072

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/72 van de Commissie van 23 september 2016 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van technische reguleringsnormen tot specificatie van voorwaarden voor toestemmingen voor gegevensontheffing (Voor de EER relevante tekst. )

C/2016/5905

PB L 10 van 14.1.2017, p. 1–4 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2017/72/oj

14.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 10/1


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2017/72 VAN DE COMMISSIE

van 23 september 2016

tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van technische reguleringsnormen tot specificatie van voorwaarden voor toestemmingen voor gegevensontheffing

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (1), en met name de artikelen 180, lid 3, 181, lid 3, en 182, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Zodra een instelling en een moederonderneming en haar dochterondernemingen de interneratingbenadering (IRB-benadering) gaan implementeren, kunnen zij de bevoegde autoriteit toestemming vragen om voor ramingen van de kans op wanbetaling, het eigen verlies bij wanbetaling en de omrekeningsfactoren voor bepaalde typen blootstellingen gebruik te maken van gegevens die een periode van twee jaar in plaats van vijf jaar bestrijken. De voorwaarden waaronder de bevoegde autoriteiten toestemming voor gegevensontheffing kunnen verlenen, moeten worden vastgesteld.

(2)

De bevoegde autoriteiten moeten controleren of instellingen voldoen aan de vereisten van Verordening (EU) nr. 575/2013 voordat zij toestemming verlenen tot gegevensontheffing. Deze verordening legt echter aan bevoegde autoriteiten geen vereisten op met betrekking tot enige specifieke regelmatig toetsing of de instellingen voldoen aan de vereisen inzake toestemming voor gegevensontheffing, waardoor instellingen die ophouden aan de vereisten van deze verordening te voldoen hun toevlucht nemen tot artikel 146 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

(3)

Hoe korter de reeks gegevens, hoe moeilijker het is om de risicoparameters te ramen. Om ervoor te zorgen dat de toestemming voor gegevensontheffing tot een kleine ondergroep van activa van een instelling beperkt is, moet een kwantitatieve maximumdrempel worden vastgesteld, zowel op het niveau van de blootstellingswaarde als op het niveau van de volgens de IRB-benadering en de standaardbenadering berekende risicogewogen posten waarvoor de toestemming voor de gegevensontheffing kan worden verleend. Met hetzelfde doel moeten portefeuilles die uit types blootstellingen bestaan die structureel gekenmerkt worden door weinig of geen waargenomen gevallen van wanbetaling expliciet van het toepassingsgebied van de toestemming voor gegevensontheffing worden uitgesloten.

(4)

Om voor een prudente berekening van de eigenvermogensvereisten te zorgen, moet door de bevoegde autoriteiten eveneens met andere aspecten rekening worden gehouden bij de beoordeling van verzoeken om toestemming voor gegevensontheffing. Meer bepaald moeten instellingen die om toestemming tot het gebruik van kortere gegevensreeksen verzoeken een adequate voorzichtigheidsmarge hanteren. Bovendien moeten instellingen ten genoegen van de bevoegde autoriteiten bewijzen dat nauwkeurige, volledige of adequate langere tijdreeksen van gegevens ontbreken. Aangezien de impact op de eigenvermogensvereisten groter kan zijn bij onnauwkeurige gegevens moeten instellingen ook gebruik maken van bijkomende procedures voor validatie van de gegevenskwaliteit evenredig met de kleinere steekproefomvang.

(5)

Types blootstellingen die geen deel uitmaken van de portefeuille van een instelling op het moment dat een instelling de IRB-benadering voor het eerst implementeert, mogen niet worden geacht in aanmerking te komen voor het verlenen van een toestemming voor gegevensontheffing. Omgekeerd mogen toestemmingen voor gegevensontheffing alleen worden verleend voor types blootstellingen die in de portefeuille van een instelling zijn opgenomen op het moment dat een instelling de IRB-benadering voor het eerst implementeert, ongeacht of in overeenstemming met het sequentiële uitrolplan voor deze blootstellingen onmiddellijk of naderhand naar de IRB-benadering wordt overgeschakeld.

(6)

Het doel van de gegevensontheffing is een vrijstelling te verlenen van de verplichting om gebruik te maken van historische gegevens over vijf jaar voor de raming van IRB-parameters voor types blootstellingen die in de portefeuille van een instelling voorkomen wanneer de instelling de IRB-benadering voor het eerst implementeert. Na vijf jaar vanaf die eerste implementatie moeten instellingen voldoende gegevens hebben verzameld dan dat zij geen gebruik van de vrijstelling meer wensen te maken. Toestemmingen voor gegevensontheffing mogen bijgevolg niet worden verleend na vijf jaar vanaf de datum waarop een instelling de IRB-benadering is gaan implementeren.

(7)

Er dient voor te worden gezorgd dat de in deze verordening vastgestelde voorwaarden de ratingsystemen die bij instellingen reeds in gebruik zijn niet hinderen, maar dat zij integendeel bijdragen aan een soepele overgang naar de nieuwe regeling, de rechtszekerheid voor instellingen vergroten en instellingen verdere kosten besparen. Krachtens de artikelen 180, 181 en 182 van Verordening (EU) nr. 575/2013 heeft de toestemming voor gegevensontheffing betrekking op het gebruik van gegevens over twee jaar in plaats van gegevens over vijf jaar; bijgevolg vervalt deze vanzelfsprekend drie jaar nadat zij is verleend. Bijgevolg mogen de technische reguleringsnormen niet van invloed zijn op de toestemmingen voor gegevensontheffing die op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening door de bevoegde autoriteiten reeds zijn verleend omdat dit onevenredig zou zijn en gebruik van de IRB-benadering zou ontmoedigen. De bepalingen in deze verordening houden nauw verband met elkaar, aangezien zij alle betrekking hebben op de voorwaarden waaronder een gegevensontheffing kan worden verleend. Om voor de coherentie tussen die bepalingen te zorgen, die op hetzelfde moment in werking moeten treden, en om de personen voor wie deze verplichtingen gelden, een volledig beeld van en een compacte toegang tot deze bepalingen te bieden, is het wenselijk alle bij de artikelen 180, lid 3, 181, lid 3, en 182, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vereiste technische reguleringsnormen in één enkele verordening op te nemen.

