Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52025DC0200

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, DE EUROPESE CENTRALE BANK, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ, HET COMITÉ VAN DE REGIO’S EN DE EUROPESE INVESTERINGSBANK Europees Semester 2025 – Voorjaarspakket

COM/2025/200 final

Brussel, 4.6.2025

COM(2025) 200 final

MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, DE EUROPESE CENTRALE BANK, HET EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ, HET COMITÉ VAN DE REGIO’S EN DE EUROPESE INVESTERINGSBANK

Europees Semester 2025 – Voorjaarspakket
















1.INLEIDING 

De economie van de EU zal de komende jaren naar verwachting groeien, maar de volatiele handels- en veiligheidssituatie zet een rem op de groei. De Europese economie gaat de komende jaren een matige groei tegemoet, wat een gunstig klimaat schept voor bedrijven om te investeren en banen te creëren. De volatiele internationale handel en veiligheidssituatie wegen echter op de handelsprestaties van de EU en op de economische groei.

Beleid ter versterking van het concurrentievermogen is essentieel om de economie van de EU een impuls te geven en duurzame welvaart te bevorderen. In het EU-kompas voor concurrentievermogen 1 worden de prioriteiten en acties uiteengezet die de komende vijf jaar als leidraad dienen voor de werkzaamheden van de Commissie, waarbij de versterking van het concurrentievermogen als overkoepelende doelstelling is aangemerkt. Het biedt een kader om het concurrentievermogen te stimuleren door de innovatiekloof te dichten, onze economie koolstofvrij te maken, buitensporige afhankelijkheden te verminderen en de veiligheid te vergroten, onder meer door defensievermogens op te bouwen. Dit moet het groeipotentieel van de EU in alle lidstaten en regio’s stimuleren en tegelijkertijd de vooruitgang van de EU bij de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) van de VN ondersteunen. Om het concurrentievermogen in alle sectoren te ondersteunen, worden in het kompas voor concurrentievermogen bovendien horizontale katalysatoren vastgesteld: i) de regelgevingscontext vereenvoudigen, de administratieve lasten verminderen en snelheid en flexibiliteit bevorderen; ii) de schaalvoordelen van de eengemaakte markt optimaal benutten door belemmeringen weg te nemen; iii) financiering bieden via een spaar- en investeringsunie en een geheroriënteerde EU-begroting; iv) vaardigheden en hoogwaardige banen bevorderen, waarbij sociale rechtvaardigheid wordt gewaarborgd; en v) beleid op EU- en nationaal niveau beter coördineren. Via zijn landspecifieke aanbevelingen weerspiegelt het Europees Semester deze nieuwe prioriteiten en biedt het de lidstaten richtsnoeren voor prioritaire hervormingen en investeringen.

EU-begrotingsinstrumenten zoals het cohesiebeleid en de herstel- en veerkrachtfaciliteit blijven de gemeenschappelijke doelstellingen van de EU bevorderen via nationale investeringen en hervormingen. De herstel- en veerkrachtfaciliteit heeft inmiddels meer dan 300 miljard EUR uitbetaald, ondersteunt de uitvoering van landspecifieke aanbevelingen en stimuleert structurele hervormingen op belangrijke beleidsterreinen ter versterking van het concurrentievermogen. Voorbeelden hiervan zijn de steun die aan de lidstaten wordt geboden om te voldoen aan de behoeften op het gebied van onderzoek en innovatie (55 miljard EUR aan vastgelegde middelen uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit), onder meer door de governance te verbeteren en de nodige investeringen aan te trekken. In het kader van cohesiebeleidsprogramma’s maken de lidstaten meer dan 525 miljard EUR 2 vrij om regionaal concurrentievermogen en regionale groei te stimuleren. De decarbonisatieagenda van de EU wordt ondersteund met meer dan 42 % van de vastgelegde middelen uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit (276 miljard EUR) en bijna 130 miljard EUR 3 wordt vrijgemaakt in het kader van het cohesiebeleid voor de doelstelling “Een groener Europa”. Wat werkgelegenheid betreft, worden structurele uitdagingen op de arbeidsmarkten van de lidstaten aangepakt door middel van hervormingen in het kader van de herstel- en veerkrachtplannen. Hervormingen op het gebied van onderwijs en opleiding dragen bij tot de bevordering van hoogwaardige werkgelegenheid, de ontwikkeling van vaardigheden en inclusie. Ongeveer 68 miljard EUR 4 uit de fondsen van het cohesiebeleid zal worden geïnvesteerd in maatregelen ter ondersteuning van bijvoorbeeld vaardigheidstraining, adviesverlening en investeringen in formele en niet-formele onderwijs- en opleidingsstelsels.

De EU vertaalt haar strategische prioriteiten naar echte acties op EU-, nationaal en regionaal niveau. Vorig jaar al werd het platform voor strategische technologieën voor Europa (STEP) gelanceerd om middelen uit elf EU-programma’s te bundelen ter ondersteuning van het concurrentievermogen van de EU op het gebied van strategische technologieën in alle lidstaten. Verder heeft de Europese Commissie een voorstel 5 over de tussentijdse evaluatie van het cohesiebeleid ingediend om de bijdrage van het cohesiebeleid 2021-2027 aan de huidige en nieuwe politieke prioriteiten van de EU te maximaliseren, waarbij het concurrentievermogen, de decarbonisatie, defensie, betaalbare huisvesting, de toegang tot water, duurzaam waterbeheer en de energietransitie meer worden ondersteund, in samenwerking met nationale, regionale en lokale overheden, alsook een voorstel om defensie toe te voegen als vierde strategische sector voor STEP. Het instrument voor technische ondersteuning zal een belangrijke ondersteunende rol spelen, met zijn enige vlaggenschipinitiatief voor 2026, dat erop gericht is lidstaten te steunen bij de uitvoering van hervormingen die zijn uiteengezet in de landspecifieke aanbevelingen van het Europees Semester. Vanaf volgend jaar zal het sociaal klimaatfonds op basis van nationale plannen financiering verstrekken om energie- en vervoersgerelateerde armoede aan te pakken. Zoals uiteengezet in De weg naar het volgende meerjarig financieel kader 6 , is het met de volgende EU-begroting de bedoeling nauw samen te werken met de lidstaten en hun regio’s om cruciale hervormingen en investeringen door te voeren. Als centraal mechanisme voor de coördinatie van het economisch en werkgelegenheidsbeleid zal het Europees Semester aan deze doelstelling bijdragen door vast te stellen aan welke behoeften de lidstaten aandacht moeten besteden om belangrijke economische en sociale uitdagingen aan te pakken. Dit zal worden aangevuld met het instrument voor de coördinatie van het concurrentievermogen, dat zal worden ingevoerd als follow-up van het kompas voor concurrentievermogen om het industrie- en onderzoeksbeleid en de investeringen op EU- en nationaal niveau af te stemmen op projecten van gemeenschappelijk Europees belang of met Europese meerwaarde. 

De afgelopen decennia hebben aangetoond dat er te weinig is geïnvesteerd in de Europese defensievermogens en dat de bestedingen niet efficiënt genoeg waren. Gezien de huidige geopolitieke context en de existentiële uitdaging waarmee Europa wordt geconfronteerd als gevolg van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, moet Europa zijn defensievermogens versterken en een sterke industriële basis opbouwen. Om de lidstaten extra begrotingsruimte te geven om hun defensie-uitgaven binnen de begrotingsregels van de EU te verhogen, stelt de Commissie aanbevelingen van de Raad voor om de nationale ontsnappingsclausule in het kader van het stabiliteits- en groeipact te activeren (zie kader 1). De lidstaten worden aangemoedigd innovatie, onderzoek en ontwikkeling op defensiegebied te stimuleren, onder meer door gebruik te maken van de financiële steun uit het Europees Defensiefonds, de EU-regeling voor defensie-innovatie (Eudis), het SAFE-instrument voor de financiering van gemeenschappelijke aanbestedingsprojecten en vrijwillige toewijzingen uit andere EU-fondsen onder gedeeld beheer. Gezamenlijke aanbestedingen kunnen verder bijdragen tot de inspanningen van de lidstaten om hun industriële defensievermogens en hun technologische basis te versterken. Rekening houdend met de flexibiliteit die de nationale ontsnappingsclausules bieden en op basis van prognoses van geleidelijke invoering, zouden de defensie-investeringen de komende vier jaar in totaal ten minste 800 miljard EUR kunnen bedragen 7 .

2.AANPAK VAN DE LANDSPECIFIEKE AANBEVELINGEN VAN 2025

De landverslagen van 2025 bevatten een grondige analyse van de economische, sociale en werkgelegenheidsontwikkelingen in de lidstaten, in lijn met het kader van het kompas voor concurrentievermogen. In deze verslagen worden voor elke lidstaat de belangrijkste uitdagingen die van invloed zijn op het concurrentievermogen en de welvaart belicht. Zij bevatten ook een geactualiseerde evaluatie van de vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering van eerdere landspecifieke aanbevelingen, de absorptie van EU-middelen, de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen en de naleving van de hervormde begrotingsregels. Voor het eerst weerspiegelt deze evaluatie de jaarlijkse voortgangsverslagen die de lidstaten hebben ingediend over de uitvoering van hun budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn, als onderdeel van het nieuwe kader voor economische governance.

De landspecifieke aanbevelingen voor 2025 bevatten uitgebreide en coherente beleidsrichtsnoeren. Nu de herstel- en veerkrachtfaciliteit in 2026 afloopt, wordt in de cyclus 2025 van het Europees Semester overgestapt op een uitgebreidere reeks landspecifieke aanbevelingen, waarbij de tijdens de eerdere uitvoeringsfasen van de herstel- en veerkrachtfaciliteit ingevoerde aanpak wordt uitgefaseerd. Als zodanig biedt de cyclus 2025 richtsnoeren voor hervormings- en investeringsprioriteiten in elke lidstaat op basis van een bredere analyse om de relevante structurele uitdagingen te identificeren.

De vereenvoudigingsinspanningen van de Commissie komen tot uiting in het Europees Semester. De uitstaande landspecifieke aanbevelingen voor de periode 2019-2024 zijn kritisch geëvalueerd, rekening houdend met de dekking ervan in de herstel- en veerkrachtplannen en de blijvende relevantie ervan. Op basis daarvan, en rekening houdend met nieuwe uitdagingen, bevatten de landspecifieke aanbevelingen voor 2025 een geconsolideerde reeks aanbevelingen met betrekking tot de verdere beleidsmaatregelen die de betrokken lidstaat nodig heeft. Dit zal de transparantie ten goede komen en de jaarlijkse verslaglegging over en evaluatie van de vooruitgang bij de uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen door de lidstaten en de Commissie helpen vereenvoudigen.

De snelle uitvoering van EU-fondsen en de maximalisatie van de impact ervan blijft een hoge prioriteit. Nu de herstel- en veerkrachtfaciliteit haar eindfase ingaat, met nog slechts anderhalf jaar te gaan tot de deadline van augustus 2026, wordt de doeltreffende uitvoering van hervormingen en investeringen door de lidstaten steeds urgenter. Om de vooruitgang te versnellen, zijn de aanbevelingen voor de uitvoering van de herstel- en veerkrachtfaciliteit afgestemd op de omvang en urgentie van de vereiste acties. Lidstaten met een herstel- en veerkrachtplan dat minder dan 3 % van het bbp vertegenwoordigt, worden aangemoedigd om de uitvoering binnen het oorspronkelijk voorziene tijdschema van augustus 2026 te voltooien. Van de landen waarvan het herstel- en veerkrachtplan meer dan 3 % van het bbp vertegenwoordigt, wordt er bij de landen die nog meer dan 85 % van de mijlpalen en streefdoelen moeten halen sterk op aangedrongen hun uitvoeringsinspanningen te intensiveren. De andere landen die nog 50 % tot 85 % van hun mijlpalen en streefdoelen moeten bereiken, moeten ook hun tempo opvoeren. Het gebruik van de mogelijkheden die het platform voor strategische technologieën voor Europa (STEP) biedt, is ook essentieel om het concurrentievermogen en de groei voortdurend te ondersteunen. Voorstellen van de Commissie om in het kader van het cohesiebeleid extra mogelijkheden te creëren om de uitvoering te versnellen en strategische prioritaire gebieden in het kader van de tussentijdse evaluatie van de cohesiebeleidsprogramma’s in 2025 te ondersteunen, kunnen investeringen op belangrijke gebieden voor de Unie en haar lidstaten en regio’s verder stimuleren. Bovendien zou het creëren of aanvullen van InvestEU-lidstaatcompartimenten tot 240 miljard EUR aan extra investeringen kunnen mobiliseren.

Dit voorjaarspakket bestaat uit:

·landverslagen waarin de belangrijkste uitdagingen voor het concurrentievermogen van de lidstaten worden aangegeven;

·landspecifieke aanbevelingen voor beleidsmaatregelen om de hervormings- en investeringsbehoeften aan te pakken;

·een verslag met een analyse van de redenen voor de overschrijding van de referentiewaarde voor tekorten van 3 % van het bbp voor vier lidstaten (Spanje, Letland, Oostenrijk, Finland);

·voorstellen voor aanbevelingen van de Raad betreffende de activering van de nationale ontsnappingsclausule;

·een aanbeveling voor een aanbeveling van de Raad betreffende het Litouwse plan voor de middellange termijn;

·een advies over het ontwerpbegrotingsplan van België;

·een aanbeveling voor een aanbeveling van de Raad betreffende de maatregelen die Roemenië in het kader van de procedure bij buitensporige tekorten heeft genomen;

·verslagen over postprogrammatoezicht voor vijf lidstaten (Griekenland, Spanje, Portugal, Cyprus en Ierland); en

·een voorstel om de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten te verlengen.

3.BELANGRIJKSTE UITDAGINGEN VOOR HET CONCURRENTIEVERMOGEN

3.1 Macro-economische ontwikkelingen 

Ondanks de grote onzekerheid over de internationale ontwikkelingen zal de economie van de EU naar verwachting blijven groeien, zij het in een matig tempo. De opmerkelijk sterke, zij het afzwakkende, prestaties van de arbeidsmarkt in de afgelopen jaren hebben, in combinatie met een dalende inflatie, geleid tot een herstel van de reële lonen. Dit zal de groei van de vraag ondersteunen, mede dankzij de versoepeling van de financieringsvoorwaarden. Door de volatiele handels- en veiligheidssituatie krijgt de economische groei echter meer tegenwind. De reële bbp-groei zal naar verwachting licht stijgen van 1,0 % in 2024 tot 1,1 % in 2025 en verder tot 1,5 % in 2026. Dit wijst op een stabiele en consistente groei in een gematigd tempo, wat een gunstig klimaat biedt voor bedrijven en investeerders. Het risico dat de handelsprestaties van de EU worden verstoord, is echter aanzienlijk. De Commissie heeft in het kader van de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden in zeven lidstaten kwetsbaarheden vastgesteld met betrekking tot macro-economische of buitensporige onevenwichtigheden. In kader 2 worden de bevindingen over de macro-economische onevenwichtigheden in de lidstaten samengevat.

De financiële markten en intermediairs in de EU hebben laten zien dat ze bestand zijn tegen economische en geopolitieke uitdagingen. Over het geheel genomen ondersteunen de sterke winsten, gezonde kapitaalniveaus en aanzienlijke liquiditeitsbuffers het vermogen van EU-banken om de economie van stabiele financiering te voorzien en goed bestand te zijn tegen toekomstige risico’s. De kwaliteit van de activa van banken is bijna historisch hoog, maar het groeiende aantal bedrijfsinsolventies en de zwakke plekken in commercieel vastgoed wijzen erop dat het kredietrisico nauwer moet worden gevolgd. Bovendien is het operationele risico voor banken en andere instellingen uit de financiële sector prominenter geworden door het toenemende aantal cyberincidenten.

De begrotingsvooruitzichten wijzen op een lichte stijging van het overheidstekort en de schuldquotes, na de sterke daling sinds 2021. In de eurozone daalde het overheidstekort van 3,5 % van het bbp in 2023 tot 3,1 % in 2024 en in de EU van 3,5 % tot 3,2 %. Volgens de voorjaarsprognoses 2025 van de Commissie zal het tekort in 2025 licht toenemen tot 3,2 % van het bbp in de eurozone en tot 3,3 % in de EU. In elf lidstaten zal het tekort naar verwachting boven de drempel van 3 % van het bbp uitkomen. De daling van de brutoschuldquote van de overheid is tot stilstand gekomen: de quote stabiliseerde zich tussen 2023 en 2024 op 88,9 % van het bbp in de eurozone en steeg marginaal tot 82,2 % in de EU. Verwacht wordt dat ze in 2025 in zowel de eurozone als de EU met 1 procentpunt zal stijgen. In kader 1 wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste bevindingen met betrekking tot het begrotingstoezicht in het kader van het hervormde stabiliteits- en groeipact.

Kader 1: Begrotingstoezicht in het kader van het hervormde stabiliteits- en groeipact

Het voorjaarspakket 2025 van het Europees Semester vormt de afronding van de eerste jaarlijkse cyclus van macro-economisch toezicht in het kader van het hervormde kader voor economische governance. Na de inwerkingtreding van het nieuwe kader in april 2024 hebben alle lidstaten behalve Duitsland hun eerste plannen voor de middellange termijn ingediend. In de jaarlijkse voortgangsverslagen die de lidstaten eind april hebben ingediend, wordt de balans opgemaakt van de vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering van deze plannen voor de middellange termijn 8 .

