EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 16.3.2022
COM(2022) 120 final
2022/0074(COD)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
tot wijziging van Verordening (EU) nr. 909/2014 wat betreft afwikkelingsdiscipline, grensoverschrijdende verrichting van diensten, samenwerking op toezichtgebied, de verlening van bancaire nevendiensten en vereisten voor centrale effectenbewaarinstellingen van derde landen
(Voor de EER relevante tekst)
{SEC(2022) 160 final} - {SWD(2022) 75 final} - {SWD(2022) 76 final}
TOELICHTING
1.CONTEXT VAN HET VOORSTEL
Motivering en doel van het voorstel
Centrale effectenbewaarinstellingen (Central Securities Depositories, CSD’s) beheren de infrastructuur die effectenafwikkeling mogelijk maakt, d.w.z. de voltooiing van een effectentransactie middels de overboeking van geld of effecten dan wel van beide. CSD’s spelen een cruciale rol op de primaire markt aangezien zij de initiële registratie van nieuw uitgegeven effecten (“notariële dienst”) centraliseren. Ook houden zij effectenrekeningen aan die registreren hoeveel effecten door wie worden gehouden en registreren zij elke wijziging in het houderschap van die effecten (“centrale dienst voor het aanhouden van effectenrekeningen”). Daarnaast verlenen sommige CSD’s nevendiensten, waaronder bancaire diensten.
CSD’s vervullen een essentiële functie in de financiering van de economie door de rol die zij spelen bij de uitgifte van effecten en de voltooiing van effectentransacties. Ook zijn CSD’s belangrijke schakels voor de uitvoering van monetair beleid door centrale banken. Zo stroomt beleenbaar onderpand voor monetaire beleidstransacties van centrale banken, met name in de eurozone, bijvoorbeeld via door CSD’s beheerde effectenafwikkelingssystemen. Momenteel hebben 26 CSD’s een vergunning in de EU. In 2019 verwerkten de effectenafwikkelingssystemen van de EU meer dan 420 miljoen leveringsinstructies ter waarde van meer dan 53 biljoen EUR, voor een totale omzet van meer dan 1 120 biljoen EUR.
De verordening van 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie en betreffende centrale effectenbewaarinstellingen (de CSDR) had tot doel om de veiligheid en efficiëntie van de afwikkeling te verbeteren en te voorzien in een reeks gemeenschappelijke vereisten voor CSD’s in de hele EU. Hoewel CSD’s zich veerkrachtig hadden getoond, ook in de financiële crisis van 2008, en onderworpen waren aan regels op grond van nationale wetgeving en internationale normen, werden zij niet consistent gereguleerd in de hele Europese Unie (EU). Dit leidde tot verschillen in de veiligheid van hun activiteiten en tot zorgen over een gelijk speelveld. Het reguleren van CSD’s was ook belangrijk om het regelgevingskader van transactie- en posttransactiemarktinfrastructuren te voltooien na de vaststelling van de richtlijn betreffende markten voor financiële instrumenten (Richtlijn 2004/39/EG (MiFID)), die betrekking had op handelsplatforms, en de verordening betreffende Europese marktinfrastructuur (Verordening (EU) nr. 648/2012), die betrekking had op centrale tegenpartijen (CTP’s) en transactieregisters. Bovendien was een consistente regelgevingsaanpak van afwikkelingssystemen en afwikkelingsprocessen van belang om Target2-Securities (T2S) aan te vullen en de werking ervan te vergemakkelijken. De CSDR was ook het antwoord van de EU op de oproep van de Raad voor financiële stabiliteit (FSB) van 20 oktober 2010 tot een herziening en aanscherping van de normen om financiëlemarktinfrastructuren robuuster te maken.
CSD’s zijn financiële instellingen die systeemrelevant zijn voor financiële markten, reden waarom het van essentieel belang is dat het wettelijk kader voor CSD’s geschikt blijft voor het beoogde doel. Regelmatige herziening van de CSDR is gerechtvaardigd om ervoor te zorgen dat de doelstellingen ervan voortdurend worden bereikt en om tegelijkertijd, waar mogelijk, het kader evenrediger en doeltreffender te maken. De herziening van de CSDR is een belangrijke actie in het actieplan voor de kapitaalmarktenunie (KMU) van 2020 en is gericht op de ontwikkeling van een efficiënter posttransactielandschap in de EU. Veerkrachtige en efficiënte afwikkelingsmarkten in de EU moeten bijdragen aan de uitbouw van een beter geïntegreerd posttransactie-infrastructuurlandschap in de EU en moeten het concurrentievermogen van EU-CSD’s en de financiële markten van de EU in het algemeen vergroten.
Ingevolge artikel 75 van de CSDR moest de Commissie uiterlijk op 19 september 2019 deze verordening toetsen en een algemeen verslag opstellen over de te volgen stappen voor de herziening ervan. Ook heeft het Europees Parlement, in zijn resolutie over de verdere ontwikkeling van de kapitaalmarktenunie, de Commissie verzocht de voorschriften inzake afwikkelingsdiscipline van de CSDR te herzien in het licht van de brexit en de COVID-19-crisis. Daartoe heeft van 8 december 2020 tot 2 februari 2021 een gerichte raadpleging plaatsgevonden. Op 1 juli 2021 heeft de Commissie een verslag vastgesteld. Daarin concludeerde zij dat de CSDR in grote lijnen haar oorspronkelijke doelstellingen bereikt om de efficiëntie van de afwikkeling in de EU en de soliditeit van CSD’s te vergroten. Op de meeste gebieden werden belangrijke wijzigingen in de CSDR voorbarig geacht gezien de relatief recente toepassing van de vereisten. Niettemin werden in het verslag gebieden vermeld waarop verdere actie nodig kan zijn om de doelstellingen van de CSDR op een meer evenredige, efficiënte en doeltreffende manier te verwezenlijken.
Gezien de noodzaak om onevenredige kosten en lasten weg te nemen en regels te vereenvoudigen zonder de financiële stabiliteit in gevaar te brengen, is de herziening van de CSDR opgenomen in het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (Refit) van de Commissie voor 2021.
Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein
De CSDR is verbonden met diverse andere EU-wetteksten, waaronder de Finaliteitsrichtlijn, de MiFID en de MiFIR, en voor CSD’s die op grond van CSDR een vergunning voor het verlenen van bancaire nevendiensten hebben verkregen ook de verordening kapitaalvereisten, de richtlijn kapitaalvereisten en de richtlijn herstel en afwikkeling van banken.
De voorstellen tot wijziging van de CSDR sluiten aan bij het plan van de Commissie voor een kapitaalmarktenunie. Het doel van de kapitaalmarktenunie is ervoor te zorgen dat kapitaal door de hele EU kan stromen ten voordele van consumenten, investeerders en bedrijven. De COVID-19-crisis heeft het dringender gemaakt om de kapitaalmarktenunie tot stand te brengen, aangezien marktgebaseerde financiering een cruciaal element is voor de terugkeer van de Europese economie naar groei op lange termijn en voor de financiering van de groene en de digitale transitie van de EU. Veilige en efficiënte posttransactionele regelingen zijn een essentieel onderdeel van robuuste kapitaalmarkten. De voorgestelde wijzigingen zullen bijdragen aan de ontwikkeling van een efficiënter posttransactielandschap in de EU.
De CSDR is ook nauw gerelateerd aan het pakket digitaal geldwezen. Hij is met name gerelateerd aan het voorstel voor een verordening betreffende een proefregeling voor marktinfrastructuren op basis van “distributed ledger”-technologie (DLT). Op grond van die verordening kunnen DLT-afwikkelingssystemen en DLT-handels- en afwikkelingssystemen onder bepaalde voorwaarden worden vrijgesteld van de naleving van sommige bepalingen van de CSDR teneinde innovatie op dit gebied te stimuleren en tegelijkertijd de bescherming van beleggers, de integriteit van de markt en de financiële stabiliteit te waarborgen. Om meer diepgaande reflecties in het kader van de evaluatie van de CSDR mogelijk te maken, voorzag het politieke akkoord over dat voorstel ook in de mogelijkheid om de CSDR-regels inzake verplichte buy-ins uit te stellen. Daarnaast is de CSDR gerelateerd aan het voorstel voor een verordening betreffende digitale operationele veerkracht voor de financiële sector, die ervoor moet zorgen dat alle deelnemers aan het financiële stelsel, waaronder CSD’s, beschikken over de nodige waarborgen om cyberaanvallen en daarmee samenhangende ICT-risico’s te beperken.
Ook in de mededeling van de Commissie getiteld “Het Europese economisch-financieel bestel: openheid, kracht en veerkracht stimuleren” zijn marktinfrastructuren, waaronder CSD’s, een belangrijk voorwerp. In deze mededeling wordt uiteengezet hoe de EU haar open strategische autonomie op macro-economisch en financieel gebied kan versterken door met name, maar niet alleen, de infrastructuren van de financiële markten van de EU verder te ontwikkelen en hun weerbaarheid te vergroten. Een sterk EU-afwikkelingssysteem, zoals gereguleerd door de CSDR, is derhalve een belangrijk bestanddeel voor de open strategische autonomie van de EU op het gebied van financiële marktinfrastructuren.
Tot slot is dit voorstel consistent met de werkzaamheden die op internationaal niveau in het kader van de FSB worden verricht en die onder meer zijn gericht op een consequente toepassing van de beginselen voor financiële marktinfrastructuren zoals die zijn ontwikkeld door het Comité betalingen en marktinfrastructuur (CPMI) en de Internationale Organisatie van effectentoezichthouders (IOSCO).
Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie
Dit initiatief moet worden gezien in de context van de bredere agenda van de Commissie om de EU-markten concurrerender en veerkrachtiger te maken, zoals die zijn weerslag krijgt in de kapitaalmarktenunie en initiatieven op het gebied van digitale financiering en open strategische autonomie. Veilige en efficiënte posttransactieregelingen zijn een essentieel onderdeel van robuuste kapitaalmarkten. Een volledig functionerende en geïntegreerde markt voor kapitaal zal de economie van de EU in staat stellen om duurzaam te groeien, met meer concurrentiekracht, in overeenstemming met de strategische prioriteit van de Commissie om de economie te laten werken voor mensen, met een focus op het creëren van de juiste voorwaarden voor het scheppen van banen, groei en investeringen.
Het betreffende initiatief heeft geen directe en/of identificeerbare effecten die leiden tot significante schade of die de verenigbaarheid met de doelstellingen inzake klimaatneutraliteit en de verplichtingen die voortvloeien uit de Europese klimaatwet aantasten.
2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID
•Rechtsgrondslag
De rechtsgrondslag van dit voorstel is artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), dat de rechtsgrondslag van de CSDR is. Uit de analyse die is verricht in het kader van het effectbeoordelingsverslag blijkt dat elementen van de CSDR moeten worden gewijzigd om onevenredige kosten en nalevingslasten weg te nemen en de regels te vereenvoudigen zonder de financiële stabiliteit in gevaar te brengen, zodat de efficiëntie van de verordening wordt verbeterd en de integratie van de markt voor effectenafwikkeling in de Europese Unie wordt vergemakkelijkt.
•Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)
De doelstellingen van de CSDR, namelijk het vaststellen van uniforme vereisten voor de afwikkeling van financiële instrumenten in de EU en van voorschriften inzake de organisatie en het gedrag van CSD’s, ter bevordering van een veilige, efficiënte en vlotte afwikkeling, kunnen door de lidstaten alleen niet voldoende worden verwezenlijkt, zoals de medewetgevers in 2014 bij de vaststelling van de CSDR hebben erkend.
Momenteel kunnen de lidstaten en de nationale toezichthouders de uitdagingen van belastende en onduidelijke CSDR-vereisten, of de risico’s die voortvloeien uit uiteenlopende nationale toezichtpraktijken, niet in hun eentje oplossen. Ook kunnen zij het risico voor de financiële stabiliteit van de EU dat het gebrek aan informatie over activiteiten van CSD’s uit derde landen zou kunnen opleveren niet zelfstandig wegnemen. Bijgevolg kunnen de doelstellingen van dit initiatief door de lidstaten niet voldoende worden verwezenlijkt en kunnen deze daarom, ook gezien de schaal van de acties, beter op EU-niveau worden verwezenlijkt, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel zoals neergelegd in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU).
•Evenredigheid
Het voorstel beoogt ervoor te zorgen dat de doelstellingen van de CSDR op een meer evenredige, efficiënte en doeltreffende manier worden verwezenlijkt. Dit zou zich moeten vertalen in eenvoudigere of minder vereisten, waarmee wordt beoogd de administratieve lasten van de verordening voor belanghebbenden, met name CSD’s, te verminderen zonder de bescherming van beleggers, de marktintegriteit en de financiële stabiliteit in gevaar te brengen. Door de toezichtregelingen voor CSD’s te herzien (met name voor CSD’s die grensoverschrijdend actief zijn en CSD’s die deel uitmaken van groepen van CSD’s), vormt het voorstel het antwoord op de uitdagingen die zijn waargenomen bij het streven naar toezichtconvergentie. Bovendien komt de bijstelling van bepaalde vereisten inzake de paspoortprocedure, de verlening van bancaire nevendiensten en afwikkelingsdiscipline tegemoet aan de zorgen van belanghebbenden, waaronder de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA), terwijl de verwezenlijking van doelstellingen van de CSDR wordt gewaarborgd. Het voorstel gaat niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te bereiken, rekening houdend met de noodzaak om de activiteiten van — zowel vanuit als vanaf buiten de EU opererende — CSD’s en eventuele risico’s voor de financiële stabiliteit die hun activiteiten met zich mee kunnen brengen te monitoren en te beperken. De evenredigheid van de voorkeursopties wordt verder beoordeeld in hoofdstuk 6 van de begeleidende effectbeoordeling.
•Keuze van het instrument
De CSDR is een verordening en moet derhalve worden gewijzigd bij een rechtsinstrument van dezelfde aard.
3.RESULTATEN VAN EVALUATIES ACHTERAF, RAADPLEGINGEN VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELINGEN
•Evaluatie achteraf van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan
In een evaluatie van de CSDR is beoordeeld in hoeverre specifieke beleidsvereisten van de CSDR hun doelstellingen hebben verwezenlijkt, en met name of zij dat op een efficiënte en doeltreffende manier hebben gedaan en tegelijkertijd coherent en relevant zijn en EU-meerwaarde bieden. De bevindingen van de evaluatie zijn opgenomen in bijlage 5 bij de effectbeoordeling.
Aangezien sommige kernvoorschriften van de CSDR pas onlangs van toepassing zijn geworden of nog niet van toepassing zijn, vormde de beoordeling geen volledige evaluatie.
In de evaluatie is niettemin het volgende geconcludeerd:
·Doeltreffendheid en efficiëntie: hoewel het volume aan afgewikkelde transacties sinds de inwerkingtreding van de CSDR is toegenomen, is het volume aan grensoverschrijdende transacties stabiel gebleven. Op verschillende gebieden, zoals paspoortprocedures, is er sprake van aanzienlijke belemmeringen, en de voorlopige bevindingen duiden erop dat er maatregelen zouden kunnen worden genomen om de onevenredige nalevingslast te verminderen en grensoverschrijdende activiteiten te verbeteren. Aangezien de toegang tot bancaire nevendiensten beperkt is, wat op zijn beurt de afwikkeling in vreemde valuta belemmert, zouden ook op het gebied van bancaire diensten verbeteringen kunnen worden nagestreefd, evenals op het gebied van toezichtregelingen; beide zijn van invloed op de mogelijkheden of kansen voor CSD’s om grensoverschrijdende diensten aan te bieden.
·Relevantie: de doelstellingen van de CSDR om de veiligheid en efficiëntie van de EU-afwikkelingsmarkt te vergroten en te zorgen voor een gelijk speelveld voor CSD-diensten blijven relevant.
·Samenhang: de CSDR sluit aan bij de internationale inspanningen om de stabiliteit en veiligheid van posttransactie-infrastructuren te waarborgen. De CSDR is coherent met andere EU-wetgeving en beleidsinitiatieven.
·EU-meerwaarde: de CSDR heeft een lacune in de wetgeving gedicht door een nieuw kader in te voeren waarmee, in een uniform proces op EU-niveau, het ontbreken van een geharmoniseerde benadering van de EU-afwikkelingsmarkten en de daarmee verband houdende systeemrisico’s worden aangepakt.
Gezien de noodzaak om bepaalde onderdelen van de CSDR te vereenvoudigen en evenrediger te maken, die blijkt uit de bijdragen van deelnemers aan de gerichte raadpleging over de CSDR en uit de evaluatie van de verordening door de Commissie, is de herziening van de CSDR een Refit-initiatief.
•Raadpleging van belanghebbenden
De Commissie heeft belanghebbenden geraadpleegd bij de voorbereiding van dit voorstel. Specifiek zijn de volgende activiteiten georganiseerd:
·een gerichte raadpleging van 8 december 2020 tot 2 februari 2021;
·raadpleging over een aanvangseffectbeoordeling tussen 8 maart 2021 en 5 april 2021;
·twee vergaderingen van de deskundigengroep van de lidstaten (op respectievelijk 22 september 2020 en 15 juli 2021), waarvoor ook de Europese Centrale Bank (ECB), de ESMA en het secretariaat van de Commissie economische en monetaire zaken van het Europees Parlement waren uitgenodigd.
In algemene zin wordt steun gegeven aan de doelstellingen van de CSDR om de afwikkeling in de EU efficiënter te maken en de soliditeit van CSD’s te waarborgen. De perceptie is dat de toepasselijke kernvereisten deze doelstellingen bereiken en dat de internationale toezeggingen van de EU om de regelgeving te hervormen worden nagekomen. Sommige belanghebbenden, waaronder vertegenwoordigers van lidstaten, hebben echter een aantal gebieden genoemd waarop de CSDR-vereisten zouden kunnen worden aangepast zonder de algemene doelstellingen ervan in het gedrang te brengen, teneinde: i) de vereisten te vereenvoudigen en efficiënter te maken; en ii) onevenredige kosten en lasten te verminderen.
In het voorstel wordt rekening gehouden met deze feedback van belanghebbenden en met de feedback die is ontvangen tijdens vergaderingen met een breed scala aan belanghebbenden en autoriteiten en instellingen van de EU. Het voorstel voert gerichte wijzigingen in de CSDR in, met het oog op:
(a)minimalisatie van de belemmeringen voor grensoverschrijdende afwikkeling, door belastende paspoortprocedures te vereenvoudigen en te verduidelijken, de samenwerking tussen toezichthouders te verbeteren en de toegang tot bancaire nevendiensten te faciliteren om de afwikkeling in vreemde valuta te vergemakkelijken;
(b)een betere kalibratie van de toepassing van bepaalde vereisten (zoals die inzake afwikkelingsdiscipline en bancaire nevendiensten) teneinde de administratieve lasten en nalevingskosten te verminderen zonder de financiële stabiliteit in gevaar te brengen;
(c)toereikende bevoegdheden en informatie voor EU-autoriteiten om risico’s met betrekking tot CSD’s in zowel de EU als derde landen te monitoren, onder meer door hun samenwerking op toezichtgebied te versterken.
•Bijeenbrengen en gebruik van expertise
Bij het opstellen van dit voorstel heeft de Commissie gebruikgemaakt van de volgende externe expertise:
–verslagen van de ESMA: de ESMA heeft in 2020 en 2021 vier verslagen ingediend bij de Commissie, over respectievelijk geïnternaliseerde afwikkeling, de grensoverschrijdende verlening van diensten door CSD’s en de behandeling van aanvragen om grensoverschrijdende notariële diensten en centrale diensten voor het aanhouden van effectenrekeningen te mogen verlenen, het verlenen van bancaire nevendiensten en het gebruik van FinTech door CSD’s. In die verslagen zijn ook de antwoorden van nationale autoriteiten, CSD’s en andere marktdeelnemers op ESMA-enquêtes verwerkt. De Commissie heeft ook de halfjaarlijkse ESMA-verslagen over trends, risico’s en kwetsbaarheden in de sectoren financiële infrastructuur en financiële diensten in aanmerking genomen;
–gerichte input van het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB) voor de raadpleging over de CSDR, waaronder de geanonimiseerde en geconsolideerde resultaten van een onder CSD’s gehouden enquête.
Deze input is aangevuld met — soms vertrouwelijke — kwantitatieve en kwalitatieve input van financiëlemarktdeelnemers.
•Effectbeoordeling
De Commissie heeft een effectbeoordeling van relevante beleidsalternatieven uitgevoerd. De beleidsopties zijn geïdentificeerd op basis van de volgende vijf factoren: i) belastende en onduidelijke paspoortvereisten, ii) onvoldoende coördinatie en samenwerking tussen autoriteiten, iii) beperkende voorwaarden voor het verrichten van bancaire diensten in verband met afwikkeling in vreemde valuta, iv) onduidelijke en gecompliceerde vereisten voor afwikkelingsdiscipline en v) onvoldoende informatie over de activiteiten van CSD’s van derde landen in de EU. De beleidsopties zijn beoordeeld aan de hand van de specifieke doelstellingen om de belemmeringen voor grensoverschrijdende afwikkeling tot een minimum te beperken, de administratieve lasten en nalevingskosten te verminderen zonder de financiële stabiliteit in gevaar te brengen en te zorgen voor voldoende bevoegdheden en informatie om risico’s te monitoren.
Op 29 oktober 2021 is een positief advies over de effectbeoordeling uitgebracht, met opmerkingen van de Raad voor regelgevingstoetsing, waarin de volgende voornaamste aanbevelingen voor verbeteringen zijn gedaan:
·Verduidelijk de wisselwerking tussen de herziene CSDR en de mededeling “Het Europese economisch-financieel bestel: openheid, kracht en veerkracht stimuleren”.