(8)

Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische reguleringsnormen die de Europese Bankautoriteit aan de Commissie heeft voorgelegd.

(9)

De Europese Bankautoriteit heeft open publieke raadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische reguleringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, heeft de mogelijke daaraan verbonden kosten en baten geanalyseerd en heeft de bij artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad opgerichte Stakeholdergroep Bankwezen om advies verzocht (2),

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voorwerp

Deze verordening stelt de verplichte voorwaarden vast waaronder bevoegde autoriteiten aan instellingen toestemming kunnen verlenen om gebruik te maken van gegevens die een periode van twee in plaats van vijf jaar bestrijken voor ramingen van de kans op wanbetaling, het eigen verlies bij wanbetaling en de omrekeningsfactoren als vervat in artikel 180, lid 1, onder h), artikel 180, lid 2, onder e), en de artikelen 181, lid 2, en 182, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 (hierna „toestemmingen voor gegevensontheffing” genoemd).

Artikel 2

Voorwaarden waaronder blootstellingen in aanmerking komen

1.   Behoudens de leden 2 en 3 komt elk ander type blootstellingen dan blootstellingen met betrekking tot centrale overheden, centrale banken en instellingen als vervat in artikel 147, lid 2, onder a) en b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 in aanmerking voor toestemmingen voor gegevensontheffing.

2.   Blootstellingen met betrekking tot ondernemingen als vervat in artikel 147, lid 2, onder c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 komen in aanmerking voor toestemmingen voor gegevensontheffing indien zij niet structureel gekenmerkt worden door weinig of geen waargenomen gevallen van wanbetaling.

3.   Types blootstellingen die geen deel uitmaakten van de portefeuille van de instelling op het moment dat een instelling de interneratingbenadering (IRB-benadering) begon te implementeren, komen niet in aanmerking voor een toestemming voor gegevensontheffing.

Artikel 3

Kwantitatieve voorwaarden

1.   Bevoegde autoriteiten kunnen toestemmingen voor gegevensontheffing alleen verlenen indien aan de volgende kwantitatieve voorwaarden wordt voldaan met betrekking tot een instelling:

a)

de totale blootstellingswaarde van de gevraagde toestemming voor gegevensontheffing en al haar toestemmingen voor gegevensontheffing die zijn verleend, maar niet ingetrokken of vervallen (hierna „van kracht zijnde toestemmingen voor gegevensontheffing” genoemd) bedragen niet meer dan 5 % van de totale blootstellingswaarde van de instelling;

b)

het totaal van de risicogewogen posten van de gevraagde toestemming voor gegevensontheffing en al haar van kracht zijnde toestemmingen voor gegevensontheffing bedragen niet meer dan 5 % van het totaal van de risicogewogen posten van de instelling.

2.   Voor de toepassing van lid 1, onder a), is de totale blootstellingswaarde de geaggregeerde-blootstellingswaarde van alle voor kredietrisico en verwateringsrisico gemeten types blootstellingen, vóór aftrek van specifieke kredietrisicoaanpassingen, aanvullende waardeaanpassingen overeenkomstig de artikelen 34 en 110 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en van overige eigenvermogensverlagingen.

3.   Voor de toepassing van lid 1, onder b), is het totaal van de risicogewogen posten de geaggregeerde risicoposten van alle typen blootstellingen, voor kredietrisico en verwateringsrisico gewogen overeenkomstig de door de instelling gevolgde benadering

Artikel 4

Kwalitatieve voorwaarden

De bevoegde autoriteiten kunnen de toestemming voor gegevensontheffing alleen verlenen aan een instelling die goed gedocumenteerd aantoont dat aan alle volgende voorwaarden is voldaan ten aanzien van elk type blootstelling:

a)

langere tijdreeksgegevens zijn onbeschikbaar of ongeschikt wegens gebrek aan nauwkeurigheid, volledigheid of adequatie;

b)

er wordt een adequate voorzichtigheidsmarge gehanteerd, in overeenstemming met artikel 179, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013, om de verwachte foutmarge van de ramingen als gevolg van het gebruik van kortere reeksen historische gegevens voldoende te compenseren;

c)

het proces voor de validatie van de in het model in te voeren gegevens als bedoeld in artikel 174, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt versterkt voor de kortere tijdreeksen.

Artikel 5

Termijn

Bevoegde autoriteiten kunnen alleen gegevensontheffing verlenen voor de eerste vijf jaar na de datum waarop een instelling voor het eerst toestemming heeft gekregen om haar risicogewogen posten te berekenen met behulp van de IRB-benadering overeenkomstig artikel 143 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Artikel 6

Overgangsbepaling

Toestemmingen voor gegevensontheffing die door de bevoegde autoriteiten vóór de inwerkingtreding van deze verordening zijn verleend, vallen niet onder deze verordening.

Artikel 7

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 september 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).


Top