Samen met de voorjaarsprognoses 2025 van de Commissie en de begrotingsresultaten voor 2024 vormen zij belangrijke input bij de beoordeling in welke mate de lidstaten zich houden aan de maximale groei van de netto-uitgaven. Bij haar beoordelingen heeft de Commissie rekening gehouden met de flexibiliteit die de nationale ontsnappingsclausule de betrokken lidstaten biedt, uitgaande van de tijdige goedkeuring ervan door de Raad 9 . Voor Duitsland kan nog geen volledige beoordeling van de naleving worden uitgevoerd omdat er nog geen plan voor de middellange termijn is. De Commissie verwacht dat Duitsland zijn plan uiterlijk eind juli 2025 zal indienen.

De gecoördineerde activering van de nationale ontsnappingsclausule in het kader van het stabiliteits- en groeipact maakt deel uit van het in maart 2025 gepresenteerde ReArm Europe-plan/Readiness 2030-pakket en laat zien dat het kader flexibel genoeg is om in te spelen op onverwachte ontwikkelingen. Op grond van de nationale ontsnappingsclausule kunnen de lidstaten de door de Raad aanbevolen maximale groei van de netto-uitgaven overschrijden binnen bepaalde grenzen die gekoppeld zijn aan de stijging van hun defensie-uitgaven. Naar aanleiding van de verzoeken van 16 lidstaten (België, Bulgarije, Tsjechië, Denemarken, Duitsland, Estland, Griekenland, Kroatië, Letland, Litouwen, Hongarije, Polen, Portugal, Slovenië, Slowakije en Finland) heeft de Commissie vandaag aanbevelingen aan de Raad aangenomen om de nationale ontsnappingsclausule te activeren, die nu door de Raad moeten worden aangenomen.

Voor de acht lidstaten waartegen een procedure bij buitensporige tekorten (BTP) loopt, heeft de Commissie beoordeeld welk gevolg is gegeven aan de aanbevelingen van de Raad in het kader van de procedure bij buitensporige tekorten. Op basis van die beoordeling worden de procedures voor Italië, Slowakije, Hongarije, Polen, Frankrijk en Malta opgeschort, waarbij de laatste twee lidstaten wordt verzocht klaar te staan om verdere maatregelen te nemen, aangezien de Commissie een kleine afwijking van de aanbevolen groei van de netto-uitgaven verwacht. Voor België heeft de Commissie na de indiening van het Belgische plan voor de middellange termijn een nieuw correctief pad aanbevolen, dat nog door de Raad moet worden goedgekeurd. De groei van de netto-uitgaven in 2025 in België zal naar verwachting boven het maximum van deze aanbeveling liggen, maar binnen de flexibiliteit waarin de nationale ontsnappingsclausule voorziet. Voor Roemenië ligt de groei van de netto-uitgaven ruim boven het maximum dat in het correctief pad is vastgesteld, met duidelijke risico’s voor de tijdige correctie van het buitensporige tekort tegen 2030. Daarom beveelt de Commissie de Raad aan een besluit maar geen doeltreffende maatregelen vast te stellen. Om de budgettaire en macro-economische stabiliteit te waarborgen en ervoor te zorgen dat Roemenië volledig toegang blijft houden tot EU-financiering, moet het land snel actie ondernemen om te voldoen aan de vereisten van de procedure bij buitensporige tekorten.

De Commissie heeft de vooruitgang bij de uitvoering van de plannen voor de middellange termijn van de andere 18 lidstaten beoordeeld. Twaalf lidstaten (Bulgarije, Tsjechië, Denemarken, Estland, Griekenland, Kroatië, Letland, Litouwen, Oostenrijk, Slovenië, Finland, Zweden) zullen naar verwachting de aanbevolen maximale groei van de netto-uitgaven niet overschrijden, indien relevant rekening houdend met de flexibiliteit waarin de nationale ontsnappingsclausule voorziet op basis van de huidige prognoses van de defensie-uitgaven. Wat Litouwen betreft, heeft de Commissie de Raad vandaag aanbevolen het Litouwse plan voor de middellange termijn goed te keuren. Portugal en Spanje voldoen grotendeels aan de voorschriften. Voor Spanje ligt de groei van de netto-uitgaven in 2025 naar verwachting boven het door de Raad aanbevolen plafond, maar niet boven de drempels van 0,3 % van het bbp (op jaarbasis) en 0,6 % van het bbp (gecumuleerd). Voor Portugal ligt de verwachte gecumuleerde afwijking, rekening houdend met de flexibiliteit waarin de nationale ontsnappingsclausule voor defensie-uitgaven voorziet, onder de drempel van 0,6 % van het bbp. Voor Ierland, Cyprus, Luxemburg en Nederland ziet de Commissie een risico van afwijking van het aanbevolen netto-uitgavenpad, aangezien het groeipercentage in 2025 naar verwachting boven het door de Raad aanbevolen maximum zal liggen en de afwijkingen de drempels voor afwijkingen op jaarbasis of gecumuleerde afwijkingen overschrijden.

Deze voorlopige beoordeling, die gebaseerd is op de voorjaarsprognoses 2025 van de Commissie, wordt gevolgd door een verdere beoordeling in het najaar. In het voorjaar van 2026 zal een definitieve beoordeling plaatsvinden op basis van de begrotingsresultaten voor 2025.

Bij de beoordeling van de uitvoering van de plannen voor de middellange termijn wordt ook gekeken naar de investeringen en hervormingen die ten grondslag liggen aan een verlenging van de respectieve begrotingsaanpassingsperioden. Het betreft hier Spanje, Frankrijk, Italië, Finland, België en Roemenië. Een gedetailleerde beoordeling van de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van deze verbintenissen is te vinden in bijlage 1 bij de respectieve landverslagen. In het geval van Roemenië wordt het antwoord op de aanbeveling van de Raad van 21 januari 2025 tot dusver ontoereikend geacht.

De Commissie heeft voor vier lidstaten beoordeeld of ze aan het tekortcriterium voldoen, ter onderbouwing van een mogelijk besluit over het bestaan van een buitensporig tekort. Voor Oostenrijk, Finland en Spanje is de beoordeling gebaseerd op een overheidstekort dat in 2024 boven de referentiewaarde van 3 % van het bbp lag. Voor Letland is de beoordeling gebaseerd op een voorzien tekort in 2025 dat de referentiewaarde van 3 % van het bbp overschrijdt. Op basis van de analyse in het verslag is er geen reden om een procedure bij buitensporige tekorten in te leiden tegen Finland, Letland en Spanje. Wat Oostenrijk betreft, zal de Commissie, rekening houdend met het advies van het Economisch en Financieel Comité over haar verslag, overwegen een voorstel tot inleiding van een procedure bij buitensporige tekorten in te dienen door de Raad voor te stellen een besluit vast te stellen krachtens artikel 126, lid 6, VWEU waarbij het bestaan van een buitensporig tekort wordt vastgesteld.

In bijlage 5 worden de landspecifieke aspecten beschreven.

Kader 2: Macro-economische onevenwichtigheden in de lidstaten

De Commissie is nagegaan of er sprake was van macro-economische onevenwichtigheden voor de tien lidstaten die in het waarschuwingsmechanismeverslag van 2025 waren geselecteerd voor een diepgaande evaluatie. Bij negen lidstaten bleek er sprake te zijn van onevenwichtigheden of van buitensporige onevenwichtigheden in de vorige toezichtscyclus in het kader van de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden, en Estland werd geacht risico’s van nieuwe opkomende onevenwichtigheden te vertonen. In overeenstemming met de nieuwe aanpak die in 2024 werd toegepast, zijn de diepgaande evaluaties van 2025 vóór de publicatie van het voorjaarspakket aan de lidstaten gepresenteerd om meer diepgaande multilaterale besprekingen in de comités van de Raad mogelijk te maken alvorens conclusies te trekken over de vastgestelde onevenwichtigheden en de daaropvolgende formulering van de landspecifieke aanbevelingen 10 .

De indeling van onevenwichtigheden is gebaseerd op drie criteria: i) de ernst van de onevenwichtigheden; ii) de ontwikkeling van de onevenwichtigheden en vooruitzichten; en iii) de beleidsrespons. Dit weerspiegelt de toekomstgerichte oriëntatie van de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden, die in het kader van de herziening van het kader voor economische governance is bekendgemaakt en sindsdien wordt toegepast. Binnen de toekomstgerichte aanpak worden deze drie criteria gehandhaafd, maar wordt meer nadruk gelegd op de ontwikkeling van onderliggende onevenwichtigheden en op de vaststelling en uitvoering van beleidsresponsen door de nationale autoriteiten om deze onevenwichtigheden, of de daaraan verbonden risico’s, weg te nemen.

De indelingen worden gemaakt in een tijd van onzekerheid met betrekking tot het mondiale handelsklimaat. In de indelingsbesluiten in het kader van de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden wordt rekening gehouden met de voorjaarsprognoses 2025 van de Commissie. Bij deze prognoses wordt uitgegaan van technische aannames die berusten op de gebruikelijke aanname dat het beleid ongewijzigd blijft, aangezien niet kan worden geanticipeerd op de uitkomst van bilaterale onderhandelingen met de handelspartners. Zij weerspiegelen ook de aanzienlijke onzekerheid met betrekking tot de mondiale handel en het geopolitieke klimaat en de economische gevolgen daarvan.

De Commissie heeft verschillende besluiten genomen in het kader van de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden. De sterke inflatie van de afgelopen jaren is weggeëbd en de rentetarieven zijn gedaald. Ondanks de algemene daling van de inflatie is er in sommige gevallen nog steeds sprake van een sterke kostendruk, die blijft wegen op het kostenconcurrentievermogen, met name in een aantal lidstaten. De woningprijzen beginnen weer sterker te stijgen. De afbouw van schulden werd de afgelopen jaren vergemakkelijkt door een sterke nominale bbp-groei, maar wordt steeds moeilijker. De kwetsbaarheden nemen af in verschillende lidstaten die het voorwerp van een diepgaande evaluatie zijn, wat in sommige gevallen leidt tot de bevinding dat er in het kader van de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden geen onevenwichtigheden zijn. De ontwikkelingen zijn over het algemeen gunstig in de meeste van de overige lidstaten die zijn geanalyseerd, maar er blijven relevante uitdagingen bestaan. In het bijzonder:

Estland vertoont geen onevenwichtigheden. De afgelopen jaren werd het land geconfronteerd met kwetsbaarheden in verband met de verslechtering van het prijs- en kostenconcurrentievermogen tijdens een langdurige recessie, en de woningprijzen zijn aanzienlijk gestegen, maar over het geheel genomen lijken de kwetsbaarheden momenteel binnen de perken te blijven.

Duitsland kampt niet langer met onevenwichtigheden, aangezien grensoverschrijdend relevante kwetsbaarheden in verband met het grote overschot op de lopende rekening in de loop der jaren zijn afgenomen, terwijl zeer recent aanzienlijke beleidsvooruitgang is aangekondigd.

Cyprus vertoont geen onevenwichtigheden meer omdat de kwetsbaarheden in verband met buitenlandse en particuliere schuld afnemen, deels dankzij de sterke economische groei, terwijl de terugdringing van de overheidsschuld verder wordt ondersteund door aanhoudende begrotingsoverschotten. Cyprus heeft belangrijke vooruitgang geboekt bij de uitvoering van maatregelen om zijn kwetsbaarheden aan te pakken, maar het tekort op de lopende rekening blijft aanzienlijk.

Griekenland, Italië, Hongarije, Nederland, Slowakije en Zweden vertonen nog steeds onevenwichtigheden, aangezien hun kwetsbaarheden over het algemeen relevant blijven.

Roemenië kampt nog altijd met buitensporige onevenwichtigheden; de kwetsbaarheden zijn toegenomen naarmate de begrotingstekorten en de tekorten op de lopende rekening van Roemenië toenamen en het kostenconcurrentievermogen in 2024 verslechterde.

In bijlage 4 worden de landspecifieke aspecten voor de tien betrokken lidstaten beschreven.

Het verbeteren van de efficiëntie en kwaliteit van de overheidsfinanciën, onder meer door een evenwichtige belastingmix, zal de lidstaten helpen beleidsprioriteiten te financieren. De hoge overheidsschuld in een aantal lidstaten, in een volatiel economisch klimaat, onderstreept hoe belangrijk het is de kwaliteit van de overheidsuitgaven te waarborgen. Beleidsmaatregelen op dit gebied omvatten met name het evalueren en verbeteren van de efficiëntie van de overheidsuitgaven op lange termijn en het verbeteren van het kader voor het beheer van overheidsinvesteringen. Daarnaast zijn het verkleinen van belastingkloven, onder meer door het beperken van belastinguitgaven, vooral die welke het minst kosteneffectief zijn, en het verbeteren van de naleving van de belastingwetgeving, van groot belang om op een eerlijke manier stabielere inkomsten te genereren. Dit moet worden aangevuld met een verdere modernisering en digitalisering van de belastingdiensten en met doeltreffende instrumenten om strategieën voor agressieve fiscale planning te bestrijden en de uitwisseling van informatie te versterken. Naast het verhogen van de efficiëntie kan het verbeteren van de kwaliteit van de overheidsfinanciën, onder meer door belastinghervormingen, bijdragen tot andere beleidsdoelstellingen, bijvoorbeeld door de belastingdruk op arbeid te verlichten om de werkgelegenheid te vergroten. Fiscale stimulansen spelen ook een cruciale rol bij de decarbonisatie. In de landspecifieke aanbevelingen voor 2025 worden verschillende lidstaten opgeroepen de belastingmix te verbeteren om duurzaam concurrentievermogen te ondersteunen door belemmeringen voor particuliere investeringen weg te nemen en investeringen in decarbonisatie en infrastructuur voor schone energie te versnellen, onder meer door vergunningsprocedures verder te versnellen, teneinde de verwezenlijking van milieu- en klimaatdoelstellingen op nationaal en EU-niveau te ondersteunen.

3.2 De innovatiekloof dichten

Voor het dichten van de innovatiekloof zijn meer investeringen, een overvloed aan talent, een sterkere samenwerking tussen wetenschap en bedrijfsleven, de toepassing en verspreiding van technologie en een betere beleidscoördinatie nodig. Versnipperde overheidsinvesteringen en onvoldoende particuliere investeringen in O&O beperken het innovatiepotentieel van de EU. Essentiële aspecten om vooruitgang te boeken zijn een nauwere samenwerking tussen onderzoekers en bedrijven, een coherent innovatiebeleid op alle bestuursniveaus en het aanpakken van de tekorten aan talent op het gebied van wetenschap, technologie, engineering en wiskunde (STEM). De snelle uitrol van digitale infrastructuur en de uitvoering van de nationale strategische stappenplannen voor het digitale decennium zullen essentieel zijn om de doelstellingen van het digitale decennium te verwezenlijken, wat cruciaal is om innovatie, productiviteit en een inclusieve digitale transformatie mogelijk te maken. Bovendien moet het mogelijk worden gemaakt om wetenschappelijke ontdekkingen en nieuwe technologieën gemakkelijker, goedkoper en sneller vanuit laboratoria op de markt te krijgen. Verder moet het voor start-ups mogelijk worden gemaakt om gemakkelijker, goedkoper en sneller op te schalen en het potentieel van de eengemaakte markt ten volle te benutten, ook voor de ruimtevaartsector.

De Commissie stelt onderzoek en innovatie centraal in onze economie. Met het initiatief Choose Europe zal een pakket van 500 miljoen EUR worden aangewend om “superbeurzen” voor onderzoekers in het kader van de Europese Onderzoeksraad te verhogen, verhuiskostenvergoedingen te verdubbelen en de Marie Skłodowska-Curie-steun in de periode 2025-27 op te voeren. Verder is het onlangs gepubliceerde actieplan voor het AI-continent bedoeld om AI en de oprichting van AI-gigafabrieken in heel Europa te stimuleren, en heeft de EU-strategie voor start-ups en scale-ups tot doel de randvoorwaarden voor het oprichten en opschalen van innovatieve bedrijven in Europa te verbeteren. Nu al ondersteunen de herstel- en veerkrachtfaciliteit en het cohesiebeleid onderzoek en innovatie (O&I) in de lidstaten door meer dan 55 miljard EUR uit de herstel- en veerkrachtfaciliteit toe te wijzen aan O&I, terwijl 113,6 miljard EUR 11 aan financiering in het kader van het cohesiebeleid bestemd is voor de doelstelling “Een slimmer Europa”, waaronder steun voor O&I, digitale infrastructuur en innovatievaardigheden. Het programma Digitaal Europa bevindt zich in de voorhoede van de technologische initiatieven van de Europese Commissie, met 1,3 miljard EUR voor relevante beleidsterreinen in de periode 2025-2027. De herstel- en veerkrachtplannen omvatten ook meer dan 70 hervormingen om instellingen te consolideren, onderzoeksloopbanen te stimuleren, de toegang tot financiering te vergemakkelijken, de samenwerking te verbeteren en de bestuurlijke coördinatie te verbeteren. In de landspecifieke aanbevelingen voor 2025 worden de lidstaten opgeroepen meer inspanningen te leveren om de innovatiekloof te dichten door de publieke en private investeringen in O&O te verhogen, de O&O-ondersteuning doeltreffender te maken en de fragmentatie van ecosystemen te verminderen. Dit moet bijdragen tot de verwezenlijking van de EU-doelstelling om 3 % van het bbp te besteden aan onderzoek en ontwikkeling 12 . In de landspecifieke aanbevelingen wordt ook benadrukt dat wetenschappelijke ontdekkingen moeten worden omgezet in zakelijke kansen door de samenwerking tussen wetenschap en bedrijfsleven te versterken en de commercialisering van onderzoeksresultaten te bevorderen. Er wordt sterk de nadruk gelegd op het verbeteren van de toegang tot financiering voor start-ups en innovatieve bedrijven met als doel een dynamisch en bloeiend ecosysteem voor onderzoek en innovatie te bevorderen. Daarnaast wordt er in de landspecifieke aanbevelingen bij sommige lidstaten op aangedrongen de investeringskloof voor connectiviteit te dichten en de regelgeving voor de uitrol van digitale infrastructuur te stroomlijnen, wat essentieel is voor het verbeteren van de productiviteit en het versterken van het concurrentievermogen.