·Leg beter uit waarom de paspoortpraktijk, die met succes wordt gebruikt in veel andere domeinen van het financieel recht, in dit segment niet lijkt te werken.
·Geef een toelichting op de analyse die in 2014 heeft geleid tot de invoering van verplichte buy-ins als onderdeel van de regeling inzake afwikkelingsdiscipline en leg uit hoe de beoordeling van de Commissie sindsdien is veranderd.
·Verduidelijk welke beleidsopties complementair zijn en welke elkaar uitsluiten.
De gevraagde verduidelijkingen zijn toegevoegd in de relevante onderdelen van de effectbeoordeling, d.w.z. de verduidelijking in verband met de mededeling over open strategische autonomie in punt 1.4.2, voorbeelden van belastende paspoortvereisten waarmee CSD’s worden geconfronteerd en die de grensoverschrijdende dienstverlening belemmeren in bijlage 6, een uitleg van de oorsprong van de verplichte buy-ins in punt 2.2.2 en een verduidelijking van de complementaire of elkaar uitsluitende aard van beleidsopties in deel 6.
Op basis van de beoordeling en vergelijking van alle beleidsopties is in de effectbeoordeling gekozen voor de volgende beleidsopties:
·Het vereenvoudigen van de CSDR-paspoortprocedure door de mogelijkheid voor de toezichthouders van de lidstaat van ontvangst om het paspoort te weigeren uit het voorstel te verwijderen en te vervangen door een kennisgeving van de toezichthouders van de lidstaat van herkomst aan die van de lidstaat van ontvangst. De voorkeursoptie minimaliseert de belemmeringen voor grensoverschrijdende afwikkeling en vermindert de administratieve lasten en nalevingskosten. Andere onderzochte beleidsopties waren het beperken van het toepassingsgebied van de paspoortvereisten tot effecten met een aandelenkarakter of het verduidelijken van de rol en bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten en vereisten uit hoofde van nationale wetgeving. Beide opties zouden echter slechts gedeeltelijk beantwoorden aan de doelstellingen.
·Het verbeteren van de samenwerking tussen nationale toezichthouders door colleges van toezichthouders op te richten om de toegang van CSD’s tot andere markten dan die waarvoor zij een vergunning hebben te vergemakkelijken, en de financiële stabiliteit waarborgen door toezichthouders meer bevoegdheden te geven om risico’s te monitoren. Andere overwogen opties waren het verbeteren van de bestaande CSDR-regels voor samenwerkingsregelingen en het invoeren van meer toezicht op CSD’s op EU-niveau. Met colleges wordt echter het juiste evenwicht bereikt tussen verwezenlijking van de doelstellingen en het feit dat de toezichtverantwoordelijkheid bij de lidstaat van herkomst van de CSD’s blijft berusten.
·Het vergemakkelijken van de toegang van CSD’s tot bancaire nevendiensten door CSD’s met een bankvergunning toe te staan om dergelijke diensten aan te bieden aan andere CSD’s en door de drempels waaronder CSD’s gebruik mogen maken van een commerciële bank te herzien. Een andere overwogen optie was het wegnemen van beperkingen voor het verlenen van bancaire nevendiensten aan CSD’s, maar deze optie is terzijde geschoven omdat de risico’s voor de financiële stabiliteit hierdoor aanzienlijk zouden kunnen toenemen.
·Een combinatie van verduidelijking van verschillende elementen met betrekking tot afwikkelingsdiscipline (zoals het toepassingsgebied) en wijziging van het tijdschema voor de uitvoering van verplichte buy-ins (“tweestappenaanpak”) is de meest efficiënte en doeltreffende optie. De uitvoering van verplichte buy-ins zal afhangen van de ontwikkeling van de afwikkelingsefficiëntie in de EU. In de eerste plaats suggereert het verzamelde bewijsmateriaal dat geldboetes verbeteringen in de afwikkelingsefficiëntie zullen stimuleren, zonder de stabiliteit en de liquiditeit op markten en voor financiële instrumenten in gevaar te brengen. In de tweede plaats kan, nadat eerst geldboetes zijn opgelegd, vervolgens worden beoordeeld hoe de verplichte buy-in het best kan worden toegepast in het licht van de ontwikkeling van de afwikkelingsefficiëntie. De optie om het kader in zijn geheel op te schorten is buiten beschouwing gelaten, aangezien het aantal mislukte afwikkelingen in de EU consequent hoger blijft dan op andere belangrijke financiële markten.
·Het invoeren van een einddatum voor de grandfatheringclausule voor EU-CSD’s en CSD’s van derde landen en een kennisgevingsverplichting voor CSD’s van derde landen. De ontvangen informatie zou de Commissie in staat stellen prioriteiten te stellen in haar beoordeling van de gelijkwaardigheid van CSD-kaders van derde landen, aangezien de toekenning van gelijkwaardigheid door de Commissie een voorwaarde is voor de erkenning door de ESMA van CSD’s van derde landen die notariële diensten en centrale diensten voor het aanhouden van effectenrekeningen willen aanbieden voor financiële instrumenten waarvan de uitgifte door het recht van een lidstaat wordt beheerst. De combinatie van deze maatregelen zal er aldus voor zorgen dat de autoriteiten over voldoende bevoegdheden en tijdige informatie beschikken om risico’s te monitoren, in lijn met de ontwikkeling van de marktbehoeften. De voorgestelde wijzigingen hebben evenwel geen invloed op de gelijkwaardigheids- en erkenningsprocedures die reeds in het kader van de CSDR van toepassing zijn; daarom worden CSD’s van derde landen en potentiële aanvragende CSD’s van derde landen nog steeds uitgenodigd om hun aanvragen van gelijkwaardigheid en erkenning in te dienen overeenkomstig de huidige CSDR-vereisten. Een andere overwogen optie was het verbeteren van de regeling voor CSD’s van derde landen die diensten verlenen voor financiële instrumenten waarvan de uitgifte door het recht van een lidstaat wordt beheerst, bijvoorbeeld door erkenning door de ESMA te vereisen voor het verrichten van afwikkelingsdiensten of door de toezichtbevoegdheden van de ESMA te vergroten; dit werd echter voorbarig en onevenredig geacht.
·Het totale pakket van opties zal een positief effect hebben op het posttransactielandschap in de EU door een meer evenredige regulering van CSD’s mogelijk te maken en de efficiëntie van effectenafwikkeling te verbeteren en op die manier bij te dragen aan het concurrentievermogen van de financiële markten van de EU.
•Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging
De algehele aanpak bestaat erin maatregelen voor te stellen die noodzakelijk zijn in het belang van marktintegratie en financiële stabiliteit en die tegelijkertijd de regelgevings- en nalevingslasten voor marktdeelnemers verminderen. Dit is in overeenstemming met de agenda voor betere regelgeving van de Commissie. De gekozen opties hebben een positief effect, zorgen voor een meer evenredige regulering van CSD’s en versterken het concurrentievermogen van de EU-afwikkelingsmarkt als geheel.
CSD’s zullen profiteren van lagere kosten van hun activiteiten in de EU, met name dankzij het wegnemen van belemmeringen voor grensoverschrijdende afwikkeling als gevolg van i) de oprichting van colleges en ii) de vereenvoudiging van de huidige paspoortprocedure. Met name het verlichten van de lasten die gepaard gaan met de paspoortvereisten zal het proces vereenvoudigen en versnellen. De vereenvoudigde paspoortprocedure, die een kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten van ontvangst omvat in plaats van een goedkeuring door die autoriteiten, zal naar verwachting leiden tot een kostenverlaging tot 75 %, wat een eenmalige besparing van gemiddeld 585 000 EUR per CSD zou opleveren. De oprichting van colleges zou ook de EU-CSD’s ten goede komen, gezien de rechtszekerheid die voortvloeit uit de versterking van de toezichtconvergentie. Bovendien zou de oprichting van colleges en de invoering van een einddatum voor de grandfatheringclausule de financiële stabiliteit met betrekking tot EU-CSD’s en CSD’s van derde landen verbeteren.
Vereenvoudiging van de vereisten voor toegang tot bancaire nevendiensten door CSD’s, die vereist is voor afwikkelingen in vreemde valuta’s, zou ook het concurrentievermogen op dit gebied vergroten. In dit verband zou een herziening van de drempel waaronder CSD’s voor dergelijke diensten gebruik kunnen maken van kredietinstellingen, CSD’s in staat kunnen stellen hun diensten aan binnenlandse beleggers en hun grensoverschrijdende diensten verder te ontwikkelen. Geschat wordt dat als gevolg van de voorgestelde wijzigingen op jaarbasis 16 miljard EUR aan extra afwikkeling in vreemde valuta kan worden verwacht.
De vereenvoudiging van de paspoortprocedure, de oprichting van verplichte colleges en de toename van het aanbod van bancaire diensten in verband met afwikkeling in vreemde valuta zullen de concurrentie tussen CSD’s in de EU vergroten, hetgeen ten goede zal komen aan beleggers en emittenten, met inbegrip van kmo’s. Al met al zouden emittenten, met name innovatieve start-ups en kmo’s, en beleggers een grotere keuze aan financieringsregelingen krijgen en kunnen profiteren van de toegenomen concurrentie, een grotere keuze aan uitgiften, risicodiversificatie en valutadiversificatie bij hun grensoverschrijdende beleggingen, waardoor zij zouden bijdragen tot een verdieping van de kapitaalmarktenunie.
Tot slot zullen de voorgestelde wijzigingen in de regeling inzake afwikkelingsdiscipline zorgen voor een meer evenredige benadering van de behandeling van mislukte afwikkelingen, terwijl er tegelijkertijd voor wordt gezorgd dat de niveaus van afwikkelingsefficiëntie in de EU blijven verbeteren ten bate van beleggers en de economie van de EU als geheel. Met name de tweestappenaanpak moet de meest negatieve gevolgen in verband met liquiditeit beperken wanneer de toepassing van de relevante vereisten niet gerechtvaardigd is. Dit zou indirect positieve gevolgen moeten hebben voor kmo’s, wier effecten minder liquide zijn.
Digitalisering en het effect van nieuwe technologieën op posttransactiediensten zijn niet meegenomen in dit initiatief, aangezien deze onderwerpen geacht worden buiten het toepassingsgebied te vallen. Uit de gerichte raadpleging ter ondersteuning van dit initiatief is gebleken dat belanghebbenden er de voorkeur aan geven ervaring op te doen met de toepassing van de DLT-proefregelingsverordening voordat wijzigingen in de CSDR worden overwogen. De ESMA heeft in haar verslag over het gebruik van fintech door CSD’s op dit moment ook geen steun gegeven aan uitgebreide wijzigingen van de CSDR om het gebruik van technologische innovatie door CSD’s te vergemakkelijken, maar heeft in plaats daarvan voorgesteld te wachten op de ervaringen met de proefregeling van de EU. Daarom is besloten dat eventuele fundamentele wijzigingen in de CSDR om het volledige potentieel van de technologie te realiseren, zullen worden uitgesteld tot er lessen kunnen worden getrokken uit de toepassing van de DLT-proefregelingsverordening.
•Grondrechten
De EU heeft zich verbonden tot een hoog niveau van bescherming van de grondrechten en is partij bij een breed scala aan mensenrechtenverdragen. In dit verband zal het voorstel waarschijnlijk geen rechtstreekse gevolgen hebben voor deze rechten, zoals neergelegd in de belangrijkste verdragen van de Verenigde Naties inzake de rechten van de mens, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat integraal deel uitmaakt van de EU-verdragen, en het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING
Het voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting van de Unie.
De ESMA zou voornamelijk gevolgen ondervinden van de deelname aan colleges, de ontwikkeling of actualisering van vijf technische normen en het beheer van het proces voor de kennisgeving van EU-activiteiten door CSD’s van derde landen. Dat laatste zou echter een kleine eenmalige kostenpost zijn. De vereenvoudiging van de paspoortprocedure zou de kosten van de ESMA daarentegen verlichten, aangezien de paspoortvereisten eenvoudiger en duidelijker zouden worden. Bovendien zou een duidelijke bepaling van transacties die binnen het toepassingsgebied van de regeling inzake afwikkelingsdiscipline vallen de administratieve lasten van de ESMA voor het beantwoorden van vragen verminderen. Daarenboven zal de aanpassing van de frequentie van de verslagen die de ESMA bij de Commissie moet indienen de administratieve lasten voor de autoriteit verder verminderen. De ESMA zou ook profiteren van enkele van de voorkeursopties die het toezichtklimaat zouden versterken, met name het kennisgevingsproces voor CSD’s van derde landen.
De voorgestelde taken voor de ESMA vereisen derhalve geen additionele posten en kunnen met de bestaande middelen worden uitgevoerd. Datzelfde geldt voor de EBA, die één technische norm zal moeten ontwikkelen om te bepalen onder welke drempel CSD’s gebruik mogen maken van kredietinstellingen voor het aanbieden van bancaire nevendiensten.
5.OVERIGE ELEMENTEN
•Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage
Het voorstel bevat een verplichting voor de Commissie om aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit te brengen over de volledige toepassing van de CSDR, met nadruk op de efficiëntie en doeltreffendheid ervan bij het bereiken van de doelstellingen (d.w.z. het verbeteren van de efficiëntie en veiligheid van de afwikkelingsmarkten van de EU). Daarbij moet de Commissie alle aspecten van de CSDR onder de loep nemen, waaronder de vraag of diensten die onder deze verordening vallen andere materiële belemmeringen voor de mededinging veroorzaken die moeten worden aangepakt, de noodzaak om verdere maatregelen toe te passen om de afwikkelingsefficiëntie te verbeteren en de mogelijke behoefte aan aanvullende maatregelen om de gevolgen van falen door CSD’s voor belastingbetalers te beperken.
In beginsel zou deze evaluatie moeten plaatsvinden binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wijzigingen. Ook zal er input nodig zijn van de ESMA, nationale autoriteiten en centrale banken. Statistische gegevens voor de analyse zouden in de eerste plaats bij de ESMA moeten worden opgevraagd.
•Grondige toelichting bij de specifieke bepalingen van het voorstel
5.2.1 Definities
Artikel 1, punt 1, voert een definitie van het begrip “groep” van ondernemingen in, die overeenstemt met de definitie in Verordening (EU) 2019/2033.
5.2.2 Regeling inzake afwikkelingsdiscipline
Artikel 1, punt 2, voert wijzigingen in in de regeling inzake afwikkelingsdiscipline.
In punt a) voorzien wijzigingen van artikel 7, lid 2, van de CSDR erin dat wanneer een mislukte afwikkeling wordt veroorzaakt door factoren die niet aan de deelnemers aan de transactie kunnen worden toegeschreven, of wanneer bij een transactie niet twee handelspartijen betrokken zijn, die mislukking niet is onderworpen aan het sanctiemechanisme. Ook wordt in punt a) gespecificeerd dat geldboetes moeten worden berekend tot ofwel het einde van het buy-inproces indien de Commissie de desbetreffende uitvoeringshandeling heeft vastgesteld, ofwel de feitelijke afwikkelingsdatum, naargelang welke datum eerder valt.
In punt b) wordt een nieuw lid 2 bis ingevoerd op grond waarvan de Commissie overeenkomstig de onderzoeksprocedure van Verordening (EU) nr. 182/2011 een uitvoeringshandeling kan vaststellen waarbij zij besluit op welke financiële instrumenten of categorieën van transacties verplichte buy-ins moeten worden toegepast. De Commissie kan dat besluit nemen wanneer zij van oordeel is dat die maatregelen een evenredig instrument vormen om het niveau van mislukte afwikkeling in de Unie terug te dringen en dat, op basis van het aantal en het volume aan mislukte afwikkelingen, is voldaan aan bepaalde voorwaarden van die bepaling.
In punt c) wordt in de wijziging van artikel 7, lid 3, van de CSDR gespecificeerd wanneer het buy-inproces in gang moet worden gezet wanneer de Commissie overeenkomstig artikel 7, lid 2 bis, een uitvoeringshandeling heeft vastgesteld, en de verlengingstermijn voor financiële instrumenten die op een kmo-groeimarkt worden verhandeld moet worden berekend op basis van kalenderdagen.
In punt d) wordt in artikel 7 van de CSDR een nieuw lid 3 bis ingevoegd om uit te leggen hoe het mechanisme voor het doorgeven van voordelen zal werken. Een mechanisme voor het doorgeven van voordelen voorkomt een cascade van mislukte afwikkelingen die elk een afzonderlijk buy-inproces vereisen door elke deelnemer in de transactieketen in staat te stellen een buy-inkennisgeving te doen aan de falende deelnemer, zodat slechts één buy-in nodig is om de hele transactieketen af te wikkelen. Dit mechanisme kan vervolgens contractueel worden gerepliceerd tussen de deelnemers en hun cliënten tot aan de uiteindelijke kopers en verkopers.
Punt e) wijzigt artikel 7, lid 4, van de CSDR, door te bepalen dat wanneer een mislukte afwikkeling wordt veroorzaakt door factoren die niet aan de deelnemers aan de transactie kunnen worden toegeschreven, of wanneer bij een transactie niet twee handelspartijen betrokken zijn, die mislukte afwikkeling niet is onderworpen aan het verplichte buy-inmechanisme.
Punt f) wijzigt artikel 7, lid 6, van de CSDR, door een symmetrie van betalingen tussen de koper en de verkoper in te voeren indien de economische voorwaarden van de transactie bij de uitvoering van de buy-in afwijken van die van de oorspronkelijke transactie. Het doel is ervoor te zorgen dat de buy-in de partijen bij de transactie in dezelfde economische positie brengt als wanneer de oorspronkelijke transactie had plaatsgevonden.
Punt g) wijzigt artikel 7, lid 11, van de CSDR en verduidelijkt dat de vrijstelling van de vereisten inzake afwikkelingsdiscipline voor CTP’s alleen van toepassing is wanneer de CTP zich tussen tegenpartijen opstelt. Ook wordt verduidelijkt dat indien CTP’s verliezen lijden door de toepassing van verplichte buy-ins, zij in hun regels een mechanisme voor het dekken van die verliezen kunnen opnemen.
In punt h) wordt in artikel 7 van de CSDR een nieuw lid 13 bis ingevoegd dat de Commissie de bevoegdheid verleent om het buy-inmechanisme voor specifieke categorieën financiële instrumenten op te schorten indien zulks noodzakelijk is om een ernstige bedreiging van de financiële stabiliteit of van de ordelijke werking van de financiële markten in de Unie te voorkomen of aan te pakken. In dit nieuwe lid 13 bis wordt de procedure uiteengezet die de Commissie moet volgen voor een dergelijke opschorting, op basis van een aanbeveling van de ESMA nadat deze het ESCB en het ESRB heeft geraadpleegd. Ook wordt in dat nieuwe lid bepaald dat een dergelijke opschorting geldig is voor een initiële termijn van ten hoogste zes maanden, die kan worden verlengd met termijnen van drie maanden tot een maximale termijn van twaalf maanden vanaf het begin van de opschorting.
In punt i) wordt in wijzigingen van artikel 7, lid 14, van de CSDR verduidelijkt dat in de gedelegeerde handeling van de Commissie tot vaststelling van de parameters voor de berekening van een afschrikkend en evenredig niveau van de geldboetes rekening wordt gehouden met de effecten van negatieve rentetarieven.
In punt j) wordt in artikel 7 van de CSDR een nieuw lid 14 bis ingevoegd dat de Commissie de bevoegdheid verleent om te specificeren wanneer een mislukte afwikkeling moet worden geacht te zijn veroorzaakt door factoren die niet aan de deelnemers kunnen worden toegeschreven en wanneer bij een transactie niet twee handelspartijen betrokken zijn, in overeenstemming met de in artikel 7, leden 2 en 4, ingevoerde wijzigingen.
Punt k) wijzigt artikel 7, lid 15, van de CSDR door de invoering van een nieuwe datum waarop de ESMA technische reguleringsnormen tot specificatie van de in datzelfde lid vermelde aspecten van de regeling inzake afwikkelingsdiscipline moet indienen. Deze wijziging van de datum moet de ESMA in staat stellen de technische reguleringsnormen te herzien teneinde rekening te houden met de wijzigingen die na deze herziening in de CSDR worden aangebracht en de nodige wijzigingen aan te brengen om de vereisten van die technische reguleringsnormen te verduidelijken, zoals de voorwaarden waaronder deelnemers hun eigen buy-ins kunnen uitvoeren.
5.2.3 Samenwerking tussen bevoegde autoriteiten en relevante autoriteiten, toetsing en evaluatie en terugvordering en ordelijke liquidatiestrategieën.
Artikel 1, punt 3, wijzigt artikel 12, lid 1, punten b) en c), van de CSDR om te verduidelijken dat wanneer een CSD geen afwikkelingsactiviteit verricht vóór het begin van de vergunningsprocedure, de criteria die bepalen welke relevante autoriteiten bij dat proces moeten worden betrokken rekening moeten houden met de verwachte afwikkelingsactiviteit.
Artikel 1, punt 4, b), wijzigt artikel 17, lid 4, van de CSDR betreffende de raadpleging van de relevante autoriteiten door de bevoegde autoriteiten over de vergunningsprocedure voor een CSD. Artikel 1, punt 6, e), brengt equivalente wijzigingen aan in artikel 22, lid 6, van de CSDR, inzake de raadpleging van de relevante autoriteiten door de bevoegde autoriteiten over het toetsings- en evaluatieproces. De wijzigingen in artikel 17, lid 4, en artikel 22, lid 6, van de CSDR voeren een procedure in waarin de geraadpleegde autoriteiten binnen drie maanden na ontvangst van de informatie van de bevoegde autoriteit een met redenen omkleed advies kunnen uitbrengen. In geval van een negatief advies van een van de geraadpleegde relevante autoriteiten behandelt de bevoegde autoriteit dat negatieve advies in een met redenen omkleed besluit, dat opnieuw het voorwerp van een negatief advies van de geraadpleegde autoriteiten kan worden. Indien de bevoegde autoriteit het oneens is met dat negatieve advies, stelt zij de autoriteiten die bezwaar hebben gemaakt daarvan in kennis en kunnen deze de zaak voorleggen aan de ESMA. Indien de kwestie niet binnen 30 dagen na die verwijzing is opgelost, neemt de bevoegde autoriteit het definitieve besluit over de toetsing en evaluatie en stelt zij de relevante autoriteiten uitvoerig schriftelijk van haar motivering in kennis.
