This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document E2019P0006
Request for an Advisory Opinion from the EFTA Court by the Princely Court of Appeal dated 13 August 2019 in criminal proceedings against H and I
Verzoek van het Fürstliches Obergericht van 13 augustus 2019 om advies van het EVA-Hof in een strafzaak tegen H en I
Verzoek van het Fürstliches Obergericht van 13 augustus 2019 om advies van het EVA-Hof in een strafzaak tegen H en I
PB C 23 van 23.1.2020, p. 8–8
(BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
|
23.1.2020 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 23/8 |
Verzoek van het Fürstliches Obergericht van 13 augustus 2019 om advies van het EVA-Hof in een strafzaak tegen H en I
(Zaak E-6/19)
(2020/C 23/08)
Bij het EVA-Hof is een verzoek van het Fürstliches Obergericht (Prinselijk Hof van beroep) dd. 13 augustus 2019 ingediend, dat bij de griffie van het EVA-Hof is binnengekomen op 20 augustus 2019, om een advies in een strafzaak tegen H en I over de volgende vragen:
|
1. |
Met betrekking tot artikel 13, lid l, onder m), van Verordening (EG) nr. 561/2006:
|
|
2. |
Is het vanwege artikel 19, lid 1, van Verordening (EG) nr. 561/2006 noodzakelijk of evenredig dat een lidstaat sancties oplegt voor inbreuken op deze verordening wanneer de betrokken ritten werden uitgevoerd door speciaal voor geld- en/of waardetransporten uitgeruste voertuigen op het grondgebied van andere lidstaten, en die lidstaten gebruik hebben gemaakt van de uitzondering van artikel 13, lid 1, onder m), van deze verordening, zodat er zich volgens het toepasselijke nationale recht van de betrokken lidstaten geen inbreuken voordoen? |
|
3. |
Moet artikel 6, lid 5, van Verordening (EG) nr. 561/2006 in die zin worden uitgelegd dat zelfs wanneer een lidstaat gebruik heeft gemaakt van de uitzondering van artikel 13, lid 1, onder m), van deze verordening, de tijd die is besteed volgens de omschrijving in artikel 4, onder e), van deze verordening en de tijd die is besteed aan het rijden met een voertuig (in beide gevallen met betrekking tot ritten waarbij speciaal voor geld- en/of waardetransporten uitgeruste voertuigen zijn betrokken), moeten worden geregistreerd als “andere werkzaamheden” overeenkomstig artikel 6, lid 5, van de genoemde verordening? Indien de vraag bevestigend wordt beantwoord, moet artikel 6, lid 5, van Verordening (EG) nr. 561/2006 dan ook worden toegepast wanneer de betrokken lidstaat de betrokken voertuigen overeenkomstig artikel 3, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 3821/85 (thans artikel 3, lid 2, van Verordening (EU) nr. 165/2014) heeft vrijgesteld? |