3.3 Een gezamenlijke routekaart voor decarbonisatie, concurrentievermogen en veiligheid

Het is van cruciaal belang te zorgen voor een betaalbare energietransitie voor de Europese consumenten en industrie. De elektriciteits- en gasprijzen zijn over het algemeen gedaald in vergelijking met de pieken in 2022, maar de kleinhandelsprijzen voor elektriciteit en gas voor de industrie zijn in de EU nog steeds aanzienlijk hoger dan in de VS (respectievelijk 2 tot 2,5 en 3 tot 5 keer de prijzen in de VS 13 ). Voortbouwend op de relevante hervormingen en investeringen in het kader van hun herstel- en veerkrachtplannen zetten de lidstaten stappen in de richting van een beter geïntegreerde energiemarkt, ondersteund door een onderling verbonden en gedigitaliseerd netwerk en een sterker regelgevingskader. De REPowerEU-hoofdstukken van de herstel- en veerkrachtplannen en cohesiebeleidsprogramma’s voorzien in aanzienlijke slagkracht voor de decarbonisatie van het energiesysteem, aangedreven door een substantiële opschaling van de investeringen in infrastructuur voor hernieuwbare en schone energie. Dit waarborgt de sterke versnelling van de elektrificatie, waarbij energie-efficiëntie centraal staat. In de landspecifieke aanbevelingen voor 2025 wordt opgeroepen tot verdere decarbonisatie van het energiesysteem en worden voor een aantal lidstaten aanbevelingen gedaan om concrete stappen te zetten voor de geleidelijke afschaffing van subsidies voor fossiele brandstoffen die niet gericht zijn op het bestrijden van energiearmoede, echte zorgen over energiezekerheid niet gericht aanpakken, de elektrificatie belemmeren en niet cruciaal zijn voor het concurrentievermogen van de industrie. Het EU-actieplan voor betaalbare energie ondersteunt de inspanningen van de lidstaten en heeft tot doel de energieprijzen te verlagen en de invoer van fossiele brandstoffen verder terug te dringen, zodat tegen 2030 jaarlijks tot 130 miljard EUR kan worden bespaard. Daartoe zijn de voltooiing van de energie-unie, elektrificatie, energie-efficiëntie, een versnelde uitrol van hernieuwbare en schone energie, een verbeterde netcapaciteit, met inbegrip van grensoverschrijdende interconnectoren en een efficiënt gebruik van bestaande grensoverschrijdende interconnectoren, infrastructuur voor slimme netwerken en een grotere flexibiliteit van het energiesysteem essentieel.

De nadruk moet blijven liggen op het verminderen van buitensporige afhankelijkheden en het vergroten van de energiezekerheid. De lidstaten hebben aanzienlijke vooruitgang geboekt bij de uitvoering van het REPowerEU-plan, onder meer via de specifieke hoofdstukken in de herstel- en veerkrachtplannen, om de invoer van Russische energie uit te faseren. Toch vertegenwoordigt deze invoer nog steeds een aanzienlijk deel van de energiemix van de EU. In dit verband heeft de Commissie in mei 2025 de REPowerEU-routekaart aangenomen om een einde te maken aan de invoer van Russische energie teneinde ervoor te zorgen dat de EU volledig energieonafhankelijk is van Rusland 14 . Het doel is om alle invoer van Russische energie tegen eind 2027 uit te faseren. Het desbetreffende wetgevingsvoorstel zal in juni worden aangenomen. Daarom is verdere actie op nationaal niveau nodig om de energie-efficiëntie in alle sectoren te verbeteren, het gebruik van hernieuwbare energie te versnellen en tegelijkertijd te diversifiëren naar betrouwbaardere partners. In de landspecifieke aanbevelingen voor 2025 worden de lidstaten ook aangemoedigd hun infrastructuur voor schone energie, met inbegrip van interconnecties, en energieopslag verder te versterken om het mogelijk te maken meer hernieuwbare en schone elektriciteit te produceren en de veerkracht en zekerheid van de elektriciteitsvoorziening te waarborgen.

Het verbeteren van de hulpbronnenefficiëntie en het bevorderen van het circulaire gebruik van materialen dragen bij tot decarbonisatie, verbeteren het concurrentievermogen en verhogen de economische veiligheid. Om te zorgen voor een stabiele en betaalbare voorziening en om de capaciteit van de EU voor het winnen, verwerken en recyclen van materialen die cruciaal zijn voor de transitie naar schone energie te versterken, is de eerste lijst van strategische projecten in het kader van de verordening kritieke grondstoffen bekendgemaakt. Daarnaast zal de Commissie in 2026 wetgeving op het gebied van circulaire economie aannemen, waarmee hardnekkige knelpunten in het aanbod van en de vraag naar secundaire grondstoffen, circulaire producten en diensten zullen worden aangepakt. Op nationaal niveau worden de lidstaten in de landspecifieke aanbevelingen voor 2025 opgeroepen de voorwaarden voor de transitie naar een circulaire economie te verbeteren door meer aan afvalpreventie te doen, hulpbronnenefficiëntie te bevorderen, publieke en particuliere investeringen op te voeren en oplossingen te bevorderen om de duurzaamheid, herbruikbaarheid, repareerbaarheid en recyclebaarheid van producten te verbeteren.

De EU en haar lidstaten moeten de transitie naar een klimaatneutrale economie bevorderen en er tegelijkertijd voor zorgen dat hun industrie concurrerend blijft. De snelle uitvoering van de verordening voor een nettonulindustrie is cruciaal om de Europese productiecapaciteit voor nettonultechnologieën en de belangrijkste componenten daarvan te versterken en belemmeringen voor het opschalen van de productie in Europa weg te nemen. Voorts heeft de Commissie in februari de Clean Industrial Deal gepresenteerd om de transitie van Europese industrieën te ondersteunen en te versnellen, investeringen aan te trekken en bedrijven te ondersteunen, met de nadruk op energie-intensieve industrieën en de sector schone technologie. Bovendien heeft de Commissie actieplannen voor de automobielsector en de staal- en metaalsector voorgesteld om hun concurrentievermogen te versterken en decarbonisatie te bevorderen. In het voorjaarspakket van het Europees Semester 2025 wordt benadrukt dat de lidstaten de totstandbrenging van leidende markten moeten ondersteunen en plannen en beleid voor nettonulinfrastructuur moeten invoeren, met name de versterking van energie-infrastructuur, koolstofafvang en -opslag en waterstof. In de landspecifieke aanbevelingen wordt ook gewezen op de dringende noodzaak om de industriële productie en het vervoer te transformeren en koolstofvrij te maken. Hoewel de EU goed op schema ligt om haar emissiereductiedoelstelling van 55 % voor 2030 15 te halen, blijft een snelle en gestage uitvoering van de nationale energie- en klimaatplannen even belangrijk om de energie- en klimaatdoelstellingen voor 2030 te verwezenlijken.

Aanpassing aan de klimaatverandering, onder meer door middel van duurzaam waterbeheer, blijft een dringende prioriteit voor de EU, aangezien dit van cruciaal belang is voor het behoud van hulpbronnen en het vergroten van de welvaart en veiligheid. De lidstaten worden nog steeds geconfronteerd met uitdagingen in verband met waterverontreiniging, inefficiënt gebruik, slecht waterbeheer en ontoereikend prijsbeleid, naast de menselijke en economische kosten van droogtes en overstromingen. De landspecifieke aanbevelingen voor 2025 omvatten daarom beleidsmaatregelen voor een aantal lidstaten om de watergovernance op nationaal en regionaal niveau te versterken en aanzienlijke investeringen te doen. Verder biedt de strategie voor waterweerbaarheid een consistent kader om duurzaam waterbeheer te waarborgen en uitdagingen in verband met waterschaarste en -kwaliteit aan te pakken. De recent voorgestelde tussentijdse evaluatie van het cohesiebeleid heeft de doelstelling versterkt om veilige toegang tot water, duurzaam waterbeheer en waterweerbaarheid te bevorderen en de voorfinancierings- en medefinancieringspercentages te verhogen. Het komende Europese klimaataanpassingsplan zal de lidstaten helpen zich voor te bereiden op en plannen te maken voor klimaateffecten op kritieke infrastructuur, strategische sectoren en daarmee verband houdende investeringen.

3.4 Vereenvoudiging van de regelgeving

Om het zakendoen te vergemakkelijken en de welvaart in de EU te bevorderen, is het essentieel de regelgeving te vereenvoudigen, de lasten te verminderen en een doeltreffende uitvoering te waarborgen. De complexiteit van de regelgeving blijft een groot obstakel voor langetermijninvesteringen in Europa: twee derde van de Europese bedrijven beschouwt dit als een belangrijke belemmering 16 . De diversiteit en de duur van administratieve procedures in Europa vormen een belemmering voor investeringen, en er zijn vereenvoudigingsinspanningen nodig op EU-, nationaal en lokaal niveau. De Commissie realiseert een ongekende vereenvoudigings- en uitvoeringsagenda 17 en streeft ernaar de administratieve kosten tegen 2028 met ten minste 25 % en voor kleine en middelgrote bedrijven met ten minste 35 % te verminderen. Dit komt neer op een besparing van ten minste 37.5 miljard EUR aan administratieve kosten tot het einde van de ambtstermijn van de huidige Commissie. De Commissie heeft tot dusver vier uitgebreide vereenvoudigingsvoorstellen aangenomen op het gebied van duurzaamheidsrapportage, investeringen, het gemeenschappelijk landbouwbeleid, kleine midcapondernemingen en de digitalisering van productregels. Zij dringt er bij de medewetgevers op aan snel overeenstemming te bereiken over de voorstellen. De Commissie zal blijven werken aan haar vereenvoudigingsdoelstellingen door het EU-acquis aan stresstests te onderwerpen om overlappingen of inconsistenties vast te stellen die in vereenvoudigingsvoorstellen kunnen worden aangepakt.

De lidstaten hebben ook de verantwoordelijkheid om bij te dragen aan de vereenvoudigingsinspanningen door middel van wetgevings- en administratieve hervormingen. Nieuwe raadplegingsinstrumenten zoals uitvoeringsdialogen en praktijkcontroles helpen knelpunten op te sporen en manieren te vinden om de uitvoering van het bestaande regelgevingskader te verbeteren. De Commissie zal ook de kwaliteit van nieuwe wetgeving verbeteren door met behulp van een vernieuwde mkb- en concurrentievermogenstoets ervoor te zorgen dat elk nieuw voorstel bevorderlijk is voor de groei en het concurrentievermogen. De perceptie van bedrijven over hoe gemakkelijk het is om aan nationale wetten en administratieve vereisten te voldoen, verschilt van lidstaat tot lidstaat. Meer dan 45 % van de burgers is van mening dat de overheidsdiensten in hun land complex, omslachtig en traag zijn. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat hun regelgevingskader bevorderlijk is voor groei, onnodige lasten bij de uitvoering van EU-wetgeving vermijden, zorgen voor een snelle uitvoering van vereenvoudigingsvoorstellen, de digitalisering stimuleren en de verlening van vergunningen, certificeringen en naadloze informatie-uitwisseling tussen overheidsdiensten op alle bestuursniveaus vergemakkelijken.

In de landspecifieke aanbevelingen van 2025 worden de lidstaten dan ook opgeroepen om de administratieve procedures en regelgevingskaders in alle sectoren te vereenvoudigen door ze minder complex te maken, de administratieve rompslomp te beperken en de regelgevingsinstrumenten te verbeteren. In de landspecifieke aanbevelingen wordt er bij de lidstaten op aangedrongen de toestemmings- en vergunningsprocedures te stroomlijnen – door beroepstermijnen te verkorten, aanvragen te digitaliseren en de regels voor landgebruik en netaansluiting te verduidelijken – om de uitrol van hernieuwbare energie, de bouw van woningen en de uitrol van infrastructuur te versnellen. In de landspecifieke aanbevelingen worden de lidstaten ook opgeroepen de kwaliteit van de wetgeving te verbeteren door middel van een gedegen raadpleging van belanghebbenden, onafhankelijk toezicht en empirisch onderbouwde evaluaties om de rechtszekerheid en het concurrentievermogen te vergroten.

3.5 De eengemaakte markt van Europa optimaal benutten

Om het volledige potentieel van de eengemaakte markt te benutten, moeten de resterende belemmeringen voor grensoverschrijdende handel en investeringen worden weggenomen. Hoewel de eengemaakte markt groei en welvaart heeft bevorderd, blijft zij onvoldoende geïntegreerd. Kleine en middelgrote bedrijven, start-ups en scale-ups worden geconfronteerd met belemmeringen zoals een omslachtige administratie, restrictieve regelgeving, laattijdige betalingen en beperkte toegang tot financiering. Ontoereikende digitale, energie- en vervoersinfrastructuur verzwakt het concurrentievermogen, terwijl het gebrek aan gecoördineerde integratie van diensten het potentieel beperkt – de handel in diensten vertegenwoordigt slechts 7,6 % van het bbp 18 . Gezien de omvang van de sector biedt een diepere integratie grote kansen. Om deze belemmeringen aan te pakken, heeft de Europese Commissie de strategie voor de eengemaakte markt gepresenteerd met een reeks acties op het gebied van concurrentievermogen om de grensoverschrijdende handel en een soepele werking van de Europese eengemaakte markt te vergemakkelijken. De vroege en geleidelijke integratie van kandidaat-lidstaten van de EU in delen van de eengemaakte markt zal deze nog versterken. Om innovatie in de eengemaakte markt te stroomlijnen, vermindert het eenheidsoctrooistelsel de juridische versnippering, verlaagt het de octrooikosten en vergemakkelijkt het de grensoverschrijdende handel. Inmiddels zijn al meer dan 50 000 eenheidsoctrooien geregistreerd. Als onderdeel van de uitvoering van de herstel- en veerkrachtplannen heeft een aantal lidstaten onlangs hervormingen goedgekeurd om de eengemaakte markt te versterken door de dienstenmarkten te liberaliseren, het regelgevingskader voor een reeks beroepen te vereenvoudigen, overheidsopdrachten te moderniseren en te professionaliseren en handel en investeringen te ondersteunen. De landspecifieke aanbevelingen voor 2025 zijn gericht op het versterken van de eengemaakte markt door er bij de lidstaten op aan te dringen regelgevingsbelemmeringen weg te nemen, de concurrentie te vergroten en overheidsopdrachten te verbeteren. In de landspecifieke aanbevelingen wordt ook opgeroepen tot meer strategische industriële planning om territoriale ongelijkheden aan te pakken en infrastructuur, innovatie en waardeketens te ondersteunen. De rechtsstaat speelt een belangrijke rol in de werking van de EU-economie door ervoor te zorgen dat rechten worden verdedigd, corruptie wordt bestraft en contracten worden gehandhaafd. Eerbiediging van de rechtsstaat, met name onafhankelijke, hoogwaardige en efficiënte rechtsstelsels, rechtszekerheid en gelijkheid voor de wet zijn ook belangrijke bepalende factoren voor een ondernemingsklimaat dat investeringen en innovatie bevordert, waarbij ondernemingen profiteren van vrij verkeer en voorspelbare bedrijfsomstandigheden. Voor zover relevant, en indien dit niet onder de herstel- en veerkrachtplannen valt en in aanvulling op het verslag over de rechtsstaat, worden de lidstaten in de landspecifieke aanbevelingen opgeroepen om rechtsstelsels efficiënter te maken en de corruptiebestrijding te versterken.

Kader 3: Belemmeringen voor investeringen

Investeringen in Europese landen worden gehinderd door een reeks structurele belemmeringen, zowel op particulier als op overheidsniveau. In het voorjaarspakket van het Europees Semester 2025 worden de belangrijkste factoren genoemd die investeringen in de lidstaten belemmeren. Complexiteit van de regelgeving en administratieve lasten behoren tot de belangrijkste belemmeringen voor investeringen, en verschillende lidstaten hebben inconsistente of snel veranderende rechtskaders, bureaucratische inefficiënties en een zwakke coördinatie tussen de verschillende overheidslagen. Deze onvoorspelbaarheid ontmoedigt langetermijninvesteringen, vooral voor kleine en middelgrote bedrijven. Een andere belangrijke uitdaging is het wijdverbreide tekort aan geschoolde arbeidskrachten. Meer dan 75 % van de bedrijven wordt hiermee geconfronteerd. Deze schaarste is vooral acuut op technisch, ICT- en wetenschappelijk gebied en zet een rem op innovatie en productiviteitsgroei. Hoge energiekosten vormen ook een ernstige belemmering voor investeringen, met gevolgen voor de operationele marges en het concurrentievermogen van energie-intensieve industrieën. Bovendien blijft de toegang tot financiering in verschillende lidstaten beperkt als gevolg van onderontwikkelde kapitaalmarkten en een grote afhankelijkheid van bankleningen, waarbij bedrijven moeite hebben om durfkapitaal of alternatieve financiering te verkrijgen. Overheidsinvesteringen hebben ook te lijden onder een gebrek aan coördinatie tussen overheidsniveaus en onder een gebrekkige planning en projectbeoordeling. Verschillende lidstaten beschikken niet over gestandaardiseerde methoden voor de beoordeling, selectie en evaluatie van investeringsprojecten, resulterend in inefficiëntie en gemiste kansen. Tot slot worden deze problemen verergerd door geopolitieke onzekerheid en ontoereikende infrastructuurplanning, wat leidt tot vertragingen bij de uitrol van hernieuwbare energie, de modernisering van het vervoer en de uitrol van infrastructuur. Samen zorgen deze belemmeringen voor een versnipperd investeringslandschap, wat het concurrentievermogen van de EU belemmert.