Artikel 1, punt 4, c), voegt in artikel 17 van de CSDR een nieuw lid 7 bis in met nieuwe vereisten voor bevoegde autoriteiten om informatie uit te wisselen met andere autoriteiten, met name relevante autoriteiten.
Artikel 1, punt 5, wijzigt artikel 20, lid 5, van de CSDR en verduidelijkt dat de procedures waarover de CSD moet beschikken in geval van intrekking van een vergunning, de overdracht van uitgifterekeningen en -bescheiden omvatten in verband met het verrichten van kerndiensten als bedoeld in afdeling A, punten 1 en 2, van de bijlage.
Artikel 1, punt 6, wijzigt de leden 1, 4 en 7 van artikel 22 van de CSDR om de frequentie van het toetsings- en evaluatieproces te wijzigen van jaarlijks naar elke twee jaar. Daarnaast wijzigt het de leden 2 en 3 van artikel 22 van de CSDR om te verduidelijken hoe CSD’s zich zouden moeten voorbereiden op scenario’s die hen mogelijk beletten om hun kritieke activiteiten en diensten aan te bieden als bedrijf met winstcapaciteit en winstvooruitzichten (“going concern”). De verplichting om afwikkelingsplannen op te stellen wordt geschrapt omdat deze onduidelijk wordt geacht en er momenteel geen afwikkelingsregeling van de Unie bestaat op basis waarvan een afwikkelingsplan zou kunnen worden opgesteld. In plaats daarvan vereist het herziene lid 2 dat CSD’s passende plannen voor hun herstel of ordelijke afbouw opstellen en indienen bij de bevoegde autoriteit. Het herziene lid 3 specificeert de minimuminhoud van de in lid 2 bedoelde plannen en de frequentie van de herziening en actualisering van die plannen (ten minste elke twee jaar). Ook verduidelijkt het dat in die plannen rekening moet worden gehouden met de omvang, de systeemrelevantie, de aard, de schaal en de complexiteit van de activiteiten van de betrokken CSD en met alle relevante herstel- of afwikkelingsplannen die overeenkomstig de richtlijn herstel en afwikkeling van banken zijn opgesteld. De wijzigingen in lid 3 doen geen afbreuk aan de verplichting voor de bevoegde autoriteiten om de ESMA in kennis te stellen wanneer voor een CSD een afwikkelingsplan wordt opgesteld en gehandhaafd. Dit kan het geval zijn als gevolg van nationale wetgeving of de verplichting om te voldoen aan andere EU-wetgeving, zoals de richtlijn herstel en afwikkeling van banken.
Artikel 1, punt 6, c), wijzigt artikel 22, lid 11, van de CSDR door een nieuwe datum in te voeren waarop de ESMA ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van standaardformulieren, modellen en procedures voor de toetsing en evaluatie moet indienen bij de Commissie. Deze wijziging van de datum moet de ESMA in staat stellen om, indien nodig, de technische reguleringsnormen aan te passen aan de wijzigingen die naar aanleiding van dit initiatief in de CSDR worden aangebracht.
Tot slot wijzigt artikel 1, punt 18, artikel 55 van de CSDR zodat de termijn waarbinnen de betrokken autoriteiten en bevoegde autoriteiten een gemotiveerd advies over de vergunning voor het verrichten van bancaire nevenactiviteiten kunnen uitbrengen, wordt verlengd van één maand tot twee maanden. De termijn van één maand is te kort voor het uitbrengen van een dergelijk advies.
5.2.4 Paspoortregeling en vennootschapsrecht of ander vergelijkbaar recht van de lidstaat dat de uitgifte van de effecten beheerst
Artikel 1, punt 15, wijzigt de tweede alinea van artikel 49, lid 1, van de CSDR om te verduidelijken dat het vennootschapsrecht of ander vergelijkbaar recht van de lidstaat dat de uitgifte van de effecten beheerst, en dat van toepassing blijft in het kader van grensoverschrijdende uitgiften van effecten, beide volgende zaken moet omvatten: i) het vennootschapsrecht of ander vergelijkbaar recht van de lidstaat waar de uitgevende instelling is gevestigd, en ii) indien verschillend, het vennootschapsrecht of ander vergelijkbaar recht dat de uitgifte van de effecten beheerst. Dit geldt met name voor obligaties die zijn uitgegeven door een uitgevende instelling die in een lidstaat is gevestigd, maar contractueel onder het recht van een andere lidstaat valt. Artikel 1, punt 15, wijzigt ook de derde alinea van artikel 49, lid 3, van de CSDR zodat de lidstaten ertoe worden verplicht de lijst van relevante bepalingen regelmatig bij te werken.
Artikel 1, punt 7, wijzigt artikel 23 van de CSDR zodat de volgende aspecten van de paspoortprocedure worden verduidelijkt.
In de eerste plaats worden de kruisverwijzingen naar de tweede alinea van artikel 49, lid 1, in de leden 2 en 3 van artikel 23 zodanig aangepast dat een CSD die notariële diensten of centrale diensten voor het aanhouden van effectenrekeningen wil verrichten met betrekking tot financiële instrumenten die door het recht van een andere lidstaat worden beheerst, rekening moet houden met zowel het recht van de lidstaat waar de uitgevende instelling is gevestigd als, indien dit verschillend is, het toepasselijke vennootschapsrecht of ander vergelijkbaar recht dat de uitgifte van de effecten beheerst.
In de tweede plaats wordt artikel 23, lid 2, van de CSDR gewijzigd om nieuwe CSD’s in staat te stellen tegelijk met een vergunning een paspoort aan te vragen, zodat zij hun grensoverschrijdende activiteiten kunnen aanvangen vanaf de datum van de vergunningverlening door de bevoegde autoriteit van hun lidstaat van herkomst, mits er ten minste één maand is verstreken vanaf de datum van kennisgeving van de paspoortaanvraag door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst.
In de derde plaats wordt artikel 23, lid 3, punt e), van de CSDR gewijzigd om te verduidelijken dat een CSD die een paspoort aanvraagt altijd een beoordeling moet verstrekken van de maatregelen die zij voornemens is te nemen om haar gebruikers in staat te stellen te voldoen aan het in artikel 49, lid 1, bedoelde nationale recht.
In de vierde plaats wordt artikel 23, lid 4, van de CSDR gewijzigd om de termijn waarbinnen een bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst in kennis moet stellen van de paspoortaanvraag te verkorten.
In de vijfde plaats wordt artikel 23, lid 6, gewijzigd door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst de mogelijkheid te ontnemen om een paspoortaanvraag te weigeren. Op grond van de herziene bepaling kan de CSD vanaf één maand na de datum van kennisgeving van de paspoortaanvraag door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst beginnen met het verrichten van diensten, of eerder indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst zulks besluit.
5.2.5 Colleges van toezichthouders
Artikel 1, punt 9, voegt artikel 24 bis in in de CSDR, als onderdeel van een nieuwe afdeling 4 bis in titel III inzake de samenwerking van autoriteiten via colleges, waarbij in twee gevallen de oprichting van colleges van toezichthouders wordt voorgeschreven:
(a)wanneer een CSD onderworpen is aan de in artikel 23, leden 3 tot en met 7, bedoelde procedure (“paspoortcollege”); of
(b)wanneer een CSD deel uitmaakt van een groep van ondernemingen die twee of meer in ten minste twee lidstaten vergunninghoudende CSD’s omvat (“college op groepsniveau”).
Wanneer een CSD die onder de paspoortprocedure van artikel 23, leden 3 tot en met 7, valt ook deel uitmaakt van een groep van ondernemingen die ten minste één andere CSD omvat, moet het ook mogelijk zijn, teneinde synergieën te creëren en onnodige administratieve lasten voor de betrokken autoriteiten te voorkomen, om voor die CSD slechts één college op te richten, in plaats van twee afzonderlijke colleges (d.w.z. een afzonderlijk paspoortcollege en een afzonderlijk college op groepsniveau).
Om te voorkomen dat er meerdere paspoortcolleges en een afzonderlijk college op groepsniveau worden opgericht voor CSD’s die deel uitmaken van dezelfde groep, die in veel gevallen gemeenschappelijke procedures hebben, middelen delen en gebruikmaken van dezelfde beoordelingen van de maatregelen die zij hebben genomen om de naleving van de wetgeving van de lidstaten van ontvangst te waarborgen wanneer zij grensoverschrijdende diensten verlenen enz., moet de oprichting van slechts één college ook mogelijk zijn wanneer de andere CSD’s binnen de groep zijn onderworpen aan de paspoortprocedure. Indien die andere CSD’s binnen de groep ook aan de paspoortprocedure zijn onderworpen, is de oprichting van slechts één college voor de hele groep niettemin alleen mogelijk met instemming van de bevoegde autoriteiten van die CSD’s.
Om te zorgen voor een coherente toezichtaanpak in de hele EU, bevat artikel 24 bis daarnaast de regels voor het bepalen van het voorzitterschap, met name voor het college op groepsniveau, de samenstelling van de colleges en hun taken. De ESMA is bevoegd om ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de praktische regelingen voor de werking van colleges op te stellen.
Tot slot worden in de hele verordening wijzigingen aangebracht om te waarborgen dat de colleges worden geïnformeerd over belangrijke besluiten die worden genomen met betrekking tot CSD’s (d.w.z. wijzigingen van artikel 22, lid 7, artikel 23, leden 4, 5 en 7, artikel 24, leden 1 en 5, artikel 60, leden 1 en 2, van de CSDR).
5.2.6 CSD’s van derde landen en einde van de grandfatheringclausule
Artikel 1, punt 10, wijzigt artikel 25 van de CSDR, waarin het kader voor CSD’s van derde landen is vastgesteld. Punt a) voorziet in een verplichting voor CSD’s die voornemens zijn afwikkelingsdiensten te verlenen met betrekking tot financiële instrumenten waarvan de uitgifte door het recht van een lidstaat wordt beheerst, om de ESMA hiervan in kennis te stellen, waardoor het gebrek aan informatie in dit verband op zowel nationaal als EU-niveau wordt verholpen. Punt c) verleent de ESMA de bevoegdheid tot het opstellen van technische reguleringsnormen om te bepalen welke informatie de CSD van een derde land in die kennisgeving aan de ESMA moet verstrekken, specificeert dat die informatie beperkt moet blijven tot wat strikt noodzakelijk is en geeft een lijst met voorbeelden.
Punt b) van artikel 1, lid 10, wijzigt de vijfde alinea van artikel 25, lid 6, door te specificeren dat de ESMA de CSD van een derde land die erkenning voor het verrichten van notariële diensten of centrale diensten voor het aanhouden van effectenrekeningen aanvraagt, binnen zes maanden na de datum van indiening van een volledige aanvraag of die van de vaststelling van een gelijkwaardigheidsbesluit door de Commissie, naargelang welke datum later valt, schriftelijk in kennis moet stellen van een volledig gemotiveerd besluit tot verlening of weigering van de erkenning.
Artikel 1, punt 23, wijzigt artikel 69, lid 4, van de CSDR door een einddatum voor de grandfatheringclausule op te nemen voor zowel EU-CSD’s als CSD’s van derde landen. Meer in het bijzonder wijzigt punt a) artikel 69, lid 4, door te bepalen dat de einddatum voor de grandfatheringclausule voor EU-CSD’s één jaar na de inwerkingtreding van deze verordening is. Punt b) voert een nieuw lid 4 bis in waarin een einddatum voor de grandfatheringclausule voor CSD’s van derde landen wordt vastgesteld, te weten drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening, vanwege de gelijkwaardigheids- en erkenningsprocedures. Om het gebrek aan informatie in dit verband zowel op nationaal als op EU-niveau te verhelpen, moeten CSD’s van derde landen die onder de grandfatheringclausule vallen de ESMA daarnaast een kennisgeving doen toekomen wanneer zij notariële diensten en centrale diensten aanbieden voor het aanhouden van effectenrekeningen met betrekking tot financiële instrumenten waarvan de uitgifte door het recht van een lidstaat wordt beheerst. Punt b) verleent de ESMA de bevoegdheid tot het opstellen van technische reguleringsnormen om te bepalen welke informatie de CSD van een derde land in die kennisgeving aan de ESMA moet verstrekken, specificeert dat die informatie beperkt moet blijven tot wat strikt noodzakelijk is en geeft een lijst met voorbeelden. Ook voor CSD’s van derde landen die reeds vóór de inwerkingtreding van deze verordening afwikkelingsdiensten aanboden wordt een kennisgevingsverplichting ingevoerd.
5.2.7 Bancaire nevendiensten
In de eerste plaats voorziet artikel 1, punt 13, in een wijziging van artikel 40, lid 2, van de CSDR en voorziet artikel 1, punt 17, a), in een wijziging van artikel 54, lid 2, punt b), van de CSDR teneinde CSD’s die een vergunning hebben om bancaire nevendiensten te verrichten de mogelijkheid te bieden om die diensten te verlenen aan CSD’s die deze vergunning niet hebben en daarom niet kunnen afwikkelen in specifieke valuta’s boven bepaalde bedragen wanneer zij geen toegang tot de betrokken centrale bank hebben.
Artikel 1, punt 17, b), wijzigt de inleidende zin van lid 4, waardoor CSD’s niet alleen aangewezen kredietinstellingen, maar ook andere CSD’s waaraan overeenkomstig artikel 54, lid 3, vergunning voor het verrichten van dergelijke diensten is verleend, kunnen verzoeken om bancaire nevendiensten, ongeacht of die CSD’s al dan niet deel uitmaken van dezelfde groep van ondernemingen. In dit verband schrapt punt b) van artikel 1, lid 17, punt c) van artikel 54, lid 4, van de CSDR, waardoor het verbod voor aangewezen kredietinstellingen om CSD-kerndiensten aan te bieden wordt opgeheven.
In de tweede plaats wijzigt punt c) van artikel 1, lid 17, artikel 54, lid 5, van de CSDR, dat voorzag in een specifieke drempel waaronder CSD’s gebruik konden maken van een kredietinstelling voor bancaire diensten. Om deze drempel adequaat te kalibreren, en met het oog op het beheer van financiële risico’s, wordt in punt d) van artikel 1, lid 17, een mandaat voor de EBA ingevoerd om, in samenwerking met het ESCB en de ESMA, ontwerpen van technische reguleringsnormen op te stellen, die door de Commissie moeten worden vastgesteld, waarin een passende drempel wordt bepaald waaronder bancaire nevendiensten kunnen worden verleend door kredietinstellingen, inclusief relevante normen voor risicobeheer en prudentiële normen, en waarbij potentiële risico’s als gevolg van de wijziging van de drempel worden beperkt.
Tot slot voorziet artikel 1, punt 19, in een wijziging van artikel 59, lid 4, van de CSDR om te zorgen voor adequate prudentiële vereisten, door samenhang met andere toepasselijke wetgeving te waarborgen of bepaalde vereisten explicieter te maken om de consistentie van het toezicht te waarborgen of een aantal kleinere kwesties op het gebied van risicobeheer te specificeren. Daartoe:
(a)wijzigt punt a) punt c) van artikel 59, lid 4, door dat expliciet te maken en in overeenstemming te brengen met de bestaande regelgevingsnormen, in de zin dat voor het liquiditeitsstressscenario in aanmerking komende liquide middelen moeten worden aangehouden in plaats van liquide middelen, en dat in het stressscenario moet worden uitgegaan van de twee grootste deelnemers in plaats van alleen de grootste;
(b)wijzigt punt a) punt d) van artikel 59, lid 4, door te verduidelijken dat in aanmerking komende liquide middelen moeten worden aangehouden voor de relevante valuta’s in plaats van voor alle valuta’s;
(c)wijzigt punt a) punt e) van artikel 59, lid 4, door te verduidelijken dat indien vooraf vastgestelde financieringsregelingen worden gebruikt, deze zeer betrouwbaar moeten zijn. Ook wordt expliciet gemaakt dat wanneer vergelijkbare regelingen worden gebruikt als gecommitteerde regelingen, deze moeten voldoen aan dezelfde norm van hoge betrouwbaarheid en uitsluitend mogen worden overeengekomen met kredietwaardige kredietinstellingen;
(d)wijzigt punt a) punt i) van artikel 59, lid 4, door te verduidelijken dat een CSD alle door de in gebreke blijvende cliënt verstrekte zekerheden kan omzetten in contanten in plaats van deze te “liquideren”, en dat wanneer niet-gecommitteerde regelingen worden gebruikt, een CSD moet kunnen vaststellen dat alle daaraan verbonden potentiële risico’s zijn geïdentificeerd en beperkt. Het doel is om niet-gecommitteerde regelingen mogelijk te maken op voorwaarde dat er een alomvattend kader bestaat;
(e)wordt met punt a) in artikel 59, lid 4, een nieuw punt k) ingevoegd om explicieter te maken dat CSD’s relevante risico’s in hun risicobeheer en prudentiële kaders, met inbegrip van relevante salderingsovereenkomsten, moeten afdekken. Dit moet ervoor zorgen dat krediet- en liquiditeitsrisico’s met betrekking tot salderingsovereenkomsten door CSD’s naar behoren worden beheerd. Dit vereiste moet verder worden verduidelijkt in de bestaande technische reguleringsnorm die de EBA overeenkomstig artikel 59, lid 5, heeft ontwikkeld.
5.2.8 Organisatorische vereisten en koppelingen
Punt a) van artikel 1, lid 4, voegt een nieuwe alinea toe in artikel 17, lid 2, van de CSDR zodat een bevoegde autoriteit de mogelijkheid heeft, wanneer een aanvragende CSD op het moment van de aanvraag niet aan alle vereisten van de CSDR voldoet, maar redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij dit zal doen wanneer zij haar activiteiten daadwerkelijk zal aanvangen, de vergunning aan die CSD te verlenen op voorwaarde dat de CSD over alle nodige regelingen beschikt om aan de CSDR te voldoen wanneer zij haar activiteiten daadwerkelijk aanvangt.
Artikel 1, punt 11, voegt een nieuw lid 3 bis toe aan artikel 27 van de CSDR om de betekenis van het begrip “onafhankelijk lid van het leidinggevend orgaan” in de context van dat artikel te verduidelijken.
Artikel 1, punt 12, wijzigt artikel 28, lid 3, van de CSDR om het begrip “dienstniveau” te verduidelijken en een consistente interpretatie ervan te waarborgen door een lijst met voorbeelden van de onderwerpen die dat begrip moet bestrijken toe te voegen.
Artikel 1, punt 32, wijzigt artikel 36 van de CSDR om te verduidelijken dat CSD’s niet alleen de risico’s in verband met de veilige bewaring en afwikkeling van transacties in effecten moeten verminderen, maar er ook naar moeten streven om deze tot een minimum te beperken. De term “beperken” wordt daarom vervangen door “minimaliseren”.
Artikel 1, punt 16, wijzigt artikel 52, lid 1, van de CSDR om ervoor te zorgen dat een ontvangende CSD de werking van een goedgekeurde koppeling niet onnodig vertraagt. De ontvangende CSD moet daarom worden verplicht om de koppeling binnen twaalf maanden tot stand te brengen.
5.2.9 ESMA-verslagen
Artikel 1, punt 24, voert wijzigingen in artikel 74 van de CSDR in om de frequentie van de verslagen die de ESMA bij de Commissie moet indienen beter aan te passen.
2022/0074 (COD)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
tot wijziging van Verordening (EU) nr. 909/2014 wat betreft afwikkelingsdiscipline, grensoverschrijdende verrichting van diensten, samenwerking op toezichtgebied, de verlening van bancaire nevendiensten en vereisten voor centrale effectenbewaarinstellingen van derde landen
(Voor de EER relevante tekst)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van de Europese Centrale Bank,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad is op 28 augustus 2014 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en is op 17 september 2014 in werking getreden. Bij deze verordening worden de vereisten voor de afwikkeling van financiële instrumenten en regels voor de organisatie en het gedrag van centrale effectenbewaarinstellingen (central securities depositories — CSD’s) gestandaardiseerd teneinde veilige, efficiënte en vlotte afwikkeling te bevorderen. Daartoe voorziet de verordening in kortere afwikkelingstermijnen, maatregelen inzake afwikkelingsdiscipline, strikte organisatorische, gedrags- en prudentiële vereisten voor CSD’s, strengere prudentiële en toezichtvereisten voor CSD’s en andere instellingen die ondersteunende bancaire diensten voor effectenafwikkeling verlenen, en een regeling die CSD’s met een vergunning in staat stelt hun diensten overal in de Unie aan te bieden.
(1)Een vereenvoudiging van de vereisten op bepaalde gebieden die onder Verordening (EU) nr. 909/2014 vallen, en een meer evenredige benadering van die gebieden, is in overeenstemming met het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (Refit), waarin de nadruk ligt op de noodzaak van kostenreductie en vereenvoudiging, zodat het beleid van de Unie zijn doelstellingen op de meest efficiënte manier verwezenlijkt, en is met name gericht op het verminderen van de regelgevings- en administratieve lasten.
(2)Efficiënte en veerkrachtige posttransactie-infrastructuren zijn essentiële elementen voor een goed werkende kapitaalmarktenunie en verdiepen de inspanningen om investeringen, groei en het scheppen van banen te ondersteunen, in overeenstemming met de beleidsprioriteiten van de Commissie. Daarom is de herziening van Verordening (EU) nr. 909/2014 een van de kernacties van het in 2020 vastgestelde actieplan voor de kapitaalmarktenunie van de Commissie.
