Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62023CC0748

Conclusie van advocaat-generaal N. Emiliou van 1 augustus 2025.


ECLI identifier: ECLI:EU:C:2025:630

Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

N. EMILIOU

van 1 augustus 2025 (1)

Zaak C748/23 [Gekus] (i)

C. Limited

tegen

M. S.

[verzoek van de Sąd Najwyższy (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Polen) om een prejudiciële beslissing]

„ Prejudiciële verwijzing – Artikel 267 VWEU – Artikel 19, lid 1, VEU – Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Procedure voor de benoeming van een nationale rechter – Onafhankelijkheid en onpartijdigheid van rechters – Nemo iudex in causa sua ”






I.      Inleiding

1.        Het bekende Latijnse adagium „nemo iudex in causa sua” (niemand mag rechter zijn in eigen zaak) wordt in het algemeen toegeschreven aan Edward Coke, een Britse advocaat die rond het begin van de zeventiende eeuw leefde(2), en is met name geïnspireerd op een passage uit de Corpus Juris Civilis van keizer Justinianus uit 529 na Christus.(3) Het zal weinig verbazing wekken dat dit adagium een lange geschiedenis heeft, want het vereiste dat rechters onpartijdig zijn, is een van de grondvesten van elk rechtsstelsel.(4)

2.        Het vereiste van onpartijdigheid is tot op heden een van de wezenlijke bestanddelen van het „recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht” zoals dat is verankerd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), en van het „recht op een eerlijk proces” zoals vervat in artikel 6, lid 1, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In beide gevallen wordt verwezen naar een „onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat [vooraf] bij [de] wet is ingesteld”.(5) Deze bewoordingen zijn ook te vinden in tal van nationale grondwetten(6) en internationale instrumenten(7).

3.        In het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing van de Sąd Najwyższy (hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken, Polen) gaat het om het belang en de draagwijdte van het beginsel van onpartijdigheid. Het kader van de onderhavige zaak wordt gevormd door de in 2017 gestarte hervorming van het Poolse rechtsstelsel, waarover het Hof(8) en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)(9) verschillende arresten hebben gewezen. In die arresten zijn verschillende tekortkomingen in de hervorming vastgesteld die de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht aantasten.

4.        Naar aanleiding van deze arresten heeft de Poolse wetgever in 2022 een specifiek mechanisme ingevoerd – een toets van de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van rechters (hierna: „onafhankelijkheids- en onpartijdigheidstoets”) – om dergelijke kwesties in voorkomend geval op te lossen. De toets wordt toegepast door een speciale rechterlijke formatie, in een ad-hocstadium van de procedure. Het doel van deze toets is in wezen vast te stellen of de vermeende onregelmatigheden bij de benoeming van rechters van invloed kunnen zijn geweest op de rechtmatigheid van de samenstelling van de nationale rechterlijke instantie in de betrokken zaken. De prejudiciële vragen van de Sąd Najwyższy betreffen de vraag of een nationale bepaling of rechterlijke praktijk die de toepassing van die toets regelt, verenigbaar is met het Unierecht.

II.    Nationaal recht

5.        Artikel 29 van de ustawa o Sądzie Najwyższym (wet inzake de Sąd Najwyższy) van 8 december 2017(10), zoals gewijzigd bij de ustawa o zmianie ustawy o Sądzie Najwyższym oraz niektórych innych ustaw (wet tot wijziging van de wet inzake de Sąd Najwyższy en bepaalde andere wetten) van 9 juni 2022(11), (hierna: „wet inzake de Sąd Najwyższy”), bepaalt:

„[...]

§ 2.      In het kader van de werkzaamheden van de Sąd Najwyższy of van zijn organen is het niet toegestaan om de legitimiteit van de [rechterlijke instanties], de grondwettelijke organen van de staat en de organen voor de controle en bescherming van het recht in twijfel te trekken.

§ 3.      De Sąd Najwyższy of een ander machtsorgaan is niet bevoegd tot het vaststellen of beoordelen van de rechtmatigheid van de benoeming van een rechter of van de uit deze benoeming voortvloeiende bevoegdheid tot uitvoering van taken op het gebied van de rechtspleging.

§ 4.      De omstandigheden rond de benoeming van een rechter bij de Sąd Najwyższy kunnen geen exclusieve grond vormen om een beslissing die met deelname van die rechter is genomen aan te vechten of om zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid in twijfel te trekken.

§ 5.      Op verzoek van de in § 7 bedoelde justitiabele kan, rekening houdend met de omstandigheden rond zijn benoeming en zijn gedrag na zijn benoeming, worden onderzocht of een rechter van de Sąd Najwyższy of een rechter die is gedetacheerd bij de Sąd Najwyższy, voldoet aan de vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid, indien dit in de omstandigheden van een bepaalde zaak kan leiden tot schending van het beginsel van onafhankelijkheid of onpartijdigheid die van invloed is op de uitkomst van de zaak, rekening houdend met de situatie van de justitiabele en de aard van de zaak.

§ 6.      Een verzoek tot vaststelling van de naleving van de vereisten van § 5 kan worden ingediend tegen een rechter van de Sąd Najwyższy of een rechter die is gedetacheerd bij de Sąd Najwyższy, die is toegewezen aan een rechtsprekende formatie die onderzoekt:

1)      een beroep;

[...]

§ 7.      Elke partij in de procedure voor de Sąd Najwyższy heeft in de in § 6 bedoelde gevallen het recht een dergelijk verzoek in te dienen.

[...]

§ 15.      De Sąd Najwyższy behandelt het verzoek met gesloten deuren in een formatie van vijf rechters die door loting uit alle leden van de Sąd Najwyższy zijn aangewezen, na de in het verzoek bedoelde rechter te hebben gehoord, tenzij dit onmogelijk of zeer moeilijk is. De rechter kan zijn opmerkingen schriftelijk indienen. De betrokken rechter wordt van de loting uitgesloten.

[...]

§ 21.      Tegen de beschikking die na de behandeling van het verzoek is gegeven, kan beroep worden ingesteld bij de Sąd Najwyższy in een rechtsprekende formatie van zeven rechters die door loting uit alle leden van de Sąd Najwyższy zijn aangewezen. De betrokken rechter en de rechter die aan de vaststelling van de bestreden beschikking heeft deelgenomen, worden van de loting uitgesloten.”

III. Feiten, nationale procedure en prejudiciële vragen

6.        Het hoofdgeding is aanhangig tussen C. Limited, een in Ierland gevestigde vennootschap (hierna: „verzoekster”) en een Ierse particulier, M.S. (hierna: „verweerder”). Het betreft de verplichtingen van partijen en hun aansprakelijkheid voor bepaalde handelingen die zij in Polen hebben verricht.

7.        Op 10 juni 2021 heeft de Sąd Apelacyjny w Warszawie (rechter in tweede aanleg Warschau, Polen) verweerder veroordeeld tot betaling van een geldsom aan verzoekster.

8.        Op 29 juli 2021 heeft verweerder de High Court (rechter in eerste aanleg, Ierland) ingevolge artikel 46 juncto artikel 45, lid 1, onder a), van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(12) verzocht om weigering van de erkenning en de tenuitvoerlegging van een beslissing van de Sąd Apelacyjny w Warszawie. Verweerder heeft aangevoerd dat zijn recht op een bij wet ingesteld gerecht was geschonden doordat in de rechtsprekende formatie die deze beslissing heeft gegeven, een rechter zetelde die onrechtmatig was gedetacheerd door de Minister Sprawiedliwości (minister van Justitie, Polen).

