Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document E2020P0014

Verzoek van Fürstlicher Oberster Gerichtshof aan het EVA-Hof om een advies in de zaak Liti-Link AG/LGT Bank AG (Zaak E-14/20) 2021/C 39/06

PB C 39 van 4.2.2021, p. 20–20 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

4.2.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 39/20


Verzoek van Fürstlicher Oberster Gerichtshof aan het EVA-Hof om een advies in de zaak Liti-Link AG/LGT Bank AG

(Zaak E-14/20)

(2021/C 39/06)

Bij schrijven van 4 september 2020 van Fürstlicher Oberster Gerichtshof (hooggerechtshof van Liechtenstein) is bij het EVA-Hof een verzoek ingediend, dat op 16 september 2020 bij de griffie van het Hof is binnengekomen, om een advies in de zaak Liti-Link AG/LGT Bank AG, betreffende onderstaande vragen:

1.

Moet de laatste alinea van artikel 26 van Uitvoeringsrichtlijn 2006/73/EG op grond waarvan in samengevatte vorm mededeling mag worden gedaan van de essentiële voorwaarden van de regelingen voor vergoedingen, provisies of niet-geldelijke voordelen, aldus worden uitgelegd dat de mededeling van voordelen samengevat en algemeen van inhoud mag zijn?

Als het Hof de eerste vraag bevestigend beantwoordt, wordt de volgende aanvullende vraag gesteld:

1.1.

Moet de laatste alinea van artikel 26 van Uitvoeringsrichtlijn 2006/73/EG, op grond waarvan in samengevatte vorm mededeling mag worden gedaan van de essentiële voorwaarden van de regelingen voor vergoedingen, provisies of niet-geldelijke voordelen, aldus worden uitgelegd dat de mededeling van voordelen samengevat en algemeen van inhoud mag zijn, bijvoorbeeld volgens algemene of andere vooraf geformuleerde zakelijke voorwaarden, of moet de mededeling individueel voor elke cliënt of elke categorie plaatsvinden?

Daarnaast worden de volgende vragen voorgelegd:

2.

Wordt een mededeling in de zin van artikel 26, punt b), i), van Uitvoeringsrichtlijn 2006/73/EG als correct beschouwd wanneer de beleggingsonderneming de cliënt louter meedeelt dat derden hem een voordeel kunnen verschaffen, of moet de beleggingsonderneming duidelijk aangeven of en wanneer dergelijke voordelen worden verschaft?

3.

Wordt een mededeling in de zin van artikel 26, punt b), i), van Uitvoeringsrichtlijn 2006/73/EG als correct beschouwd wanneer de beleggingsonderneming de cliënt meedeelt dat het bedrag van het door de derde verschafte voordeel afhangt van het product en bestaat in een percentage van de beheersvergoedingen die voor het betrokken product in rekening worden gebracht, een kortingspercentage op de uitgifteprijs of een percentage van de uitgifteprijs, of moet de beleggingsonderneming vóór de verrichting van de desbetreffende beleggings- of nevendienst de cliënt op zijn minst bandbreedten betreffende de door haar ontvangen vergoedingen, provisies en voordelen meedelen?

4.

Zijn de in artikel 26 van Uitvoeringsrichtlijn 2006/73/EG vastgelegde voorwaarden voor een mededeling in samengevatte vorm, namelijk dat de beleggingsfirma de cliënt desgevraagd nadere bijzonderheden verstrekt, en deze verplichting ook nakomt, vervuld wanneer de beleggingsonderneming in verband met reeds verrichte transacties de cliënt louter nadere bijzonderheden voor de twaalf aan het verzoek voorafgaande maanden meedeelt?

5.

Moet een lidstaat op grond van de EER-overeenkomst een horizontale rechtstreekse werking toekennen aan een uitvoeringsrichtlijn die niet correct is omgezet, meer bepaald Uitvoeringsrichtlijn 2006/73/EG?

6.

Moet artikel 26 van Uitvoeringsrichtlijn 2006/73/EG aldus worden uitgelegd dat er rechten van bankcliënten tegenover een bank aan kunnen worden ontleend?


Top