3.6 Financiering van het concurrentievermogen en een spaar- en investeringsunie

De ontwikkeling van een spaar- en investeringsunie 19 moet de manier verbeteren waarop het financiële stelsel van de EU het creëren van welvaart door burgers alsook investeringen van burgers in de strategische prioriteiten die zijn vastgesteld in het kompas voor concurrentievermogen ondersteunt. De afgelopen tien jaar heeft de particuliere sector in de EU nettospaartegoeden van gemiddeld 8,0 % van het bbp gegenereerd. Slechts ongeveer een kwart van deze spaartegoeden is gebruikt om binnenlandse particuliere investeringen te financieren, aangezien de kapitaalmarkten van de EU naar internationale normen nog steeds relatief onderontwikkeld zijn en over het algemeen slechts een geringe bijdrage leveren aan de externe financiering van bedrijven. De spaar- en investeringsunie, die voortbouwt op de vooruitgang die reeds is geboekt in het kader van de actieplannen voor de kapitaalmarktenunie, heeft tot doel de integratie en risicodeling op de kapitaalmarkten te verdiepen. Zij is ook gericht op de verdere ontwikkeling van de bankenunie. In overeenstemming met de werkzaamheden met betrekking tot de spaar- en investeringsunie bevatten de landspecifieke aanbevelingen voor 2025 gerichte acties op nationaal niveau om de toegang tot financiering te verbeteren. De voorgestelde beleidsmaatregelen omvatten: i) het aanmoedigen van de deelname van retail- en institutionele beleggers aan de kapitaalmarkten; ii) het vergroten van de niet-bancaire financieringsmogelijkheden voor EU-bedrijven, met inbegrip van innovatieve start-ups en scale-ups, en met name voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s); iii) het ontwikkelen van lokale durfkapitaal- en private-equitymarkten en, waar nodig, het vergroten van de concurrentie op de financiële markten; en iv) het verbeteren van de algemene financiële geletterdheid.

3.7 Bevordering van vaardigheden en hoogwaardige banen, met waarborging van sociale rechtvaardigheid

De arbeidsmarkt van de EU is zeer veerkrachtig gebleken ondanks de toegenomen onzekerheid, maar er zijn verdere beleidsmaatregelen nodig om de arbeidsmarktparticipatie te ondersteunen en de arbeidsproductiviteit in Europa te bevorderen. De arbeidsmarkt in de EU blijft sterk, met een historisch lage werkloosheid en een historisch hoge arbeidsparticipatie. De EU is goed op weg om de kerndoelstelling inzake arbeidsparticipatie van de Europese pijler van sociale rechten, namelijk 78 % tegen 2030, te halen, mede dankzij het beleid en de hervormingen die veel lidstaten over een periode van meer dan tien jaar hebben aangenomen. De tekorten aan arbeidskrachten zijn het afgelopen jaar licht afgenomen maar liggen in de meeste lidstaten nog steeds boven de niveaus van vóór de pandemie en zullen naar verwachting toenemen. Dit belemmert het vermogen van bedrijven om te investeren en te innoveren. De tekorten aan arbeidskrachten verschillen sterk tussen regio’s en sectoren en worden nog verergerd door demografische trends en een krap aanbod aan betaalbare huisvesting. De tekorten zijn hardnekkig in de bouw, de gezondheidszorg, de langdurige zorg en de technologie-, engineering-, ICT- en vervoerssector, en wegen op het concurrentievermogen en de groei.

Er zijn gecoördineerde inspanningen op het niveau van de EU en de lidstaten nodig om inclusieve arbeidsmarkten te bevorderen. De nationale herstel- en veerkrachtplannen en de cohesiebeleidsprogramma’s bevatten veel relevante maatregelen om de segmentatie van de arbeidsmarkt aan te pakken, de doeltreffendheid van openbare diensten voor arbeidsvoorziening te verbeteren, de arbeidsmobiliteit te ondersteunen en gerichte steun te verlenen aan specifieke groepen. Toch zijn er nog extra inspanningen nodig. De arbeidsmarktparticipatie van vrouwen en ondervertegenwoordigde groepen (zoals oudere werknemers, jongeren, laaggeschoolden, personen met een handicap, Roma en mensen met een migratieachtergrond) is van cruciaal belang, mede gezien de krimpende bevolking in de werkende leeftijd, zoals benadrukt in de strategieën voor een Unie van gelijkheid 20 . In de aanbevelingen in het voorjaarspakket worden de lidstaten opgeroepen een doeltreffender actief arbeidsmarktbeleid en goed doordachte belasting- en uitkeringsstelsels met de juiste stimulansen om te werken in te voeren, en om daarnaast bij- en omscholingen te bevorderen. Om belemmeringen voor arbeidsmarktparticipatie weg te nemen en mensen aan te trekken voor belangrijke sectoren, is het nodig de toegang tot hoogwaardige en betaalbare voorzieningen voor voor- en vroegschoolse educatie en opvang en tot sociale en langdurige zorg te bevorderen, te zorgen voor adequate aanpassingen voor personen met een handicap en de arbeidsomstandigheden te verbeteren 21 . De loonontwikkelingen moeten nauwlettend in de gaten worden gehouden en er moet een evenwicht worden gevonden tussen het waarborgen van de productiviteit en het concurrentievermogen enerzijds en het aanpakken van de kosten van levensonderhoud anderzijds. Sociale dialoog en collectieve onderhandelingen spelen hierbij een sleutelrol. Bovendien blijft mobiliteit van werknemers binnen de EU belangrijk, terwijl het bevorderen van legale migratie uit niet-EU-landen ook steeds meer nodig zal zijn om aan de behoeften van de arbeidsmarkt in de EU te voldoen. De komende routekaart voor hoogwaardige banen van de Commissie zal een belangrijke rol spelen bij het sturen van maatregelen op EU- en nationaal niveau.

Het stimuleren van menselijk kapitaal is essentieel voor een concurrerend, welvarend en inclusief Europa. Naast beleid om talent aan te trekken en te behouden, worden de lidstaten in de aanbevelingen in het voorjaarspakket opgeroepen om het vaardigheidsniveau van de Europese bevolking te verhogen en de onderwijsstelsels meer inclusief te maken. In de hele EU is het niveau van basisvaardigheden de afgelopen jaren sterk gedaald. Ook het aandeel van de best presterende landen is afgenomen 22 . Ongeveer de helft van de mensen in de EU mist nog steeds digitale basisvaardigheden, terwijl de deelname aan volwasseneneducatie nog altijd aanzienlijk onder het kerndoel van de EU-pijler van 60 % tegen 2030 ligt. In het licht van de tekorten aan vaardigheden en arbeidskrachten 23 zijn verdere inspanningen nodig om investeringen in een leven lang leren te verhogen, het behoud en de erkenning van vaardigheden te vergemakkelijken en leermogelijkheden toegankelijker te maken voor kansarme groepen. De onderwijs- en opleidingsstelsels in de lidstaten en regio’s moeten beter inspelen op de veranderende arbeidsmarkten. Beleidsmaatregelen moeten het beroep van leerkracht aantrekkelijker maken en de kwaliteit en inclusiviteit van het onderwijs verbeteren. Tegen 2035 zal meer dan de helft van de nieuwe vacatures betrekking hebben op hooggekwalificeerde beroepen 24 , maar het huidige aanbod van STEM-vaardigheden is ontoereikend om aan de groeiende vraag te voldoen. STEM moet een strategische prioriteit worden in het onderwijs- en vaardighedenbeleid op alle niveaus. Op EU-niveau is het initiatief “vaardigheidsunie” 25 gericht op de ontwikkeling van vaardigheden, regelmatige bij- en omscholing en mobiliteit van vaardigheden en werknemers. In het actieplan voor basisvaardigheden worden de lidstaten verzocht om leerlingen die ondermaats presteren te ondersteunen. Er worden ook aanzienlijke inspanningen geleverd om tekorten aan vaardigheden aan te pakken met behulp van het cohesiebeleid en de herstel- en veerkrachtfaciliteit, waarbij alle lidstaten door de EU ondersteunde maatregelen op het gebied van vaardigheden, volwasseneneducatie, onderwijs en opleiding uitvoeren. De EU en de lidstaten moeten ook blijven samenwerken om het gebruik van microcredentials uit te breiden en een proefproject inzake vaardighedengaranties op te zetten voor werknemers in sectoren die worden geherstructureerd of waarin banen verloren dreigen te gaan.

De unieke sociale markteconomie van Europa steunt sterk op veerkracht en billijkheid. De Europese pijler van sociale rechten blijft centraal staan bij het vormgeven van een sterker en meer inclusief Europa. De lidstaten hebben relevante hervormingen en investeringen in hun herstel- en veerkrachtplannen opgenomen, met bijzondere aandacht voor de versterking van sociale diensten en gezondheidszorgfaciliteiten, de inclusie van kwetsbare groepen, de modernisering van de sociale-uitkeringsstelsels en de digitalisering van de gezondheidszorg. Hoewel het percentage mensen dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd de laatste tijd licht is gedaald, is het belangrijk om de nog steeds hoge armoedecijfers voor kwetsbare groepen en kinderen en de aanzienlijke regionale verschillen aan te pakken. Er zijn intensieve inspanningen nodig om de kerndoelstelling van de EU-pijler, namelijk het terugdringen van armoede en sociale uitsluiting met ten minste 15 miljoen mensen tegen 2030, onder wie ten minste 5 miljoen kinderen, te verwezenlijken. In het licht van demografische, arbeidsmarkt- en sociale uitdagingen wordt in de landspecifieke aanbevelingen voor 2025 benadrukt dat er adequate en efficiënte stelsels voor sociale bescherming, inclusie en pensioenen moeten zijn en dat de toegang tot betaalbare huisvesting en sociale diensten moet worden bevorderd. Het is ook belangrijk om non-discriminatie te waarborgen, gendergelijkheid te bevorderen en de mainstreaming van gelijkheid te verbeteren. Gezien de toenemende vraag naar gezondheidszorg en langdurige zorg moeten de lidstaten ook veerkrachtige stelsels voor gezondheidszorg en langdurige zorg opbouwen, onder meer door over te schakelen op een model voor preventieve en eerstelijnsgezondheidszorg. Het risico van noodsituaties op gezondheidsgebied neemt toe, waardoor het voor de EU absoluut noodzakelijk is haar paraatheids- en responscapaciteit op het gebied van gezondheidsbeveiliging verder te versterken en te consolideren 26 . Om de Europese gezondheidsunie te voltooien, werkt de EU ook aan initiatieven zoals de verordening kritieke geneesmiddelen om de levering en productie van kritieke geneesmiddelen te verbeteren. Een eerlijke en inclusieve EU vereist ook dat de voordelen van de groene en de digitale transitie in de hele samenleving worden gedeeld. Dit betekent dat regio’s en gemeenschappen die door deze transities onevenredig zwaar worden getroffen, moeten worden ondersteund. Het Fonds voor een rechtvaardige transitie ondersteunt een eerlijkere transitie en het sociaal klimaatfonds zal specifieke financiering verstrekken om zij die het zwaarst worden getroffen te ondersteunen. De Commissie zal een nieuw actieplan voor de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten presenteren, aangevuld met een EU-strategie tegen armoede.

Kader 4: Analyse van opwaartse sociale convergentie in overeenstemming met het kader voor sociale convergentie

De Commissie heeft het bestaan van uitdagingen voor opwaartse sociale convergentie in tien lidstaten beoordeeld in overeenstemming met het kader voor sociale convergentie, dat een landspecifieke analyse in twee fasen van de risico’s en uitdagingen voor opwaartse sociale convergentie omvat 27 . In de eerste fase, die in het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2025 28 werd gepresenteerd, werden het arbeidsmarkt-, vaardigheden- en sociaal beleid voor alle lidstaten geanalyseerd. In totaal werden tien lidstaten (Bulgarije, Estland, Griekenland, Spanje, Kroatië, Italië, Litouwen, Luxemburg, Hongarije en Roemenië) geïdentificeerd als lidstaten met potentiële risico’s voor opwaartse sociale convergentie. Op 11 april 2025 29 werd voor deze tien landen een analyse in de tweede fase gepubliceerd, met bijzondere aandacht voor de beleidsterreinen die in de eerste fase aan de hand van de kernindicatoren van het sociale scorebord waren aangemerkt als potentieel risicovol voor opwaartse sociale convergentie. Deze analyse in de tweede fase berust op een brede verzameling van kwantitatief en kwalitatief bewijsmateriaal en de belangrijkste factoren die ten grondslag liggen aan de uitdagingen voor opwaartse sociale convergentie. Bij deze analyse worden de ontwikkelingen nader tegen het licht gehouden, rekening houdend met de relevante beleidsmaatregelen die door de lidstaten zijn genomen of gepland. In de analyse in de tweede fase werden uitdagingen voor opwaartse sociale convergentie vastgesteld voor drie lidstaten (Griekenland, Roemenië en Italië) 30 .

In de analyse van opwaartse sociale convergentie wordt gewezen op horizontale uitdagingen op alle drie de beleidsterreinen. Er wordt ook in gewezen op verdere maatregelen die de verwerving van vaardigheden moeten stimuleren om de basis te leggen voor de ontwikkeling van vaardigheden en om tekorten aan vaardigheden en arbeidskrachten aan te pakken. Hoewel de arbeidsmarkten over het algemeen sterk blijven, blijkt uit de analyse dat alle bevolkingsgroepen doeltreffender op de arbeidsmarkt moeten worden geïntegreerd. Tegelijkertijd moet het beleid zeer bijzondere aandacht besteden aan inkomensongelijkheid en risico’s op armoede of sociale uitsluiting, ook tegen de achtergrond van de demografische uitdaging, waarbij adequate en duurzame stelsels voor sociale bescherming en inclusie moeten worden gehandhaafd. 

De bevindingen van de analyse van de sociale convergentie zijn terug te vinden in de landverslagen en dienden als input voor het Europees Semester 2025. Deze analyse is meegenomen bij de evaluaties van het multilaterale toezicht binnen de betreffende comités van de Raad.

Kader 5: Huisvesting in Europa – beleidsuitdagingen 

De ontwikkelingen op de woningmarkt hebben aanzienlijke economische en sociale gevolgen. Huisvesting levert een aanzienlijke bijdrage aan de economie van de EU. Zo was de bouwsector in 2024 goed voor ongeveer 5 % van het bbp. Huisvestingskosten slokken ook een groot deel van het inkomen van huishoudens op (bijna 20 % in 2024 en nog meer voor kwetsbare groepen), en de hoogte ervan heeft aanzienlijke gevolgen voor het huishoudbudget en de levensstandaard. De ontwikkelingen op de woning- en hypotheekmarkten hebben een grote invloed op de economische cycli en de financiële stabiliteit. Hoge prijzen en huren kunnen een negatief effect hebben op de arbeids- en woonmobiliteit, zowel binnen als tussen landen, en op het vermogen van personen met een handicap om zelfstandig te wonen. Dit kan op zijn beurt de efficiënte verdeling van arbeidskrachten belemmeren, arbeidstekorten in de hand werken en de algemene productiviteit beperken.

Europa kampt met een grote kloof tussen een sterke vraag naar huisvesting en een ontoereikend aanbod, wat leidt tot hoge prijzen. Tussen 2019 en 2024 is het aantal afgegeven vergunningen voor de bouw van nieuwe woongebouwen met 14 % gedaald. Tegelijkertijd stegen de woningprijzen met 27 %. In ongeveer twee derde van de Europese worden woningen overgewaardeerd. De woningmarkten zijn bijzonder krap in hoofdsteden, groeipolen en toeristische gebieden. Bovendien neemt de beschikbaarheid van sociale huisvesting af terwijl het aantal daklozen toeneemt.

Er zijn hervormingen en investeringen nodig om te zorgen voor betaalbaardere huisvesting. Het huisvestingsbeleid blijft in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de lidstaten, regio’s en steden, maar op alle niveaus is een vastberaden aanpak nodig. De herstel- en veerkrachtfaciliteit ondersteunt aanzienlijke investeringen (ongeveer 20 miljard EUR) op dit gebied en hervormingen met betrekking tot de betaalbaarheid en beschikbaarheid van huisvesting. De Commissie heeft in de tussentijdse evaluatie van het cohesiebeleid voorgesteld om de toewijzingen voor huisvesting te verdubbelen tot ten minste 15 miljard EUR. In het kader van dit voorjaarspakket worden specifieke aanbevelingen gedaan om de beschikbaarheid aan te pakken in een aantal landen waar de situatie bijzonder acuut is. Om een toereikend en adequaat woningaanbod te waarborgen, moet het beleid gericht zijn op het wegnemen van structurele belemmeringen op lange termijn, zoals ontoereikende investeringen, belastingen, zoneringsbeleid en tekorten aan arbeidskrachten in de bouw, en moeten de regels en voorschriften worden gestroomlijnd. Het aanbod van betaalbare huisvesting en sociale huisvesting moet worden vergroot om tegemoet te komen aan de huisvestingsbehoeften van kwetsbare groepen en van huishoudens met een laag of middeninkomen die geen toegang hebben tot huisvesting tegen marktvoorwaarden. Het voor 2026 geplande Europees plan voor betaalbare huisvesting zal tot doel hebben operationele aanbevelingen te doen ter ondersteuning van investeringen, beleidshervormingen en beste praktijken.