9.        Tegelijkertijd heeft verweerder tegen de beslissing van de Sąd Apelacyjny w Warszawie cassatieberoep ingesteld bij de Sąd Najwyższy. Een rechtsprekende formatie van drie rechters, onder wie rechter JG, werd benoemd om van dit beroep kennis te nemen.

10.      Op 27 september 2023 heeft verzoekster overeenkomstig de procedure van artikel 29 van de wet inzake de Sąd Najwyższy een verzoek ingediend om de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van rechter JG te toetsen. Verzoekster heeft zich in dit verband met name beroepen op de omstandigheden rond de benoeming van deze rechter. Zoals verzoekster heeft benadrukt, is rechter JG tot rechter van de Izba Cywilna Sądu Najwyższego (civiele kamer van de Sąd Najwyższy) benoemd op grond van een besluit van de Krajowa Rada Sądownictwa (nationale raad voor de rechtspraak, Polen; hierna: „KRS”). De uitvoering van dat besluit was echter bij beschikking van de Naczelny Sąd Administracyjny (hoogste bestuursrechter, Polen) opgeschort vanwege de nieuwe samenstelling van de KRS. Die rechterlijke instantie heeft het besluit uiteindelijk nietig verklaard. Verzoekster heeft zich tevens beroepen op het gedrag van rechter JG na zijn benoeming tot rechter.

11.      Door loting is een rechterlijke formatie van vijf rechters van de Sąd Najwyższy samengesteld die het verzoek om toetsing van de onpartijdigheid en de onafhankelijkheid moet behandelen. Deze formatie bestaat uit twee rechters van de Sąd Najwyższy die vóór 2018 zijn benoemd en drie rechters die zijn benoemd op voordracht van de KRS in zijn nieuwe samenstelling.

12.      Tijdens het formele onderzoek van de ontvankelijkheid van dit verzoek zijn bij de verwijzende rechter – als alleensprekende rechter-rapporteur, die tevens de voorzitter van die formatie van vijf rechters is – twijfels ontstaan over de vraag hoe artikel 29, § 5, van de wet inzake de Sąd Najwyższy moet worden uitgelegd en toegepast om de verenigbaarheid ervan met artikel 19, lid 1, VEU en artikel 47 van het Handvest te verzekeren.

13.      De verwijzende rechter vraagt zich met name af of drie leden van de formatie van vijf rechters die door loting is samengesteld om het verzoek van verzoekster te behandelen, voldoen aan het vereiste van een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij wet is ingesteld, aangezien zij in een positie verkeren die, gelet op de wijze waarop zij zijn benoemd, vrijwel gelijk is aan die van de rechter die wordt getoetst.

14.      Daarop heeft de Sąd Najwyższy, zetelend als alleensprekende rechter, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in het licht van artikel 47 van het [Handvest], aldus worden uitgelegd dat alleen al de omstandigheden waarin een rechter is benoemd erop kunnen duiden dat niet aan de vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van deze rechter is voldaan wanneer deze omstandigheden ertoe leiden dat er een gerecht wordt ingesteld dat het recht van de justitiabelen op toegang tot de rechter schendt of, subsidiair, dat voor het niet-voldoen aan de genoemde vereisten bepalend is dat de betrokken rechter de onregelmatigheid van de procedure van zijn benoeming tot rechter passief aanvaardt (door het enkele feit dat hij rechtspreekt), zodat er een gerecht is ingesteld op wijze die het recht van een justitiabele op toegang tot de rechter schendt?

2)      Moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in het licht van artikel 47 van het [Handvest], aldus worden uitgelegd dat niet aan de toets van de onafhankelijkheid van een rechter van de Sąd Najwyższy mag worden deelgenomen door rechters wier deelname het recht van een justitiabele op toegang tot de rechter schendt, doordat zij tot rechter in de Sąd Najwyższy zijn benoemd op voordracht van de [KRS] die is samengesteld volgens de procedure overeenkomstig het bepaalde in de ustawa o zmianie ustawy o Krajowej Radzie Sądownictwa i niektórych innych ustaw (wet tot wijziging van de wet inzake de nationale raad voor de rechtspraak en bepaalde andere wetten [...]) van 8 december 2017?

3)      Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord: moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in het licht van artikel 47 van het [Handvest], aldus worden uitgelegd dat de Sąd Najwyższy dergelijke rechters niet mag opnemen in een rechtsprekende formatie die met een onpartijdigheidstoets is belast en, in het uiterste geval, de nationale bepaling op grond waarvan dergelijke zaken moeten worden behandeld door een uit vijf rechters samengestelde rechtsprekende formatie buiten toepassing moet laten en het verzoek zonder de deelname van deze rechters moet behandelen in een andere bezetting die in het nationale recht is voorzien?”

15.      In de onderhavige procedure zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door verzoekster, verweerder, de Nederlandse, de Belgische en de Poolse regering alsmede de Europese Commissie. Verweerder, de Poolse regering en de Commissie hebben tevens pleidooi gehouden ter terechtzitting van 4 juni 2025.

IV.    Analyse

16.      Hieronder zal ik eerst de ontvankelijkheid van de vragen onderzoeken (A) en vervolgens de gegrondheid ervan (B). Ik zal mijn onderzoek echter, overeenkomstig het verzoek van het Hof, hoofdzakelijk toespitsen op twee onderdelen: (i) de ontvankelijkheid van de tweede en de derde prejudiciële vraag en (ii) de gegrondheid van de tweede vraag.

A.      Ontvankelijkheid

17.      Om te beginnen herinner ik eraan dat het volgens vaste rechtspraak in beginsel een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, rekening houdend met de bijzonderheden van het hoofdgeding, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen.(13)

18.      Bijgevolg geldt voor vragen over het Unierecht een vermoeden van relevantie en kan het Hof slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechterlijke instantie wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, het vraagstuk van hypothetische aard is, of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen.(14) Het Hof heeft met name in herinnering gebracht dat de prejudiciële procedure vooronderstelt dat daadwerkelijk een geding bij de nationale rechterlijke instantie aanhangig is in het kader waarvan deze een beslissing moet geven waarbij rekening kan worden gehouden met de prejudiciële beslissing.(15)

19.       Ik zal de ontvankelijkheid van de drie prejudiciële vragen in de onderhavige zaak thans in het licht van deze rechtspraak onderzoeken.

20.      Verzoekster heeft een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen tegen de eerste vraag, met het argument dat een antwoord op deze vraag niet ter zake doet voor het onderzoek naar de toepassing van de onafhankelijkheids- en onpartijdigheidstoets. Zij benadrukt dat bij de toepassing van deze toets niet alleen rekening wordt gehouden met de omstandigheden van de benoeming van de betrokken rechter, maar ook met andere elementen, zoals het gedrag van die rechter na de benoeming.

21.      Deze exceptie overtuigt mij niet. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen of artikel 19, lid 1, VEU, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat alleen al de omstandigheden waarin een rechter is benoemd erop kunnen duiden dat niet aan de in deze bepalingen verankerde vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van deze rechter is voldaan.