(3)In 2019 heeft de Commissie een gerichte raadpleging over de toepassing van Verordening (EU) nr. 909/2014 gehouden. De Commissie heeft ook input ontvangen van de Europese Autoriteit voor effecten en markten (“ESMA”) en het Europees Stelsel van centrale banken (“ESCB”). Uit de raadplegingen kwam naar voren dat belanghebbenden de doelstellingen van die verordening, te weten het bevorderen van een veilige, efficiënte en soepele afwikkeling van financieringsinstrumenten, steunen en relevant achten, en dat er geen grondige herziening nodig was. Op 1 juli 2021 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 75 van Verordening (EU) nr. 909/2014 een toetsingsverslag vastgesteld. Hoewel nog niet alle bepalingen van die verordening volledig van toepassing zijn, worden in het verslag gebieden genoemd waar gerichte actie nodig is om ervoor te zorgen dat de doelstellingen van de verordening op meer evenredige, efficiënte en doeltreffende wijze worden bereikt.
(4)Verordening (EU) nr. 909/2014 heeft regels inzake afwikkelingsdiscipline ingevoerd om mislukte afwikkelingen van effectentransacties te voorkomen en te corrigeren en op die manier de veiligheid van de afwikkeling van transacties te waarborgen. Die regels omvatten met name verslagleggingsvereisten, een sanctieregeling met geldboetes en verplichte buy-ins. Ondanks het ontbreken van ervaring met de toepassing van die regels heeft de verdere ontwikkeling en specificatie van het kader in Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/1229 van de Commissie alle belanghebbende partijen in staat gesteld de regeling en de uitdagingen die de toepassing ervan met zich mee zou kunnen brengen beter te begrijpen. In dit verband moet het toepassingsgebied van de geldboetes en de verplichte buy-ins als bedoeld in artikel 7 van Verordening (EU) nr. 909/2014 worden verduidelijkt, met name door te specificeren welke categorieën transacties zijn uitgesloten. Die uitsluitingen moeten inzonderheid betrekking hebben op transacties die zijn mislukt om redenen die niet aan de deelnemers kunnen worden toegeschreven en op transacties waarbij niet twee handelspartijen betrokken zijn, waarvoor de toepassing van geldboetes of verplichte buy-ins niet uitvoerbaar zou zijn of tot nadelige gevolgen voor de markt zou kunnen leiden, zoals voor bepaalde transacties in de primaire markt, beheersdaden (“corporate actions”), reorganisaties, de creatie en terugbetaling van rechten van deelnemingen in fondsen en herschikkingen. De Commissie moet de bevoegdheid worden verleend om Verordening (EU) nr. 909/2014 aan te vullen door de details van die uitsluitingen nader te specificeren door middel van een gedelegeerde handeling.
(5)Het overkoepelende doel van de regeling inzake afwikkelingsdiscipline is om de efficiëntie van de afwikkeling binnen de Unie te verbeteren. De marktvolatiliteit in 2020 heeft de zorgen over de mogelijke negatieve effecten van de regels inzake verplichte buy-ins, zowel in normale als in gespannen marktomstandigheden, echter vergroot. De toepassing van die regels moet daarom worden onderworpen aan een geschiktheidsbeoordeling door de Commissie in het licht van de ontwikkeling van de afwikkelingsefficiëntie in de Unie. Geldboetes en rapportagevereisten moeten echter van toepassing blijven om het effect ervan op de verbetering van de afwikkelingsefficiëntie in de Unie te kunnen beoordelen. Gezien de mogelijke gevolgen van de regels inzake verplichte buy-ins mogen dergelijke regels alleen van toepassing zijn wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan, namelijk wanneer de toepassing van geldboetes niet heeft geleid tot een voortdurende vermindering van het aantal mislukte afwikkelingen in de Unie op lange termijn, wanneer de afwikkelingsefficiëntie in de Unie niet het gewenste niveau heeft bereikt ten opzichte van de situatie op de kapitaalmarkten van derde landen die vergelijkbaar zijn qua omvang, liquiditeit, verhandelde instrumenten en soorten transacties die op die markten worden uitgevoerd, of wanneer het niveau van mislukte afwikkeling in de Unie een negatief effect heeft, of waarschijnlijk zal hebben, op de financiële stabiliteit van de Unie. Wanneer de Commissie van oordeel is dat aan een van die voorwaarden is voldaan en dat de toepassing van verplichte buy-ins evenredig is om het niveau van mislukte afwikkeling in de Unie te verlagen, moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om een uitvoeringshandeling vast te stellen waarin wordt bepaald op welke financiële instrumenten of categorieën transacties de regels inzake verplichte buy-ins van toepassing moeten zijn. De in artikel 7, lid 2, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 909/2014 bedoelde geldboetes moeten op dagelijkse basis worden berekend voor elke werkdag dat een transactie niet wordt afgewikkeld tot het einde van het buy-inproces of tot de dag van de feitelijke afwikkeling, naargelang welke datum eerder valt.
(6)Om een veelvoud aan buy-ins voor transacties in hetzelfde financiële instrument langs een keten van tegenpartijen te voorkomen, hetgeen tot onnodige dubbele kosten zou kunnen leiden en de liquiditeit van het financiële instrument nadelig zou kunnen beïnvloeden, moet een “mechanisme voor het doorgeven van voordelen” beschikbaar zijn voor deelnemers aan zulke transacties. Elke deelnemer die betrokken is bij de transactieketen moet een buy-inkennisgeving kunnen doorgeven aan de jegens hem falende deelnemer totdat de kennisgeving de oorspronkelijk falende deelnemer bereikt.
(7)Verplichte buy-ins en procedures voor geldelijke schadevergoeding maken het mogelijk dat de betaling van het verschil tussen de buy-inprijs en de oorspronkelijke handelsprijs door de verkoper aan de koper alleen plaatsvindt indien die buy-inprijs of de referentieprijs voor de geldelijke vergoeding hoger is dan de oorspronkelijke handelsprijs. Deze asymmetrie met betrekking tot de betaling van het verschil zou een onbillijke correctie kunnen creëren die ten onrechte ten goede zou komen aan de koper wanneer de buy-in- of referentieprijs lager is dan de oorspronkelijke handelsprijs. De betaling van het verschil tussen de buy-inprijs en de oorspronkelijke handelsprijs moet daarom in beide richtingen worden toegepast om ervoor te zorgen dat de handelspartijen terugkeren naar de economische voorwaarden die zouden zijn ontstaan indien de oorspronkelijke transactie had plaatsgevonden.
(8)De in artikel 7 van Verordening (EU) nr. 909/2014 vastgestelde regeling inzake afwikkelingsdiscipline mag niet van toepassing zijn op een falende deelnemer die een centrale tegenpartij (CTP) in de zin van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad is. Voor transacties die door een CTP worden aangegaan waarbij deze zich niet tussen tegenpartijen opstelt, zoals bij het toegestane gebruik van zekerheden voor beleggingsdoeleinden, moet de CTP echter, zoals elke andere deelnemer, aan de regeling inzake afwikkelingsdiscipline worden onderworpen.
(9)Wanneer de verplichte buy-ins van toepassing zijn, moet de Commissie de toepassing ervan in bepaalde uitzonderlijke situaties tijdelijk kunnen opschorten. Een dergelijke opschorting moet mogelijk zijn voor specifieke categorieën financiële instrumenten indien dat nodig is om een ernstige bedreiging voor de financiële stabiliteit of voor de ordelijke werking van de financiële markten in de Unie te voorkomen of aan te pakken. Een dergelijke opschorting moet in verhouding staan tot die doelstellingen.
(10)Om onbedoelde effecten op de niet-falende deelnemer te voorkomen, door eventuele negatieve prikkels om te falen die zich kunnen voordoen in een lage of negatieve renteomgeving weg te nemen, moet de context van negatieve rentetarieven in de gedelegeerde handeling in aanmerking worden genomen voor de berekening van geldboetes.
(11)De ESMA moet ontwerpen van reguleringsnormen opstellen om de bestaande technische reguleringsnormen te herzien teneinde rekening te houden met de wijzigingen die in Verordening (EU) nr. 909/2014 zijn aangebracht om de Commissie in staat te stellen de nodige correcties of wijzigingen aan te brengen tot verduidelijking van de vereisten van die technische reguleringsnorm, zoals de voorwaarden waaronder deelnemers hun eigen buy-ins kunnen uitvoeren.
(12)Indien een centrale effectenbewaarinstelling (CSD) vóór het begin van de vergunningsprocedure geen afwikkelingsactiviteit verricht, moet in de criteria om te bepalen welke relevante autoriteiten bij die vergunningsprocedure moeten worden betrokken, rekening worden gehouden met de verwachte afwikkelingsactiviteit, om ervoor te zorgen dat de standpunten van alle relevante autoriteiten die mogelijk belang hebben bij de activiteiten van die CSD in aanmerking worden genomen.
(13)Hoewel Verordening (EU) nr. 909/2014 nationale toezichthouders verplicht samen te werken met de relevante autoriteiten en deze erbij te betrekken, zijn nationale toezichthouders niet verplicht om deze relevante autoriteiten te informeren of en hoe hun standpunten in de uitkomst van de vergunningsprocedure in aanmerking zijn genomen en of er tijdens de jaarlijkse toetsingen en evaluaties aanvullende kwesties aan het licht zijn gekomen. De relevante autoriteiten moeten bijgevolg in staat zijn met redenen omklede adviezen uit te brengen over de vergunningverlening aan CSD’s en het toetsings- en evaluatieproces. De bevoegde autoriteiten dienen rekening te houden met dergelijke adviezen of in een met redenen omkleed besluit uit te leggen waarom dergelijke adviezen niet zijn gevolgd.
(14)Regelmatige toetsingen en evaluaties van CSD’s door bevoegde autoriteiten zijn noodzakelijk om ervoor te zorgen dat CSD’s passende regelingen, strategieën, processen en mechanismen in stand houden om de risico’s te evalueren waaraan de CSD blootstaat of blootgesteld zou kunnen worden of die een bedreiging kunnen vormen voor de vlotte werking van de effectenmarkten. De ervaring leert echter dat een jaarlijkse toetsing en evaluatie onevenredig belastend is voor zowel de CSD’s als de bevoegde autoriteiten en een beperkte toegevoegde waarde heeft. Daarom moet een beter gekalibreerde periodiciteit worden vastgesteld om deze last te verlichten en overlap van informatie van de ene toetsing met de andere te voorkomen. De toezichtcapaciteiten van de bevoegde autoriteiten en de doelstelling om de financiële stabiliteit te waarborgen, mogen evenwel niet worden ondermijnd.
(15)Een CSD moet voorbereid zijn op scenario’s die mogelijk verhinderen dat zij haar kritieke bedrijfsactiviteiten en diensten kan blijven verrichten en moet de doeltreffendheid beoordelen van een volledig scala van opties voor herstel of een ordelijke afbouw. Bij Verordening (EU) nr. 909/2014 zijn in dit verband vereisten ingevoerd, waarbij met name is bepaald dat een bevoegde autoriteit de CSD ertoe moet verplichten een toereikend herstelplan in te dienen en ervoor moet zorgen dat voor elke CSD een toereikend afwikkelingsplan wordt opgesteld en in stand gehouden. Momenteel bestaat er echter geen geharmoniseerde afwikkelingsregeling waarop een afwikkelingsplan zou kunnen worden gebaseerd. Hoewel CSD’s waaraan een vergunning is verleend om bancaire nevendiensten aan te bieden, binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad vallen, bestaan er geen specifieke bepalingen voor CSD’s die geen vergunning hebben om dergelijke diensten te verrichten en die bijgevolg uit hoofde van Richtlijn 2014/59/EU niet als kredietinstellingen worden beschouwd met de verplichting om herstel- en afwikkelingsplannen te hebben. Er moeten bijgevolg verduidelijkingen worden ingevoerd met het oog op een betere afstemming van de vereisten die voor CSD’s gelden, rekening houdend met het ontbreken van een Uniekader voor het herstel en de afwikkeling van alle CSD’s.
(16)Indien een nieuwe CSD een vergunning aanvraagt en de naleving van bepaalde vereisten niet kan worden beoordeeld omdat de CSD nog niet operationeel is, moet de bevoegde autoriteit in staat zijn de vergunning te verlenen op voorwaarde dat aan die vereisten wordt voldaan wanneer de CSD haar activiteiten daadwerkelijk aanvangt.
(17)De in artikel 23 van Verordening (EU) nr. 909/2014 vastgestelde procedure betreffende het verrichten door CSD’s van notariële diensten en centrale diensten voor het aanhouden van effectenrekeningen met betrekking tot de financiële instrumenten waarvan de uitgifte wordt beheerst door het recht van een andere lidstaat dan die waarin hun vergunning is verleend, is omslachtig gebleken en sommige van de vereisten ervan zijn onduidelijk. Dit heeft geleid tot een onevenredig dure en langdurige procedure voor CSD’s. De procedure moet bijgevolg worden vereenvoudigd om de belemmeringen voor grensoverschrijdende afwikkeling beter op te heffen zodat vergunninghoudende CSD’s ten volle kunnen profiteren van de vrijheid om binnen de Unie diensten te verrichten.
(18)Verordening (EU) nr. 909/2014 vereist de samenwerking van autoriteiten die een belang hebben bij de bedrijfsactiviteiten van de CSD’s die diensten verrichten met betrekking tot financiële instrumenten waarvan de uitgifte door het recht van meerdere lidstaten wordt beheerst. Niettemin blijven de toezichtregelingen versnipperd en kunnen zij leiden tot verschillen in de toewijzing en de aard van de toezichtbevoegdheden naar gelang van de betrokken CSD. Dit leidt op zijn beurt tot belemmeringen voor de grensoverschrijdende verrichting van CSD-diensten in de Unie, bestendigt de resterende inefficiënties in de afwikkelingsmarkt van de Unie en heeft negatieve gevolgen voor de stabiliteit van de financiële markten van de Unie. Ondanks de mogelijkheid om colleges op te richten overeenkomstig artikel 24, lid 4, van die verordening, is van die mogelijkheid nauwelijks gebruikgemaakt. Met het oog op een doeltreffende en efficiënte coördinatie van het toezicht door de bevoegde autoriteiten dient het vereiste om verplichte colleges op te richten in twee gevallen te gelden. Ten eerste voor CSD’s die notariële diensten en centrale diensten voor het aanhouden van effectenrekeningen aanbieden met betrekking tot financiële instrumenten waarvan de uitgifte door het recht van meerdere lidstaten wordt beheerst (de “paspoortcolleges”) en ten tweede voor CSD’s die tot dezelfde groep behoren (de “colleges op groepsniveau”). Om de administratieve lasten voor de aan colleges deelnemende autoriteiten te verminderen, moet, wanneer een CSD die grensoverschrijdende diensten aanbiedt ook deel uitmaakt van een groep CSD’s, de voorzitter van het college kunnen besluiten dat voor die CSD slechts één college wordt opgericht. Indien de andere CSD’s in de groep ook grensoverschrijdende diensten aanbieden, mag de voorzitter van het college die beslissing alleen kunnen nemen indien de bevoegde autoriteiten van die andere CSD’s daarmee instemmen. In dat geval zou er voor alle CSD’s binnen de groep slechts één college zijn dat de aan de colleges op paspoort- en groepsniveau toegewezen taken zou uitoefenen. Die colleges moeten zorgen voor het delen van informatie over de betrokken CSD’s.
(19)De ESMA en de bevoegde autoriteiten hebben momenteel om verschillende redenen beperkte informatie over de diensten die in een derde land gevestigde CSD’s aanbieden met betrekking tot financiële instrumenten waarvan de uitgifte door het recht van een lidstaat wordt beheerst. Ten eerste vanwege de uitgestelde toepassing, zonder einddatum, van erkenningsvereisten voor CSD’s van derde landen die al vóór de datum van toepassing van Verordening (EU) nr. 909/2014 notariële diensten en centrale diensten voor het aanhouden van effectenrekeningen in de Unie verrichtten op grond van artikel 69, lid 4, van die verordening. Ten tweede is een CSD van een derde land die alleen de afwikkelingsdienst verricht, niet aan erkenningsvereisten onderworpen. Ten slotte, aangezien Verordening (EU) nr. 909/2014 niet vereist dat in een derde land gevestigde CSD’s de autoriteiten van de Unie in kennis stellen van hun activiteiten met betrekking tot de financiële instrumenten waarvan de uitgifte door het recht van een lidstaat wordt beheerst. Wegens dat gebrek aan informatie zouden noch de uitgevende instellingen, noch de overheden op nationaal en Unieniveau in staat zijn de activiteiten van die CSD’s in de Unie te beoordelen indien dat nodig zou zijn. Bijgevolg moeten in een derde land gevestigde CSD’s verplicht zijn de autoriteiten van de Unie in kennis te stellen van hun activiteiten met betrekking tot de financiële instrumenten waarvan de uitgifte door het recht van een lidstaat wordt beheerst.
(20)Artikel 27, lid 2, van Verordening (EU) nr. 909/2014 vereist dat een CSD een leidinggevend orgaan heeft waarvan ten minste een derde van de leden, maar niet minder dan twee leden, onafhankelijk zijn. Dat begrip van onafhankelijkheid kan echter aanleiding geven tot uiteenlopende interpretaties en moet derhalve worden verduidelijkt, in overeenstemming met de definitie van “onafhankelijk lid” in artikel 2, punt 28, van Verordening (EU) nr. 648/2012.
(21)Om te zorgen voor een samenhangende interpretatie van de belangrijkste kwesties waarover de gebruikerscomités het leidinggevend orgaan moeten adviseren, moet nader worden verduidelijkt welke elementen onder het “dienstniveau” vallen.
(22)Gezien hun centrale rol met betrekking tot de veiligheid van transacties moeten de CSD’s niet alleen de risico’s in verband met de veilige bewaring en afwikkeling van transacties van effecten verminderen, maar moeten zij ernaar streven die risico’s tot een minimum te beperken.
(23)Onder bepaalde omstandigheden kan de uitgifte van de effecten worden beheerst door het vennootschapsrecht of ander vergelijkbaar recht van de lidstaat. Dit is met name het geval voor schuldbewijzen waarvan de uitgevende instelling in één lidstaat is gevestigd en de uitgifte van de effecten kan worden beheerst door het recht van een andere lidstaat. In een dergelijk geval moeten zowel het nationale vennootschapsrecht als het vergelijkbare recht van toepassing blijven.
(24)Om ervoor te zorgen dat uitgevende instellingen die hun effecten bij een in een andere lidstaat gevestigde CSD laten vastleggen aan de relevante bepalingen van het vennootschapsrecht of vergelijkbaar recht van die lidstaten kunnen voldoen, moeten de lidstaten de door de ESMA gepubliceerde lijst van die nationale belangrijke relevante bepalingen regelmatig actualiseren.
(25)Om afwikkelingsrisico’s ten gevolge van de insolventie van de afwikkelende instantie te vermijden, moet een CSD, wanneer dat praktisch en mogelijk is, de geldzijde van de effectentransactie afwikkelen via bij de centrale bank geopende rekeningen. Als deze optie niet praktisch en mogelijk is, inclusief wanneer een CSD niet voldoet aan de voorwaarden om toegang te krijgen tot een andere centrale bank dan die van haar lidstaat van herkomst, moet die CSD in staat zijn de geldzijde van transacties in vreemde valuta’s af te wikkelen via rekeningen die zijn geopend bij instellingen waaraan een vergunning is verleend om bankdiensten te verrichten onder de voorwaarden waarin Verordening (EU) nr. 909/2014 voorziet. De efficiëntie van de afwikkelingsmarkt zou veeleer gebaat zijn bij het vergroten van de mogelijkheden voor CSD’s om afwikkeling in vreemde valuta te verrichten via rekeningen die zijn geopend bij instellingen waaraan een vergunning is verleend om bankdiensten te verrichten, binnen passende risicogrenzen, met het oog op het verdiepen van de kapitaalmarkten en het versterken van grensoverschrijdende afwikkeling. Te dien einde moeten CSD’s waaraan in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 909/2014 een vergunning is verleend om bancaire nevendiensten te verrichten en waarvoor de betrokken risico’s reeds worden bewaakt, in staat zijn die diensten aan te bieden aan andere CSD’s die niet over een dergelijke vergunning beschikken, ongeacht of deze laatste deel uitmaken van dezelfde groep van ondernemingen.
(26)Binnen een passend vastgestelde risicogrens moeten CSD’s waaraan geen vergunning is verleend om bancaire nevendiensten te verrichten, in staat zijn een toereikend bedrag aan afwikkeling in vreemde valuta aan te bieden via bij kredietinstellingen geopende rekeningen of via haar eigen rekening. De drempel waaronder een CSD een kredietinstelling mag aanwijzen om vanuit een afzonderlijke rechtspersoon alle bancaire nevendiensten te verrichten zonder aan de in titel IV van Verordening (EU) nr. 909/2014 vastgestelde voorwaarden te moeten voldoen, moet zodanig worden gekalibreerd dat de efficiëntie van de afwikkeling en het gebruik van bancaire nevendiensten worden bevorderd en tegelijkertijd de financiële stabiliteit wordt gewaarborgd. Aan de EBA, een instantie met gespecialiseerde deskundigheid inzake bancaire en kredietrisicokwesties, moet de ontwikkeling van ontwerpen van technische reguleringsnormen worden toevertrouwd om de passende drempels en, waar nodig, eventuele risicobeperkende vereisten vast te stellen. De EBA dient ook nauw samen te werken met de leden van het ESCB en met de ESMA. De Commissie moet de bevoegdheid krijgen om in overeenstemming met artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) technische reguleringsnormen vast te stellen met betrekking tot de nadere elementen van de bepaling voor het verrichten van bancaire nevendiensten, de begeleidende nadere regels voor het risicobeheer en de kapitaalvereisten voor CSD’s en de prudentiële vereisten inzake krediet- en liquiditeitsrisico’s voor CSD’s en aangewezen kredietinstellingen die een vergunning hebben voor het verrichten van bancaire nevendiensten.