4.CONCLUSIE

Om de welvaart en veerkracht op lange termijn te stimuleren, stemt de EU haar economische governance af op een hernieuwde focus op concurrentievermogen. Het kompas voor concurrentievermogen bepaalt de prioriteiten van de Commissie voor de komende vijf jaar en bevat een duidelijke routekaart om de economische veerkracht en de mondiale positie van de EU te versterken. Het Europees Semester is een belangrijk mechanisme om deze prioriteiten te verwezenlijken, de lidstaten te ondersteunen bij het afstemmen van nationale hervormingen en investeringen op de gemeenschappelijke doelstellingen van de EU en te zorgen voor een consistente uitvoering op alle bestuursniveaus.

De Commissie roept de Europese Raad op de aanbevelingen van de Commissie voor de landspecifieke aanbevelingen voor 2025 te bekrachtigen en verzoekt de Raad van de Europese Unie deze aan te nemen. Ook roept zij alle lidstaten op om deze aanbevelingen onverkort en tijdig uit te voeren in nauw overleg met hun sociale partners, het maatschappelijk middenveld en andere belanghebbenden.

BIJLAGE 1 – OVERZICHT VAN THEMATISCHE GEBIEDEN DIE IN LANDSPECIFIEKE AANBEVELINGEN AAN BOD KOMEN

 

BIJLAGE 2 – VOORUITGANG BIJ DE UITVOERING VAN DE LANDSPECIFIEKE AANBEVELINGEN

Het Europees Semester 2025 maakt een stand van zaken op van de beleidsmaatregelen die de lidstaten hebben genomen om structurele uitdagingen aan te pakken die worden genoemd in de landspecifieke aanbevelingen die sinds 2019 zijn goedgekeurd. Bij de beoordeling van de uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen in 2025 wordt gekeken naar de beleidsmaatregelen die de lidstaten tot dan toe hebben genomen ( 31 ). Hierbij wordt rekening gehouden met de maatregelen die zijn genomen in het kader van de uitvoering van de herstel- en veerkrachtfaciliteit en met de toezeggingen die in de herstel- en veerkrachtplannen zijn gedaan en de budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn, afhankelijk van de mate waarin deze zijn uitgevoerd. De beoordeling weerspiegelt het huidige stadium van uitvoering en niet de mate van vooruitgang die bij volledige uitvoering van de plannen zou kunnen worden geboekt ( 32 ). De beoordeling van de landspecifieke aanbevelingen in 2025 heeft betrekking op de landspecifieke aanbevelingen voor de periode 2019-2023 (meerjarige beoordeling) en de beoordeling van de landspecifieke aanbevelingen voor 2024 (jaarlijkse beoordeling).

Figuur 1: Huidige stand van uitvoering van landspecifieke aanbevelingen 2019-2023

Figuur 2: Uitvoering van landspecifieke aanbevelingen 2019-2024: jaarlijkse beoordeling in elk opeenvolgend jaar afgezet tegen de stand van uitvoering tot op heden

Opmerking: In de meerjarige beoordeling in figuur 1 wordt gekeken naar de stand van uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen 2019-2023, vanaf het ogenblik waarop de aanbevelingen voor het eerst werden aangenomen tot de publicatie van deze mededeling. Er zij op gewezen dat de landspecifieke aanbevelingen voor 2021 alleen betrekking hebben op het begrotingsbeleid en niet langer relevant worden geacht voor de beoordeling van de landspecifieke aanbevelingen in 2025. In figuur 2 geeft de jaarlijkse beoordeling de vooruitgang weer die in het eerste jaar na de vaststelling van de landspecifieke aanbevelingen is geregistreerd, terwijl de meerjarige beoordeling de beoordeling van eerdere landspecifieke aanbevelingen laat zien.

Vanuit een meerjarenperspectief is ten minste enige vooruitgang geboekt voor 72 % van de landspecifieke aanbevelingen 2019-2023 (zie figuur 1). Bij de beoordeling van vorig jaar bleek dat voor 68 % van de landspecifieke aanbevelingen voor 2019-2023 ten minste enige vooruitgang was geboekt. De vooruitgang was bijzonder sterk bij de landspecifieke aanbevelingen voor 2019-2022: 75 % laat ten minste enige vooruitgang zien, vergeleken met 70 % in 2024. Hieruit blijkt dat de herstel- en veerkrachtfaciliteit, als prestatiegericht instrument, blijft bijdragen aan de uitvoering van de relevante landspecifieke aanbevelingen en dit zal blijven doen naarmate aanvullende hervormingen en investeringen in de herstel- en veerkrachtplannen worden geïmplementeerd. De uitvoering van hervormingen verschilt echter aanzienlijk van beleidsterrein tot beleidsterrein. De afgelopen jaren hebben de lidstaten nog steeds de meeste vooruitgang geboekt op het gebied van landspecifieke aanbevelingen die verband houden met de toegang tot financiering en financiële diensten, gevolgd door de werking van de arbeidsmarkt, het begrotingskader, budgettaire governance en het ondernemingsklimaat. Anderzijds verloopt de vooruitgang op het gebied van huisvesting, milieubeleid, openbaar bestuur, belastingbeleid, non-discriminatie en gelijke kansen bijzonder traag.

De progressie bij de uitvoering van de in 2024 vastgestelde landspecifieke aanbevelingen was aanzienlijk. De lidstaten hebben ten minste "enige vooruitgang" geboekt voor 51 % van de aanbevelingen die in oktober 2024 aan hen werden gericht (figuur 2). Dit is een lichte daling ten opzichte van de jaarlijkse vooruitgang die in 2024 werd geboekt met betrekking tot de landspecifieke aanbevelingen die in juli 2023 werden vastgesteld. Wanneer we kijken naar de beleidsterreinen waarop een aanzienlijk aantal lidstaten in 2024 een aanbeveling kreeg, is globaal gezien de meeste vooruitgang geboekt op het gebied van het begrotingskader en budgettaire governance, gevolgd door de toegang tot financiering, de werking van de arbeidsmarkt, vaardigheden, beroepsonderwijs en -opleiding. Daar staat tegenover dat er minder vooruitgang is geboekt bij de uitvoering van aanbevelingen inzake openbaar bestuur, milieubeleid, pensioenstelsels en onderzoek en innovatie.

De resultaten van de beoordeling van landspecifieke aanbevelingen in 2025 zullen samen met die van voorgaande jaren beschikbaar komen op de website van de Commissie.

BIJLAGE 3 – VOORUITGANG BIJ DE UITVOERING VAN SDG’S IN DE EU



Opmerking: De bovenstaande figuur geeft aan in welk tempo de EU vooruitgang heeft geboekt bij de verwezenlijking van elk van de 17 doelstellingen in de meest recente periode van vijf jaar waarover gegevens beschikbaar zijn. De methode om de trends voor indicatoren te beoordelen en deze op het niveau van elk doel te aggregeren is, samen met meer gedetailleerde analyses, te vinden op de website van Eurostat: Overzicht – Indicatoren voor duurzame ontwikkeling – Eurostat (europa.eu) .

Hoe heeft de EU vooruitgang geboekt bij de verwezenlijking van de SDG’s? 

Er is aanzienlijke vooruitgang geboekt bij de verwezenlijking van de doelstellingen die verband houden met het verminderen van ongelijkheid (SDG 10), met eerlijk werk en economische groei (SDG 8) en met kwaliteitsonderwijs (SDG 4). De EU heeft ook vooruitgang geboekt bij de verwezenlijking van de meeste andere SDG’s, maar in een trager tempo. Binnen de groep doelstellingen waarvoor matige vooruitgang werd geboekt, presteerde de EU het best voor gendergelijkheid (SDG 5), verantwoorde consumptie en productie (SDG 12), industrie, innovatie en infrastructuur (SDG 9) en geen honger (SDG 2). Daarentegen blijkt uit de beoordeling dat er geen aanzienlijke vooruitgang is geboekt voor leven in het water (SDG 14) als gevolg van de trage uitbreiding van beschermde mariene gebieden en de verslechterende gezondheid van de oceaan. Voor schoon water en sanitaire voorzieningen (SDG 6) en leven op het land (SDG 15) werd een verschuiving weg van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen vastgesteld. De vooruitgang wat betreft SDG 6 werd ongunstig beïnvloed door waterstress, terwijl de ontwikkeling op het gebied van SDG 15 negatief wordt beïnvloed door bodemdegradatie en biodiversiteitsverlies.

BIJLAGE 4 – BEVINDINGEN VAN DIEPGAANDE EVALUATIES VAN MACRO-ECONOMISCHE ONEVENWICHTIGHEDEN IN EU-LANDEN

In zeven van de tien lidstaten waarvoor een diepgaande evaluatie is uitgevoerd, zijn onevenwichtigheden of buitensporige onevenwichtigheden vastgesteld. Bij de diepgaande evaluatie werd gekeken naar de ernst van de kwetsbaarheden, de recente en verwachte ontwikkeling ervan en de daarmee samenhangende beleidsrespons. Ook dit jaar is de diepgaande evaluatie gepresenteerd voorafgaand aan het voorjaarspakket van het Europees Semester om meer diepgaande multilaterale besprekingen met lidstaten mogelijk te maken in afwachting van de conclusies over de vastgestelde onevenwichtigheden en de daaruit voortvloeiende formulering van de landspecifieke aanbevelingen 33 .

Het afgelopen jaar hebben de economische ontwikkelingen de ernst van enkele van de reeds lang bestaande kwetsbaarheden die aan onevenwichtigheden in verschillende landen ten grondslag liggen, afgezwakt. Verschillende landen zagen hun economie er licht op vooruitgaan in 2024, maar sommige andere landen kregen te maken met een stagnerende activiteit of zelfs een recessie. De werkgelegenheid steeg en de werkloosheid bleef op of in de buurt van historisch lage niveaus. De inflatie en kostendruk zijn verder afgenomen, en tot voor kort sneller dan verwacht. De financiële voorwaarden zijn in de loop van 2024 versoepeld na de duidelijke verkrapping in de voorgaande twee jaar. De vooruitzichten voor 2025 zijn een voortzetting van de vergelijkbare groeicijfers als in 2024 voor de EU en de eurozone als geheel, met aanzienlijke neerwaartse risico’s en een potentiële versnelling in 2026.

De onzekerheid is aanzienlijk toegenomen door een veranderende geopolitieke en handelscontext, waardoor de risico’s rond onevenwichtigheden toenemen. Economieën die meer aan handel zijn blootgesteld, lopen meer risico in geval van een langdurige zwakte of zelfs een inkrimping van de wereldhandel, na enkele jaren van slappe handel, vooral in de productiesector. Voor de middellange termijn zitten er budgettaire expansies aan te komen, voornamelijk ter ondersteuning van hogere defensie-uitgaven, hoewel niet in alle gevallen gedetailleerde plannen zijn opgesteld. Het effect van al deze ontwikkelingen valt moeilijk te voorspellen, aangezien de omstandigheden tamelijk instabiel zijn en de uitkomsten onduidelijk, maar de ontwikkelingen vereisen wel dat risico’s voortdurend en nauwlettend worden gemonitord, waarbij een toekomstgericht perspectief belangrijk is.

In de onderstaande paragrafen wordt ingegaan op de meest relevante kwetsbaarheden en vooruitzichten op dit moment, met name in de tien lidstaten die dit jaar aan een diepgaande evaluatie worden onderworpen.

De inflatie is over haar hoogtepunt heen, maar de inflatieverschillen blijven in meerdere gevallen aanzienlijk. De inflatievertraging hield in 2024 en begin 2025 in de hele EU aan, maar sommige lidstaten, zowel binnen als buiten de eurozone, bleven een duidelijk bovengemiddelde inflatie optekenen. Als gevolg daarvan zijn de aanzienlijke gecumuleerde inflatieverschillen groter geworden, ook in sommige gevallen waarin het economisch herstel beperkt is gebleven. De stijging van de loonkosten per eenheid product nam in 2024 af. In verschillende gevallen bleven deze kosten echter aanzienlijk stijgen als gevolg van krappe arbeidsmarkten en een lage productiviteitsgroei. 

Verwacht wordt dat de prijs- en kostendruk op korte termijn verder zullen afnemen, maar de verschillen zullen waarschijnlijk blijven bestaan. Aanzienlijke dalingen van de prijzen van energie en andere grondstoffen zouden, samen met de waardestijging van de euro en van de meeste andere EU-valuta’s, de inflatie moeten helpen terugdringen. Een zwakke vraag kan de prijsdruk in verschillende landen verder beperken. De groei van de loonkosten per eenheid product zal naar verwachting verder afnemen met een vertragende loongroei, nu het verlies aan koopkracht door inflatie van eerdere jaren is goedgemaakt. De recente verhogingen van de indirecte belastingen ondersteunen in sommige gevallen de hoge inflatie. Deze effecten zijn echter tijdelijk en zullen naar verwachting geen negatieve invloed hebben op het concurrentievermogen van de exportsector. Verwacht wordt echter dat de gecumuleerde en inflatieverschillen in sommige landen kunnen blijven toenemen. Aanhoudende verschillen in kosten- en prijsontwikkelingen kunnen riskant zijn voor de externe posities, en sommige landen waarvan het concurrentievermogen sterker is afgenomen, hebben kwetsbaardere externe rekeningen. Tegelijkertijd kunnen inflatieverschillen de effectiviteit van het monetaire beleid aantasten, vooral binnen de monetaire unie. Daarom blijft het belangrijk om de binnenlandse vraag op een duurzamer niveau te brengen en de marktwerking in sommige landen te verbeteren.

Er blijven grote tekorten en overschotten op de lopende rekening bestaan als gevolg van de dynamiek van de binnenlandse vraag. In 2024 zijn de lopende rekeningen over het algemeen verder gestegen, mede dankzij verdere verbeteringen van de handelsvoorwaarden, waaronder verdere dalingen van de energieprijzen. In de EU werden verschillende patronen waargenomen als gevolg van de dynamiek van de binnenlandse vraag. Sommige landen vertonen grote tekorten op de lopende rekening met beperkte verbeteringen, die vaak samenvallen met een sterke binnenlandse vraag. In enkele andere gevallen zijn de kerncijfers verbeterd in perioden van zwakke bbp-groei, wat zwakkere onderliggende externe rekeningen kan verhullen. In sommige gevallen zijn de tekorten erger dan vóór de pandemie en groter dan wat de fundamentals van die economieën zouden doen vermoeden. In een aantal van die landen zijn grote overheidstekorten verantwoordelijk voor een groot deel van de behoefte van de economie aan externe financiering. Tegelijkertijd zijn de aanzienlijke overschotten op de lopende rekening ondanks de zwakke wereldhandel niet veel veranderd, terwijl de stagnatie van de binnenlandse vraag in sommige van deze landen aanhield.

De veranderingen in de saldi op de lopende rekeningen zullen naar verwachting beperkt zijn, maar de onzekerheid is groot. De waardestijging van de euro en andere EU-valuta’s zou de invoer goedkoper moeten maken, terwijl de prijzen van energie en sommige andere grondstoffen naar verwachting zullen dalen en de lopende rekeningen verder zullen ondersteunen. Anderzijds zal de wereldhandel naar verwachting verder worden getemperd en worden er op korte termijn geen grote veranderingen in de dynamiek van de binnenlandse vraag verwacht, zodat de meeste grote tekorten op de lopende rekening naar verwachting slechts licht zullen afnemen en de langdurige grote overschotten op de lopende rekening slechts marginaal zullen veranderen. De onzekerheid is uitzonderlijk groot door de veranderende handelscontext. Lidstaten met grote overschotten kunnen harder worden getroffen door een inkrimping van de handel. Hun invoer zal echter samen met de lagere export dalen, omdat de binnenlandse vraag ook kan worden aangetast. Landen die sterk geïntegreerd zijn in mondiale waardeketens zullen waarschijnlijk meer worden getroffen. Tegelijkertijd kan het voor grote debiteuren moeilijker zijn om uit de schulden te groeien door middel van een hogere export en om een aanzienlijke behoefte aan externe financiering te financieren.

De negatievere netto internationale investeringsposities zijn verder verbeterd, ondersteund door de nominale bbp-groei, maar de noemereffecten stagneren. De meeste van de negatievere posities verbeterden opnieuw in 2024 dankzij een duidelijke nominale bbp-groei en ondanks aanzienlijke tekorten op de lopende rekening. Er wordt echter verwacht dat de verhoudingen van verscheidene negatieve netto internationale investeringsposities tot het bbp dit jaar en volgend jaar zullen stagneren, of veel minder sterk zullen verbeteren, als gevolg van een lagere nominale bbp-groei bovenop de aanhoudende grote behoefte aan externe financiering. In sommige gevallen kunnen gematigd negatieve netto internationale investeringsposities verslechteren wanneer het tekort op de lopende rekening zeer aanzienlijk is. Grote positieve posities zullen waarschijnlijk verder toenemen als de huidige grote overschotten blijven bestaan.