22.      Indien het Hof deze vraag bevestigend zou beantwoorden, zou de verwijzende rechter, wanneer aan de toepasselijke voorwaarden is voldaan, het verzoek van verzoekster kunnen toewijzen zonder te hoeven onderzoeken of de andere door haar aangevoerde elementen van enig belang zijn. Bijgevolg lijkt de eerste prejudiciële vraag relevant voor de beslechting van het bij de verwijzende rechter aanhangige geding.

23.      Ter terechtzitting hebben partijen ook de ontvankelijkheid van de tweede en de derde prejudiciële vraag besproken. Zij zijn hoofdzakelijk ingegaan op de vraag of de verwijzende rechter rekening zou kunnen houden met de antwoorden van het Hof. Hierover zou namelijk enige twijfel kunnen ontstaan vanwege het feit dat de verwijzende rechter in casu een alleensprekende rechter-rapporteur is, die tevens de voorzitter is van een formatie van vijf rechters die bevoegd is om het verzoek van verzoekster te behandelen. Daarenboven bevat de wet inzake de Sąd Najwyższy geen specifieke bepalingen over de onthouding en wraking van rechters die door loting zijn gekozen om zitting te nemen in een formatie die een verzoek om toepassing van de onafhankelijkheids- en onpartijdigheidstoets behandelt. In wezen stond bij de discussie de vraag centraal of de verwijzende rechter elk mogelijk probleem zou kunnen verhelpen dat het Hof in zijn antwoorden op de prejudiciële vragen zou kunnen vaststellen.

24.      Op dit punt hebben alle partijen die ter terechtzitting pleidooi hebben gehouden, gepleit voor de ontvankelijkheid van de tweede en de derde vraag. Zij hebben met name benadrukt dat de regels en beginselen van nationaal recht volgens welke het recht op een eerlijk proces moet worden geëerbiedigd, in elk stadium van de nationale procedure van toepassing zijn, en dus ook in het prejudiciële en incidentele stadium waarin het hoofdgeding zich bevindt. Bij gebreke van specifieke bepalingen op grond waarvan de verwijzende rechter een eventuele schending van dat recht zou kunnen verhelpen, zou die rechter zich volgens deze partijen kunnen en moeten baseren op de algemene beginselen en regels van het nationale recht. Op grond van deze beginselen en regels, a fortiori wanneer zij worden uitgelegd in het licht van artikel 19, lid 1, VEU, artikel 47 van het Handvest en artikel 6, lid 1, EVRM, zou elke rechter wiens onafhankelijkheid of onpartijdigheid door het publiek in twijfel kan worden getrokken, moeten worden uitgesloten van de rechtsprekende formatie.

25.      Ik ben ook van mening dat de tweede en de derde vraag ontvankelijk zijn.

26.      Wat dit betreft herinner ik eraan dat er, zoals het Hof consequent heeft verklaard, sprake moet zijn van een zodanig verband tussen het hoofdgeding en de bepalingen van het Unierecht waarvan om uitlegging wordt verzocht, dat die uitlegging objectief noodzakelijk is voor de door de verwijzende rechter te nemen beslissing.(16)

27.      Hoewel de door de verwijzende rechter opgeworpen kwestie geen betrekking heeft op enige materiële bepaling van het Unierecht die van toepassing kan zijn op de relatie tussen verzoekster en verweerder, is er een duidelijk verband tussen de Unierechtelijke bepalingen waarop de prejudiciële vragen betrekking hebben en het hoofdgeding.(17) Het staat buiten kijf dat thans een geding aanhangig is bij de verwijzende rechter, in het kader waarvan in limine litis een echte vraag van procedurele aard is gerezen over de regelmatigheid van de samenstelling van de rechterlijke instantie die kennis moet nemen van en uitspraak moet doen over een specifieke vordering van een van de partijen.

28.      Het Hof heeft er steeds mee ingestemd om in dergelijke omstandigheden de gestelde prejudiciële vragen te beantwoorden, voor zover de door de verwijzende rechter gevraagde uitlegging van het Unierecht kon bijdragen tot de oplossing van de procedurele problemen waarmee deze rechter werd geconfronteerd en noodzakelijk was om ten gronde uitspraak te kunnen doen in het geding.(18)

29.      Deze benadering is in casu a forteriori passend, aangezien de vordering van verzoekster die de verwijzende rechter moet onderzoeken, betrekking heeft op de onafhankelijkheid of onpartijdigheid van een rechter die de zaak in cassatieberoep zal behandelen. Een weigering om uitspraak te doen over de tweede en de derde prejudiciële vraag zou in feite tot gevolg hebben dat de verwijzende rechter in voorkomend geval een probleem rond de onafhankelijkheid of onpartijdigheid van rechters van een bepaalde rechtsprekende formatie moet behandelen terwijl hij mogelijk zelf door dat probleem wordt geraakt. Een dergelijke benadering door het Hof zou paradoxaal zijn.

30.      De onderhavige zaak verschilt dus van die waarin de nationale rechterlijke instanties een verzoek om een prejudiciële beslissing hebben ingediend in zaken waarin zij kennelijk onbevoegd waren(19), die niet meer bij hen aanhangig waren of die zonder voorwerp waren geraakt(20). Zij moet ook worden onderscheiden van de zaken waarin het Hof heeft geoordeeld dat de prejudiciële vragen betrekking hadden op kwesties die reeds definitief waren beslecht of die betrekking hadden op een fase van de procedure die definitief was afgesloten.(21) De onderhavige zaak is evenmin vergelijkbaar met de zaken waarin de prejudiciële vragen betrekking hadden op Unierechtelijke bepalingen die niet van toepassing waren op het hoofdgeding, maar wel relevant waren voor vergelijkbare, op dat moment aanhangige gerechtelijke procedures(22), dan wel voor hypothetische toekomstige gerechtelijke procedures die verband hielden met het hoofdgeding.(23)

31.      Meer algemeen gaat het in casu niet om een zaak waarin een nationale rechter de door de zaak geboden gelegenheid aangrijpt om het Hof vragen te stellen over algemene of structurele aspecten van het nationale rechtsstelsel, terwijl zich in beginsel geen echte vraag van Unierecht voordoet. De door de verwijzende rechter opgeworpen kwesties zijn volledig relevant voor de onderhavige zaak en kunnen de uitkomst van het geding bepalen, die vervolgens rechtstreeks van invloed is op de erkennings- en tenuitvoerleggingsprocedure die in Ierland op grond van verordening nr. 1215/2012 is ingeleid. Dit laatste is ook een element dat niet kan worden genegeerd.(24)

32.      Aan deze vaststelling van relevantie kan niet worden afgedaan door de argumenten die ter terechtzitting zijn besproken.