(27)CSD’s, inclusief die waaraan een vergunning is verleend om bancaire nevendiensten te verrichten, en aangewezen kredietinstellingen moeten relevante risico’s in hun risicobeheer- en prudentiële kaders, inclusief relevante salderingsovereenkomsten, afdekken. Instrumenten om die risico’s af te dekken, zijn onder meer het aanhouden van voldoende in aanmerking komende liquide middelen in alle relevante valuta’s en het garanderen dat stressscenario’s voldoende sterk zijn. CSD’s moeten er ook voor zorgen dat overeenkomstige liquiditeitsrisico’s worden beheerst en gedekt door zeer betrouwbare financieringsregelingen met kredietwaardige instellingen, ongeacht of die regelingen toegezegd zijn of een vergelijkbare betrouwbaarheid hebben. De EBA moet ontwerpen van technische reguleringsnormen indienen om de bestaande technische reguleringsnormen te herzien teneinde rekening te houden met deze wijzigingen in de prudentiële vereisten, zodat de Commissie de nodige wijzigingen kan aanbrengen ter verduidelijking van de vereisten die in deze technische reguleringsnormen zijn opgenomen, zoals die welke verband houden met het beheersen van potentiële liquiditeitstekorten.
(28)Een termijn van slechts één maand voor de betrokken autoriteiten en de bevoegde autoriteiten om een met redenen omkleed advies uit te brengen over de vergunning voor het verrichten van bancaire nevendiensten is te kort gebleken om deze autoriteiten in staat te stellen een gefundeerde analyse te maken. Daarom moet een langere periode van twee maanden worden vastgesteld.
(29)Om in de Unie of in derde landen gevestigde CSD’s voldoende tijd te geven om een vergunnings- en erkenningsaanvraag voor hun activiteiten in te dienen, werd de datum van toepassing van de vergunnings- en erkenningsvereisten van Verordening (EU) nr. 909/2014 aanvankelijk uitgesteld totdat een vergunnings- of erkenningsbesluit uit hoofde van die verordening was genomen. Er is voldoende tijd verstreken sinds de inwerkingtreding van die verordening. Daarom moeten die vereisten vanaf nu gelden om enerzijds te voorzien in een gelijk speelveld voor alle CSD’s die diensten aanbieden met betrekking tot financiële instrumenten waarvan de uitgifte door het recht van een lidstaat wordt beheerst, en anderzijds ervoor te zorgen dat de autoriteiten op nationaal en Unieniveau over de noodzakelijke informatie beschikken om beleggersbescherming te waarborgen en financiële stabiliteit te monitoren.
(30)Verordening (EU) nr. 909/2014 schrijft momenteel voor dat de ESMA, in samenwerking met de nationale bevoegde autoriteiten en de EBA, jaarverslagen over twaalf onderwerpen opstelt en deze verslagen bij de Commissie indient. Die eis is onevenredig gezien de aard van bepaalde onderwerpen die niet jaarlijks hoeven te worden geactualiseerd. De frequentie en het aantal van deze verslagen moeten derhalve worden bijgesteld om de lasten voor de ESMA en de bevoegde autoriteiten te verminderen en er tegelijkertijd voor te zorgen dat de Commissie de informatie krijgt die zij nodig heeft om de uitvoering van Verordening (EU) nr. 909/2014 te toetsen.
(31)Daarom moet Verordening (EU) nr. 909/2014 overeenkomstig worden gewijzigd.
(32)De bevoegdheid om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen, moet aan de Commissie worden gedelegeerd om het gevolg te specificeren dat verzuim in een context van negatieve rentevoeten heeft op de getroffen tegenpartijen met betrekking tot de berekening van geldboetes of hun negatieve stimulansen om te verzuimen, de redenen voor mislukte afwikkelingsoperaties die geacht moeten worden niet toe te schrijven te zijn aan de deelnemers aan de transactie en de transacties die geacht moeten worden niet twee handelspartijen te omvatten, de werking van de colleges van toezichthouders, de informatie die door de CSD’s uit derde landen moet worden meegedeeld; en het maximumbedrag waaronder de CSD’s elke kredietinstelling mogen gebruiken om de betalingen in contanten af te wikkelen.
(33)Om te zorgen voor eenvormige voorwaarden voor de toepassing van deze verordening, en met name met betrekking tot de toepassing en de opschorting van verplichte buy-invereisten wanneer die van toepassing zijn, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad.
(34)Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk het uitbreiden van grensoverschrijdende afwikkeling door CSD’s, het verminderen van de administratieve lasten en nalevingskosten en het waarborgen dat de autoriteiten over voldoende informatie beschikken om de risico’s te monitoren, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter, wegens de omvang en de gevolgen ervan, door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.
(35)De toepassing van het herziene toepassingsgebied van de voorschriften inzake geldboetes, de nieuwe vereisten betreffende de oprichting van colleges van toezichthouders, de indiening van een kennisgeving door CSD’s van derde landen van de kerndiensten die zij verrichten met betrekking tot financiële instrumenten waarvan de uitgifte door het recht van een lidstaat wordt beheerst, de herziene drempel waaronder kredietinstellingen mogen aanbieden de betalingen in contanten voor een deel van het effectenafwikkelingssysteem van de CSD af te wikkelen en de herziene prudentiële vereisten voor kredietinstellingen of CSD’s die een vergunning hebben verkregen voor het verrichten van bancaire nevendiensten uit hoofde van artikel 59 van Verordening (EU) nr. 909/2014 moeten worden uitgesteld om voldoende tijd te geven voor de vaststelling van de nodige gedelegeerde handelingen tot nadere specificatie van die vereisten,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 909/2014
Verordening (EU) nr. 909/2014 van de Raad wordt als volgt gewijzigd:
1) In artikel 2 wordt het volgende punt 25 bis ingevoegd:
“25 bis. “groep”: een groep in de zin van artikel 2, punt 11, van Richtlijn 2013/34/EU;”.
2) Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:
(a)in lid 2 wordt de derde alinea vervangen door:
“Het in de eerste alinea bedoelde sanctiemechanisme omvat geldboetes voor deelnemers die mislukte afwikkelingsoperaties veroorzaken (“nalatige deelnemers”) behalve wanneer deze mislukte afwikkelingsoperaties worden veroorzaakt door factoren die niet toe te schrijven zijn aan de deelnemers aan de transactie of voor operaties waarbij niet twee handelspartijen betrokken zijn. Geldboetes worden berekend op dagbasis voor een periode waarin elke werkdag wordt meegerekend dat een transactie later dan de voorgenomen afwikkelingsdatum wordt afgerekend tot aan het einde van het in leden 3 tot en met 8 bedoelde buy-inproces, dat moet worden toegepast overeenkomstig lid 2 bis, of op de feitelijke afwikkelingsdatum, naargelang welke datum eerder valt. De geldboetes dienen niet als bron van inkomsten voor de CSD.”;
(b)het volgende lid 2 bis wordt ingevoegd:
“2 bis. Onverminderd het in lid 2 van dit artikel bedoelde sanctiemechanisme en het recht om de transactie bilateraal te annuleren, kan de Commissie middels een uitvoeringshandeling besluiten op welke van de in artikel 5, lid 1, bedoelde financiële instrumenten of categorieën transacties in die financiële instrumenten de in de leden 3 tot en met 8 van dit artikel bedoelde maatregelen inzake afwikkelingsdiscipline moeten worden toegepast, indien de Commissie van oordeel is dat die maatregelen een evenredig middel vormen om het niveau van mislukte afwikkelingsoperaties in de Unie aan te pakken en dat, op basis van het aantal mislukte afwikkelingsoperaties en het volume daarvan, aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
a) de toepassing van het in lid 2 bedoelde mechanisme van geldboetes heeft niet geleid tot een langdurige, aanhoudende vermindering van het aantal mislukte afwikkelingsoperaties in de Unie;
b) de afwikkelingsefficiëntie in de Unie heeft geen passend niveau bereikt gezien de situatie op de kapitaalmarkten van derde landen die vergelijkbaar zijn qua omvang, liquiditeit, alsmede de verhandelde instrumenten en de soorten transacties die op dergelijke markten worden uitgevoerd;
c) het niveau van mislukte afwikkelingsoperaties in de Unie heeft of zal waarschijnlijk een negatief effect hebben op de financiële stabiliteit van de Unie.
De uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 68, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.”;
(c)lid 3 wordt vervangen door:
“3. Indien de Commissie overeenkomstig lid 2 bis een uitvoeringshandeling heeft vastgesteld en een nalatige deelnemer aan de ontvangende deelnemer geen onder die uitvoeringshandeling vallende financiële instrumenten heeft geleverd binnen een periode na de voorgenomen afwikkelingsdatum (“verlengingstermijn”) die gelijk is aan vier werkdagen, begint een buy-inproces waarbij die instrumenten voor afwikkeling beschikbaar zijn en binnen een passende termijn aan de ontvangende deelnemer worden geleverd.
Indien de transactie betrekking heeft op een financieel instrument dat wordt verhandeld op een mkb-groeimarkt, bedraagt de verlengingstermijn vijftien kalenderdagen, tenzij de mkb-groeimarkt besluit een kortere termijn toe te passen.”;
(d)het volgende lid 3 bis wordt ingevoegd:
“3 bis. Indien een ontvangende deelnemer (de “bemiddelende ontvangende deelnemer”) de financiële instrumenten op de in lid 3 bedoelde datum niet heeft ontvangen, waardoor de doorlevering van deze financiële instrumenten aan een andere ontvangende deelnemer (de “uiteindelijke ontvangende deelnemer”) mislukt, wordt de bemiddelende ontvangende deelnemer geacht te hebben voldaan aan de verplichting een buy-in jegens de nalatige deelnemer uit te voeren, indien de uiteindelijke ontvangende deelnemer de buy-in voor deze financiële instrumenten uitvoert. Evenzo kan de bemiddelende ontvangende deelnemer zijn verplichtingen jegens de uiteindelijke ontvangende deelnemer overeenkomstig de leden 6, 7 en 8 doen overgaan op de nalatige deelnemer.”;
(e)lid 4 wordt vervangen door:
“4. Onverminderd lid 3 bis gelden de volgende afwijkingen van het in lid 3 bedoelde voorschrift:
a) afhankelijk van het type activa en de liquiditeit van de betrokken financiële instrumenten kan de verlengingstermijn van vier werkdagen worden verlengd tot ten hoogste zeven werkdagen indien een kortere verlengingstermijn de vlotte en ordelijke werking van de betrokken financiële markten zou aantasten;
b) voor verrichtingen die bestaan uit verschillende transacties waaronder repo-overeenkomsten voor effecten of effectenuitleenovereenkomsten, is het buy-inproces als bedoeld in lid 3 niet van toepassing indien de termijn van die verrichtingen kort genoeg is en het buy-inproces ondoeltreffend maakt;
c) voor mislukte afwikkelingsoperaties die zijn opgetreden om redenen die niet aan de deelnemers zijn toe te rekenen, is het in lid 3 bedoelde buy-inproces niet van toepassing;
d) voor transacties waarbij niet twee handelspartijen betrokken zijn, is het in lid 3 bedoelde buy-inproces niet van toepassing.”;
(f)lid 6 wordt vervangen door:
“6. Ingeval de ten tijde van de transactie overeengekomen prijs van de financiële instrumenten verschilt van de prijs die voor de uitvoering van de buy-in wordt betaald, wordt, onverminderd het in lid 2 bedoelde sanctiemechanisme, het prijsverschil door de deelnemer die profiteert van een dergelijk prijsverschil aan de andere deelnemer betaald, en zulks uiterlijk op de tweede werkdag na de levering van de financiële instrumenten ten gevolge van de buy-in.’;
(g)lid 11 wordt vervangen door:
“11. De leden 2 tot en met 9 zijn niet van toepassing op nalatige deelnemers die CTP’s zijn, behalve op door een CTP aangegane transacties waarbij zij niet als een tussenpartij fungeert.
Indien een CTP door de toepassing van artikel 7, lid 2, derde alinea, verliezen lijdt, kan de CTP in haar regels een mechanisme opnemen om deze verliezen te dekken.”;
(h)het volgende lid 13 bis wordt ingevoegd:
“13 bis. De ESMA kan de Commissie aanbevelen het in de leden 3 tot en met 8 bedoelde buy-inmechanisme voor specifieke categorieën financiële instrumenten op evenredige wijze op te schorten indien zulks noodzakelijk is om een ernstige bedreiging van de financiële stabiliteit of van de ordelijke werking van de financiële markten in de Unie te voorkomen of aan te pakken. Een dergelijke aanbeveling gaat vergezeld van een volledig met redenen omklede beoordeling van de noodzaak ervan en wordt niet openbaar gemaakt.
Alvorens de aanbeveling te doen, raadpleegt de ESMA het ESRB en het ESCB.
De Commissie schort, zonder onnodige vertraging na ontvangst van de aanbeveling, op basis van de door de ESMA verstrekte redenen en bewijsstukken, het in lid 3 bedoelde buy-inmechanisme voor de specifieke categorieën financiële instrumenten op door middel van een uitvoeringshandeling, of zij verwerpt de aanbevolen opschorting. Wijst de Commissie het opschortingsverzoek af, dan geeft zij daarvoor schriftelijk de redenen op aan de ESMA. Die informatie wordt niet openbaar gemaakt.
De uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de procedure van artikel 68, lid 3.
De opschorting van het buy-inmechanisme wordt meegedeeld aan de ESMA en wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en op de website van de Commissie.
De opschorting van het buy-inmechanisme geldt voor een eerste periode van ten hoogste zes maanden vanaf de datum van toepassing van die opschorting.
Indien de redenen voor de opschorting blijven gelden, kan de Commissie de in de derde alinea bedoelde opschorting bij uitvoeringshandeling verlengen met aanvullende perioden van niet meer dan drie maanden, waarbij de totale periode van de opschorting niet meer dan twaalf maanden bedraagt. Alle verlengingen van de opschorting worden bekendgemaakt overeenkomstig de vijfde alinea.
De uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de procedure van artikel 68, lid 3. De ESMA verstrekt de Commissie geruime tijd voor het einde van de in de zesde alinea bedoelde opschortingsperiode of van de in de zevende alinea bedoelde verlengingsperiode een advies over de vraag of de redenen voor de opschorting blijven gelden.”;
(i)lid 14 wordt vervangen door:
“14. De Commissie is bevoegd deze verordening aan te vullen door overeenkomstig artikel 67 gedelegeerde handelingen vast te stellen om parameters te bepalen voor de berekening van een afschrikkend en evenredig niveau van de geldboetes als bedoeld in lid 2, derde alinea, van dit artikel op basis van het soort activa, de liquiditeit van het financiële instrument, het soort transactie en de gevolgen die lage of negatieve rentevoeten zouden kunnen hebben op de stimulansen van tegenpartijen en verzuim. De parameters die voor de berekening van de geldboetes worden gehanteerd, moeten een hoge mate van afwikkelingsdiscipline en een soepele en ordelijke werking van de betrokken financiële markten waarborgen.”;
(j)het volgende lid 14 bis wordt ingevoegd:
“14 bis. De Commissie kan overeenkomstig artikel 67 gedelegeerde handelingen vaststellen ter aanvulling van deze verordening om de redenen te specificeren voor mislukte afwikkelingsoperaties die geacht moeten worden niet toe te schrijven te zijn aan de deelnemers aan de transactie en de transacties die geacht moeten worden niet twee handelspartijen te omvatten krachtens lid 2 en lid 4, punten c) en d), van dit artikel.”;
(k)in lid 15 wordt de tweede alinea vervangen door:
“De ESMA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op ... [PO: in te voegen datum = 1 jaar na de inwerkingtreding van deze verordening] in bij de Commissie.”.
3) In artikel 12, lid 1, worden de punten b) en c) als volgt gewijzigd:
“b) de centrale banken in de Unie die de belangrijkste valuta’s waarin afwikkeling plaatsvindt of zal plaatsvinden, uitgeven;
c) in voorkomend geval, de centrale bank in de Unie in de boeken waarvan de geldzijde van de door een CSD geëxploiteerd effectenafwikkelingssysteem wordt of zal worden afgewikkeld.”.
4) Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:
(a)aan lid 2 wordt de volgende alinea toegevoegd:
“In afwijking van de eerste alinea mag, wanneer een aanvragende CSD niet aan alle vereisten van deze verordening voldoet, maar wanneer redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij dit zal doen wanneer zij haar activiteiten daadwerkelijk zal aanvangen, de bevoegde autoriteit de vergunning verlenen op voorwaarde dat die CSD alle noodzakelijke regelingen heeft getroffen om aan de vereisten van deze verordening te voldoen wanneer zij haar activiteiten daadwerkelijk aanvangt.”;
(b)lid 4 wordt vervangen door:
“4. Vanaf het moment waarop de aanvraag als volledig wordt beschouwd, zendt de bevoegde autoriteit alle in de aanvraag opgenomen informatie aan de relevante autoriteiten en raadpleegt zij die autoriteiten over de kenmerken van het door de aanvragende CSD geëxploiteerde effectenafwikkelingssysteem.
Elke relevante autoriteit kan binnen drie maanden na ontvangst van de informatie door de relevante autoriteit een met redenen omkleed advies uitbrengen aan de bevoegde autoriteit. Indien een relevante autoriteit binnen deze termijn geen advies uitbrengt, wordt zij geacht positief te hebben geadviseerd.
Indien ten minste één van de relevante autoriteiten een negatief met redenen omkleed advies uitbrengt, doet de bevoegde autoriteit die de vergunning wenst te verlenen, de relevante autoriteiten binnen dertig kalenderdagen een met redenen omkleed besluit toekomen waarin het negatieve advies wordt behandeld.
Indien een relevante autoriteit binnen 30 kalenderdagen nadat de bevoegde autoriteit het in de derde alinea bedoelde met redenen omklede besluit heeft genomen, opnieuw een negatief advies uitbrengt en de bevoegde autoriteit het daarmee niet eens is, stelt zij die relevante autoriteit daarvan in kennis. Een autoriteit die een negatief advies heeft uitgebracht, kan de zaak voor bijstand naar de ESMA doorverwijzen overeenkomstig artikel 31, lid 2, punt c), van Verordening (EU) nr. 1095/2010.
Indien de zaak 30 kalenderdagen na te zijn voorgelegd aan de ESMA niet is geschikt, neemt de bevoegde autoriteit die de vergunning wil verlenen, het definitieve besluit en stelt zij de relevante autoriteiten uitvoerig schriftelijk van haar motivering in kennis.
Indien de bevoegde autoriteit de vergunning wil weigeren, wordt de zaak niet aan de ESMA voorgelegd.
In negatieve adviezen worden schriftelijk de volledige en gedetailleerde redenen opgegeven waarom niet aan de vereisten van deze verordening of van andere vereisten van het Unierecht wordt voldaan.”;
(c)het volgende lid 7 bis wordt ingevoegd:
“7 bis. De bevoegde autoriteit stelt de overeenkomstig de leden 4 tot en met 7 geraadpleegde autoriteiten onverwijld in kennis van de resultaten, met inbegrip van eventuele corrigerende maatregelen, van het vergunningsproces.”.
5) In artikel 20 wordt lid 5 vervangen door:
“5. In geval van intrekking van de vergunning als bedoeld in lid 1, zorgt een CSD voor de vaststelling, toepassing en handhaving van een passende procedure voor een tijdige en ordelijke afwikkeling en overboeking van de activa van cliënten en deelnemers naar een andere CSD. Deze procedures omvatten de overdracht van uitgifterekeningen en -bescheiden in verband met de verrichting van kerndiensten als bedoeld in afdeling A, punten 1 en 2, van de bijlage.”.
6) Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:
(a)de leden 1 tot en met 4 worden vervangen door:
“1. Ten minste elke twee jaar toetst de bevoegde autoriteit de regelingen, strategieën, processen en mechanismen die door een CSD met betrekking tot de naleving van deze verordening worden uitgevoerd en evalueert zij de risico’s waaraan de CSD is of kan worden blootgesteld, of die zij schept voor de vlotte werking van effectenmarkten of de stabiliteit van de financiële markten.
2. De CSD stelt scenario’s vast die mogelijk verhinderen dat zij haar kritieke bedrijfsactiviteiten en diensten kan blijven verrichten en beoordeelt de doeltreffendheid van een volledig scala van opties voor herstel of ordelijke afbouw. In die scenario’s wordt rekening gehouden met de verschillende onafhankelijke en gerelateerde risico’s waaraan de CSD wordt blootgesteld. Op basis van die analyse stelt de CSD passende plannen voor haar herstel of ordelijke afbouw op en dient zij deze bij de bevoegde autoriteit in.
3. De in lid 2 bedoelde plannen bevatten ten minste de volgende elementen:
a) een inhoudelijke samenvatting van de voornaamste strategieën voor herstel of ordelijke afbouw;
b) een opsomming van de kritieke bedrijfsactiviteiten en diensten van de CSD;
c) toereikende procedures die de tijdige en ordelijke afwikkeling en overdracht van de activa van cliënten en deelnemers aan een andere CSD waarborgen ingeval het voor de CSD permanent onmogelijk wordt haar kritieke bedrijfsactiviteiten en diensten te herstellen;
d) een beschrijving van de maatregelen die nodig zijn om de voornaamste strategieën uit te voeren.
De CSD is in staat om tijdens stressscenario’s tijdig de informatie vast te stellen en aan de betrokken entiteiten te verstrekken die nodig is om de plannen uit te voeren.