De woningprijzen zijn in 2024 dynamischer geworden als gevolg van stijgende inkomens en de versoepeling van de financieringsvoorwaarden, na twee jaar van gematigde of negatieve groei. De woningprijzen zijn in de loop van 2024 bijna overal gestegen. Dit was ook het geval in sommige landen waar de woningprijzen jarenlang te hoog leken te zijn, waardoor het risico op overwaardering opnieuw toenam, na enkele correcties in de afgelopen jaren. De vraag naar huisvesting werd ondersteund door de stijgende huishoudinkomens, die in sommige gevallen sterker stegen dan de woningprijzen, en door de lagere rentetarieven. Tegelijkertijd bleef de bouw van nieuwe woningen in verschillende landen afnemen, waardoor de prijsdruk toenam.

Verwacht wordt dat de woningprijzen zullen blijven stijgen als gevolg van langdurige structurele effecten. De versoepeling van de financiële voorwaarden voor huishoudens, in combinatie met de aanhoudende groei van de inkomens van huishoudens, zou het aangaan van leningen voor de aankoop van een woning moeten blijven stimuleren en de vraag naar woningen moeten ondersteunen. Het belastingbeleid ter ondersteuning van de vraag en de disfunctionele huurmarkten zijn niet veel veranderd en versterken het schuldgefinancierde woningbezit in verschillende landen. Tegelijkertijd zijn de knelpunten voor het woningaanbod grotendeels nog steeds niet aangepakt, terwijl het krappe aanbod van de afgelopen jaren en de daling van het aantal bouwvergunningen doen vermoeden dat de woningnood zal aanhouden en een opwaartse druk zal uitoefenen op de woningprijzen.

De schuldafbouw door huishoudens en niet-financiële vennootschappen ging door maar vertraagde omdat de noemereffecten afzwakten door de lagere inflatie en de kredietopname toenam. In 2024 bereikte de schuld van huishoudens en bedrijven als percentage van het bbp in verschillende landen het laagste niveau in jaren. Deze dalingen van de schuldquote waren echter vaak minder uitgesproken dan in voorgaande jaren, omdat de lagere inflatie resulteerde in meer gematigde noemereffecten. Daarnaast zijn de kredietstromen iets toegenomen, met name voor huishoudens, als gevolg van de geleidelijk versoepelende financieringsvoorwaarden en stijgende inkomens.

De overheidsschuldquotes zijn in verschillende gevallen blijven dalen, maar in sommige landen zijn zij recentelijk weer gestegen. De hoge overheidsschuldquotes daalden in sommige landen en stegen in andere gevallen tot boven de niveaus van vóór de pandemie. De noemereffecten verzwakten met minder gunstige verschillen tussen groei en rente. In sommige landen werden aanzienlijke tekorten opgetekend, terwijl andere landen evenwichtige begrotingsposities of zelfs overschotten presenteerden. Enkele landen met een lage of matige schuld hebben te maken met stijgende schuldquotes als gevolg van hoge tekorten. De leningsvoorwaarden voor overheden verbeterden of waren stabiel, waarbij de meeste spreads binnen de eurozone vorig jaar afnamen, maar de lange rente steeg in 2025. Voor sommige lidstaten buiten de eurozone zijn de spreads op staatsobligaties in 2024 en begin 2025 toegenomen. Aangezien de in vreemde valuta luidende leningen in sommige van die gevallen aanzienlijk zijn, zijn er risico’s ingeval de wisselkoersen volatiel worden.

Verwacht wordt dat de schuldafbouw in zowel de particuliere als de overheidssector in de toekomst zal vertragen of omslaan. De kredietopname door de particuliere sector zal naar verwachting blijven toenemen dankzij eenvoudigere financieringsvoorwaarden, waardoor de schuldafbouw wordt vertraagd of zelfs tot stilstand komt. Als de beleidsmaatregelen niet effectief worden uitgevoerd, zullen de begrotingstekorten in sommige gevallen aanzienlijk blijven, wat de overheidsschuldquotes doet toenemen. Onlangs zijn enkele budgettaire expansies geschetst, onder meer voor defensie-uitgaven, maar de details zijn niet altijd bekendgemaakt en zijn niet in de prognoses verwerkt.

De banksector is verder versterkt. De banken zijn het zwakke momentum van de afgelopen jaren goed doorgekomen. In 2024 gingen de kapitaalratio’s over het algemeen weer omhoog of stagneerden zij op een hoog niveau, terwijl de winstgevendheid hoog bleef. Niet-renderende leningen (NPL’s) namen verder af of stabiliseerden zich, terwijl zij vroeger aanzienlijker waren; in landen waar zij gematigd zijn, zijn zij gestabiliseerd of licht gestegen. In een paar landen blijven de door leningservicers buiten de banksector aangehouden niet-renderende leningen echter groot. De blootstelling aan commercieel vastgoed blijft een punt van zorg in sommige gevallen waarin die sector een aanzienlijk deel van de bedrijfsschuld vertegenwoordigt. De aanzienlijke blootstellingen van banken aan de staatsschuld van hun thuisland zijn in een aantal gevallen afgenomen – maar nog steeds aanzienlijk – maar zijn in de meeste andere gevallen verder toegenomen. In de toekomst kan de recente versoepeling van de financiële voorwaarden een einde maken aan de stijging van de rentemarges. Hoewel dit de winstgevendheid kan beperken, kunnen de kredietvolumes iets toenemen.



Tabel 1: INDELING VAN LIDSTATEN IN HET KADER VAN DE PMO

 

Resultaten 2024

Resultaten 2025

Geen onevenwichtigheden

ES, FR, PT

CY, DE, EE

Onevenwichtigheden

CY, DE, EL, HU, IT, NL, SE, SK

EL, HU, IT, NL, SE, SK

Eu: buitensporige onevenwichtigheden

RO

RO

p.m.: Geen diepgaande evaluatie

AT, BE, BG, CZ, DK, EE, FI, HR, IE, LT, LU, LV, MT, PL, SI

AT, BE, BG, CZ, DK, ES, FI, FR, HR, IE, LT, LU, LV, MT, PL, PT, SI

Opmerking: Lidstaten waarvan de indelingsstatus tussen 2024 en 2025 is gewijzigd, zijn in beide kolommen in vet weergegeven.

Lidstaten die geen onevenwichtigheden vertonen

Estland vertoont geen onevenwichtigheden. De afgelopen jaren werd het land geconfronteerd met kwetsbaarheden in verband met de verslechtering van het prijs- en kostenconcurrentievermogen tijdens een langdurige recessie. De woningprijzen zijn aanzienlijk gestegen, maar over het geheel genomen lijken de kwetsbaarheden momenteel binnen de perken te blijven. De lonen en prijzen zijn al een aantal jaren sterk gestegen en begin 2025 bleef de kerninflatie ruim boven het gemiddelde van de eurozone als gevolg van loonstijgingen, met name in de overheidssector. Deze prijs- en kostendruk tast de concurrentiepositie van de economie aan. Het verlies van goedkope energie en andere inputs als gevolg van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne vormde de aanzet voor aanhoudende prijsstijgingen in 2022, maar momenteel gaat de inflatiedruk grotendeels uit van het binnenland. Door de sterke binnenlandse vraag en de krappe arbeidsmarkt konden de lonen snel groeien in een tijd van zwakke productiviteit. De lonen in de overheidssector, met name voor leerkrachten en personeel in de gezondheidszorg, zijn de afgelopen jaren gestegen en hebben een inhaalslag gemaakt ten opzichte van de relatief lage niveaus in het verleden. Een deel van de hoge inflatie kan worden toegeschreven aan verhogingen van de indirecte belastingen. De Estse export heeft de afgelopen twee jaar wat marktaandeel verloren. Het tekort op de lopende rekening is onlangs gedaald als gevolg van een recessie in eigen land. De netto internationale investeringspositie is slechts matig negatief en de risico’s voor de houdbaarheid van de externe positie lijken beperkt. De woningprijzen zijn de afgelopen jaren aanzienlijk gestegen en zijn naar schatting te hoog, maar het aan hypothecaire leningen verbonden risico voor de financiële stabiliteit blijft laag. Sommige beleidsmaatregelen uit het verleden hebben tot deze situatie bijgedragen, met name doordat zij de binnenlandse vraag hebben aangewakkerd zodra het ergste van de pandemiecrisis achter de rug was. Hiertoe behoorde de vrijgave van de pensioenfondsen van de tweede pijler, wat de prijzen, inclusief de woningprijzen, deed stijgen. De afgelopen jaren viel de stijging van de lonen in de overheidssector en de minimumlonen samen met de recessie en leidde zij tot een hogere algemene loonstijging in de hele economie. De maatregelen ter verbetering van de arbeidsproductiviteit en het ondernemingsklimaat blijven beperkt. De regering heeft onlangs verschillende beleidsmaatregelen ter verlaging van de belastingen en uitgaven aangekondigd voor 2026. Deze maatregelen zouden de inflatiedruk kunnen verlagen en zouden de druk op de arbeidskosten enigszins kunnen verlichten.

Duitsland vertoont geen onevenwichtigheden meer. De grensoverschrijdend relevante kwetsbaarheden in verband met het grote overschot op de lopende rekening zijn in de loop der jaren afgenomen, terwijl zeer recent aanzienlijke beleidsvooruitgang is aangekondigd. Het overschot op de lopende rekening bedroeg de afgelopen jaren minder dan 6 % van het bbp, na in 2022 een dieptepunt te hebben bereikt als gevolg van uitzonderlijk hoge energieprijzen. De daling van de lopende rekening is grotendeels het gevolg van ongunstige externe factoren, terwijl de algemene onderliggende kwetsbaarheden in termen van een aanzienlijke kloof tussen besparingen en investeringen niet fundamenteel zijn veranderd. De investeringsbehoeften zijn door de jaren heen toegenomen, voornamelijk in verband met overheidsinvesteringen op regionaal niveau en bedrijfsinvesteringen, terwijl de werkelijke investeringen de afgelopen jaren in reële termen zijn teruggelopen. In combinatie met andere structurele uitdagingen leverden de lage publieke en private investeringen een van de laagste bijdragen aan de potentiële bbp-groei in de EU. De reële lonen hebben in 2024 het niveau van vóór de pandemie bereikt na gematigde stijgingen van de nominale lonen. Begin maart 2025, na de parlementsverkiezingen, werden echter aanzienlijke beleidsaankondigingen gedaan, waaronder de herziening van het grondwettelijke begrotingskader. Dit beleidspakket betekent een grote stap en een duidelijke versnelling ten opzichte van recente patronen en zal, indien het wordt uitgevoerd, leiden tot aanzienlijk hogere defensie-uitgaven en investeringen in infrastructuur.

Cyprus vertoont geen onevenwichtigheden meer. De kwetsbaarheden in verband met buitenlandse en particuliere schuld nemen af, deels dankzij de sterke economische groei, en de terugdringing van de overheidsschuld wordt verder ondersteund door aanhoudende begrotingsoverschotten. Het tekort op de lopende rekening blijft aanzienlijk. Cyprus heeft belangrijke vooruitgang geboekt bij de uitvoering van maatregelen om zijn kwetsbaarheden aan te pakken. De schuld van huishoudens en niet-financiële vennootschappen als percentage van het bbp is gedaald, voornamelijk dankzij sterke noemereffecten als gevolg van de hoge nominale bbp-groei. Een groot deel van de schuld van bedrijven zit bij special purpose entities waarvan de kredietverstrekkers buiten Cyprus zijn gevestigd en die beperkte risico’s voor de economie inhouden. Daarnaast zijn de door banken aangehouden niet-renderende leningen aanzienlijk afgenomen als gevolg van verkopen, afschrijvingen en terugbetalingen. De niet-renderende leningen aangehouden door kredietverwervende ondernemingen nemen ook af, wat leidt tot verdere schuldafbouw. De overheidsschuld daalt in een snel tempo en Cyprus zal naar verwachting begrotingsoverschotten blijven boeken. Hoewel het tekort op de lopende rekening in 2024 afnam, blijft het hoog en zal het naar verwachting slechts marginaal verbeteren. De negatieve netto internationale investeringspositie blijft aanzienlijk, maar wordt sterk opgeblazen door de aanwezigheid van special purpose entities zonder significante directe banden met de binnenlandse economie. Cyprus boekt vooruitgang met het beleid om zijn kwetsbaarheden aan te pakken. Met name het kader voor gedwongen verkoop werd in 2024 volledig operationeel en wetgeving die de afwikkeling van niet-renderende leningen moet vergemakkelijken, zal naar verwachting de schuldenlast van huishoudens verlichten en hun spaartegoeden stimuleren.



Lidstaten die onevenwichtigheden vertonen

Griekenland vertoont nog steeds onevenwichtigheden. De kwetsbaarheden in verband met de hoge overheids- en buitenlandse schuld, niet-renderende leningen en werkloosheid blijven afnemen, terwijl het tekort op de lopende rekening hoog blijft. De overheidsschuldquote is in 2024 opnieuw aanzienlijk gedaald, maar ondanks aanhoudende dalingen blijft deze de hoogste in de EU. Begrotingsoverschotten in combinatie met de groei van het bbp zullen de schuld verder doen dalen. Het tekort op de lopende rekening is in 2024 marginaal gestegen, ruim boven het niveau van vóór de pandemie, en zal dit jaar en volgend jaar naar verwachting onveranderd hoog blijven. De netto internationale investeringspositie is in 2024 verder verbeterd maar blijft de meest negatieve in de EU en zal naar verwachting niet wezenlijk verder verbeteren vanwege de grote tekorten op de lopende rekening en de afnemende noemereffecten. De arbeidsmarkt blijft erop vooruitgaan. De werkloosheid daalt maar is nog steeds hoog. Het volume niet-renderende leningen op de balansen van banken nam in 2024 verder af, maar de afwikkeling van door leningservicers aangehouden niet-renderende leningen bleef traag gaan, wat de balansen van bedrijven en huishoudens bleef belasten. Griekenland heeft grote vooruitgang geboekt met het beleid om zijn kwetsbaarheden aan te pakken. In 2024 werden maatregelen genomen om de belastinginning te verbeteren en de handhaving van oude niet-renderende leningen verder te ondersteunen. Ook in de justitiële sector is vooruitgang geboekt. Het vasthouden van de hervormingsdynamiek in het kader van en buiten het herstel- en veerkrachtplan blijft essentieel om de structurele zwakheden van de economie aan te pakken. Het verhogen van de productiviteit is van cruciaal belang om de groeivooruitzichten op lange termijn te verbeteren, wat het wegwerken van onevenwichtigheden zou vergemakkelijken.

Italië vertoont nog steeds onevenwichtigheden. Er blijven grensoverschrijdend relevante kwetsbaarheden bestaan in verband met de hoge overheidsschuld en de zwakke productiviteitsgroei. In 2024 lag de overheidsschuldquote boven het niveau van vóór de pandemie en ging ze in stijgende lijn. Hierdoor werd de neerwaartse trend in de periode na 2020 omgebogen, ook al nam het tekort af, omdat de groei van het nominale bbp aanmerkelijk vertraagde en schuldverhogende "stock-flow adjustments" aanzienlijk werden als gevolg van het vertraagde effect van de belastingkredieten voor woningrenovaties in voorgaande jaren op geldleningen. De positieve ontwikkeling van de arbeidsmarktindicatoren heeft zich voortgezet. De Italiaanse banken hebben hun activakwaliteit en winstgevendheid aanzienlijk verbeterd. Hun blootstelling aan soevereine risico’s en de omvang van door de staat gegarandeerde leningen zijn enigszins afgenomen, maar blijven aanzienlijk. Sommige beleidsmaatregelen hebben de vastgestelde kwetsbaarheden al aangepakt, maar een voortgezette en effectieve uitvoering van hervormingen en investeringen, met name die in het herstel- en veerkrachtplan en het budgettair-structurele plan voor de middellange termijn, samen met een prudente begrotingskoers, blijven van cruciaal belang. Het is essentieel dat de maatregelen in het Italiaanse budgettair-structurele plan voor de middellange termijn volledig worden uitgevoerd om ervoor te zorgen dat de hoge overheidsschuldquote op middellange termijn niet verder stijgt. Er zijn verschillende beleidsmaatregelen genomen om de budgettaire houdbaarheid te bevorderen, zoals het verbeteren van de jaarlijkse uitgaventoetsing, het permanent verkleinen van de belastingwig en het herzien van belastinguitgaven. De hervormingen hebben ook geleid tot aanzienlijke vooruitgang op het gebied van het insolventiekader en de markt voor niet-renderende leningen. Maatregelen in het kader van het herstel- en veerkrachtplan ondersteunen de productiviteitsgroei en helpen het arbeidspotentieel van Italië verder te benutten, wat de afbouw van de overheidsschuld zal vergemakkelijken. Het is essentieel dat deze maatregelen effectief worden uitgevoerd.