33.      In de eerste plaats doet het niet ter zake dat de verwijzende rechter in casu een alleensprekende rechter-rapporteur is, die tevens de voorzitter is van de formatie van vijf rechters die belast is met de toetsing van verzoeksters verzoek. In het arrest Prokuratura Rejonowa werd het Hof met een vrijwel gelijke situatie geconfronteerd en heeft het geoordeeld dat dit aspect de ontvankelijkheid van de prejudiciële verwijzing niet in de weg stond.(25)

34.      Uiteraard is de ontvankelijkheid van de prejudiciële verwijzing in dergelijke gevallen afhankelijk van de vraag of de rechterlijke formatie die krachtens artikel 267 VWEU een verzoek om een prejudiciële beslissing voorlegt, optreedt als „een rechterlijke instantie van een der lidstaten”. Een of meer rechters die alleen of gezamenlijk handelen, zijn niet als zodanig aan te merken. Hen moet formeel zijn opgedragen om kennis te nemen van een concreet, op dat moment aanhangig geding en zij moeten bevoegd zijn om uitspraak in dat geding te doen. Bijgevolg kan een alleensprekende rechter al dan niet een „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 267 VWEU zijn, afhankelijk van de omstandigheden van het geval en de toepasselijke nationale regels.

35.      Dit is recentelijk bevestigd in het arrest G. e.a.: het loutere feit dat een individuele rechter in een zaak als rechter-rapporteur optrad, betekende niet dat hij, alleen handelend, bevoegd was om krachtens artikel 267 VWEU een verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Hof te richten. Zoals het Hof heeft vastgesteld, kon deze rechter niet, „alleen, rekening [...] houden met de eventuele antwoorden van het Hof op zijn prejudiciële vragen”.(26)

36.      De situatie in casu verschilt echter van die in de zaak in het arrest G. e.a. Hier verzoekt de voorzitter van de in de zaak bevoegde rechterlijke formatie, als een voorbereidende stap in de procedure, het Hof om uitspraak te doen over een vraag die in limine litis is gerezen en die gevolgen kan hebben voor de juiste samenstelling van de formatie, en bijgevolg voor de rechtmatigheid van haar toekomstige werkzaamheden. Als ik het goed begrijp, bevindt de verwijzende rechter zich thans in feite in het stadium van de procedure waarin verzoeksters verzoek om toepassing van het mechanisme voor toetsing van de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid enkel op ontvankelijkheid wordt beoordeeld.

37.      In zijn conclusie in de zaak Prokuratura Rejonowa heeft advocaat-generaal Bobek erop gewezen dat voorzitters van rechterlijke organen, of, met betrekking tot specifieke procedures, voorzitters van kamers of formaties, niet alleen over aanvullende bevoegdheden beschikken, maar ook belast zijn met extra taken. Zij moeten met name toezicht houden op zowel de procedure als de interne beraadslagingen van de rechterlijke formatie waarvan zij voorzitter zijn. Hij vond het dan ook redelijk dat een voorzitter van een rechtsprekende formatie zich verplicht acht de juiste samenstelling ervan te verzekeren.(27)

38.      Op de vraag ter terechtzitting of deze overwegingen van toepassing zijn op nationale procedures als de onderhavige, heeft de Poolse regering bevestigend geantwoord. Deze regering heeft ook bevestigd dat de voorzitter van de rechterlijke formatie naar nationaal recht verschillende wegen kan bewandelen om te voorkomen dat de formatie die hij moet voorzitten, onrechtmatig is samengesteld. Hij kan bijvoorbeeld de president van de Sąd Najwyższy om een nieuwe loting verzoeken teneinde de rechters te vervangen die geen zitting kunnen hebben in de formatie.

39.      Dit brengt mij bij het volgende punt.

40.      Aan voornoemde vaststelling van relevantie kan evenmin worden afgedaan door het feit dat geen enkele bepaling van nationaal recht (en geen enkele nationale rechterlijke praktijk) de verwijzende rechter uitdrukkelijk toestaat maatregelen te nemen om de onverenigbaarheid van de toepasselijke nationale procedureregels met het Unierecht, in het geval dat het Hof deze zou vaststellen, op te heffen.

41.      Het Hof heeft de ontvankelijkheid van krachtens artikel 267 VWEU voorgelegde prejudiciële vragen steeds beoordeeld los van de nationale juridische mogelijkheden om de eventuele onverenigbaarheid tussen het nationale recht en het Unierecht op te heffen.(28) Het is vaste rechtspraak dat „met de vereisten die in de eigen aard van het recht van de Unie besloten liggen, onverenigbaar is elke bepaling van een nationale rechtsorde of elke wetgevende, bestuurlijke of rechterlijke praktijk die ertoe zou leiden dat aan de werking van het recht van de Unie wordt afgedaan, doordat aan de rechter die bevoegd is om dit recht toe te passen, de bevoegdheid wordt ontzegd, daarbij terstond al het nodige te doen om de nationale wettelijke bepalingen die de volle werking van de rechtstreeks toepasselijke regels van het recht van de Unie zouden kunnen verhinderen, ter zijde te stellen”.(29)

42.      De derde prejudiciële vraag betreft nu juist deze kwestie. Kort gezegd vraagt de verwijzende rechter het Hof wat hij in voorkomend geval moet doen om de onverenigbaarheid van het bepaalde in artikel 29 van de wet inzake de Sąd Najwyższy met artikel 19, lid 1, VEU te verhelpen. Het betoog dat de verwijzende rechter bij de huidige stand van het nationale recht niet in staat zou zijn om corrigerende maatregelen vast te stellen, heeft dus betrekking op de mogelijke gevolgen van de toepassing van de in de derde prejudiciële vraag bedoelde Unierechtelijke bepalingen, met name gelet op de voorrang van het Unierecht. Dergelijke argumenten hebben duidelijk betrekking op de kern van de prejudiciële vraag en kunnen dus niet tot de niet-ontvankelijkheid van de vragen leiden.(30)

43.      In dit verband voeg ik hieraan toe dat de Poolse regering ter terechtzitting ook heeft benadrukt dat er de jure niets aan in de weg staat dat een partij een of meer rechters van die formatie wraakt, waardoor de voor de behandeling van dat verzoek relevante procedure in gang zou worden gezet. Bovendien ga ik ervan uit dat de nationale regels inzake onthouding ook in dit stadium van de procedure volledig van toepassing zijn. Dit zou elke rechter die naar aanleiding van het arrest van het Hof in de onderhavige zaak meent dat zijn onpartijdigheid in het gedrang is gekomen, ertoe moeten aanzetten om vrijwillig uit de formatie te stappen.

44.      Concluderend zie ik in het dossier geen enkel element dat het in punt 18 van deze conclusie vermelde vermoeden van relevantie kan weerleggen. Bijgevolg ben ik van mening dat ook de tweede en de derde prejudiciële vraag ontvankelijk zijn.

B.      Ten gronde

1.      Eerste vraag

45.      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen of artikel 19, lid 1, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat alleen al de omstandigheden waarin een rechter is benoemd erop kunnen duiden dat niet aan de vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van deze rechter is voldaan, waardoor het recht op een doeltreffende voorziening in rechte bij een vooraf bij wet ingesteld gerecht wordt geschonden.