De CSD toetst en actualiseert de plannen regelmatig en ten minste om de twee jaar. In de plannen wordt rekening gehouden met de omvang, systeemrelevantie, aard, schaal en complexiteit van de activiteiten van de betrokken CSD en elk relevant herstel- of afwikkelingsplan dat in overeenstemming met Richtlijn 2014/59/EU is opgesteld.
Indien voor een CSD een afwikkelingsplan wordt opgesteld en gehandhaafd met het oog op het waarborgen van haar kerntaken, stelt de bevoegde autoriteit de ESMA daarvan in kennis.
4. De bevoegde autoriteit bepaalt de frequentie en grondigheid van de in lid 1 bedoelde toetsing en evaluatie, waarbij zij rekening houdt met de omvang, de systeemrelevantie, de aard, de schaal en de complexiteit van de activiteiten van de betrokken CSD. De toetsing en de evaluatie worden ten minste om de twee jaar geactualiseerd.”;
(b)de leden 6 en 7 worden vervangen door:
“6. Bij het verrichten van de in lid 1 bedoelde toetsing en evaluatie voorziet de bevoegde autoriteit de relevante autoriteiten en, indien van toepassing, de in artikel 67 van Richtlijn 2014/65/EU bedoelde autoriteit, in een vroeg stadium van de nodige informatie, en raadpleegt zij hen in het bijzonder wat de werking van de door de CSD geëxploiteerde effectenafwikkelingssystemen betreft.
De geraadpleegde autoriteiten kunnen binnen drie maanden na ontvangst van de informatie door de bevoegde autoriteit een met redenen omkleed advies uitbrengen.
Indien een autoriteit niet binnen deze termijn advies uitbrengt, wordt zij geacht positief te hebben geadviseerd.
Indien ten minste één van de relevante autoriteiten een negatief met redenen omkleed advies uitbrengt, doet de bevoegde autoriteit de relevante autoriteiten binnen 30 kalenderdagen een met redenen omkleed besluit toekomen waarin het negatieve advies wordt behandeld.
Indien een relevante autoriteit binnen 30 kalenderdagen nadat het in de vierde alinea van dit lid bedoelde met redenen omklede besluit is genomen, opnieuw een negatief advies uitbrengt en de bevoegde autoriteit het daarmee niet eens is, stelt de bevoegde autoriteit die relevante autoriteit daarvan in kennis. Een autoriteit die een negatief advies heeft uitgebracht, kan de zaak voor bijstand naar de ESMA doorverwijzen overeenkomstig artikel 31, lid 2, punt c), van Verordening (EU) nr. 1095/2010.
Indien de zaak 30 kalenderdagen na te zijn voorgelegd aan de ESMA niet is geschikt, neemt de bevoegde autoriteit het definitieve besluit over de toetsing en evaluatie en stelt zij de relevante autoriteiten uitvoerig schriftelijk van haar motivering in kennis.
In negatieve adviezen worden schriftelijk de volledige en gedetailleerde redenen opgegeven waarom niet aan de vereisten van deze verordening of van andere vereisten van het Unierecht wordt voldaan.
7. De bevoegde autoriteit stelt regelmatig en ten minste om de twee jaar de relevante autoriteiten en, indien van toepassing, de in artikel 24 bis van deze verordening bedoelde colleges en de in artikel 67 van Richtlijn 2014/65/EU bedoelde autoriteit in kennis van de resultaten, waaronder de eventuele verhelpende maatregelen of boetes, van de in lid 1 van dit artikel bedoelde toetsing en evaluatie.”;
(c)in lid 11 wordt de tweede alinea vervangen door:
“De ESMA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op [PO: in te voegen datum = 1 jaar na de inwerkingtreding van deze verordening] in bij de Commissie.”.
7) In artikel 23 worden de leden 2 tot en met 7 vervangen door:
“2. Een vergunninghoudende CSD of een CSD die uit hoofde van artikel 17 een vergunningsaanvraag heeft ingediend, die voornemens is de in de punten 1 en 2 van afdeling A van de bijlage bedoelde kerndiensten te verrichten met betrekking tot de in artikel 49, lid 1, tweede alinea, bedoelde financiële instrumenten waarvan de uitgifte door het recht van een andere lidstaat wordt beheerst, of die in een andere lidstaat een bijkantoor willen oprichten, is aan de in de leden 3 tot en met 7 van dit artikel omschreven procedure onderworpen. De CSD mag die diensten pas verrichten nadat zij overeenkomstig artikel 17 een vergunning heeft verkregen, maar niet eerder dan de in overeenstemming met lid 6 toepasselijke relevante datum.
3. Elke CSD die voor de eerste maal de in lid 2 van dit artikel bedoelde diensten met betrekking tot de in artikel 49, lid 1, tweede alinea bedoelde financiële instrumenten waarvan de uitgifte door het recht van een andere lidstaat wordt beheerst, wil verrichten, of die het aanbod van die diensten wil uitbreiden, deelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst de volgende informatie mee:
a) de lidstaat van ontvangst;
b) een operationeel programma waarin met name wordt aangegeven welke diensten de CSD voornemens is te verrichten;
c) de valuta of valuta’s die de CSD voornemens is te verwerken;
d) indien er sprake is van een bijkantoor, de organisatiestructuur van het bijkantoor en de namen van de verantwoordelijken voor de leiding van het bijkantoor;
e) een beoordeling van de maatregelen die de CSD voornemens is te nemen om de naleving van het in artikel 49, lid 1, bedoelde nationale recht door haar gebruikers mogelijk te maken.
4. Binnen één maand na de ontvangst van de in lid 3 bedoelde informatie doet de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst mededeling van die informatie aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst tenzij zij, rekening houdend met de beoogde dienstverrichting, redenen heeft om te twijfelen aan de adequaatheid van de administratieve structuur of de financiële situatie van de CSD die haar diensten in de lidstaat van ontvangst wil verrichten. Indien de CSD reeds diensten verleent aan andere lidstaten van ontvangst, stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst ook het in artikel 24 bis bedoelde paspoortcollege daarvan in kennis.
De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst stelt de relevante autoriteiten van die lidstaat onverwijld in kennis van mededelingen die zij uit hoofde van de eerste alinea ontvangt.
5. Indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst overeenkomstig lid 4 besluit alle in lid 3 bedoelde informatie niet aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst mee te delen, verschaft zij aan de betrokken CSD de redenen voor die weigering binnen drie maanden na ontvangst van alle informatie, en stelt zij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst en het in artikel 24 bis bedoelde paspoortcollege in kennis van haar beslissing.
6. De CSD mag op de vroegste van de volgende datums beginnen met het verrichten van de in lid 2 bedoelde diensten in de lidstaat van ontvangst:
a) na één maand vanaf de datum van verzending van de in lid 4 bedoelde mededeling;
b) bij ontvangst van een mededeling van de bevoegde autoriteit in de lidstaat van ontvangst waarbij deze het verrichten van diensten in de lidstaat van ontvangst goedkeurt.
De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst stelt de CSD onmiddellijk in kennis van de datum van verzending van de in lid 4 bedoelde mededeling.
7. Bij een wijziging van de informatie die in de in overeenstemming met lid 3 van dit artikel ingediende documenten is opgenomen, stelt een CSD de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst ten minste één maand voordat zij de wijziging doorvoert schriftelijk van die wijziging in kennis. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst en het in artikel 24 bis bedoelde paspoortcollege worden door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst eveneens onverwijld van deze wijziging in kennis gesteld.”.
8) Artikel 24 wordt als volgt gewijzigd:
(a)aan lid 1 worden de volgende alinea’s toegevoegd:
“Op verzoek van een lid van het in artikel 24 bis bedoelde paspoortcollege kan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst medewerkers van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst en van de ESMA uitnodigen om deel te nemen aan inspecties ter plaatse.
De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst mag aan de ESMA alle informatie doorsturen die zij tijdens of in verband met inspecties ter plaatse van de CSD’s heeft ontvangen.”;
(b)lid 4 wordt geschrapt;
(c)lid 5 wordt vervangen door:
“5. Indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst duidelijke en aantoonbare redenen heeft om aan te nemen dat een CSD die overeenkomstig artikel 23 op haar grondgebied diensten verricht, niet voldoet aan de verplichtingen die uit de bepalingen van deze verordening voortvloeien, stelt zij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst, de ESMA en het in artikel 24 bis bedoelde paspoortcollege van die bevindingen in kennis.
Indien de CSD, in weerwil van door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst genomen maatregelen, blijft handelen in strijd met de verplichtingen die uit de bepalingen van deze verordening voortvloeien, neemt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst, na de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst daarover geïnformeerd te hebben, alle passende maatregelen die nodig zijn om de bepalingen van deze verordening op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst te doen naleven. De ESMA en het in artikel 24 bis bedoelde paspoortcollege worden onverwijld van die maatregelen in kennis gesteld.
De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst en de lidstaat van herkomst kunnen de zaak doorverwijzen naar de ESMA, die mag handelen in overeenstemming met de haar uit hoofde van artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 verleende bevoegdheden.”;
(d)de leden 7 en 8 worden geschrapt.
9) In titel III wordt de volgende afdeling 4 bis ingevoegd:
“Afdeling 4 bis
Samenwerking van autoriteiten via colleges
Artikel 24 bis
Colleges van toezichthouders voor CSD’s die diensten verrichten in een andere lidstaat en voor CSD’s die deel uitmaken van een groep met twee of meer CSD’s
1. In de volgende gevallen worden colleges van toezichthouders opgericht om de in lid 6 bedoelde taken uit te voeren:
a) wanneer een CSD onderworpen is aan de in artikel 23, leden 3 tot en met 7, bedoelde procedure (“paspoortcollege”);
b) wanneer een CSD deel uitmaakt van een groep die twee of meer in ten minste twee lidstaten vergunninghoudende CSD’s omvat (“college op groepsniveau”).
In het in de eerste alinea, punt a), bedoelde geval is de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de CSD belast met de oprichting, het beheer en het voorzitterschap van het paspoortcollege. Dat college wordt opgericht binnen één maand na de in artikel 23, lid 6, bedoelde datum. Indien de CSD uit hoofde van artikel 23, lid 3, latere kennisgevingen doet, nodigt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst de bevoegde autoriteiten van de relevante lidstaten van ontvangst binnen één maand na de in artikel 23, lid 6, bedoelde datum uit om deel te nemen aan het paspoortcollege.
In het in de eerste alinea, punt b), bedoelde geval, wanneer de moederonderneming een in de Unie vergunninghoudende CSD is, is de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van die CSD belast met de oprichting, het beheer en het voorzitterschap van het college op groepsniveau. Wanneer de moederonderneming geen in de Unie vergunninghoudende CSD is, is de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de CSD met het grootste balanstotaal belast met de oprichting, het beheer en het voorzitterschap van het college op groepsniveau.
In afwijking van de derde alinea mogen de bevoegde autoriteiten, indien de toepassing van de in die alinea bedoelde criteria ongepast zou zijn, in onderlinge overeenstemming van die criteria afzien en een andere bevoegde autoriteit van de CSD aanstellen die belast is met het beheer en het voorzitterschap van het college, rekening houdend met de betrokken CSD’s en het relatieve belang van hun activiteiten in de relevante lidstaten. In dergelijke gevallen heeft de moeder-CSD of de CSD met het hoogste balanstotaal, naargelang hetgeen van toepassing is, het recht te worden gehoord voordat de bevoegde autoriteiten het besluit nemen.
De bevoegde autoriteiten stellen de Commissie en de ESMA onverwijld in kennis van elke overeenkomst die overeenkomstig de vierde alinea is gesloten.
2. Het in lid 1 bedoelde college bestaat uit:
a) de ESMA;
b) de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de CSD;
c) de in artikel 12 bedoelde relevante autoriteiten;
d) in het geval van een paspoortcollege, de bevoegde autoriteit van de lidstaten van ontvangst;
e) in het geval van een college op groepsniveau, de bevoegde autoriteit en de relevante autoriteiten van elke CSD in de groep;
f) de EBA, wanneer aan een CSD een vergunning is verleend uit hoofde van artikel 54, lid 3.
3. Indien een aan de procedure van artikel 23, leden 3 tot en met 7, onderworpen CSD ook deel uitmaakt van een groep die twee of meer CSD’s omvat en haar bevoegde autoriteit voorzitter is van het college op groepsniveau, mag die bevoegde autoriteit besluiten dat voor de toepassing van lid 1, punten a) en b), van dit artikel voor die CSD slechts één college wordt opgericht. Indien een van de andere CSD’s binnen de groep ook aan de in artikel 23, leden 3 tot en met 7, bedoelde procedure onderworpen is, mag de voorzitter van het college die beslissing alleen met instemming van de bevoegde autoriteiten van die CSD’s nemen.
Indien een college dat is opgericht uit hoofde van de eerste alinea:
(a)wordt bijeengeroepen voor de uitoefening van de in lid 6, punten a) tot en met d), van dit artikel bedoelde taken, nemen de in lid 2, punten a) tot en met f), van dit artikel bedoelde autoriteiten met betrekking tot elke CSD binnen de groep deel aan die vergadering van het college;
(b)wordt bijeengeroepen voor de uitoefening van de in lid 6, punt e), van dit artikel bedoelde taken, nemen alleen de in lid 2, punten a), b), c), e) en, indien van toepassing, f), van dit artikel bedoelde autoriteiten deel aan die vergadering van het college.
4. De voorzitter stelt de ESMA binnen 30 kalenderdagen na de oprichting van het college in kennis van de samenstelling ervan, en van elke wijziging in de samenstelling ervan binnen 30 kalenderdagen na die wijziging. De ESMA maakt op haar website onverwijld de lijst bekend van de leden van dat college en houdt die lijst actueel.
5. De bevoegde autoriteit van een lidstaat die geen deel uitmaakt van het college, kan het college verzoeken om alle informatie die voor de uitoefening van haar toezichttaken relevant is.
6. Onverminderd de verantwoordelijkheden van de bevoegde autoriteiten uit hoofde van deze verordening zorgt het college voor:
(a)de uitwisseling van informatie, met inbegrip van verzoeken om informatie uit hoofde van de artikelen 13, 14 en 15 en informatie over het toetsings- en evaluatieproces uit hoofde van artikel 22;
(b)efficiënter toezicht door het vermijden van onnodige overlappende toezichtmaatregelen, zoals verzoeken om informatie;
(c)overeenstemming betreffende de vrijwillige toevertrouwing van taken onder haar leden;
(d)in het geval van een paspoortcollege, de samenwerking van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst overeenkomstig artikel 24 en met betrekking tot de in artikel 23, lid 4, punt e), bedoelde maatregelen, alsmede met betrekking tot eventuele problemen die zich voordoen bij het verrichten van diensten in andere lidstaten;
(e)in het geval van een college op groepsniveau, de uitwisseling van informatie over binnen een groep van CSD’s gedeelde middelen en uitbestedingsregelingen uit hoofde van artikel 19, over significante wijzigingen in de structuur en het eigendom van de groep, en over wijzigingen in de organisatie, het hoger management, processen of regelingen indien die wijzigingen een significant effect hebben op het bestuur of het risicobeheer voor de tot de groep behorende CSD’s.
De voorzitter roept ten minste eenmaal per jaar een vergadering van het college bijeen.
Teneinde de vervulling van de overeenkomstig de eerste alinea van dit lid aan de colleges opgedragen taken te vergemakkelijken, kunnen de leden van het in lid 2 bedoelde college punten toevoegen aan de agenda van een vergadering.
7. De oprichting en de werking van het college zijn gebaseerd op een schriftelijke overeenkomst tussen alle leden ervan.
In die overeenkomst worden de praktische regelingen voor de werking van het college vastgelegd, waaronder de modaliteiten van de communicatie tussen de leden van het college, en kan worden bepaald dat sommige taken aan de voor de CSD’s bevoegde autoriteit of een ander lid van het college worden toevertrouwd.
8. De ESMA stelt ontwerpen van technische reguleringsnormen op tot nadere invulling van de details van de in lid 7 bedoelde praktische regelingen.
De ESMA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op ... [PO: in te voegen datum = 1 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] in bij de Commissie.
Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.”.
10) Artikel 25 wordt als volgt gewijzigd:
(a)het volgende lid 2 bis wordt ingevoegd:
“2 bis. Een CSD van een derde land die voornemens is de in punt 3) van afdeling A van de bijlage bedoelde kerndiensten te verrichten met betrekking tot de in artikel 49, lid 1, tweede alinea, bedoelde financiële instrumenten waarvan de uitgifte door het recht van een lidstaat wordt beheerst, stelt de ESMA hiervan in kennis.”;
(b)in lid 6 wordt de vijfde alinea vervangen door:
“Binnen zes maanden na de indiening van een volledige aanvraag of vanaf de vaststelling van een gelijkwaardigheidsbesluit door de Commissie overeenkomstig lid 9, naargelang welke datum later valt, deelt de ESMA aan de hand van een volledig gemotiveerd besluit de aanvragende CSD schriftelijk mee of de erkenning is verleend of geweigerd.”;
(c)het volgende lid 13 wordt ingevoegd:
“13. De ESMA stelt ontwerpen van technische reguleringsnormen op tot nadere bepaling van de informatie die de CSD uit het derde land in de in lid 2 bis bedoelde kennisgeving aan de ESMA moet verstrekken. Deze informatie blijft beperkt tot wat strikt noodzakelijk is, met inbegrip van, indien van toepassing en beschikbaar:
(a)het aantal deelnemers uit de Unie aan wie de CSD van het derde land de in lid 2 bis bedoelde diensten verleent;
(b)het aantal en het volume van de tijdens het voorgaande jaar afgewikkelde transacties in financiële instrumenten waarvan de uitgifte door het recht van een lidstaat wordt beheerst;
(c)het aantal en het volume van de transacties die de deelnemers van de Unie in het voorgaande jaar hebben afgewikkeld.
De ESMA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op ... [PO: in te voegen datum = 1 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] in bij de Commissie.
Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.”.
11) In artikel 27 wordt het volgende lid 3 bis ingevoegd:
“3 bis. Voor de toepassing van de leden 2 en 3 wordt onder onafhankelijk lid van het leidinggevend orgaan verstaan een lid van het leidinggevend orgaan dat geen zakelijke, familiale of andere relatie heeft die aanleiding geeft tot een belangenconflict ten aanzien van de betrokken CSD of haar aandeelhouders met zeggenschap, haar management of haar deelnemers, en dat gedurende de vijf jaar voorafgaand aan zijn lidmaatschap van het leidinggevend orgaan geen dergelijke relatie heeft gehad.”.
12) In artikel 28 wordt lid 3 vervangen door:
“3. Gebruikerscomités adviseren het leidinggevend orgaan over belangrijke regelingen die gevolgen hebben voor hun leden, met inbegrip van de criteria voor het toelaten van uitgevende instellingen of deelnemers tot hun effectenafwikkelingssystemen en op dienstniveau, waaronder de keuze van een clearing- en afwikkelingsregeling, de exploitatiestructuur van de CSD, de omvang van de afgewikkelde of vastgelegde producten en het gebruik van technologie en procedures voor de activiteiten van de CSD.”.
13) Artikel 36 wordt vervangen door:
“Artikel 36
Algemene bepalingen
Voor elk effectenafwikkelingssysteem dat een CSD exploiteert, heeft zij passende regels en procedures, met inbegrip van robuuste boekhoudkundige praktijken en controles, om de integriteit van effectenuitgiftes te helpen te waarborgen, en de risico’s in verband met de veilige bewaring en afwikkeling van transacties in effecten te minimaliseren en te beheersen.”.
14) In artikel 40 wordt lid 2 vervangen door:
“2. Indien het niet praktisch en mogelijk is op rekeningen bij de centrale bank af te wikkelen, zoals bepaald in lid 1, kan een CSD aanbieden de betalingen in contanten voor al haar effectenafwikkelingssystemen of een deel ervan via bij een kredietinstelling geopende rekeningen, via een CSD waaraan een vergunning is verleend om de in afdeling C van de bijlage bedoelde diensten te verrichten, ongeacht of zij al dan niet tot dezelfde groep van ondernemingen behoort die uiteindelijk onder de zeggenschap van dezelfde moederonderneming staat, of via haar eigen rekeningen af te wikkelen. Indien een CSD aanbiedt op bij een kredietinstelling geopende rekeningen, via haar eigen rekeningen of via de rekeningen van een andere CSD af te wikkelen, neemt zij daarbij de bepalingen van titel IV in acht.”.
15) In artikel 49, lid 1, worden de tweede en de derde alinea vervangen door:
“Onverminderd het in de eerste alinea bedoelde recht van de uitgevende instelling blijft het vennootschapsrecht of ander vergelijkbaar recht van de lidstaat dat de uitgifte van de effecten beheerst, van toepassing. Het vennootschapsrecht of ander vergelijkbaar recht van de lidstaat dat de uitgave van effecten beheerst, omvat:
(a)het vennootschapsrecht of ander vergelijkbaar recht van de lidstaat waar de uitgevende instelling is gevestigd; en
(b)het vigerende vennootschapsrecht of ander vergelijkbaar recht dat de uitgave van effecten beheerst.
De lidstaten stellen een lijst op met de belangrijkste bepalingen ter zake uit hun nationale recht als bedoeld in de tweede alinea. De bevoegde autoriteiten brengen de lijst uiterlijk op 18 december 2014 ter kennis van de ESMA. De ESMA publiceert de lijst uiterlijk op 18 januari 2015. De lidstaten actualiseren die lijst regelmatig en ten minste om de twee jaar. Zij delen de geactualiseerde lijst met die regelmatige tussenpozen mee aan de ESMA. De ESMA publiceert de geactualiseerde lijst.”.