Hongarije vertoont nog steeds onevenwichtigheden. Kwetsbaarheden die voornamelijk verband houden met het concurrentievermogen en de financieringsbehoeften van de overheid blijven relevant. De snelle loongroei heeft het kostenconcurrentievermogen de afgelopen jaren aangetast en de inflatoire druk is nog steeds groter dan in de rest van de EU, terwijl het economisch herstel traag verloopt en aan neerwaartse risico’s onderhevig is. De externe rekening vertoonde in 2024 een overschot, maar beleid ter stimulering van de binnenlandse vraag houdt risico’s in voor de houdbaarheid van de externe positie. Het overheidstekort nam in 2024 af als gevolg van lagere investeringen en een daling van de uitgaven voor energiesubsidies, maar blijft hoog en zal naar verwachting dit jaar of volgend jaar niet veel verbeteren. De overheidsschuldquote daalt niet en de kosten van de schuldendienst en de brutofinancieringsbehoeften blijven hoog. De link tussen banken en de staat is sterker geworden door de fiscale stimulansen voor binnenlandse banken om overheidsschuld te kopen. De stijging van de woningprijzen is in 2024 aanzienlijk versneld als gevolg van de sterke vraag, die werd versterkt door vraagondersteunende overheidsmaatregelen. Er is beperkte vooruitgang geboekt op beleidsgebied. Hongarije zal permanente begrotingsmaatregelen moeten invoeren en minder moeten rekenen op belastingen op tijdelijke uitzonderlijke winsten of op beperkingen van de investeringen. Het land heeft een krap monetair beleid gevoerd, maar de doeltreffendheid ervan is verzwakt door overheidsingrijpen: er bestaan nog steeds slecht gerichte subsidies en leningen aan huishoudens en ondernemingen en de beheersing van de rente op leningen beperkt de effectiviteit van het monetaire beleid. Tegelijkertijd blijven woningbouwsubsidies en preferentiële kredietverlening de woningmarkt verstoren en de opwaartse druk op de woningprijzen opvoeren.

Nederland vertoont nog steeds onevenwichtigheden. Kwetsbaarheden die verband houden met de hoge particuliere schuld tegen de achtergrond van een overgewaardeerde huizenmarkt en het grote overschot op de lopende rekening blijven relevant, ondanks enkele verbeteringen, waaronder een grotere dynamiek van de binnenlandse vraag. Deze kwetsbaarheden zijn van grensoverschrijdend belang. Het overschot op de lopende rekening is een van de grootste in de eurozone en zal naar verwachting hoog blijven. Vanuit het oogpunt van besparingen en investeringen dragen alle sectoren van de economie bij aan het overschot. Het overschot van de bedrijfssector wordt in aanzienlijke mate bepaald door de activiteiten van de niet-financiële vennootschappen in het buitenland en door de bijdrage van ingehouden winsten van multinationals. Hoewel de groei van de consumptie en investeringen de belangrijkste aanjagers van het herstel na de pandemie waren, blijft Nederland achter bij de eurozone wat betreft het niveau van de bedrijfs- en overheidsinvesteringen. De schuldenlast van huishoudens behoort nog steeds tot de hoogste in de EU, maar is aanzienlijk gedaald als gevolg van noemereffecten, terwijl de kredietopname door huishoudens zich in 2024 sterk herstelde. De woningprijzen zijn het afgelopen jaar steeds sneller gestegen en zullen naar verwachting ook in 2025 sterk stijgen omdat aanzienlijke structurele uitdagingen nog steeds niet worden aangepakt. Er is beperkte vooruitgang geboekt op beleidsgebied. Er zijn enkele maatregelen genomen die het overschot op de lopende rekening zouden kunnen doen dalen, maar het totale effect ervan zal naar verwachting niet significant zijn. Er zijn ook enkele maatregelen genomen om het woningaanbod te stimuleren, maar er is slechts beperkte actie ondernomen om de prikkels voor huishoudens om een lening aan te gaan, te verminderen. De recente invoering van huurgrenzen houdt risico’s in voor de ontwikkeling van de particuliere en sociale huurmarkten.

Slowakije vertoont nog steeds onevenwichtigheden. Ondanks enkele verbeteringen blijven de kwetsbaarheden in verband met het kostenconcurrentievermogen, de externe balans en de woningmarkt bestaan, terwijl de schuldenlast van huishoudens sterker lijkt te dalen. De beleidsactie is beperkt gebleven. De inflatie en de groei van de loonkosten per eenheid product zijn aanzienlijk afgenomen, maar er blijven verschillen bestaan, waaronder de kerninflatie, met de rest van de eurozone en de EU. Na de duidelijke verbetering in 2023 als gevolg van lagere energieprijzen is het tekort op de lopende rekening in 2024 enigszins toegenomen door de zwakke uitvoer en stijgende invoer als gevolg van de heropleving van de binnenlandse vraag. Verwacht wordt dat het tekort op de lopende rekening dit jaar verder zal oplopen. Tegelijkertijd neemt het hoge overheidstekort niet af. Daarnaast is de stijging van de woningprijzen in de loop van 2024 weer versneld, terwijl de daling van de woningbouw het toch al krappe woningaanbod nog verergert. Nadat de schuldenlast van huishoudens een aantal jaren sterk is gestegen, hebben hogere rentetarieven de vraag naar hypotheken de afgelopen twee jaar vertraagd en zijn de schuldquotes van huishoudens de afgelopen jaren gedaald. Nu de financiële omstandigheden in de loop van 2024 en begin 2025 zijn versoepeld, neemt de kredietopname door huishoudens de laatste tijd weer toe, verder ondersteund door de stijging van het reële beschikbare inkomen in een context van een krappe arbeidsmarkt. De noemereffecten worden minder significant, zodat de schuldquotes van huishoudens op korte termijn kunnen stabiliseren of minder kunnen dalen dan voorheen, terwijl zij tegen de achtergrond van een gezonde banksector nog steeds onder het EU-gemiddelde blijven. Er is beperkte vooruitgang geboekt op beleidsgebied. Om de inflatie te beteugelen, zijn de energiesteunmaatregelen voor huishoudens verlengd. Deze niet-gerichte maatregel werd echter een van de belangrijkste oorzaken van de omvangrijke overheidstekorten en tekorten op de lopende rekening. De vaststelling van maatregelen ter verbetering van de arbeidsproductiviteit en het ondernemingsklimaat blijft beperkt. Een wijziging van de bouwwet die tot doel heeft de bouwprocedures te stroomlijnen, is in april van kracht geworden.

Zweden vertoont nog steeds onevenwichtigheden. Kwetsbaarheden die verband houden met de Zweedse vastgoedmarkt en de hoge particuliere schuld blijven relevant, ofschoon zich onlangs enige matiging heeft voorgedaan, en de vastgestelde kwetsbaarheden blijven bestaan als er geen krachtige maatregelen worden genomen. Ondanks enige matiging blijven de schuldquotes van huishoudens en bedrijven tot de hoogste in de EU behoren, terwijl de woningprijzen nominaal constant bleven maar nog steeds te hoog zijn. De aanscherping van de financiële voorwaarden heeft ook geleid tot een malaise in de woningbouw en heeft de uitgaven van huishoudens en bedrijven extra onder druk gezet. De financiële sector blijft sterk blootgesteld aan de vastgoedsector, met inbegrip van commercieel vastgoed. Er is beperkte vooruitgang geboekt op beleidsgebied. Het beleid blijft gunstig voor de schuldgefinancierde aankoop van een woning, terwijl het tekort aan woningen blijft bestaan. Het belastingstelsel blijft schuldgefinancierd woningbezit stimuleren door de aanzienlijke fiscale aftrekbaarheid van de hypotheekrente. Maatregelen die het woningaanbod in de toekomst vergroten, zouden de stijging van de woningprijzen helpen matigen maar zijn geen vervanging voor hervormingen om de belangrijkste oorzaken van de schuld van huishoudens aan te pakken. De huurmarkt is nog niet hervormd. Deze kwetsbaarheden kunnen nog verergeren als de schuldgefinancierde aankoop van woningen en de overwaardering van woningen opnieuw toenemen door de versoepeling van macroprudentiële maatregelen, die lijkt te worden overwogen, bovenop de gunstigere financieringsvoorwaarden.



Lidstaten die buitensporige onevenwichtigheden vertonen

Roemenië vertoont nog steeds buitensporige onevenwichtigheden. De kwetsbaarheden zijn toegenomen naarmate de begrotingstekorten en de tekorten op de lopende rekening van Roemenië zijn toegenomen, en het kostenconcurrentievermogen is in 2024 is verslechterd. Het hoge overheidstekort is in 2024 toegenomen. De aanhoudende groei van het overheidstekort en met name de stijgingen van de lonen en pensioenen in de overheidssector hebben de particuliere consumptie en het toch al grote tekort op de lopende rekening doen toenemen. De stijging van de loonkosten per eenheid product is in 2024 verder versneld, na de reeds zeer hoge groeipercentages in voorgaande jaren, waardoor het kostenconcurrentievermogen werd uitgehold. De soliditeit van de externe financieringsmix, gebaseerd op aanzienlijke netto buitenlandse directe investeringen en EU-middelen die de stijging van de buitenlandse schuld hadden ingeperkt, is in 2024 verzwakt. Verwacht wordt dat het overheidstekort en het tekort op de lopende rekening in 2025 en 2026 slechts marginaal zullen dalen. De groei van de loonkosten per eenheid product en de inflatie zullen naar verwachting vertragen maar hoog blijven. In 2024 was de beleidsmatige vooruitgang minimaal en namen de risico’s voor de macro-economische stabiliteit toe. Tegen het einde van vorig jaar nam de politieke onzekerheid toe, waardoor het land kwetsbaar was voor veranderingen in het beleggerssentiment en hogere financieringskosten. De link tussen banken en de staat is de grootste in de EU en is in 2024 verder toegenomen. Een aanzienlijk pakket maatregelen gericht op begrotingsconsolidatie dat eind 2024 werd aangenomen, met onder meer een bevriezing van de pensioenen en van de lonen van overheidspersoneel, moet nog worden aangevuld met verdere maatregelen om ervoor te zorgen dat de doelstellingen van het budgettair-structurele plan voor de middellange termijn volledig worden gehaald. Begin 2025 werd een hervorming van het minimumloon goedgekeurd. De uitvoering van het budgettair-structurele plan voor de middellange termijn en een belastinghervorming in 2025 zouden de budgettaire kwetsbaarheden aanzienlijk kunnen verminderen. Daarnaast zijn structurele hervormingen, en met name die welke in het herstel- en veerkrachtplan zijn opgenomen, nodig om het concurrentievermogen en de exportprestaties te versterken en verdere EU-financiering aan te trekken. Waarschijnlijk zijn echter aanvullende maatregelen nodig. Globaal gezien zullen de begrotingstekorten en externe tekorten zonder doortastende budgettaire en structurele hervormingen waarschijnlijk te hoog blijven, waardoor Roemenië aanzienlijk kwetsbaar blijft voor veranderingen in het beleggerssentiment en voor exogene schokken.



BIJLAGE 5 – BEGROTINGSTOEZICHT IN HET KADER VAN HET HERVORMDE STABILITEITS- EN GROEIPACT

Het voorjaarspakket 2025 van het Europees Semester vormt de afronding van de eerste volledige jaarlijkse cyclus van macro-economisch toezicht in het kader van het hervormde kader voor economische governance. Na de inwerkingtreding ervan in april 2024 bereikte het nieuwe kader in het najaar van 2024 een belangrijke mijlpaal met de indiening door de meeste lidstaten van hun eerste plannen voor de middellange termijn, gevolgd door de beoordeling door de Commissie in november en december, en de goedkeuring door de Raad in januari. In de jaarlijkse voortgangsverslagen die de lidstaten eind april hebben ingediend, wordt de balans opgemaakt van de vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering van de plannen voor de middellange termijn. 34 Samen met de voorjaarsprognoses 2025 van de Commissie en de begrotingsresultaten voor 2024 vormen zij belangrijke input bij de beoordeling in welke mate de lidstaten zich houden aan de door de Raad aanbevolen maximale groei van de netto-uitgaven. Voor lidstaten waartegen een procedure bij buitensporige tekorten loopt, bevatten dit kader en bijlage 1 bij het landverslag de beoordeling van doeltreffende acties om hun buitensporige tekorten te corrigeren.

De Commissie heeft voor 22 lidstaten beoordeeld of de groei van de netto-uitgaven in 2025 (en 2024 en 2025 samen) de door de Raad aanbevolen maximale groei van de netto-uitgaven niet heeft overschreden. Voor België, Bulgarije en Litouwen is de beoordeling van de naleving gebaseerd op het netto-uitgavenpad dat in hun plan voor de middellange termijn is voorgesteld en door de Commissie positief is beoordeeld als zijnde in overeenstemming met de vereisten van Verordening (EU) 2024/1263, uitgaande van de tijdige goedkeuring ervan door de Raad. Voor Oostenrijk wordt de beoordeling uitgevoerd op basis van het netto-uitgavenpad dat in zijn plan voor de middellange termijn is voorgesteld, in afwachting van de beoordeling ervan door de Commissie en de goedkeuring door de Raad. Voor Duitsland is een volledige beoordeling van de naleving vooralsnog niet mogelijk, omdat er nog geen plan voor de middellange termijn is. De Commissie verwacht dat Duitsland zijn plan uiterlijk eind juli 2025 zal indienen.

Naar aanleiding van de conclusies van de Europese Raad over de Europese defensie van 6 maart 2025 35 heeft de Commissie alle lidstaten 36 verzocht gebruik te maken van de flexibiliteit waarin de nationale ontsnappingsclausule van het stabiliteits- en groeipact voorziet om de overgang naar hogere defensie-uitgaven te vergemakkelijken. Naar aanleiding van de verzoeken van 16 lidstaten (België, Bulgarije, Tsjechië, Denemarken, Duitsland, Estland, Griekenland, Kroatië, Letland, Litouwen, Hongarije, Polen, Portugal, Slovenië, Slowakije en Finland) heeft de Commissie vandaag aanbevelingen aan de Raad aangenomen om de nationale ontsnappingsclausule te activeren. 37 De flexibiliteit in het kader van de nationale ontsnappingsclausule staat toe om in de periode 2025-2028 tot 1,5 % van het bbp af te wijken van de aanbevolen maximale groei van de netto-uitgaven 38 ; in afwachting van de activering ervan door de Raad wordt de flexibiliteit waarin de nationale ontsnappingsclausule voorziet al naar behoren in aanmerking genomen in de onderstaande beoordeling. 39 Met afwijkingen boven dat bedrag wordt rekening gehouden bij de beoordeling van de naleving van de regels van het stabiliteits- en groeipact, aangezien de aanbevelingen om de nationale ontsnappingsclausule te activeren de definities van overheidstekort, overheidsschuld en netto-uitgaven die moeten worden opgesteld en gerapporteerd, niet wijzigen.

Beoordeling van de doeltreffendheid van de actie voor lidstaten waartegen een procedure bij buitensporige tekorten loopt

Tegen acht lidstaten loopt een procedure bij buitensporige tekorten: België, Frankrijk, Italië, Hongarije, Malta, Polen, Roemenië en Slowakije. Bij de beoordeling van de doeltreffendheid van de actie wordt nagegaan of de groei van de netto-uitgaven in 2025, zoals geraamd in de voorjaarsprognoses 2025 van de Commissie, de door de Raad aanbevolen maxima niet overschrijdt. 40 Afwijkingen van deze maxima worden uitgedrukt op jaarbasis (d.w.z. voor 2025) en cumulatief (d.w.z. voor 2024 en 2025 samen). 41 Bij de beoordeling wordt al rekening gehouden met de flexibiliteit waarin de nationale ontsnappingsclausule voorziet voor de lidstaten waarvoor de Commissie de Raad vandaag aanbeveelt deze te activeren, uitgaande van de tijdige goedkeuring ervan door de Raad.

Op basis van deze beoordeling wordt de procedure bij buitensporige tekorten voor zes lidstaten (Italië, Slowakije, Hongarije, Polen, Frankrijk en Malta) opgeschort, onder voorbehoud van de activering van de nationale ontsnappingsclausule door de Raad. De beoordeling luidt als volgt:

·Voor Italië en Slowakije wordt verwacht dat de groei van de netto-uitgaven in 2025 het in het correctief pad vastgestelde maximum niet zal overschrijden.

·Voor Hongarije en Polen wordt verwacht dat de groei van de netto-uitgaven in 2025 het in het correctief pad vastgestelde maximum zal overschrijden De afwijkingen die de Commissie voor deze lidstaten voorspelt, vallen echter binnen de flexibiliteit waarin de nationale ontsnappingsclausule voorziet op basis van de huidige prognoses voor defensie-uitgaven.

·Voor Frankrijk en Malta wordt verwacht dat de groei van de netto-uitgaven in 2025 voor Frankrijk en in de periode 2024-2025 voor Malta het in het correctief pad vastgestelde maximum zal overschrijden. De afwijkingen bedragen niet meer dan respectievelijk 0,3 % (op jaarbasis) en 0,6 % (cumulatief) van het bbp, waarboven er een sterk vermoeden zou zijn dat er geen doeltreffende actie is ondernomen. Deze lidstaten wordt verzocht klaar te staan om verdere maatregelen te nemen om zich aan het correctief pad te houden.

Voor België wordt verwacht dat de groei van de netto-uitgaven in 2025 het maximum zal overschrijden dat moet worden vastgesteld in het door de Commissie aanbevolen correctief pad. 42 De verwachte afwijking valt echter binnen de flexibiliteit waarin de nationale ontsnappingsclausule voorziet op basis van de huidige prognoses voor defensie-uitgaven.

Een verdere beoordeling vindt plaats in het najaar, en daarna in het voorjaar van 2026 wanneer de begrotingsresultaten voor 2025 beschikbaar zijn.

Voor Roemenië wordt verwacht dat de groei van de netto-uitgaven het in het correctief pad vastgestelde maximum zal overschrijden De verwachte afwijking in 2024 en 2025 samen wordt geraamd op 1,7 % van het bbp. Dit betekent dat er geen doeltreffende actie is ondernomen terwijl er geen relevante verzachtende factoren zijn. De hoge groei van de netto-uitgaven leidt tot aanhoudend hoge overheidstekorten (9,3 % in 2024 en, op basis van de voorjaarsprognoses 2025 van de Commissie, 8,6 % van het bbp in 2025) en een stijging van de schuldquote met meer dan tien punten sinds 2021. Er zijn duidelijke risico’s voor de tijdige correctie van het buitensporige tekort tegen 2030. Daarom beveelt de Commissie de Raad vandaag aan om een besluit aan te nemen waarin geen doeltreffende actie wordt vastgesteld. Dit zal leiden tot de vaststelling van een herziene aanbeveling overeenkomstig artikel 126, lid 7. De Commissie roept Roemenië op snel actie te ondernemen om te voldoen aan de vereisten van de procedure bij buitensporige tekorten.