46.      De verwijzende rechter geeft aan dat er op nationaal niveau twee lijnen van rechtspraak bestaan met betrekking tot de ontvankelijkheid van een verzoek om toepassing van de onafhankelijkheids- en onpartijdigheidstoets bij de Sąd Najwyższy. Volgens de ene uitlegging van de betrokken nationale bepaling (te weten artikel 29 van de wet inzake de Sąd Najwyższy) moeten in een verzoek om een dergelijke toets niet alleen de onrechtmatige omstandigheden rond de benoeming van een rechter worden vermeld (en aangetoond), maar moet ook het gedrag van de rechter na de benoeming worden onderzocht, alsook de gevolgen van het gebrek aan onafhankelijkheid en onpartijdigheid voor de uitkomst van de betrokken zaak. Volgens de andere uitlegging van de nationale bepaling kunnen de omstandigheden rond de benoeming van een rechter op zich volstaan om twijfel te doen rijzen over de onpartijdigheid of de onafhankelijkheid van een rechter en hoeft de verzoeker daartoe dus geen andere elementen in te roepen.

47.      Mijns inziens kan een antwoord op de vraag van de verwijzende rechter worden gevonden in de rechtspraak van het Hof.

48.      In het arrest in de zaak Simpson heeft het Hof geoordeeld dat een onregelmatigheid bij de benoeming van rechters als zodanig een schending kan opleveren van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte bij een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Dit is het geval wanneer „die onregelmatigheid door haar aard en ernst het reële risico doet ontstaan dat andere onderdelen van de overheid, in het bijzonder de uitvoerende macht, een onbehoorlijke discretionaire bevoegdheid kunnen uitoefenen die afbreuk doet aan de integriteit van het resultaat van het benoemingsproces en aldus bij de justitiabelen legitieme twijfel oproept over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de betrokken rechter of rechters, wat het geval is wanneer fundamentele regels in het geding zijn die een integrerend deel vormen van de instelling en werking van dat gerechtelijke systeem”.(31)

49.      Het EHRM is in het arrest in de zaak Ástráðsson tot vrijwel dezelfde conclusie gekomen. Het heeft een drieledige toets toegepast om te bepalen of een onrechtmatige benoeming van een rechter als zodanig een schending oplevert van het recht op een „gerecht dat bij de wet is ingesteld” in de zin van artikel 6, lid 1, EVRM. Het EHRM is in wezen nagegaan of: i) de interne regels inzake de benoeming van rechters kennelijk waren geschonden; ii) de schending betrekking had op een regel van wezenlijk belang voor de benoeming van rechters, en iii) de schending daadwerkelijk door de nationale rechterlijke instanties was getoetst en hersteld. Meer bepaald heeft het EHRM benadrukt dat de schending moet worden beoordeeld „in het licht van het voorwerp en het doel van het vereiste van een ‚gerecht dat bij de wet is ingesteld’, namelijk dat ervoor wordt gezorgd dat de rechterlijke macht in staat blijft zijn taken zonder ongeoorloofde inmenging te vervullen en aldus de rechtsstaat en de scheiding der machten in stand wordt gehouden”. Zo heeft het EHRM geoordeeld dat „louter technische tekortkomingen die geen invloed hebben op de legitimiteit van de benoemingsprocedure, moeten worden geacht onder de relevante drempel te vallen”.(32)

50.      Deze beginselen zijn steeds bevestigd in latere rechtspraak van het Hof van Justitie(33) en zijn concreet toegepast in het arrest in de zaak Krajowa Rada Sądownictwa. In die zaak heeft het Hof een prejudiciële verwijzing van de Sąd Najwyższy (Izba Kontroli Nadzwyczajnej i Spraw Publicznych) [hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken (kamer voor bijzondere controle en publieke zaken), Polen] niet-ontvankelijk verklaard. Het Hof heeft geoordeeld dat de betrokken rechtsprekende formatie, vanwege de wijze waarop de rechters waaruit deze formatie bestaat waren benoemd, niet de hoedanigheid had van onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij wet ingesteld gerecht, zodat deze formatie geen „rechterlijke instantie” vormde in de zin van artikel 267 VWEU.(34)

51.      In dit verband kan het nuttig zijn eraan te herinneren dat het Hof in zijn rechtspraak steeds het belang van de procedure voor de benoeming van rechters heeft benadrukt. Het Hof heeft verklaard dat de procedure voor de benoeming van rechters, gelet op de fundamentele gevolgen ervan voor de goede werking en de legitimiteit van de rechterlijke macht in een democratische rechtsstaat, noodzakelijkerwijs inherent is aan het begrip „gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld”.(35)

52.      Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat alleen al bepaalde tekortkomingen in de procedure voor de benoeming van rechters erop kunnen wijzen dat de betrokken rechters niet voldoen aan de vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid. In dergelijke gevallen kan van de partij die dit aan de orde stelt, niet worden verlangd dat zij aanvullende elementen aandraagt ter staving van die tekortkoming. In dit verband wijs ik erop dat alle partijen die in casu opmerkingen hebben ingediend – met enkele nuances – deze conclusie delen.

53.      Evenwel leek de Commissie het standpunt dat zij in haar schriftelijke opmerkingen had ingenomen, ter terechtzitting enigszins te wijzigen. Zij benadrukte in dit verband dat het belangrijk is om na te gaan welke gevolgen een onrechtmatige benoeming kan hebben voor een specifiek geding, en verwees daarbij naar de in voetnoot 37 van deze conclusie genoemde arresten van het Hof in de zaken Openbaar Ministerie. Opgemerkt zij dat deze zaken betrekking hadden op de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) op grond van kaderbesluit 2002/584/JBZ.(36) Het Hof heeft in zijn arresten in wezen geoordeeld dat, wanneer de uitvoerende rechterlijke autoriteit over gegevens beschikt die blijk geven van structurele of fundamentele gebreken met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in de uitvaardigende lidstaat, bijvoorbeeld in de procedure voor de benoeming van de leden van de rechterlijke macht, zij de tenuitvoerlegging enkel mag weigeren indien zij van oordeel is dat er in de bijzondere omstandigheden van het geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de betrokkene door die gebreken een reëel gevaar kan lopen van schending van het recht op een eerlijk proces – bij een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.(37)

54.      Ik heb er moeite mee om te begrijpen op basis waarvan de Commissie een parallel trekt met de onderhavige zaak.

55.      De tweestappentoets is aanvankelijk ontwikkeld in verband met de bescherming van personen die zouden kunnen worden blootgesteld aan schending van het absolute verbod van een onmenselijke of vernederende behandeling(38), en is vervolgens ook toegepast op situaties waarin het fundamentele recht op een daadwerkelijke voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht in het gedrang kon komen.(39) Deze toets is ontwikkeld en toegepast binnen een duidelijk afgebakend rechtsgebied, dat op het niveau van de Unie is geharmoniseerd. Met deze rechtspraak heeft het Hof door een rechterlijk fiat een ongeschreven grond geïntroduceerd voor uitzonderlijke weigering om een EAB ten uitvoer te leggen.(40)

56.      Evenwel kan, zoals het Hof duidelijk heeft gemaakt in zijn arresten in de zaken Openbaar Ministerie, een uitvoerende rechterlijke autoriteit die over gegevens beschikt die blijk geven van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat, niet de hoedanigheid van „uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van kaderbesluit 2002/584 ontzeggen aan alle rechters en aan alle rechterlijke instanties van die lidstaat die naar hun aard volledig onafhankelijk van de uitvoerende macht handelen. Het bestaan van dergelijke gebreken is immers niet noodzakelijkerwijs van invloed op elke beslissing die de rechterlijke instanties van die lidstaat in elk specifiek geval kunnen nemen. Een tegenovergestelde uitlegging zou er volgens het Hof op neerkomen dat de beperkingen die aan de beginselen van onderling vertrouwen en wederzijdse erkenning kunnen worden gesteld, verder dan „uitzonderlijke omstandigheden” worden opgerekt, doordat zij ertoe leiden dat de toepassing van deze beginselen algemeen wordt uitgesloten ten aanzien van een gehele lidstaat. Dit zou onder andere de verwezenlijking van de doelstelling van kaderbesluit 2002/584 in gevaar brengen en afdoen aan de beginselen van onderling vertrouwen en wederzijdse erkenning, die ten grondslag liggen aan dat kaderbesluit.(41)