16) In artikel 52 wordt lid 1 vervangen door:
“1. Wanneer een CSD uit hoofde van de artikelen 50 en 51 een verzoek om toegang tot een andere CSD indient, behandelt de ontvangende CSD dit verzoek onmiddellijk en verstrekt zij binnen drie maanden een antwoord aan de verzoekende CSD. Indien de ontvangende CSD het verzoek inwilligt, wordt de koppeling binnen een redelijke termijn, maar niet langer dan twaalf maanden, tot stand gebracht.”.
17) Artikel 54 wordt als volgt gewijzigd:
(a)in lid 2 wordt punt b) vervangen door:
“b) voor dat doel een of meer kredietinstellingen aan te wijzen die overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2013/36/EU een vergunning hebben verkregen of een CSD die uit hoofde van lid 3 van dit artikel een vergunning heeft om bancaire nevendiensten te verrichten.”;
(b)lid 4, eerste alinea, wordt als volgt gewijzigd:
i) de aanhef wordt vervangen door:
“Indien een CSD een kredietinstelling wil aanwijzen of een CSD wil gebruiken die uit hoofde van lid 3 van dit artikel een vergunning heeft om bancaire nevendiensten te verrichten vanuit een afzonderlijke rechtspersoon, die deel kan uitmaken van een groep van ondernemingen waar de eerstgenoemde CSD toe behoort, ongeacht of deze onder de uiteindelijke zeggenschap van dezelfde moederonderneming staat, wordt de in lid 2 bedoelde vergunning alleen verleend mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:”;
ii) punt c) wordt geschrapt;
(c)lid 5 wordt vervangen door:
“5. Lid 4 is niet van toepassing op in lid 2, punt b), bedoelde kredietinstellingen die aanbieden de betalingen in contanten voor een deel van het effectenafwikkelingssystemen van de CSD af te wikkelen, indien de totale waarde van de afwikkeling van die betalingen in contanten via bij die kredietinstellingen geopende rekeningen minder bedraagt dan een maximumbedrag berekend over een periode van één jaar. Deze drempel wordt vastgesteld overeenkomstig lid 9.
De bevoegde autoriteit controleert ten minste één keer per jaar dat de in de eerste alinea bedoelde drempel in acht wordt genomen en stelt de ESMA, het ESCB en de EBA van haar bevindingen in kennis. Indien de bevoegde autoriteit constateert dat de drempel is overschreden, verzoekt zij de betrokken CSD een vergunning aan te vragen overeenkomstig lid 4. De betrokken CSD dient de vergunningsaanvraag binnen zes maanden in.”;
(d)het volgende lid 9 wordt toegevoegd:
“9. De EBA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met de ESMA en met de leden van het ESCB, ontwerpen van technische reguleringsnormen ter bepaling van het in lid 5 bedoelde maximumbedrag, rekening houdend met de noodzaak om een evenwicht te vinden tussen de krediet- en liquiditeitsrisico’s voor CSD’s die voortvloeien uit de afwikkeling van betalingen in contanten via bij kredietinstellingen geopende rekeningen en de noodzaak om CSD’s toe te staan in vreemde valuta’s af te wikkelen via bij die kredietinstellingen geopende rekeningen. Bij de ontwikkeling van deze ontwerpen van technische reguleringsnormen stelt de EBA, waar nodig, ook begeleidende passende vereisten inzake risicobeheer en prudentiële mitigatie vast.
De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op [PO: in te voegen datum = 1 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] in bij de Commissie.
Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.”.
18) In artikel 55, lid 5, wordt de eerste alinea vervangen door:
“De in lid 4, punten a) tot en met e), bedoelde autoriteiten brengen binnen twee maanden na ontvangst van de in dat lid bedoelde informatie een gemotiveerd advies over de vergunning uit. Indien een autoriteit niet binnen de in het vorige lid vastgestelde termijn advies uitbrengt, wordt zij geacht positief te adviseren.’.
19) Artikel 59 wordt als volgt gewijzigd:
a) lid 4 wordt als volgt gewijzigd:
i) de punten c), d) en e) worden vervangen door:
“c) zij houdt voldoende gekwalificeerde liquide middelen in alle betrokken valuta’s om in een breed scala van stressscenario’s tijdig afwikkelingsdiensten te kunnen verstrekken, waarbij de genoemde scenario’s onder meer betrekking hebben op het liquiditeitsrisico als gevolg van wanbetaling door ten minste twee deelnemers, met inbegrip van de respectieve moederonderneming en dochterondernemingen, met betrekking tot welke zij haar grootste blootstelling heeft;
d) zij beperkt de overeenkomstige liquiditeitsrisico’s met gekwalificeerde liquide middelen in elke betrokken valuta, zoals contanten bij de centrale bank van uitgifte en andere kredietwaardige financiële instellingen, gecommitteerde kredietlijnen of vergelijkbare overeenkomsten, zeer liquide zekerheden of beleggingen die gemakkelijk beschikbaar zijn en in contanten kunnen worden omgezet middels vooraf vastgestelde financieringsregelingen die zeer betrouwbaar zijn, zelfs onder extreme maar plausibele marktomstandigheden, en zij identificeert, meet en monitort het liquiditeitsrisico dat voortvloeit uit de diverse financiële instellingen waarvan zij voor de beheersing van haar liquiditeitsrisico’s gebruikmaakt;
e) indien zij gebruikmaakt van vooraf vastgestelde financieringsregelingen, gecommitteerde kredietlijnen of vergelijkbare overeenkomsten, kiest zij alleen kredietwaardige financiële instellingen als liquiditeitsverstrekkers; zij voert voor elk van de betrokken liquiditeitsverstrekkers, met inbegrip van haar moederonderneming en dochterondernemingen, passende concentratiegrenzen in en past die daarop toe;”;
ii) punt i) wordt vervangen door:
“i)
zij heeft vooraf vastgestelde, zeer betrouwbare regelingen om ervoor te zorgen dat zij de zekerheden die haar door een in gebreke blijvende cliënt zijn verstrekt, tijdig te gelde kan maken, en wanneer gebruik wordt gemaakt van niet-gecommitteerde overeenkomsten, toont zij aan dat alle daarmee gepaard gaande potentiële risico’s zijn onderkend en beperkt;”;
iii) het volgende punt k) wordt toegevoegd:
“k) zij monitort en beheert op adequate wijze alle risico’s, met inbegrip van relevante salderingsovereenkomsten met betrekking tot de geldzijde van het toegepaste afwikkelingsmodel.”;
b) in lid 5 wordt de tweede alinea vervangen door:
“De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op ... [PO: in te voegen datum = 1 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] in bij de Commissie.’.
20) Artikel 60 wordt als volgt gewijzigd:
(a)in lid 1 wordt de derde alinea vervangen door:
“De in de eerste alinea bedoelde bevoegde autoriteiten beoordelen regelmatig en ten minste jaarlijks of de aangewezen kredietinstelling of de CSD die een vergunning heeft gekregen om bancaire nevendiensten te verrichten, artikel 59 naleeft, en brengt het resultaat van het door haar uit hoofde van dit lid uitgeoefende toezicht, met inbegrip van eventuele verhelpende maatregelen of boetes, ter kennis van de voor de CSD bevoegde autoriteit, die op haar beurt de in artikel 55, lid 4, bedoelde autoriteiten en, waar van toepassing, de in artikel 24 bis bedoelde colleges inlicht.”;
(b)in lid 2 wordt de tweede alinea vervangen door:
“De voor de CSD bevoegde autoriteit stelt regelmatig en ten minste jaarlijks de in artikel 55, lid 4, bedoelde autoriteiten, en, waar van toepassing, de in artikel 24 bis bedoelde colleges, in kennis van de resultaten, met inbegrip van verhelpende maatregelen of boetes, van de in dit lid bedoelde toetsing en evaluatie.”.
21) Artikel 67 wordt als volgt gewijzigd:
(a)het volgende lid 2 bis wordt ingevoegd:
“2 bis. De in artikel 7, lid 14 bis, artikel 24 bis, lid 8, artikel 25, lid 13, en artikel 54, lid 9, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt voor onbepaalde tijd aan de Commissie toegekend met ingang van [PO: in te voegen datum = de datum van inwerkingtreding van deze verordening].”;
(b)lid 3 wordt vervangen door:
“3. De in artikel 2, lid 2, artikel 7, lid 14, artikel 24, lid 7, artikel 7, lid 14 bis, artikel 24 bis, lid 8, artikel 25, lid 13, en artikel 54, lid 9, bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de in dat besluit genoemde bevoegdheidsdelegatie. Het wordt van kracht op de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.”;
(c)lid 5 wordt vervangen door:
“5. Een overeenkomstig artikel 2, lid 2, artikel 7, lid 14, artikel 24, lid 7, artikel 7, lid 14 bis, artikel 24 bis, lid 8, artikel 25, lid 13, en artikel 54, lid 9, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met drie maanden verlengd.”.
22) In artikel 68 wordt het volgende lid 3 toegevoegd:
“3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011, in samenhang met artikel 5 van die verordening, van toepassing.”.
23) Artikel 69 wordt als volgt gewijzigd:
(a)lid 4 wordt vervangen door:
“4. De nationale voorschriften inzake de vergunningverlening aan CSD’s blijven van toepassing tot de volgende datum, naargelang welke datum eerder valt:
a) de datum waarop uit hoofde van deze verordening een besluit wordt genomen over de vergunningverlening aan CSD’s en voor hun activiteiten, inclusief CSD-koppelingen; of
b) ... [PO: in te voegen datum = 1 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening].”;
(b)de volgende leden 4 bis, 4 ter en 4 quater worden ingevoegd:
“4 bis. De nationale voorschriften inzake de erkenning van CSD’s van derde landen blijven van toepassing tot de volgende datum, naargelang welke datum eerder valt:
a) de datum waarop uit hoofde van deze verordening een besluit wordt genomen over de erkenning van de respectieve CSD’s van derde landen en van hun activiteiten; of
b) … [PO: in te voegen datum = 3 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening].
Een CSD van een derde land die de in afdeling A, punten 1) en 2), van de bijlage bedoelde kerndiensten verricht met betrekking tot de in artikel 49, lid 1, tweede alinea, bedoelde financiële instrumenten waarvan de uitgifte door het recht van een lidstaat wordt beheerst, uit hoofde van de toepasselijke nationale voorschriften inzake de erkenning van CSD’s van derde landen, dient binnen 2 jaar na [PO: in te voegen datum = de datum van inwerkingtreding van deze verordening] een kennisgeving in bij de ESMA.
De ESMA stelt ontwerpen van technische reguleringsnormen op tot nadere bepaling van de informatie die de CSD van het derde land in de in de tweede alinea bedoelde kennisgeving aan de ESMA moet verstrekken. Deze informatie blijft beperkt tot wat strikt noodzakelijk is, met inbegrip van, waar van toepassing en mogelijk:
(a)het aantal deelnemers aan wie de CSD van het derde land de in de tweede alinea bedoelde diensten verleent;
(b)de categorieën financiële instrumenten ten aanzien waarvan de CSD van het derde land dergelijke diensten verricht; en
(c)het totale volume en de totale waarde van dergelijke financiële instrumenten.
De ESMA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op [PO: in te voegen datum = 1 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] in bij de Commissie.
Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.
4 ter. Een CSD van een derde land die vóór ... [PO: in te voegen datum = de datum van inwerkingtreding van deze verordening] de in afdeling A, punt 3, van de bijlage bedoelde kerndiensten heeft verricht met betrekking tot de in artikel 49, lid 1, tweede alinea, bedoelde financiële instrumenten waarvan de uitgifte door het recht van een lidstaat wordt beheerst, dient de in artikel 25, lid 2 bis, bedoelde kennisgeving in binnen twee jaar vanaf ... [PO: in te voegen datum = de datum van inwerkingtreding van deze verordening].
4 quater. Indien een CSD vóór ... [PO: in te voegen datum = de datum van inwerkingtreding van deze verordening] een volledige erkenningsaanvraag in overeenstemming met artikel 25, leden 4, 5 en 6, heeft ingediend, maar de ESMA op die datum nog geen besluit in overeenstemming met artikel 25, lid 6, heeft genomen, blijven de nationale voorschriften inzake erkenning van CSD’s van toepassing totdat het ESMA-besluit is genomen.”;
(c)het volgende lid 6 wordt toegevoegd:
“6. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst richten vóór ... [PO: in te voegen datum = de datum van inwerkingtreding van deze verordening] uit hoofde van artikel 24 bis colleges op en beheren deze voor alle CSD’s die uit hoofde van artikel 23, lid 2, hun diensten verrichten met betrekking tot de financiële instrumenten waarvan de uitgifte door het recht van een andere lidstaat wordt beheerst, of uiterlijk op ... [PO: in te voegen datum = 4 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] voor de CSD’s die tot een groep behoren die andere CSD’s omvat.”.
24) Artikel 74 wordt als volgt gewijzigd:
(a)lid 1 wordt als volgt gewijzigd:
i) de aanhef wordt vervangen door:
“De ESMA dient, in samenwerking met de EBA en de bevoegde en de relevante autoriteiten, bij de Commissie verslagen in waarin beoordelingen van tendensen, potentiële risico’s en zwakke plekken en, indien noodzakelijk, aanbevelingen voor preventieve of verhelpende maatregelen op de markten voor diensten die onder deze verordening vallen, worden verricht. Die verslagen omvatten een beoordeling van de volgende elementen:”;
ii) punt a) wordt vervangen door:
“a) de afwikkelingsefficiëntie voor binnenlandse en grensoverschrijdende operaties voor elke lidstaat op basis van het aantal en het volume van mislukte afwikkelingsoperaties en de ontwikkeling daarvan, met inbegrip van een analyse van het effect van geldboetes op mislukte afwikkelingsoperaties voor alle instrumenten, de duur en belangrijkste oorzaken van mislukte afwikkelingsoperaties, de categorieën financiële instrumenten en markten waar de hoogste percentages mislukte afwikkelingsoperaties worden waargenomen en een internationale vergelijking van de percentages mislukte afwikkelingsoperaties, met inbegrip van een beoordeling van het bedrag van de in artikel 7, lid 2, bedoelde boetes en, voor zover van toepassing, het aantal en de volumes van de in artikel 7, leden 3 en 4, bedoelde buy-intransacties en alle andere relevante criteria;”;
iii) het volgende punt l) wordt toegevoegd:
“l) de behandeling van overeenkomstig artikel 25, lid 2 bis, ingediende kennisgevingen;”;
(b)het volgende lid 1 bis wordt ingevoegd:
“1 bis. De in lid 1 bedoelde verslagen worden als volgt bij de Commissie ingediend:
(a)ten minste om de twee jaar vanaf ... [PO: in te voegen datum = datum van inwerkingtreding van deze verordening] voor het in lid 1, punt a), bedoelde verslag;
(b)om de twee jaar voor de in lid 1, punten b) en c), bedoelde verslagen;
(c)jaarlijks tot ... [PO: in te voegen datum = 1 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] en om de drie jaar vanaf ... [PO: in te voegen datum = 1 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening], voor de in lid 1, punten d) en f), bedoelde verslagen;
(d)op verzoek van de Commissie, voor de in lid 1, punten e), h), j) en k), bedoelde verslagen;
(e)jaarlijks tot ... [PO: in te voegen datum = 1 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] en om de twee jaar vanaf ... [PO: in te voegen datum = 1 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] voor de in lid 1, punten i) en l), bedoelde verslagen.”;
(c)lid 2 wordt vervangen door:
“2. De in lid 1 bedoelde verslagen worden uiterlijk op 30 april van het betrokken jaar, als bepaald overeenkomstig de in lid 1 bis vastgestelde periodiciteit, aan de Commissie toegezonden.”.
25) Artikel 75 wordt vervangen door:
“Artikel 75
Toetsing
Uiterlijk op ... [PO: in te voegen datum = 5 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] toetst de Commissie deze verordening en stelt zij er een algemeen verslag over op. Dat verslag omvat in het bijzonder een beoordeling van de in artikel 74, lid 1, punten a) tot en met l), bedoelde kwesties, een beoordeling of er andere aanzienlijke belemmeringen van de mededinging in de onder deze verordening vallende diensten zijn die onafdoende worden ondervangen en een beoordeling van de potentiële behoefte aan andere maatregelen om:
a) de afwikkeling efficiënter te maken;
b) de gevolgen van het falen van CSD’s voor belastingbetalers te beperken;
c) de belemmeringen voor grensoverschrijdende afwikkeling te beperken;
d) te zorgen voor adequate bevoegdheden en informatie voor de autoriteiten om risico’s te monitoren.
De Commissie legt dat verslag voor aan het Europees Parlement en aan de Raad, samen met eventuele passende voorstellen.’.
Artikel 2
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgend op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 1, punt 2, a), punt 9, punt 10, a), punt 17, c), punt 19, a), en punt 23, b), tweede alinea, zijn evenwel van toepassing vanaf .... [PO: in te voegen datum = 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening].
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel,
Voor het Europees Parlement
Voor de Raad
De Voorzitter
De Voorzitter
FINANCIEEL MEMORANDUM
1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
1.1.Benaming van het voorstel/initiatief
1.2.Betrokken beleidsterrein(en)
1.3.Het voorstel/initiatief betreft:
1.4.Doelstelling(en)
1.4.1.Algemene doelstelling(en)
1.4.2.Specifieke doelstelling(en)
1.4.3.Verwacht(e) resulta(a)t(en) en gevolg(en)
1.4.4.Prestatie-indicatoren
1.5.Motivering van het voorstel/initiatief
1.5.1.Behoefte(n) waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief
1.5.2.Toegevoegde waarde van de betrokkenheid van de EU (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijv. coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder “toegevoegde waarde van de deelname van de Unie” verstaan de waarde die een optreden van de Unie oplevert bovenop de waarde die door een optreden van alleen de lidstaat zou zijn gecreëerd.
1.5.3.Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan
1.5.4.Verenigbaarheid met het meerjarige financiële kader en eventuele synergie met andere passende instrumenten
1.5.5.Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking
1.6.Duur en financiële gevolgen van het voorstel/initiatief
1.7.Geplande beheersvorm(en)
2.BEHEERSMAATREGELEN
2.1.Regels inzake het toezicht en de verslagen
2.2.Beheers- en controlesyste(e)m(en)
2.2.1.Rechtvaardiging van de voorgestelde beheersvorm(en), uitvoeringsmechanisme(n) voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie
2.2.2.Informatie over de geïdentificeerde risico’s en het (de) systeem (systemen) voor interne controle dat is (die zijn) opgezet om die risico’s te beperken
2.2.3.Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding van de controlekosten tot de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting).
2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden
3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
3.1.Rubriek(en) van het meerjarige financiële kader en betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven
3.2.Geraamde financiële gevolgen van het voorstel inzake kredieten
3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de beleidskredieten
3.2.2.Geraamde output, gefinancierd met operationele kredieten
3.2.3.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten
3.2.4.Verenigbaarheid met het huidige meerjarige financiële kader
3.2.5.Bijdragen van derden
3.3.Geraamde gevolgen voor de ontvangsten
FINANCIEEL MEMORANDUM
1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
1.1.Benaming van het voorstel/initiatief
Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 909/2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012.
1.2.Betrokken beleidsterrein(en)
Interne markt — Financiële diensten.
1.3.Het voorstel/initiatief betreft:
☒ een nieuwe actie
◻ een nieuwe actie na een proefproject / voorbereidende actie
◻ de verlenging van een bestaande actie
◻ de samenvoeging of ombuiging van een of meer acties naar een andere/een nieuwe actie
1.4.Doelstelling(en)
1.4.1.Algemene doelstelling(en)
Bijdragen tot een diepere en rechtvaardigere interne markt — een efficiëntere en stabielere markt voor afwikkeling in de EU creëren.
1.4.2.Specifieke doelstelling(en)
Specifieke doelstelling nr.
Dit voorstel heeft de volgende specifieke doelstellingen om de algemene doelstellingen voor de interne markt van de EU voor CSD-diensten te bereiken:
—
verminderen van de administratieve lasten en nalevingskosten, zonder de financiële stabiliteit in gevaar te brengen;
—
beperken van de belemmeringen voor grensoverschrijdende afwikkeling;
—
zorgen voor adequate bevoegdheden en informatie om risico’s te monitoren.
Verwacht(e) resulta(a)t(en) en gevolg(en)
Vermeld de gevolgen die het voorstel/initiatief moet hebben op de begunstigden/doelgroepen.
Het voorstel beoogt meer evenredige regels op het gebied van paspoorten, afwikkelingsdiscipline en bankdiensten, zodat de marktdeelnemers kunnen profiteren van een betere grensoverschrijdende dienstverlening, bv. op het gebied van de afwikkeling in vreemde valuta, en een meer evenredig toezicht, bv. colleges, toezicht door derde landen en samenwerking tussen toezichthouders.
1.4.3.Prestatie-indicatoren
Indicatoren voor de monitoring van de voortgang en de beoordeling van de resultaten.
Voor elke specifieke doelstelling zijn de volgende prestatie-indicatoren vastgesteld.
Verminderen van de administratieve lasten en nalevingskosten (door de ESMA):
—
EU-afwikkelingsefficiëntiepercentages.
—
Gemiddelde duur (in dagen) van mislukte afwikkelingsoperaties.
—
Aantal CSD’s dat grensoverschrijdende diensten verricht, toegang heeft tot bankdiensten, afwikkeling in vreemde valuta verricht, gebruik kan maken van de uitzondering onder de drempel.
—
Aantal landen waarin CSD’s grensoverschrijdende diensten verrichten.
Beperken van de belemmeringen voor grensoverschrijdende afwikkeling (door de ESMA, het ESCB, de CSD’s):
—
Aantal CSD’s dat grensoverschrijdende diensten verricht, toegang heeft tot bankdiensten, afwikkeling in vreemde valuta verricht, gebruik kan maken van de uitzondering onder de drempel.