Beoordeling van de uitvoering van de plannen voor de middellange termijn door andere lidstaten

·Op basis van de prognoses voor de groei van de netto-uitgaven in 2025 in de voorjaarsprognoses 2025 van de Commissie zullen 12 lidstaten naar verwachting voldoen aan de aanbevolen maximale groei van de netto-uitgaven 43 , onder voorbehoud van de activering van de nationale ontsnappingsclausule, op basis van de huidige prognoses van de defensie-uitgaven.

oVoor Tsjechië, Estland, Letland, Slovenië, Finland en Zweden wordt verwacht dat de groei van de netto-uitgaven in 2025 het door de Raad aanbevolen maximum niet zal overschrijden.

oVoor Oostenrijk wordt verwacht dat de groei van de netto-uitgaven in 2025 het in zijn plan voor de middellange termijn (dat momenteel wordt beoordeeld) vermelde maximum niet zal overschrijden.

oVoor Bulgarije, Denemarken, Griekenland, Kroatië en Litouwen wordt verwacht dat de groei van de netto-uitgaven het door de Raad aanbevolen maximum (of de groei van de netto-uitgaven in het respectieve plan voor de middellange termijn) zal overschrijden. De voor deze lidstaten verwachte afwijkingen vallen echter binnen de flexibiliteit waarin de nationale ontsnappingsclausule voorziet op basis van de huidige prognoses voor defensie-uitgaven.

·In twee lidstaten zal de groei van de netto-uitgaven in 2025 naar verwachting het door de Raad aanbevolen maximum overschrijden, op basis van de voorjaarsprognoses 2025 van de Commissie. Op basis van de huidige prognoses van de defensie-uitgaven wordt ook verwacht dat deze lidstaten in grote lijnen zullen voldoen aan de aanbevolen maximale groei van de netto-uitgaven of aan de voorwaarden van de nationale ontsnappingsclausule.

o Voor Portugal wordt verwacht dat de groei van de netto-uitgaven in 2025 het door de Raad aanbevolen maximum overschrijden. De verwachte gecumuleerde afwijking ligt onder de drempel van 0,6 % van het bbp 44 .

oVoor Spanje wordt verwacht dat de groei van de netto-uitgaven in 2025 het door de Raad aanbevolen maximum (op jaarbasis) zal overschrijden, maar de afwijking overschrijdt niet de drempel van 0,3 % van het bbp.

·In vier lidstaten (Ierland, Cyprus, Luxemburg en Nederland) zal de groei van de netto-uitgaven in 2025 naar verwachting het door de Raad aanbevolen maximum overschrijden, en overschrijden de afwijkingen de drempels voor afwijkingen op jaarbasis (Ierland, Cyprus, Luxemburg) en gecumuleerde afwijkingen (Nederland). Voor deze lidstaten ziet de Commissie een risico dat wordt afgeweken van de aanbevolen maximale groeipercentages.

Het bovenstaande is een voorlopige beoordeling van de naleving op basis van de voorjaarsprognoses 2025 van de Commissie. In het najaar vindt een verdere beoordeling plaats. Daarna, in het voorjaar van 2026, zal de beoordeling van de naleving van de aanbevolen maximale groeipercentages voor de netto-uitgaven worden gebaseerd op de begrotingsresultaten voor 2025 en zullen afwijkingen van de aanbevelingen in de controlerekeningen worden geregistreerd.

Bij de beoordeling van de uitvoering van plannen voor de middellange termijn moet ook worden gekeken naar de investeringen en hervormingen die ten grondslag liggen aan een verlenging van de respectieve begrotingsaanpassingsperioden. Het betreft Spanje, Frankrijk , Italië, Finland, België en Roemenië. Een gedetailleerde beoordeling van de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van deze verbintenissen is te vinden in bijlage 1 bij de respectieve landverslagen. In het geval van Roemenië wordt het antwoord op de aanbeveling van de Raad van 21 januari 2025 tot dusver ontoereikend geacht.

Beoordeling van de naleving van de tekort- en schuldcriteria

In het kader van dit pakket van het Europees Semester heeft de Commissie op grond van artikel 126, lid 3, VWEU een verslag aangenomen voor vier lidstaten: Oostenrijk, Finland, Letland en Spanje. Het doel van dit verslag is te beoordelen of aan het tekortcriterium is voldaan ter onderbouwing van een mogelijk besluit over het al dan niet bestaan van buitensporige tekorten in die lidstaten. Voor Oostenrijk, Finland en Spanje is het verslag gebaseerd op een overheidstekort dat in 2024 boven de referentiewaarde van 3 % van het bbp lag. Letland is opgenomen vanwege een voorzien tekort in 2025 dat de referentiewaarde van 3 % van het bbp overschrijdt. Op basis van de analyse in het verslag is er geen reden om een procedure bij buitensporige tekorten in te leiden tegen Finland, Letland en Spanje. Wat Oostenrijk betreft, zal de Commissie, rekening houdend met het advies van het Economisch en Financieel Comité over haar verslag, overwegen een voorstel tot inleiding van een procedure bij buitensporige tekorten in te dienen door de Raad voor te stellen een besluit vast te stellen krachtens artikel 126, lid 6, VWEU waarbij het bestaan van een buitensporig tekort wordt vastgesteld.

Bron: Berekeningen van de Commissie op basis van de voorjaarsprognoses 2025 van de Commissie.

Opmerkingen: De tabel bevat informatie ter onderbouwing van de beoordeling van de naleving door de lidstaten die in dit kader wordt besproken. In de kolommen A en B geeft een positieve afwijking aan dat de netto-uitgaven die in de voorjaarsprognoses 2025 van de Commissie voor 2025 worden verwacht hoger liggen dan de maximale groeipercentages van de netto-uitgaven die door de Raad zijn vastgesteld in zijn aanbeveling tot goedkeuring van het plan voor de middellange termijn (Tsjechië, Denemarken, Estland, Ierland, Griekenland, Spanje, Kroatië, Cyprus, Letland, Litouwen, Luxemburg, Nederland, Portugal, Slovenië, Finland en Zweden) of in zijn aanbeveling om een einde te maken aan de situatie van een buitensporig tekort (Frankrijk, Italië, Hongarije, Malta, Polen, Slowakije en Roemenië). Voor België, Bulgarije, Litouwen en Oostenrijk wijst een positieve afwijking erop dat de verwachte netto-uitgaven hoger liggen dan de maximale groeipercentages van de netto-uitgaven zoals opgenomen in het plan voor de middellange termijn (voor België, Bulgarije en Litouwen is het plan positief beoordeeld door de Commissie en moet het nog worden goedgekeurd door de Raad); het Oostenrijkse plan wordt nog door de Commissie beoordeeld). Voor Duitsland kan geen kwantitatieve beoordeling worden uitgevoerd omdat er nog geen plan voor de middellange termijn is. In kolom C wordt aangegeven of de lidstaten tot dusver om activering van de nationale ontsnappingsclausule hebben verzocht. Kolom D bevat de verwachte gecumuleerde afwijking, rekening houdend met de flexibiliteit waarin de nationale ontsnappingsclausule voorziet voor defensie-uitgaven voor lidstaten die om activering van de nationale ontsnappingsclausule hebben verzocht.

Bron: Voorjaarsprognoses 2025 van de Commissie.

(1)

  Het EU-kompas voor concurrentievermogen , COM(2025) 30 final.

(2)

Omvat nationale medefinanciering.

(3)

Omvat nationale medefinanciering.

(4)

Het cijfer heeft betrekking op de programmeringsperiode 2021-2027 en omvat nationale medefinanciering.

(5)

  Een gemoderniseerd cohesiebeleid: tussentijdse evaluatie; voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1058 en Verordening (EU) 2021/1056 wat betreft specifieke maatregelen voor het aanpakken van strategische uitdagingen in het kader van de tussentijdse evaluatie.

(6)

  De weg naar het volgende meerjarig financieel kader , COM(2025) 46 final.

(7)

  Gezamenlijk witboek over de gereedheid van de Europese defensie 2030 .

(8)

Roemenië heeft zijn jaarlijks voortgangsverslag nog niet ingediend.

(9)

In de praktijk heeft de Commissie rekening gehouden met de afwijking voor hogere defensie-uitgaven die zou zijn toegestaan in geval van activering van de nationale ontsnappingsclausule door de Raad, in overeenstemming met de aanbevelingen van de Commissie, bij de beoordeling van de naleving van het netto-uitgavenpad dat is vastgesteld in het kader van het preventieve deel (Verordening (EU) 2024/1263) en bij de beoordeling van doeltreffende maatregelen met betrekking tot de naleving van het correctief pad dat is vastgesteld in het kader van het corrigerende deel (Verordening (EG) nr. 1467/97).

(10)

SWD(2025) 68 tot en met 71 en SWD(2025) 122 tot en met 127.

(11)

Met nationale medefinanciering.

(12)

  https://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-16179-2024-INIT/nl/pdf .

(13)

Berekeningen van de Europese Commissie (Hoofdeconoom DG ENER) op basis van prijsgegevens van Eurostat en de U.S. Energy Information Administration (EIA).

(14)

COM(2025) 440 final/2.

(15)

COM(2025) 274.

(16)

  EIB Investment Survey 2024 - European Union overview .

(17)

  Simplification and Implementation - European Commission .

(18)

Gemiddelde van de uitvoer en invoer van diensten in verhouding tot het bbp.

(19)

COM(2025) 124 final.

(20)

De strategieën voor een Unie van gelijkheid bevorderen gelijke kansen op de arbeidsmarkt en in het onderwijs voor vrouwen en kansarme groepen, zoals personen met een handicap of personen die tot een raciale of etnische minderheid behoren, zoals de Roma.

(21)

  De demografietoolbox wijst ook op acties om demografische uitdagingen en de gevolgen daarvan voor het concurrentievermogen van Europa aan te pakken.

(22)

Europese Commissie (2024). The twin challenge of equity and excellence in basic skills in the EU .

(23)

Eurobarometer 529, 2023.

(24)

Geraamd in het kader van het vaardighedeninlichtingenproject “Skills Forecast” van Cedefop Skills Forecast | Cedefop

(25)

  Vaardigheidsunie – Europese Commissie .

(26)

In het licht van de veranderende klimaat-, geopolitieke en veiligheidsuitdagingen omvat de strategie voor een paraatheidsunie beleidsmaatregelen die de acties van de lidstaten ter versterking van de paraatheidsinspanningen zullen ondersteunen en aanvullen.

(27)

Zie Verordening (EU) 2024/1263, artikel 3 en de onderliggende overweging.

(28)

  Gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2025, zoals door de EPSCO-Raad aangenomen op 10 maart 2025 .

(29)

  SWD(2025) 95 – Second-stage country analysis on social convergence in line with the Social Convergence Framework (SCF) , 2025.

(30)

In 2024 was dat het geval voor de lidstaten Bulgarije, Roemenië en Italië.

(31)

Inclusief beleidsmaatregelen die zijn gerapporteerd in de databank voor landspecifieke aanbevelingen, in de jaarlijkse voortgangsverslagen en in de verslaglegging over de herstel- en veerkrachtfaciliteit (halfjaarlijkse verslaglegging over de vooruitgang in de richting van mijlpalen en streefdoelen en voortvloeiend uit de beoordeling van betalingsverzoeken).

(32)

In het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit werd de lidstaten gevraagd om in hun herstel- en veerkrachtplannen alle of een aanzienlijk deel van de relevante landspecifieke aanbevelingen effectief aan te pakken. In de hier gepresenteerde beoordeling van landspecifieke aanbevelingen is gekeken naar de stand van uitvoering van de maatregelen in de herstel- en veerkrachtplannen en naar andere maatregelen buiten de herstel- en veerkrachtplannen op het moment van de beoordeling. Maatregelen die zijn voorzien in de bijlagen bij de goedgekeurde uitvoeringsbesluiten van de Raad betreffende de goedkeuring van de beoordeling van de herstel- en veerkrachtplannen die nog niet zijn goedgekeurd of uitgevoerd maar waarvan wordt aangenomen dat ze geloofwaardig zijn aangekondigd overeenkomstig de methode voor de beoordeling van landspecifieke aanbevelingen, krijgen de kwalificatie “beperkte vooruitgang”. Wanneer deze maatregelen zijn uitgevoerd, kunnen zij de kwalificatie “enige/aanzienlijke vooruitgang” of “volledige uitvoering” krijgen, afhankelijk van hun relevantie voor het aanpakken van de uitdagingen die aan de landspecifieke aanbevelingen ten grondslag liggen. Dezelfde benadering geldt voor hervormingen en investeringen die zijn opgenomen in de budgettair-structurele plannen voor de middellange termijn.

(33)

De tien diepgaande evaluaties werden in twee batches met de lidstaten gedeeld: één in maart (voor Cyprus, Duitsland, Griekenland en Nederland) en één in april (voor Estland, Hongarije, Italië, Roemenië, Slowakije en Zweden); ze werden allemaal in mei gepubliceerd: Diepgaande evaluaties – Europese Commissie (europa.eu) .

(34)

Roemenië heeft zijn jaarlijks voortgangsverslag nog niet ingediend.

(35)

Conclusies van de Europese Raad over de Europese defensie van 6 maart 2025, https://www.consilium.europa.eu/media/tzkadtec/20250306-european-council-conclusions-en.pdf .

(36)

Commission Communication on Accommodating increased defence expenditure within the Stability and Growth Pact, C(2025) 2000 final.

(37)

De Raad en de Commissie hebben van Duitsland ook een verzoek ontvangen om de nationale ontsnappingsclausule te activeren. Aangezien Duitsland zijn plan voor de middellange termijn nog niet heeft ingediend, zal de Commissie het verzoek samen met de beoordeling van het plan voor de middellange termijn beoordelen zodra zij het heeft ontvangen.

(38)

Daarnaast zal bij het bepalen van de flexibiliteit die tijdens de activering van de nationale ontsnappingsclausule kan worden toegestaan geen rekening worden gehouden met de schuldhoudbaarheidswaarborg en de waarborg voor de weerbaarheid van het tekort. Dit zorgt ervoor dat de houdbaarheidsvoorwaarde van de nationale ontsnappingsclausule gelijkelijk wordt toegepast op alle lidstaten.

(39)

In de praktijk heeft de Commissie rekening gehouden met de afwijking voor hogere defensie-uitgaven die zou zijn toegestaan in geval van activering van de nationale ontsnappingsclausule door de Raad, in overeenstemming met de aanbevelingen van de Commissie, bij de beoordeling van de naleving van het netto-uitgavenpad dat is vastgesteld in het kader van het preventieve deel (Verordening (EU) 2024/1263) en bij de beoordeling van doeltreffende maatregelen met betrekking tot de naleving van het correctief pad dat is vastgesteld in het kader van het corrigerende deel (Verordening (EG) nr. 1467/97).

(40)

Voor België is de beoordeling van de naleving gebaseerd op het netto-uitgavenpad dat in zijn plan voor de middellange termijn is voorgesteld en door de Commissie positief is beoordeeld als zijnde in overeenstemming met de vereisten van Verordening (EU) 2024/1263, uitgaande van de tijdige goedkeuring ervan door de Raad.

(41)

Voor de lidstaten die hun plan voor de middellange termijn dit jaar hebben ingediend (Bulgarije, België, Litouwen en Oostenrijk), is het basisjaar voor het plan en/of de desbetreffende aanbeveling 2024 (aangezien de begrotingsresultaten nu beschikbaar zijn) en begint de begrotingsaanpassingsperiode in 2025. Bijgevolg geven de afwijking op jaarbasis en de gecumuleerde afwijking hetzelfde resultaat.

(42)

Op 21 mei heeft de Commissie een herziene aanbeveling voor een aanbeveling van de Raad gedaan overeenkomstig artikel 126, lid 7, VWEU om een einde te maken aan de situatie van een buitensporige overheidstekort in België. De beoordeling van de naleving voor België wordt gerapporteerd op basis van dit herziene correctief pad, dat overeenkomt met de toezegging voor het groeipercentage van de netto-uitgaven in het Belgische plan voor de middellange termijn. Dit laatste werd op 21 mei 2025 positief beoordeeld door de Commissie en moet in de komende weken door de Raad worden goedgekeurd. Gezien de herziening zou een beoordeling op basis van de bestaande aanbeveling van de Raad achterhaald zijn.

(43)

Voor Bulgarije en Litouwen is de beoordeling van de naleving gebaseerd op het netto-uitgavenpad dat in hun plan voor de middellange termijn is voorgesteld en door de Commissie positief is beoordeeld als zijnde in overeenstemming met de vereisten van Verordening (EU) 2024/1263, uitgaande van de tijdige goedkeuring ervan door de Raad. Voor Oostenrijk wordt de beoordeling uitgevoerd op basis van het netto-uitgavenpad dat in zijn plan voor de middellange termijn is voorgesteld, in afwachting van de beoordeling ervan door de Commissie en de goedkeuring door de Raad.

(44)

Ondanks deze afwijking wordt in de voorjaarsprognoses 2025 van de Commissie aangegeven dat het nominale overheidssaldo een overschot blijft vertonen.

Top