57.      In situaties als die in de zaken Openbaar Ministerie blijkt dus dat het structurele gebrek van het rechtsstelsel van een bepaalde lidstaat wel of niet gevolgen kan hebben voor de wijze waarop het hoofdgeding wordt beslecht. In de onderhavige zaak kunnen deze gevolgen daarentegen inherent zijn aan de situatie die voor de verwijzende rechter aan de orde is. Zoals in het volgende onderdeel van deze conclusie zal worden uiteengezet, moeten bepaalde rechters van de rechtsprekende formatie zich wellicht uitspreken over een rechtsvraag waarbij zij een persoonlijk belang kunnen hebben, aangezien hun beslissing hun eigen rechtspositie kan raken. Zo is, zelfs als we de logica van de arresten in de zaken Openbaar Ministerie zouden toepassen, het risico van mogelijke negatieve gevolgen van het vermeende gebrek aan onpartijdigheid van de betrokken rechters ten aanzien van gedingen als het hoofdgeding in de zaak zelf gelegen.

58.      Gelet op het voorgaande moet het antwoord op de eerste vraag mijns inziens luiden dat artikel 19, lid 1, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat alleen al de omstandigheden waarin een rechter is benoemd erop kunnen duiden dat niet aan de vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van deze rechter is voldaan wanneer deze omstandigheden een onregelmatigheid inhouden die door haar aard en ernst bij de justitiabelen legitieme twijfel oproept over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de betrokken rechter.

2.      Tweede vraag

59.      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen of artikel 19, lid 1, VEU, uitgelegd in het licht van artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de vraag of een nationale rechter aan het vereiste van onafhankelijkheid en onpartijdigheid voldoet, wordt onderzocht door een rechtsprekende formatie waarin rechters zetelen wier positie, gelet op de wijze waarop zij zijn benoemd, vrijwel gelijk kan zijn aan die van de rechter die wordt getoetst.

60.      Ik ben van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord.

61.      Om te beginnen hoef ik er nauwelijks op te wijzen dat – overeenkomstig artikel 19, lid 1, VEU en artikel 47 van het Handvest – elke rechtsprekende formatie die bevoegd is op gebieden die onder het Unierecht vallen in elke fase van de procedure met betrekking tot elk juridisch geschil moet voldoen aan de eis van rechterlijke onafhankelijkheid.

62.      Het Hof heeft consequent verklaard dat artikel 19 VEU het in artikel 2 VEU neergelegde beginsel van de rechtsstaat concretiseert.(42) Volgens het Hof is het recht op effectieve rechterlijke toetsing door een onafhankelijk gerecht – dat thans is neergelegd in artikel 47 van het Handvest – „inherent aan het bestaan van een rechtsstaat”.(43) Hierbij vormen de waarborgen voor toegang tot een onafhankelijk en onpartijdig gerecht de hoeksteen van het recht op een eerlijk proces.(44)

63.      Volgens vaste rechtspraak kent het Unierechtelijke begrip „rechterlijke onafhankelijkheid” twee aspecten. Het eerste, externe, aspect vereist dat de betrokken instantie haar taken volledig autonoom uitoefent, zonder enig hiërarchisch verband en zonder aan wie dan ook ondergeschikt te zijn of van waar dan ook bevelen of instructies te ontvangen, en aldus beschermd is tegen inmenging of druk van buitenaf die de onafhankelijkheid van de oordeelsvorming van haar leden in gevaar zou kunnen brengen en van invloed zou kunnen zijn op hun beslissingen.(45)

64.      Het tweede aspect – dat in casu relevant is – is intern van aard en sluit aan bij het begrip „onpartijdigheid”. Het heeft betrekking op het houden van gelijke afstand ten opzichte van de partijen bij het geding en hun respectieve belangen met betrekking tot het voorwerp van het geding. Voor dit aspect is het nodig dat objectiviteit in acht wordt genomen en dat elk belang bij de oplossing van het geschil, buiten de strikte toepassing van de rechtsregel, ontbreekt.(46)

65.      Zoals advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer heeft benadrukt in zijn conclusie in de zaak De Coster, vereist onpartijdigheid „de psychologische houding van aanvankelijke onverschilligheid” van de rechters ten aanzien van de gedingen, zodat zij een gelijke afstand tot de partijen houden (en die indruk ook wekken).(47) Meer in het algemeen zou ik zeggen dat onpartijdigheid vereist dat rechters geen gevestigd belang, vooringenomenheid of vooroordeel hebben ten aanzien van de gedingen waarvan zij kennis nemen, zodat zij alle partijen gelijk en billijk behandelen. Deze beginselen komen tot uiting in het in de inleiding van deze conclusie genoemde Latijnse adagium nemo iudex in causa sua, waarnaar in verschillende conclusies van advocaten-generaal(48) en door het EHRM(49) is verwezen.

66.      Het lijkt mij duidelijk dat wanneer een rechtsprekende formatie vragen over de onafhankelijkheid van een bepaalde rechter onderzoekt, de leden van die formatie niet zelf door die vragen mogen worden geraakt. Dit betekent dat wanneer de onafhankelijkheid van een rechter in twijfel wordt getrokken op grond van een beweerdelijk onrechtmatige benoemingsprocedure, de rechters die de zaak beoordelen niet via dezelfde (of een vergelijkbare) procedure kunnen zijn benoemd.

67.      Anders zijn zij mogelijk niet onverschillig – of wekken zij de indruk niet onverschillig te zijn – ten aanzien van de rechtsvragen die aan de orde zijn, aangezien zij uitspraak zouden doen over een kwestie die hen rechtstreeks raakt. Hun eigen status van onafhankelijke rechters zou immers in twijfel kunnen worden getrokken indien zij kennis zouden nemen van de door een partij opgeworpen kwesties. Bijgevolg zijn de meeste justitiabelen waarschijnlijk van mening dat deze rechters een persoonlijk belang hebben bij de uitkomst van de procedure en als zodanig niet volledig onpartijdig kunnen zijn.

68.      Derhalve moet mijns inziens op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 19, lid 1, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat wanneer de onafhankelijkheid of onpartijdigheid van een rechter door een rechtsprekende formatie wordt getoetst omdat de benoemingsprocedure onrechtmatig zou zijn verlopen, de rechters die de zaak behandelen niet volgens dezelfde of een vergelijkbare procedure mogen zijn benoemd.

3.      Derde vraag

69.      Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 19, lid 1, VEU, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat een nationale rechter die is belast met de toetsing van de onafhankelijkheid van bepaalde rechters, in de rechtsprekende formatie die de toets uitvoert geen rechters mag opnemen die mogelijk niet onpartijdig zijn of die indruk wekken, en, als dit zo is, welke maatregelen daartoe moeten worden vastgesteld.