—
Aantal landen waarin CSD’s grensoverschrijdende diensten verrichten.
—
Groei van afwikkeling in vreemde valuta.
Zorgen voor adequate bevoegdheden en informatie om risico’s te monitoren (door de ESMA):
—
Aantal CSD’s van derde landen dat erkenning heeft aangevraagd.
—
Aantal door EU-CSD’s opgerichte colleges.
1.5.Motivering van het voorstel/initiatief
1.5.1.Behoefte(n) waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien, met een gedetailleerd tijdschema voor de uitrol van het initiatief
Uit de evaluatie van de CSDR ongeveer vijf jaar na de invoering ervan in 2014 is gebleken dat de afwikkeling in de EU weliswaar aanzienlijk is toegenomen, maar dat de grensoverschrijdende afwikkeling een relatief tragere groei heeft gekend, voornamelijk als gevolg van suboptimale afwikkeling in vreemde valuta en anderszins restrictieve vereisten. Bovendien moeten de toezichtinstrumenten en -mogelijkheden gelijke tred houden met de risico’s op de Europese markt, zoals CSD’s van derde landen die tot dusver van het erkenningsvereiste zijn vrijgesteld.
Met de uitvoering van dit voorstel, met inbegrip van de mogelijke verdere ontwikkeling ervan op niveau 2, zullen de hoofdzakelijk meer evenredige vereisten naar verwachting ongeveer één jaar nadat de medewetgevers overeenstemming hebben bereikt en het voorstel in werking is getreden door zowel de toezichthoudende gemeenschap als de markt worden opgenomen.
1.5.2.Toegevoegde waarde van de betrokkenheid van de EU (deze kan het resultaat zijn van verschillende factoren, bijv. coördinatiewinst, rechtszekerheid, grotere doeltreffendheid of complementariteit). Voor de toepassing van dit punt wordt onder “toegevoegde waarde van de deelname van de Unie” verstaan de waarde die een optreden van de Unie oplevert bovenop de waarde die door een optreden van alleen de lidstaat zou zijn gecreëerd.
Redenen voor een EU-optreden (vooraf)
De EU-afwikkelingsmarkt is een onlosmakelijk onderdeel van de financiële markt van de EU. Als zodanig moet het optreden van de EU ervoor zorgen dat de regelgevingsvereisten van de CSDR doeltreffender, efficiënter en evenrediger zijn, op uniforme wijze worden toegepast en een gezond en consistent regelgevingskader voor effectenafwikkeling in de EU en de activiteiten van CSD’s waarborgen. De EU-afwikkelingsmarkt is, samen met de financiële markt van de EU, een essentiële hoeksteen voor de ontwikkeling van de kapitaalmarktenunie en voor het waarborgen van een veilige en efficiënte interne markt voor financiële diensten.
Verwachte gegenereerde toegevoegde waarde van de Unie (achteraf)
De doelstellingen van de CSDR, namelijk het vaststellen van uniforme vereisten voor de afwikkeling van financiële instrumenten in de EU en van voorschriften inzake de organisatie en het gedrag van CSD’s, ter bevordering van een veilige, efficiënte en vlotte afwikkeling, vormen een essentiële bouwsteen voor een succesvolle financiële interne markt in de EU, reeds gezien de grensoverschrijdende component. Lidstaten en nationale toezichthouders kunnen het bevorderen of vergemakkelijken van grensoverschrijdende afwikkeling, laat staan het kader voor CSD’s van derde landen, niet alleen oplossen. In het Actieplan voor de opbouw van een kapitaalmarktenunie van 2020 wordt uitdrukkelijk erkend dat een wijziging van de CSDR kan bijdragen tot de ontwikkeling van een meer geïntegreerd transactieverwerkingslandschap in de EU en aldus tot de ontwikkeling van de kapitaalmarktenunie.
1.5.3.Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan
In dit voorstel wordt rekening gehouden met de ervaringen die met andere, soortgelijke wetgevingspakketten op het gebied van financiële diensten zijn opgedaan. Paspoorten zijn bijvoorbeeld een bekend en beproefd onderwerp op andere gebieden van de financiële dienstverlening. Ook op andere gebieden van de financiële dienstverlening zijn regelingen van derde landen van kracht, evenals colleges van toezichthouders; deze ervaringen uit het verleden worden in aanmerking genomen bij het opstellen van de nieuwe voorgestelde voorschriften.
1.5.4.Verenigbaarheid met het meerjarige financiële kader en eventuele synergie met andere passende instrumenten
Dit voorstel en de specifieke vereisten ervan zijn in overeenstemming met de huidige regelingen voor financiële diensten binnen het meerjarig financieel kader, met de standaardpraktijken voor het inzetten van de EU-begroting en met de huidige praktijken van DG FISMA bij de planning en budgettering van nieuwe voorstellen.
Bovendien zijn de doelstellingen van het initiatief consistent met een aantal andere EU-beleidslijnen en lopende initiatieven gericht op: i) de ontwikkeling van de kapitaalmarktenunie en ii) de verbetering van de efficiëntie en doeltreffendheid van de coördinatie van het toezicht op EU-niveau, zowel binnen als buiten de EU.
Ten eerste is het consistent met de voortdurende inspanningen van de Commissie om de kapitaalmarktenunie (“KMU”) verder te ontwikkelen. Verdere convergentie van het toezicht op de afwikkelingsmarkten kan bijdragen tot de ontwikkeling van hechtere en beter geïntegreerde kapitaalmarkten, aangezien efficiëntere en robuustere CSD’s van essentieel belang zijn voor een goed functionerende KMU. In het Actieplan voor de opbouw van een kapitaalmarktunie van september 2020 werd benadrukt dat de kapitaalmarkten van de EU dringend verder moeten worden ontwikkeld en geïntegreerd. Omgekeerd zal het ontstaan van grotere en meer liquide financiële markten dankzij de KMU ertoe leiden dat nog meer transacties via CSD’s worden afgewikkeld en zal de systeemrelevantie van CSD’s verder toenemen. Gezien het potentieel voor grotere volumes is een verdere verbetering van het toezichtkader vereist om een sterke en stabiele KMU te waarborgen.
Ten tweede is het consistent met actie 16 van het Actieplan voor de opbouw van een kapitaalmarktunie van 2020, waarin wordt onderstreept dat de Commissie zal werken aan een sterker gemeenschappelijk rulebook voor de kapitaalmarkten door na te gaan of er behoefte is aan verdere harmonisatie van de EU-voorschriften en door de vorderingen op het gebied van convergentie in het toezicht te monitoren, waarbij wordt opgemerkt dat de Commissie onder meer kan overwegen maatregelen voor te stellen voor een sterkere toezichtcoördinatie door de Europese toezichthoudende autoriteiten.
.
Ten derde is het consistent met het gelijkwaardigheidsbeleid van de Commissie met niet-EU-landen, zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie van 2019 over gelijkwaardigheid op het gebied van financiële diensten. .
1.5.5.Beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties, waaronder mogelijkheden voor herschikking
1.6.Duur en financiële gevolgen van het voorstel/initiatief
◻ beperkte geldigheidsduur
–◻
van kracht vanaf [DD/MM]JJJJ tot en met [DD/MM]JJJJ
–◻
financiële gevolgen vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor vastleggingskredieten en vanaf JJJJ tot en met JJJJ voor betalingskredieten.
☒ onbeperkte geldigheidsduur
–Uitvoering met een opstartperiode vanaf JJJJ tot en met JJJJ,
–gevolgd door een volledige uitvoering.
1.7.Beheersvorm(en)
◻ Direct beheer door de Commissie
–◻ door haar diensten, waaronder het personeel in de delegaties van de Unie;
–◻
door de uitvoerende agentschappen
◻ Gedeeld beheer met de lidstaten
☒ Indirect beheer door begrotingsuitvoeringstaken te delegeren aan:
–◻ derde landen of de door hen aangewezen organen;
–◻ internationale organisaties en hun agentschappen (geef aan welke);
–◻ de EIB en het Europees Investeringsfonds;
–☒ de in de artikelen 70 en 71 van het Financieel Reglement bedoelde organen;
–◻ publiekrechtelijke organen;
–◻ privaatrechtelijke organen met een openbare dienstverleningstaak, voor zover zij zijn voorzien van voldoende financiële garanties;
–◻ privaatrechtelijke organen van een lidstaat, waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd en die voldoende financiële garanties bieden;
–◻ personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen op het gebied van het GBVB in het kader van titel V van het VEU is toevertrouwd en die worden genoemd in de betrokken basishandeling.
–Indien meer dan een beheersvorm is aangekruist, extra informatie onder “Opmerkingen”.
Opmerkingen
2.BEHEERSMAATREGELEN
2.1.Regels inzake het toezicht en de verslagen
Vermeld frequentie en voorwaarden.
Conform reeds bestaande regelingen brengt de ESMA periodiek verslag uit over haar werkzaamheden (met inbegrip van interne verslaglegging aan de hoogste leiding, MB-verslaglegging en een zesmaandelijks activiteitenverslag aan de raad van toezicht en de opstelling van het jaarverslag) en wordt zij onderworpen aan audits van de Rekenkamer en de Dienst Interne Audit wat het gebruik van middelen betreft. Bij de monitoring en verslaglegging in verband met de thans voorgestelde maatregelen zullen dezelfde reeds geldende voorschriften in acht worden genomen.
2.2.Beheers- en controlesyste(e)m(en)
2.2.1.Rechtvaardiging van de voorgestelde beheersvorm(en), uitvoeringsmechanisme(n) voor financiering, betalingsvoorwaarden en controlestrategie
Met betrekking tot het juridische, economische, efficiënte en effectieve gebruik van uit het voorstel voortvloeiende kredieten vallen geen nieuwe risico’s te verwachten die momenteel niet in een bestaand kader voor interne controle aan bod komen.
2.2.2.Informatie over de geïdentificeerde risico’s en het (de) systeem (systemen) voor interne controle dat is (die zijn) opgezet om die risico’s te beperken
De beheers- en controlesystemen waarin de ESMA-verordening voorziet, zijn reeds tot stand gebracht. De ESMA werkt nauw samen met de Dienst Interne Audit van de Commissie om ervoor te zorgen dat op alle terreinen van de interne controle aan de toepasselijke normen wordt voldaan. Deze regelingen gelden ook ten aanzien van de rol van de ESMA in het kader van het onderhavige voorstel. Er worden jaarlijkse internecontroleverslagen toegezonden aan de Commissie, het Parlement en de Raad.
2.2.3.Raming en motivering van de kosteneffectiviteit van de controles (verhouding van de controlekosten tot de waarde van de desbetreffende financiële middelen) en evaluatie van het verwachte foutenrisico (bij betaling en bij afsluiting).
2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden
Vermeld de bestaande en geplande preventie- en beschermingsmaatregelen, bijvoorbeeld in het kader van de fraudebestrijdingsstrategie.
Met het oog op de bestrijding van fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten is Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) onverkort op de ESMA van toepassing.
De ESMA treedt toe tot het Interinstitutioneel akkoord van 25 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en treft onverwijld passende voorzieningen die op alle personeelsleden van de ESMA van toepassing zijn.
De financieringsbesluiten en de overeenkomsten en uitvoeringsinstrumenten bepalen uitdrukkelijk dat de Rekenkamer en OLAF alle nodige controles ter plaatse mogen uitvoeren bij de begunstigden van door de ESMA toegekende financiering en bij het personeel dat verantwoordelijk is om de financiering toe te kennen.
3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
3.1.Rubriek(en) van het meerjarige financiële kader en betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven
·Bestaande begrotingsonderdelen
In volgorde van de rubrieken van het meerjarige financiële kader en de begrotingsonderdelen.
|
Rubriek van het meerjarig financieel kader
|
Begrotingsonderdeel
|
Soort uitgaven
|
Bijdrage
|
|
|
Nummer
|
GK/NGK
|
van EVA-landen
|
van kandidaat-lidstaten
|
van derde landen
|
in de zin van artikel 21, lid 2, punt b), van het Financieel Reglement
|
|
|
[XX.YY.YY.YY]
|
GK/NGK
|
JA/NEE
|
JA/NEE
|
JA/NEE
|
JA/NEE
|
·Te creëren nieuwe begrotingsonderdelen
In volgorde van de rubrieken van het meerjarige financiële kader en de begrotingsonderdelen.
|
Rubriek van het meerjarig financieel kader
|
Begrotingsonderdeel
|
Soort uitgaven
|
Bijdrage
|
|
|
Nummer
|
GK/NGK
|
van EVA-landen
|
van kandidaat-lidstaten
|
van derde landen
|
in de zin van artikel 21, lid 2, punt b), van het Financieel Reglement
|
|
|
[XX.YY.YY.YY]
|
|
JA/NEE
|
JA/NEE
|
JA/NEE
|
JA/NEE
|
3.2.Geraamde financiële gevolgen van het voorstel inzake kredieten
3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de beleidskredieten
–☒
Voor het voorstel/initiatief zijn geen beleidskredieten nodig
–◻
Voor het voorstel/initiatief zijn beleidskredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:
In miljoen EUR (tot op drie decimalen)
|
Rubriek van het meerjarig financieel
kader
|
Nummer
|
|
|
DG: <…….>
|
|
|
Jaar N
|
Jaar N+1
|
Jaar N+2
|
Jaar N+3
|
Voeg zoveel jaren toe als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)
|
TOTAAL
|
|
• Beleidskredieten
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Begrotingsonderdeel
|
Vastleggingen
|
(1a)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Betalingen
|
(2a)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Begrotingsonderdeel
|
Vastleggingen
|
(1b)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Betalingen
|
(2b)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Begrotingsonderdeel
|
|
(3)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
TOTAAL kredieten
voor DG <…….>
|
Vastleggingen
|
= 1a + 1b + 3
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Betalingen
|
= 2a + 2b
+3
|
|
|
|
|
|
|
|
|
• TOTAAL beleidskredieten
|
Vastleggingen
|
(4)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Betalingen
|
(5)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
• TOTAAL uit het budget van specifieke programma’s gefinancierde administratieve kredieten
|
(6)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
TOTAAL kredieten
onder RUBRIEK <….>
van het meerjarige financiële kader
|
Vastleggingen
|
= 4 + 6
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Betalingen
|
= 5 + 6
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Wanneer het voorstel/initiatief gevolgen heeft voor meerdere beleidsrubrieken, herhaal bovenstaand deel:
|
• TOTAAL beleidskredieten (alle beleidsrubrieken)
|
Vastleggingen
|
(4)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Betalingen
|
(5)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
TOTAAL uit het budget van specifieke programma's gefinancierde administratieve kredieten (alle beleidsrubrieken)
|
(6)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
TOTAAL kredieten
onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 6
van het meerjarige financiële kader
(Referentiebedrag)
|
Vastleggingen
|
= 4 + 6
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Betalingen
|
= 5 + 6
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Rubriek van het meerjarig financieel
kader
|
7
|
“Administratieve uitgaven”
|
Dit deel moet worden ingevuld aan de hand van de “administratieve begrotingsgegevens”, die eerst moeten worden opgenomen in
de bijlage bij het financieel memorandum
(Bijlage V bij de interne voorschriften), te uploaden in DECIDE met het oog op overleg tussen de diensten.
In miljoen EUR (tot op drie decimalen)
|
|
|
|
Jaar
N
|
Jaar N+1
|
Jaar N+2
|
Jaar N+3
|
Voeg zoveel jaren toe als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)
|
TOTAAL
|
|
DG: <…….>
|
|
• Personele middelen
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
• Andere administratieve uitgaven
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
TOTAAL DG <…….>
|
Kredieten
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
TOTAAL kredieten
voor RUBRIEK 7
van het meerjarige financiële kader
|
(totaal vastleggingen = totaal betalingen)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
In miljoen EUR (tot op drie decimalen)
|
|
|
|
Jaar N
|
Jaar N+1
|
Jaar N+2
|
Jaar N+3
|
Voeg zoveel jaren toe als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)
|
TOTAAL
|
|
TOTAAL kredieten
onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 7
van het meerjarige financiële kader
|
Vastleggingen
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Betalingen
|
|
|
|
|
|
|
|
|
3.2.2.Geraamde output, gefinancierd met operationele kredieten
Vastleggingskredieten, in miljoen EUR (tot op drie decimalen)
|
Vermeld doelstellingen en outputs
⇩
|
|
|
Jaar
N
|
Jaar N+1
|
Jaar N+2
|
Jaar N+3
|
Voeg zoveel jaren toe als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)
|
TOTAAL
|
|
|
OUTPUTS
|
|
|
Soort
|
Gem. kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Totaal aantal
|
Totale kosten
|
|
SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 1…
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
- Output
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
- Output
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
- Output
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 1
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 2…
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
- Output
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 2
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
TOTAAL
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
3.2.3.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten
–☒
Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten nodig.
–◻
Voor het voorstel/initiatief zijn administratieve kredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:
In miljoen EUR (tot op drie decimalen)
|
|
Jaar
N
|
Jaar N+1
|
Jaar N+2
|
Jaar N+3
|
Voeg zoveel jaren toe als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)
|
TOTAAL
|
|
RUBRIEK 7
van het meerjarige financiële kader
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Personele middelen
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Andere administratieve uitgaven
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Subtotaal RUBRIEK 7 van het meerjarige financiële kader
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Buiten RUBRIEK 7
van het meerjarig financieel kader
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Personele middelen
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Andere administratieve uitgaven
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Subtotaal buiten RUBRIEK 7
van het meerjarige financiële kader
|
|
|
|
|
|
|
|
|
De benodigde kredieten voor personele middelen en andere administratieve uitgaven zullen worden gefinancierd uit de kredieten van het DG die reeds voor het beheer van deze actie zijn toegewezen en/of binnen het DG zijn herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.
3.2.3.1.Geraamde personeelsbehoeften
–☒
Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig.
–◻
Voor het voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:
Raming in voltijdequivalenten
|
|
Jaar
N
|
Jaar N+1
|
Jaar N+2
|
Jaar N+3
|
Voeg zoveel jaren toe als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)
|
|
• Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen)
|
|
20 01 02 01 (zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
20 01 02 03 (delegaties)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
01 01 01 01 (onderzoek door derden)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
01 01 01 11 (eigen onderzoek)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Ander begrotingsonderdeel (te vermelden)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
•Extern personeel (in voltijdequivalenten: (VTE)
|
|
20 02 01 (AC, END, INT van de “totale financiële middelen”)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
20 02 03 (AC, AL, END, INT en JPD in de delegaties)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
XX 01 xx yy zz
|
– zetel
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
– in delegaties
|
|
|
|
|
|
|
|
|
01 01 01 02 (AC, END, INT — onderzoek door derden)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
01 01 01 12 (AC, END, INT — eigen onderzoek)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Ander begrotingsonderdeel (te vermelden)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
TOTAAL
|
|
|
|
|
|
|
|
XX is het beleidsterrein of de begrotingstitel.
Voor de benodigde personele middelen zal een beroep worden gedaan op het personeel van het DG dat reeds voor het beheer van deze actie is toegewezen en/of binnen het DG is herverdeeld, eventueel aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen worden toegewezen.
Beschrijving van de uit te voeren taken:
|
Ambtenaren en tijdelijk personeel
|
|
|
Extern personeel
|
|
3.2.4.Verenigbaarheid met het huidige meerjarige financiële kader
Het voorstel/initiatief:
–☒
kan volledig worden gefinancierd door middel van herschikking binnen de relevante rubriek van het meerjarig financieel kader (MFK).
Zet uiteen welke herprogrammering nodig is, onder vermelding van de betrokken begrotingsonderdelen en de desbetreffende bedragen. Verstrek een Excel-tabel in het geval van een omvangrijke herprogrammeringsexercitie.
–◻
hiervoor moet een beroep worden gedaan op de niet-toegewezen marge in de desbetreffende rubriek van het MFK en/of op de speciale instrumenten zoals gedefinieerd in de MFK-verordening.
Zet uiteen wat nodig is, onder vermelding van de betrokken rubrieken en begrotingsonderdelen, de desbetreffende bedragen en de voorgestelde instrumenten.
–◻
hiervoor is een herziening van het MFK nodig.
Zet uiteen wat nodig is, onder vermelding van de betrokken rubrieken en begrotingsonderdelen en de desbetreffende bedragen.
3.2.5.Bijdragen van derden
Het voorstel/initiatief:
–☒
voorziet niet in medefinanciering door derden
–◻
voorziet in medefinanciering door derden, zoals hieronder wordt geraamd:
Kredieten in miljoen EUR (tot op drie decimalen)
|
|
Jaar N
|
Jaar N+1
|
Jaar N+2
|
Jaar N+3
|
Voeg zoveel jaren toe als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)
|
Totaal
|
|
Vermeld de medefinancieringsbron
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
TOTAAL medegefinancierde kredieten
|
|
|
|
|
|
|
|
|
3.3.Geraamde gevolgen voor de ontvangsten
–☒
Het voorstel/initiatief heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten.
–◻
Het voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven financiële gevolgen:
voor de eigen middelen
voor overige ontvangsten
Geef aan of de ontvangsten worden toegewezen aan de begrotingsonderdelen voor uitgaven
In miljoen EUR (tot op drie decimalen)
|
Begrotingsonderdeel voor ontvangsten:
|
Voor het lopende begrotingsjaar beschikbare kredieten
|
Gevolgen van het voorstel/initiatief
|
|
|
|
Jaar
N
|
Jaar N+1
|
Jaar N+2
|
Jaar N+3
|
Voeg zoveel jaren toe als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)
|
|
Artikel ….
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Vermeld voor de toegewezen ontvangsten het (de) betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven.
Andere opmerkingen (bijv. over de methode/formule voor de berekening van de gevolgen voor de ontvangsten of andere informatie).