70.      Zoals het Hof consequent heeft verklaard, heeft artikel 19, lid 1, VEU, uitgelegd in het licht van artikel 47 van het Handvest, rechtstreekse werking.(50)

71.      Indien een nationale wettelijke regeling of praktijk in strijd is met de vereisten van artikel 19, lid 1, VEU en artikel 47 van het Handvest, moet de verwijzende rechter dus al het mogelijke doen om die onverenigbaarheid op te heffen, om in het hem voorgelegde geschil te zorgen voor de volle werking van de uit het Unierecht voortvloeiende vereisten, en aldus het recht van de betrokken partijen op een eerlijk proces te waarborgen.(51)

72.      Welke concrete maatregel de verwijzende rechter in casu daadwerkelijk kan (of moet) nemen, hangt hoofdzakelijk af van het nationale recht. Bij gebreke van harmonisatie van nationale procedures is het immers, overeenkomstig het beginsel van procedurele autonomie, een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de bevoegde rechterlijke instanties aan te wijzen en de procedureregels vast te stellen voor vorderingen die worden ingesteld ter bescherming van de aan het Unierecht ontleende individuele rechten. Hierbij geldt wel als voorwaarde dat deze nationale regels niet ongunstiger zijn dan die welke gelden voor soortgelijke situaties waarop het nationale recht van toepassing is (gelijkwaardigheidsbeginsel) en dat zij de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel).(52)

73.      Mocht de verwijzende rechter derhalve van oordeel zijn dat de toepassing van de relevante nationale wetgeving – in haar huidige vorm of eenvoudigweg zoals zij thans wordt uitgelegd – zou leiden tot een schending van het individuele recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een eerlijk proces, dan zou die rechter de nationale regels in overeenstemming met het Unierecht kunnen uitleggen(53) of, in voorkomend geval, de betrokken nationale bepalingen buiten toepassing kunnen laten(54) teneinde de rechters uit te sluiten die in deze zaak mogelijk niet de nodige onpartijdigheid bezitten of lijken te bezitten.

74.      Dit zou bijvoorbeeld kunnen betekenen dat van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verzoek kennis wordt genomen door een formatie van een kleiner aantal rechters, of dat bij een nieuwe loting andere rechters worden geselecteerd om weer tot een formatie van vijf rechters te komen. Uiteraard kunnen ook andere maatregelen worden overwogen. In beginsel schrijft het Unierecht geen specifieke maatregel voor; het gaat erom dat de maatregel waarin het nationale recht voorziet, de doeltreffendheid van de beginselen van artikel 19, lid 1, VEU en artikel 47 van het Handvest verzekert.

75.      Zoals in de punten 24, 38 en 43 van deze conclusie is vermeld, lijkt het erop dat het nationale recht voorziet in algemene beginselen en regels die, in het kader van de behandeling van situaties als die in het hoofdgeding, een leemte kunnen opvullen die kan zijn ontstaan door het ontbreken van specifieke regels in de wet inzake de Sąd Najwyższy.

76.      Gelet op een en ander luidt het antwoord op de derde vraag mijns inziens dat artikel 19, lid 1, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat rechters die mogelijk niet de nodige onpartijdigheid bezitten of lijken te bezitten om een zaak betreffende de onafhankelijkheid van rechters te kunnen toetsen, moeten worden uitgesloten van de rechtsprekende formatie die die zaak behandelt. Het is een aangelegenheid van de interne rechtsorde van de lidstaat om de procedureregels vast te stellen om te verzekeren dat een dergelijke zaak wordt behandeld door een rechtsprekende formatie die voldoet aan de vereisten die voortkomen uit het fundamentele recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht.

V.      Conclusie

77.      Concluderend geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen van de Sąd Najwyższy te beantwoorden als volgt:

„Artikel 19, lid 1, VEU, uitgelegd in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

moet aldus worden uitgelegd dat

1)      alleen al de omstandigheden waarin een rechter is benoemd erop kunnen duiden dat niet aan de vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van deze rechter is voldaan wanneer deze omstandigheden een onregelmatigheid inhouden die door haar aard en ernst bij de justitiabelen legitieme twijfel oproept over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de betrokken rechter;

2)      wanneer de onafhankelijkheid of onpartijdigheid van een rechter door een rechtsprekende formatie wordt getoetst omdat de benoemingsprocedure onrechtmatig zou zijn verlopen, de rechters die de zaak behandelen niet volgens dezelfde of een vergelijkbare procedure mogen zijn benoemd, en

3)      rechters die mogelijk niet de nodige onpartijdigheid bezitten of lijken te bezitten om een zaak betreffende de onafhankelijkheid van rechters te kunnen toetsen, moeten worden uitgesloten van de rechtsprekende formatie waarbij die die zaak behandelt. Het is een aangelegenheid van de interne rechtsorde van de lidstaat om de procedureregels vast te stellen om te verzekeren dat een dergelijke zaak wordt behandeld door een rechtsprekende formatie die voldoet aan de vereisten die voortkomen uit het fundamentele recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht.”


1      Oorspronkelijke taal: Engels.


i      Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.


2      Zie met name, Yale, D.E.C., „Iudex in propria causa: An historical excursus”, The Cambridge Law Journal, deel 33, nr. 1, 1974, blz. 80‑96, en Neudorf, L., „Judicial independence: The judge as a third party to the dispute”, Oxford University Comparative Law Forum 2, 2015.


3      Codex 3.5.1: „neminem sibi esse iudicem vel ius sibi dicere debere” (niemand mag zijn eigen rechter zijn of uitspraak doen in eigen zaak).


4      Zie ook conclusie van advocaat-generaal Ćapeta in de zaak Vivacom Bulgaria (C‑369/23, EU:C:2024:612, punt 1).


5      Het woord „vooraf” komt alleen in artikel 47 van het Handvest voor.


6      Bijvoorbeeld in artikel 30, lid 2, van de grondwet van de Republiek Cyprus.


7      Bijvoorbeeld in beginsel 2 van de „Grondbeginselen inzake de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht” van de Verenigde Naties, die op 6 september 1985 zijn aangenomen door het Zevende Congres van de Verenigde Naties inzake de voorkoming van misdaad en behandeling van misdadigers, dat van 26 augustus tot en met 6 september 1985 te Milaan is gehouden.


8      Zie met name arresten van 24 juni 2019, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid van de Sąd Najwyższy) (C‑619/18, EU:C:2019:531); 5 november 2019, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid van de gewone rechterlijke instanties) (C‑192/18, EU:C:2019:924), en 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy) (C‑585/18, C‑624/18 en C‑625/18, EU:C:2019:982).


9      Zie met name EHRM, 22 juli 2021, Reczkowicz tegen Polen (CE:ECHR:2021:0722JUD004344719); EHRM, 8 november 2021, Dolińska-Ficek en Ozimek tegen Polen (CE:ECHR:2021:1108JUD004986819), en EHRM, 15 maart 2022, Grzęda tegen Polen (CE:ECHR:2022:0315JUD004357218).


10      Dz. U. 2018, volgnr. 5.


11      Dz. U. 2022, volgnr. 1259.


12      PB 2012, L 351, blz. 1.


13      Zie in die zin arrest van 25 februari 2025, Sąd Rejonowy w Białymstoku en Adoreikė (C‑146/23 en C‑374/23, EU:C:2025:109, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


14      Ibidem.


15      Zie in die zin arrest van 9 januari 2024, G. e.a. (Benoeming van rechters in de gewone rechterlijke instanties in Polen) (C‑181/21 en C‑269/21, EU:C:2024:1, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak) (hierna: „arrest G. e.a.”).


16      Zie in dit verband arrest van 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny (C‑558/18 en C‑563/18, EU:C:2020:234, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak) (hierna: „arrest Miasto Łowicz”).


17      Zie hierover arrest Miasto Łowicz, punten 49‑52.


18      Zie bijvoorbeeld arresten van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy) (C‑585/18, C‑624/18 en C‑625/18, EU:C:2019:982, punten 99 en 100); 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming) (C‑487/19, EU:C:2021:798, punten 93 en 94), en 16 november 2021, Prokuratura Rejonowa w Mińsku Mazowieckim e.a. (C‑748/19–C‑754/19, EU:C:2021:931, punten 48‑49) (hierna: „arrest Prokuratura Rejonowa”).


19      Zie bijvoorbeeld beschikkingen van 6 september 2018, Di Girolamo (C‑472/17, EU:C:2018:684), en 17 december 2019, Di Girolamo (C‑618/18, EU:C:2019:1090).


20      Zie met name arrest van 12 maart 1998, Djabali (C‑314/96, EU:C:1998:104, punten 21 en 22).


21      Zie met name arrest G. e.a., punten 74‑80.


22      Zie bijvoorbeeld beschikkingen van 5 juni 2014, Antonio Gramsci Shipping e.a. (C‑350/13, EU:C:2014:1516, punten 11 en 12), en 10 februari 2015, Liivimaa Lihaveis (C‑175/13, EU:C:2015:80, punt 20).


23      Zie bijvoorbeeld beschikking van 16 mei 1994, Monin Automobiles (C‑428/93, EU:C:1994:192, punten 12‑15), en arrest Prokuratura Rejonowa, punten 93 en 94.


24      Zie in die zin arrest Miasto Łowicz, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


25      Zie punten 40‑50 van arrest Prokuratura Rejonowa. Zie ook, in detail, conclusie van advocaat-generaal Bobek in dezelfde zaken (EU:C:2021:403, punten 48‑66 en 73‑129) (hierna: „conclusie in de zaak Prokuratura Rejonowa”).


26      Punten 69‑72 van arrest G. e.a.


27      Conclusie in de zaak Prokuratura Rejonowa, punten 63‑66.


28      Zie conclusie in de zaak Prokuratura Rejonowa, punt 90.


29      Zie bijvoorbeeld arresten van 9 maart 1978, Administratie van de Staatsfinanciën/Simmenthal (106/77, EU:C:1978:49, punten 22 en 23), en 8 september 2010, Winner Wetten (C‑409/06, EU:C:2010:503, punten 56 en 57).


30      Zie in die zin arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming) (C‑487/19, EU:C:2021:798, punt 90 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


31      Arrest van 26 maart 2020, Réexamen Simpson/Raad en HG/Commissie (C‑542/18 RX‑II en C‑543/18 RX‑II, EU:C:2020:232, punt 75).


32      EHRM, 1 december 2020, Guðmundur Andri Ástráðsson tegen IJsland (CE:ECHR:2020:1201JUD002637418, §§ 244‑252).


33      Zie met name arresten van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming) (C‑487/19, EU:C:2021:798, punt 130), en 29 maart 2022, Getin Noble Bank (C‑132/20, EU:C:2022:235, punt 122).


34      Arrest van 21 december 2023, Krajowa Rada Sądownictwa (Aanblijven van een rechter) (C‑718/21, EU:C:2023:1015, punten 30‑78).


35      Ibidem, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


36      Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1), zoals gewijzigd.


37      Arresten van 17 december 2020, Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit) (C‑354/20 PPU en C‑412/20 PPU, EU:C:2020:1033), en 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat) (C‑562/21 PPU en C‑563/21 PPU, EU:C:2022:100).


38      Zie met name arrest van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru (C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198).


39      Zie arrest van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) (C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586).


40      Zie hierover mijn conclusie in de zaak Staatsanwaltschaft Aachen (C‑819/21, EU:C:2023:386, punten 30‑34).


41      Zie in die zin arresten van 17 december 2020, Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit) (C‑354/20 PPU en C‑412/20 PPU, EU:C:2020:1033, punten 41‑43), en 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat) (C‑562/21 PPU en C‑563/21 PPU, EU:C:2022:100, punten 63 en 82‑102).


42      Zie in die zin arrest van 5 juni 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters) (C‑204/21, EU:C:2023:442, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


43      Zie in die zin arrest van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses (C‑64/16, EU:C:2018:117, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


44      Zie bijvoorbeeld arrest van 5 juni 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters) (C‑204/21, EU:C:2023:442, punt 71).


45      Zie recentelijk arrest van 19 december 2024, Vivacom Bulgaria (C‑369/23, EU:C:2024:1043, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


46      Ibidem, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


47      C‑17/00, EU:C:2001:366, punt 93, onder verwijzing naar het werk van jurist P. Calamandrei.


48      Zie met name conclusies van advocaat-generaal Hogan in de zaak Banco de Santander (C‑274/14, EU:C:2019:802, punt 31); advocaat-generaal Bobek in de zaak Adler Real Estate e.a. (C‑546/18, EU:C:2021:219, punt 64); advocaat-generaal Tanchev in de zaak A.B. e.a. (Benoeming van de rechters bij de Sąd Najwyższy – Beroep) (C‑824/18, EU:C:2020:1053, punt 134), en advocaat-generaal Ćapeta in de zaak Vivacom Bulgaria (C‑369/23, EU:C:2024:612, punt 28).


49      Zie met name EHRM, 23 november 2023, Wałęsa tegen Polen (CE:ECHR:2023:1123JUD005084921, § 180).


50      Zie bijvoorbeeld arrest van 5 juni 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters) (C‑204/21, EU:C:2023:442, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


51      Ibidem, punt 228 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


52      Zie recentelijk arrest van 3 april 2025, Barouk (C‑283/24, EU:C:2025:236, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


53      In dit verband is het vaste rechtspraak van het Hof dat de verplichting tot Unierechtconforme uitlegging de nationale rechterlijke instanties, daaronder begrepen die welke in laatste aanleg uitspraak doen, verplicht om in voorkomend geval vaste nationale rechtspraak te wijzigen wanneer deze berust op een met de doelstellingen van het Unierecht onverenigbare uitlegging van het nationale recht. Bijgevolg kan een nationale rechter niet op goede gronden oordelen dat hij een nationale bepaling niet in overeenstemming met het Unierecht kan uitleggen op de enkele grond dat deze bepaling tot dan toe steeds is uitgelegd op een wijze die onverenigbaar is met dit recht. Zie in die zin arrest van 30 april 2025, Nastolo (C‑370/24, EU:C:2025:300, punten 44 en 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


54      Zie, met nadere verwijzingen, arrest van 24 juni 2019, Popławski (C‑573/17, EU:C:2019:530, punt 58).

Top